"Drommels," zei Koenraad, "het is gelukkig dat Ned Land niet bij ons is."
"Waarom, Koen?"
"Omdat die dolle harpoenier alles zou doodslaan."
"Alles, dat is nog al veel; maar ik geloof niet, dat wij onzen Amerikaanschen vriend hadden kunnen beletten eenige van die prachtige exemplaren te harpoenen. Kapitein Nemo zou daar zeer boos om zijn geworden, want hij vergiet ongaarne het bloed van weerlooze dieren."
"Hij heeft gelijk."
"Zeker, Koen. Maar zeg eens, heb jij op die schoone dieren nooit jacht gemaakt?"
"Mijnheer weet wel," antwoordde Koenraad, "dat ik niet zeer sterk ben in de practijk, maar als mijnheer mij de namen van die beesten genoemd heeft…."
"Het zijn zeekalven en robben."
"Twee soorten uit de orde de vleeschetende zoogdieren," antwoordde
Koen haastig.
"Goed, Koen," zei ik, "maar laat ons nu voortgaan,"
Het was acht uur; wij moesten nog vier uur wachten voor wij de zon zouden kunnen waarnemen. Ik ging naar een uitgestrekte baai, die een inham vormde in de granietrotsen op den oever. Zoover ons gezicht reikte, waren de oevers van de ijsschotsen met zeedieren bedekt, en onwillekeurig zag ik uit naar den ouden Proteus, den herder, die volgens de fabelleer de kudden van Neptunus weidde. Het waren meestal zeekalven; de wijfjes pasten op de jongen, de mannetjes hielden de wacht. Als zij van de eene plaats naar de andere gingen, deden zij kleine sprongen, en steunden daarbij gedeeltelijk op hun zwemvliezen, die bij de met hen verwante zeekoeien veel hadden van armen. Ik moet erkennen, dat die dieren met hun bevallige bewegingen en gladharige huid verwonderlijk zwommen; als zij op het strand lagen, namen zij allerlei bevallige houdingen aan; het is dus geen wonder, dat de ouden ze dichterlijk met tritons en sirenen vergeleken. Er waren er onder, die men, omdat zij een lengte van zes tot zeven meter bereikten, zeeolifanten noemt.
"Zijn die dieren niet gevaarlijk?" vroeg Koenraad.
"Neen," antwoordde ik, "behalve als men ze aanvalt. Als een zeekalf zijn jong verdedigt, is het beest woedend, en het is niet zelden gebeurd dat het een sloep verbrijzelt."
"Het dier heeft gelijk," zei Koen.
"Dat ontken ik niet."
Twee kilometer verder stuitten wij op een voorgebergte, dat de baai tegen den zuidewind beschutte. Het rees loodrecht uit zee op, en het zeeschuim spatte er tegen aan; aan de andere zijde der rots hoorden wij een geraas alsof er een troep vee loeide.
"Mooi," zei Koen, "een stierenconcert."
"Neen, mijn vriend, dat zijn zeedieren."
"Vechten zij?"
"Zij vechten en spelen."
"Dat moeten wij eens zien, als mijnheer het goedvindt."
"Zeker, Koen."
En wij beklommen de zwarte rotsen, waarbij dikwijls onverwacht groote steenen naar beneden vielen, terwijl het ijs ons pad hier en daar vrij glad maakte. Ik viel meermalen, en bezeerde mij dan erg. Koenraad was voorzichtiger, of stond vaster op zijn beenen, ten minste hij struikelde bijna niet en hielp mij telkens op, waarbij hij zeide: "Als mijnheer zoo goed wilde zijn om zijn beenen verder van elkaar te zetten, zou mijnheer beter blijven staan."
Toen wij boven op de rots kwamen, zagen wij een groote witte vlakte voor ons vol walrussen; de beesten speelden met elkander, en brulden van genoegen, maar niet van woede. Zij geleken wel wat op zeekalven, maar waren wat grooter; hun bovensnijtanden staken uit den bek en waren ongeveer twee en een halven decimeter lang; de tanden zijn harder dan die van den olifant en worden minder spoedig geel, waarom zij zeer gezocht zijn. Er wordt dan ook onophoudelijk jacht op gemaakt, zoodat ze weldra tot den laatste zullen uitgeroeid zijn; althans er worden er jaarlijks meer dan vierduizend gedood.
Na een tijd lang te hebben staan kijken, dacht ik er over om terug te keeren. Het was elf uur, en als kapitein Nemo een gunstig oogenblik voor waarnemingen had, wenschte ik daarbij te zijn. Ik verwachtte echter niet, dat de zon zich dien dag zou vertoonen, want de gezichteinder was met dikke wolken bedekt; het scheen alsof de zon dat ontoegankelijk punt van den aardbol voor stervelingen niet wilde aanwijzen. Ik ging echter naar den Nautilus terug en volgde een smal voetpad, dat over den top der klip liep. Om half twaalf waren wij op de landingsplaats; de kapitein had zich met de sloep aan wal laten brengen, met zijn instrumenten bij zich. Hij keek naar den noordelijken gezichteinder, waar de zon haar korte loopbaan beschreef. Ik ging naast hem staan en wachtte zonder spreken. Het werd twaalf uur, maar even als den vorigen dag bleef de zon onzichtbaar.
Het was treurig; nogmaals konden er geen waarnemingen geschieden. Als dit den volgenden dag niet gebeurde, moesten wij de zaak bepaald opgeven. Want wij hadden juist den 20sten Maart, den volgenden dag was het dag- en nachtevening en zou de zon voor zes maanden onder den gezichteinder verdwijnen; dan begon de lange Poolnacht. Sedert 21 September was zij aan den noordelijken gezichteinder verdwenen, had zich in een spiraalvormige loopbaan verheven tot 21 December en was toen weer gaan dalen, om den volgenden dag haar laatste stralen over het Poolland te werpen.
Ik deelde mijn opmerkingen en mijn vrees aan den kapitein mede.
"Gij hebt gelijk, mijnheer Aronnax," zei hij, "als ik morgen de zonshoogte niet kan waarnemen, moet ik dit zes maanden uitstellen. Maar als de zon zich morgen vertoont, zal het, juist omdat het dan 21 Maart is, gemakkelijk wezen om te twaalf uur onze waarneming te doen."
"Hoe zoo?" vroeg ik.
"Ik heb den chronometer alleen noodig," antwoordde hij. "Als morgen om twaalf uur de zonneschijf door den noordelijken horizon juist midden door gedeeld wordt, zijn wij aan de Zuidpool. Het spreekt van zelf, dat ik de straalbreking daarbij in rekening moet brengen."
"Juist," zei ik. "Maar toch is deze waarneming niet wiskundig zeker, omdat de dag- en nachtevening niet precies om twaalf uur plaats heeft."
"Zonder twijfel, mijnheer, maar ik zal mij toch geen honderd meter vergissen, en meer hebben wij niet noodig; tot morgen dus."
De kapitein keerde naar boord terug. Koenraad en ik bleven tot vijf uur aan land, om te ontdekken en ons te oefenen. Ik kreeg geen enkel merkwaardig voorwerp in handen, behalve het bijzonder groot ei van een vetgans, waarvoor een liefhebber misschien vijfhonderd gulden zou betaald hebben. Het ei was van Isabella-kleur en zeldzaam door de streepjes en figuurtjes, die er als hieroglyphen op stonden. Ik gaf het aan Koenraad, en deze bracht het met de noodige voorzichtigheid ongeschonden aan boord. Ik legde dit zeldzame ei onder een van de glasramen in den salon. Daarna soupeerde ik met een heerlijk stukje lever van een zeekalf, dat wel wat naar varkensvleesch smaakte. Toen ik naar bed ging, deed ik als de Hindoes, en riep voor den volgenden dag de gunsten in van de zon.
Den volgenden morgen, 21 Maart, was ik op het plat, en vond er kapitein Nemo.
"Het weer klaart wat op," zei hij. "Ik heb goeden moed. Na het ontbijt zullen wij aan land gaan om een geschikte plaats voor onze waarneming uit te kiezen."
Toen zocht ik Ned Land op en wilde hem overhalen met ons mee te gaan, maar de koppige Amerikaan weigerde, en ik zag wel dat zijn stilzwijgen en zijn halsstarrigheid met den dag toenamen. Evenwel betreurde ik in deze omstandigheden zijn koppigheid niet, want er waren te veel zeekalven aan land, en men moest zulk een harpoenier niet aan onweerstaanbare verzoeking blootstellen.
Na het ontbijt ging ik aan wal. De Nautilus was des nachts nog eenige kilometers opgevaren. Hij lag op ruim vier kilometer van de kust, boven welke een bergtop van vier- of vijfhonderd meter uitstak. Behalve mijn persoon bevonden zich in de sloep de kapitein, twee zijner manschappen en de instrumenten, dat is te zeggen: een chronometer, een kijker en een barometer.
Gedurende onzen overtocht zag ik tal van walvisschen. Drie soorten treft men in de zuidelijke Poolzee aan; de Engelschen noemen ze right-whale, hump-back, en fine-back. De eerste heeft geen rugvinnen, de tweede groote plooien in den buik en witachtige vinnen, de derde is geelbruin van kleur en de vlugste van alle walvisschen. Men kan deze reusachtige dieren reeds in de verte ontwaren aan het water, dat zij tot aanmerkelijke hoogte opspuiten, met een kracht die wolken van damp doet opgaan. Deze dieren dartelden in het stille water, zoodat ik begreep, dat de Poolzee hun een toevluchtsoord was tegen de vijanden, die hen met hevigheid vervolgden.
Ik onderscheidde ook lange schoolen visschen, tot de klasse der kabeljauwen behoorende, benevens groote troepen weekdieren en zeekwallen, wiegelende tusschen de kammen der golfjes.
Om negen uur waren wij aan land. De hemel werd helderder en de wolken dreven naar het Zuiden. De mist, die op het water lag, trok op. Kapitein Nemo richtte den steven naar den bergtop, waarvan hij misschien zijn observatorium wilde maken. Het beklimmen daarvan koste veel moeite, door de puntige stukken lava en puimsteen, te midden eener atmosfeer, bedorven door opstijging van zwavelachtige dampen, die in hun kolommen tusschen de rotsspleten naar boven drongen. Voor iemand, op het land niet meer gewoon, beklom de kapitein de steile hellingen met een vlugheid en behendigheid, die ik niet kon nabootsen en een gemzenjager hem zou benijd hebben.
Wij hadden twee uur noodig om den top dezer rots van porfier en basalt te bereiken. Van daar strekte onze blik zich uit over een zee, die aan den noordelijken gezichteinder duidelijk van de lucht was afgescheiden. Voor onze voeten strekte zich een schitterend witte vlakte uit, boven ons hoofd welfde zich een lichtblauwe hemel zonder eenigen nevel; in het noorden vertoonde zich de zonneschijf als een vurige bol, waarvan de gezichteinder aan de onderzijde een stuk scheen te hebben afgesneden. Uit de zee werden prachtige waterstralen als fonteinen door de walvisschen opgespoten. In de verte lag de Nautilus als een slapende walvisch op het water. Achter ons, in het Zuiden en Oosten, strekte zich een verbazend groot land uit, dat met een ontzaglijke menigte rotsblokken en ijsschotsen bedekt was en waarvan men het einde niet kon bespeuren.
Toen kapitein Nemo op den top kwam, ging hij met den barometer zorgvuldig de hoogte na, omdat hij dit bij zijn waarneming in rekening moest brengen. Kwartier voor twaalven scheen de zon, die slechts door straalbreking zichtbaar was, als een gouden schijf en wierp haar stralen op dit eenzaam land en over die zee, door den mensch nog nooit met schepen doorkliefd.
Kapitein Nemo bekeek met een kijker, die door middel van spiegels de straalbreking verbeterde, het hemellichaam, dat in zeer schuine richting langzamerhand onder den gezichteinder wegzonk. Ik had den chronometer in de hand; mijn hart klopte hevig: indien het verdwijnen van de benedenste helft der schijf samenviel met het twaalfde uur op den chronometer, dan waren wij aan de POOL.
"Twaalf uur!" riep ik.
"De Zuidpool!" antwoordde de kapitein met ernstige stem, terwijl hij mij den kijker gaf, waardoor ik kon zien, dat de dagvorst door den gezichteinder juist in twee helften verdeeld was. Ik zag de laatste stralen op de rotspunten terugkaatsen en de schaduwen langzamerhand toenemen.
Op dat oogenblik legde de kapitein de hand op mijn schouder en zei: "In 1600 bereikten de Hollanders, door een zeestroom meegesleept, den 64sten graad; de beroemde Cook drong door tot 67° 30' en in 1774 zelfs tot 71° 15'; de Engelschman Weddel kwam tot 74° 15' en James Ross bereikte in 1842 met de Erebus en Terror 78° 4'; welnu ik, kapitein Nemo, heb op 21 Maart 1868 de Zuidpool op 90° bereikt, en ik neem bezit van dit gedeelte van den aardbol, dat als zesde werelddeel gelden kan."
"In wiens naam, kapitein?"
"In mijn naam, mijnheer!"
Terwijl hij dit zei, ontrolde kapitein Nemo een zwarte vlag, waar midden in een witte N was geborduurd. Daarop keerde hij zich naar de zon, wier laatste stralen nog aan den gezichteinder verschenen, en riep hij uit:
"Vaarwel, zon! Verdwijn, schitterende dagvorst! Verberg u achter deze vrije zee, en laat een nacht van zes maanden met zijn schaduwen neerdalen over mijn nieuw gebied!"
HOOFDSTUK XXXIX
Ongeluk of toeval.
Den volgenden dag, 22 Maart, maakte men zich te zes uur des morgens reeds tot het vertrek gereed. De laatste schemering verdween; het was scherp koud; de sterren flikkerden zeer helder; boven ons schitterde het wonderschoone Zuiderkruis, de poolster der zuiderstreken.
De thermometer stond op twaalf graden onder nul, en als de wind wat aanwakkerde, sneed deze ons het gezicht bijna stuk. De zee scheen overal te zullen dichtvriezen. Tallooze zwarte plekken toonden reeds de vorming van het jonge ijs; de zee zou dus gedurende de zes wintermaanden waarschijnlijk geheel ontoegankelijk zijn. Waar bleven de walvisschen in dien tijd? Zonder twijfel zochten zij, onder de ijsbank door, een open zee. De zeekalven en walrussen, die beter tegen het ruwe klimaat konden, bleven in deze bevroren streken. Deze dieren graven, door instinct gedreven, gaten in het ijs en weten die open te houden. Door die gaten kunnen zij ademhalen, en als dan de vogels ook voor de koude vluchten, dan zijn deze dieren de eenige bewoners dezer poolstreken.
De vergaarbakken waren vol water en de Nautilus zonk langzamerhand naar beneden. Op een diepte van 350 meter hield hij stil; de schroef begon te werken, en wij stevenden met een snelheid van vijftien kilometer in het uur naar het noorden. Tegen den avond dreven wij reeds onder de onmetelijke ijsbank. Uit voorzichtigheid waren de ramen van den salon gesloten, want de Nautilus kon wel eens tegen een drijvend ijsblok stooten; ik bracht dien dag dus door met mijn aanteekeningen in het net te schrijven. Mijn geest was nog vervuld van de wonderen der Pool; zonder moeite of gevaar hadden wij dit ontoegankelijk punt bereikt, alsof wij er over een effen spoorbaan waren heengereden. En nu keerden wij inderdaad terug. Moest ik mij nogmaals op dergelijke verrassingen voorbereiden? Ik dacht het wel, want het aantal der onderzeesche wonderen is niet te tellen. Sedert vijf en een halve maand, dat wij aan boord waren, hadden wij 14000 kilometer afgelegd en hoeveel zonderlings, wonderbaarlijks of vreeselijks had die reis reeds niet opgeleverd; de jacht in de bosschen van Crespo, de stranding in de Torresstraat, het koralen kerkhof, de parelvisscherij bij Ceylon, de Arabische tunnel, de vulkanische verschijnselen van Santorino, de schatten in de baai van Vigo, het verdwenen Atlantis, de Zuidpool! Dien nacht stonden mij al die zaken telkens in mijn droomen weer voor den geest.
Om drie uur in den morgen werd ik wakker door een hevigen schok. Ik ging in mijn bed overeind zitten en luisterde, toen ik plotseling midden in de kamer werd geworpen. De Nautilus had dus gestooten en hing blijkbaar geheel op zijde. Te midden van de grootste duisternis tastte ik langs den wand en kroop door de gangen naar den salon, die verlicht was. De meubels waren omver geworpen. Gelukkig stonden de glazen kasten met kostbaarheden overeind, omdat zij op den vloer waren vastgeschroefd. De schilderijen aan stuurboord hingen pal tegen den wand, die aan bakboord waren er bijna een halven meter van verwijderd. De Nautilus helde dus naar stuurboordzijde over en lag geheel onbeweeglijk.
Ik hoorde voetstappen en het geluid van stemmen, doch de kapitein verscheen niet. Op het oogenblik dat ik den salon, wilde verlaten, kwamen Ned Land en Koenraad binnen.
"Wat is er gaande?" vroeg ik aanstonds.
"Dat kom ik mijnheer vragen," antwoordde Koenraad.
"Duizend duivels!" bromde de Amerikaan, "ik weet het wel. De Nautilus is gestrand en nu geloof ik niet, dat de kast zich er uit zal redden, zooals de eerste keer in de Torresstraat."
"Maar wij zijn ten minste aan de oppervlakte der zee?" vroeg ik.
"Dat weten wij niet," antwoordde Koenraad.
"Dat kunnen wij gemakkelijk zien," en naar den manometer gaande, zag ik tot mijn groote verbazing, dat wij op een diepte van 360 meter lagen.
"Wat beteekent dat?" riep ik uit.
"Dat moet den kapitein gevraagd worden," zei Koenraad.
"Waar is hij te vinden?" vroeg Ned Land.
"Volgt mij," zei ik tot mijn beide makkers.
Wij verlieten den salon; in de bibliotheek was niemand. Ik dacht, dat de kapitein misschien bij den stuurman was; het beste was dus hem te wachten, waarom wij alle drie naar den salon teruggingen.
Ik ga de verwenschingen van Ned Land met stilzwijgen voorbij; hij kon zich naar hartelust opwinden; ik liet hem uitrazen zonder hem in de rede te vallen. Wij wachtten zoo wat twintig minuten en luisterden naar elk gerucht, toen de kapitein binnen kwam; hij scheen ons niet te zien. Zijn gelaat, dat gewoonlijk zoo kalm was, drukte nu eenige ongerustheid uit. Hij bekeek langzaam het kompas, den manometer, en wees met den vinger op een punt der wereldkaart, daar waar de zuidelijke poolzee zich bevond.
Ik wilde hem niet storen; toen hij zich echter na eenige oogenblikken naar mij toekeerde, vroeg ik hem het tegenovergestelde van mijn vraag in de Torresstraat.
"Een toeval, kapitein?"
"Neen, mijnheer ditmaal is het een ongeluk."
"Ernstig?"
"Misschien."
"Is er oogenblikkelijk gevaar?"
"Neen."
"Heeft de Nautilus gestooten?"
"Ja."
"En hoe kwam dit?"
"Door een speling der natuur, niet door menschelijke onbekwaamheid. Er is bij onze vaart geen enkele fout begaan. Doch men kan de wetten van het evenwicht niet tegengaan, men kan zich wel tegen de menschelijke wetten, maar niet tegen die van de natuur verzetten."
Het oogenblik was zonderling gekozen om zich aan wijsgeerige bespiegelingen over te geven; het antwoord verklaarde mij bovendien niets.
"Mag ik ook weten, kapitein, waardoor dit ongeluk veroorzaakt wordt?" vroeg ik.
"Een ontzaglijk ijsblok, een heele ijsberg heeft zich omgekeerd. Wanneer de ijsbergen van onder door het water of door herhaalde schokken worden ondermijnd, dan rijst hun zwaartepunt en kunnen zij omkantelen: dit is nu gebeurd. Een van die ijsgevaarten heeft bij zijn kanteling tegen den Nautilus gestooten, is daarna langs liet vaartuig heen gegleden, doch heeft, toen het na den val weer begon te rijzen, het schip met onweerstaanbare kracht naar boven geduwd; wij zitten nog eenigermate vast en liggen daarom op zijde."
"Kan dan de Nautilus niet loskomen, als de vergaarbakken leeg worden gepompt?"
"Dat gebeurt op dit oogenblik, mijnheer: gij kunt de pompen hooren werken, kijk maar eens naar den wijzer van den manometer; die wijst aan, dat de Nautilus rijst; maar de ijsberg rijst met ons, en als niets die rijzing tegenhoudt, zal onze stand niet veranderen."
De Nautilus helde altijd nog naar stuurboordzijde over; hij zou eerst recht gaan liggen als de ijsbank stuitte. Doch wie weet of wij dan de onderzijde van de ijsbank niet zouden bereiken en tusschen de beide ijsmassaas verpletterd worden?
Ik dacht over onzen toestand na; de kapitein keek enkel naar den manometer. De Nautilus was nu ongeveer vijftig meter gerezen, maar hij lag nog altijd op zijde. Plotseling voelden wij een lichte beweging in het vaartuig; het richtte zich dus een weinig op; laagzamerhand namen de schilderijen in den salon den vorigen stand weer in, en stonden de wanden weer bijna loodrecht; niemand van ons sprak een woord; met kloppend hart voelden wij ons oprichten; de vloer lag weer horizontaal onder onze voeten: tien minuten gingen zoo voorbij.
"Eindelijk liggen wij recht!" riep ik.
"Jawel!" zei de kapitein, terwijl hij naar de deur ging.
"Zullen wij weer voort kunnen varen?"
"Zeker," antwoordde hij, "omdat de waterbakken nog niet ledig zijn; als ze dat waren, moest de Nautilus naar de oppervlakte stijgen."
De kapitein ging heen, en ik bemerkte weldra dat men de stijgende beweging van den Nautilus op zijn bevel had doen ophouden. Hij zou ook weldra tegen den onderkant van de ijsbank zijn aangestooten en het was beter om het vaartuig vrij te laten drijven.
"Dat zijn wij mooi ontkomen!" zei Koenraad.
"Ja zeker; wij konden tusschen die ijsblokken verpletterd of ten minste vastgekneld zijn, en dan zonder versche lucht!"
"Ja, ja, wij zijn er best afgekomen!"
"Als het gedaan is!" mompelde Ned Land.
Ik wilde met den Amerikaan niet gaan twisten en antwoordde derhalve niet. Bovendien openden zich op dit oogenblik de zijwanden, en viel het electrisch licht naar binnen. Wij waren in het ruime sop, maar op tien meter afstand verhief zich aan elke zij van den Nautilus een schitterende ijsmuur; dit was boven en onder ons evenzeer het geval. Boven ons, want de onderzijde der ijsbank vormde een reuzengewelf; onder ons, omdat de losgeraakte ijsberg bij zijn rijzen gestuit was tegen een paar naar beneden uitstekende wanden, en dus een vasten stand had ingenomen. De Nautilus bewoog zich nu in een tunnel van ijs; het was gemakkelijk om er uit te komen, hetzij het vaartuig voor- of achteruit ging, om dan later weer in eenige honderden meters dieper vaarwater den vrijen tocht onder de ijsbank door voort te zetten.
Het licht in het plafond was uit en toch was de salon schitterend verlicht; dit kwam omdat de ijswanden het licht van de lantaarn krachtig terugkaatsten. Ik zou geen woorden kunnen vinden om de prachtige uitwerking der lichtstralen op die grillig gevormde ijsblokken te beschrijven; elke hoek, elke spleet, elk kristal wierp een ander schijnsel van zich, dat verschilde naarmate er gekleurde aderen door het ijs liepen. Het was een mijn van de schitterendste edelgesteenten; vooral waren het de blauwe lichtstralen van de saffier, die zich aan het groen der smaragden paarden. Hier en daar was het alsof er diamanten tusschen waren gestrooid, zoodat het oog den glans ternauwernood kon verdragen. Het licht van de lantaarn werd honderd malen versterkt, evenals het licht eener lamp door allerlei lenzen in een vuurtoren.
"Wat is dat schoon!" riep Koenraad.
"Ja," zei ik, "het is een prachtig schouwspel; dunkt je ook niet, Ned?"
"Ja, voor den drommel!" antwoordde Ned Land. "Het is prachtig, maar ik ben woedend dat ik het bekennen moet. Zoo iets heb ik van mijn leven niet gezien; maar dat moois kan ons duur te staan komen, want ik geloof dat wij nu dingen zien, die God voor het oog der menschen heeft willen verbergen!"
Ned had gelijk; het was al te prachtig. Plotseling keerde ik mij om op een kreet van Koenraad.
"Wat is er?" vroeg ik.
"Mijnheer moet zijn oogen dicht doen en niet kijken!" Koen hield zelf de handen voor de oogen.
"Maar wat is er dan?"
"Ik ben blind!" riep hij.
Ik keek onwillekeurig naar het raam, maar kon mijn oogen niet naar die zijde gericht houden. Ik begreep wat het was: de Nautilus had zich met groote snelheid in beweging gezet; alle schitterende kristallen der ijsmuren waren daardoor voor het oog vurige strepen geworden, de schittering dezer millioenen diamanten smolt tot één vuur te zamen. De Nautilus voer daardoor als het ware in een zee van vuur. De wanden van den salon werden daarop dichtgeschoven; wij hielden de handen voor de oogen, omdat ons netvlies aangedaan was alsof wij in het al te felle zonlicht hadden zitten staren; er was eenige tijd noodig voordat onze oogen aan de duisternis gewend waren. Eindelijk namen wij de handen voor de oogen weg.
"Zoo iets had ik nooit kunnen gelooven," zei Koenraad.
"En ik geloof het nog niet," antwoordde de Amerikaan.
"Als wij weer aan land komen," voegde Koenraad er bij, "zullen wij verzadigd zijn van al die wonderen: maar wat zullen wij dan wel denken van die ellendige landjes en al dat nietige werk van menschenhanden! Neen, de bewoonde aarde is onzer niet meer waardig."
Die woorden, in den mond van een kalmen Vlaming, bewezen genoegzaam in welke mate zijn opgewondenheid gestegen was.
Maar de Amerikaan koelde hem wat af door te zeggen:
"De bewoonde aarde!" en schudde het hoofd. "Wees maar bedaard, vriend
Koen, die zullen wij niet weerzien!"
Het was toen vijf uur in den morgen. Op dat oogenblik stiet de voorsteven van den Nautilus. Ik begreep dat de ijzeren spoor tegen een ijsblok had gestooten. Misschien was het een klein toeval, want die onderzeesche tunnel, hier en daar door ijsblokken verstopt, moest niet gemakkelijk te bevaren zijn. Ik dacht dus dat kapitein Nemo zijn tocht zou wijzigen en de hinderpalen te boven komen, of al de kronkelingen van den tunnel zou volgen. In allen gevalle kon onze tocht voorwaarts niet geheel en al verhinderd worden; doch tegen mijn verwachting begon de Nautilus achteruit te loopen.
"Wij gaan terug!" riep Koenraad.
"Ja," antwoordde ik, "de tunnel schijnt aan die zijde geen opening te hebben."
"En dan?"
"Dan is onze beweging gemakkelijk te verklaren. Wij gaan achteruit en zullen er door de zuidelijke opening uitkomen. Dat is alles."
Toen ik zoo sprak, wilde ik kalmer schijnen dan ik het inderdaad was. Echter ging de Nautilus hoe langer hoe sneller achterwaarts en sleepte ons in razende vaart mee.
"Dat is een oponthoud," zei ik.
"Wat komen er eenige uren op aan, als wij er maar uitkomen!"
Ik liep gedurende eenige oogenblikken van den salon naar de bibliotheek heen en weer; mijn makkers zaten zwijgend te peinzen; ik viel op een rustbank neer en nam een boek in de hand, waar ik slechts werktuiglijk een oog in wierp.
Een kwartier daarna naderde Koenraad mij en zei:
"Leest mijnheer daar een belangwekkend boek?"
"Zeer belangwekkend," antwoordde ik.
"Dat geloof ik wel, het is mijnheers eigen boek," zei hij lachend.
"Mijn boek?"
Waarlijk, ik had mijn werk over de groote diepten der zee in handen. Ik had dit zelf niet gezien. Ik sloeg het boek dicht, en hervatte mijn wandeling. Ned en Koen wilden weggaan.
"Blijft hier, vrienden," zei ik, terwijl ik hen tegenhield. "Wij moeten bij elkander blijven totdat wij uit den tunnel zijn."
"Zooals mijnheer goedvindt," antwoordde Koenraad.
Er verliepen eenige uren. Ik zag dikwijls naar de instrumenten die aan den wand hingen. De manometer wees aan dat de Nautilus voortdurend op een diepte van 300 meter bleef; het kompas dat hij steeds zuidwaarts voer; de log, dat hij met een snelheid van twintig kilometer in het uur achteruitging, een snelheid, die in zulk een nauw vaarwater buitensporig was. Maar kapitein Nemo wist, dat hij zich niet te zeer kon haasten, en dat minuten voor hem eeuwen waren.
Vijf minuten voor half negen, stootte de Nautilus ten tweeden male, doch ditmaal van achteren. Ik verbleekte; mijn makkers kwamen dichter bij mij; ik greep Koenraads hand; wij ondervroegen elkander met de oogen, en dat op welsprekender wijze dan wij het met woorden hadden kunnen doen.
Op dat oogenblik kwam de kapitein in den salon, en ik trad op hem toe.
"Is onze weg naar het Zuiden versperd?" vroeg ik.
"Ja, mijnheer; de ijsberg heeft zich omgekeerd en alle uitgangen gestopt."
"Zijn wij dus ingesloten?"
"Ja."
HOOFDSTUK XL
Geen lucht.
Derhalve een ondoordringbare ijsmuur boven, beneden en rondom den Nautilus; wij zaten in de ijsbank gevangen! De Amerikaan sloeg met de vuist op de tafel; Koenraad zweeg, ik keek den kapitein aan; zijn gelaat had de gewone kalmte hernomen. Hij had de armen over elkander geslagen, en scheen na te denken. De Nautilus bewoog zich niet. Daarna nam de kapitein het woord:
"Mijne heeren," zei hij op bedaarden toon, "er zijn twee wijzen van sterven in de omstandigheden waarin wij verkeeren."
Deze onverklaarbare man had iets van een hoogleeraar in de wiskunde, die voor zijn leerlingen de een of andere stelling bewees.
"De eerste manier," vervolgde hij, "is om te sterven door verplettering, de tweede door verstikking. Ik spreek niet van de mogelijkheid om den hongerdood te sterven, want de proviand van den Nautilus zal langer duren dan wij. Laten wij dus alleen over de beide eerste gevallen spreken."
"Voor stikken behoeven wij niet bang te zijn, kapitein," antwoordde ik, "want onze vergaarbakken zijn vol."
"Juist," hernam Nemo, "maar dat is maar voor twee dagen genoeg. Wij zijn nu al zes en dertig uren onder water, zoodat het zeer noodig is de lucht in den Nautilus te ververschen. Over tweemaal vier en twintig uren zal onze voorraad uitgeput zijn."
"Welnu, kapitein, dan moeten wij vóor dien tijd bevrijd zijn."
"Wij zullen het tenminste beproeven, door den muur te doorboren, die ons insluit."
"Aan welken kant?" vroeg ik.
"Dat zal de peiling leeren. Ik zal den Nautilus op den onderkant van den tunnel laten rusten, en dan zullen mijn manschappen met hun scaphanders aan, den ijsberg aan de minst dikke zijde aantasten."
"Mogen de wanden van den salon open?"
"Zeker, want wij liggen stil."
De kapitein ging heen. Een gesis onderrichtte mij weldra dat de waterbakken volstroomden. De Nautilus daalde langzaam, en stuitte eindelijk op den ijsvloer op een diepte van 350 meter.
"Vrienden," zei ik, "de toestand is ernstig, doch ik reken op uw moed en geestkracht."
"Mijnheer," antwoordde de Amerikaan, "ik zal u nu niet vervelen met mijn klaagliederen. Ik ben bereid om alles te doen voor het algemeen behoud."
"Goed zoo, Ned," zei ik, terwijl ik hem de hand toestak.
"En ik voeg er nog bij," hernam hij, "dat ik even goed het houweel als den harpoen hanteer, en dat als de kapitein denkt dat ik hem nuttig kan zijn, hij over mij kan beschikken."
"Hij zal je hulp niet weigeren; kom maar mee."
Ik bracht den Amerikaan naar het vertrek waar de mannen van den Nautilus bezig waren de scaphanders aan te doen. Ik deelde den kapitein Neds voorstel mede, dat hij aannam. De Amerikaan trok een scaphander aan en was even spoedig als de anderen gereed. Elk hunner droeg een toestel van Rouquayrol met een voorraad zuivere lucht op den rug. De vergaarbakken van den Nautilus werden daardoor nog al beroofd, doch, 't was noodig. De lampen van Ruhmkorff waren onnoodig in dit electrisch verlichte water.
Toen Ned was aangekleed, ging ik naar den salon terug, waar de wanden geopend waren, en naast Koenraad staande, bekeek ik de ijsmuren eens, waartusschen de Nautilus lag.
Eenige oogenblikken later zagen wij een twaalftal mannen op het ijs komen; Ned Land was door zijn lengte te herkennen. De kapitein was er ook bij.
Voordat hij in de muren liet hakken, beval hij boringen te doen om den goeden uitslag te verzekeren en te verhaasten. Er werden diepe gaten in de zijmuren gemaakt, doch na vijftien meter diep geboord te hebben, stiet men nog altijd op den ijsmuur. Het was onnoodig den muur boven ons te onderzoeken, omdat zich daar de ijsbank zelf bevond, die meer dan vierhonderd meter dik was. Toen liet de kapitein den bodem onderzoeken; daar scheidden ons maar tien meter ijs van het water; er moest dus een stuk worden uitgehakt, dat zoo groot was als de doorsnee van ons vaartuig; er waren dus 6500 kubieke meter op te ruimen, om daardoor een gat te krijgen, waardoor wij onder het ijsveld weer in het vaarwater zouden kunnen komen.
Het werk werd onmiddellijk aangevangen en met onvermoeide werkzaamheid voortgezet. In plaats van om den Nautilus te graven, want dit zou een zeer moeielijk werk zijn geweest, liet de kapitein een groote geul op acht meter afstands rondom den Nautilus afbakenen; daarna boorden zijn manschappen er op verschillende punten te gelijk in. Weldra viel men met het houweel op deze vaste massa aan, waarvan men spoedig groote blokken loshakte. Volgens de wetten der zwaartekracht vlogen de blokken, die minder wogen dan het water, om zoo te zeggen naar het gewelf, dat daardoor zooveel dikker als de bodem dunner werd. Doch dit kwam er niet op aan, als de bodem maar slonk.
Na twee uren van onafgebroken arbeid kwam Ned Land afgemat weer binnen. Zijn makkers en hij werden door anderen vervangen, waartoe ook Koenraad en ik behoorden. De stuurman van den Nautilus bestierde onzen arbeid.
Het scheen mij toe dat het water erg koud was, doch ik werd spoedig warm door het werk. Ik was vrij in mijn bewegingen, hoewel mijn lichaam een drukking van dertig atmosferen ondervond. Toen ik na twee uren werkens weer binnen kwam om wat te eten en te rusten, vond ik een merkbaar verschil tusschen de lucht uit het toestel van Rouquayrol en de atmosfeer die ons in den Nautilus omringde. Sedert tweemaal vier en twintig uur was de lucht niet ververscht en de levenskracht er dus van afgenomen.
Echter hadden wij in twaalf uren tijds maar één meter dikte van het ijs opgeruimd; als dus het werk op dezelfde wijze werd door-gezet, dan zouden wij nog vijf nachten en vier dagen hebben noodig gehad om te eindigen.
"Vijf nachten en vier dagen!" zei ik tot mijn makkers, "en wij hebben maar voor twee dagen lucht in onze vergaarbakken."
"Zonder nog te rekenen, dat, als wij uit die vervloekte gevangenis verlost zijn," zei Ned, "wij dan nog onder de ijsbank zitten en geen gemeenschap hebben met de buitenlucht."
Die opmerking was juist, want wie kon berekenen hoeveel tijd wij op zijn minst noodig hadden voor onze bevrijding? Zouden wij niet gestikt zijn voordat de Nautilus weer de oppervlakte kon bereiken? Was het vaartuig bestemd in dit ijsgraf te verdwijnen met allen die er in waren? Onze toestand scheen verschrikkelijk. Maar ieder onzer staarde die toekomst moedig tegen, en allen waren vast besloten om ten einde toe hun plicht te doen.
Zooals ik dacht, was er gedurende den nacht weer een meter dikte van het ijs afgehakt. Doch toen ik den volgenden morgen met mijn scaphander aan, onder een temperatuur van zes tot zeven graden onder nul door het zeewater liep, zag ik dat de zijmuren ons langzamerhand naderden. Het water, dat op eenigen afstand niet verwarmd werd door onzen arbeid en door de beweging, begon langzamerhand te stollen. Wat beteekenden tegenover dit nieuw en dreigend gevaar onze kansen op behoud, en hoe zouden wij deze ijsvorming kunnen tegengaan, die de Nautilus als een stuk glas uit elkander zou doen springen?
Ik deelde mijn makkers dit nieuw gevaar niet mede. Waarom behoefde ik de geestkracht uit te dooven, die zij voor hun reddingswerk zoozeer noodig hadden? Doch toen ik weer aan boord kwam, deelde ik den kapitein deze omstandigheden mede.
"Ik weet het," antwoordde hij op dien kalmen toon, die de vreeselijkste omstandigheden niet konden doen veranderen. "Het is een gevaar te meer, maar ik zie geen middel om het te verhoeden. Onze eenige kans op behoud is sneller te werken dan de vorst; het is er om te doen de eersten te zijn; dat is alles!"
De eersten te zijn! Ik had mij toch reeds moeten gewennen aan die wijzen van spreken!
Dien dag werkte ik verscheiden uren, zoo hard ik kon. Dit werken gaf mij moed. Bovendien, met werken kon ik den Nautilus en die bedorven atmosfeer van ons vaartuig verlaten, en dus wat zuivere lucht inademen.
Tegen den avond was de groeve nog een meter dieper gemaakt. Toen ik weer aan boord kwam, stikte ik bijna door het koolzuur waarmee de atmosfeer daar binnen verzadigd was. O, waarom hadden wij geen scheikundige middelen om dit gas te verdrijven! Aan zuurstof hadden wij geen gebrek, het water bevatte een groote hoeveelheid, en als wij dit door onzen toestand wisten te ontbinden, zou het ons door de zuurstof nieuwe levenskracht hebben geschonken! Ik dacht er wel aan, doch waartoe zou het gediend hebben, daar het koolzuur in alle deelen van ons vaartuig was doorgedrongen. Om het koolzuur weg te nemen, hadden wij groote vazen met bijtende potasch moeten vullen en die aanhoudend schudden; en juist deze stof ontbrak aan boord.
Dien avond moest de kapitein de kranen van zijn luchtvergaderbakken openen, om zoodoende de atmosfeer in den Nautilus eenigszins te ververschen. Zonder die voorzorg zouden wij den volgenden morgen niet zijn opgestaan.
Den volgenden morgen, 26 Maart, begon ik weer te werken. Wij waren aan den vijfden meter bezig. De zij- en bovenmuren van de ijsbank naderden ons van oogenblik tot oogenblik. Het was duidelijk dat zij ons zouden insluiten voordat de Nautilus los was. Ik werd éen oogenblik wanhopend; het houweel viel mij bijna uit de handen. Waarom behoefde ik nog te hakken, als ik toch moest stikken in het water dat tot ijs stolde; het was een straf, die de grootste wreedaard niet zou hebben uitgedacht. Ik dacht dat ik tusschen de vreeselijke kaken van een monster zat, die onweerstaanbaar tot elkander naderden.
Op dat oogenblik kwam de kapitein, die het werk bestierde, doch zelf ook meewerkte, langs mij heen; ik stiet hem aan den arm en wees hem op de muren onzer gevangenis. Aan stuurboordzijde was de muur tot op vier meter van den Nautilus genaderd. "Wij gingen naar binnen en trokken onze scaphanders uit, waarna ik met hem in den salon ging.
"Mijnheer Aronnax," zei hij, "wij moeten iets groots wagen of wij zullen in dit water evenals in cement worden vastgemetseld."
"Ja," antwoordde ik, "maar wat dan?"
"O," riep hij uit, "als mijn Nautilus aan die drukking weerstand kon bieden zonder verpletterd worden!"
"Welnu?" vroeg ik, daar ik hem niet begreep.
"Begrijpt gij niet dat die vorst ons dan te hulp zou komen? Ziet gij niet, dat zij dan die ijsbank, die ons ingesloten houdt, zou doen vaneenspringen, evenals het ijs de hardste steenen doet splijten? Gevoelt gij niet dat die vorst dan ons reddingsmiddel zijn zou, in plaats van ons te verdelgen?"
"Ja, kapitein, misschien; maar welke groote kracht de Nautilus ook bezit, zoo zou hij toch aan die verbazende drukking geen weerstand kunnen bieden, en geheel platgedrukt worden."
"Ik weet het, mijnheer. Wij moeten derhalve niet rekenen op de hulp der natuur, maar op ons zelven. Wij moeten dat invriezen beletten; niet alléen naderen ons de zijmuren, doch vóor en achter ons hebben wij niet veel meer dan tien voet water. Aan alle kanten vriezen wij in."
"Hoe lang kunnen wij met behulp van de luchtvergaarbakken nog ademhalen?" vroeg ik.
De kapitein keek mij aan en zei: "Overmorgen zijn zij leeg."
Een huivering liep mij over de leden. En toch behoefde ik mij over dit antwoord niet te verwonderen. Den 22en Maart was de Nautilus in de open Poolzee ondergedoken; wij hadden nu den 26en. Sedert vijf dagen leefden wij van saamgeperste lucht! En wat er nog overbleef moest voor de werklieden bewaard blijven. Nu ik deze dingen beschrijf, gevoel ik daarvan nog zóozeer den indruk, dat een onwillekeurige huivering zich van mij meester maakt, en ik mij verbeeld gebrek te hebben aan versche lucht!
De kapitein dacht ondertusschen na en stond onbeweeglijk. Het was duidelijk dat een denkbeeld hem door het brein voer; maar hij scheen dit weer te verwerpen, want hij schudde met het hoofd; eindelijk mompelde hij:
"Kokend water!"
"Kokend water?" vroeg ik.
"Ja, mijnheer; wij zijn in een betrekkelijk kleine ruimte opgesloten. Zouden stroomen kokend water, die de pompen van den Nautilus voortdurend kunnen aanvoeren, de temperatuur niet genoegzaam kunnen doen stijgen om bevriezing tegen te houden?"
"Wij kunnen het probeeren," zei ik vastberaden.
"Ik zal het doen, mijnheer."
De thermometer wees buiten toen zeven graden. Ik ging met den kapitein naar de keuken, waar groote distilleerketels stonden om ons drinkbaar water te bezorgen. Zij werden vol water gevuld, en daarna werd al de electrische warmte der toestellen door de slangen gelaten; binnen weinige minuten kookte het water; het werd naar de pompen geleid, terwijl er telkens weer nieuw water in de ketels kwam. De warmte was zoo groot, dat als het koude zeewater alleen door de toestellen heen was gegaan, het kokend in de pompen kwam. De werking begon, en drie uur daarna wees de thermometer zes graden onder nul aan; wij hadden dus éen graad gewonnen; twee uren later wees de thermometer maar vier graden aan.
"Wij zullen slagen," zei ik tot den kapitein, nadat ik herhaaldelijk den thermometer had waargenomen.
"Ik geloof het wel," antwoordde hij, "wij zullen niet verpletterd worden; wij hebben dus alleen nog maar voor verstikking te vreezen."
Gedurende den nacht steeg de temperatuur tot éen graad onder nul; hooger konden wij niet komen; maar daar het zeewater eerst bij een koude van twee graden bevriest, was ik eindelijk verzekerd dat wij niet konden invriezen.
Den volgenden dag, 27 Maart, was een dikte van zes meter weggehakt. Wij moesten nog door vier meter heen, dus nog 48 uren werken; in den Nautilus kon de lucht niet ververscht worden, zoodat het dien dag hoe langer hoe benauwder werd.
Een onbeschrijfelijke zwaarte drukte mij. Tegen drie uur in den namiddag werd ze onuitstaanbaar; ik deed niets als vreeselijk gapen; mijn borst hijgde naar adem; verdooving overviel mij; ik lag bijna kracht- en bijna wezenloos uitgestrekt. Mijn brave Koen had dezelfde gewaarwordingen, doch verliet mij niet; hij vatte mij bij de hand en sprak mij moed in; ik hoorde hem zelfs mompelen: "O, als ik maar niet behoefde te ademen, om mijnheer meer lucht te geven!" De tranen kwamen mij in de oogen, toen ik dit hoorde.
Daar onze toestand in het vaartuig ondraaglijk was, trokken wij haastig en tevreden onze scaphanders aan, om op onze beurt aan het werk te gaan! De houweelslagen weerklonken op het ijs; onze armen werden moede, de handen deden ons pijn, doch wat beteekende dit? Wij ademden versche lucht is! Wij ademden!
En toch werkte niemand langer dan hij mocht. Als zijn taak volbracht was, gaf ieder aan zijn hijgenden opvolger het toestel over, dat hem nieuwe levenskracht deed toestroomen. Als het oogenblik daar was, gaf hij zijn toestel aan een ander en kwam hij weer even bedaard, zonder morren, in de bedorven atmosfeer van het vaartuig.
Dien dag werd het werk met nog grooter kracht voortgezet. Er moesten nog maar twee meter worden losgehakt. Slechts twee meter scheidden ons van de open zee. Maar de vergaarbakken waren bijna leeg; het weinigje lucht dat er nog over was, moest voor het werkvolk bewaard blijven; niets voor den Nautilus.
Toen ik weer binnen boord kwam, stikte ik bijna. Welk een nacht! Ik kan dien niet beschrijven; zulk lijden kan niet beschreven worden. Den volgenden morgen was ademhaling bijna onmogelijk. Ik had zware hoofdpijn, en alles duizelde mij alsof ik dronken was. Mijn makkers gevoelden hetzelfde; eenige matrozen der bemanning lagen stervende.
Dien dag, den zesden na onze insluiting, vond kapitein Nemo, dat het met houweelen en bijlen te langzaam ging, en wilde hij de ijsbank, die ons nog van de open zee scheidde, doorstooten. Die man had zijn kalmte en geestkracht behouden; hij onderdrukte door zijn zielskracht zijn lichamelijk lijden. Hij dacht, berekende en handelde.
Op zijn bevel werd het vaartuig verlicht, dat is te zeggen door de zwaarte te verminderen; toen het, door het uitpompen van eenig water uit de vergaarbakken, dreef, bracht hij het boven de groote opening, die men juist volgens den omtrek van den Nautilus gehakt had. Toen de vergaarbakken daarna weer vol werden gepompt, zakte het vaartuig juist in de opening. Op dat oogenblik kwam de geheele bemanning weer binnen boord, en werden de dubbele deuren gesloten. De Nautilus rustte toen op een ijskorst, die nauwelijks een meter dikte had en overal doorboord was.
De kranen der vergaarbakken werden toen wagewijd open gezet en honderd kubieke meters water stroomden naar binnen, waardoor de zwaarte van den Nautilus met 150.000 kilogrammen vermeerderde. Wij wachtten, wij luisterden en vergaten in gespannen verwachting ons lijden. Ons behoud stond als 't ware op een laatsten worp.
Niettegenstaande het gesuis in mijn hoofd, hoorde ik weldra een gekraak onder den Nautilus; wij zakten; het ijs kraakte zonderling evenals papier, dat gescheurd wordt, en de Nautilus daalde.
"Wij zijn er door!" fluisterde Koenraad mij in 't oor.
Ik kon geen antwoord geven; ik greep hem bij de hand en drukte die onwillekeurig.
Plotseling zonk de Nautilus door zijn ontzaglijke zwaarte als een kogel in het water; het was alsof het vaartuig in een leege ruimte naar beneden viel!
Toen begonnen de pompen met de grootste macht het water uit de vergaderbakken te werpen; na weinige minuten kwam het vaartuig tot stilstand, en wees de manometer aan dat wij rezen; de schroef werkte met verbazende snelheid, zoodat de Nautilus onder de krachtige bewegingen trilde; wij gingen noordwaarts.
Maar hoelang zou die vaart onder de ijsbank nog duren? Nog een dag? Dan was ik dood!
Half liggend, half zittend op een rustbank in de bibliotheek, stikte ik bijna. Mijn gelaat was paars, mijn lippen waren blauw, al mijn krachten verlamd. Ik zag noch hoorde iets meer. Ik kon aan geen tijdruimte meer denken. Ik weet dus niet hoelang dit duurde, maar ik begreep dat mijn doodstrijd begon! Ik voelde dat ik ging sterven!….
Plotseling kwam ik weer bij zinnen. Een zuivere lucht drong in mijn longen. Waren wij aan de oppervlakte? Waren wij eindelijk onder de ijsbank uit? Neen, het waren Ned en Koenraad, mijn twee wakkere vrienden, die zich opofferden om mij te redden. In éen van de toestellen bleef nog een beetje lucht over; in plaats van dit voor zich te behouden, hadden zij het voor mij bewaard, en terwijl zij zelven bijna stikten, goten zij mij het leven in. Ik wilde het toestel van mij afstooten, doch zij hielden mij de handen vast, en ik ademde eenige oogenblikken met het grootste genot.
Ik keek naar de klok, het was elf uur in den morgen. Wij moesten dus 28 Maart hebben. De Nautilus voer met een duizelingwekkende snelheid van veertig kilometer per uur.
Waar was de kapitein? Was hij bezweken? Waren zijn makkers dood evenals hij?
Op dat oogenblik wees de manometer aan, dat wij nog maar ruim zes meter ijs boven ons hadden; een betrekkelijk dunne ijskorst scheidde ons dus van den dampkring af; kon die niet doorgebroken worden? Misschien; in allen gevalle scheen de Nautilus het te zullen beproeven; ik gevoelde inderdaad dat het vaartuig een schuinen stand aannam, dat de achtersteven daalde en de spoor zich naar de hoogte hief. Er was slechts eenig water noodig geweest om deze verplaatsing van het zwaartepunt te weeg te brengen. Toen begon de krachtige schroef te werken, en werd de Nautilus als een ram tegen het ijsveld gebruikt, het vaartuig deed de ijsbank splijten door stoot op stoot; eindelijk barstte zij geheel open en de Nautilus sprong met een vreeselijken aanval op de ijsmassa, die hij door zijn ontzettend gewicht verbrijzelde.
Het luik werd geopend of liever losgerukt, en de lucht drong in alle deelen van ons vaartuig door.
HOOFDSTUK XLI
Van Kaap Hoorn naar de Amazonenrivier.
Hoe ik op het plat kwam, weet ik niet. Misschien had de Amerikaan mij er heen gebracht, doch ik haalde weer adem, de zuivere zeelucht drong in mijn longen door. Mijn twee makkers ademden evenals ik de versche lucht met volle teugen in. Ongelukkigen, die te lang honger hebben geleden, kunnen zich niet straffeloos op de hun voorgezette spijzen werpen. Wij daarentegen behoefden ons niet in te houden; wij konden volop genieten, en het was een zachte zeewind, die ons dit genot toevoerde!
"O," riep Koenraad, "wat is dat heerlijk, wat is die zuurstof goed! Mijnheer behoeft niet bang te zijn om adem te halen; er is genoeg voor ons allen."
Ned Land sprak niet, maar hij opende zijn mond zoo wijd, dat de haaien er zelfs bang voor zouden geworden zijn. En welk een ademhaling! De Amerikaan "trok" als een kachel, die fel brandde.
Spoedig hadden wij onze krachten terug, en toen ik om mij heen zag, bemerkte ik dat wij alleen op het plat waren. Niemand van de bemanning, zelfs de kapitein niet. De zonderlinge matrozen van den Nautilus waren tevreden met de lucht, die in hun vaartuig drong; niemand kwam van de vrije lucht genieten.
Het eerste dat ik sprak, waren woorden van dankbaarheid jegens mijn makkers. Ned en Koen hadden in de laatste uren van dit langdurig lijden mijn leven gerekt. Al mijn erkentelijkheid kon zulk een opoffering niet genoegzaam vergelden.
"Het is de moeite niet waard om er over te spreken, mijnheer," zei Ned Land. "Welke verdienste steekt erin? Niets. Het was maar een berekening. Uw leven was meer waard dan het onze; wij moesten het uwe redden."
"Neen, Ned," antwoordde ik, "het was niet meer waard. Niemands leven is meer waard dan dat van een edelmoedig en goed mensch, en dat ben jij?"
"Goed, goed," zei Ned verlegen.
"En gij, mijn brave Koen, hebt gij veel geleden?"
"Niet al te veel, om u de waarheid te zeggen. Ik heb wel een paar monden vol lucht willen hebben, maar ik geloof dat ik mij er weldra aan zou hebben gewend. Bovendien zag ik dat mijnheer flauw viel, en ik had dus niet den minsten lust om adem te halen; mijn ademhaling werd daardoor als het ware belet."
"Vrienden," antwooidde ik hevig aangedaan, "wij zijn voor altijd aan elkander verbonden, en gij hebt recht op mij…."
"Waarvan ik misbruik zal maken," antwoordde de Amerikaan.
"Wat?" vroeg Koenraad.
"Ja," hervatte Ned Land, "het recht om u met mij te nemen als ik dezen duivelschen Nautilus zal verlaten."
"Gaan wij dus den goeden kant op?" vroeg Koenraad.
"Ja," zei ik, "omdat wij naar den zonnekant gaan, en waar zich de zon bevindt is het Noorden."
"Zonder twijfel," meende Ned Land, "maar wij moeten nu nog weten of wij naar den Grooten of den Atlantischen Oceaan gaan, dat is te zeggen naar een druk of weinig bevaren zee?"
Hierop kon ik geen antwoord geven, en ik vreesde, dat de kapitein ons eer naar dien Grooten Oceaan zou terugvoeren, die de kusten van Azië en Amerika bespoelt. Hij volbracht aldus zijn onderzeesche reis om de aarde, en keerde naar die zee terug, waar de Nautilus zijn volkomen vrijheid vond. Doch als wij naar de Stille Zuidzee terugkeerden, ver van eenig bewoond land, wat werd er dan van Ned Lands plannen? Binnen kort zouden wij omtrent dit belangrijk punt zijn ingelicht, want de Nautilus vorderde hard. Weldra waren wij over den poolcirkel, en zetten regelrecht koers naar kaap Hoorn. Wij waren den 31sten Maart, tegen zeven uur 's avonds, op de hoogte van de zuidpunt van Amerika.
Toen was al ons lijden vergeten, en de herinnering aan onze gevangenschap werd uit onzen geest als weggevaagd. Wij dachten enkel aan de toekomst. Kapitein Nemo verscheen noch in den salon, noch op het plat. De eerste stuurman nam dagelijks de hoogte der zon, en teekende die op de kaart aan, waardoor ik geheel op de hoogte bleef van de richting van den Nautilus. Dien avond werd het tot mijn groote tevredenheid duidelijk, dat wij door den Atlantischen Oceaan naar het Noorden gingen. Ik vertelde dit aan Ned en Koenraad.
"Een goede tijding," zei de eerste; "maar waar gaat de Nautilus heen?"
"Dat zou ik je niet kunnen zeggen, Ned."
"Zou de kapitein nu ook de Noordpool willen opzoeken en dan door de beruchte noordelijke doorvaart in den Grooten Oceaan komen?"
"Gij behoeft hem daarvoor niet te tarten," antwoordde Koenraad.
"Welnu," zei de Amerikaan, "dan zullen wij hem vóor dien tijd de hielen laten zien."
"In allen gevalle," voegde Koenraad er bij, "is die kapitein een baas, en wij behoeven er geen berouw over te gevoelen, hem te hebben leeren kennen."
"Vooral als wij van hem af zijn," zei Ned Land.
Den volgenden dag, 1 April, toen de Nautilus weer aan de oppervlakte kwam, zagen wij eenige minuten voor twaalven de westkust. Het was het Vuurland, waaraan de eerste zeereizigers dien naam gaven, toen zij tallooze rookkolommen uit de hutten der inlanders zagen opstijgen. Het is een aaneenschakeling van eilandjes, 53° tot 56° Z.B. en 67° 50' tot 77° 15' W.L. De kust scheen lang te zijn, maar in de verte verhieven zich hooge bergen; ik geloof zelfs dat ik den Sarmiento zien kon, die 2070 meter hoog is; deze berg is een hooge piramide van leisteen, wier top, naarmate deze zichtbaar of met wolken omhuld is, fraai of leelijk weder aankondigt, zooals Ned Land zei.
"Dat is een flinke barometer, vriend."
"Ja, mijnheer, een natuurlijke barometer, die mij nog nooit bedrogen heeft, toen ik in de buurt van de straat van Magelhaen voer."
Op dat oogenblik teekende de top zich helder af tegen den blauwen hemel; dit was een voorteeken van schoon weder. Wij bedrogen ons niet. Toen de Nautilus weer onder water gedoken was, naderde hij de kust, waarlangs hij eenige kilometers ver heen voer. Door de ramen van den salon zag ik een menigte lianen en andere zeeplanten, waartusschen schelp- en weekdieren in groote menigte nestelden; otters en zeekalven speelden daartusschen rond en aten een menigte kleine dieren en planten op, zoodat zij volgens Engelsche mode, visch met groenten gebruikten.
Tegen den avond kwamen wij bij den archipel der Malouinen, wier scherpe toppen ik den volgenden morgen kon zien. De zee was hier maar middelmatig diep; ik dacht derhalve, en niet zonder reden, dat deze eilanden vroeger met het Vuurland als een groot vasteland verbonden waren. Zij werden waarschijnlijk door den beroemden John Davis ontdekt, die er den naam van Davis Zuidereilanden aan gaf. Later noemde Richard Hawkens ze Maagdeneilanden, totdat zij in 't begin der achttiende eeuw door visschers van St. Malo Malouinen, en eindelijk door de Engelschen Falklandseilanden genoemd werden.
In deze streken werden schoone visschen gevangen, eenden en ganzen vielen bij dozijnen op het plat neer; zij werden gemakkelijk gevangen en in de kombuis gebracht.
Toen de hoogste bergtoppen der Malouinen aan den gezichteinder verdwenen waren, liet de Nautilus zich tot op een diepte van twintig meter zinken en volgde nu de Amerikaansche kust. Kapitein Nemo vertoonde zich in het geheel niet. Wij bleven op de hoogte van Patagonië tot den 3den April, dan eens op, dan eens onder het zeevlak. De Nautilus dreef voorbij de groote golf, welke door de monding van den Rio la Plata gevormd wordt, en was 4 April op de hoogte der kust van Uraguay, maar bleef er omstreeks vijftig kilometer van af. Hij voer altijd nog noordwaarts en volgde de lange bochten der Zuid-Afrikaansche kust. Wij hadden sedert ons vertrek uit de wateren van Japan ongeveer 64000 kilometer afgelegd.
Tegen elf uur des morgens gingen wij onder den Steenbokskeerkring door op ongeveer 37° W.L. en stevenden om kaap Frio. Tot groote spijt van Ned Land scheen de kapitein de bewoonde kuststreek van Brazilië te willen ontvlieden, want de Nautilus stoof met duizelingwekkende snelheid vooruit. Geen visch, geen vogel, hoe snel ook, kon ons volgen, en alle natuurlijke bijzonderheden dezer zeeën ontsnapten aan ons oog. Deze snelheid werd gedurende verscheidene dagen volgehouden, en in den avond van 9 April verkenden wij reeds kaap Roque, de oostelijke punt van Zuid-Amerika. Doch toen week de Nautilus opnieuw af, en zocht een grootere diepte te bereiken in de vallei tusschen deze kaap en Sierra Leone in Afrika. Op de hoogten der Antillen verdeelt deze vallei zich in tweeën en eindigt aan de noordzijde in een verbazende diepte van 9000 meter. Op deze plaats ligt op de hoogte der kleine Antillen een klip van zes kilometer lengte, terwijl er bij de Kaap-Verdische eilanden een andere rotswand van geen mindere grootte wordt aangetroffen, die aldus het geheele verzonken Atlantis insluit. Beneden in deze uitgestrekte vallei liggen eenige berghoogten, welke in de onderzeesche streken schoone gezichten opleveren. Ik kan daarover spreken na inzage van de geteekende kaarten, die in de boekerij van den Nautilus te vinden waren, en zeker door kapitein Nemo zelven volgens persoonlijke waarneming waren opgemaakt.
Gedurende twee dagen voeren wij door dit onbevolkt en diep water. Maar den 11den April verhief het vaartuig zich plotseling en wij zagen wederom land in den omtrek van de monding der Amazonenrivier, die zulk een breede zoutwatergolf vormt, dat de zee verscheidene kilometers ver vóor die monding geen zout water bevat.
Wij gingen onder den evenaar door. Twintig kilometer westwaarts van ons hadden wij Guyana, waar wij bij onze vlucht zeker een goede ontvangst zouden genoten hebben, maar de wind stak hevig op, en de woede der golven zou ons met een sloep aan groote gevaren hebben blootgesteld. Ned Land begreep dit zonder twijfel en sprak nergens van. Ik maakte ook van mijn kant geen enkele toespeling op zijn ontvluchtingsplannen, want ik wilde hem tot geen poging aanmoedigen, waarbij hij zeker schipbreuk zou geleden hebben.
Voor dit uitstel kon ik mij gemakkelijk schadeloos stellen door belangwekkende studiën, want gedurende den 11den en 12den April bleef de Nautilus op de oppervlakte drijven, en haalden zijn netten telkens een wonderbaarlijke hoeveelheid visch naar boven; ook kruipende dieren en zoöphyten zaten daartusschen. Er waren er onder van allerlei zeldzame soorten, wier opsomming te lang zou duren. Een geval wil ik echter mededeelen.
Een der netten bevatte een soort van zeer platten rog, die, als men hem den staart had afgesneden, een volkomen schijf zou gevormd hebben, en die ongeveer twintig kilogram woog. Deze visch was van onder wit en van boven rood, met groote ronde donkerblauwe vlekken, en half dubbele vinnen. Op het vlak geworpen, sprong die visch zoo vreeselijk en maakte zooveel geweld, dat hij met een laatsten sprong in zee zou geweest zijn. Maar Koenraad, die den rog wilde behouden, wierp zich er op, en greep het dier, voordat ik het beletten kon, met twee handen vast. Plotseling werd hij met de beenen in de lucht achterover geworpen, en viel hij als verpletterd neer.
"Help, mijnheer, help mij!" riep hij; het was de eerste maal dat de arme jongen mij niet in den derden persoon aansprak.
Ned Land en ik hielpen hem op de been, wreven hem zoo hard als wij konden, en toen hij weer bij zijn zinnen was gekomen, mompelde die eeuwige klassenindeeler:
"Klasse der kraakbeenigen, familie der roggen, soort krampvisch!"
"Juist, mijn vriend," zei ik, "het is een krampvisch, die je zoo toegetakeld heeft."
"O, mijnheer kan mij vrij gelooven," antwoordde Koen, "ik zal mij duchtig wreken,"
"En hoe?"
"Door hem op te eten." En dit deed hij dienzelfden avond nog, maar alléen uit weerwraak, want het was inderdaad een taaie kost.
De ongelukkige Koenraad had te doen gehad met een krampvisch van de gevaarlijkste soort, namelijk de cumana. Dit wonderlijk dier treft te midden van zulk een sterken geleider als het water de visschen op verscheiden meters afstand; zoo groot toch is de kracht van zijn electrisch vermogen, waarvan de beide voornaamste oppervlakken niet minder dan drie vierkante meter groot zijn.
Den volgenden dag, 12 April, naderde de Nautilus de Amerikaansche kust, bij de monding der Maroni; op die hoogte hielden zich groote troepen zeekoeien op, die, zooals ik aan mijn beide makkers vertelde, door de natuur als met opzet in deze streken geplaatst waren om de onderzeesche weiden af te grazen en daardoor de te groote opeenhooping van zeegras tegen te gaan.
"En weet gij," voegde ik er bij, "wat er gebeurd is, nu de mensch die nuttige dieren bijna geheel heeft uitgeroeid. Het rottende gras heeft de lucht verpest, en de vergiftigde lucht heeft de gele koorts doen ontstaan, die deze prachtige streken soms zoo deerlijk teistert. In deze warme streken heeft zich het vergif uitgebreid, en de kwaal is nu verbreid van de monding van den Rio de la Plata tot aan Florida. En als wij Toussenel moeten gelooven, is die ramp nog niets in vergelijking van hetgeen onze nakomelingen zullen ondervinden, wanneer er geen walvisschen en walrussen meer te vinden zijn; dan zal de zee vol weekdieren, inktvisschen en ander tuig van dat soort zijn, zoodat zij dan een middelpunt van besmetting zal worden, omdat men er dan 'de groote magen' niet meer aantreft, aan welke de Voorzienigheid de taak had opgedragen om de zee te zuiveren."
Zonder zich aan die theorie te storen, ving de bemanning van den Nautilus een half dozijn van die dieren, omdat hun vleesch een heerlijken voorraad voor de kombuis opleverde, veel lekkerder dan kalf- of rundvleesch. Deze jacht was alles behalve belangwekkend, omdat die zeekoeien zich zonder tegenstand laten dooden; verscheiden duizenden kilogrammen vleesch werden aan boord gebracht om gedroogd te worden.
Toen de vangst was afgeloopen, naderde de Nautilus de kust. Hier lag een groot aantal zeeschildpadden op de golven te slapen; het zou moeielijk zijn geweest zich van die dieren meester te maken, omdat het minste geritsel ze doet ontwaken, en hun stevige schaal ondoordringbaar is voor den harpoen. Ze werden evenwel gevangen door middel van zuigervisschen, dien men een ring met een koord aan den staart vastmaakte. Toen deze visschen in zee werden geworpen, begonnen zij aanstonds hun werk en hechtten zich aan den buik der schildpadden vast; zij klemden zich zoo aan, dat zij zich eerder zouden hebben laten verscheuren dan loslaten. Men trok ze weer naar boord, en daarmee de schildpadden, waar zij zich aan vast hadden gehecht. Men ving er op die wijze verscheidene, die een meter breed waren en 200 kilo wogen. De schaal, in groote dunne bruine en doorschijnende vakken afgedeeld, maakte ze nog kostbaarder. Bovendien leverden zij een voortreffelijke spijs op.
Deze vischvangst was het einde van ons verbijf in die streken van de Amazonen-rivier, en toen de duisternis inviel, begaf de Nautilus zich weer in volle zee.
HOOFDSTUK XLII
De inktvisschen.
Gedurende eenige dagen verwijderde de Nautilus zich hoe langer hoe meer van de Amerikaansche kust. Waarschijnlijk wilde hij niet in de golf van Mexico of in de zee der Antillen komen; echter zou het hem daar met aan water ontbroken hebben, want de gemiddelde diepte dezer zeeën is 1804 meter; doch waarschijnlijk beviel deze streek vol eilanden, en waar het van stoombooten wemelde, niet aan kapitein Nemo.
Den 16den April hadden wij Martinique en Guadeloupe, op omstreeks dertig kilometer afstand, in het gezicht. Een oogenblik zag ik de hoogste bergtoppen. Ned Land, die er op rekende in de golf van Mexico zijn plan ten uitvoer te brengen, door of naar het land te vluchten of een der talrijke booten te bereiken, die den dienst tusschen de verschillende eilanden doen, was zeer teleurgesteld; de vlucht was zeker mogelijk geweest, als Ned Land zich buiten weten van den kapitein van de sloep had kunnen meester maken, maar midden in den Oceaan was daar geen denken aan.
Ned Land, Koenraad en ik hadden daarover een vrij lang gesprek: sedert zes maanden zaten wij op den Nautilus opgesloten; wij hadden 68000 kilometer afgelegd, en, zooals Ned Land zei, zag het er niet naar uit, dat dit nog spoedig zou eindigen. Hij stelde mij dus iets voor, waar ik in het geheel niet verdacht op was; het was: den kapitein duidelijk deze vraag te stellen of hij dacht ons voor onbepaalden tijd bij zich aan boord te houden. Zulk een poging stuitte mij tegen de borst; volgens mijn meening zou het niets uitwerken; wij behoefden niet te rekenen op den kapitein van den Nautilus, maar op ons zelven. Bovendien werd die man sinds eenigen tijd somberder, meer teruggetrokken en minder gezellig. Hij scheen mij te mijden; ik ontmoette hem maar zelden. Vroeger schepte hij er vermaak in mij de onderzeesche wonderen te verklaren, doch nu liet hij mij aan mijn studiën over, en kwam niet meer in den salon.
Welke verandering had er met hem plaatsgehad? Waarom? Ik had mij niets te verwijten; hinderde hem misschien onze tegenwoordigheid? Echter behoefde ik er niet op te rekenen, dat hij de man er naar was om ons de vrijheid terug te geven.
Ik verzocht Ned dus mij eerst eens te laten nadenken, voordat ik handelde. Indien deze poging niet slaagde, kon zij slechts zijn achterdocht opwekken, onzen toestand onhoudbaar maken en de plannen van den Amerikaan benadeelen. Ik zal er nog bijvoegen dat ik op geenerlei wijze onze slechte gezondheid als bewijs kon aanvoeren; als men die ellendige oogenblikken onder de ijsbank van de Zuidpool uitzondert, dan was onze gezondheid nooit beter geweest. Het krachtig voedsel, de zuivere lucht, de geregelde levenswijs, de gelijkmatige temperatuur, dat alles weerde elke ziekte, en voor iemand, die geen heimwee had naar de genoegens op het land, voor iemand als kapitein Nemo, die zich te huis gevoelt, die door middelen, welke voor ieder behalve voor hem, geheimen zijn, zijn doel zocht te bereiken, voor zoo iemand begreep ik zulk een bestaan. Maar wij hadden niet met de menschheid gebroken. Ik voor mij wilde mijn zonderlinge en nieuwe studiën niet met mij te gronde doen gaan. Nu heb ik het recht een boek over de zee te schrijven, ik wilde dit vroeger of later het licht doen zien.
Wat had ik b.v. hier bij de Antillen, op tien meter onder de oppervlakte, door de ramen van den salon nog een aantal bijzonderheden voor mijn oogen, die ik in mijn dagboek kon opteekenen! Allerhande soorten van vreemdsoortige en gedrochtelijke dieren wemelden daar door elkander, en ik zou zeker nog veel meer gezien hebben als de Nautilus niet naar de diepte was gegaan, en zich zelfs tot op 3500 meter had laten zinken.
Den 20sten April waren wij weer op een gemiddelde diepte van 1500 meter; de Lucaische eilanden lagen toen het dichtst bij ons; zij liggen daar als een hoop steenen aan de oppervlakte der zee. Daar verhieven zich hooge onderzeesche klippen, rechte rotswanden op breeden grondslag, waartusschen zwarte afgronden lagen, in welker diepte ons electrisch licht zelfs niet kon doordringen. Die rotsen waren met reusachtige zeeplanten bedekt, die in een wereld van Titans te huis behoorden.
Van de groote planten, waarvan ik met Ned en Koen zat te praten, kwamen wij natuurlijk op reusachtige zeedieren. Het eene dier is blijkbaar bestemd om het andere te verslinden. Door de ramen van den bijna stilliggenden Nautilus zagen wij evenwel niet veel anders dan kleine beesten, toen Ned Land mijn aandacht vestigde op een schrikkelijk gewemel tusschen het groote en hooge zeewier.
"Welnu," zei ik, "dat zijn de ware grotten voor inktvisschen en het zou mij niet verwonderen, als wij eenige van die monsters zagen."
"Hoe?" vroeg Koenraad, "inktvisschen van de klasse der koppootigen?"
"Neen," antwoordde ik; "inktvisschen van zeer groote afmeting. Maar vriend Ned heeft zich zeker vergist, want ik zie niets."
"Dat spijt mij," hernam Koen; "ik zou van aangezicht tot aangezicht wel eens een van die inktvisschen willen zien, waarover ik zoo dikwijls heb hooren spreken, en die heele schepen naar de diepte kunnen slepen. Die beesten noemt men krakens…."