WeRead Powered by ReaderPub
20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond cover

20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond

Chapter 6: HOOFDSTUK XXIX
Open in WeRead

About This Book

A scientific narrator describes an extended submarine voyage under the command of a reclusive, enigmatic captain; kept aboard with uneasy hospitality, the narrator and companions document underwater landscapes, diverse marine life, and the vessel's advanced technologies. The account mixes meticulous natural-history observation and technical detail with mounting suspense about possible escape and the captain's motives. Travel beneath the oceans becomes a globe-spanning itinerary of submerged phenomena, while the narrative repeatedly returns to questions of isolation, scientific curiosity, moral ambiguity, and the complex relationship between knowledge and power.

Den 8sten Februari kregen wij bij het aanbreken van den dag Mekka in het gezicht; de stad ligt thans in puin, de muren zouden bij een enkel kanonschot instorten, en worden ter nauwernood door eenige dadelboomen beschaduwd. Het was eertijds een belangrijke stad met zes openbare marktpleinen, zevenentwintig moskeeën en de muren, die door veertien forten beschermd werden, hadden een omtrek van drie kilometer.

Daarop naderde de Nautilus de Afrikaansche kust, waar de diepte der zee veel grooter is. Daar konden wij in het kristalhelder water door de ruiten van den salon die prachtige struiken van schitterende koralen, en de uitgestrekte rotswanden beschouwen, waarop een heerlijk schoon tapijt van zeewier en andere zeeplanten was uitgespreid. Welk een onbeschrijfelijk schouwspel, en welk een verscheidenheid van vormen en kleuren langs die klippen en vulkanische eilandjes, die de Lybische kust omzoomen! Doch die flora verscheen in al hare schoonheid langs de oostkust, waar de Nautilus weldra heenging; het was op de kust van Tehema; want toen zagen wij die verscheidenheid van planten niet alleen onder het vlak der zee, maar zij slingerden zich zelfs tot op tien voet hoogte ook daar boven in elkander; de laatsten waren grilliger van vorm, doch minder kleurig dan de eersten, omdat de voedingkracht van het water de frischheid der kleuren waarschijnlijk meer bevorderde.

Hoeveel aangename uren bracht ik voor de ramen van den salon door! Hoeveel nieuwe voorwerpen uit de onderzeesche dieren- en plantenwereld bewonderde ik niet in den schijn van ons electrisch licht! Paddenstoelvormige sponzen, leigrijze kliprozen, onder anderen de thalassiantus aster (bloeiende zeeasters), kriskoralen als fluiten, slechts wachtende op den adem van Pan, schulpen die men elders niet aantreft, uitloopende in korte spiralen en vastzittende in holligheden van sterkoralen, en eindelijk bij duizenden de gewone spons die ik nog niet had opgemerkt.

De spons is geen plantaardig voorwerp, zooals nog door sommige natuuronderzoekers beweerd wordt, maar een dier, dat echter op den allerlaagsten trap van dierlijk leven en nog beneden de koralen staat. Dat het een dier is, lijdt geen twijfel; zelfs moet men zich losmaken van de meening der ouden, die de sponsen beschouwden als plantdieren, voorwerpen tusschen de planten- en de dierenwereld staande. Ik moet echter aanmerken, dat de natuuronderzoekers het niet eens zijn over de plaats, die aan de sponsen moet worden toegekend. Sommigen rekenen ze tot de poliepen, anderen, waaronder Milne Edwards, willen ze geheel afzonderlijk geplaatst hebben.

De sponsachtige lichamen tellen omtrent driehonderd soorten; zij worden in zeer vele zeeën aangetroffen; zelfs ook in enkele stroomen, en heeten dan riviersponsen. Maar het meest vindt men ze in de Middellandsche Zee, in den Griekschen Archipel, langs de Syrische Kust en in de Roode Zee. Daar vindt men dan ook die fijne, zachte sponsen, die wel eens met anderhalf honderd frank betaald werden, de geelachtige Syrische, de harde Barbarijsche en andere, Maar daar ik geen hoop kon voeden om deze plantdieren in de nabijheid van een der Levant-steden—van welke ons de landengte van Suez scheidde—in oogenschouw te kunnen nemen, vergenoegde ik mij er in de Roode Zee kennis mee te maken.

Ik riep dus Koenraad bij mij, terwijl de Nautilus, ter diepte van acht tot negen meter, zachtjes langs de fraaie rotsen der oostelijke kust gleed.

Daar groeiden allerlei sponsen, gestengelde, gebladerde, bolvormige, gevingerde. Zij beantwoordden juist aan de bijnamen; korfjes, bekers, spinrokken, elandhorens, leeuwenpooten, pauwstaarten, Neptunus handschoenen, die de visschers, dichterlijker van uitdrukking dan de mannen der wetenschap, er aan gegeven hebben. Uit haar vezelachtig weefsel, dat met een half-vloeibare geleiachtige zelfstandigheid bedekt is, schoten onophoudelijk kleine waterstralen, door een samentrekkende kracht uitgespoten, nadat dit water eerst leven had gewekt in iedere holligheid. Deze zelfstandigheid verdween na den dood van de poliep en gaf, vergezeld met het afgeven van ammoniak, een afschuwelijken stank. Er blijft dan niets over dan de hoornachtige vezelstof, waaruit de gewone rotsachtige sponsen bestaan, die naar gelang van zachtheid en andere dergelijke eigenschappen, tot verschillend huiselijk gebruik dienen.

Deze poliepaardige plantdieren zaten aan rotsen, aan schulpen van weekdieren en zelfs aan de waterplanten. Zij vulden zelfs de kleinste spleten; sommigen spreidden zich uit, anderen richtten zich overeind of hingen als koraalvormige uitwassen nederwaarts. Ik vertelde aan Koenraad, dat die sponsen op tweeërlei wijze gevischt worden, met een dreg of met de hand. Deze laatste handelwijze, waarvoor duikers noodig zijn, is de verkieslijkste, want als men het weefsel weet te sparen, zijn de sponsen er des te meer om waard.

De andere plantdieren, die naast de sponsachtige leefden, bestonden voornamelijk in zeer fraaie soorten van zeekwallen; onder de weekdieren merkte ik onderscheidene soorten van calmars of blakvisschen op, die volgens d'Orbigny aan de Roode Zee bepaald eigen zijn, gelijk ook onder de kruipende dieren de schilpadden, die den bijnaam Virgala hebben en tot de soorten behooren, die een gezochte, voedzame en smakelijke spijze opleveren.

Visschen waren er zeer talrijk; sommige soorten zeer merkwaardig. Die, welke door den Nautilus met haak en lijn werden gevangen, bijv. de rog, waaronder de gemarmerde, met blauwachtige vlekken en dubbel getanden staart, die met zilverkleurigen rug, die met een punt-staart en vinnen ter grootte van een paar meter, de tandelooze, de haaiachtige en kraakbeenachtige, tot de familie der roggen behoorende; voorts koffervisschen (osiraciou), waaronder de drommedaris met een bultvormig uitwas; uitloopende in een omgebogen stekel van anderhalven voet lengte; ook nog palingen met zilverkleurigen staart, blauwachtigen rug en bruine borstvinnen met grijs omboord; lipvisschen en een menigte andere zeedieren.

Den 9den Februari dreef de Nautilus in het breedste gedeelte der Roode zee, dat tusschen Suakin op de west- en Ghunfuda op de oostkust, ter breedte van 190 kilometer gevonden wordt. Nadat de zonshoogte genomen was, kwam de kapitein op het plat, waar ik mij op dat oogenblik bevond. Ik besloot bij mij zelven hem niet weer naar beneden te laten gaan, voordat ik iets meer van zijn verdere plannen wist. Toen hij mij zag, kwam hij naar mij toe, bood mij een sigaar aan en zei: "Welnu, mijnheer de professor, hoe vindt gij de Roode zee? Hebt gij de wonderen goed bekeken die zij bevat, de visschen en zoöphyten, de sponsenbedden en koraalbosschen? Hebt gij de steden op de kust kunnen zien?"

"Ja, kapitein," antwoordde ik, "en de Nautilus heeft die studie wonderwel bevorderd: het is een verstandig schip."

"Zeker, mijnheer, verstandig, stoutmoedig en onkwetsbaar; het is niet bevreesd voor de vreeselijke stormen, stroomen of klippen dezer zee."'

"Deze zee wordt inderdaad als een van de onstuimigste opgegeven, en indien ik mij niet bedrieg, dan stond zij in de oudheid in den slechtsten reuk."

"Afschuwelijk, mijnheer Aronnax; de Grieksche en Latijnsche geschiedschrijvers spreken niet in haar voordeel, en Strabo zegt, dat zij vooral zeer onstuimig is in den tijd van de zomerwinden en van de regens. De Arabische schrijver Edrisi verhaalt, dat tal van groote schepen op de zandbanken te gronde gingen, en dat niemand het waagde er 's nachts te varen. Het is, zooals hij zegt, een zee, waar de vreeselijkste orkanen heersenen, vol onherbergzame eilanden, en die noch in de diepte, noch op hare oppervlakte iets goeds oplevert. Zoo is toch de door Arrianus, Agatharchides en Artimidorus uitgedrukte meening.

"Men ziet het wel," antwoordde ik, "dat de geschiedschrijvers niet aan boord van den Nautilus geweest zijn."

"Zonder twijfel," antwoordde de kapitein lachend, "en in dat opzicht zijn de nieuwere schrijvers niet veel verder dan de oude. Er zijn eeuwen noodig geweest om de kracht van den stroom na te gaan; wie weet of men over honderd jaar wel een tweeden Nautilus zien zal! De wetenschap vordert slechts langzaam, mijnheer Aronnax."

"Zeker," antwoordde ik, "gij zijt met uw vaartuig een eeuw vooruit, misschien wel meer dan éen. Hoe ongelukkig, dat zulk een uitvinding met den uitvinder moet te gronde gaan!"

De kapitein gaf geen antwoord; na eenige minuten zwijgens hernam hij; "Gij spraakt van de meening der oude geschiedschrijvers over de gevaren, waarmee de vaart over de Roode zee vergezeld gaat?"

"Ja," antwoordde ik, "maar was hun vrees niet overdreven?"

"Ja en neen, mijnheer Aronnax," zei de kapitein, die de Roode zee nauwkeurig scheen te kennen. "Wat nu niet meer gevaarlijk is voor nieuwere goed gebouwde schepen, die zich door stoomkracht naar willekeur kunnen bewegen, was het wel voor alle soort van vaartuigen der ouden. Stel u die zeevaarders der oudheid voor in hun schuiten, wier planken met palmvezels aan elkander genaaid, met gesmolten hars gebreeuwd, en met zeehondenvet besmeerd waren. Zij hadden geen instrumenten om hun richting waar te nemen, en zij voeren maar op de gis, te midden van hun geheel onbekende stroomen. Onder zulke omstandigheden moesten schipbreuken dikwijls voorkomen; maar in onzen tijd hebben de stoombooten, die tusschen Suez en Indië dienst doen, niets meer van de stormen in deze zee te vreezen. Gezagvoerders en reizigers brengen voor hun vertrek geen zoenoffers meer, en als zij terugkomen, gaan zij niet meer met kransen en linten getooid, den goden in den eersten den besten tempel danken voor hun behouden aankomst."

"Ik stem dit toe, want de stoom schijnt de dankbaarheid in het hart der zeelieden te hebben uitgedoofd. Maar kapitein, daar gij deze zee bijzonder schijnt bestudeerd te hebben, zult gij mij misschien wel kunnen zeggen hoe haar naam ontstaan is?"

"Hiervoor zijn verschillende uitleggingen, mijnheer. Wilt gij de meening van een kronijkschrijver uit de 14de eeuw weten?"

"Gaarne."

"Die phantast beweert, dat die naam er aan gegeven werd na den doortocht der Israëlieten, toen de Egyptische Pharao was omgekomen in de golven, welke zich op Mozes' bevel over hem sloten; 'ten teeken van dit wonder,' zegt hij, 'werd de zee rood en vermiljoen, en men noemt haar sedert dien tijd niet anders dan de Roode zee.'"

"Dat is een dichterlijke verklaring, kapitein, maar daar ben ik niet mee tevreden. Ik vraag u dus hoe gij zelf er over denkt?"

"Ik geloof, mijnheer Aronnax, dat men in die benaming de vertaling zien moet van het Hebreeuwsche woord 'Edom' en als de ouden haar dien naam gaven, was het om de bijzondere kleur van het water."

"Tot nog toe heb ik echter enkel helder water, zonder eenige bijzondere kleur gezien."

"Zonder twijfel; maar als gij verder de zee inkomt, zult gij die zonderlinge tint opmerken. Ik herinner mij de golf van Suez bij Tor geheel roodgekleurd te hebben gezien, even alsof het een meer met bloed was."

"En schrijft gij die kleur aan mikroskopisch fijn zeewier toe?"

"Ja, het is een purperkleurige slijmachtige stof, voortgebracht door kleine plantjes, waarvan er 40.000 noodig zijn om een kubieken millimeter te vullen. Misschien zult gij er wel zien, als wij bij Tor komen."

"Het is dus de eerste maal niet, kapitein, dat gij met den Nautilus in de Roode zee komt?"

"Neen, mijnheer."

"Omdat gij straks gesproken hebt van den doortocht der Israëlieten en de vernietiging van het Egyptische leger, wilde ik van u wel eens weten of gij onder water de sporen van dit groot geschiedkundig feit ook herkend heb?"

"Neen, mijnheer de professor, en dit om een goede reden."

"Welke?"

"Omdat de plaats, waar Mozes met zijn volk is doorgetrokken, zoo verzand is, dat de kameelen er ter nauwernood tot aan de knieën door het water gaan. Gij begrijpt, dat mijn Nautilus er dus geen vaarwater vinden kan."

"En die plaats?" vroeg ik.

"Die plaats is een weinig boven Suez gelegen, in den zeearm, die vroeger een diepen inham vormde, toen de Roode zee zich nog tot aan de Bittermeren uitstrekte. Of die doortocht een wonder is geweest of niet, zeker is het dat de Israëlieten daar doorgetrokken zijn om het Heilige land te bereiken, en dat het leger van den Egyptischen koning juist op die plek is omgekomen. Ik geloof dus, dat, als men in dat zand ging graven, men een groote menigte Egyptische wapenen en werktuigen zou vinden."

"Dat is duidelijk," antwoordde ik, "en het is voor de oudheid-kenners te hopen, dat men vroeg of laat die opgravingen zal beginnen, wanneer na de doorgraving der landengte van Suez hier nieuwe steden zullen verrijzen. Voor vaartuigen als de Nautilus is het een zeer ondoelmatig kanaal!"

"Zeker, maar nuttig voor de geheele wereld; de ouden hadden het wel begrepen, dat het in het belang van hun handel zou zijn om de Roode en Middellandsche Zeeën met elkander te verbinden; doch zij dachten er niet aan een regelrecht kanaal te graven en zij gebruikten daarvoor gedeeltelijk den Nijl. Waarschijnlijk werd met het kanaal, dat deze rivier met de Roode zee verbindt, een aanvang gemaakt onder Sesostris, ten minste als men de overlevering gelooven mag. Zeker is het dat in 615 v. Chr. Necho een kanaal begon te graven, dat door het oostelijkste deel van Egypte gaande, met Nijlwater zou gevoed worden. Men kon dit kanaal in vier dagen opvaren, en het was zoo breed, dat twee roeischepen elkander gemakkelijk konden voorbijkomen. Het werd door Darius Hystaspes voortgezet en waarschijnlijk onder Ptolemaeus II voltooid. Strabo zag het gebruiken, maar de zwakke helling tusschen het punt van aanvang bij Bubastis en de Roode zee, maakte het slechts gedurende eenige maanden van het jaar bevaarbaar. Dit kanaal diende tot op den tijd van de Antonijnen voor den handel; verlaten, verzand en later hersteld op last van kalif Omar, werd het in 761 of 762 door kalif Ahnansor onbevaarbaar gemaakt, omdat hij wilde beletten, dat men levensmiddelen zou brengen naar Mohammed Ben Abdullah, die tegen hem in opstand was. Gedurende den tocht naar Egypte vond uw generaal Bonaparte de sporen dezer werken in de woestijn van Suez, en door den vloed overvallen, was hij bijna omgekomen, voordat hij Hadjaroth had kunnen bereiken, waar Mozes 3500 jaren vóór hem zijn legerkamp had opgeslagen."

"Welnu, kapitein, wat de ouden niet hebben durven ondernemen, de verbinding tusschen de beide zeeën, waardoor de weg van Marseille naar Indië 9000 kilometer korter zal worden, dat heeft de Lesseps gedaan en binnen kort zal hij Afrika tot een groot eiland gemaakt hebben."

"Ja, mijnheer Aronnax, gij hebt reden om op uw landgenoot fier te zijn. Hij is een man die eene natie meer tot eer verstrekt dan de grootste veldheeren. Hij had, evenals vele anderen, met moeielijkheden en tegenstand te kampen, maar hij heeft gezegevierd, want hij bezat een vasten wil. Het is treurig als men bedenkt dat dit werk, dat door alle natiën te zamen had moeten ondernomen worden, en dat voldoende zou geweest zijn om de regeering van een vorst beroemd te maken, slechts gelukt is door de geestkracht van een enkel man; eere zij dus aan de Lesseps!"

"Ja, eere aan dien grooten burger," antwoordde ik, verwonderd over den toon waarop kapitein Nemo gesproken had.

"Ongelukkig," hernam hij, "kan ik u niet door het Kanaal van Suez brengen; maar gij kunt overmorgen de lange havenhoofden van Port-Said zien, als wij in de Middellandsche zee zijn."

"In de Middellandsche zee?"

"Ja, mijnheer; verwondert u dat?"

"Het verwondert mij dat wij er overmorgen reeds zullen zijn."

"Zoo?"

"Ja, kapitein, hoewel ik mij eigenlijk over niets meer verwonderen moest sedert ik bij u aan boord ben."

"Maar waarom verwondert het u?"

"Over de ijzingwekkende snelheid, waarmede de Nautilus om Afrika zal moeten varen, om overmorgen in de Middellandsche zee te zijn!"

"En wie zegt u dat wij om Afrika heengaan, mijnheer de professor?

"Wie spreekt er van om langs de Kaap de Goede Hoop te varen?"

"Althans als de Nautilus niet over land of over de landengte heengaat…."

"Of er onder door, mijnheer Aronnax.

"Er onder door?"

"Zonder twijfel," antwoordde de kapitein bedaard. "Sedert lang heeft de natuur onder de landengte gevormd, wat de menschen er boven op maken."

"Hoe! bestaat er een doortocht?"

"Ja een onderaardsche doorgang, waaraan ik den naam van Arabischen tunnel gegeven heb. Deze begint even beneden Suez en eindigt in de golf van Pelusium."

"Maar de landengte bestaat enkel uit beweegbaar zand?"

"Tot op zekere diepte; maar op vijftig meter vindt men reeds een onwrikbaren rotsgrond."

"En hebt gij dien doorgang bij toeval ontdekt?" vroeg ik hoe langer zoo meer verbaasd.

"Door toeval en redeneering, of eigenlijk nog meer door de laatste dan door het eerste."

"Ik luister, kapitein, doch kan het haast niet gelooven."

"Och, mijnheer! 'zij hebben ooren en hooren niet,' zal ten allen tijde waar blijven. Niet alleen bestaat die doorgang, doch ik ben er verscheiden malen doorgegaan. Zonder dat zou ik mij nu niet in de Roode zee gewaagd hebben."

"Ben ik ook onbescheiden, als ik u vraag hoe gij dien tunnel ontdekt hebt?"

"Mijnheer," antwoordde mij de kapitein, "er kan geen geheim bestaan tusschen menschen, die elkander niet meer verlaten moeten."

Ik lette schijnbaar niet op dit gezegde en wachtte op het verhaal van den kapitein.

"Het is de redeneering van een natuuronderzoeker, mijnheer de professor," zei hij, "die mij er toe gebracht heeft dezen doorgang te ontdekken, welken ik alleen ken. Ik had opgemerkt dat er in de Roode en Middellandsche Zeeën een zeker aantal van volkomen dezelfde vischsoorten gevonden werd. Toen ik hiervan zeker was, vroeg ik mij af of er geen gemeenschap tusschen de beide zeeën bestond. Zoo ja, dan moest de onderaardsche stroom noodwendig van de Roode naar de Middellandsche Zee gaan, omdat het peil der beide zeeën verschilt. Ik ving dus een groot aantal visschen in den omtrek van Suez, deed hun een koperen ringetje aan den staart, en wierp ze toen weer in zee. Eenige maanden daarna ving ik aan de kust van Syrië eenige van die visschen met zulk een ring. De gemeenschap tusschen de beide zeeën was dus bewezen. Ik zocht haar met mijn Nautilus, ik ontdekte die, waagde mij er in, en weldra, mijnheer de professor, zult ook gij door den Arabischen. tunnel gevaren zijn."

HOOFDSTUK XXIX

De Arabische Tunnel.

Dienzelfden dag deelde ik aan Koenraad en Ned Land het gedeelte van het gesprek mede, dat hun belang kon inboezemen. Toen ik hun vertelde dat wij binnen twee dagen in de Middellandsche Zee zouden zijn, klapte Koenraad in de handen, maar de Amerikaan trok de schouders op.

"Een onderzeesche tunnel!" riep hij uit, "een gemeenschap tusschen de beide zeeën! Wie heeft daar ooit van gehoord?"

"Vriend Ned," zei Koenraad, "hadt gij ooit van den Nautilus hooren spreken? Neen! En toch bestaat die. Trek dus niet zoo lichtvaardig de schouders op, en twijfel niet aan de dingen, onder voorwendsel dat gij er nooit van hebt hooren spreken."

"Wij zullen wel eens zien!" antwoordde Ned Land, het hoofd schuddende. "Maar ik zou niets liever dan aan dien doortocht gelooven; de Hemel geve dat hij ons inderdaad in de Middellandsche Zee brenge!"

Denzelfden avond dreef de Nautilus op 21° 30' N.B. aan de oppervlakte en naderde de Arabische kust. Ik zag Djeddah, de belangrijke stapelplaats voor de Egyptische. Syrische, Turksche en Indische waren; ik kon vrij duidelijk de gebouwen en de schepen langs de kaden en op de reede onderscheiden. De zon, die vrij laag stond, scheen vlak op de huizen der stad, en deed er de witheid des te meer van uitkomen. Buiten de stad duidden eenige houten en rieten hutten verblijf het der Bedouïnen aan.

Weldra verdween Djeddah uit het gezicht en de Nautilus dook weer onder het water, dat op dat oogenblik eenigszins phosphoriseerde.

Den volgenden dag, 10 Februari, verschenen verschillende schepen, die eene andere richting als wij volgden. De Nautilus zette haar tocht onder zee door, doch toen om twaalf uur, op het oogenblik dat de zonshoogte moest genomen worden, de zee verlaten was, kwamen wij weer boven.

Ik ging met Ned Land en Koenraad op het plat zitten. De oostkust was door den vochtigen mist nauwelijks zichtbaar.

Op den rand der sloep geleund, spraken wij over koetjes en kalfjes, toen Ned zijn hand uitstrekkende, zei:

"Ziet gij daar niets, mijnheer?"

"Neen, Ned," antwoordde ik, "maar gij weet wel dat ik uw oogen niet heb."

"Zie eens goed," hernam Ned, "daar aan stuurboord vóór ons uit, zoowat boven de lantaarn. Ziet gij daar geen voorwerp, dat zich schijnt te bewegen?"

"Waarlijk," zei ik, na nauwkeurig te hebben toegezien, "ik zie een lang zwartachtig lichaam op het water drijven."

"Een anderen Nautilus?" vroeg Koenraad.

"Neen," antwoordde Ned, "maar als ik mij niet sterk vergis, is het een zeedier."

"Zijn er walvisschen in de Roode Zee?" vroeg Koenraad.

"Ja, mijn jongen," antwoordde ik, "soms ontmoet men ze nog."

"Het is geen walvisch," zei de harpoenier, die het voorwerp niet uit het oog verloor. "De walvisschen en ik zijn oude kennissen, en ik zou mij daarin met bedriegen."

"Laten wij maar wachten," merkte Koenraad op; "de Nautilus gaat dien kant uit, en spoedig zullen wij zien wat het is."

Inderdaad, het zwarte voorwerp was weldra geen vier kilometer meer van ons af. Het geleek op een groote klip midden in zee. Wat was het? Ik kon het nog niet zeggen.

"O, het beweegt zich! het duikt!" riep Ned Land uit, "duizend duivels, wat is dat voor een dier? Het heeft geen gespleten staart zooals walvisschen of potvisschen en de zwemvliezen lijken op stompen."

"Maar….?" vroeg ik.

"Daar," riep de Amerikaan, "nu ligt het dier op den rug met de borsten in de lucht!"

"Het is een sirene!" zei Koenraad, een wezenlijke sirene, als mijnheer 't niet kwalijk neemt."

"De naam van sirene bracht mij op den weg, en ik begreep, dat dit beest tot die orde van zeedieren behoorde, waarvan de fabel sirenen, half vrouw en half visch, gemaakt heeft."

"Neen," zei ik tot Koenraad, "het is geen sirene, maar een zonderling beest, waarvan er ternauwernood eenige exemplaren in de Roode zee zijn overgebleven. Het is een dugong."

Ned Land's oogen schitterden van begeerte op het zien van dit dier; zijn hand scheen gereed om het te harpoenen. Men zou zelfs gezegd hebben, dat hij in zee wilde springen, om het in zijn element te bestrijden.

"O, mijnheer!" riep hij met een stem, die van aandoening beefde, "zoo iets heb ik nog nooit gedood!"

Zijn geheele ziel lag in dit woord,

Op dat oogenblik kwam kapitein Nemo op het plat. Hij zag den dugong, begreep de houding van den Amerikaan, en vroeg hem: "Als ge een harpoen hadt, meester Land, zou die u dan niet in de hand branden?"

"Zeker, mijnheer."

"En zoudt gij gaarne voor één dag uw ambacht van visscher weer opvatten, om dit dier bij de lijst te voegen van die gij reeds getroffen hebt?"

"Zeker zou ik dat graag."

Welnu, gij kunt het eens probeeren."

"Dank u, mijnheer," riep Ned Land met schitterende oogen.

"Slechts dit raad ik u," hernam de kapitein, "dat gij het dier zeker treft, en dit in uw eigen belang."

"Is zulk een dugong dan gevaarlijk?" vroeg ik, niettegenstaande het minachtend schouderophalen van Ned.

"Ja, soms," antwoordde de kapitein. "Dit dier laat zijn aanvallers niet los, het werpt hun boot om. Maar met Ned Land is dat gevaar niet te vreezen. Zijn oog is juist, zijn arm zeker. Indien ik hem aanbeveel om dien dugong niet te missen, doe ik dat, omdat het een fijn stuk wild is, en ik weet wel, dat Ned niet afkeerig is van een lekker hapje."

"Zoo," zei de Amerikaan, "veroorlooft dit dier zich ook al de weelde van lekker te zijn?"

"Ja, Ned; zijn vleesch wordt zeer gezocht, en men bewaart het in den Maleischen archipel voor vorstelijke tafels. Men jaagt dan ook zoo fel op dit uitmuntend dier, dat het, evenals zijns gelijke, de zeekoe, hoe langer zoo zeldzamer wordt.

"Als dit dier dan eens bij toeval het laatste van zijn soort was," vroeg Koenraad ernstig, "zou het dan geen zaak zijn om het in het belang der wetenschap te sparen?"

"Misschien," hervatte de Amerikaan, "doch in het belang van den kok om het te vangen."

"Doe het dan, meester Land," antwoordde de kapitein.

Op dat oogenblik kwamen zeven mannen van de equipage, zwijgend en onverschillig als altijd, op het plat. Een van hen droeg een harpoen en een lijn zooals de walvischvaarders gebruiken. De sloep werd in zee gebracht; zes roeiers namen plaats op de banken, en de zevende ging aan het roer zitten. Ned, Koen en ik namen op een achterbank plaats.

"Gaat gij niet mee, kapitein?" vroeg ik.

"Neen, mijnheer, maar ik wensch u goede vangst."

De sloep stak af en door zes riemen voortgestuwd, naderde Zij snel den dugong, die op dat oogenblik ongeveer twee kilometer van den Nautilus af was. Op eenige kabellengten van het dier gekomen, roeiden wij langzamer, en de riemen werden zoo stil mogelijk door het kalme water bewogen. Ned Land ging met zijn harpoen in de hand op de voorplecht der sloep staan. Gewoonlijk is zulk een harpoen bevestigd aan een lang touw, dat snel afgewonden wordt als het gewonde dier met een harpoen in het lichaam vlucht. Maar thans was die lijn niet langer dan tien vadem, doch aan het einde zat een klein vaatje vast, dat drijvende de plaats moest aanwijzen, waar de dugong zich onder water bevond.

Ik was opgestaan en bekeek onzen vijand nauwkeurig. Deze dugong geleek veel op een zeekoe, het lange lichaam eindigde in een zeer langen staart, en de zijvinnen hadden wezenlijke vingers aan de toppen. Het onderscheid tusschen dit dier en de zeekoe bestond daarin, dat het in de bovenkaak twee lange en puntige tanden had, welke aan elke zijde een naar buiten staand verdedigingswapen vormden. De dugong was bijzonder groot, want hij was niet minder dan zeven meter lang. Hij bewoog zich niet en scheen op het water te slapen, een omstandigheid, die de vangst veel gemakkelijker maakte.

De sloep naderde voorzichtig tot op drie vadem; de riemen bleven stil liggen; ik stond half op; Ned Land drilde een weinig achterover gebogen, zijn harpoen met geoefende hand. Plotseling snorde deze, en het dier verdween; het wapen, hoe krachtig ook geworpen, had zonder twijfel niet getroffen.

"Duizend duivels!" riep de woedende Amerikaan, "ik heb hem niet geraakt!"

"Jawel," zei ik, "het dier is gewond, daar drijft bloed; maar je wapen is hem niet in het lichaam blijven zitten."

"Mijn harpoen! mijn harpoen!" riep Ned Land.

De matrozen begonnen weer te roeien, en de stuurman richtte de boot naar het drijvende vaatje. Toen dit was opgevischt, begonnen wij het dier weer te vervolgen. Dit kwam van tijd tot tijd boven om adem te halen. De wond had het niet verzwakt, want het zwom bijzonder snel. De sloep, door krachtige armen geroeid, vloog den dugong achterna. Verscheidene malen naderden wij hem tot op eenige vademen, en de Amerikaan hield zich gereed om hem te treffen, maar het beest dook dan plotseling, zoodat het onmogelijk was het te bereiken.

Men begrijpe de woede van Ned Land. Hij wierp het ongelukkige dier de krachtigste Amerikaansche vloeken naar den kop. Wij vervolgden het een uur lang, en ik begon te gelooven, dat het moeielijk zou zijn het te vangen, toen de dugong op het noodlottig denkbeeld kwam zich te wreken; dit zou hem weldra berouwen. Hij snelde op de sloep aan om die aan te vallen. Dit ontging niet den Amerikaan.

"Let op!" riep hij.

De stuurman zei eenige woorden in zijn vreemde taal, en waarschuwde daarmee zijn mannen, zeker om op hun hoede te zijn. Toen de dugong op 7 meter van ons af was, hield hij stil, blies plotseling de lucht uit door zijn groote neusgaten, die niet vooraan maar boven op zijn snuit geplaatst waren, en snelde met een sprong plotseling op ons aan.

De sloep kon den schok niet vermijden; half op zij geworpen, schepte zij water, dat moest worden uitgehoosd; gelukkig was zij, dank zij de behendigheid van onzen stuurman, alleen in de schuinte en niet recht tegen een der zijden door het dier getroffen, zoodat zij niet was gekanteld. Ned Land stond altijd op de plecht en doorkerfde het reusachtig monster met harpoensteken, doch het had de tanden over den rand der sloep geslagen en lichtte deze uit het water op, zooals de leeuw een bokje zou doen. Wij werden op elkander geworpen, en ik weet niet hoe dit wel zou geëindigd zijn als de Amerikaan, die altijd nog woedend op het beest was, het eindelijk niet in het hart had getroffen.

Ik hoorde de tanden langs de ijzeren platen der sloep knarsen, en de dugong verdween met den harpoen in het lichaam. Maar weldra kwam het vaatje weer boven, en weinige oogenblikken daarna verscheen het lichaam van het dier, doch op den rug gekeerd. De boot roeide er heen, nam den dugong op sleeptouw, en keerde naar den Nautilus terug.

Men moest zware en sterke takels gebruiken om het dier op het plat te hijschen; het woog 5000 kilogram; men sneed het in tegenwoordigheid van den harpoenier in stukken, omdat deze er op gesteld was al de bijzonderheden van die bewerking te volgen. Denzelfden dag diende de hofmeester mij aan het diner eenige plakken van het vleesch van den dugong voor, dat door den kok zeer lekker was gereed gemaakt. Ik vond het uitmuntend en beter dan kalfs- zelfs rundvleesch.

Den volgenden dag, 11 Februari, werd de kombuis van den Nautilus nogmaals van lekker wildbraad voorzien; een vlucht zeezwaluwen sloeg op den Nautilus neer; het was een soort zwaluw, die bijzonder in Egypte te huis behoort, met zwarten bek, grijzen en gespikkelden kop, met witte vlekjes om het oog, met grijzen rug, vleugels en staart, witte borst en buik en roode pootjes. Ook vingen wij eenige dozijnen Nijleenden, wilde vogels met sterken smaak, wier kop en hals wit met zwarte vlekken zijn.

De snelheid van den Nautilus was toen middelmatig. Hij vorderde maar langzaam; ik merkte op, dat het water der Roode zee hoe langer hoe minder zout werd, naarmate wij Suez naderden.

Tegen vijf uur 's avonds waren wij op de hoogte van kaap Ras Mohammed; zij vormt het uiteinde van Steenachtig Arabië, en ligt tusschen de golven van Suez en Akabah.

De Nautilus voer de straat van Jubal binnen, die ons in de golf van Suez brengen moest. Ik zag duidelijk een hoogen berg, die boven de kaap uitstak; het was de Horeb en de Sinaï op wiens top Mozes God van aangezicht tot aangezicht had gezien, en dien men steeds voorstelt als door bliksemstralen omhuld.

Om zes uur ging de Nautilus, dan eens op, dan onder het water, voorbij Tor, dat achter in een baai ligt, welker water rood gekleurd schijnt, zooals de kapitein reeds gezegd had. Toen viel de nacht in te midden van een doffe stilte, somtijds slechts afgebroken door het geschreeuw van den pelikaan, of van eenigen nachtvogel, of door het geluid van de branding tegen de rotsen en het verwijderd gerucht van een stoomboot, die de golven met raderen of schroef doorkliefde.

Van acht tot negen uur bleef de Nautilus eenige meters diep onder water. Volgens mijn berekening moesten wij zeer dicht bij Suez zijn; door de ramen van den salon zag ik de rotsen, die door ons electrisch licht helder werden beschenen; het was alsof het zeewater hoe langer hoe nauwer werd.

Kwart voor negen kwam het schip weer boven. Ik ging op het plat. Ongeduldig om door den tunnel te komen, kon ik niet lang stil blijven staan, en ademde de frissche zeelucht in. Weldra bemerkte ik in de duisternis een klein lichtje, dat dof door den nevel schijnend, op een kilometer voor ons zichtbaar was.

"Een drijvende vuurbaak!" zei een stem naast mij. Ik keerde mij om en herkende den kapitein.

"Het is het drijvend licht van Suez," zei hij: "wij zullen nu spoedig aan den ingang van den tunnel zijn."

"Die ingang moet niet gemakkelijk wezen?"

"Neen, mijnheer. Ook ben ik gewoon dan zelf aan het roer te gaan. Als gij nu naar beneden wilt, mijnheer Aronnax, dan kan de Nautilus in zee duiken, om niet eer weer aan de oppervlakte te verschijnen vóór wij den tunnel door zijn."

Ik volgde den kapitein. Het luik ging dicht; de waterbakken werden gevuld, en het vaartuig zonk ongeveer tien meter onder de golven. Toen ik naar mijn kamer wilde gaan, hield Nemo mij staande.

"Zeg eens, mijnheer de professor," zet hij, "zoudt gij mij gaarne in den stuurstoel willen vergezellen?"

"Ik durfde het u niet te vragen," antwoordde ik.

"Kom maar mee, dan zult gij al het mogelijke van deze onderzeesche vaart zien."

De kapitein bracht mij naar de middeltrap; halverwege opende hij een deur, volgde een bovengang, en kwam in den stuurstoel, die zooals men weet aan het einde van het plat boven in het vaartuig lag.

Het was een hut van zes voet in het vierkant, ongeveer zooals de stuurlieden aan boord van de stoombooten op de Mississippi en den Hudson hebben. In het midden stond een vertikaal rad, dat ingreep in de takels van het roer, dat tot achter onder den Nautilus reikte. Vier groote lenzen, in de vier zijden van de hut aangebracht, lieten den stuurman naar alle zijden vrijen uitkijk.

De hut was donker, maar weldra was ik aan de duisternis gewoon, en toen zag ik ook den stuurman, een krachtig man, die de velgen van het rad vasthield. Buiten de hut was de zee helder verlicht door de lantaarn, die achter den stuurstoel, aan de andere zijde van het plat stond.

"Nu gaan wij den doorgang zoeken," zei kapitein Nemo.

Electrische draden verbonden den stuurstoel met de machinekamer en van daar kon de kapitein aan zijn Nautilus dus zoowel richting als beweging geven. Hij drukte op een metalen knop en aanstonds werd de snelheid verminderd.

Ik beschouwde in stilte den hoogen en steilen rotsmuur waar wij langs voeren; wij volgden dien gedurende een uur en bleven er in den regel slechts een paar meter van verwijderd. De kapitein hield het oog geen enkel oogenblik afgewend van het kompas, dat in een ring aan den zolder hing; op een enkel teeken veranderde de stuurman elk oogenblik de richting van den Nautilus. Ik zat bij het glas aan bakboordzijde, en zag prachtige koralen, zoöphyten, zeegrassen, schaaldieren, die hunne lange pooten uit de spleten der rots staken, enz.

Kwart over tienen nam de kapitein zelf het stuurrad in handen. Een breede, donkere en diepe galerij opende zich voor ons; de Nautilus liep die stoutmoedig binnen. Ik hoorde langs de wanden van het schip een ongewoon geraas, het was het water van de Roode Zee, dat door den hellenden tunnel naar de Middellandsche Zee stroomde. De Nautilus volgde pijlsnel dien stroom, niettegenstaande de inspanning der machine, die de schroef in omgekeerde richting deed werken.

Op de muren van den nauwen doorgang zag ik niets dan schitterende en vurige strepen, door het electrisch licht en de snelheid van de vaart voortgebracht. Mijn hart klopte hevig; ik hield de handen tegen de borst gedrukt.

"Vijf minuten over half elf gaf de kapitein het stuurrad weer over, en zich naar mij wendend, zei hij:

"De Middellandsche Zee!"

In minder dan twintig minuten was de Nautilus, door den stroom medegesleept, onder de landengte van Suez doorgevaren.

HOOFDSTUK XXX

De Grieksche Archipel.

Den volgenden dag, 12 Februari, kwam de Nautilus bij het krieken van den dag weer boven. Ik haastte mij naar het plat. Op drie kilometer zuidwaarts van ons zag ik den vagen omtrek der kust van Pelusium; een stroom had ons van de eene zee naar de andere gevoerd; maar die tunnel, reeds moeielijk om af te varen, moest onmogelijk op te varen zijn.

Tegen zeven uur kwamen Ned en Koenraad weer bij mij; de beide onafscheidelijke vrienden hadden stil geslapen, zonder zich met de heldendaden van den Nautilus te bemoeien.

"Welnu, mijnheer de natuurkenner," vroeg de Amerikaan op spottenden toon, "waar is nu de Middellandsche Zee?"

"Wij varen op haar oppervlakte, vriend Ned."

"Wat," vroeg Koenraad, "van nacht?…"

"Jawel, van nacht zijn wij in eenige minuten onder de onovergankelijke landengte heengevaren."

"Ik geloof er niets van," antwoordde de Amerikaan.

"Gij hebt ongelijk, Ned," hernam ik; "de lage kust, daar in het zuiden zichtbaar, is de Egyptische kust."

"Vertel dat aan anderen, mijnheer," zei de stijfhoofdige Amerikaan.

"Maar als de professor het toch verzekert," bevestigde Koenraad, "moet je mijnheer gelooven."

"Bovendien, Ned, kapitein Nemo heeft mij zijn tunnel leeren kennen, en ik was bij hem in de hut van den stuurman, toen hij zelf den Nautilus door dezen nauwen doorgang stuurde."

"Hoor je het, Ned?" zei Koenraad.

"En jij, die zulke goede oogen hebt, Ned," voegde ik er bij, "kunt de havenhoofden van Port-Said zien, die ver in zee vooruitsteken."

De Amerikaan keek nauwkeurig toe.

"Inderdaad," zei hij, "gij hebt gelijk, mijnheer de professor, en uw kapitein is een baas; wij zijn waarachtig in de Middellandsche Zee; goed, laat ons dus nu eens over onze zaken spreken, maar dat vooral niemand ons hoore!"

Ik zag wel waar de Amerikaan heen wilde; in allen gevalle achtte ik het beter er over te praten, omdat hij het begeerde, en wij gingen met ons drieën bij de lantaarn zitten, waar wij minder gevaar liepen door den golfslag bespat te worden.

"Welnu, Ned, nu luisteren wij naar u," zei ik; "wat hebt gij te vertellen?"

"Wat ik u te vertellen heb is dood eenvoudig," antwoordde de Amerikaan; "wij zijn in Europa, en voordat de luimen van kapitein Nemo ons naar de Poolzeën of den Grooten Oceaan terugvoeren, wil ik den Nautilus poetsen."

Ik beken, dat dergelijke gesprekken met Ned Land mij altijd in verlegenheid brachten. Ik wilde de vrijheid mijner makkers op geenerlei wijze beletten, doch ik verlangde nog volstrekt niet den kapitein te verlaten. Door toedoen ven hem en zijn vaartuig vermeerderde ik dagelijks mijn kennis van de zee, en ik bewerkte mijn boek over de diepte in dit element zelf. Zou ik ooit zulk een gelegenheid weer vinden, om de wonderen van den Oceaan te kunnen aanschouwen? Neen, zeker niet! Ik kon mij dus niet vereenigen met het denkbeeld den Nautilus vaarwel te zeggen, voordat ik den kring mijner onderzoekingen over den geheelen omtrek der aarde voltooid had.

"Vriend Ned," zeide ik, "antwoord mij eens openhartig; verveelt gij u aan boord? Hebt j' er spijt van dat het lot je in de macht van kapitein Nemo heeft gebracht?"

De Amerikaan zweeg eenige oogenblikken; toen sloeg hij de armen over elkander en zei: "Eerlijk gesproken, heb ik geen berouw van die onderzeesche reis; ik ben in mijn schik ze meegemaakt te hebben; maar nu ik haar gemaakt heb, moet er ook een einde aan komen; zoo denk ik er over."

"Er zal een eind aan komen, Ned."

"Waar en wanneer?"

"Waar? dat weet ik niet. Wanneer? kan ik ook niet zeggen, doch ik veronderstel dat deze reis zal eindigen, als de zee ons niets meer leeren kan. Al wat in deze wereld een begin heeft, moet noodwendig ook een einde hebben."

"Ik denk als mijnheer," voegde Koenraad er bij, "en het is zeer licht mogelijk dat, na alle zeeën van den aardbol doorkruist te hebben, de kapitein ons allen drie ons afscheid geeft."

"Ja wel," zei de Amerikaan, "of de volle laag."

"Overdrijf nu niet, meester Land," hernam ik. "Wij hebben niets van den kapitein te vreezen, maar ik deel ook niet in het gevoelen van Koenraad. Wij kennen het geheim van den Nautilus, en ik denk niet dat de kapitein, door ons de vrijheid te schenken, er gemakkelijk toe zal overgaan dat geheim door ons wereldkundig te maken."

"Maar wat verwacht gij dan?" vroeg Ned.

"Dat er zich omstandigheden zullen voordoen, waarvan wij kunnen en moeten gebruik maken, en dat evengoed over zes maanden als thans."

"'t Zou wat!" zei Ned Land. "En waar zullen wij over zes maanden zijn, mijnheer de natuuronderzoeker?"

"Misschien hier of misschien bij China. Je weet het, dat de Nautilus een groote snelheid bezit; hij doorklieft het water als een vogel de lucht; hij vreest geen druk bezochte zeeën. Wie zegt je dat hij de kusten van Frankrijk, Engeland of Amerika niet zal naderen, waar wij ten minste even goed een vlucht kunnen beproeven als hier?"

"Mijnheer Aronnax," antwoordde de Amerikaan, uw redeneering rust op verkeerden grondslag. U spreekt in het toekomende: "dan zullen wij hier of daar zijn!" maar ik spreek in het tegenwoordige; "wij zijn hier en wij moeten daarvan gebruik maken."

Ik werd door de logica van Ned Land in het nauw gebracht, en ik voelde dat ik op dat punt geslagen werd. Ik wist niet meer, welke bewijsgronden ik voor mijn stelling moest aanvoeren.

"Mijnheer," hervatte Ned, "veronderstellen wij eens het onmogelijke, dat namelijk de kapitein u heden de vrijheid aanbood, zoudt gij die aannemen?"

"Ik weet het niet," antwoordde ik.

"En als hij er bijvoegde dat het aanbod, dat u heden gedaan werd, nimmer weer herhaald zou worden, zoudt gij dat aannemen?"

Ik antwoordde niet.

"En wat denkt vriend Koen er van?" vroeg Ned Land.

"Vriend Koen," antwoordde deze bedaard, "heeft niets te zeggen. Evenals zijn meester en zijn vriend Ned, is hij ongehuwd. Vrouw, kinderen en bloedverwanten wachten in zijn vaderland niet op hem. Hij is in dienst van mijnheer, hij denkt als mijnheer, hij spreekt als mijnheer, en tot zijn spijt behoeft men op hem niet te rekenen om een meerderheid te verkrijgen. Er zijn dus maar twee personen: mijnheer aan den eenen en Ned Land aan den anderen kant. Nu hij dit gezegd heeft, luistert vriend Koen weer toe en is gereed de aanteekeningen er bij te maken."

Ik moest onwillekeurig glimlachen, toen ik Koenraad zijn persoon zoo geheel hoorde wegcijferen; de Amerikaan echter moest blijde zijn hem niet tegen zich te hebben.

"Welnu, mijnheer," zei Ned Land, "omdat Koenraad dus niet bestaat kunnen wij met ons beiden de zaak afhandelen. Ik heb gesproken, u hebt geluisterd: wat hebt u te antwoorden?"

Ik moest noodwendig een beslissing nemen, en uitvluchten stuitten mij tegen de borst.

"Vriend Ned," zei ik, "ziehier mijn antwoord: Je hebt gelijk en mijn bewijzen houden tegenover de uwe geen steek. Gij moet op den goeden wil van kapitein Nemo niet rekenen; de voorzichtigheid verbiedt hem ons de vrijheid terug te geven; derhalve gebiedt deze deugd ons om van de eerste de beste gelegenheid om den Nautilus te verlaten, gebruik te maken."

"Goed, mijnheer Aronnax, dat is verstandig gesproken."

"Slechts éen opmerking," zei ik, "een enkele: de gelegenheid moet goed zijn; onze eerste poging om te vluchten moet gelukken; want doet zij het niet, dan zullen wij de gelegenheid waarschijnlijk nooit weer krijgen, en kapitein Nemo zal het ons niet vergeven."

"Dat is alles heel juist," antwoordde de Amerikaan; "maar uw opmerking is toepasselijk op elke poging om te ontvluchten, hetzij die plaats hebbe over twee jaar of over twee dagen. Derhalve blijft altijd de vraag deze: als een gunstige gelegenheid zich voordoet, moet men er van gebruik maken?"

"Juist; en zul je me nu eens zeggen, Ned, wat je door een gunstige gelegenheid verstaat?"

"Deze: dat de Nautilus wel in een somberen nacht kort bij eenige
Europeesche kust komt."

"En zou je dan met zwemmen je trachten te redden?"

"Ja, als wij dicht genoeg bij de kust waren en de Nautilus aan de oppervlakte dreef; doch zeker niet als wij te ver van land waren en het vaartuig onder water voer."

"En wat zou je in dit geval doen?"

"Dan zou ik trachten me van de sloep meester te maken: ik weet ermee om te gaan; wij gaan er binnen in zitten en als wij de ijzeren bouten er uit hebben geschroefd, rijzen wij naar de oppervlakte, zonder dat zelfs de stuurman onze vlucht zou bemerken."

"Goed, Ned, loer dus op die gelegenheid; maar vergeet niet, dat een mislukking ons verderf zou zijn."

"Ik zal dit niet vergeten, mijnheer!"

"En wil je nu weten, Ned, wat ik over je plan denk?"

"Graag, mijnheer Aronnax."

"Welnu, ik denk, (ik zeg niet: ik hoop) dat deze gunstige gelegenheid zich nimmer zal voordoen."

"Waarom niet?"

"Omdat de kapitein zich niet ontveinzen kan, dat wij niet alle hoop hebben opgegeven om onze vrijheid te herkrijgen, en dat hij wel op zijn hoede zal zijn, vooral als wij in het gezicht der Europeesche kust varen."

"Ik denk zooals mijnheer," zei Koenraad.

"Wij zullen wel eens zien," antwoordde Ned Land, die met een vastberaden gelaat het hoofd schudde.

"En nu, Ned," voegde ik er bij, "zullen wij verder er over zwijgen: geen woord meer er over. Den dag waarop je gereed zult zijn, zul je ons waarschuwen en wij volgen je. Ik verlaat mij geheel op je."

Dit gesprek, dat later zulke zwaarwichtige gevolgen hebben moest, eindigde hiermede. Ik moet nu bekennen, dat de gebeurtenissen mijn voorspelling, tot groote teleurstelling van den Amerikaan, schenen te bevestigen. Wantrouwde de kapitein ons in die druk bevaren zeeën, of wilde hij zich slechts onttrekken aan het oog der tallooze schepen van allerlei natiën, die de Middellandsche Zee doorkliefden? Ik weet het niet, maar meestentijds bleef hij onder water en ver van de kust. De Nautilus kwam soms slechts even boven, zoodat de uitkijk van den stuurman ternauwernood uit het water stak, of wij voeren op groote diepte, daar wij tusschen den Griekschen archipel en Klein-Azië zelfs op 2000 meter den bodem niet konden bereiken.

Zoo wist ik niet anders dat wij het eiland Carpathos, een van de
Sporaden, langs voeren, dan door het vers van Virgilius, dat kapitein
Nemo aanhaalde toen hij met den vinger op de kaart wees:

    "Est in Carpathio Neptuni gurgite vates,
    Coeruleus Proteus…."

Het was inderdaad de gewezen verblijfplaats van Proteus, den ouden herder der kudden van Neptunus, thans het eiland Scarpanto, tusschen Rhodus en Creta. Ik zag door het raam van den salon alleen de granietrotsen, waarop het rust.

Den volgenden dag, 14 Februari, besloot ik eenige uren te besteden aan het bestudeeren van de visschen uit dien archipel; maar om de een of andere reden bleven de wanden vast gesloten. Toen ik naging op welke hoogte de Nautilus zich bevond, merkte ik op, dat wij naar Candia voeren. Op het oogenblik dat ik mij op de Abraham Lincoln had ingescheept, was dit geheele eiland in opstand gekomen tegen de Turksche overheersching; maar ik wist volstrekt niet wat er van dien opstand tot heden toe geworden is, terwijl de kapitein, die geen gemeenschap met het land onderhield, mij het zeker niet zou hebben kunnen zeggen.

Ik zinspeelde dus in het geheel niet op deze gebeurtenis, toen ik dien avond met hem alleen in den salon was. Bovendien kwam het mij voor dat hij stil was en afgetrokken. Toen gaf hij, tegen zijn gewoonte, bevel om de wanden open te schuiven, en hij liep van het eene glas naar het andere, om het water nauwkeurig te beschouwen. Waarom? Ik kon het niet raden, en ik hield mij enkel bezig met de visschen te beschouwen, die ons voorbij zwommen. Ik zag onder anderen drie centimeter lange cheilonen, kleine visschen met doorschijnende schubben, loodkleurig en met roode vlekjes; zij eten veelal zeeplanten, waardoor zij een uitstekenden smaak hebben; die vischjes waren bij de lekkerbekken te Rome zeer gezocht; hunne ingewanden met zeeslakkenmelk, pauwenhersens en papegaaientongetjes klaar gemaakt, vormden den goddelijken schotel, die Vitellius in verrukking bracht. Een andere zeebewoner uit deze streken bracht mij de oudheid nogmaals in herinnering. Het was de remora, die zich aan den buik der haaien vasthecht en zóó medezwemt; volgens het beweren der ouden kon deze kleine visch, als hij zich aan de kiel van een schip hechtte, het in de vaart tegenhouden, en toen een van deze dieren in den slag van Actium het schip van Antonius tegenhield, maakte het daardoor de verovering voor Augustus gemakkelijk. Waarvan hangt toch dikwijls het lot der volken af!

Mijn oogen konden zich van al die wonderen der zee niet afwenden, toen ik door een onverwachte verschijning werd getroffen.

Midden in zee verscheen plotseling een man, een duiker, die een klein leeren zakje aan zijn gordel droeg. Het was geen lijk, dat met den stroom voortdreef, het was een levend mensch, die met krachtige hand voortzwom, en nu en dan verdween, om aan de oppervlakte adem te scheppen, doch aanstonds weer naar beneden dook. Ik keerde mij met bewogen stem tot den kapitein: "Een man een drenkeling!" riep ik, "wij moeten hem redden!" De kapitein antwoordde niet en kwam bij het raam. De man zwom naar ons toe, drukte het gelaat tegen het glas en keek ons aan. Tot mijn groote verbazing gaf de kapitein hem een teeken; de duiker gaf met een wenk antwoord, steeg onmiddellijk naar boven en kwam niet weer terug.

"Verontrust u niet," zei de kapitein. "Het is Nikolaas van kaap Matapan, de Visch bijgenaamd. Hij is op al de Cycladen goed bekend; een voortreffelijk duiker! Het water is zijn element, en hij leeft er meer in dan op het land, want hij gaat onophoudelijk van het eene eiland naar het andere, tot zelfs naar Kreta."

"Kent gij hem, kapitein?"

"Waarom niet, mijnheer?"

Toen de kapitein dit gezegd had, ging hij naar een kast, dicht bij het linker raam van den salon. Bij dit meubel zag ik een met ijzer beslagen kist staan, op wier deksel een koperen plaat was bevestigd met het opschrift: "Mobilis in mobile."

Zonder op mijn tegenwoordigheid te letten, opende de kapitein de kast; het was een soort geldkist die een groot aantal gouden staven bevatte. Waar kwam dat kostbaar metaal vandaan? Waar haalde de kapitein het en wat zou hij er mee doen?

Ik zei geen woord, ik keek slechts toe. Kapitein Nemo nam de staven éen voor éen en schoof ze geregeld in een kist, die hij er geheel mede vulde. Ik hield het er voor, dat deze meer dan duizend kilogrammen goud bevatte, dat is te zeggen voor ongeveer drie millioen franken.

De kist werd goed gesloten, en de kapitein schreef er een adres op met Grieksche letters. Toen dit gedaan was, drukte hij op een knop, die door middel van een draad gemeenschap had met het verblijf der equipage. Er verschenen acht man, die niet zonder veel moeite de kist uit den salon droegen; toen hoorde ik dat zij die met takels de groote trap optrokken.

Op dit oogenblik wendde kapitein Nemo zich tot mij:

"En gij zeidet, mijnheer de professor?" vroeg hij.

"Ik zei niets, kapitein."

"Dan wensch ik u een goeden nacht, mijnheer," en daarop verliet hij den salon. Ik ging, zooals men denken kan, zeer nieuwsgierig naar mijn kamer. Ik zocht verband tusschen de verschijning van den zwemmer en die met goud gevulde kist. Weldra voelde ik aan eenige slingering, dat de Nautilus uit de diepte naar boven kwam en aan de oppervlakte dreef. Toen hoorde ik op het plat loopen; ik begreep, dat men de sloep los maakte en in zee bracht; een oogenblik stiet zij tegen den Nautilus en toen was alles stil. Twee uren daarna hoorde ik weer hetzelfde geraas en hetzelfde geloop. De sloep werd aan boord geheschen en vastgeschroefd, waarna de Nautilus weer in de diepte zonk.

Derhalve waren die schatten aan hun adres bezorgd. Waar en wie was de zaakgelastigde van den kapitein?

Den volgenden dag vertelde ik aan Ned en Koenraad wat er dien nacht gebeurd was en mijn nieuwsgierigheid zeer had opgewekt. Mijn makkers waren niet minder verbaasd dan ik.

"Maar waar haalt hij die millioenen van daan?" vroeg Ned Land. Daarop kon ik geen antwoord geven. Ik ging na het ontbijt naar den salon en zette mij aan het werk; ik bleef tot vijf uur zitten schrijven. Of ik het aan mijn lichaamstoestand moest toeschrijven wist ik niet, doch ik voelde op dat oogenblik een groote hitte, zoo zelfs, dat ik mijn bovenkleed moest uitdoen. Ik begreep er niets van, want wij waren op geen hooge breedte, en bovendien kon de Nautilus, die op vrij groote diepte voer, geen hinder hebben van hooge temperatuur. Ik keek eens op den manometer; deze wees een diepte van twintig meter, waar dus de warmte van den dampkring niet meer kon doordringen.

Ik ging voort met mijn werk, doch de hitte werd bijna onverdraaglijk.

"Zou er brand aan boord zijn?" vroeg ik mij zelven af.

Ik wilde den salon verlaten, toen kapitein Nemo binnentrad; hij ging naar den thermometer, keek dien na en zei:

"Twee-en-veertig graden."

"Dat merk ik, kapitein," antwoordde ik; "en als die warmte nog toeneemt, zullen wij die niet meer kunnen verdragen."

"Och, mijnheer, die warmte zal niet vermeerderen, als wij het niet willen."

"Kunt u die dan naar willekeur regelen?"

"Neen, maar ik kan mij van het punt verwijderen waar zij ontstaat."

"Komt zij dan van buiten?"

"Zonder twijfel; wij varen in een stroom van kokend water."

"Is het mogelijk?" riep ik uit.

"Kijk maar."

De wanden openden zich, en ik zag dat het water om den Nautilus geheel wit was. Zwaveldampen ontwikkelden zich in de zee, die als in een ketel kookte. Ik hield mijn hand tegen het glas, doch dit was zóo heet, dat ik de hand terugtrok.

"Waar zijn wij?" vroeg ik.

"Bij het eiland Santorino, mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, "en juist in het kanaal dat Nea-Kameni van Palea-Kameni scheidt. Ik heb u het zonderling schouwspel van een onderzeesche vulkanische uitbarsting willen doen zien."

"Ik dacht," zei ik, "dat de vorming van deze nieuwe eilanden afgeloopen was."

"Niets is ooit in deze vulkanische streken afgeloopen," antwoordde Nemo, "en de aarde wordt hier altijd door onderaardsch vuur in beweging gebracht. In het negentiende jaar onzer jaartelling verscheen, volgens Cassiodorus en Plinius, een nieuw eiland, Theia of het Goddelijke genaamd, op dezelfde plaats waar zich kortelings nieuwe eilandjes hebben gevormd. Later verdween het onder de golven, om in het jaar 69, nog eens te verschijnen en nog eenmaal te verdwijnen. Sedert dien tijd tot op onze dagen bespeurde men geen vulkanische werking, totdat op 3 Februari 1866 een nieuw eilandje, waaraan men den naam van George gaf, in de nabijheid van Nea-Kameni, te midden van zwaveldampen opsteeg en zich drie dagen later daaraan vasthechtte. Zeven dagen later, 13 Februari, verscheen het eilandje Aphroessa, door een kanaal van tien meter breed van Nea-Kameni gescheiden. Ik was juist in deze zee toen het verschijnsel zich voordeed, en ik heb het in alle bijzonderheden kunnen nagaan. Het eilandje Aphroessa was rond, had drie honderd meter in doorsnede en was tien meter hoog. Het bestond uit zwarte, glasachtige lava, met stukken veldspaat vermengd. Eindelijk vertoonde zich den 10den Maart een veel kleiner eiland, Reka genaamd, bij Nea-Kameni, en sedert dien tijd hebben zich deze drie eilandjes vereenigd en vormen op dit oogenblik éen geheel."

"En het kanaal waarin wij ons thans bevinden?" vroeg ik.

"Hier is het," zei de kapitein, terwijl hij het mij op een kaart van den Archipel aanwees; "gij ziet, dat ik er de nieuwe eilandjes heb opgezet."

"Maar dit kanaal zal zich eens vullen?"

"Dat is zeer waarschijnlijk, mijnheer Aronnax, want sedert 1866 zijn er nog acht kleine lava-eilandjes tegenover de haven St. Nicolaas op Palea-Kameni verrezen. Het is dus waarschijnlijk dat Nea en Palea zich vrij spoedig zullen vereenigen. Indien in den Grooten Oceaan de koralen landen vormen, dan zijn het hier vulkanische uitbarstingen: zie eens, mijnheer, wat er hier onder de eilanden geschiedt."

Ik kwam weer bij het raam; de Nautilus bewoog zich niet meer; de hitte werd ondraaglijk; de zee werd rood in plaats van wit, door de aanwezigheid van ijzerzouten. Niettegenstaande de salon zeer dicht gesloten was, drong een onverdraaglijke zwavellucht tot ons door, en ik zag vuurroode vlammen, die het electrisch licht verdoofden. Ik zweette, ik stikte bijna, ik dacht dat ik gebraden werd.

"Wij kunnen niet langer in dit kokend water blijven," zei ik tot den kapitein.

"Neen, dat zou onvoorzichtig zijn," antwoordde Nemo bedaard. Een bevel werd gegeven, de Nautilus zette zich weer in beweging en verwijderde zich van dien oven, waarbij hij het niet langer ongestraft had kunnen uithouden. Een kwartier later haalden wij weer adem aan het oppervlak der zee.

Ik dacht er toen aan, dat, zoo Ned Land een dezer streken had uitgekozen om te vluchten, wij zeker niet levend uit deze vuurzee zouden gekomen zijn.

Den volgenden dag, 16 Februari, verlieten wij dit gedeelte der zee, dat tusschen Rhodus en Alexandrië soms een diepte van 3000 meter heeft, en de Nautilus Cerigo rechts latende liggen, verlieten wij den Griekschen Archipel, na om kaap Matapan te zijn heengevaren.

HOOFDSTUK XXXI

Door de Middellandsche Zee in twee dagen.

De Middellandsche Zee, de blauwe zee bij uitnemendheid, omringd door kusten waarop oranjeboomen, aloë's, cactussen en pijnboomen groeien en mirten hunne welriekende geuren verspreiden, waarlangs ruwe bergen hunne toppen hemelwaarts verheffen, waarboven het zuiver en doorschijnend luchtazuur zich welft, de zee, die onophoudelijk door stormen of door onderaardsch vuur in beweging wordt gebracht, is voortdurend het slagveld, waar Neptunus en Pluto elkander het wereldgebied betwisten. Aan haar oevers en op haar golven wordt de mensch in een van de krachtigste luchtstreken van den aardbodem als wedergeboren.

Doch hoe schoon die zee ook zij, ik heb maar een vluchtig overzicht kunnen nemen van dat waterbekken, dat twee millioen vierkante kilometer oppervlakte beslaat. De kennis van den kapitein hielp mij hier ook weinig, want die raadselachtige persoon verscheen bij deze snelle vaart geen enkele maal. Ik schat den afstand, dien de Nautilus onder zee aflegde, op ongeveer 2400 kilometer, en deze reis legde hij in tweemaal vierentwintig uren af. Na den 16den Februari de Grieksche wateren verlaten te hebben, waren wij den 18den, bij het opkomen van de zon, reeds door de straat van Gibraltar. Het was mij daardoor vrij duidelijk dat deze Middellandsche Zee, besloten tusschen bewoonde landen, die hij wilde ontvluchten, den kapitein bijzonder onaangenaam moest zijn. Hare golven en koeltjes wekten waarschijnlijk bij hem al te veel droeve herinneringen, mogelijk al te veel leed op. Hij kon zich hier met zijn vaartuig niet zoo vrij bewegen als in den Oceaan, en zijn Nautilus voelde zich tusschen de te nabij elkander liggende Afrikaansche en Europeesche kusten te bekneld. Wij hadden een snelheid van vijfenveertig kilometer in het uur. Het spreekt van zelf dat Ned Land, tot zijn groote spijt, zijn ontvluchtingsplannen moest opgeven; hij kon zich van de sloep niet bedienen, nu deze werd meegesleept met een vaart van ongeveer twaalf meter in de seconde. Onder die omstandigheden den Nautilus te verlaten, zou even gevaarlijk geweest zijn, als om uit een sneltrein in volle vaart te springen. Bovendien kwam ons vaartuig alleen des nachts aan de oppervlakte, om een voorraad versche lucht in te nemen, en het snelde slechts vooruit volgens de aanwijzingen van het kompas en den log.

Ik zag dus van het inwendige der Middellandsche Zee alleen wat een reiziger in een sneltrein van het landschap ziet, waardoor hij heen vliegt, dat is te zeggen, den verren gezichteinder, en niet wat onder zijn oogen langs hem gaat. Evenwel konden Koenraad en ik eenige visschen bekijken, wier snelheid ze eenige oogenblikken in het vaarwater van den Nautilus deed vertoeven. Wij bleven voor de glazen van den salon op den uitkijk staan, doch ik kon maar weinige aanteekeningen maken over de ichthyologie der Middellandsche Zee. Van de verschillende visschen, die haar bewonen, heb ik enkelen goed, anderen slechts ter loops gezien, zonder nog te spreken van hen, die door de snelheid van den Nautilus ons als voorbij vlogen. Ik zag in het door onze electrische lantaarn helder verlicht gedeelte lampreien kronkelen van een meter lang, die men bijna in alle zeeën aantreft, roggen van vijf voet breed, met witten buik en gevlekten rug. Twaalf voet lange haaien, door duikers in deze zee zoo gevreesd, wedijverden met hen in snelheid; zeevisschen, bekend om den fijnen reuk; goudvisschen, prachtige steuren, schoten langs ons glas, en raakten het somwijlen aan.

Ik geloof, dat toen wij de Adriatische Zee voorbijvoeren, ik ook twee of drie potvisschen heb gezien. Koen meende dolfijnen en zeekalven, en zelfs een voet zes lange schildpad te hebben opgemerkt.

Toen wij tusschen Sicilië en Tunis doorvoeren, verminderde de Nautilus zijn snelheid; in deze ruimte tusschen kaap Bon en de westpunt van Sicilië stijgt de bodem der zee bijna plotseling. Daar is een wezenlijke bergkam, waarboven slechts zeventien meter water staan, terwijl de diepte aan weerszijden zeventig meter bedraagt. De Nautilus moest dus zeer voorzichtig varen, om niet tegen dien onderzeeschen rotswand te stooten. Ik wees Koenraad op een kaart van de Middellandsche Zee de plaats van dezen langen rotswand aan.

"Mijnheer moet mij niet kwalijk nemen," zei hij, "maar dat is een wezenlijke landtong tusschen Europa en Afrika."

"Ja, vriend," antwoordde ik; "zij sluit dit gedeelte der zee bij de kust van Libye geheel af, en de peilingen van Smith hebben bewezen, dat de beide werelddeelen eertijds tusschen de kapen Boco en Farina verbonden waren."

"Ik geloof het graag," zei Koenraad.

"Ik zal er nog bijvoegen," hervatte ik, "dat er een dergelijke verbinding tusschen Gibraltar en Ceuta bestaat, die in een voorwereldlijk tijdperk de Middellandsche Zee geheel afsloot."

"En," vroeg Koenraad, "als eenige vulkanische uitbarsting die beide scheidingsmuren eens tot boven de golven verhief?" "Dat is niet waarschijnlijk, Koenraad."

"Laat ik eerst uitspreken, mijnheer; als dit verschijnsel eens plaats vond, zou het onaangenaam zijn voor mijnheer de Lesseps, die zich zooveel moeite geeft om de landengte door te graven."

"Dat is waar; maar ik herhaal het, Koen, dit verschijnsel zal niet plaats hebben. De kracht der onderaardsche werking vermindert voortdurend. De vulkanen, die in vroeger tijdperken zoo talrijk waren, dooven langzamerhand uit; de inwendige warmte verflauwt, de temperatuur der onderste aardlagen daalt eeuw op eeuw vrij merkbaar, en dit ten nadeele van onze aarde, want die warmte is haar leven."

"Maar de zon…."

"De zon is onvoldoende, Koen. Kan zij warmte aan een lijk geven?"

"Neen, niet zoover ik weet."

"Welnu, mijn vriend, eens zal de aarde een kil lijk worden; zij zal onbewoonbaar en onbewoond zijn als de maan, die haar levenskracht sedert langen tijd verloren heeft."

"Over hoeveel eeuwen?" vroeg Koenraad.

"Over eenige honderdduizenden van jaren, mijn jongen."

"Dan hebben wij nog tijd om onze reis te eindigen, als Ned Land zich er tenminste niet mee bemoeit," antwoordde Koenraad.

En Koenraad ging geheel gerustgesteld voort dien hoog liggenden bodem der zee te bestudeeren, waarover de Nautilus met gematigde snelheid heenstreek.

Daar vertoonde zich op een rotsachtigen en vulkanischen bodem een geheele flora met de schoonste, schitterendste en veelkleurigste gewassen; ook bewonderde hij er de tallooze week- en schaaldieren, die er zich tusschen vertoonden, en met welker rangschikking in klassen en orden hij zich bijzonder vermaakte.

Gedurende den nacht van den 16den op den 17den Februari waren wij in de westelijke helft der Middellandsche Zee gekomen, waarvan de grootste diepte ongeveer 3000 meter bedraagt. De Nautilus daalde daar tot in de onderste lagen der zee. In plaats van de wonderen der natuur, aanschouwde mijn oog daar allerhande hartroerende en vreeselijke tooneelen. Wij waren toch in dat gedeelte der Middellandsche Zee, dat steeds zoo vruchtbaar is geweest aan allerlei rampen. Hoeveel schepen hebben er tusschen de kusten van Algerië en Provence geen schipbreuk geleden, hoeveel vaartuigen zijn er niet verdwenen! De Middellandsche Zee is, in vergelijking van de uitgestrektheid van den grooten Oceaan, slechts een meer, maar een meer, welks water grillig en veranderlijk is in den hoogsten graad: heden is het kalm en kabbelt het zachtkens tegen de ranke kiel eener kleine boot, dan weer woedt het en bruist het op door de stormwinden gegeeseld, zoodat zelfs de sterkste schepen door de korte golven worden stuk geslagen.

Hoeveel wrakken zag ik dan ook niet bij onzen snellen tocht door de diepte, sommigen reeds geheel door koraalgewassen, anderen slechts met wier en roest bedekt; ankers, kanonnen, kogels, schroeven, stukken van stoommachines, gebarsten ketels, en soms houten wrakken, die onder water ronddreven, hetzij recht op, hetzij onderste boven gekeerd! Van deze vergane schepen waren sommigen door aanzeiling, anderen door het stooten op rots of klip gezonken. Ik zag er, die rechtop naar beneden waren gegaan, met mast en tuig nog in behoorlijke orde; het was als of zij voor anker lagen, en gereed waren om weg te zeilen. Toen de Nautilus er tusschen doorvoer en ze met zijn electrisch licht bescheen, was het alsof zij hem met de vlag wilden begroeten en een nommervlag hijschen! Maar neen, het was niets dan de stilte des doods op dit ongeluksveld. Ik merkte op, dat de bodem der zee meer met wrakken bedekt was naarmate wij de straat van Gibraltar naderden. Daar ontmoeten elkander de kusten van Afrika en Europa, en in dit nauw gedeelte komen ongelukken talrijker voor. Ik zag daar tal van ijzeren wrakken, phantastische overblijfselen van stoombooten, sommigen op zijde liggend, anderen overeind als vreeselijk groote dieren. Van een van die stoombooten was een zijde geheel opengespleten, de schoorsteen krom gebogen, van de raderen bleef niets dan wat ijzeren stangen over, het roer was van het achterschip afgescheurd, en hing er met slechts een keten nog bij, terwijl de geheele achtersteven door zeezout was ingevreten; welk een vreeselijk schouwspel! Hoeveel fortuinen waren door die schipbreuk niet te gronde gericht, hoeveel slachtoffers mee naar de diepte gesleept? Was er nog iemand van de schepelingen gered om die ontzettende ramp te kunnen navertellen, of bewaarden de golven het geheim van dit ongeluk? Ik weet niet waarom, doch de gedachte schoot mij door het brein dat dit de Atlas wel zijn kon, die voor ongeveer twintig jaren met man en muis verdwenen is, en waarvan men nimmer meer heeft hooren spreken! O, wat zou men een treurig tafereel kunnen ophangen van de diepten der zee, van dat uitgestrekte kerkhof, waar zoovele rijkdommen verloren zijn gegaan, zooveel slachtoffers den dood hebben gevonden!