WeRead Powered by ReaderPub
20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond cover

20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond

Chapter 9: HOOFDSTUK XXXII
Open in WeRead

About This Book

A scientific narrator describes an extended submarine voyage under the command of a reclusive, enigmatic captain; kept aboard with uneasy hospitality, the narrator and companions document underwater landscapes, diverse marine life, and the vessel's advanced technologies. The account mixes meticulous natural-history observation and technical detail with mounting suspense about possible escape and the captain's motives. Travel beneath the oceans becomes a globe-spanning itinerary of submerged phenomena, while the narrative repeatedly returns to questions of isolation, scientific curiosity, moral ambiguity, and the complex relationship between knowledge and power.

De Nautilus vervolgde kalm en snel als altijd zijn vaart, midden door al deze wrakken heen. Den 19den Februari, 's morgens om drie uur, waren wij vóór de straat van Gibraltar. Er zijn daar twee zeestroomen: de bovenstroom, dien men sedert lang kent, voert het water van den Oceaan naar de Middellandsche Zee; doch een benedenstroom doet het tegenovergestelde, zooals de wetenschap in den laatsten tijd heeft bewezen. De Middellandsche Zee toch neemt steeds toe door het water van den Oceaan en de rivieren die er in uitmonden. Haar peil zou dus jaarlijks vrij wat hooger worden, want de uitdamping is niet voldoende om het evenwicht te herstellen. Docht dit is zoo niet, zoodat men natuurlijk het bestaan van een benedenstroom heeft moeten aannemen, die door de straat van Gibraltar het overtollige water van de Middellandsche Zee naar den Oceaan voert. Van dezen onderstroom maakte de Nautilus gebruik; hij schoot snel door de nauwe zeestraat. Een oogenblik slechts zag ik de wonderschoone bouwvallen van den tempel van Hercules, die volgens Plinius en Avienus met het lage eiland waarop hij stond gezonken is, en weinige oogenblikken daarna dreven wij op de golven van den Atlantischen Oceaan.

HOOFDSTUK XXXII

De Golf van Vigo.

De Atlantische Oceaan, ontzaglijke waterplas van 25 millioen vierkante kilometer; belangrijke zee, welke de ouden bijna niet kenden, behalve misschien de Carthagers, de Hollanders der oudheid, die op hun handelsreizen de westkusten van Europa en Afrika bezochten! Oceaan, wiens kusten zulk een onmetelijken omtrek hebben, waarin de grootste rivieren der wereld haar water doen stroomen; prachtige watervlakte, onophoudelijk doorkliefd door de schepen van alle natiën, versierd met de vlaggen van alle landen der wereld, en welks zuidelijk uiteinde wordt gevormd door twee kapen, bij de zeevaarders evenzeer gevreesd, de Stormkaap en kaap Hoorn!

De Nautilus doorkliefde het water van den Oceaan met zijn schroef in drie en een halve maand, na een afstand te hebben afgelegd van bijna 40.000 kilometer. Waar gingen wij nu heen, en wat zou ons de toekomst opleveren?

Toen wij de straat van Gibraltar door waren, had de Nautilus het ruime sop gekozen; hij rees naar de oppervlakte, waardoor wij dus in de gelegenheid werden gesteld onze dagelijksche wandelingen op het plat te vervolgen.

Ik ging met Ned Land en Koenraad aanstonds naar boven. Op een afstand van twaalf kilometer zagen wij flauw kaap St. Vincent, het zuidwestelijk uiteinde van het Iberische schiereiland. De wind woei vrij sterk uit het zuiden. De zee stond hol, en deed den Nautilus sterk slingeren. Het was bijna onmogelijk om op het plat te blijven staan, daar groote golven er telkens overheen sloegen. Wij gingen dus naar beneden, na een goeden voorraad versche lucht te hebben ingeademd. Ik ging naar mijn kamer, en Koenraad naar zijn hut, maar Ned Land volgde mij met een afgetrokken gelaat. Onze snelle reis door de Middellandsche Zee had hem niet in staat gesteld zijn voornemen ten uitvoer te brengen en hij ontveinsde zijn teleurstelling maar weinig. Toen hij de deur had gesloten, ging hij zitten en zag mij zwijgend aan.

"Vriend Ned," zei ik, "ik begrijp je, maar je hebt je niets te verwijten. De gedachte aan de vlucht zou een groote dwaasheid geweest zijn, nu de Nautilus zoo vreeselijk snel voorwaarts ging."

Ned Land antwoordde niet; zijne gesloten lippen en gefronste wenkbrauwen duidden genoegzaam aan, dat maar éen gedachte hem bezig hield.

"Komaan," zei ik, "niets is nog verloren; wij varen de kust van Portugal langs. Frankrijk en Engeland zijn niet ver meer verwijderd, en daar kunnen wij immers ook heen vluchten? Als de Nautilus, buiten de straat van Gibralter komende, zich naar het zuiden had gewend, als hij ons mee had gesleept naar de streken, waar bijna geen land te vinden is, dan zou ik even teleurgesteld zijn als jij; maar nu weten wij, dat kapitein Nemo de zeeën der beschaafde natiën niet ontvlucht, en binnen weinige dagen geloof ik wel, dat je met volle zekerheid kunt handelen."

Ned Land keek mij nog strakker aan, en opende eindelijk den mond.

"Van avond!" zei hij.

Ik stond plotseling op; ik was, ik moet het bekennen, weinig voorbereid op zulk een mededeeling; ik had den Amerikaan willen antwoorden, doch ik kon geen woord uitbrengen.

"Wij waren overeengekomen een gelegenheid af te wachten," vervolgde Ned Land. "Die gelegenheid heb ik nu; van avond zullen wij maar eenige kilometers van de Spaansche kust verwijderd zijn; de nacht is donker, de wind is west; ik heb uw woord, mijnheer Aronnax, en ik reken op u."

Daar ik bleef zwijgen, stond de Amerikaan op en naderde mij.

"Van avond om negen uur," fluisterde hij; "ik heb Koen gewaarschuwd. Dan zal de kapitein waarschijnlijk in zijn kamer en naar bed zijn; de machinisten en matrozen kunnen ons niet zien; Koenraad en ik zullen naar de hoofdtrap gaan: gij, mijnheer Aronnax, zult een paar schreden afstands in de bibliotheek wachten op ons teeken. De riemen, de mast en de zeilen zijn al in de sloep; ik heb er zelfs eenige levensmiddelen in kunnen brengen; ook heb ik mij van een sleutel meester gemaakt om de bouten los te schroeven, die de boot aan den Nautilus verbinden. Alles is dus gereed. Tot van avond."

"De zee staat hol," zei ik.

"Dat is waar," antwoordde Ned, "maar dat moet men wagen. De vrijheid is wel wat waard; bovendien, de boot is sterk, en eenige kilometers met een goeden wind beteekenen niets. Wie weet of wij morgen geen honderd kilometer ver in zee zijn? Als de omstandigheden ons begunstigen, zullen wij tusschen tien en elf uur ergens aan wal stappen of dood zijn. God behoede u dus, en tot van avond!"

Daarop ging hij heen, en liet mij versuft zitten; ik had mij verbeeld, dat als het geval eens daar was, ik den tijd zou hebben om te overdenken, en de zaak te bepraten. Mijn koppige makker liet mij daarvoor geen tijd, en wat zou ik hem ook gezegd hebben? Ned Land had honderdmaal gelijk; het was nu een vrij goede gelegenheid, en hij maakte er gebruik van. Kon ik mijn woord intrekken en de verantwoordelijkheid op mij laden van uit geheel persoonlijke belangen de toekomst mijner makkers in de waagschaal te stellen? Kon morgen de kapitein ons niet in volle zee, ver van alle land, met zich voeren?

Op dat oogenblik gaf mij een vrij sterk geruisch te kennen dat de vergaarbakken van den Nautilus vol liepen en wij weer in de diepte daalden.

Ik bleef in mijn kamer, omdat ik den kapitein wilde ontwijken, die in mijn oog en op mijn gelaat de ontroering niet mocht lezen, die zich van mij had meester gemaakt. Ik bracht dus een treurigen dag door, geslingerd tusschen de begeerte om mijne vrijheid terug te krijgen, en het leedwezen dezen wonderbaarlijken Nautilus te verlaten, zonder mijn onderzeesche studiën voleindigd te hebben. Ik zou dus dien Oceaan vaarwelzeggen, zonder er de diepten van te hebben nagespoord, zonder ook hier de geheimen te hebben ontdekt, welke de Indische en Groote Oceaan mij hadden ontvouwd! Mijn roman viel mij reeds bij het eerste deel uit de handen, mijn droom werd op het schoonste oogenblik afgebroken! Welke onaangename uren gingen er voorbij; dan zag ik mij met mijn makkers aan wal, dan weer wenschte ik tegen het gezond verstand in, dat eenige onvoorziene omstandigheden het plan van Ned Land in duigen mochten doen vallen.

Tweemaal ging ik naar den salon om het kompas te raadplegen, ten einde te zien of de Nautilus de kust bleef naderen, of er zich van verwijderde. Maar neen: de Nautilus bleef altijd bij de Portugeesche kust; hij voer steeds naar het noorden. Wij moesten er dus partij van trekken en ons voor de vlucht gereed houden; mijn bagage was niet zwaar, niets dan mijn aanteekeningen.

Ik vroeg mij zelven af wat kapitein Nemo wel van onze ontsnapping zou denken, welke ongerustheid, welk leedwezen deze hem misschien zou veroorzaken, en wat hij doen zou, ingeval hem ons plan bekend werd, of het mislukte! Ik had mij ongetwijfeld niet over hem te beklagen; integendeel. Nimmer werd gastvrijheid gulhartiger aangeboden dan de zijne; doch als ik hem verliet, kon ik toch niet van ondankbaarheid worden beschuldigd, want geen eed verbond ons aan hem. Hij rekende alléén op den drang der omstandigheden, niet op ons woord, om ons voor altijd aan hem te verbinden; hij had ronduit bekend, dat hij ons altijd gevangen zou houden, en dit rechtvaardigde ons voornemen.

Ik had den kapitein sedert ons bezoek aan het eiland Santorino niet terug gezien. Zou het toeval ons voor mijn vertrek nog bij elkander brengen? Ik begeerde en ik vreesde het te gelijk. Ik luisterde of ik hem niet in zijn hut, naast de mijne hoorde loopen, doch geen geluid trof mijn oor; zijn hut moest ledig zijn.

Toen vroeg ik mij zelven af of die vreemde man wel aan boord was. Sedert dien nacht, waarin de sloep den Nautilus had verlaten om die geheimzinnige reis te doen, waren mijn denkbeelden te zijnen opzichte wel eenigszins gewijzigd. Ik dacht dat kapitein Nemo, wat hij ook mocht zeggen, met het bewoonde land nog wel in eenige betrekking zou staan. Verliet hij nooit den Nautilus? Weken waren soms voorbij gegaan, dat ik hem niet gezien had. Wat deed hij in dien tijd, en bedreef hij geen daden, waarvan ik den aard niet kon gissen, terwijl ik nog altijd meende dat hij een eeuwigen haat aan het menschdom had gezworen? Duizenden gedachten van dien aard bestormden mij. Het veld mijner veronderstellingen moest zich uitbreiden in de omstandigheden, waarin ik mij bevond: ik voelde mij zeer onaangenaam: ik dacht dat aan den dag geen einde zou komen. De uren sloegen te langzaam voor mijn ongeduld.

Mijn middagmaal werd mij, als naar gewoonte, in mijn kamer gebracht. Ik at slecht, daar ik veel te afgetrokken was. Ik ging te zeven uur van tafel. Honderd twintig minuten—ik telde ze—scheidden mij nog van het oogenblik, dat ik met Ned Land zou meegaan. Mijn angst verdubbelde, mijn pols sloeg hevig: ik kon niet op mijn plaats blijven zitten. Ik liep heen en weer, omdat ik daardoor de onrust van mijn gemoed hoopte te doen bedaren. Het denkbeeld in onze gewaagde onderneming niet te slagen was de minste mijner zorgen, maar de gedachte ons plan ontdekt te zien vóór wij den Nautilus verlaten hadden, en gebracht te worden voor den toornigen, of, wat nog erger was, den door onze vlucht treurigen kapitein, dat deed mijn hart hevig kloppen.

Ik wilde den salon een laatste maal weerzien; ik ging door de gang, en kwam in het museum, waar ik zoo vele aangename en nuttige uren had doorgebracht. Ik bekeek al die rijkdommen, al die schatten, als iemand die den volgenden dag in levenslange ballingschap wordt weggevoerd, of die vertrekt om niet weer terug te komen. Die wonderen der natuur, die meesterstukken der kunst, tusschen welke ik reeds zoovele dagen mijns levens sleet, zou ik voor altijd verlaten. Ik zou nog eens door de glazen van den salon in het water van den Oceaan hebben willen zien, maar de wanden bleven vast gesloten, en een ijzeren plaat scheidde mij van de zee, die ik nog niet kende.

Toen ik den salon doorliep, kwam ik bij de deur, die toegang verleende tot de hut van den kapitein. Tot mijn groote verwondering stond deze deur half open; ik deed onwillekeurig een schrede achterwaarts; als kapitein Nemo in zijn kamer was, kon hij mij zien. Toen ik evenwel geen enkel gerucht hoorde, naderde ik. De hut was verlaten; ik stiet de deur open en deed eenige schreden naar binnen: altijd dezelfde ernstige kloosterachtige eenvoud.

Op dit oogenblik troffen mij eenige teekeningen, die langs de wanden hingen en waarop ik vroeger niet gelet had. Het waren portretten van groote historische mannen, wier leven slechts de voortdurende opoffering aan een groote menschelijke gedachte geweest was: Kosciusko, de held, die met den Poolschen volkszang op de lippen gevallen was; Botzaris, de Leonidas van het nieuwe Griekenland; O'connell, de verdediger van Ierlands onafhankelijkheid; Washington, de grondlegger der Amerikaansche Unie; Manin, de Italiaansche patriot; Lincoln, door den dolk van een voorstander der slavernij gevallen, en eindelijk de martelaar der bevrijding van het ras der zwarten, John Brown, aan de galg hangend, zooals de pen van Victor Hugo ons dit zoo vreeselijk geschilderd heeft.

Welke band bestond er tusschen die heldenzielen en de ziel van kapitein Nemo? Kon ik uit die portrettenverzameling het geheim van zijn leven raden? Was hij de kampvechter voor de onderdrukte volken, en de bevrijder der onder slavernij zuchtende natiën? Had hij in de laatste staatkundige of maatschappelijke beroeringen van deze eeuw een rol gespeeld? Was hij een der helden geweest van den vreeselijken Amerikaanschen oorlog, die zoo ellendig was en zoo roemrijk tevens?

Plotseling sloeg de pendule acht uur; de eerste slag wekte mij uit mijn droomen op; ik beefde alsof een onzichtbaar oog mijn geheimste gedachte had kunnen doorgronden, en ik snelde de kamer uit.

Mijn oog vestigde zich toen op het kompas; wij voeren altijd naar het noorden; de log wees een matige snelheid aan, de manometer een diepte van ongeveer twintig meter. De omstandigheden begunstigden dus het plan van den Amerikaan.

Ik ging weer naar mijn kamer, trok warme kleederen aan, zeelaarzen, een muts van otterbont, een wambuis met het vel van een zeekalf gevoerd. Ik was gereed, ik wachtte; het geraas van de schroef brak alleen de stilte at, die aan boord heerschte; ik luisterde en spitste de ooren; zou mij het gerucht van stemmen niet doen vernemen, dat Ned Land in zijn plannen verhinderd en overvallen was? Een doodelijke ongerustheid maakte zich van mij meester; ik trachtte te vergeefs mijn kalmte terug te krijgen.

Eenige minuten vóór negen, hield ik het oor tegen de kamerdeur van den kapitein; ik hoorde niets; ik verliet de hut en kwam weer in den salon, die bijna donker en verlaten was. Ik opende de deur van de bibliotheek; dezelfde halve duisternis, dezelfde eenzaamheid; ik ging bij de deur staan, die naar de hoofdtrap voerde, en wachtte op het teeken van Ned Land.

Op dit oogenblik verminderden de wentelingen der schroef en hielden eindelijk geheel op. Waarom had dit plaats? Begunstigde of verhinderde dit oponthoud de voornemens van Ned Land? Ik wist het niet. De stilte werd slechts afgebroken door het kloppen van mijn hart.

Plotseling voelde ik een lichten schok; ik begreep, dat de Nautilus stil lag op den bodem van den Oceaan: mijn onrust verdubbelde; het afgesproken teeken werd door den Amerikaan niet gegeven. De lust bekroop mij om naar hem toe te gaan, hem te verzoeken zijn plan uit te stellen. Ik voelde, dat onze vaart niet meer onder de gewone omstandigheden plaats vond….

Op dit oogenblik ging de deur van den salon open, en de kapitein verscheen. Hij zag mij en zei, zonder inleiding, op aangenamen toon:

"Zoo, mijnheer de professor, ik zocht u. Kent gij de geschiedenis van Spanje?"

Men zou de geschiedenis van zijn eigen land volmaakt goed kunnen kennen, doch in de omstandigheden waarin ik verkeerde, met een verwarden geest en een berooid hoofd, er toch geen enkel woord van kunnen vertellen.

"Welnu," hernam kapitein Nemo, "hebt gij mijn vraag gehoord? Kent gij de geschiedenis van Spanje?"

"Zeer slecht," antwoordde ik.

"Dat zijn nu geleerden," zei de kapitein lachend, "en zij weten niets. Kom ga zitten," voegde hij er bij, "ik zal u een merkwaardig voorval uit die historie meedeelen."

De kapitein strekte zich op den divan uit, ik ging werktuigelijk naast hem, doch eenigszins meer in de schaduw zitten.

"Mijnheer de professor," zei hij, "luister goed naar mij; deze geschiedenis zal u om zekere reden belang inboezemen, want zij zal antwoord geven op een vraag, die gij tot nog toe niet hebt kunnen oplossen."

"Ik luister, kapitein," zei ik, niet wetende waar hij heen wilde, en mij zelven afvragend of het ook een zinspeling op onze vlucht zijn zou.

"Wij zullen, als gij wilt tot 1702 opklimmen, mijnheer," hervatte de kapitein. "Gij weet toch, dat op dit tijdstip uw koning Lodewijk XIV meende, dat éen wenk van dien dwingeland voldoende was om de Pyreneeën te doen wegzinken, en zijn kleinzoon, den hertog van Anjou, aan de Spanjaarden als koning op te dringen. Deze vorst, die onder den naam van Philips V meer of minder slecht regeerde, had tegen lastige vijanden buitenslands te kampen.

"Het jaar te voren hadden Holland, Oostenrijk en Engeland in den Haag een verdrag gesloten om aan Philips V de Spaansche kroon te ontnemen, ten einde deze een aartshertog op het hoofd te plaatsen, wien men voorloopig den naam van Karel III gaf.

"Spanje moest zich tegen deze beslissing verzetten, maar het was bijna geheel van soldaten en matrozen beroofd. Geld echter ontbrak niet, als de galjoenen, die met het goud en zilver van Amerika bevracht waren, maar de havens binnenliepen. Tegen het einde van 1712 wachtte men een rijk konvooi, dat de Fransche regeering door een vloot van 23 oorlogschepen, onder den admiraal de Château-Renaud, liet begeleiden, omdat de oorlogsvloten der verbondenen in den Atlantischen Oceaan kruisten.

"Dit konvooi moest zich naar Cadix begeven, maar toen de admiraal vernam, dat de Engelsche vloot in die buurt kruiste, besloot hij een Fransche haven binnen te loopen.

"De Spaansche scheepskapiteins verzetten zich tegen deze beslissing; zij wilden in een spaansche haven binnen vallen, en als dit niet te Cadix kon geschieden, wilden zij naar de golf van Vigo, die op de noordwestkust van Spanje ligt en niet geblokkeerd werd.

"De Fransche admiraal was zwak genoeg om toe te geven en de schepen liepen de baai van Vigo binnen. Deze vormt een regelmatige open reede, die moeilijk kon verdedigd worden. Men moest zich dus haasten, de galjoenen te lossen, voor dat de geallieerde vloten er de lucht van kregen, en zij zouden ook tijd genoeg voor dat lossen gehad hebben, ware niet plotseling een ellendig geschil, dat uit naijver ontsproot, ontstaan. Gij volgt mij toch goed?" vroeg de kapitein.

"Wel zeker!" zei ik, nog niet wetende waarom hij mij die les in de geschiedenis gaf.

"Ik ga dus voort; ziehier wat er gebeurde. De kooplieden van Cadix hadden een voorrecht, volgens hetwelk zij al de uit Oost-Indie komende koopwaren mochten ontvangen. Het lossen dus van die schatten in de baai van Vigo was tegen hun voorrechten. Zij beklaagden zich te Madrid en verkregen van den zwakken Philips V dat het konvooi, zonder gelost te worden, op de reede van Vigo zou blijven liggen, totdat de vijandelijke vloten zich zouden verwijderd hebben. Terwijl men deze beslissing nam, kwamen de Engelsche schepen in October 1702 in de baai van Vigo aan. De admiraal de Château-Renaud, verdedigde zich dapper, niettegenstaande zijn minderheid, maar toen hij zag dat de schatten van het konvooi den vijand in handen zouden vallen, stak hij de galjoenen in brand, zoodat zij met hunne onmetelijke rijkdommen in zee verzwolgen werden."

Kapitein Nemo zweeg. Ik moet bekennen dat ik nog niet begreep, waarom de geschiedenis mij belangstelling moest inboezemen.

"Welnu?"

"Welnu, mijnheer Aronnax," was het antwoord, "wij zijn in die baai van
Vigo, en het hangt maar van u af om er de geheimen van te doorgronden."

De kapitein stond op en verzocht mij hem te volgen. Ik had den tijd gehad weer op mijn verhaal te komen; ik gehoorzaamde. De salon was in duisternis gehuld, maar door de glazen zag ik het verlichte zeewater; ik keek toe. Rondom den Nautilus was het water op een afstand van vijf honderd meter helder door de electrische lantaarn verlicht; de bodem was met fijn en helderwit zand bedekt; mannen van de equipage met scaphanders aan, waren bezig om half verrotte tonnen, en stuk gevallen kisten te midden van zwarte wrakken op te ruimen. Uit de kisten en vaten vielen zilveren en gouden staven; stapels piasters en edelgesteenten. Het zand was er mee bedekt. Vervolgens kwamen de mannen met rijken buit beladen op den Nautilus terug, legden er hun vracht neer en begonnen opnieuw dien oogst van goud en zilver te innen.

Nu begreep ik alles: hier was het tooneel van den zeeslag van 22 October 1702, hier waren die voor rekening van de Spaansche regeering geladen galjoenen gezonken, hier kwam kapitein Nemo, naarmate van zijn behoeften, de millioenen halen, waarmee hij zijn Nautilus bevrachtte. Het was voor hem, voor hem alléen dat Amerika zijn kostbare metalen had opgebracht; hij was alleen en onverdeeld erfgenaam van die aan de Incas en hun door Ferdinand Cortez onderworpen volken ontroofde schatten!

"Wist gij, mijnheer de professor," vroeg hij mij glimlachend, "dat de zee zoovele rijkdommen bevatte?"

"Ik wist alleen," antwoordde ik, "dat men het zilver, dat in het zeewater is opgelost, op twee millioen centenaars schat."

"Zonder twijfel, doch om het er uit te halen zou meer kosten dan het waard was. Hier integendeel behoef ik maar op te rapen wat de menschen verloren hebben, en niet alleen in de baai van Vigo, maar op duizend andere plaatsen van schipbreuken, die ik allen op mijn kaarten heb aangeteekend. Begrijpt gij nu dat ik meer dan millionnair ben?"

"Ik begrijp het, kapitein. Vergun mij evenwel de opmerking dat, nu gij de baai van Vigo op deze wijze onderzoekt, gij de werkzaamheden eener maatschappij voorkomt."

"Welke?"

"Een maatschappij, die van de Spaansche regeering concessie heeft gekregen om de gezonken galjoenen op te sporen. De aandeelhouders worden uitgelokt door het vooruitzicht van grove voordeelen, want men schat de waarde der verzonken schatten op 250 millioen gulden."

"Die waren er," antwoordde kapitein Nemo, doch nu niet meer."

"Ik geloof dat graag," zei ik; "een goede raad aan die aandeelhouders zou dan ook een daad van welwillendheid zijn. Wie weet echter of men dien raad wel zou aannemen? Want wat spelers vooral betreuren, is niet zoozeer het verlies van hun geld als wel dat van hun dwaze verwachtingen. Ik beklaag ze dan ook minder, dan die duizenden ongelukkigen voor wie deze rijkdommen bij een verstandige verdeeling, van groot nut zouden geweest zijn, terwijl ze nu nutteloos voor hen blijven!"

Ik had deze woorden niet uitgesproken of ik begreep dat ik kapitein
Nemo had moeten grieven.

"Nutteloos!" antwoordde hij, terwijl hij in vuur geraakte. "Gelooft gij dan, mijnheer, dat die rijkdommen verloren zijn, nu ik ze verzamel? Is het volgens uw oordeel voor mij, dat ik mij de moeite geef die schatten op te rapen? Wie zegt u dat ik er geen goed gebruik van maak? Gelooft gij dan, dat ik niet weet dat er een lijdende menschheid bestaat, dat er slaafs onderdrukte volken op deze aarde leven, dat er ongelukkigen geholpen, slachtoffers gewroken moeten worden? Begrijpt gij mij niet? …"

Kapitein Nemo zweeg plotseling en had er misschien berouw over te veel gezegd te hebben. Ik had het echter geraden: welke ook de beweegredenen mochten geweest zijn, die hem gedrongen hadden op zee de onafhankelijkheid te zoeken, hij was toch voor alles mensch gebleven! Zijn hart klopte nog warm voor het lijden der menschheid en zijn oneindig groote liefde strekte zich over slaafsche volken zoowel als over enkele personen uit!

En toen begreep ik voor wie de millioenen waren bestemd geweest, door
Nemo weggezonden, toen de Nautilus in den omtrek van het opgestane
Creta dreef!

HOOFDSTUK XXXIII

Een verdwenen land.

Den volgenden dag, 19 Februari, zag ik den Amerikaan in mijn kamer komen; ik verwachtte hem; hij zag er zeer teleurgesteld uit.

"Welnu, mijnheer?" zei hij.

"Welnu, Ned, het lot is ons gisteren niet gunstig geweest."

"Die vervloekte kapitein hield ook juist stil op het oogenblik dat wij zijn schuit zouden ontvluchten."

"Ja, Ned, hij moest bij zijn bankier zijn."

"Zijn bankier!"

"Of liever zijn bank; ik versta daardoor dezen Oceaan, waar schatten beter in veiligheid zijn dan in de schatkist van den Staat."

Toen vertelde ik Ned wat er den vorigen dag gebeurd was, met de stille hoop van hem van het denkbeeld af te brengen om te vluchten, maar mijn verhaal had geen ander gevolg, dan dat Ned Land zijn spijt uitdrukte voor eigen rekening ook niet eens een wandeling in de baai van Vigo te kunnen doen.

"Komaan," zei hij, "alle hoop is nog niet verloren. Het is maar een misstoot met den harpoen! Een andermaal zullen wij slagen, en van avond zal ik als het moet…."

"Welke is de richting van den Nautilus?" vroeg ik.

"Ik weet het niet," antwoordde Ned.

"Welnu, om twaalf uur zullen wij het te weten komen, als de zonshoogte wordt genomen."

De Amerikaan ging naar Koenraad terug. Toen ik aangekleed was, trad ik den salon binnen; het kompas stond niet zeer uitlokkend; de richting was zuid-zuidwest; wij verwijderden ons dus van Europa.

Ik wachtte met zeker ongeduld dat onze richting op de kaart zou worden aangeteekend. Tegen half twaalf, liepen de vergaarbakken ledig, en het vaartuig kwam weer aan de oppervlakte. Ik ging naar het plat: Ned Land was er reeds vóor mij.

Wij hadden geen land meer in het gezicht, niets dan de oneindige zee. Eenige zeilen aan den gezichteinder, zeker van schepen die tot kaap San-Roque varen om een gunstigen wind te zoeken, die hen om de Kaap de Goede Hoop voert. De hemel was bewolkt; een storm was ophanden.

Ned beproefde in zijn woede om met het oog door den benevelden gezichteinder te boren; hij hoopte nog dat zich achter dien nevel het zoo begeerde land uitstrekte. Om twaalf uur scheen de zon maar een oogenblik; de stuurman maakte daarvan gebruik om de hoogte te nemen; daar echter de zee te onstuimig werd, gingen wij naar beneden en het luik werd gesloten.

Toen ik een uur later op de kaart zag, bemerkte ik dat de Nautilus er op 16° 17' N.B. en 33° 22' W.L. stond aangeteekend, dus op bijna zeshonderd kilometer van de naaste kust. Het was nu onmogelijk aan de vlucht te denken, en ik waag het dus niet de woede van den Amerikaan te beschrijven, toen ik hem de hoogte mededeelde, waar wij ons bevonden.

Wat mij aangaat, ik troostte mij spoedig; ik voelde mij als bevrijd van een last, die mij drukte, en ik kon met betrekkelijke kalmte mijn gewone werk weer opvatten. Des avonds, te elf uur, ontving ik onverwacht een bezoek van kapitein Nemo. Hij vroeg mij zeer beleefd of ik moede was van het waken gedurende den vorigen nacht. Ik antwoordde ontkennend.

"Dan zal ik u een merkwaardigen tocht voorstellen, mijnheer Aronnax."

"Welken kapitein?"

"Gij hebt de diepte der zee alleen bij dag en zonlicht bezocht. Zoudt gij ze niet eens bij een duisteren nacht willen zien?"

"Heel graag."

"Ik zeg u, dat die wandeling zeer vermoeiend zal zijn. Gij moet lang loopen en een berg beklimmen, en de wegen zijn niet zoo bijzonder goed onderhouden," voegde hij er glimlachend bij.

"Wat gij mij daar zegt, kapitein, verdubbelt mijn nieuwsgierigheid. Ik ben gereed u te volgen."

"Kom dan mee, mijnheer de professor, om onze scaphanders te gaan aandoen."

In de kleedkamer gekomen, zag ik dat noch mijn makkers, noch iemand van de bemanning ons op dien tocht zouden volgen. De kapitein had mij zelfs niet voorgesteld Ned of Koen mee te nemen. Binnen weinige oogenblikken hadden wij onze toestellen aan. Men plaatste de luchtschouders op onzen rug, doch de electrische lampen werden ons niet gegeven; ik merkte dit den kapitein op. "Zij zullen ons geen nut doen," zei hij.

Ik meende niet goed te hebben verstaan, doch kon mijn opmerking niet herhalen, omdat het hoofd van den kapitein reeds in den helm was verdwenen. Ik zette mijn metalen hoofddeksel op, en voelde dat men mij een met ijzer beslagen stok in de hand gaf; eenige minuten later stonden wij, na de gewone verschijnselen, op den bodem van den Oceaan, ter diepte van driehonderd meter.

Middernacht naderde. Het water was zeer donker, doch de kapitein wees mij in de verte een roodachtig punt, een soort van breede schemering, op ongeveer twee kilometer van den Nautilus zichtbaar. Ik had niet kunnen zeggen wat dit voor vuur was, waardoor het gevoed werd, en hoe en waarom het in de watermassa kon opflikkeren. In alle gevalle gaf het ons licht, wel zwak, doch ik gewendde mij weldra aan die bijzondere schemering, en ik begreep in deze omstandigheid de nutteloosheid der toestellen van Ruhmkorff. De kapitein en ik liepen, dicht naast elkander, recht op het aangewezen vuur af. De bodem rees langzaam; wij maakten met behulp onzer stokken groote stappen, doch wij vorderden toch niet hard, want onze voeten zakten dikwijls in de modder, die met zeewier vermengd, en hier en daar met platte steenen bezaaid was.

Onder het voortstappen hoorde ik iets als gekletter boven mijn hoofd. Soms verdubbelde dit geluid en bracht een onophoudelijk leven voort. Weldra begreep ik de oorzaak; het was de regen, die in den stroom neerviel en op de oppervlakte der zee dit geraas maakte. Onwillekeurig dacht ik, doornat te zullen worden! Ik kon niet nalaten over dit dwaze denkbeeld te lachen. Nat door het water, in het midden van het water! Maar tot mijn verontschuldiging voer ik aan, dat men met den dikken scaphander aan het lijf, het vochtig element niet meer voelt, en men zich slechts in een weinig dichter atmosfeer dan die van de oppervlakte der aarde waant.

Na een half uur te hebben geloopen, werd de grond rotsachtig. Allerlei kleine dieren verlichtten den bodem door hun lichtgevend vermogen. Ik zag hoopen steenen, die door eenige millioenen diertjes en een net van zeewier bedekt waren. Dikwijls gleed mijn voet op den gladden bodem uit, en zonder mijn stok zou ik meer dan eens gevallen zijn. Als ik mij omkeerde, zag ik altijd het licht van den Nautilus, dat in de verte evenwel begon te verflauwen.

Die steenhoopen, waarvan ik zooeven sprak, waren op den zeebodem met een zekere regelmaat verspreid, waarvan ik mij geen verklaring wist te geven. Ik zag reusachtige groeven, die zich in het duister verloren, welker lengte ik niet kon schatten; zoo merkte ik ook andere bijzonderheden op, waarvan ik geen verklaring wist te geven. Het kwam mij voor, dat mijn zware schoenzolen een veld met beenderen verbrijzelden, die dof kraakten. Welke was dan die uitgestrekte vlakte waar wij gingen? Ik had het den kapitein willen vragen, maar de teekens, door middel waarvan hij met zijn makkers bij hun onderzeesche tochten sprak, waren voor mij onbegrijpelijk.

Echter nam de rosse schijn, die ons leidde, toe en vertoonde zich reeds met vlammen aan den gezichteinder. De aanwezigheid van dien vuurhaard onder water maakte mij in de hoogste mate nieuwsgierig. Was het een uitstrooming van electriciteit? Zou ik een natuurlijk verschijnsel zien, waarvan de geleerden nog niets wisten? Of zou, en deze gedachte schoot mij door het hoofd, 's menschen hand in dit vuur zichtbaar zijn? Blies hij dien brand aan? Zou ik in de diepte wellicht makkers of vrienden van kapitein Nemo ontmoeten, die even vreemd als hij leefden, en die hij ging opzoeken? Zou ik daaronder misschien een volkplanting van bannelingen aantreffen, die de ellende der aarde moede, in de diepten van den Oceaan de onafhankelijkheid gezocht en gevonden hadden? Al die dwaze, ongerijmde denkbeelden kwamen mij voor den geest, en in die gemoedstemming, onophoudelijk verbaasd door de wonderen, die voor mijn oogen voorbijgingen, zou ik niet verwonderd geweest zijn, als ik in de diepte der zee een van die onderzeesche steden had ontdekt, waarvan kapitein Nemo droomde.

Onze weg werd langzamerhand lichter. Het witte licht straalde boven een berg van ongeveer 800 voet hoog; maar wat ik zag, was eigenlijk niets als een eenvoudige terugkaatsing van licht tegen het kristal van water. De bron van dat overklaarbaar licht was aan de andere zijde van den berg.

De kapitein stapte zonder aarzelen voort tusschen het doolhof van steenen, die den bodem van den Atlantischen Oceaan bedekten; hij kende dien somberen weg; hij had dien zonder twijfel dikwijls bewandeld en kon er niet verdwalen; ik volgde hem met onwankelbaar vertrouwen; hij scheen mij toe een der geesten der zee te zijn, en als hij voor mij uitging, bewonderde ik zijn hooge gestalte, die als een zwart beeld tegen den lichten gezichteinder afstak. Het was éen uur na middernacht; wij waren de onderste helling van den berg genaderd, maar om dien te beklimmen, moesten wij ons langs moeilijk begaanbare wegen door een dicht bosch wagen. Het was een bosch van doode boomen, zonder bladeren, zonder sap, boomen die door het water waren gedood en waarboven hier en daar reusachtige dennen uitstaken. Het was als 't ware een kolendomein, waarin de verkoolde boomen overeind stonden, omdat ze in den gedeeltelijk losgewoelden grond nog vastgeworteld zaten, en wier takjes, als fijn knipwerk van zwart papier, tegen het heldere water juist waren afgeteekend. Men stelle zich een woud in den Harz tegen een berghelling voor, doch in het water verzonken. De paden waren met wier en allerlei zeeplanten volgegroeid en daartusschen wemelde het van dieren. Ik klom tegen de rots op, doch moest telkens over uitstekende wortels heenstappen, en zeeplanten scheuren, die mij in den weg dreven, of tusschen de boomtakken hingen, terwijl ik een heirleger van visschen verschrikt opjoeg, die tusschen de takken door wegzwommen. Meegesleept door de schoonheid van dit tooneel, voelde ik geen afgematheid meer; ik volgde mijn onvermoeiden gids.

Welk een schouwspel! Hoe het terug te geven? Hoe het gezicht te beschrijven van die bosschen en rotsen te midden van het water, van onder in vrees aanjagende en sombere duisternis gehuld en wier toppen van rosachtig licht omringd waren, voortkomend uit die onbekende bron van gloed, waarvan de schijn door de terugkaatsing van het water verdubbelde? Wij beklommen rotsen, waarvan onder dof geluid brokken afgescheurd werden en naar beneden stortten. Rechts en links waren donkere galerijen, waarin zich het oog verloor. Daar waren groote groeven, door een menschenhand schijnbaar gegraven, en ik vroeg mij zelven af of ik niet plotseling een bewoner dier onderzeesche streken voor mij zou zien verschijnen.

Maar kapitein Nemo klom steeds door; ik wilde niet achterblijven, en volgde met moed; mijn stok was mij daarbij van veel nut; een misstap zou gevaarlijk geweest zijn op die smalle voetpaden, die aan den rand van afgronden schenen uitgehouwen te zijn, maar ik liep met vasten tred door, en werd niet duizelig. Nu eens sprong ik over een spleet, welker diepte mij in de bergen op aarde zou hebben doen terugdeinzen, dan eens waagde ik mij over den gladden stam van boomen, over de randen eens afgronds geworpen, zonder naar beneden te zien, daar ik geen oogen genoeg had om de schoonheid dezer wildernissen te bewonderen. Op andere plaatsen schenen rotsblokken, als gedenkteekenen op hun onregelmatig gehouwen voetstukken, den spot te drijven met de wetten van evenwicht; tusschen hun steenen uitstekken schoten boomen te voorschijn als waterstralen, onder een vreeselijke drukking, en steunden elkander onderling. Dan zag ik wederom door de natuur gevormde torens, en groote muurbrokken, als van kasteelen voorzien, met zulk een helling voorover hangen als de wetten der zwaartekracht op de oppervlakte der aarde niet zouden gedoogd hebben. En ik bemerkte zelfs het verschil niet tusschen de dichtheid van water en van lucht, want niettegenstaande mijn zware kleederen, mijn koperen helm en mijn looden zolen, beklom ik hellingen van onbegrijpelijke steilte met de vlugheid van een geit of een gems.

Ik gevoel wel dat ik onwaarheid schijn te vertellen, nu ik dezen onderzeeschen tocht beschrijf, doch ik schrijf de geschiedenis van schijnbaar onmogelijke zaken, die echter onbetwistbaar waar zijn. Ik heb niet gedroomd, maar gezien en getast!

Twee uren na het verlaten van den Nautilus, hadden wij de uiterste grens der boomen bereikt, en honderd voet boven ons verhief zich de top van den berg, die donker afstak tegen het helle licht van den anderen kant. Hier en daar stonden nog eenige versteende struiken. Duizenden visschen vloden voor ons uit, evenals vogels, in het hooge gras verrast. De rots was doorboord met een menigte ondoordringbare scheuren, diepe holen en groote gaten, waarin zich verschrikkelijke voorwerpen bewogen. Ik verstijfde van schrik, als ik een spriet- of voelhoorn zag, die mij den weg versperde, of een vreeselijke schaar, welke zich in de duisternis der grot met vrij veel geweld opende en sloot. Duizenden lichtende punten flikkerden in dezen nacht. Het waren de oogen van reusachtige schaaldieren, in hun schuilplaatsen gedoken of van vreeselijke kreeften, die als hellebardiers overeind stonden en haar pooten tegen elkander sloegen alsof ze van ijzer waren; van reusachtige krabben, die als kanonnen op hun affuiten stonden, van ontzettende inktvisschen, welke met hun voelarmen door elkander werkten, als waren ze een broedsel van levende slangen.

Welke was die vreeselijke, mij nog onbekende dierenwereld? Tot welke klasse of orde behoorden deze beesten, voor wie de rotsen, waarop zij huisden, als 't ware een tweede schaal vormden? Waar had de natuur het geheim van hun bestaan ontdekt, en sedert hoeveel eeuwen leefden zij in de diepten van de zee? Doch ik kon niet blijven staan. Kapitein Nemo, meer van nabij met deze afzichtelijke wezens bekend, sloeg er geen acht meer op. Wij waren op een eerste bergvlak gekomen, waar mij nog andere verrassingen wachtten; daar zag ik schilderachtige bouwvallen, die de hand der menschen en niet des scheppers verrieden. Het waren groote steenhoopen, waaronder men onduidelijk de vormen van kasteelen en tempels herkende, met een heirleger van bloeiende zoöphyten en een mantel van zeewier en gras als met klimop bedekt.

Maar welk gedeelte van den aardbol was het toch, dat door overstroomingen scheen verzwolgen te zijn? Wie had deze rotsen en steenen daar zóó neergezet als gedenkteekenen van voorhistorische tijden? Waar was ik, en waar had een luim van den kapitein mij heengebracht? Ik had het hem wel willen vragen: maar omdat ik het niet kon doen, bleef ik staan en greep hem bij den arm. Hij schudde met het hoofd en wees mij den laatsten bergtop, alsof hij wilde zeggen: "Kom maar mee, kom maar!"

Ik volgde hem dus, en binnen weinige minuten had ik den top bereikt, die boven deze rotsmassa nog tien meter uitstak. Ik keek naar de zijde, door ons bestegen. De berg verhief zich slechts zeven of acht honderd voet boven de vlakte, maar aan de andere zijde was hij dubbel zoo hoog en besloeg het dal, dat zich in dit gedeelte van den Oceaan aan zijn voeten uitstrekte. Mijn blik drong hier vrij ver door, en omvatte een groote ruimte, door een hevige uitbarsting verlicht; deze berg was inderdaad een vulkaan; ongeveer vijftig voet onder den top braakte een krater, te midden van een regen van steenen en rotsblokken, stroomen lava uit, als vurige watervallen in het water verdwijnend. Deze vulkaan verlichtte als een ontzaglijk groote fakkel de vlakte, zoover het oog reikte. Ik zei dat die onderzeesche vulkaan lava, maar geen vlammen uitbraakte; voor vlammen is de zuurstof der lucht noodig, zoodat zij onder het water niet kunnen duren; maar lavastroomen, die het beginsel hunner gloeiing in zich bevatten, kunnen zelfs roodgloeiend zijn, zegevierend tegen het water worstelen en dit bij aanraking verdampen; de lava stroomde dus even als bij de uitbarstingen van den Vesuvius, naar beneden op een ander Torre del Greco.

Inderdaad, daar lag onder mijn oogen een verwoeste stad met ingestorte daken, vernielde tempels, uit elkander gescheurde zuilen en neergeworpen kolommen, welke men vermoeden kon, dat tot de stevige Toskaansche bouworde behoord hadden. Verder op lagen de overblijfselen eener reusachtige waterleiding. Hier lag het hooge muurwerk van een burcht met gebouwen, waarin men de vormen van het Parthenon giste; daar overblijfselen van een kade, alsof een haven in vervlogen eeuwen aan de kust van een verdwenen oceaan, aan koopvaardij- en oorlogsschepen tot ankerplaats had gestrekt; nog verder lange lijnen van in elkander gestorte muren, breede en verlaten straten, een geheel Pompeji, daar in het water verzonken, en door kapitein Nemo onder mijn oog gebracht.

Waar was ik? Ik wilde het weten, ik wilde spreken, en den koperen helm mij van 't hoofd rukken. Maar de kapitein kwam naar mij toe, en hield mij met één beweging tegen; toen raapte hij een stuk krijtsteen op, liep naar een zwarte basaltrots en schreef daarop het woord:

"Atlantis."

Welk een gedachte trof mij! Atlantis, het oude Meropis van Theopompus, het Atlantis van Plato, het vaste land, dat ontkend werd door Origenes, Porphyrius, Jamblichus, d'Anville, Malte-Brun en von Humboldt, die deze verdwijning onder de sprookjes rekenden, doch waaraan geloof geslagen werd door Posiodonius, Plinius, Ammianus Marcellinus, Tertullianus, Engel, Sherer, Tournefort, Buffon en d'Avezac; ik had het daar onder mijn oogen, zooals het de onwedersprekelijke sporen nog droeg van de ramp, welke het getroffen had! Dit was dan het verzwolgen land, dat vroeger gelegen was buiten de grenzen van Europa, Azië, Libye, en de kolommen van Hercules, waar het machtig volk der Atlanten leefde, waartegen het oude Griekenland zijn eerste oorlogen voerde.

De geschiedschrijver, die de groote daden van dit heldentijdvak te boek heeft gesteld, is Plato. Zijn gesprek tusschen Tinaeus en Kritias, is, om zoo te zeggen, onder den invloed van den dichter en wetgever Solon geschreven. Deze onderhield zich eens met eenige wijze grijsaards uit Saïs, een stad, toen reeds acht eeuwen oud, zooals de opschriften op de tempelmuren getuigen. Een dier wijzen verhaalde de geschiedenis eener stad, nog duizend jaar ouder; deze oude stad was, toen zij negen eeuwen bestaan had, door de Atlanten overvallen en gedeeltelijk verwoest; dit volk, zei hij, woonde in een uitgestrekt land, veel grooter dan Afrika en Azië bij elkander, en een oppervlakte beslaande van 12° tot 40° N.B. Hun gebied strekte zich tot aan Egypte uit: zij wilden ook Griekenland de wet voorschrijven, doch daar stieten zij het hoofd tegen den onweerstaanbaren moed der Hellenen. Eeuwen verliepen; een geweldige overstrooming, met aardbevingen gepaard, had plaats; éen dag en éen nacht waren voldoende om dit Atlantis te vernietigen, waarvan Madeira, de Azorische, Canarische en Kaap-Verdische eilanden nu nog, als hoogste punten, zich uit de zee verheffen.

Dit waren de geschiedkundige herinneringen, die het door kapitein Nemo geschreven woord bij mij levendig deden worden. Zoo stond ik dan, door het vreemdste lot gedreven, thans op een der bergen van dit verdwenen land! Ik raakte als het ware met de hand die duizend eeuwen oude bouwvallen aan, tot een voorwereldlijk tijdperk behoorend! Ik betrad den grond, waarop de tijdgenooten van den eersten mensch hadden gewoond; ik verbrijzelde onder mijn voet de skeletten van dieren uit de fabelachtige tijden, die onder de schaduw van de thans versteende boomen hadden gerust!

Ach, waarom had ik niet meer tijd; ik had de steile helling van dezen berg wel willen afdalen, om dit uitgestrekte land te doorloopen, dat zonder twijfel Afrika en Amerika aan elkander verbond, en om die groote voorwereldlijke steden te bezoeken. Daar strekten zich misschien onder mijn voet het krijgshaftige Makhimos, het vrome Eusebes uit, wier reusachtige inwoners eeuwen lang leefden en die kracht genoeg bezaten om deze rotsblokken op elkander te stapelen, nu nog weerstand biedend aan het geweld der wateren! Eens zal misschien een wonder de verdwenen bouwvallen weer boven het vlak der zee verheffen.

In dit gedeelte van den Oceaan heeft men het bestaan van een aantal onderzeesche vulkanen bewezen, en verscheidene schepen hebben buitengewone schokken ondervonden, als zij op deze hoogte voeren. Sommigen hoorden doffe geluiden, den strijd der elementen te kennen gevende, anderen hebben vulkaan-asch opgevangen, uit zee naar boven geworpen. De geheele bodem tot aan den evenaar toe, wordt nog door onderaardsche vulkanische krachten geteisterd. En wie weet of over eenige eeuwen de toppen dezer vuurspuwende bergen, hooger geworden door plutonische uitwerpselen en opeenvolgende lavabeddingen, niet boven het vlak van den Atlantischen Oceaan zullen uitsteken!

Terwijl ik zoo peinsde, en al de bijzonderheden van dit grootsche landschap in mijn geheugen trachtte te prenten, bleef kapitein Nemo, op een met mos bedekte kolom geleund, onbeweeglijk en als versteend in stomme bewondering staan. Dacht hij aan verdwenen geslachten en trachtte hij het geheim der toekomst van het menschdom te ontdekken? Kwam die vreemde man op deze plaats zijn geschiedkundige herinneringen verlevendigen, en in deze oudheid mee leven, omdat hij van het leven in den lateren of nieuweren tijd niets wilde weten? Wat zou ik niet gegeven hebben om zijn gedachten te kennen, daarin te deelen en ze te begrijpen!

Wij bleven een uur lang op deze plaats en beschouwden, onder den lichtenden schijn van de gloeiende en soms verbazend schitterende lava, de uitgestrekte vlakte. Het koken en woelen onder den grond deed den berg van tijd tot tijd dreunen en trillen; zware geluiden werden met de grootste nauwkeurigheid door het water overgebracht en weerkaatsten met statige kracht. Op dat oogenblik scheen de maan een poos door het water heen, en wierp over het verzwolgen landschap eenige bleeke stralen; het was maar een oogenblik, doch van een onbeschrijfelijke uitwerking. De kapitein richtte zich op, wierp een laatsten blik op de onmetelijke vlakte, en wenkte mij toen hem te volgen. Wij daalden den berg spoedig af; toen wij het woud door waren, zag ik de lantaarn van den Nautilus schitteren als een ster. De kapitein ging er recht op af, en wij waren weer aan boord toen de eerste stralen van het morgenlicht schenen over de oppervlakte van den Oceaan.

HOOFDSTUK XXXIV

Onderzeesche kolenmijnen.

Den volgenden dag, 20 Februari, stond ik zeer laat op. De vermoeienissen van den nacht hadden mij tot elf uur doen slapen. Ik kleedde mij haastig, want ik wilde weten, welke richting de Nautilus had. De instrumenten wezen aan, dat wij altijd met een twintig kilometervaart op honderd meter diepte naar het Zuiden snelden.

Koenraad trad binnen; ik vertelde hem onzen nachtelijken tocht, en daar de wanden geopend waren, kon hij nog een gedeelte zien van dit verdronken land. De Nautilus voer namelijk tien meter boven de vlakte van Atlantis; zij bewoog zich als een ballon, die door den wind boven weilanden wordt voortgestuwd; maar beter zou het zijn te zeggen, dat wij in den salon zaten als in den waggon van een sneltrein. Het eerste, wat onder onze oogen voorbijsnelde, waren de phantastisch gevormde rotsen; de doode boomen, wier onbeweeglijke vormen ons onder water toegrijnsden; verder de met een tapijt van zeeanemonen bedekte steenklompen en vreemd gevormde blokken lava, die bewezen met welk een woede de vulkanische uitbarstingen hadden plaats gehad.

Terwijl deze zonderlinge streken onder ons electrisch licht zichtbaar waren, verhaalde ik aan Koenraad de geschiedenis van de Atlanten; ik sprak hem over de oorlogen van die heldhaftige volken, en behandelde het vraagstuk omtrent het bestaan van Atlantis als iemand die geen twijfel meer koestert. Maar Koenraad was afgetrokken, en hoorde mij ternauwernood aan; spoedig echter begreep ik zijn onverschilligheid voor deze geschiedkundige vraagstukken.

Een talloos visschenheir toch trok zijn oogen, en als er visschen voorbij ons zwommen, dan behoorde Koenraad, in zijn lust tot ordenen en rangschikken als verzonken, niet meer tot deze wereld. In dat geval moest ik hem gewoonlijk maar volgen, en met hem onze ichthyologische studiën voortzetten.

Over het algemeen verschilden die visschen van den Atlantischen Oceaan weinig van die wij reeds gezien hadden. Het waren roggen van reusachtige gedaante, vijf meter lang, en zoo sterk, dat zij boven water konden uitspringen; haaien van verschillende soort, onder anderen een van vijf meter lang met driehoekige, scherpe tanden; steuren, zeepalingen en andere visschen.

Terwijl wij die verschillende soorten van dieren zaten te bekijken, liet ik niet na de groote vlakte van Atlantis te beschouwen. Soms noodzaakten grillige verhevenheden van den grond den Nautilus om zijn snelheid te minderen, en dan gleed hij met de behendigheid van een visch tusschen de dicht bij elkander liggende heuvels door. Indien hij door dit doolhof niet kon heenkomen, verhief de Nautilus zich als een luchtballon, en wanneer hij over dien hinderpaal heen was, hervatte hij zijn snelle vaart op eenige meters boven den bodem. Het was een bewonderenswaardige en aangename vaart, die aan een luchtreis deed denken, met dit onderscheid evenwel, dat de Nautilus volkomen aan het roer gehoorzaamde.

Tegen vier uur des namiddags veranderde de grond een weinig; tot nog toe was hij met een dikke laag slijk en met tot erts geworden takken bedekt; nu werd de bodem rotsachtiger en scheen bezaaid met tufsteen, eenige brokken lava en zwavelachtige bestanddeelen. Ik dacht, dat de bergstreek dus weldra op de groote vlakten zou volgen, en door zekere wendingen van den Nautilus zag ik ook inderdaad, dat de zuidelijke gezichteinder door een hoogen muur begrensd was, die elken uitgang scheen af te snijden. De top van dien berg stak zeker boven de zee uit. Het moest een vast land zijn, of ten minste een eiland, hetzij een der Canarische, hetzij een der Kaap-Verdische. Daar men, misschien om bijzondere redenen, de zonshoogte niet genomen had, wist ik niet juist waar wij ons bevonden. In allen gevalle scheen het mij toe, dat die bergmuur de grens van Atlantis vormde, van welk land wij evenwel nog slechts een klein gedeelte bezocht hadden.

De nacht brak mijn waarnemingen niet af. Ik was alleen gebleven, want Koenraad was naar zijn hut gegaan. De Nautilus verminderde zijn snelheid, en manoeuvreerde door de zee boven den wonderlijk gevormden bodem; nu eens streek hij langs de heuvels, alsof hij er zich op had willen neerleggen, dan steeg hij plotseling weer naar de oppervlakte. Ik zag tusschenbeiden eenige heldere sterren, en juist vijf of zes van die sterren uit den Dierenriem, die in het sterrenbeeld van Orion zichtbaar zijn.

Ik zou zeker nog lang voor het raam de schoonheden van de zee en den hemel zijn blijven bewonderen, als de wanden niet werden dichtgeschoven. Op dit oogenblik was de Nautilus tot aan den loodrechten rotswand genaderd; hoe hij manoeuvreerde kon ik niet raden. Ik ging naar mijn kamer; het vaartuig lag stil; ik sliep in, met het vaste voornemen om na weinige uren weer op te staan; doch het was den volgenden morgen acht uur toen ik in den salon kwam. De manometer deed mij zien, dat de Nautilus op de oppervlakte der zee dreef; bovendien hoorde ik op het plat loopen; doch ik voelde door de deining der golven geen slingeren.

Ik ging naar het luik; het was open, maar in plaats van het helder daglicht, zoo als ik verwachtte, omringde mij dikke duisternis. Waar waren wij? Had ik mij bedrogen? Was het nog nacht? Neen, geen enkele ster schitterde, en de nacht is niet zoo volslagen donker. Ik wist niet wat er van te denken, toen ik iemand hoorde zeggen:

"Zijt gij het, mijnheer de professor?"

"O, kapitein," antwoordde ik "waar zijn wij?"

"Onder den grond, mijnheer."

"Onder den grond!" riep ik uit, "en de Nautilus drijft nog?"

"Hij drijft altijd."

"Maar dat begrijp ik niet."

"Wacht maar eenige oogenblikken; onze lantaarn wordt aangestoken en als gij er op gesteld zijt helder voor u uit te zien, zult gij tevreden zijn."

Ik betrad het plat en wachtte; de duisternis was zoo volkomen dat ik den kapitein zelfs niet zag; naar boven kijkend, meende ik recht boven mijn hoofd een zekeren lichtenden schijn te zien, een soort van schemering, door een rond gat binnenvallend. Op dat oogenblik werd de lantaarn ontstoken; het helder licht deed het zwakke schijnsel geheel verdwijnen.

Ik sloot een oogenblik mijn oogen, door het electrisch licht als verblind, en zag om mij heen. De Nautilus lag stil aan een oever, die als een kaai gevormd was. De zee waarop het vaartuig op dat oogenblik dreef, was een meer, door een muur als 't ware ingesloten; het had een middellijn van ongeveer twee kilometer. Het peil, zoo als de manometer aanwees, stond gelijk met dat van de zee buiten dien muur, zoodat er noodzakelijk gemeenschap tusschen het meer en de zee moest bestaan. De hooge rotswanden, waartusschen wij lagen ingesloten, welfden zich boven ons, en vormden als het ware een omgekeerden trechter van vijf of zes honderd meter hoogte. Bovenin was een opening, waardoor ik de schemering gezien had, die waarschijnlijk aan het daglicht moest worden toegeschreven.

Voordat ik den inwendigen vorm van deze verbazend groote grot nauwkeuriger onderzocht, voor ik mij zelven afvroeg of dat het werk der natuur of van menschenhanden was, trad ik op den kapitein toe en vroeg hem waar wij waren.

"Wij zijn midden in een uitgedoofden vulkaan," antwoordde de kapitein, "waar de zee is binnengestroomd tengevolge van een scheur in den grond, daarin door een aardbeving ontstaan. Terwijl gij in bed laagt, mijnheer de professor, is de Nautilus in dit meer gekomen door een natuurlijken waterweg, die op tien meter onder het oppervlak van den Oceaan bestaat. Hier heeft mijn vaartuig een zekere gemakkelijke, geheimzinnige haven, tegen alle winden beveiligd. Waar zult gij ergens op eenige kust van uw vasteland of van uw eilanden een reede vinden, die tegen deze veilige ligplaats opwegen of tegen de woede der orkanen beschermen kan?"

"Inderdaad, kapitein, hier zijt gij veilig; wie zou u in het hart van een vulkaan kunnen achterhalen? Maar heb ik aan den top geen opening ontdekt?"

"Ja, de krater, die vroeger lavavlammen en rook uitwierp en waar nu de frissche lucht, die wij inademen, binnenstroomt."

"Maar welke is die vulkaan?" vroeg ik.

"Hij behoort tot een van de talrijke eilandjes, die in deze zee als gezaaid zijn. Hij is voor de schepen een klip, maar voor ons een groote grot. Het toeval heeft mij die doen ontdekken, en daarin heeft het mij goed gediend."

"Maar zou men door dien krater niet naar beneden kunnen afdalen?"

"Evenmin als ik er uit zou kunnen klimmen; tot op een hoogte van honderd voet kan men den inwendigen wand bestijgen, maar hooger op hangt de rots zoo veel over, dat zij niet bestegen kan worden."

"Ik zie, kapitein, dat de natuur u overal en altijd dient. Gij zijt op dit meer in veiligheid en niemand als gij kunt het bezoeken. Maar waarvoor hebt gij die schuilplaats noodig? De Nautilus behoeft toch geen haven?"

"Neen, mijnheer, maar hij heeft electriciteit noodig om zich te bewegen, elementen om deze voort te brengen, sodium om de elementen te voeden, kool om sodium te krijgen en mijnen om steenkolen uit te halen. En nu is het juist hier, dat de zee geheele bosschen bedekt, die in voorwereldlijke tijdperken zijn bedolven geraakt; nu zijn zij geheel verkoold en voor mij een onuitputtelijke bron."

"Zijn uw mannen dan hier mijnwerkers, kapitein?"

"Juist. Die mijnen strekken zich evenals die van New-Castle onder de golven uit. Hier gaan zij met scaphanders aan met spade en houweel in de hand, de steenkolen loshakken, die ik zelfs niet uit de mijnen van het vaste land behoef te halen. Als ik nu aan het stoken ben, om sodium te verkrijgen, dan geeft de rook, die uit den krater opstijgt, dezen nog den schijn, alsof de berg in werking was."

"En zal ik ze aan 't werk zien?"

"Ditmaal niet, want ik heb haast om onze onderzeesche reis om de aarde te vervolgen. Ik zal mij derhalve tevreden stellen om wat mee te nemen van den vooraad sodium, dien ik hier bewaar. Ik heb slechts éen dag noodig om een genoegzame hoeveelheid aan boord te nemen en dan zullen wij onze reis vervolgen. Wanneer gij dus deze grot doorwandelen en eens om het meer heenloopen wilt, maak dan gebruik van dezen dag, mijnheer Aronnax."

Ik dankte den kapitein, en ging mijn beide makkers opzoeken, die hun hut nog niet hadden verlaten. Ik noodigde hen uit mij te volgen, zonder te zeggen waar wij ons bevonden. Zij kwamen op het plat; Koenraad, die zich over niets verwonderde, beschouwde het als iets zeer natuurlijks, dat hij wakker werd onder een berg, nadat hij onder water naar bed was gegaan. Maar Ned Land dacht er slechts aan eens te onderzoeken of deze grot geen uitgang had.

Na het ontbijt, omstreeks tien uur, gingen wij naar den oever.

"Nu zijn wij weer aan land," zei Koenraad.

"Dit noem ik geen land," antwoordde de Amerikaan; "bovendien zijn wij er niet op, maar er onder."

Tusschen den rotswand en het water was een zandig strand, dat op zijn grootste breedte vijfhonderd voet breed was; over dit strand kon men gemakkelijk om het meer heen wandelen. Maar het benedeneinde der hooge rotswanden vormde een ongelijk terrein, waarop in schilderachtige opeenstapeling blokken vulkanische steenen en verbazende stukken puimsteen lagen. Al deze ruw door elkander geworpen steenblokken, waren door het onderaardsche vuur met een laag glazuur bedekt, die in het electrisch licht schitterde. Het met steenglas vermengde oeverzand stoof onder onze treden als een wolk kleine sterren op.

De grond verhief zich langzamerhand naarmate wij ons van den oever verwijderden, en wij waren weldra door een lange en bochtige helling gekomen, waar wij langzamerhand hooger konden klimmen; maar wij moesten voorzichtig voortgaan tusschen die losliggende steenblokken, en onze voet gleed daarbij nu en dan uit op de stukken veldspaat en kwarts. De vulkanische natuur van deze ontzettend groote grot werd ons hoe langer hoe meer bevestigd; ik deed het mijn makkers opmerken.

"Kunt gij u voorstellen," vroeg ik hun, "hoe deze trechter er uit moest zien, toen hij gevuld was met kokende lava en die gloeiende vloeibare massa zich tot aan de opening van den berg verhief, evenals het kokend metaal binnen de wanden van een hoogoven?"

"Dat kan ik mij best voorstellen, mijnheer!" antwoordde Koenraad. "Maar kan mijnheer mij ook zeggen, waar deze groote hoogoven het werk gestaakt heeft, en hij nu met het water van een kalm meer gevuld is?"

"Vermoedelijk. Koenraad, omdat eenige aardbeving onder het oppervlak van den Oceaan de opening heeft gemaakt, waardoor de Nautilus hier binnen is gekomen. Toen is het water der zee waarschijnlijk naar binnen gestort; er is een vreeselijke strijd tusschen de beide elementen gevoerd, die ten voordeele van Neptunus is geëindigd. Er zijn evenwel reeds eeuwen overheen gegaan, en de overstroomde vulkaan is een vreedzame grot geworden."

"Zeer goed," antwoordde Ned Land, "ik geloof u; maar in ons belang betreur ik het dat die opening, waarvan mijnheer spreekt, niet boven het vlak der zee ligt."

"Maar, vriend Ned," zei Koenraad, "als die opening niet onder water was, dan had de Nautilus hier niet binnen kunnen komen."

"En ik voeg er nog bij, Land, dat het water dan ook den vulkaan niet binnengestroomd, en deze nog een vuurspuwende berg wezen zou. Je spijt is dus overbodig."

Wij begonnen te klimmen; de helling werd hoe langer zoo steiler, en de paden hoe langer zoo nauwer; soms waren er diepe spleten in den grond, waarover wij moesten heenspringen; dan moesten wij weer om ver uitstekende en overhangende rotsblokken heen; wij kropen soms op de knieën of op den buik voort. Maar met hulp van Koenraaads behendigheid en Neds kracht kwamen wij alle hinderpalen te boven.

Op een hoogte van ongeveer dertig meter, veranderde de aard van den grond, zonder dat deze daarom nog begaanbaarder werd; wij stuitten op zwarte basaltblokken; soms lagen zij met zwavel bedekt over een vlakte neergeworpen, dan weder vormden zij regelmatige prisma's, die als kolommen overeind stonden, om het groote gewelf te ondersteunen, en een prachtig schouwspel opleverden van de bouwkunst der natuur. Op andere plaatsen liepen tusschen deze basaltblokken lange stroomen van gestolten lava, waarin strepen jodenlijm of groote massa's zwavel zichtbaar waren. Het daglicht, dat door den krater naar binnen viel, verlichtte deze vulkanische overblijfselen, die voor eeuwig in dien uitgedoofden berg begraven lagen, met een onzeker schijnsel.

Weldra moesten wij op een hoogte van omstreeks 250 voet door onoverkomelijke hinderpalen ons klimmen staken. De bergwand begon over ons heen te hangen, en in plaats van te stijgen, moesten wij onze wandeling om het meer voortzetten. Op de hoogte, waarop wij ons bevonden, begon het plantenrijk met het mineraalrijk in aanraking te komen. Uit de rotsspleten kwamen hier en daar heesters en op enkele plaatsen zelfs boomen te voorschijn. Ik herkende eenige planten en bloemen, zooals heliotropen en chrysanthemums; zelfs ontdekte ik tusschen de lavastroomen in kleine, doch weinig riekende viooltjes, hoewel ik beken dat ik dit weinigje geur gretig opsnoof. De geur is de ziel der bloemen, en de bloemen der zee, hoe prachtig ook, hebben geen ziel!

Wij waren aan den voet van een boschje vrij zware drakenboomen genaderd, die door de kracht hunner sterke wortels de rots gebroken hadden, toen Ned Land uitriep: "O mijnheer, een bijennest!"

"Een bijennest," antwoordde ik, terwijl ik den schouder ongeloovig optrok.

"Ja zeker!" riep de Amerikaan, "de bijen gonzen er om heen."

Ik naderde en moest mij gewonnen geven. In een gat van een drakenboom, waren eenige duizenden van de vernuftige insecten, die op de Canarische eilanden zooveel voorkomen, en wier honig dáár zoo gezocht is.

De Amerikaan wilde natuurlijk een voorraad honig medenemen, en ik was zoo onbarmhartig niet om er mij tegen te verzetten; hij stak met behulp van zijn vuurslag, wat droge bladeren met zwavel vermengd aan, om de bijen te doen stikken; weldra hield het gegons op, en het nest leverde verscheidene ponden geurigen honig. Ned Land stak deze in zijn voorraadzak.

"Als ik den honig met het deeg van den broodboom vermeng," zei hij, "dan kan ik u een kostelijken koek aanbieden."

"Best," zei ik, "maar laat ons nu voortgaan."

Op enkele bochten van ons pad vertoonde zich het meer in zijn geheele uitgestrektheid; het werd door de lantaarn van den Nautilus verlicht, en wij zagen er geen enkel golfje of rimpeltje op. De Nautilus lag onbeweeglijk; op het plat liepen menschen heen en weer, als zwarte schimmen in de zee van het electrisch licht. Op dat oogenblik draaiden wij om een uitstekend rotspunt heen en zagen toen, dat de bijen niet de eenige dieren waren, die den vulkaan bewoonden. Roofvogels vlogen hier en daar in de duisternis rond, of vluchtten weg van hun nesten. Het waren sperwers en havikken; ook liepen er hier en daar, zoo snel zij konden, schoone en vette trapganzen. Men kan zich de begeerlijkheid van den Amerikaan voorstellen, toen hij dit smakelijk wild zag, en welk een spijt hij gevoelde zijn geweer niet bij zich te hebben. Hij beproefde ze met steenen te raken, en na verscheidene vruchtelooze pogingen slaagde hij er eindelijk in, een van die prachtige trapganzen te treffen. Als ik zeg, dat hij twintigmaal zijn leven waagde om het dier te grijpen, jok ik niet, maar hij vervolgde het beest zoo lang totdat hij het in zijn zak had.

Wij moesten wederom naar beneden, want wij konden onmogelijk verder. Boven ons geleek de gapende krater op de opening van een put. Wij konden den hemel vrij duidelijk zien, en ik zag de wolken oostwaarts drijven. Een half uur na de laatste heldendaad van Ned Land, waren wij weer aan den oever. Hier groeide niets meer dan wat zeevenkel, een klein plantje, dat goed is om gekonfijt te worden. Koenraad plukte er eenige bosjes van. Verder vonden wij een menigte schelpdieren.

Hier was een prachtige grot; mijn makkers en ik kregen lust ons op het fijne zand uit te strekken. Het vuur had de wanden met schitterend glazuur bedekt. Ned Land betastte ze, als wilde hij onderzoeken hoe dik zij wel waren; ik kon een glimlach niet onderdrukken. Ons gesprek viel toen weer op zijn eeuwigdurende plannen om te ontvluchten, en zonder zijn hoop al te zeer te voeden, kon ik toch deze veronderstelling maken: dat namelijk kapitein Nemo slechts naar het Zuiden gevaren was om zijn voorraad sodium te vernieuwen; ik hoopte dus dat hij nu weer naar de kusten van Europa of Amerika zou varen, waardoor de Amerikaan dus in de gelegenheid zou zijn, zijn mislukte poging met beteren uitslag te hervatten.

Wij lagen ongeveer een uur in de schoone grot uitgestrekt, toen ons gesprek, dat in den beginne vrij levendig geweest was, begon te verflauwen; zekere slaperigheid overviel ons, en daar ik geen enkele reden zag om dit tegen te gaan, dommelde ik zachtjes in; ik droomde, en wie is meester om zijn droomen te kiezen, ik droomde dat mijn geheele bestaan zich in dat van een weekdier oploste; het scheen mij alsof de grot mijn schelp was. Plotseling werd ik door het schreeuwen van Koenraad gewekt.

"Op, op!" riep de brave jongen.

"Wat is er?" vroeg ik, half opstaande.

"Het water komt op."

Ik sprong overeind, en zag dat het zeewater als een stortvloed de grot binnendrong; omdat wij in wezenlijkheid geen weekdieren waren, moesten wij trachten ons te redden. Binnen weinige oogenblikken waren wij boven in de grot in veiligheid. "Wat gebeurt er toch?" vroeg Koenraad; "is er een nieuw wonder voorgevallen?"

"Wel neen, vrienden," antwoordde ik, "het is eenvoudig de vloed die ons heeft overvallen. De zee buiten den berg rijst, en de wetten van het evenwicht leeren dat het meer binnen den berg dan ook rijzen moet. Wij zijn er met een half nat pak afgekomen, en zullen ons op den Nautilus gaan verkleeden."

Drie kwartier daarna hadden wij onzen tocht om het meer geëindigd, en waren wij weer aan boord. De mannen der equipage brachten op dat oogenblik de laatste vracht sodium binnen boord, zoodat de Nautilus aanstonds had kunnen vertrekken; doch de kapitein gaf daartoe geen bevel. Wilde hij daartoe den nacht afwachten en heimelijk door de onderzeesche opening varen? Misschien. Hoe het ook zij, den volgenden morgen had de Nautilus zijn haven verlaten, en voer, ver van elk vast land, op eenige meters voort onder de golven van den Atlantischen Oceaan.

HOOFDSTUK XXXV

De Krooszee.

De richting van den Nautilus was niet veranderd. Wij moesten voor het oogenblik dus alle hoop laten varen om naar eenige Europeesche zee terug te keeren. Kapitein Nemo bleef den koers naar het Zuiden richten. Waar voerde hij ons heen? Ik kon het mij niet voorstellen.

Dien dag doorkliefde de Nautilus een zonderling gedeelte van den Atlantischen Oceaan; iedereen kent het bestaan van den warmen stroom, die onder den naam van Golfstroom bekend is. Nadat hij de golf van Mexico onder langs kaap Sable verlaten heeft, richt hij zich rechtstreeks naar Spitsbergen; doch op ongeveer 44° N.B., even nadat hij de golf van Mexico heeft verlaten, verdeelt hij zich in twee takken; de voornaamste richt zich naar de kusten van IJsland en Noorwegen, terwijl de andere op de hoogte der Azorische eilanden zuidwaarts stroomt, en daarna tegen de Afrikaansche kust stuitende, een ovaal beschrijft en naar de Antillen terugkeert.

Deze tweede tak van den warmen stroom gaat dus met zijn golven om een koud, bijna stilstaand en onbeweeglijk gedeelte van den Oceaan, dat men de Krooszee noemt. Het is een meer in het midden van den Oceaan, om hetwelk het water van den grooten stroom in niet minder dan drie jaar heenloopt.

De Krooszee bedekt, om zoo te zeggen, het land dat door den Oceaan is verzwolgen. Sommige schrijvers hebben zelfs beweerd, dat het zeegras, hetwelk in deze zee in groote menigte ronddrijft, van de weiden van dit vroegere vasteland afkomstig is. Waarschijnlijk echter is dit zeegras en wier afkomstig van de kusten van Europa en Amerika, en wordt door den Golfstroom tot op deze hoogte medegesleept. Dit was een van de redenen, die Columbus deden gelooven aan het bestaan van een nieuwe wereld. Toen de schepen van dezen koenen zeevaarder in de Krooszee kwamen, hadden zij werk om door dit gras heen te komen, omdat het tot groote ontsteltenis van de equipage hunne vaart tegenhield; zij besteedden zelfs drie weken er over om er doorheen te worstelen.

Zoo was de streek, door den Nautilus op dit oogenblik bezocht: het was een wezenlijke weide, zulk een dicht tapijt van gras, zeekroos en wier, dat een schip er niet zonder moeite kon doorvaren. Kapitein Nemo wilde zich met zijn schroefboot dan ook niet in deze massa gras wagen, en bleef op eenige meters diepte onder de golven.

De Krooszee wordt ook wel Sargasso-zee genoemd, naar het Spaansche woord "Sargazzo" dat zeewier beteekent, omdat deze uitgestrekte bank door deze plant gevormd wordt. Ziehier waarom deze planten volgens den geleerden Maury, den schrijver van de Natuurkundige aardrijksbeschrijving zich vereenigen in dit kalme gedeelte van den Atlantischen Oceaan.

"Men kan," zegt hij, "dat verschijnsel verklaren door een proef, die elkeen kent. Als men in een bak met water eenige stukjes, kurk of andere voorwerpen laat drijven, en men aan het water een draaiende beweging geeft, dan zal men die verspreide stukjes zich in het midden zien bijeen voegen, dat is daar waar het water het minst in beweging is. Bij het verschijnsel, waarover wij spreken, is de Atlantische Oceaan de bak, de Golfstroom is het draaiend gedeelte en de Krooszee het middelpunt, waar de drijvende voorwerpen zich vereenigen."

Ik deel Maury's gevoelen en heb het verschijnsel op de plaats zelf, waar schepen slechts zeer zelden komen, kunnen onderzoeken. Boven ons dreven voorwerpen van allerhande soort, opgehoopt tusschen het bruinachtig gras, boomstammen, die van de Andes en het Rotsgebergte waren afgescheurd en door de Amazonen-rivier of de Mississippi werden voortgestuwd; tallooze overblijfselen van wrakken, zoo met schelpen en planten begroeid, dat zij niet boven konden drijven. En de tijd zal ook eens dat andere gevoelen van Maury waar maken, dat deze eeuwenlang opgehoopte voorwerpen eenmaal versteenen en door de werking van het water een onuitputtelijke kolenmijn zullen vormen; een kostbare voorraad dus, dien de Voorzienigheid nu reeds verzamelt voor het oogenblik, dat de menschen de mijnen op het vasteland hebben uitgeput.

Den geheelen 22sten Februari brachten wij in die Krooszee door, waar de visschen, die zooveel van zeeplanten houden en de schaaldieren overvloedig voedsel vinden. Den volgenden dag had de Oceaan wederom zijn gewone voorkomen. Van dit oogenblik af bleef de Nautilus gedurende negentien dagen van 23 Februari tot 12 Maart in het midden van den Atlantischen Oceaan, en voerde ons mee met een doorloopende snelheid van zestien kilometer in het uur. De kapitein wilde waarschijnlijk het geheele programma zijner onderzeesche reis afloopen, en ik twijfelde er niet aan, of hij zou, na om kaap Hoorn te zijn gestevend, naar de Stille Zuidzee terugkeeren. Ned Land had dus wel gelijk met bang te zijn. In deze uitgestrekte zee zonder eilanden behoefde men het niet te beproeven om van boord te gaan; wij hadden dus geen middel om ons tegen den wil van kapitein Nemo te verzetten. Het eenige wat wij doen konden, was ons te onderwerpen; maar wat men van geweld of list niet meer te wachten had, dacht ik dat door overreding kon verkregen worden. Als de reis was afgeloopen, zou dan de kapitein er niet in toestemmen ons de vrijheid terug te geven, onder eede van zijn bestaan nimmer te verraden? Wij zouden dien eed zeker hebben gehouden, maar ik moest die teedere zaak met den kapitein zelf behandelen. Zou ik hem echter die vrijheid wel kunnen vragen? Had hij bij het begin der reis niet op stelligen toon verklaard, dat het geheim van zijn leven onze levenslange gevangenschap aan boord van de Nautilus eischte? Moest mijn stilzwijgen gedurende vier maanden hem niet doen gelooven, dat ik mij zonder morren in dien toestand schikte? Als ik die zaak weder aanroerde, zou het dan geen achterdocht bij hem opwekken, die onze plannen kon benadeelen, als zich daartoe later eenige gunstige omstandigheid voordeed! Ik overdacht en overwoog al die redenen, en ik onderwiep ze aan Koenraads oordeel, die niet minder verlegen stond dan ik. Kortom, hoewel ik niet gemakkelijk uit het veld was te slaan, begreep ik toch dat de kans om mijn vrienden en bloedverwanten ook terug te zien, van dag tot dag verminderde, vooral nu kapitein Nemo als een rechte waaghals stuurde naar het zuidelijk gedeelte van den Atlantischen Oceaan.