WeRead Powered by ReaderPub
Achter de schermen cover

Achter de schermen

Chapter 19: Christine Nilson.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

An impresario recounts decades of behind-the-scenes theatrical life, combining practical accounts of organizing international tours with personal anecdotes about celebrated performers, managers, and dignitaries. The narrative outlines logistical obstacles and financial risks while reflecting on the uneasy balance between artistic judgment and commercial necessity. Portraits of rehearsals, premieres, audience reactions, and professional rivalries appear alongside impressions gathered on foreign tours, offering a mosaic of collaborations, disputes, triumphs, and occasional losses that shaped a career in stage management and promotion.

Jeanne Granier.

Er viel niets meer aan te doen en ik laat noodgedwongen mijn regisseur het publiek het bericht van Jeanne Granier meedeelen. In woede ontstoken gaat het publiek als wilden te keer. Zij werpen met de bankjes de spiegels stuk onder een helsch lawaai. Ik had voor meer dan 1400 francs schadevergoeding aan den eigenaar te betalen en de geheele tournée kwam mij op een verlies van niet minder dan 78000 francs te staan. In mijn contract had ik de clausule opgenomen: Wanneer een artiest in gebreke blijft en door zijn of haar toedoen de voorstelling niet plaats vindt, behalve bij ziekte door een geneesheer geconstateerd of bij geval van "force majeure", heeft de artiest in kwestie de verloren recette geheel ter zijner laste.

Ik hield Jeanne Granier haar laatste "cachet" in, doch zij neemt daar geen genoegen mee en klaagt mij te Parijs voor het "Tribunal de Commerce" aan. Acht dagen later veroordeelt het tribunaal mij Jeanne Granier ook haar laatste "cachet" te betalen, behalve de kosten van het geding, van oordeel, dat de bewuste matinée niet in het contract gestipuleerd stond, dat slechts van een aantal "gegarandeerde" voorstellingen spreekt.

Veel pleizier heb ik aan deze tournée dus niet beleefd om van mijn verliezen maar niet eens te spreken!..


Paderewski.

Van alle artiesten, die ik sedert dertig jaar door Europa en Amerika heb rondgeleid heeft Ignace Paderewski mij wel het meest getroffen om zijn verregaande belangeloosheid en vrijgevigheid. De beroemde pianist kreeg voor elk concert vijf en twintig honderd francs en dit bedrag scheen zijn voor een groot deel behoeftigen landgenooten meer dan fabelachtig toe.

In elke stad waar hij optrad werd de groote artiest als 't ware met beden om hulp overstelpt. Hij, die slechts naar de ingevingen van zijn medelijdend hart luisterde, schonk vaak de geheele opbrengst van zijn concerten aan zijn arme Polen, in de meening, dat zijn geldbuidel nooit uitgeput raakte.

Eens kreeg ik bezoek van een Pool, die een uur in den wind naar drank en knoflook stonk. Hij toonde mij een briefje van zijn "vriend" Paderewski, waarvan hier de inhoud.

M'n waarde Schürmann.

Brenger dezes, een huisvader met veel kinderen is volgens zijn zeggen van alles ontbloot. Ik wensch hem derhalve mijn cachet van heden avond af te staan en verzoek hem dit nu reeds ter hand te stellen. Geheel de uwe,

Ignace Paderewski.

Dit liep de spuigaten uit!.. Ik kon niet langer toezien, dat er aldus van zijn vrijgevigheid misbruik werd gemaakt.

—Heeft Paderewski u het bedrag reeds genoemd?

—Nee meneer.

—Hier zijn honderd francs.

—Honderd francs!.. U wilt me zeker wat wijsmaken.

—Hij ontvangt nooit meer. Hier zijn de vijf louis; u hebt nog alleen dit reçu te teekenen.

De drinkebroer zette zijn naam onder een kwitantie, streek de vijf goudstukken op en riep toen met een verachtend gebaar:

—Braniemakers, die artiesten!.... Honderd francs, het mocht wat daar zoo'n "drukkie" om te maken! Verbeelding hebben ze, anders niet!..

Toen ik Paderewski de resteerende vier en twintig honderd francs dien avond ter hand stelde, had ik waarempel nog moeite hem aan zijn verstand te brengen, dat hij voor de zooveelste maal dupe van zijn vrijgevigheid was geweest en dat hij zijn geld wel beter kon besteden.

Een andere eigenaardigheid van Paderewski was zijn bijgeloof. De eerste maal dat hij voor een vreemd publiek optrad, trok hij steeds een oud, versleten jasje aan, waarvan de snit met de mode jaren ten achter was. Om niets ter wereld zou hij van zijn nieuwe kostuums gebruik maken, in dit jasje had hij zijn eerste groote succes behaald en hij beschouwde het als een soort talisman, zijn "porte-bonheur".

Verder was hij een aangenaam causeur, die urenlang na tafel en na afloop der concerten, want overdag was hij zeer matig en studeerde gemiddeld acht à tien uur—de leukste moppen wist te tappen, waarvan hij een eindelooze reeks steeds tot zijn beschikking had.

Behalve dat Paderewski door zijn bescheidenheid zich vele vrienden had verworven, gaf hij meermalen blijk van een belangeloosheid, waarover slechts weinig artiesten beschikken en zeker niet tegenover hun impresario.

We gaven een concert te Reims en onverklaarbaar doch waar, de zaal was half bezet. In de pauze nam Paderewski mij ter zijde en zei:

—Je zult ditmaal wel niet veel ontvangen hebben.

—Nauwelijks 960 francs.

—En de avondkosten?

—Plus minus 840!

—Dat is een leelijke schadepost.

Toch bracht ik hem na afloop zijn overeengekomen cachet van twee duizend francs.

—Wat beteekent dat? en met een geeft hij mij de envelop terug. Dacht je nu werkelijk dat ik zoo onbescheiden was om twee duizend aan te nemen, als je zelf maar 120 overhoudt? Een artiest heeft dan alleen recht betaald te worden, wanneer hij zijn geld opbrengt. Nu deelen wij... Ieder 60 francs en daarmee basta.

Of ik hem nu al vertelde, dat ik hem nooit meer had gegeven op avonden dat ik een tien tot twaalf duizend francs ontving, vergeefsche moeite, hij wilde de envelop niet aannemen en ik was genoodzaakt het bedrag per aangeteekenden brief hem te doen toekomen.

Dat Paderewski deze hooge-cachets inderdaad noodig had spreekt van zelf, wanneer ik meedeel, dat hij een belangrijk dédit te betalen had in geval de concerten reeks door zijn toedoen, om welke reden dan ook, onderbroken zou moeten worden. Bij zijn tournée door de Vereenigde Staten bepaald op vijf en twintig concerten had hij om tegen mogelijke schade gedekt te zijn, zich tot een New-Yorksche maatschappij gewend, wie de moeilijke taak te beurt viel de waarde zijner vingers in dollars te becijferen.

De uitslag dezer berekening was, dat de pianist een jaarlijksche premie van 203,744.47 francs moest betalen, waartegenover de maatschappij zich verplichtte, hem bij eenig ongeval, dat hem het gebruik van een zijner vingers onmogelijk zou maken, een schadeloosstelling van 51,098.12 francs per week te betalen, tot het tijdstip, waarop de pianist eventueel zijn vingers weer zou kunnen gebruiken. Paderewski's vingers werden dus voor meer dan 2-1/2 millioen francs per jaar verzekerd.

Nog lastiger lag het geval bij violist Jan Kubelik, daar bij het vioolspelen niet alle vingers juist evenveel noodig zijn als bij het klavierspelen. Men moest het dus eerst eens worden over de betrekkelijke waarde van iederen vinger afzonderlijk, en zoo werd er een geheel tarief opgemaakt volgens hetwelk aan Kubelik's linkerhand drie vingers ieder op 272,000 francs geschat werden, de ringvinger op 220,000 francs, de pink op 25,000 francs, de duim aan de rechterhand op 272,000 francs en de wijsvinger op 210,000 francs. Een hevig meeninggeschil ontstond over de pink der rechterhand; men kende haar in 't geheel geen beteekenis toe bij het vioolspel—en zoo taxeerde men haar ten slotte op 47,000 francs.

De verzekeringmaatschappij heeft overigens met Kubelik een goede zaak gedaan, want zijn vingers behielden tijdens zijn Amerikaansche tournée al hun bewonderenswaardige lenigheid en bewegelijkheid.


Jan Kubelik.

Zelden heb ik een viool virtuoos zulke ovaties zien brengen als aan Jan Kubelik, den jeugdigen Czech. Hij, Rubinstein en Paderewski zijn door het publiek op de handen gedragen en door hen is mij niet alleen veel roem maar ook een groot financieel succès te beurt gevallen.

Hoewel Frankrijk niet voor een bij uitstek muzikaal land doorgaat en men daar in het bijzonder voor piano of viool virtuozen zich weinig druk maakt, heb ik in de voornaamste steden steeds volle zalen met hen gehad en zijn zij om strijd toegejuicht.

Jan Kubelik verdiende in den beginne bij mij een niet buitengewoon bedrag, doch langzamerhand klom hij op tot 3500 francs per concert. Eerst toen hij vier, ja zelfs vijf duizend francs begon te vragen, bleef ik niet langer zijn impresario, doch wèl zijn vriend en trouw bewonderaar.

Toen wij in 1904 te Genève concerten gaven, ontving ik bezoek van den intendant van barones Rothschild, die een kasteel in de omgeving bewoonde.

Hij vroeg mij wat ik voor een concert ten huize van zijn meesteres berekende. Ik deelde hem mede, dat ik voor Kubelik en zijn accompagnateur zes duizend francs vroeg.

Na verloop van eenige uren, kwam hij mij meedeelen, dat de barones dezen prijs wel wat te hoog vond.

—Het spijt mij, doch dit is het bedrag.

—Kom, meneer Schürmann, het is geen soirée, de barones houdt er van onder het hooren van goede muziek een sigaret te rooken en dat kan zij in het publiek niet doen, anders zou zij uw concerten in de Victoria-Hall wel komen bijwonen. Er komen hoogstens vier of vijf personen bij haar op bezoek.

—Zij kan zooveel gasten inviteeren, als zij zelf verkiest, dat doet aan den prijs niets af.

—Ik zal het de barones overbrengen.

—Doet U dat.

Wij waren aan tafel gegaan, toen de intendant zich wederom aanmeldde.

—De barones biedt U 3500 francs, want het is maar voor een klein gehoor, zoo intiem mogelijk.

—Dat hebt U me reeds verteld. Wees U daarom zoo vriendelijk de barones te zeggen, dat wij geen afgedragen kleeren verkoopen en dat er bij ons niet af te dingen valt.

Ik heb den intendant nooit terug gezien.


Mijn zoontje was vijf jaar oud. Kubelik die met zijn vrouw in het Grand-Hôtel zijn intrek had genomen, had mij verzocht hem elken dag mijn zoontje met de gouvernante een uurtje op bezoek te zenden.

Nieuwsgierig te weten, wat hij daar uitvoerde, begaf ik mij onverwacht naar hun salon. Mevrouw Kubelik zat in een leuningstoel naar haar echtgenoot en mijn zoontje al lachend te kijken, want terwijl de jonge Gérard bezig was de cakewalk te dansen, liep Kubelik met zijn stradivarius achter hem aan. Zijn grootste genoegen was met hem te spelen en zijn liedjes op zijn viool te accompagneeren.

Eindelijk kwam Kubelik's vurige wensch in vervulling. Op zijn beurt werd hij vader, nog wel van een tweeling. In December 1904 waren zijn dochtertjes juist een half jaar.

Wij gaven die maand een serie concerten in Spanje en Portugal.

In het Amelia-Theater te Lissabon had hij zoo'n kolossalen toeloop, dat met zijn vier concerten meer dan 50000 francs recette werden gemaakt.

Oporto deed voor de hoofdstad niet onder, ook hier oogstte hij het grootste succès, evenals te Madrid in het Apollo-théater. Den avond vóór het vierde en laatste concert zoekt Kubelik mijn administrateur op.

—Ik heb den spoorgids er op na geslagen. Om den avond vóór Kerstmis in mijn kasteel te Kolin in Boheme te zijn, moet ik van avond reeds den trein nemen.

—Wat wilt U doen! Ons plotseling in den steek laten! Dat gaat immers niet! Er is voor 11000 francs reeds besproken en dan komt Barcelona nog aan de beurt, waar de twee aangekondigde concerten ook reeds uitverkocht zijn. Vóór dien tijd kunt U onmogelijk op reis gaan.

—Toch doe ik dat. Ik wil het Kerstfeest bij mijn kinderen vieren.

—Zij zijn eerst een half jaar oud!

—Doet er niet toe, het Kerstfeest is een familiefeest en daarom wil ik het te midden der mijnen gaan vieren.

—En de uitverkochte zalen, het ontevreden publiek, uw contract met den heer Schürmann?

—Dat beteekent allemaal niets. U betaalt den directeur de schadevergoeding. U belooft het publiek, dat ik binnenkort terug kom en wat Schürmann betreft, hij zal niets zeggen. Onze vriend heeft reeds genoeg geld met mij verdiend, zoodat hij deze kleine opoffering zich wel zal getroosten.

Hierop vertrok Kubelik naar Boheme zonder zich verder aan iets te storen.


Christine Nilson.

Een zeer groot artieste, de beste Marguérite die ik in Gounod's meesterwerk ooit gehoord heb. Een kristalheldere stem, met aangenaam "timbre". Vandaar dat zij langen tijd alle liefhebbers van opera muziek in den zevenden hemel meevoerde. Door haar huwelijk met graaf Angel del Casa Miranda, den vriend en metgezel van den overleden koning van Spanje Alphons XII heeft zij het tooneel te vroeg den rug toegekeerd.

Christine Nilson, de Zweedsche nachtegaal heeft de wereld rondgereisd onder geleide van Maurice Strakosch, den zwager en leeraar van Adelina Patti, den onovertrefbaren impresario voor zangeressen. Hij en Ullman, de groote organisator van concerten over de heele wereld, zijn de eenige impresarii van naam geweest, die de vorige eeuw gekend heeft en wier opvolger nog steeds geboren moet worden; kortom zeer bijzondere menschen in hun vak.

Ik toefde juist te Hamburg, waar Christine Nilson dien avond een groot concert zou geven na een succesvolle tournée door Scandinavië, toen ik Maurice Strakosch op straat tegenkwam, die mij meenam naar één van de fijnste zilverwinkels uit de buurt. Wij gaan het magazijn binnen, waar Strakosch een prachtig gedreven massief zilveren fruitschaal van nabij beziet, die hij in de étalage had opgemerkt.

—Wat is de prijs van dit kunstwerk?

—Acht duizend vijf honderd mark.

—Dat is geen kleinigheid.... Het bevalt me echter.... Ik wil het wel hebben.

—Waar moet ik het dan laten bezorgen?

—Wacht even, zoover zijn we nog niet. Ik ben Maurice Strakosch, de impresario van de groote, onvergelijkelijke zangeres Christine Nilson, wier naam u natuurlijk wel eens gehoord zult hebben.

—Zooals iedereen.

—Over twee dagen geven wij hier een groot concert, waarvoor de entree-billetten overal te koop zijn. Als de zaal uitverkocht is, waaraan ik trouwens in andere steden gewoon ben geraakt, dan neem ik die schaal en u kunt haar den volgenden dag met de quitantie bij mij laten bezorgen in Hôtel Hamburgerhof. Mochten er echter toch nog plaatsen onbezet blijven, dan zie ik van den koop af.

Hierop verlieten wij den winkel om eenige straten verder een nieuwe zaak binnen te loopen.

—Wat gaat u nu beginnen?

—De zelfde geschiedenis van zooeven. Aldoende heb ik reeds twee winkeliers gevonden, die kosteloos reclame voor mij maken. Ga je nog verder mee?

Het vooruitzicht op een bezoek bij de voornaamste zilver- en goudmagazijnen van Hamburg trok mij weinig aan. Ik nam dus afscheid, terwijl Strakosch kalm met "winkelen" voortging.

Den avond van de voorstelling verdrong men zich letterlijk voor den schouwburg. Verschillende winkeliers hadden bij hun klanten voor het concert van Christine Nilson zulk een reclame gemaakt, dat de billetten reeds uren te voren alle uitverkocht waren. Maurice Strakosch wreef zich de handen van genoegen, dat zijn "truc" zoo wonderwel geslaagd was.

—Dat marcheert prachtig, waren mijn eerste woorden, toen ik hem bij de contrôle zag staan.

—Inderdaad.

—Mevrouw Strakosch zal ook in haar schik zijn.

—Hoezoo?

—Over al die cadeaux voor haar zilverkast.

—Meen je dat werkelijk?

—Dacht je dan dat ze zouden vergeten morgen de uitgezochte voorwerpen aan het hôtel te zenden?

—Dat niet, maar ik zal er niet op blijven wachten. Ik heb hier een afschrift van een brief bij me, waarvan ik er ongeveer zeven en twintig heb laten schrijven en die ik zoo straks in de bus ga werpen.

De heeren ontvangen ze dan morgen vroeg met de eerste post.

Ik zal je het even voorlezen.

Meneer.

"Ik heb u gezegd, dat ik het uitgezochte voorwerp bij u zou koopen, op voorwaarde dat het concert van Mme Nilson geheel uitverkocht is. Tot mijn grooten spijt zijn er echter een dertig tal plaatsen overgebleven en hierdoor zie ik mij genoodzaakt van den koop af te zien. In de hoop een volgend maal voorspoediger te zijn, verblijf ik. enz. enz."

Als je wilt, kan je dezen truc later eens voor je zelf toepassen, alleen raad ik je dan aan hem niet al te vlug in Hamburg te herhalen.


Felia Litvinne.

Een door en door edel karakter, spreekt nooit kwaad van haar collega's en is er altijd op uit hen behulpzaam te zijn of met raad te dienen. Het eenige wat ik op haar weet af te dingen; zij kent geen waarde van geld. Wat zij met haar verrukkelijke stem verdient, geeft zij op ruime schaal weer uit. Even kwistig als Paderewski liet zij zich door behoeftige landgenooten exploiteeren en hierin lieten de Russen zich evenmin als de Polen onbetuigd.

Felia Litvinne beschikt over een heerlijk geluid, dat steeds even frisch en krachtig klonk. Haar glansrollen waarmee zij te Parijs het grootste succes genoot, waren die van Richard Wagner, in de eerste plaats haar onovertrefbare Brünhilde.

Russin van geboorte, was zij in hart en nieren een Française. Vandaar dat men te Parijs zoo zeer met haar op had. Afgaande op het doorslaand succes, dat zij met haar Wagner-rollen genoot, sloeg ik haar voor met mij een groote tournée door Duitschland te ondernemen, overtuigd veel geld met haar te verdienen en overal den zelfden bijval te verwerven, dien zij te Parijs oogstte.

Helaas, ik had mij ditmaal sterk vergist en ben bedrogen uitgekomen. Niettegenstaande het publiek telkens in geestdrift geraakte en de kranten haar overal lof toezwaaiden, bleven de recettes vrijwel onvoldoende en maakte ik ternauwernood de kosten goed. Niet weinig onthutst door dien tegenslag, informeerde ik naar alle kanten, wat daarvan toch wel de reden kon zijn.

Aldus werd mij het geval verklaard.

Ik had haar natuurlijk aangekondigd als één der eerste sterren van de Parijsche Opera. Het publiek in de veronderstelling een elegante Parisienne met een zoo niet omvangrijke dan toch lieve stem te hooren, zag zich in hun verwachting teleurgesteld. Litvinne's stem was én geschoold én krachtig. Zij toonde daarbij een volleerde actrice te zijn, doch haar lichaamsomvang stond haar in den weg. Het Duitsche publiek is dit van hun eigen zangeressen gewoon. Het wil van een Parijsche zangeres iets anders zien en hooren, meer in overeenstemming met de illusie, die opera-heldinnen bij den tenor of baryton moeten opwekken.

Ik begreep toen voor het eerst, dat wilde ik een volgend maal met een Fransche zangeres over den Rijn succes hebben, ik in de eerste plaats op de élégance en op het uiterlijk mijner zangeressen had te letten.


Charles Lamoureux.

Een van de zwaarste en moeilijkst te arrangeeren tournées zijn die van het orkest Lamoureux geweest.

Door Europa te trekken met een gezelschap van honderd-tien musici, plus de zorg voor twee wagonladingen instrumenten en requisieten is geen alledaagsch werk. Toch is het mij mogen gelukken het beroemde orkest Lamoureux door Holland, België, Zwitserland, Duitschland, Spanje en Portugal rond te leiden en overal is mijn moeite met succès beloond geworden. Dit bewonderenswaardig ensemble van eerste musici, zooals wellicht geen enkel orkest kan aanwijzen, zelfs niet het Amsterdamsch orkest van Willem Mengelberg heeft onder aanvoering van Charles Lamoureux en later onder zijn schoonzoon Camille Chevillard overal een enthousiast onthaal gehad.

Bij één onzer concerten in het Concertgebouw te Amsterdam, bezocht ik met Charles Lamoureux het Rijksmuseum. In één der zalen troffen wij twee orkest-leden aan, die zoo zeer onder den indruk schenen van Rembrandt's "Nachtwacht", dat zij ons niet opmerkten.

—Laten wij hen niet storen, fluisterde Lamoureux mij in.

Den volgenden dag bij de repetitie hield de dirigent vóór den aanvang een kleinen speech.

—Gisteren trof ik twee van uw collega's in het Museum geheel verdiept in het aanschouwen der meesterwerken van de Hollandsche school. Dit heeft mij sterk getroffen en verblijd, want het bewees me, dat er enkelen onder U zijn, die op reis hun tijd besteden met zich te ontwikkelen en niet tevreden zijn met door de straten te flaneeren of naar een koffiehuis te gaan. Zulk een daad van goeden smaak wensch ik aan te moedigen en ik heb derhalve hun een gratificatie van honderd francs geschonken in de hoop, dat zij er mee zullen voortgaan.

Den dag daarop gaven we een uitvoering in den Haag. Terstond na afloop van de repetitie spoedden verscheidene orkestleden zich naar het museum, doch Lamoureux verscheen er dien dag niet.

De beroemde dirigent hield van lekker eten en was gewoon nog al lang te "tafelen". Wij logeerden in het Doelen-hotel en ons diner was juist ten einde, toen ik op mijn horloge zag en bemerkte dat het al over zeven was.

Ik stond haastig op en zei tot Lamoureux:

—Het is reeds zeven uur en het concert begint hier precies om acht. Daar het Concertgebouw nog al ver afligt, per rijtuig minstens een kwartier, moeten we ons gereed gaan maken.

—Waartoe. Ik wil eerst nog een pijp rooken.

—Dan wordt het beslist te laat!

—Onmogelijk, ik heb een bewijs om direkt door te rijden.

—Daar zou ik maar niet te zeer op vertrouwen.

—Ga gerust maar vooruit, ik heb nog wel den tijd. Ik ben gekleed en kan terstond den dirigeerstoel beklimmen. Tot straks.

Om geen verderen tijd te verliezen, vertrok ik met Camille Chevillard. Weldra kon ons rijtuig niet verder en vóór ons zagen wij een onafzienbare rij coupé's, als of de geheele stad leeg gestroomd was. Bevreesd dat Lamoureux ook zijn beurt zou moeten afwachten, wilde ik hem gaan waarschuwen, doch wij moesten in de rij blijven.

Eindelijk voor den ingang gekomen, zie ik, dat het reeds vijf minuten over acht is en wij hebben bijna veertig minuten voor onzen rit noodig gehad.

Het slaat acht uur, doch natuurlijk geen Lamoureux. Tien minuten over achten is hij er nog niet, terwijl de zaal reeds geheel gevuld is. Eindelijk komt hij buiten adem met slik bespet, aanloopen, ruim een kwartier over den tijd.

Wat was er gebeurd?

Na zijn pijp gerookt te hebben, liet Lamoureux een rijtuig voorkomen dat weldra als alle anderen stil moest houden. Lamoureux laat het raampje neer, buigt zich naar voren, ziet nog wel dertig koetsen vóór zich, die rustig hun beurt afwachten met doorrijden, terwijl de regen in stroomen neergudst. Lamoureux blijft een tijdlang zitten, dan verliest hij zijn geduld en wenkt met druk gebaar een politie agent, die de orde staat te bewaren.

—Wat is er van uw verlangen?

—Ik ben Charles Lamoureux, ik moet het orkest dirigeeren. Kunt u mij niet even laten doorrijden?

De agent verstaat natuurlijk geen woord en haalt zijn schouders op.

Woedend herhaalt Lamoureux zijn vraag met de volgende gebaren.

—Ik ... Lamoureux ... maat slaan ... doorrijden, ... ja ... Lamoureux!

—Begrepen, meneer... U moet naar Lamoureux, net als alle anderen. Wacht U dan maar kalm tot er ruimte komt.

Toen duwde Lamoureux het portier open en snelde te voet onder den stortregen naar den ingang, zoodat hij—slechts een kwartier over den tijd—kon beginnen.


Isadora Duncan.

Haar eerste optreden te Parijs in de groote zaal van het "Trocadero" genoot niet die geestdriftige ontvangst, waarop de blootvoetige danseres meende te mogen rekenen. Alleen een klein groepje artiesten, schilders, beeldhouwers en enkele verlichte kunstliefhebbers hadden het belang van deze hervorming der danskunst ingezien en begrepen. De kritiek bleef zich sceptisch, onverschillig toonen, terwijl het publiek schitterde door afwezigheid.

Vol vertrouwen en bewust van haar artistieke waarde keerde de Amerikaansche danseres naar Duitschland terug, waar zij reeds eerder een trouwe schaar bewonderaars zich had verworven. Zij vond hier steun bij enkele rijke kunstbeschermers, die haar in staat stelden in de nabijheid van Berlijn in het Grünewald een school voor jonge meisjes op te richten, die zij volgens haar voorschriften zou opleiden. Een twintigtal leerlingen werden haar door ouders, waarvan de meesten onbemiddeld waren, toevertrouwd, op voorwaarde, dat zij hun dochters tot haar achttiende jaar geheel op eigen kosten zou onderhouden en voor haar artistieke en moreele opvoeding zorg zou dragen. Onder leiding van haar zuster en van door haar gekozen leeraren maakten deze meisjes zulke snelle vorderingen, dat zij na afloop van één studiejaar zich reeds in het publiek konden vertoonen en Isadora Duncan bij haar antieke dansen behulpzaam waren.

Tijdens de voorstellingen te Berlijn ontving miss Duncan een brief van één harer landgenooten, miss Maud Allan, waarin zij vol bewondering voor de groote danseres haar verzocht de uitvoeringen van nabij te mogen bijwonen. Niet genoegzaam bij kas telkens een fauteuil te bekostigen, wilde zij gaarne elken avond de voorstelling tusschen de coulissen volgen. Isadora Duncan stond haar dit gaarne toe en van nu af woonde de jeugdige Amerikaansche de artistieke evolutiën van miss Duncan en haar klasse geregeld achter de schermen bij.

Het succes dezer voorstellingen tart elke beschrijving. Men was hier letterlijk verzot op deze nieuwe kunst. Litteratoren van naam, de beroemdste kritici schreven over haar danskunst artikelen vol bewondering en het publiek bleef toestroomen, terwijl men recettes maakte van tien à twaalf duizend francs. De directie van de keizerlijke schouwburgen in Rusland verzocht miss Duncan en haar leerlingen naar Petersburg en Moskou te komen. De geestdrift der Slaven overtrof zelfs die der Duitschers, overal trad zij voor uitverkochte zalen op. Om het publiek van andere steden tevreden te stellen bezocht men eveneens Kiew, Charkow, Odessa en Warschau.

Na Rusland kwam Holland aan de beurt. Ook hier te lande werd met de gewoonlijke reserve en nuchterheid gebroken en ontstond er een ware "rage" Duncan te zien dansen, hetgeen in een spotlied van den Hollandschen zanger Speenhoff vereeuwigd is. Ik vond daarom het oogenblik gunstig een serie voorstellingen te Londen te geven, waar miss Duncan eerst weinig lust in scheen te hebben. Zij liet zich evenwel door mij bepraten en na een contract voor dertig voorstellingen te hebben afgesloten, begaven wij ons naar Engelands hoofdstad. Ik stuitte echter terstond op een groote moeilijkheid. Reeds een half jaar lang werd de grootste en fraaiste "music-hall" der metropool, het "Palace-Theâter" druk bezocht om miss Maud Allan als "Salomé" en in andere exotische creaties te zien dansen, die alle door miss Duncan reeds waren vertoond. De kleine Amerikaansche, die te Berlijn haar oogen goed de kost had gegeven, had zich te Londen als een eerste ster ontwikkeld en was de lieveling van het publiek geworden.

Voor het Londensch publiek was zij de uitvindster van deze nieuwe dansen en werd zij eveneens als de hervormster der antieke dansen beschouwd. Alle andere groote "music-halls" trachtten nu danseressen met bloote beenen te lanceeren, doch zonder succès, want men ontdekte spoedig, dat dit namaak was. Een oogenblik was ik bang, dat miss Duncan hier evenmin in den smaak zou vallen. Niettegenstaande mijn angst sloot ik met Charles Frohmann een contract af voor de maanden Mei en Juni, waarbij miss Duncan zou optreden in den "Duke of York" schouwburg.

Alles liep in den beginne vlot van stapel. Er was voor veel geld reeds besproken en ik had reden me zelf geluk te wenschen. Onze Berlijnsche gast zou echter weldra roet in het eten werpen, want zij gaf in enkele interviews te kennen, dat miss Isadora Duncan haar volkomen onbekend was en zij nog nimmer van haar had hooren spreken; dat de antieke dansen door haar uitgevonden en haar uitsluitend eigendom waren en wanneer er tenslotte toch een miss Duncan bestond, zij waarschijnlijk één van die talrijke navolgsters moest zijn, die het publiek wel van de wàre danseressen zou weten te onderscheiden.

Frohmann was gewoon perplex over die brutaliteit, temeer, omdat het publiek aan de woorden van Maud Allan geloof sloeg. Gelukkig wist ik nog bijtijds dit gevaar af te wenden, want miss Duncan bezat nog altijd een schrijven van haar uit Berlijn, dat ik zoo vrij was in de kranten te laten publiceeren. Dit hielp. Bij de eerste voorstelling "De dansen van Iphigenia" was het gebouw tjokvol en wel met een elite publiek, nieuwsgierig hun oordeel over beide mededingsters te vellen. Miss Duncan nam ook hier aller harten stormenderhand in. Gedurende een maand was avond aan avond de zaal zoo goed als uitverkocht. Koning Edward VII vereerde ons driemaal met zijn tegenwoordigheid en droeg mij op miss Duncan zijn bewondering voor haar kunst over te brengen. Koningin Alexandra is zelfs zeven maal de voorstelling bij komen wonen. Wegens dit ongeëvenaard succes haastte Frohmann zich met mij een contract te sluiten voor een tournée van twintig weken door Noord-Amerika.

Wij zouden tegen September te New-York onzer voorstellingen aanvangen. Vanaf begin Juli kreeg ik telegram op telegram met dringend verzoek om reeds in Augustus te beginnen. Eerst weigerde ik, maar de belofte van de schitterende recettes, die mij te wachten stonden, deden mij besluiten toe te geven.

Wij kwamen te New-York aan toen het daar snikheet was, vandaar dat iedereen, die het maar eenigszins doen kon de stad ontvlucht was om aan zee wat koelte te zoeken. Onder die omstandigheden trad Miss Duncan voor stoelen en banken op. Frohmann woedend over deze mislukte speculatie wilde niet toegeven, dat hij zelf de schuld hiervan droeg door eigenzinnig in deze hondsdagen met onze tournée te beginnen. Men maakte nauwelijks 1000 dollar gemiddeld per dag, wat gegeven de ontzaglijke onkosten—in Amerika zijn èn de huur, de publiciteit, de orkestleden èn overige employés wel vijf maal zoo duur als in Europa—geen geringe tegenvaller was. Ons "deficit" werd dan ook bij den dag grooter. Wij trekken naar Ontario, bezoeken Philadelphia en Boston, doch de ondragelijke hitte neemt niets af en het resultaat is al even bedroevend, niettegenstaande Miss Duncan, die nu zonder haar leerlingen reist, steeds op een artistiek succès kan bogen.

Ontmoedigd toont Frohmann zich thans een volbloed Yankee. "It is a failure, I made a mistake," dus stop gezet met verdere reclame, de zaak is nu eenmaal toch verloren. Elken avond wordt het aantal orkestleden ingekort. Per contract had ik recht op twee en dertig, weldra blijven er slechts vijftien over en of ik al reclameer, het helpt geen zier. Mr. Frohmann blijft onzichtbaar en zijn "manager" Mr. Hayman mompelt bij elke nieuwe reclamatie kort af: "Go to hell!" .... Wanneer hij goed geluimd is, geeft hij mij den raad het contract eenvoudig te verbreken en naar Europa terug te keeren. Eindelijk komen we te Buffalo aan. In het geheel zijn er nu nog maar zeven orkestleden aanwezig. Om de orkestruimte aan te vullen, had men notabene! wat kerels van de straat genomen, die van hun leven misschien nog geen instrument in handen hadden gehad. Op zoo'n manier moest ik het bijltje er wel bij neer leggen om de reputatie van Miss Duncan er niet verder aan te wagen en haar voor een eventueel echec te vrijwaren. Dies zocht ik voor de zooveelste maal Mr. Hayman op en verklaarde de tournée verder op te zullen geven, op voorwaarde, dat de terugreis naar Europa van Miss Duncan en mijn personeel op kosten van Charles Frohmann zou geschieden, hetgeen hij aannam.

Te New-York teruggekeerd besloot ik met het symphonie orkest van Walter Damrosch één enkele buitengewone matinée in het "Metropolitan-Opera-House" te geven. Nauwelijks zijn de affiches aangeplakt of het bespreekbureau wordt bestormd, het deftige publiek is inmiddels van hun buitenverblijven teruggekeerd en ik was de eerste die daar nu partij van trok. In plaats van een schamele duizend dollar, die wij onder leiding van den ondervoorzitter der Amerikaansche tooneeltrust hadden geind, maakte deze matinée wel zeven maal zooveel en Miss Duncan heeft bovendien een overweldigend succès.

Deze eerste matinée wordt dan ook door zes andere gevolgd en de ontvangsten wisselen tusschen de 35 à 40 duizend francs. Opnieuw bezoek ik nu Boston, Chicago, Philadelphia. Overal waar wij eerst zoo'n financieelen pech hadden, stroomt nu het geld binnen, zoodat Miss Duncan aan het einde van haar kunstreis niet minder dan vier honderd duizend francs overhield.

Groote ergernis van Frohmann, die zich zoozeer in zijn "flair" bedrogen had. Hij was echter nog niet van mij af, daar hij geweigerd had de kosten van de terugreis te dragen en ik een ander contract voor een aantal voorstellingen door Mimi Aguglia en haar Siciliaansch gezelschap te New-York met Frohmann loopende had. Ik telegrafeer aan mijn secretaris, dat hij voorloopig maar niet op het betwiste bedrag moet aandringen en dat ik zelf bij mijn komst te New-York het wel zal komen regelen.

Ik had echter al even weinig succes als mijn secretaris en daar ik niet van plan was Frohmann ongeveer vijf duizend francs te schenken, besloot ik een advocaat te raadplegen, die mij een procès ten zeerste afried. Primo zou mij dit een schep geld kosten en secundo zou het zeer twijfelachtig zijn of ik op den langen duur iets van Frohmann los kreeg. Toen kwam ik plotseling op het volgend denkbeeld. Frohmann logeerde in het zelfde hotel Astor. Ik verzocht hem om een onderhoud, dat hij mij terstond verleende, daar hij op 't punt stond naar Chicago te reizen.

—Waarde Vriend, neem me niet kwalijk, dat ik je kom derangeeren, maar ik reken er op, dat je me uit de verlegenheid redt. Ik heb mijn gezelschap te betalen en ben op 't oogenblik zonder voldoende contanten.

Om geld te laten overkomen, zelfs per telegram gaan minstens drie dagen heen, kun je me niet een zes duizend francs leenen?

—"All right" en meteen teekende hij een cheque van twaalf honderd dollar. Den volgenden dag ontving hij onderstaanden aangeteekenden brief.

Waarde Vriend. Je hebt me gisteren zes duizend francs geleend. Daar ik evenwel een vijf duizend te vorderen heb voor de onkosten der terugreis van Miss Duncan, zal ik het resteerende tot je beschikking houden en daarmee zijn we dan quitte. Met handdruk,

Jos. J. Schürmann.

De beroemde manager mag bij zich zelf gevloekt hebben. Ik was op de "Provence" toen hij mijn brief ontving en goed en wel met zijn cheque op weg naar Frankrijk. Hij hield zich evenwel niet voor geslagen en eischte bij mijn terugkeer te Parijs het geld op. Dit was juist wat ik op het oog had. Onze kwestie te laten uitvechten voor het Fransche gerecht. Het procès kwam voor het "Tribunal de commerce" en Frohmann werd voor het verschuldigde bedrag veroordeeld plus de kosten. Het bedrag van zijn cheque was hiermee terugbetaald en ik had over mijn machtigen tegenstander gezegevierd.

"Tournées" door Amerika zijn voor impresario's steeds een gevaarlijke onderneming, vooral tooneelvoorstellingen in een vreemde taal. Men kan de dwaaste stukken met de onbeteekenendste artisten in het Engelsch vertoonen en geld maken, doch komt er een Fransch of Italiaansch gezelschap met aan het hoofd een ster van den eersten rang naar de Vereenigde Staten, dan heeft men veel kans niet eens de kosten goed te maken.

Réjane, Mounet-Sully, Novelli, Mimi Aguglia speelden daar vaak voor stoelen en banken, alleen Sarah Bernhardt en Eleonora Duse, de eerste nog meer dan de tweede, hebben er steeds het grootste succès gehad. Men kwam niet om te oordeelen of om haar spel, doch alleen en uitsluitend om te kunnen zeggen: "We hebben haar gezien!"

Niettegenstaande de opwekkende kranten artikelen en een uitstekend geschreven kroniek van Allan Dale, den Sarcey van New-York, een uitgebreide publiciteit in de "New York Herald", die meer dan vijftien portretten van Mimi Aguglia in verschillende rollen opnam, maakten we ternauwernood een half volle zaal, terwijl ik bovendien een groot electrisch reclamebord boven den Broadway Schouwburg had laten plaatsen: "De beroemde Mimi en haar Siciliaansche artisten." Toch telt New York meer dan vier honderd duizend Italianen, waaronder een honderd duizend Siciliërs.

Réjane deelde in het zelfde lot. Bij Mounet-Sully was het nog slimmer. Men weigerde zelfs van de vrijbilletten gebruik te maken.

Iemand, die mij een dienst had bewezen en wien ik een entrée aanbood, was er niet het minst op gesteld.

—Ik versta hem niet. Ik neem best aan, dat hij één der eerste artiesten is, dat vertellen mij reeds de kranten, maar om den geheelen avond klanken te hooren, die ik niet versta, dank je wel!

Er viel niets tegen in te brengen..... Met uitzondering van opera's maakt men in Amerika gewoonlijk geen recettes, tenzij in de taal van het land.

English for ever!


Suzanne Desprès.

Een groote, zeer groote tooneelspeelster, met begrip van haar kunst. Zij weet zich in elke rol geheel in te leven en beschikt behalve over vele natuurlijke gaven over een zeer persoonlijk talent.

Niettegenstaande haar talrijke successen, zoowel in de "Comédie Française", het "Odéon", de "Vaudeville" als in het "Théâtre Antoine" is het haar toch nooit mogen gelukken de ster van een vast gezelschap te worden of een duurzame plaats in het hart der Parijzenaars in te nemen. Met evenveel aanleg als Mmes Bartet, Segond-Wéber en Réjane wordt Suzanne Desprès te Parijs slechts voor bepaalde rollen geëngageerd.

Ook in haar vertolking van Racine's "Phèdre" heeft zij bewijs gegeven van haar goed begrip en van een persoonlijke opvatting, toch mist zij zoo goed als alles voor een klassieke stijlvolle uitbeelding.

Overtuigd dat haar talent in Duitschland gewaardeerd zou worden, engageerde ik haar voor één mijner tournées door de Bondstaten. Ik vergiste mij niet, want haar succes nam toe, waar zij ook optrad. In het eerst waren de Duitschers eenigszins verbaasd een Parijsche actrice te zien spelen, met zoo weinig "mondaine elegance". Daarna verheugden zij zich, dat haar spel zoo frappant op dat van hun eigen geliefde tooneelspeelsters geleek. Een bekend kritikus van één der Berlijnsche bladen schreef: Deze Parisienne had even goed aan de Spree geboren kunnen zijn!

Wat vooràl in Suzanne Desprès aantrekt, is haar vroolijk humeur, niettegenstaande haar uiterlijk iets melankolieks over zich heeft. Zij is bovendien een onderhoudende reismakker, die niet spoedig tegen vermoeienis opziet. Bevriend met en bezorgd voor haar reisgenooten, leeft zij met hen op voet van gelijkheid zonder zich op haar "étoile en vedette" ook maar het minst te laten voorstaan. Dochter van een treinmachinist van den Oosterspoorweg is zij een echte Parijsche "gamine" gebleven, voelt zich daarbij in elke omgeving thuis en op haar gemak. Haar aangeboren "esprit" van kind uit het volk zonder school en opleiding verlaat haar nooit, terwijl zij haar kennis door energie en eigen studie verworven heeft. Openhartig en zonder omwegen komt zij steeds voor haar meening uit en wie haar heeft leeren kennen zooals ik, weet dat er steeds staat op haar te maken valt. Vandaar dat ik aan Suzanne Desprès mijn beste herinneringen bewaar.

Nadat mijn bewerking van Björnson's "Faillissement" in het Théâter-Antoine was opgevoerd, wist ik haar ook voor Ibsen te winnen.

Door haar vertolking van "Nora" heeft zij veel tot de bekendheid met de Scandinavische tooneel-literatuur te Parijs bijgedragen. Haar vertolking van "Nora" toont over het geheel overeenkomst met die van Eleonora Duse en staat dan ook zeer hoog.

Met de "Roode Toga" van Brieux begonnen wij onze tournée in het Schauspielhaus te Dresden. Haar Yanetta werd om strijd geprezen.

Den volgenden avond had zij een even groot succès met "Le Détour" van Bernstein (hier te lande bekend onder de titel "Langs een Omweg"), hoewel de zaal toen minder goed bezet was.

Van Dresden begaven wij ons naar Praag, waar wij oorspronkelijk "Nora" zouden geven. De vrouw van den directeur van het Stadt-theater had deze rol hier reeds verscheidene malen gespeeld en verzette zich tegen de opvoering. Daarom waren wij genoodzaakt "Le Détour" aan te kondigen. Van Praag reisden wij naar Dresden, waar Suzanne Desprès in het Opernhaus optrad om vervolgens te Hamburg een serie voorstellingen te geven in het Thalia Théâter van "La Robe Rouge", "Nora", "La Fille Elise", "Poil de Carotte" en "Denise".

Dank zij mijn persoonlijke relaties gelukte het mij om bij de eerste voorstelling te Berlijn in het "Neues Theater" het bezoek van den Keizer te kunnen aankondigen. De affiches werden met den keizerlijken adelaar bedrukt, benevens de speciale vermelding: Auf allerhöchstes Befehl. Tegen mijn verwachting had de keizer te kennen gegeven een klassieke voorstelling te willen bijwonen en daartoe werd Racine's "Phèdre" uitgekozen.

Zooals ik dat voorzien had, was deze vertooning lang niet vlekkeloos.

De Keizer ontbood mij in zijn loge, onderhield zich een tijdlang met mij over de vertolking van dit meesterwerk, waarop hij slechts tegen had: het vulgaire, weinig waardige van het gegeven.

Ik verzocht toen Zijn Majesteit een andere voorstelling bij te wonen van een modern stuk om zich een definitieve meening aangaande Suzanne Desprès en haar gezelschap te vormen. De keizer besloot "La Robe rouge", dat vijf dagen later vertoond zou worden te komen zien, waarin volgens mijn meening Suzanne zich van haar beste zijde deed kennen. Niettegenstaande het geringe succès van "Phèdre", maakten we volle zalen met "Nora," "Le Détour" en met "L'Ainée" van Jules Lemaître. Met "La Gioconda" van d'Annunzio werd slechts twee duizend francs gemaakt. Iedereen wilde de herinnering aan Eleonora Duse onaangetast laten, die in deze rol te Berlijn haar grootste triumphen had gevierd. Overigens was de tegenwoordigheid van den Keizer bij de eerste voorstelling voldoende geweest om den schouwburg te vullen. Evenals te Londen beschouwt men te Berlijn het als een hulde aan het vorstenhuis om zich bij zulk een vertooning te gaan amuseeren of ... vervelen, wanneer het hoofd van Staat den schouwburg met zijn bezoek vereert.

Den zesden dag van ons verblijf te Berlijn gaven wij "La Robe Rouge" wederom op "hoog bevel." De keizer verscheen op de minuut van het aangegeven uur af, vergezeld van de keizerin, de kroonprins en -prinses, prins Eitel-Friedrich en de geheele hofhouding in gala. Ditmaal viel er op de voorstelling niets te zeggen. Suzanne Desprès overtrof zich zelf en speelde met een vuur, een bezieling, die iedereen onder haar suggestie bracht. De keizer was er zeer over voldaan en verzocht mij Suzanne Desprès aan hem voor te stellen. Ik ging haar terstond opzoeken.

—Suzanne, de keizer ontbiedt je om je te complimenteeren. Ik kom je op zijn verzoek halen. Ga vlug mee.

—De keizer? Moet ik gaan?

—Natuurlijk, vraag je dat nog?

—Ja wel, maar ik heb nog nooit met een vorst gesproken. Ik weet niet hoe ik mij voor moet stellen, hem begroeten, noch wat ik zeggen moet.

—Toon je gewoon zooals je altijd bent en antwoordt hem, zooals je een gewoon sterveling zoudt antwoorden. Wees je zelf, dat lukt steeds het best.

Niet weinig ontroerd neemt zij mijn arm en ik begeleid haar naar de keizerlijke loge.

De keizer wacht haar op, loopt haar tegemoet en zegt haar, terwijl hij haar de hand reikt.

—Mevrouw, U hebt uw rol verrukkelijk gespeeld, als een groot artiest. Ik mocht haar reeds van Mme Réjane eenmaal bijwonen. Ook de keizerin is sterk onder den indruk en verheugt zich over het succes, dat u zoo waardig verdiend hebt.

Daarop onderhield zich de keizer nog een tijdlang over de verschillende groote Parijsche artiesten, die hij reeds gezien had en die hij zeer bewondert, over litteratuur en over tooneel, waarbij hij het betreurde, dat in den laatsten tijd de stukken zoo vulgair werden.

—Wat een volk noodig heeft zijn edele en verheven gevoelens. Het dagelijksch leven is reeds genoegzaam plat en weinig verheffend om dat nog eens opnieuw op de planken gade te slaan. Ik houd dààrom zoo van uw klassieken, omdat zij verheven gevoelens bij ons opwekken, omdat zij den goeden smaak bevorderen en tot daden van zelfopoffering en moed prikkelen. Het is mij steeds zeer aangenaam, wanneer uw artiesten mijn hoofdstad bezoeken en mijn volk met die werken in kennis brengen, die uw litteratuur tot eer strekken. Men zal hier nooit genoeg Corneille en Racine bewonderen en ik voel mij gelukkig tot hun succes door mijn tegenwoordigheid en belangstelling bij te dragen.

Na deze voor Frankrijk vleiende bekentenis sprak de keizer nog enkele minuten over eenige boulevard-artiesten, die hij had zien spelen en schepte veel vermaak in de antwoorden van Suzanne, die zonder op de etikette acht te slaan, meedeelde hoe zij over hen dacht.

Om de pauze niet langer te rekken, stak de keizer haar opnieuw de hand toe, waarna Suzanne boog en heen ging.

Bij dit onderhoud viel er bij den keizer weinig te bemerken van de militaire stramheid, waaraan de talrijke photo's doen denken. Integendeel, hij lijkt dan veel meer op een vriendelijk, gemoedelijk heer, die zich vroolijk en toeschietelijk toont. Zijn doordringende blauwe oogen lachen u toe, terwijl hij bovendien vloeiend Fransch spreekt zonder accent, hetgeen van het meerendeel zijner landgenooten nu juist niet gezegd kan worden.

De Fransche artiesten hebben steeds bij hem een streepje voor gehad. Sarah Bernhardt, Coquelin, Aîné en Cadet en ook Réjane kunnen hier trouwens over mee spreken.

Na de voorstelling van "Nora" en "Poil de Carotte", bij ons onder den titel "Peenhaar" vertoond, werd Suzanne Desprès te Berlijn uitbundig toegejuicht en in haar loge door verschillende bewonderaars gecomplimenteerd. Onder hen bevond zich een dame, die haar geestdrift nauwelijks bedwingen kon, waarvoor Suzanne Desprès, als elke artiest, zeer gevoelig bleek en haar geroerd bedankte.

Deze dame nam haar een oogenblik terzijde en vroeg toen zacht:

—Nu wij toch eenmaal kennis gemaakt hebben en u mijn bewondering voor uw talent weet, moet u mij eens verklaren, waarom u u in het laatste bedrijf van "Nora" als jongen verkleedt en nog wel één met peenhaar?

De kunstzinnige dame had namelijk "Poil de Carotte" als het vierde bedrijf van "Nora" opgevat.

De désillusie van Suzanne Desprès laat zich na zoo'n vraag begrijpen, hoewel zij er bij zich zelf toch om lachen moest.


Elena Sanz.

In het voorjaar van 1890 kreeg ik op een goeden dag bezoek van Elena Sanz, de beroemde Spaansche zangeres, die na langen tijd de aangebeden ster van den Koninklijken Schouwburg te Madrid te zijn geweest, het tooneel van haar triumphen had vaarwel gezegd, om zich geheel aan het geluk van haar koninklijken minnaar Alphonse XII te wijden.

Twee kinderen, Alphonso en Fernando, die sprekend op hun vader geleken, waren het gevolg van deze intieme verhouding en Elena had zich jaren lang met volle liefde aan de opvoeding dezer prinsjes gegeven, tot zij tot flinke jongens waren opgegroeid. Iedereen meende dan ook dat zij voor goed van het tooneel afscheid had genomen, doch plotseling kreeg het verlangen naar de planken weer de overhand; zij meende dat zij zich slechts opnieuw in het publiek te vertoonen had, om haar vroegere successen wederom deelachtig te worden. Zij zag niet in of wilde niet begrijpen, dat deze jaren van rust, haar lichaamsomvang hadden doen toenemen. Van haar vroegere schoonheid had zij alleen haar mooie, uitdrukkingsvolle oogen behouden en wat haar stem betrof, de bekoring was grootendeels verdwenen, al klonk ze nog zuiver.

Ik gevoelde weinig lust met haar een "tournée" te beginnen, overtuigd, dat wij in plaats van een succes eerder fiasco zouden maken, hetgeen ik haar openlijk meedeelde.

—U wil dus niet? U vergeet, meneer Schürmann, dat behalve mijn stem ik nog een andere attractie op het publiek heb. Ik ben immers een halve koningin.

—Mevrouw, het spijt me, mijn seizoen is zoo goed als bezet en het is te laat om nu nog de noodige schouwburgen te kunnen huren.

—Ook niet, wanneer ik de kosten op mij neem?

—Ik wil u niet gaarne aan een verlies blootstellen.

—Dat gaat mij alleen aan. Ik wil alle uitgaven dragen. Of er winst of verlies wordt gemaakt, behoeft u u niet aan te trekken. U maakt de route voor mij in orde, huurt voor mijn rekening de zalen en zorgt voor de noodige reclame, zooals u dat verstaat en gewoon zijt. Ik reken hier op en geef u voor uw arbeid en tijdverlies tien duizend francs.

Moeilijk kon ik langer bezwaren maken en nam tegen wil en dank haar voorstel aan. Mme Sanz gaf mij bovendien een bedrag van vijf duizend francs om de eerste kosten te dekken. Zij had een uitsluitend Spaansch schouwspel gecombineerd, dat zij "Noches de Espana" noemde. Twee en dertig danseressen van Cadix en Malaga in nationaal costuum van de provincies van Spanje zouden de Malagenas, Peterenas, Habaneras vertoonen, die later door de bekende Otero en andere beroemde danseressen over de geheele wereld gedanst zijn, maar toen voor de meesten nog gloednieuw. Zij zelf zou in de "entre acten" liederen uit "Carmen" en "Orpheus" ten beste geven met medewerking van den bariton Lauwers, een Belg, die op de Colonne-concerten reeds met groot succes was opgetreden.

Zij bouwde minder op haar vroeger succes dan wel op de bekendheid van haar relatie tot den koning bij het buitenlandsch publiek, dat zeker niet de gelegenheid zou laten voorbijgaan de maitresse van een regeerend vorst van nabij te zien. Zij rekende er verder heimelijk op overal met groote onderscheiding ontvangen te worden en nam daarom ook haar twee jongens mee, die met hun gouverneur elken avond de voorstelling zouden bijwonen.

Al mijn bezwaren hadden op haar geen uitwerking. Zij had zich dit nu eenmaal voorgenomen en ik was niet in staat haar die verwachtingen uit het hoofd te praten. Zij droeg mij zelfs op er voor te willen zorgen, dat de verschillende autoriteiten haar waardig zouden kunnen ontvangen.

Behalve een tiental schouwburgen in Duitschland en Oostenrijk, had ik te Amsterdam, den Haag en Rotterdam eveneens een zaal weten te huren. Om mijn goed betalende zangeres tot vriend te houden had ik mijn broeder te Amsterdam geschreven op de een of andere manier haar een waardige ontvangst te bereiden, na hem haar "idée-fixe" in kleuren en geuren te hebben meegedeeld.

Hij antwoordde mij: Wees gerust, zij zal haar zin hebben, hoe blijft een verrassing.

Onze trein komt in Amsterdam aan. Op het perron staat mijn broeder met een deftig in het zwart gekleed heer, een veelkleurig lintje in zijn knoopsgat, ons op te wachten.

Ik kijk dien heer oplettend aan en herken in hem mijn ouden vriend Canter, eigenaar van een heerenconfectiezaak hier ter stede. Mijn broer wenkt mij niets te laten merken, nadert Elena Sanz, en haar zijn metgezel voorstellend:

—Veroorloof mij, mevrouw u aan Zijn Excellentie, den minister van Schoone Kunsten voor te stellen, die namens onze regeering u komt verwelkomen.

De meneer drukt een kus op Elena's vleezige hand en steekt zijn van buiten geleerde speech af.

Elena, ten zeerste voldaan noodigt hem uit haar naar haar hotel te volgen, terwijl mijn broer en ik ons uit de voeten maken.

—Ben jij van Lotje getikt om zoo iets te durven uithalen. Als zij nu verneemt, dat wij in Holland niet eens een minister van Schoone Kunsten rijk zijn?

Mijn broeder antwoordt doodleuk: Dit plannetje leek mij het eenvoudigst, morgen is zij weer vertrokken en onze vriend Canter zal vandaag wel in zijn rol weten te blijven.

Dat deed onze "minister", alsof het zijn dagelijksch werk was. Den geheelen dag liet hij haar geen oogenblik in den steek en volgde haar als 'r schaduw. Hij nam haar uitnoodiging, om samen te dineeren aan en verliet haar eerst bij den artiesten-ingang onder belofte in de pauze haar nogmaals te komen bezoeken. Tot groote verwondering van Elena Sanz verscheen hij echter niet meer en toen zij naar verschillende kanten vroeg, waar de minister van Schoone Kunsten bleef, keek men haar wel verwonderd aan, doch bleef haar het antwoord schuldig. Canter beangst, dat deze mystificatie zou uitlekken had 'm stil geknepen. Z'n taak was trouwens geeindigd.

Den volgenden dag moesten wij naar den Haag. Wie beschrijft de verbazing van Elena, toen zij de Kalverstraat doorrijdend om zich naar het station te begeven aan de deur van zijn magazijn onzen "minister" herkende, bezig een boertje een jas aan te praten.

Zou zij toen reeds iets vermoed hebben, of zou zij alleen verrast zijn geweest over zoo'n sprekende "gelijkenis"?


Te Weenen was Elena Sanz op het dwaze denkbeeld gekomen om op het oogenblik dat de voorstelling zou aanvangen en iedereen zijn plaats reeds had ingenomen, haar twee jongens in korten broek met zijden kousen, en claque onder den arm, voorafgegaan door twee gepoederde lakeien en gevolgd door hun gouverneur naar de zaal te zenden, die onder groote nieuwsgierigheid en gelach van de toeschouwers hun gereserveerde plaatsen gingen innemen. De verschijning van Elena Sanz lokte eveneens een spottend lachen uit. Men maakte luide aanmerkingen op den smaak van den afwezigen monarch, die eenmaal voor de thans zoo welgedane zangeres gegloeid had en wiens nakomelingsschap thans in het publiek vertoond werd.

Toen werd het Elena Sanz eerst recht duidelijk, dat zij eerder naar mijn raad had moeten luisteren en aan deze dwaze vertooning, die niets artistieks had, een einde te maken. Zij zag van de verdere "tournée" liever af, trok zich terug op haar buitenverblijf te Billancourt, waar zij tot haar dood is voortgegaan met als rouwende vorstin te midden van een hofhouding van gepatenteerde klaploopers te leven, die haar kinderen met "Hoogheid" aanspraken in ruil voor een diner of een goudstuk. De arme vrouw, die overigens een goed karakter had, meende steeds door de wettige koningin van Spanje te kort gedaan te worden en bij het overlijden van Alphonse XII eischte zij voor haar kinderen titel en fortuin op, welke haar bij gerechtelijke uitspraak voor goed geweigerd werden.