WeRead Powered by ReaderPub
Achter de schermen cover

Achter de schermen

Chapter 4: Sarah Bernhardt.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

An impresario recounts decades of behind-the-scenes theatrical life, combining practical accounts of organizing international tours with personal anecdotes about celebrated performers, managers, and dignitaries. The narrative outlines logistical obstacles and financial risks while reflecting on the uneasy balance between artistic judgment and commercial necessity. Portraits of rehearsals, premieres, audience reactions, and professional rivalries appear alongside impressions gathered on foreign tours, offering a mosaic of collaborations, disputes, triumphs, and occasional losses that shaped a career in stage management and promotion.

The Project Gutenberg eBook of Achter de schermen

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Achter de schermen

Author: Joseph J. Schürmann

Translator: J. H. van der Hoeven

Release date: December 3, 2009 [eBook #30592]
Most recently updated: January 28, 2020

Language: Dutch

Credits: E-text prepared by André Engels and the Project Gutenberg Online Distributed Proofreading Team

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ACHTER DE SCHERMEN ***

 

E-text prepared by André Engels
and the Project Gutenberg Online Distributed Proofreading Team
(http://www.pgdp.net)

 

Opmerkingen van de bewerker

I. De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
II. Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het origineel zijn stilzwijgend gecorrigeerd.

 


 

DE MEULENHOFF-EDITIE

EEN ALGEMEENE BIBLIOTHEEK

UITGEGEVEN DOOR MEULENHOFF & Co.

IN HET JAAR MCMXV TE AMSTERDAM

JOS. J. SCHÜRMANN.

ACHTER DE SCHERMEN

BELANGRIJKE MERKWAARDIGHEDEN EN HERINNERINGEN

VAN DEN IMPRESARIO

JOS. J. SCHÜRMANN

VRIJ BEWERKT NAAR HET FRANSCH

door J. H. v. d. HOEVEN

UITGEGEVEN DOOR MEULENHOFF & Co.

IN HET JAAR MCMXV TE AMSTERDAM

Inhoudsopgave

Jos. J. Schürmann.
Sarah Bernhardt.
Mijn betrekkingen tot Gekroonde Hoofden
Eleonora Duse.
André Antoine.

BEROEMDE TENORS.

Gayarré.
Tamagno.
Ernesto Nicolini.
Roberto Stagno.
Angelo Massini.
Enrico Caruso.
Paoli.
Jeanne Granier.
Paderewski.
Jan Kubelik.
Christine Nilson.
Felia Litvinne.
Charles Lamoureux.
Isadora Duncan.
Suzanne Desprès.
Elena Sanz.

SOUVENIRS.

Paul Verlaine.
Maurice Barrès.
Mme Segond-Wéber.
Sacha Guitry.
Maurice Maeterlinck.
Björnsterne Björnson.
Ibsen.
Gabriele d'Annunzio.
Osman Pacha.
Anna Judic.
Amerikaansche Indrukken.
Louis Bouwmeester.
Reisherinnering aan Havana.
Charles Lebargy.

EEN NIEUWE ONDERNEMING


Jos. J. Schürmann.

Hoewel uit de bladzijden, die volgen reeds ondubbelzinnig blijkt wie en wat Joseph Schürmann als impresario is en beteekent, wil ik enkele bijzonderheden hier toch aan toe voegen.

Hij zelf beweert, dat het ras der groote impresarii tegenwoordig aan het uitsterven is. Van zelf komt de vraag bij ons op: Wat is een groot impresario? Een zakenman of meer een artistiek mensch? In hoofdzaak beiden te gelijk, al gaat het geldverdienen steeds vóór. Bovenal moet hij iemand zijn met den noodigen speurzin, die zijn kracht zoekt in reclame en weet wat bij het publiek in verschillende landen gewild is, kortom iemand die van aanpakken en volhouden weet.

Dit alles lijkt veel gemakkelijker op papier dan het in de praktijk uitkomt. De gebeurtenissen hier vermeld zijn daar het bewijs van, al is de inhoud door den auteur met de noodige saus toebereid om alles aantrekkelijk en smakelijk te maken.

Joseph Schürmann heeft thans als impresario reeds een vijf- en dertigjarige ervaring achter den rug. Rotterdammer van geboorte, waar hij 2 April 1857 het levenslicht zag, woont hij, wanneer hij natuurlijk niet "en tournée" is, sedert 1880 te Parijs of daarbuiten, zoodat hij in smaak en manieren zoo goed als "verfranscht" is. Van jongs af behoorde zijn hart aan het tooneel. In het kleedermagazijn van zijn vader speelde hij met vriendjes na schooltijd reeds komedie en toen hij later op kostschool te Velp kwam, studeerde hij met zijn kameraden een eigen geschreven drama over het Schrikbewind in, zelf als Robespierre optredend, welken bijnaam hij bij de Velpenaren langen tijd behield.

Toen hij weer te Rotterdam in de zaak van zijn vader terugkwam, zat de drang naar het avontuurlijke te zeer bij hem in het bloed om een rechtgeaard lakenkoopman te worden. Uit zijn eigen mond mocht ik vernemen, hoe hij in den boekhandel van mijn vader, waar hij steeds in de nieuwste Fransche romans stond te snuffelen, kennis maakte met Ed. Douwes Dekker (Multatuli), met Domela Nieuwenhuis en hier vaak Louis Bouwmeester ontmoette, voor wiens gezelschap hij tooneelstukken van het Fransch in het Nederlandsch omwerkte, waarvoor hij vrijen toegang tot den schouwburg kreeg.

In die jaren stelde zijn vader hem tot chef aan van een filiaal te Amsterdam. Hier besteedde hij den meesten tijd wederom aan het schrijven voor tooneel. In 1878 nam het "Nederl. Tooneel" zelfs een stuk van hem, getiteld "Gabrielle" aan, dat bij de opvoering echter niet in den smaak viel. Gelijktijdig vertoonde een Fransch gezelschap van Réné en Chamonin in het Grand-Théâter in de Amstelstraat zijn tooneelspel in 3 bedrijven "Josepha", dat Schürmann aan Alexandre Dumas fils had opgedragen en waarvan hij hem een exemplaar had doen toekomen.

Dumas schreef hem toen terug: "J'accepte avec le plus grand plaisir votre dédicace et je vous souhaite le plus grand succès."

De roep over Sarah Bernhardt te Parijs was tot Holland doorgedrongen. Op voorstel van den heer Abraham van Lier zou Joseph Schürmann de groote ster trachten over te halen eenige voorstellingen in onze Amstelstad te komen geven. Dit gelukte hem en van nu af was hij voor den lakenhandel verloren, hij liet Sarah niet meer los. Toen zij dan ook met den Engelschen impresario Jarrett een contract afsloot voor een "tournée" door de Vereenigde Staten, maakte Schürmann de reis mee als secretaris-journalist. De grondsteen was gelegd. Schürmann besloot voor eigen rekening met groote artiesten op reis te gaan en zich als "impresario" te Parijs te vestigen.

Natuurlijk vergat hij zijn geboorteland niet, want bij het arrangeeren van zijn "tournées" kreeg Holland steeds een eereplaats, hoewel hij er financieel bij ons nooit sterk op vooruit ging.

De sterren, die hij o.a. hier te land geintroduceerd heeft zijn behalve Sarah Bernhardt in 1881 en 82, Mme Favart, Anna Judic, Céline Chaumont, Antoine met zijn "Théâtre Libre" (1892-93.), Mmes Segond-Wéber, Eleonora Duse, Agnes Sorma, Mlle Moréno, het théâter Maeterlinck, het orkest van Lamoureux en in de laatste jaren het thans ontbonden "Neues Schauspielhaus" van Berlijn.

Sterren als Adelina Patti, die hem tien duizend francs per voorstelling kostten, pianisten als Rubinstein en Paderewski waren voor Holland te kostbaar en moesten hier uit een financieel oogpunt fiasco maken. Schürmann, die meestal met kunstenaars en kunstenaressen van den eersten rang op reis gaat, is van zelf op de groote wereldkunstcentra aangewezen. Hier heeft hij vele vorsten en dignitarissen ontmoet, waarvan hij zoo pittig weet te verhalen. De meeste gegevens zijn door mij dan ook ontleend aan zijn "Les Etoiles en voyage", "Une Tournée en Amérique", en enkele Fransche kunstbladen, waaraan Schürmann nu en dan meewerkt. De grootste eer, die hij onze kunst en ons land heeft aangedaan: Door zijn toedoen heeft Louis Bouwmeester met de leden van het Nederl. Tooneel enkele tooneelen uit "De Koopman van Venetië" te Parijs in het Théâter Français kunnen vertoonen, in een taal, die nog nimmer op de planken van het "Huis van Moliere" weerklonken had.

Het zij Schürmann vergund nog vele celebriteiten aan de reeds respectabele serie artiesten toe te voegen en over hun wel en wee nog veel interessants mee te deelen.


Sarah Bernhardt.

In 1881 had iedereen den mond vol over Sarah Bernhardt, haar "gouden stem" en vooral over haar buitenissigheden. Sarah Bernhardt, luchtreizigster; Sarah Bernhardt, beeldhouwster, Sarah Bernhardt, schilderes. Haar spreekwoordelijke magerte, haar bloed opgeven, haar contractbreuk met het Théâter-Français, de doodkist, waarin zij sliep, leverden stof tot sensatie artikelen aan al de dagbladen van de wereld.

Haar naam had toen reeds een wereldreputatie, iedereen wist over haar steeds iets nieuws op te disschen.

Chef in één der magazijnen van mijn ouders, een dol liefhebber van tooneel en Fransche litteratuur, ontkwam ook ik niet aan de algemeene "rage" en ik kende slechts één verlangen: Sarah te spreken te krijgen! Ik putte mij uit hoe en op welke manier mij dit zou gelukken en kwam tenslotte tot de conclusie, dat de eenige praktische oplossing daarin bestond, haar te Parijs te gaan opzoeken en haar trachten over te halen eenige voorstellingen te Amsterdam te komen geven.

Op goeden voet verkeerend met den ouden heer van Lier, directeur van het Grand-Théâter, bespraken wij dit plan en ook hij hechtte zijn goedkeuring er aan, zoodat ik mij terstond gereed maakte naar Parijs te trekken, waar ik mij verstond met Boucher, den sociétaire van de "Comédie Française" die het monopolie had voor het arrangeeren der kunstreizen, die de leden van het "Huis van Molière" in den vreemde hielden.

Zoowel toen als tegenwoordig waren de sterren van de "Comédie" op de affiches van alle groote schouwburgen in Frankrijk en België te vinden, behalve op de billetten van hun eigen théâter. Van tijd tot tijd creëerden zij een rol in een nieuw stuk, speelden in een klassiek werk of in één of ander repertoire stuk mee, voor de rest traden ze als "gast" op in de provincie, waar de bijvoeging Sociétaire van de "Comédie Française" steeds haar toovermacht op het publiek uitoefende en een grooten toeloop deed verwachten. Onder Perrin gebeurde dit al even vaak als onder de huidige administratie van Jules Claretie, en zonder twijfel zal na het heengaan van dezen eminenten Académicien daar evenmin verandering in komen.[1]

[1] Men weet allicht dat na Claretie's overlijden in Jan. 1914 Albert Carré zijn functie heeft overgenomen (Noot v. d. vert.)

Boucher en ik werden het spoedig eens. De kosten, het repertoire, de gage, de artiesten, die met Sarah voor de twee voorstellingen te Amsterdam zouden meekomen, alles werd per contract besproken en geregeld en er restte mij toen alleen nog de zorg de overwinning voor te bereiden, want dat haar komst voor ons beiden een overwinning zou zijn, daaraan twijfelde ik geen oogenblik.

Eindelijk is de lang verwachte dag der eerste opvoering op komst en 's morgens om zes uur was ik reeds aan de Belgische grens aanwezig om de groote actrice en haar gezelschap op te wachten.

Den vorigen avond tegen elf uur uit Parijs vertrokken, kwam Sarah doodvermoeid uit haar slaapwagen gestapt, sleepte zich naar het douanelokaal en hield telkens voor haar mond een klein batist zakdoekje, dat dan een lichtroode kleur vertoonde. Ik meende toen nog in alle ernst, dat het bloed was en kreeg eerst later de zekerheid, dat die lichtroode kleur het gevolg was van het wrijven langs haar lippen, die onder de pommade zaten.

Jaren achtereen heeft het publiek van heel de beschaafde wereld zich over haar zwakke gezondheid bezorgd gemaakt en vreesde men, dat deze tengere actrice nog eens op de planken zou sterven. Ruim veertig jaar heeft Sarah echter reeds de wereld rondgetrokken, een groot gedeelte daarvan in treinen en op stoombooten doorgebracht, de vermoeiendste rollen gespeeld, vaak tweemaal op één dag, en haar gezondheid heeft er niets van te lijden gehad. Een ander artiest zou reeds lang het bijltje er bij hebben moeten neerleggen, zelfs al deed hij de helft minder dan deze energieke, onvermoeibare vrouw.

's Middags om half één arriveerden wij aan het Centraal Station in Hollands hoofdstad. Het geheele perron stond zwart van de menschen, die getuigen hadden willen zijn van de inkomst van de beroemde Parijsche ster. Met groote moeite banen de schilder Jules Clairin, Angélo, Boucher en ik ons een doorgang om Sarah in de gelegenheid te stellen de wachtkamer te bereiken, die door de zorg van de spoorwegmaatschappij in een fraai ontvangsalon was herschapen.

De burgemeester met eenige leden van het stadsbestuur en vele afgevaardigden van artistieke genootschappen, artiesten en journalisten verdringen zich om Sarah bloemen aan te bieden en hun speechen af te steken.

Sarah krijgt hierbij een flauwtje en zakt op de canapé inéén... Groote consternatie... Het gedruisch van stemmen maakt plaats voor een doodsche stilte. Zij opent de oogen... algemeene herademing... Daarop begeeft men zich naar den voorhal. Daar wachten een landauer met vier paarden "à la daumont" bespannen en een voorrijder, witgepruikt haar op, afgestaan door den heer Carré, den welbekenden circusdirecteur van Amsterdam. Sarah neemt plaats op den achterbank, de heer van Lier en mijn persoontje tegenover haar, en onder luid gejuich rijden wij heen.

Het Stationsplein is afgezet, de schepen op het Damrak hebben de vlag in top, tot op de daken der huizen staan de menschen dicht op een gepakt, terwijl men de plaatsen voor de vensters voor grof geld verhuurd heeft. Een regeerende vorst zou op geen triomphaler intocht aanspraak hebben kunnen maken!

Ons rijtuig werd door vele landauers gevolgd en daarachter vereenigingen met hun banieren, muziek voorop. Van het Station tot vóór den schouwburg in de Amstelstraat hoorde men overal geestdriftige kreten:

Leve Sarah! Leve Sarah Bernhardt! Sarah!..

Op het balcon van het Grand-Théâter had men een orkest geplaatst en toen wij aankwamen speelde het de "Marseillaise".

Sarah richtte zich ontroerd op en riep duidelijk verstaanbaar: "Dank u!" "Dank u!"

Hoewel met Fransch accent klonken deze woorden niettemin Hollandsch. De groote artieste heeft Hollandsch gesproken! Zij heeft blijk gegeven haar afkomst niet vergeten te zijn. Het publiek raakt buiten zich zelf, men dringt op naar ons rijtuig om met de bloemen, waarmee het versierd is, zich te tooien. Men tracht Sarah bij de hand te pakken om er een kus op te drukken. In het gedrang kan men niets onderscheiden en zoo gebeurde het, dat men mijn handen kuste in de meening Sarah hulde te brengen.

Ik zal deze triomphale intocht dan ook nimmer vergeten, te meer omdat zij mijn debuut als "impresario" werd.


Gedurende de groote tournée van Sarah Bernhardt onder mijn leiding door Europa, was ik eens genoodzaakt zelf als acteur te figureeren. Gelukkig is dit malle avontuur bij deze eene maal gebleven.

We zouden te Turijn in het Scribe Théâter voor de zooveelste keer de "Dame aux Camélias" geven. Joliet, de broeder van den "pensionnaire" van de Comédie Française, die de kleine rol van den dokter in het vijfde bedrijf had te spelen, was ziek geworden en moest in het hôtel blijven.

Mme Sarah Bernhardt liet mij bij zich komen en sprak:

—Joliet is ongesteld, de geheele troep speelt in het stuk mee, er is niemand die hem vervangen kan en wij moeten die rol toch bezetten.

—Kunnen we haar niet weglaten, 't zijn maar enkele woorden?...

—Neen, dat wil ik niet, desnoods speelt U haar.

—Ik mevrouw!

—Ja zeker, U, dat blijft zoo afgesproken.

Of ik haar al uitlegde, dat ik nooit voor het publiek gespeeld had, dat ik bij de contrôle moest blijven, dat ik te veel te doen had, het hielp allemaal niets. Ze dreigde zelfs, de voorstelling uit te stellen en dien avond niet te spelen.

Twaalfduizend francs recette teruggeven, dat nooit! Ik trok daarom de stoute schoenen aan, kleedde mij in een langen jas, zette een hoogen cylinder op, liet me een peper en zout baardje plakken, zette een gouden lorgnet op en hield me gereed voor den aanvang.

Vol moed betrad ik het tooneel. Ik nader de stervende Marguérite Gauthier, vat haar hand in de mijne, zie haar aan en spreek zoo duidelijk mogelijk de enkele woorden van mijn rol: "Arme Marguérite!"

Reeds wend ik mij om, toen de smeekende stem van Sarah me terug roept.

—Dokter, ga nog niet heen!

Ik keer naar haar ziekbed terug, neem opnieuw haar pols op en roep uit: "Arme Marguérite!"

Ditmaal meen ik aan mijn plicht voldaan te hebben. Ik zet mijn hoed op, doch voel plotseling dat ik niet weg kan. Sarah heeft mij bij mijn jaspand gegrepen en roept met snikkende stem:

—Blijf toch, dokter, ga niet heen, ik smeek U er om, zeg mij alles, alles!

Wat te doen?

Het zweet staat op mijn voorhoofd, ik voel dat mijn baard zal loslaten en ik weet niets te zeggen. Toch kan ik deze malle situatie niet langer rekken uit vrees, dat het publiek zal merken, wat er gaande is.

Nog eenmaal wend ik mij om, neem Sarah's hand voor de derde maal in de mijne en roep vertwijfeld achtereen: "Arme Marguérite", "arme Marguérite!"

Den volgenden dag waren alle kranten vol lof over de groote Sarah en haar uitstekend gezelschap. Men prees echter geenszins den dokter, die door zijn malle houding het succès van deze prachtige voorstelling bijna in de waagschaal had gesteld.


Om aan het publiek der Vereenigde Staten van Amerika den inhoud der stukken te verklaren, die Sarah op haar tournée zou geven, had men vooruit een uittreksel der meesterwerken van Racine, Corneille, Dumas, Augier, Meilhac en Halévy, bedrijf per bedrijf in het Engelsch vertaald. Deze korte inhoudsverklaringen werden bij groote getale naar de verschillende schouwburgen verzonden en tegelijk met de plaatsen aan de toeschouwers afgegeven. Voor hen die het Fransch niet machtig waren, was dit een groot gemak om toch de opvoeringen te kunnen volgen.

In één dezer plaatsen, waar men voor de zooveelste maal "La Dame aux Camélias" vertoonde, die in Amerika met Camille wordt aangesproken, waaròm, weet ik niet, vond het volgende plaats. De secretaris van onze tournée had zich bij het verzenden van het pakket vergist en in plaats van de brochures van Dumas' tooneelspel, die van Racine's "Phèdre" gestuurd. De bureaulist had er evenmin acht op geslagen en ze overal uitgedeeld.

Het publiek volgde dien avond met gespannen aandacht het stuk, dat wederom een groot succes had en juichte Sarah onbedaarlijk toe. Hoe ongelooflijk het ook moge klinken, niemand had van deze vergissing van de administratie het minste gemerkt en doodkalm het droevige einde van de schoonmoeder van Hippolytus voor de liefdesroman van Marguérite Gauthier opgevat.


Mijn betrekkingen tot Gekroonde Hoofden

In December 1882 tijdens mijn "tournée" met Constant Coquelin door Europa, bevond ik mij te St. Petersburg, toen op een goeden dag generaal Richter, intendant bij Czar Alexander III zich aan mijn hôtel vervoegde met het verzoek hem naar het paleis Gatchina te willen volgen. De keizer had namelijk zijn verlangen te kennen gegeven zich persoonlijk met mij te onderhouden over het organiseeren van een voorstelling met Coquelin in zijn winterresidentie.

Bij aankomst werd ik in een zeer eenvoudig gemeubileerd vertrek gelaten, waar spoedig daarop een rijzige gestalte met hoog voorhoofd, droomenden blik, langen baard en met een burgerlijk colbertje aan mij de hand toestak. Het was de alleenheerscher over meer dan honderd zeventien millioen onderdanen in eigen persoon!... Hij presenteert mij een cigaret en ons onderhoud neemt een aanvang. In het kort deel ik hem op zijn verzoek den korten inhoud mee van de stukken, die Coquelin en zijn gezelschap op hun repertoire hebben. Tenslotte merkt de keizer op, die met gekruiste beenen, geheel op zijn gemak naar mij zat te luisteren:

—Meneer Schürmann, ik ben slecht op de hoogte met die verschillenden tooneelstukken. Ik wil liever eerst de keizerin raadplegen of nog beter, ik laat het geheel aan u over, omdat u zelf wel het best zult weten in welke rol Coquelin het meest voldoet en welk stuk ook voor de jeugd past, want ik ben er op gesteld, dat ook mijn kinderen de vertooning bijwonen.

Ik koos "Gringoire" en "Les Précieuses Ridicules" benevens enkele bescheiden monologen. In een gereserveerde loge namen de keizer plaats met rechts van hem de keizerin en links haar zoontje, de toekomstige Czar Nicolaas II in een matrozenpakje; hij was toen ongeveer veertien jaar oud. De zaal bood een schitterenden aanblik, veel uniformen, diplomaten in ambtsgewaad en de dames allen zonder uitzondering gedecolleteerd.

Zijn Majesteit betoonde zich na afloop zeer ingenomen met deze voorstelling en schonk mij een kostbaren ring als herinnering aan dit voor mij onvergetelijk feest.


Minder aangename herinneringen zijn mij van de voorstellingen te Madrid in Maart 1883 bij gebleven. Ik had voor de tournée met Mme Favart van de "Comedie Française" het "Apollo Theâter" gepacht, toen ik bij aankomst vernam, dat de directeur Rocco er met niet minder dan twee en dertig duizend francs van door was gegaan, welk bedrag voor de serie voorstellingen door de high-life in Madrid aan plaatsen genomen was. Wat te doen? De opvoeringen moesten plaats vinden, want ik was deze tournée op eigen risico begonnen. Er schoot mij niets anders over dan vóór den aanvang het publiek van het gebeurde in kennis te stellen.

—Dames en Heeren. Hoewel het bedrag van de genomen abonnementen mij ontvreemd is geworden, voel ik mij verplicht de geleden schade niet op u te verhalen en zullen de aangekondigde voorstellingen gehandhaafd blijven.

Een luid applaus begroette deze woorden en nauwelijks was het eerste bedrijf ten einde of er werd mij verzocht in de loge van den koning te verschijnen. Alphons XII betuigde mij zijn leedwezen met het gebeurde en merkte lachend op, dat dit wel de eerste maal was, dat een impresario door een directeur bedrogen werd, want meestal had het omgekeerde plaats. "Tout est perdu fors l'honneur" heeft reeds één uwer koningen gezegd, laat dit u een troost zijn. Hierop ontdeed zijn Majesteit zich van zijn roset der orde van Isabella de Katholieke en stak ze in mijn knoopsgat.

Het stuk, we speelden "Serge Panine", had den koning maar matig voldaan. Hij beloofde mij echter ook de volgende avonden in den schouwburg te zullen komen. Door Zijn tegenwoordigheid kwam het publiek in grooten getale op, zoodat ik gedeeltelijk weer aan mijn kosten kwam.

Het volgende jaar bezocht de koning op zijn terugreis van Berlijn, waar Wilhelm I hem tot kolonel van een Uhlanen regiment had benoemd, Parijs.

De houding van de Parijzenaars was ditmaal alles behalve vriendelijk. Bij zijn rit van de Gare du Nord door de Rue Lafayette werd zelfs gefluit en gesis waargenomen en het was den koning aan te zien, dat hij zijn politieke verplichtingen verwenschte, die hem ditmaal aan zoo'n onheusche ontvangst blootstelden. Ook ik bevond mij onder de menigte en kon mij bij het hooren van dit gefluit en gesis niet weerhouden "Vive le roi!" te roepen. De koning wendde zich om, scheen mij te herkennen, want een vluchtige glimlach bedankte mij voor mijn moed.

Dat hier moed toe noodig was, bleek mij uit den geweldigen vuistslag die mijn hoogen hoed ver over mijn ooren deed zakken en aan mijn gescheurde en gehavende kleeren.

Toen ik kort daarop Anna Judic naar Madrid begeleidde, waar zij in het Zarzuela-theater als "Mam'zelle Nitouche" optrad, werd ik wederom bij den koning ontboden, die mij terstond de hand toestak.

—Waarde Schürmann, ik dank u voor uw enthousiasten groet in de Rue Lafayette.

—Hoezoo Sire, bent u dat nog niet vergeten?

—Dat kon moeilijk, want u waart de eenige, die mij toen dorst verwelkomen.


Met den voorlaatsten monarch van Portugal beleefde ik een komisch avontuur. Don Luiz was een dol liefhebber van muziek, d.w.z. van zijn eigen spel. Om mij daar een proef van te geven, noodigde zijn Majesteit mij ten paleize, na mij eerst gevraagd te hebben of ik een muziekkenner was.

Op het afgesproken uur liet ik mij aandienen. Hoe groot was evenwel mijn verwondering en spoedig daarop mijn verveling, toen ik een uur lang geheel alleen het gekras op een violoncel moest aanhooren, waarop zijn koninklijke Hoogheid mij meende te vergasten.

—Nu wat zegt u er van, luidde eindelijk zijn vraag.

—Sire, antwoordde ik onomwonden. Als u niet reeds koning van Portugal waart, engageerde ik U terstond als koning der cellisten en samen zouden we goud verdienen.

Dit antwoord scheen bij Don Luiz zoo zeer in den smaak te vallen dat hij mij dadelijk met het officierskruis van den Christus-orde vereerde.

Humbert I, de overleden koning van Italië was geen minnaar van tooneel, waar hij trouwens openlijk voor uit kwam. Toen ik in December 1884 met Mme Judic in den Argentina-schouwburg voorstellingen van "Niniche" gaf, ontving ik een schrijven van den hofintendant, dat zijn Majesteit één der voorstellingen met zijn tegenwoordigheid zou vereeren.

Kwart voor achten stond ik in de vestibule zijn Hoogheid op te wachten. Het werd acht, half negen, negen uur, nog steeds kwamen de rijtuigen niet voor. Eerst om tien minuten na negen verscheen de koning en zijn gemalin.

—Bent u de impresario, is 's konings eerste vraag. Hoe ver staat het met het stuk?

—Men wacht nog steeds op uw Majesteit. Ik dorst niet eerder te laten beginnen.

—Daarmee hebt u verkeerd gedaan. Zoo aangenaam vind ik het niet. In ieder geval zorgt u maar, dat het spoedig afloopt. De koningin om haars gemaals uitspraak eenigszins te verzachten, informeerde naar de verschillende artiesten en gaf dien avond verscheidene malen door applaus haar ingenomenheid met het vertoonde te kennen.

Ook de keizer van Oostenrijk, die tweemaal een voorstelling onder mijn leiding bijwoonde, was niet bepaald wat men noemt een tooneelliefhebber.

De eerste maal in 1881 tijdens de voorstellingen van Sarah Bernhardt in het "Ring Théâter" te Weenen, de tweede maal in 1885 in de Weensche "Musik Verein", toen Mme Patti weigerde een vierde nummer te zingen, voorgevend vermoeid te zijn, niettegenstaande het geestdriftige publiek er haar als 't ware om smeekte.

Franz Joseph had mij bij die gelegenheid opgedragen "la divine sérinette" uit zijn naam te complimenteeren en op mijn beurt drong ik er bij de diva op aan nog een extra nummer te geven.

Zou de keizer haar wel gecomplimenteerd hebben, wanneer hij Patti's antwoord had kunnen hooren?....

—Vraag hem Zaterdag voor mij te zingen, dan zal ik nu voor hem nog iets ten gehoore brengen.


In 1886 gebeurde mij te Kopenhagen het volgende bij mijn tournée met Mme Judic. Vóórdat de voorstelling aanving—de koning had nog niet in zijn loge plaats genomen—werd ik op het tooneel door een bejaard heer aangesproken, die mij allerlei bijzonderheden omtrent het debuut en het repertoire van onze ster vroeg. Plotseling word ik door Mme Judic geroepen.

—Schürmann, zou je me even kunnen helpen?

Excuseer en metéén gaf ik den ouden heer m'n claque over. Ik kom terstond terug.

Haast u maar niet, is zijn lachend antwoord.

Toen ik terugkwam, was hij verdwenen en een veel jongere heer geeft me met een woedend gezicht mijn hoed terug.

—Ik zou een andermaal eerst informeeren tot wien u spreekt. Weet u wel, aan wien u uw hoed te bewaren hebt gegeven? Aan den koning, meneer, aan den koning, die U dit waarschijnlijk zeer kwalijk heeft genomen.

Ik keek leelijk op m'n neus en dorst zijn Majesteit niet meer onder de oogen komen.

In de pauze kwam Christiaan IX wederom op het tooneel. Het eerste wat ik deed was hem mijn verontschuldiging aan te bieden.

—Het is wel, het is wel. Ik moest er zelf om lachen!

Toen ik in 1896 met La Duse Kopenhagen bezocht wist de bejaarde monarch dit voorval van tien jaar geleden zich nog best te herinneren. De koning woonde alle voorstellingen van Eleonora Duse bij, de eerste maal was hij vergezeld van de koningin, den keizer en keizerin van Rusland, den prins en prinses van Wales, den koning van Griekenland, prins Waldemar en den troonopvolger van Zweden.

De thans overleden vorst van Denemarken had zijn bijnaam van "schoonvader van Europa" terdege verdiend. Elk voorjaar kwam de uitgebreide vorstelijke familie in het kasteel Fredensborg bijeen en voor de verschillende regeerende hoofden van Europa was deze rustkuur, vrij van zorg en etiquette aan de familietafel van koning Christiaan steeds een der aangenaamste perioden uit hun leven.

Men stoorde zich hier letterlijk aan niets. De heeren liepen in een huisjasje met slappen hoed of stroohoed door de tuinen en waren aan niets van de Deensche burgerij te onderscheiden, de dames in eenvoudige robes tailleur deden in de stad hun inkoopen of speelden tennis en golf; kortom "des bourgeois en villégiature."

Op een goeden dag waren de heeren ter jacht uitgetrokken zonder gevolg, alleen in gezelschap van hun honden. Het wild bleek nog al schaarsch te zijn, want de jagers waren al heel ver over de velden voortgeloopen, zonder een enkelen fazant te hebben neergelegd. Plotseling begon de lucht te betrekken en brak er een geweldige regenbui los. Nergens in de buurt bleek een schuilplaats te zijn, toen onverwacht een boer kwam aanrijden op een breeden overdekten groentekar. Men houdt hem aan en na eenig praten stemt hij toe de heeren naar de stad te rijden.

Onderweg begint de boer aan het jongmensch dat naast hem op den bok heeft plaats genomen te vragen, waar die heeren toch wel vandaan kwamen, omdat hij hun taal—er werd Fransch gesproken—maar niet kon thuis brengen.

De jonge man—die niemand minder was dan de erfprins van Denemarken—antwoordde: Ik ben één van je landgenooten.

—Waar woont u dan?

—Te Fredensborg.

—Mag ik vragen, wat u daar voor een beroep uitoefent?

—O, niet veel bijzonders, ik ben maar erfprins.

—Hé, dat is toevallig! En die oude heer, achter u?

—Dat is mijn vader, koning Christiaan.

—Dacht ik het niet! En die twee heeren met hun baard.

—Wel dat zijn mijn zwagers, de keizer van Rusland en de koning van Engeland.

—Prachtig! Ik reis in fijn gezelschap, merkt het boertje spottend op.

En die twee anderen in den hoek?

—De oudste is mijn broer, de koning van Griekenland en die jongere, prins Karel.

—En hij, die op de honden past?

—De prins van Zweden.

—Het kan niet mooier! Welnu, laat ik u nu op mijn beurt eens in vertrouwen nemen, maar u moet me beloven het niet over te vertellen, wat ik u ga meedeelen.

—Mijn woord er op.

—Nou moet u eens raden, wie ík feitelijk ben.

—Wel, wie weet!

—Ik ben, maar u moet het niet verder vertellen. Ik ben "Onze lieve Heer."


Eleonora Duse.

"Tijdens de voorstellingen van Sarah Bernhardt in Italië, woonde ik een opvoering bij te Turijn van een gezelschap, onder leiding van Sg. Cesare Rossi. Ik werd getroffen door het buitengewone talent van een jeugdige actrice, toen in haar land nog tamelijk onbekend: Eléonora Duse-Checci. Zij stelde dien avond één der heldinnen van den ouden Sardou voor en speelde zoo natuurlijk en hartstochtelijk, dat men vergat het bedachte in de tooneelfiguur van den handigen dramaturg en slechts voor zich zag een lijdende vrouw, met wier lotgevallen men innig te doen had. In de uitbeelding van haar smart was zij niet te evenaren en ik durf hier gerust neerschrijven, dat ik nimmer een actrice ontmoet heb, die met meer gevoel en natuurgetrouw het lijden van anderen wist uit te beelden.

Ik begreep terstond, dat deze jonge Italiaansche zich weldra een internationalen naam zou verwerven en dat haar kunst geen tooneelliefhebber ongeroerd zou laten, zelfs vermoedde ik, dat haar genie den strijd met de grootste beroemdheden op tooneelgebied zou kunnen aanbinden en tenslotte als overwinnares uit dezen kamp te voorschijn zou treden. In mijn verbeelding zag ik reeds de schitterendste triomfen haar deel worden, waar zij ook optrad, en berekende ik de fabelachtige recettes, die met zoo'n kunstenares te maken zouden zijn. Ik moest dus tot elken prijs haar zien te bewegen haar huisgezin, haar gezelschap te verlaten en haar onder het oog brengen, dat haar kunst universeel eigendom was, omdat ze iets nieuws, iets geheel persoonlijks te genieten gaf.

Wat ik haar echter ook voorspiegelde, zij ging er niet op in. Eleonora Duse had toen nog geen vertrouwen in haar ontluikend genie. Zij was bevreesd, niet begrepen te worden en wilde liever de ster blijven te Turijn, in Piemont en Toscana, dan de nationale ijdelheid en eigenliefde van vreemde toeschouwers trotseeren.

Overtuigd als ik was, dat ze weldra in zou zien, dat Italië voor haar genie en ambitie te klein was, drong ik niet langer aan en besloot ik een betere gelegenheid af te wachten want ik bleef bij mijn voornemen, het kostte wat 't wou, de impresario te worden van deze "tragédienne", die toen reeds zich aan mij geopenbaard had, als de "Notre Dame de la Douleur". Mijn vurig verlangen kwam in vervulling.

1 Januari 1895 ontving ik volgend telegram: "Indien nog steeds van plan met mij een Europeesche tournée te beginnen, kom terstond naar Florence, waar ik u wacht". Een uur later was ik al op weg naar Italië, om mijn ster tegemoet te reizen, die gedurende al dien tijd mijn gedachten zoodanig in beslag had genomen, dat ik mijn koelbloedigheid, zoo hoog noodig in mijn vak, er bijna bij verloren had.

Zonder de minste moeilijkheid werden wij het over de voorwaarden eens en wij besloten de veroveringstocht door Europa aan te vangen met een "tournée" van een maand door Holland, België en Duitschland. Haar belangeloosheid trof mij wel het meest. Boven alles stond haar kunst, aan al het overige hechtte zij minder waarde en ik prees mij-zelf reeds gelukkig, nu eindelijk eens de hand gelegd te hebben op een actrice, die alleen dacht aan haar rollen en de verdere rompslomp aan mij overliet. Weldra zou ik inzien in hoeverre ik mijn vreugde had te temperen.

Den 8sten Maart begon onze tournée te Amsterdam met "La Dame aux Camélias". Een succes, dat mijn verwachting ver overtrof. Het publiek buiten zichzelf van geestdrift, juichte de ster toe met een warmte, een uitbundigheid, waaraan ik in Holland niet gewoon was. Ook de bladen waren één en al lof. Mijn "flair" had zich dus niet bedrogen. Ik had de phenix ontdekt, die, herboren uit de asch eener kunst van conventie, een nieuw licht ontstak en droomde van reeksen succesvolle opvoeringen en bergen gouds.

Ik had echter buiten haar nerveus gestel gerekend en juist die bezorgdheid voor haar kunst, waarover ik mij eerst zoo verheugd had, werd later voor mij een onuitputtelijke bron van moeilijkheden, soms zelfs van zeer ernstigen aard.

Mme Duse heeft zich nooit om tucht, om regelmaat bekommerd. Recette, directie, engagementen, publiek, pers, alles liet haar onverschillig.

Zij had alleen oog voor haar kunst, daaraan gaf zij zich geheel. De geringste tegenspoed, een lichte, voorbijgaande ongesteldheid, regen, sneeuw, de weinig aanlokkelijke aanblik van een haar onbekende stad, deed zijn invloed op haar inspiratie gelden. Zij meende zich dan niet geheel en al aan haar rol te kunnen geven en het publiek teleur te stellen. Op het laatste oogenblik moest dan de voorstelling afgelast worden en door een andere vervangen, of wat nog vaker gebeurde eenige dagen uitgesteld. De enorme kosten, door zulk een uitstel veroorzaakt, rekende zij niet. Of ik zoo'n avond op zijn minst een tienduizend francs verloor, afgezien nog van de onaangenaamheden met de directie van den gepachten schouwburg zoowel als de teleurstelling van het publiek, dat zich tevergeefs gederangeerd had, wanneer Mme Duse zich niet "lekker" gevoelde, het legde niet het minste gewicht in de schaal. Zij bleef bij haar voornemen en trad niet op. Ik kreeg alleen van haar dit lakoniek briefje: "Niets aan te doen. Verzin er maar op, wat je wilt. Ik speel vanavond niet".

Toch kwam het publiek steeds terug. Wanneer voor andere artiesten een uitgestelde voorstelling een verloren zaak is, scheen deze regel voor Mme Duse niet op te gaan. Niettegenstaande haar vaak ongemotiveerde weigering, om op te treden en de hierdoor geleden verliezen, heb ik gedurende de zeven jaren, dat ik met haar overal rondtrok niet eenmaal een proces, of iets van dien aard met de verschillende directies te voeren gehad.

Na haar triomftocht door Holland en België met "La Dame aux Camélias", "Magda", "La Femme de Claude", "La Locandiera", "Cavalleria Rusticana", bezochten wij het eerst Keulen, waar haar 'n succes wachtte, dat ongehoorden omvang aannam. De directeur van den schouwburg had eerst geen vertrouwen in haar optreden en weigerde zijn gebouw af te staan, welke aanlokkelijke voorstellen ik hem ook deed. Tenslotte kreeg ik alleen verlof om gedurende twee matinée's per week het "Stadt-théâter" te bespelen, waarbij hij zoo vriendelijk was mij nog toe te voegen, dat ik geen "sou" zou maken, omdat het publiek niet gewoon was naar middag-voorstellingen te gaan. Ik stoorde mij echter niet aan zijn wenken en liet doodkalm mijn eerste middagvoorstelling aanplakken: 19 April, om één uur "La Dame aux Camélias". Dien middag maakten we 9910 mark, dus een goede 12,000 francs.

Vóór het einde der voorstelling waren de plaatsen voor de volgende "matinée" van "Magda" die eerst drie dagen daarna plaats zou vinden, reeds verkocht. In den loop van den avond kreeg ik een telegram van de zuster van den keizer, die te Bonn woonde... "Verzoeke een loge te reserveeren, waar, komt er niet op aan. Tegen het middaguur, ik was juist van plan naar den schouwburg te gaan, verzocht La Duse mij haar even te komen opzoeken.

—Waarde heer Schürmann, u moet de voorstelling uitstellen. Ik kan niet spelen.

—Bent u ongesteld?

—Dat juist niet.

—Wat dan?

—Ik voel me niet "lekker". Ik zal mijn rol niet naar behooren kunnen spelen. Stuur het publiek dus maar terug.

—Onmogelijk mevrouw.

—Hoezoo?

—Er is een recette van 12,000 francs.

—12,000 francs!... Dan staat mijn besluit vast. Wanneer het publiek in zoo'n groote getale opkomt om mij te zien, dan heeft het ook recht op een vlekkelooze voorstelling. Ik heb u gezegd, dat ik me niet in staat gevoel "goed spel" te geven. Ik wil 't publiek niet bestelen.

—En de recette? En de kosten?

—Doet er niet toe! Wat zijn uw eigen verdiensten bij zoo'n recette?

—Ongeveer 2500 francs.

—Welnu, die zal ik u betalen. Ik wensch niet, dat u er iets bij verliest. Alle kosten van 't gezelschap en den schouwburg zijn voor mijn rekening.

—Het spijt me, mevrouw. Onmogelijk! De zuster van den keizer is speciaal uit Bonn voor u overgekomen. Men had haar vooruit moeten waarschuwen niet op reis te gaan.

—Zij behoort tot het publiek als alle anderen. U zult haar dus ook moeten terugzenden.

—Neen, mevrouw, het is te laat. Als u mij vanmorgen vroeg gewaarschuwd had, zou ik maatregelen hebben kunnen nemen. Nu is de schouwburg geopend en het publiek reeds binnen. Ik weet geen enkele geldende reden om de voorstelling af te kondigen.

—U moet er één vinden.

—Ik zeg u, dat dit niet gaat. U moet spelen en als u weigert, zeg ik zonder omwegen, dat u met het publiek een loopje neemt.

—Dus u eischt, dat ik speel?

—Ja mevrouw.

—Goed, dan zal ik spelen. Maar ik waarschuw u, dat ik morgen er ziek van ben en ik in twee weken niet meer optreed.

—Wanneer u heden niet optrad, zou het succes van uw "tournée" voor goed gecompromitteerd zijn.

—Het zij zoo, ik ga.

La Duse ging naar den schouwburg. Zij speelde verrukkelijk en behaalde haar gewoon succes. Na afgerekend te hebben, begaf ik mij naar mijn hotel, waar een briefje van haar reeds op mij wachtte.

—Ik ben ziek. Ik kan in veertien dagen niet optreden. Laat 't gezelschap naar Straatsburg vertrekken, waar ik 7 Mei eerst zal spelen. Ik ga voor mijn herstel naar Italië.