XXXVI.
Gravin Lydia Iwanowna was als zeer jong, dweepziek meisje aan een rijk, aanzienlijk, goedhartig, maar zeer losbandig man van de wereld uitgehuwelijkt geworden. Maar reeds na twee maanden werd zij door haar echtgenoot verlaten. De overstroomende en sentimenteele betuigingen harer liefde had hij slechts met spot, zelfs met vijandschap beantwoord, zoodat de menschen, die zijn goed hart kenden en tevens meenden, dat de phantastische Fanny geen gebreken had, zich dat volstrekt niet konden verklaren. Zij hadden zich niet laten scheiden, maar haar man leefde niet met haar en bij elke ontmoeting bejegende hij haar steeds met bitteren spot.
Zij had reeds lang opgehouden op hem verliefd te zijn, maar zij had sedert niet opgehouden op iemand verliefd te wezen, somwijlen op meer te gelijk, op vrouwen en mannen en schier op allen, die zich door iets uitstekends onderscheidden. Zij was verliefd op alle nieuwe prinsen en prinsessen van het keizerlijk huis, zij was verliefd op den metropoliet, op een vicaris en op een anderen geestelijke; zij was verliefd op een journalist, op een minister, op een dokter, op een Engelschen zendeling en eindelijk op Karenin. Maar al deze groote liefde, die nu sterker dan zwakker was, verhinderde haar niet in de uitgestrektste en gecompliceerdste betrekkingen tot het hof en de gezelschapswereld te staan.
Na het ongeluk, dat Karenin had getroffen, nam zij hem onder haar bizondere bescherming en nadat zij zijn geheele huis had ingericht, bemerkte zij, dat al haar vroegere en al haar overige liefde niet de rechte was geweest, maar dat zij slechts en alleen nu werkelijk op Karenin verliefd was. Terwijl zij haar gevoel ontleedde en met het vroegere vergeleek, werd het haar duidelijk, dat zij op Kommissarow volstrekt niet verliefd zou zijn geworden, als hij het leven des keizers niet gered had, en niet op Ristitsch, als het Slavische vraagstuk er niet geweest was, dat zij echter Karenin om zijn zelfs wil lief had uithoofde van zijn verheven door anderen niet gewaardeerde beginselen, uithoofde van den lieven toon zijner stem met de lange klemtonen, uithoofde van zijn matten blik, uithoofde van zijn karakter en van zijn witte handen met gezwollen aderen. Zij was niet slechts verheugd als zij hem ontmoette, maar zij bespiedde ook den indruk, dien zij op hem maakte. Zij trachtte hem niet slechts met haar woorden te bevallen, maar met haar geheele persoonlijkheid. Om zijnentwil maakte zij nu meer werk van haar toilet, dan ooit te voren. Zij bloosde, als hij in de kamer kwam, zij kon ook een lachje van genoegen niet weerhouden als hij haar iets aangenaams zeide. Zij betrapte zich zelfs op de gedachte, hoe het wel zijn zou, als zij niet gehuwd en hij vrij was.
Reeds sedert eenigen tijd verkeerde Lydia Iwanowna in de sterkste spanning. Zij had vernomen, dat Anna en Wronsky naar Petersburg waren teruggekeerd. Alexei Alexandrowitsch moest tegen een ontmoeting met hen beschermd worden, hij moest zelfs van hun nabijheid geen kennis dragen, omdat hem dit slechts kwellen zoude, hij mocht niet weten, dat deze verschrikkelijke vrouw weer in de stad was en hij elk oogenblik tegenover haar staan konde.
Lydia liet door haar kennissen uitvorschen, met welk doel die afschuwelijke menschen (zooals zij Anna en Wronsky noemde) teruggekeerd waren. De jonge adjudant, een vriend van Wronsky, die door haar carrière hoopte te maken en door wien zij haar inlichtingen ontving, bracht haar de geruststellende tijding, dat zij hun bemoeiingen, waarvoor zij waren overgekomen, reeds ten einde gebracht hadden en den volgenden dag weer zouden afreizen. Lydia Iwanowna had zich bijna al gerust gesteld, toen men haar den volgenden morgen een briefje overbracht, in welks schrift zij dadelijk Anna Karenina's hand herkende. Het couvert bestond uit papier, zoo dik als boomschors, op welk geel papier zich een reusachtig monogram bevond en waaruit een aangename geur haar tegenkwam.
"Wie heeft dat gebracht?"
"Een commissionnair uit een hotel."
Gravin Lydia Iwanowna vermocht zich nauwelijks neder te zetten om den brief te lezen. Door de sterke gemoedsbeweging kreeg zij een aanval van kortademigheid, waaraan zij somwijlen leed. Eindelijk, nadat zij wat kalmer was geworden, las zij het volgende:
"Madame la comtesse! De Christelijke gevoelens, die uw hart vervullen, geven mij den moed aan u te schrijven. Ik gevoel mij ongelukkig door de scheiding van mijn zoon. Ik smeek u om de toestemming hem nog eenmaal voor mijn vertrek te zien. Vergeef mij, dat ik u aan mij herinner. Ik wend mij tot u en niet tot Alexei Alexandrowitsch, omdat ik dezen edelmoedigen man niet door de herinnering aan mij mag laten lijden. Daar ik uw vriendschap voor hem ken, zal u mij begrijpen. Zend Serëscha bij mij, of zal ik op een bepaald uur bij u aan huis komen? Anders verzoek ik u mij te doen weten, wanneer en waar ik hem ontmoeten kan. Ik hoop, dat mij dit niet geweigerd zal worden, daar ik de edelmoedigheid ken van hem, van wien dit afhangt. U kan zich niet voorstellen, hoe ik door verlangen word verteerd en daarom kan u zich ook niet voorstellen, hoe dankbaar ik zijn zal voor de hulp, die u mij zal verleenen. Anna."
Alles in dezen brief verstoorde de gravin: de inhoud, het aanroeren van
Karenins edelmoedigheid en vooral de, naar haar meening, te vrije toon.
"Zeg, dat er geen antwoord is," zeide zij tot den bediende, opende dadelijk haar schrijfportefeuille en schreef aan Karenin, dat zij bepaald hoopte hem om één uur bij de felicitatie op het slot te ontmoeten.
"Ik moet met u over een gewichtige en treurige zaak spreken; waar? Zullen we daar de plaats bepalen? Het beste zou zijn bij mij aan huis, waar ik de thee voor u zal gereed hebben. Maar het is volstrekt noodig. Hij legt het kruis op, maar Hij geeft ook de kracht om het te dragen," voegde zij er bij om hem een weinig voor te bereiden.
De gravin schreef gewoonlijk elken dag twee of drie briefjes aan Alexei Alexandrowitsch. Zij hield van deze wijze van mededeeling, daar zich hierin iets geheimzinnigs met elegance verbond, wat anders in haar persoonlijke relatien geheel ontbrak.
XXXVII.
De receptie op het slot was voorbij. De vertrekkenden, die elkander ontmoetten, spraken over het nieuws van den dag, over de laatst verleende orden en onderscheidingen en over de verplaatsingen onder de hoogere beambten.
Alexei Alexandrowitsch zag verstrooid onder de menigte rond en ging naar de deur, in welker nabijheid hij de gravin hoopte te ontmoeten.
"Wat zijn zij allen sterk en gezond," dacht hij, terwijl zijn blik viel op een forschen kamerheer met zorgvuldig onderhouden baard en op den rooden hals van een in uniform gepersten vorst, dien hij voorbijging.
Langzaam voorbijgaande groette hij met de hem eigen waardigheid en afgemat uitzicht deze beide heeren, die juist van hem spraken, en zocht met de oogen Lydia Iwanowna.
"Ah, Alexei Alexandrowitsch!" sprak een oud heer in een met goud overladen uniform, terwijl hij boosaardig met de oogen pinkte en een koele buiging maakte. "Ik heb u nog in het geheel niet gefeliciteerd!" en wees daarbij op het nieuwe lint der Alexander-Newsky-orde.
"Ik dank u," antwoordde Karenin.
"Wat is dat vandaag een heerlijke dag," zeide de staatsman, den klemtoon op het woord heerlijk leggend.
Dat allen hem uitlachten, wist Karenin; maar hij had van hen ook niets anders dan vijandschap verwacht en was daaraan gewoon.
Eindelijk zag hij de scherp uitstekende schouders van gravin Lydia, die juist de deur uitkwam en met haar schoone, heldere oogen hem zocht. Hij lachte even en ging haar te gemoet.
Onder de spitsroeden van al de spottende blikken rondom hem gevoelde hij zich natuurlijk door haar verliefden blik aangetrokken, gelijk een plant door de zon.
"Ik feliciteer u," zeide ook zij op het lint wijzend.
Hij trok met de schouders en sloot de oogen, als wilde hij zeggen, dat dit hem geen blijdschap meer kon geven. Maar de gravin wist zeer goed, dat dit een van die dingen was, die hem de grootste blijdschap gaven, hoewel hij dit niet wilde erkennen.
"Hoe gaat het met onzen engel?" vroeg de gravin. Zij bedoelde Serëscha.
"Ik kan helaas niet zeggen, dat ik zeer over hem tevreden ben," antwoordde Karenin met opgetrokken wenkbrauwen. "Ook Sitnikow is over hem ontevreden," (Sitnikow was een paedagoog, wien sedert eenigen tijd Serëscha's wereldsche opvoeding was toevertrouwd.) "Zoo als ik u reeds eenmaal gezegd heb, heeft hij geen begrip van de hoofdvragen, die de ziel van ieder mensch, vooral van een kind toch belang moeten inboezemen…." en Alexei Alexandrowitsch ontwikkelde verder zijn gedachten over kinderopvoeding, het eenige onderwerp, dat hem buiten zijn ambtsbezigheden interesseerde.
Nadat Karenin met behulp van gravin Lydia aan het leven en den arbeid was teruggegeven, had hij het als zijn eersten plicht beschouwd zich met de opvoeding van zijn zoon bezig te houden. Vroeger had hij zich nimmer daarover bekommerd, maar nu wijdde hij een deel van zijn tijd geheel aan de theorie dezer zaak. Eerst nadat hij een geheele rij boeken over anthropologie, paedagogiek en dialectiek had gelezen, vormde hij een opvoedingsplan en, terwijl hij den besten Petersburger paedagoog tot uitvoering van hetzelve uitnoodigde, zette hij zich met hem aan het werk. En deze zaak hield hem nu gedurig bezig.
"Ja, maar het hart! Ik vind in hem het hart zijns vaders weder, en met zulk een hart kan het kind niet verkeerd zijn," antwoordde de gravin met emphase.
"Nu, wij zullen zien…. Ik doe mijn plicht, en dat is alles, wat men doen kan."
"Zult ge bij mij komen?" vroeg de gravin na een oogenblik gezwegen te hebben. "Wij moeten over een voor u treurige zaak spreken. Ik zou alles willen doen om u treurige herinneringen te besparen, maar anderen denken anders. Ik heb namelijk van haar een brief ontvangen, zij is hier in Petersburg."
Bij het noemen zijner vrouw geraakte Karenins gelaat in een starre onbewegelijkheid, het drukte zijn volkomen radeloosheid in deze zaak uit.
"Dat heb ik verwacht," mompelde hij.
Gravin Lydia Iwanowna zag hem met een bewonderende uitdrukking aan, en tranen van verrukking over zooveel zielegrootheid vulden haar oogen.
XXXVIII.
Toen Alexei Alexandrowitsch het kleine, met donkere stof bekleede en met oud porselein versierde boudoir der gravin binnen trad, was de gastvrouw er nog niet. Zij was nog bezig zich te kleeden.
Over het tafelkleed lag een ander kleedje en hierop stond een Chineesch theeservies en een zilveren theepot. Alexei Alexandrowitsch beschouwde vluchtig de tallooze, hem meest bekende portretten, die de kamer versierden, en terwijl hij zich aan tafel zette, opende hij het evangelie, dat er op lag. Het ruischen van een zijden kleed trok hem toen echter spoedig weer daarvan af.
"Ziezoo, nu zullen wij eens rustig gaan zitten," sprak zij en schoof zich met een tevreden lachend gezicht tusschen tafel en sopha. "En dan willen we bij onze thee daarover spreken."
Na eenige voorbereidende woorden gaf zij zuchtend en blozend den brief over, dien zij ontvangen had. Nadat hij dien gelezen had, zweeg hij een lange poos.
"Mij dunkt, ik heb het recht niet het haar af te slaan," zeide hij, en hief schuchter zijn oogen tot de hare op….
"Mijn vriend! Gij ziet nergens iets kwaads in."
"Integendeel! Ik zie overal het kwaad, maar of het recht is…."
In zijn gelaat was aarzeling en twijfel en te gelijk de hoop op een goeden raad te lezen.
"Neen," viel gravin Lydia hem in de rede: "Alles heeft zijn grenzen. Ik begrijp wel, dat men zedeloos zijn kan," zeide zij, maar sprak geen waarheid, want zij kon eigenlijk niet begrijpen, wat een vrouw tot zedeloosheid kon voeren; "maar ik begrijp niet, dat men wreed zijn moet, en tegen wien? Tegen u! Waarom moet zij in dezelfde stad vertoeven, waar gij zijt? Neen, men moet leeren zoolang men leeft. En ik heb uw zedelijke grootheid en de verachtelijkheid dezer vrouw leeren inzien. Vergeef mij …"
"Maar wie mag een steen op haar werpen?" zeide Karenin met een zwakke tegenkanting. "Ik heb alles vergeven en mag haar dus ook niet berooven van datgene, wat een behoefte harer liefde, harer liefde voor haar zoon is…."
"Is dat werkelijk liefde, mijn vriend? Oprechte liefde? Veronderstellen we, ge hebt vergeven, vergeeft nog;—maar hebben we dan ook een recht op de ziel van dezen engel? Hij houdt haar voor dood. Hij bidt voor haar; hij bidt tot God, dat Hij haar de zonden vergeve…. En dat is beter zoo! Wat zal hij anders in het vervolg denken?"
"Daar heb ik niet aan gedacht," antwoordde Karenin blijkbaar zwichtend.
Gravin Lydia bedekte het gelaat met de handen en zweeg een oogenblik.
"Als gij mij om raad vraagt, dan raad ik u, het niet te doen. Zie ik niet, hoe u lijdt? Hoe uw wonden zich weer zullen openen? Maar veronderstellen wij, ge liet het toe, ge dacht als altijd het minst aan u zelf. Waartoe zou het dan leiden? Tot nieuwe smart uwerzijds en tot kwelling voor het kind! Zij moest het zelf niet wenschen. Neen, zonder aarzelen raad ik u, gedoog het niet en sta mij toe, dat ik aan haar schrijf."
En Karenin gaf toe en gravin Lydia schreef den volgenden brief in het Fransch:
"Genadige vrouwe! Een herinnering aan u kan voor uw zoon zijnerzijds tot vragen leiden, waarop men hem geen antwoord vermag te geven zonder in het hart van het kind een veroordeeling te verwekken van haar, die in zijn voorstelling een heilige moest blijven, en daarom verzoek ik u deze afwijzing in den zin der Christelijke leer op te nemen. Ik bid den Almachtige om genade voor u. Gravin Lydia."
Door dezen brief werd het doel bereikt, dat de gravin daarmede beoogde. Hij beleedigde Anna tot in het diepst harer ziel.
XXXIX.
"Nu, hoe is het, Kapitonitsch?" vroeg Serëscha, die juist van een wandeling terug kwam, met blozende wangen en vergenoegd tot den portier opziende, terwijl hij zijn overjasje den langen man toereikte, die met een vriendelijken lach op den kleinen man nederzag. "Is de beambte met den verbonden arm er weer geweest? Heeft papa hem ontvangen?"
"Ja, hij heeft hem ontvangen. Toen de kanselarijchef heenging, heb ik hem dadelijk aangediend," antwoordde de portier, terwijl hij den jas aannam.
"Serëscha!" riep de huisonderwijzer, die in de deur was blijven staan, "help u zelf!"
Maar Serëscha, ofschoon hij de zwakke stem van zijn gouverneur wel gehoord had, stoorde zich daaraan niet. Hij bleef voor den portier staan, hield zich met eene hand aan diens bandelier vast en keek hem in het gezicht.
"Nu, en heeft papa iets voor hem gedaan?"
De portier knikte bevestigend.
Serëscha en de portier stelden veel belang in den verbonden beambte, die er al zevenmaal geweest was om Karenin iets te verzoeken. Serëscha had hem eens in den gang aangetroffen en gehoord, hoe hij den portier smeekte hem toegang te verschaffen, daar hij anders met zijn kinderen ellendig moest omkomen. Sedert en vooral nadat hij hem later nog eenmaal ontmoet had, stelde Serëscha veel belang in hem.
"Was hij heel blijde?" vroeg hij verder.
"Zou hij niet? Hij danste bijna, toen hij heenging."
"Is er al wat voor mij gebracht?" vroeg hij verder.
Het was de dag voor zijn verjaardag.
"Nu, jonge heer," antwoordde de portier fluisterend en schudde het hoofd: "Iets van de gravin."
"Wat je zegt! Waar?"
"Karnej heeft het aan papa gebracht. Het zal wel wat moois zijn."
"Hoe groot? Zoo?"
"Een beetje kleiner, maar iets moois."
"Een boek?"
"Neen iets anders. Ga nu, ga nu! Wassili Lukitsch roept u!" vermaande de portier, die de weer terugkeerende schreden van den onderwijzer hoorde, en terwijl hij behoedzaam de kleine handen van zijn bandelier losmaakte, wees hij met het hoofd naar Lukitsch.
"Dadelijk, Wassili Lukitsch!" riep Serëscha met den vroolijken, hartelijken lach, waardoor Wassili Lukitsch steeds overwonnen werd.
Serëscha was te vergenoegd, te gelukkig om zijn vriend, den portier, niet de algemeene familievreugde mede te deelen, waarmede hem op zijn wandeling de kleine nicht van gravin Lydia had bekend gemaakt. Het scheen Serëscha heden een dag te wezen, waarop de geheele wereld vergenoegd moest zijn.
"Weet je het nieuws al? Papa heeft de Alexander-Newsky gekregen."
"Zou ik dat niet weten? Er zijn er al velen gekomen om te feliciteeren."
"Zoo? En is papa er blij mede?"
"Zou hij over de genade van den Czaar niet blijde zijn? Hij heeft het derhalve verdiend," zeide hij ernstig en gestreng.
Serëscha staarde nadenkend in het gelaat van den portier, dat hem tot in de kleinste bizonderheden bekend was, vooral op zijn onderkin, die van onder de punten van zijn baard nederhing en die hij maar alleen kende, daar hij ze altijd van onderen beschouwde.
"Nu, en je dochter, is het al lang, dat ze bij je was?"
Zijn dochter was een balletdanseres.
"Die kan immers niet alle dagen komen! Die moet leeren en krijgt les, en u moet ook leeren, jonge heer! Ga nu heen."
Toen Serëscha de leerkamer binnentrad, deelde hij in plaats van aan zijn opgegeven werk te gaan, zijn onderwijzer zijn vermoeden mede omtrent datgene, wat men hem gebracht had.
"Zou het een machine zijn? Wat dunkt u?" vroeg hij.
Maar Wassili Lukitsch dacht er slechts alleen aan, dat Serëscha zijn lessen nog niet geleerd had voor den onderwijzer, die om twee uur komen zou.
"Neen, zeg mij maar een ding, Wassili Lukitsch," vroeg Serëscha plotseling, toen hij reeds aan de schrijftafel zat en zijn grammatica in de hand hield: "Is er nog iets beters dan de Alexander-Newsky-orde?"
Wassili Lukitsch antwoordde, dat de Wladimir nog beter was dan de
Alexander-Newsky.
"En welke is dan nog beter?"
"De hoogste is de Andrej Perwoswantjii."
"En nog hooger dan Andrej …?"
"Dat weet ik niet."
"Wat? weet u dat niet?" En Serëscha leunde met het hoofd op de handen en verdiepte zich in gedachten. Deze waren zeer bont en verward. Hij dacht er aan, hoe zijn vader plotseling ook de Wladimir en Andrej kon bekomen hebben en hoe hij dan dientengevolge heden bij het onderwijs toegevend zou zijn; hoe hij, als hij groot was, al deze orden zou bekomen en ook diegene, die nog hooger dan de Andrej was. Men behoefde er maar aan te denken, dan zou men ze dadelijk verkrijgen. En zij zouden nog hoogere uitdenken, en ook die zou hij dadelijk verdienen.
Onder zulke gedachten ging de tijd voorbij, en toen de onderwijzer kwam, was de opgegeven taak nog niet afgemaakt, en de onderwijzer was niet slechts ontevreden, maar zeer bekommerd. Dit roerde Serëscha; hij gevoelde zich niet schuldig, omdat hij zijn werk niet afgemaakt had, want met alle inspanning had hij dit toch niet kunnen doen; maar het bedroefd uitzicht van den onderwijzer deed hem leed en hij wilde hem troosten.
Hij koos een oogenblik, dat de onderwijzer zwijgend in zijn boek zag.
"Michael Iwanowitsch, wanneer is u jarig?" vroeg hij onverwacht.
"Je deedt beter de gedachten bij het werk te hebben; buitendien hebben verjaardagen volstrekt geen beteekenis voor een verstandig wezen. Een verjaardag is juist een dag als de andere."
Serëscha keek hem opmerkzaam aan, hij zag zijn schralen, kleinen baard, zijn bril, die op den neus was afgezakt, en verviel zoo in gedachten, dat hij niets begreep van al wat zijn onderwijzer hem uitlegde. Hij besefte, dat hij niet zoo gesproken had, als hij werkelijk dacht, dit bespeurde hij aan den toon, waarop hij gesproken had. "Waarom," dacht hij, "hebben zij allen afgesproken altijd op dezelfde manier het vervelendste en onnoodigste te zeggen? Waarom houdt hij niet van mij?" vroeg hij treurig zich zelf, en wist daarvoor geen antwoord te vinden.
Op dezen onderwijzer volgde een uur onderwijs bij zijn vader. Tot deze kwam, zat Serëscha aan de schooltafel, speelde met zijn pennemes en dacht aan zijn moeder. Het hoorde tot zijne lievelingsbezigheden op zijn wandelingen te zoeken naar zijn moeder. Hij geloofde niet aan haar dood, ofschoon Lydia Iwanowna het hem gezegd en zijn vader het bevestigd had. Ja, hij zocht haar zelfs tijdens men hem gezegd had, dat zij gestorven was, reeds dadelijk bij zijn eerste wandeling. Elke vlugge, gracieuse dame met donker haar hield hij voor zijn moeder. Zag hij er zulk eene, dan verhief zich in zijn hart een verborgen gevoel van teederheid en tranen vulden zijn oogen. Hij verwachtte, dat zij hem dadelijk naderen, haar sluier terugslaan en hem haar gelaat toonen zoude; zij zou lachen, hem omhelzen, hij zou den welriekenden geur, die haar omgaf, herkennen, haar zachte handen voelen en weenen van blijdschap.
Sedert eenigen tijd zocht en verwachtte hij haar als iets geheimzinnigs, omdat hij eens toevallig van de kindermeid gehoord had, dat zij niet gestorven was, en dat Lydia Iwanowna en zijn vader hem dit zoo gezegd hadden, omdat hij haar als dood moest beschouwen, dewijl zij slecht geweest was, hetwelk hij, omdat hij haar liefhad, volstrekt niet geloofde. Heden had hij een dame met een lila sluier gezien; zijn hart had geklopt, en hij verwachtte, dat zij het zou blijken te zijn; hij volgde haar met de oogen, zoolang zij op het trottoir nader kwam; maar dicht vóór hem was zij in een zijstraat verdwenen. Heden gevoelde hij sterker dan ooit een aandrang van liefde en teederheid voor haar, en geheel daarin verzonken, staarde hij aan haar alleen denkend met schitterende oogen voor zich uit en versneed met zijn pennemes den geheelen kant van den bank.
"Papa komt!" waarschuwde Wassili Lukitsch.
Serëscha sprong op, ging zijn vader te gemoet, kuste zijn hand en keek hem opmerkzaam aan om bij hem de kenteekenen van blijdschap over de ontvangen orde te ontdekken.
"Nu, was het een aangename wandeling?" vroeg Alexei Alexandrowitsch, zette zich in zijn stoel en sloeg het boek open. Hoewel hij tot Serëscha gezegd had, dat ieder Christen de geheele Heilige Schrift van buiten moest kennen, zag hij zelf toch, wat het Oude Testament betrof, dikwijls in het boek, en Serëscha had dit zeer goed opgemerkt.
"Ja, papa, wij hebben een mooie wandeling gedaan," antwoordde Serëscha en ging op den rand van den stoel zitten en begon met dezen heen en weder te wiegelen, hetgeen hem verboden was. "Ik heb Nadenka gezien (dit was het nichtje van gravin Lydia Iwanowna). Zij heeft mij verteld, dat u een nieuwe ster heeft gekregen. Is u daar blij om, papa?"
"Ten eerste, verzoek ik je niet zoo te schommelen," vermaande Alexei Alexandrowitsch; "en ten tweede moet ons niet de belooning, maar het werk het meest genoegen geven. Ik wensch, dat gij dat goed begrijpt. Indien ge slechts wilt werken en leeren om beloond te worden, dan zal het werk je zwaar vallen, maar als je werken wilt uit liefde voor het werk, dan zal je de belooning daarvoor niet ontbreken."
Serëscha's oogen, die zooeven nog blonken van teederheid en blijmoedigheid, verloren hun glans en werden nedergeslagen voor den blik zijns vaders. Dat was de hem lang bekende toon, waarop deze steeds tot hem sprak, alsof hij ze tot een jongen der verbeelding richtte, zooals men ze wel in de boeken vindt en op wie Serëscha toch volstrekt niet geleek. En Serëscha trachtte in de tegenwoordigheid zijns vaders dien knaap uit het boek voor te stellen.
"Ik hoop, dat je mij hebt verstaan?"
"Ja, papa," antwoordde Serëscha, ook nu dien knaap der verbeelding voorstellend.
De les bestond in het vanbuitenleeren van eenige bijbelplaatsen en in het vertellen der scheppingsgeschiedenis van Mozes. De teksten kende Serëscha tamelijk goed, maar terwijl hij ze opzegde, viel zijn oog op het voorhoofdsbeen zijns vaders, dat van de wenkbrauwen zoo steil opsteeg; hierdoor kwam hij in de war en in plaats van het slot van een vers zeide hij het begin van een ander op. Dit woog bij den vader zwaar, omdat daaruit bleek, dat Serëscha zelf niet verstond wat hij zeide.
Hij fronste het voorhoofd en begon weer met dezelfde verklaring, die Serëscha al zoo dikwijls gehoord had en toch niet bevatten kon. Toen ging de vader tot de bijbelsche geschiedenis over. Serëscha vertelde vrij goed, maar als hij de oorzaken van sommige omstandigheden zou opgeven, wist hij niets, hoewel hij wegens deze zelfde zaak reeds eenmaal gestraft was geworden. Van de patriarchen vóór den zondvloed kende hij er maar één, namelijk Henoch, die levend in den hemel werd opgenomen. Vroeger had hij ook die namen van alle andere geweten, maar nu had hij ze, door belangstelling in Henoch en zijn hemelvaart, alle vergeten; deze Henoch was zijn lieveling in het geheele Oude Testament en aan zijn opvaren ten hemel knoopte zich een geheele rij voorstellingen vast, waaraan hij zich ook nu overgaf, terwijl hij met strakken blik op den horlogeketting zijns vaders staarde.
Aan den dood, waarvan men hem zoo dikwijls gesproken had, geloofde hij volstrekt niet. Hij kon het zich niet voorstellen, dat geliefde menschen sterven kunnen en nog minder hij zelf. Men had hem gezegd: alle menschen moeten sterven; hij vroeg er menschen naar, in wie hij groot vertrouwen stelde, en zij bevestigden het. Maar Henoch was toch niet gestorven, derhalve stierven toch niet allen; en waarom zou niet ieder zich voor God zoo verdienstelijk kunnen maken, dat hij levend in den hemel werd opgenomen. De slechte menschen, dat wil zeggen menschen, die niet veel van Serëscha hielden, die mochten sterven, maar de goede konden allen worden zooals Henoch.
"Nu? Wie waren de patriarchen?"
"Henoch, Enos…."
"Dat heb je al eens gezegd. Dat is verkeerd, Serëscha. Als je u geen moeite geeft om datgene te weten, wat voor ieder Christen het noodigste is, wat kan dan nog waarde voor je hebben?" zeide de vader en stond op. "Ik ben niet over je tevreden, en Peter Ignatitsch (dat was de vorige onderwijzer) is ook ontevreden over je…. Ik zal je moeten straffen."
De vader en de onderwijzer waren beide over Serëscha ontevreden, en inderdaad leerde hij slecht. En toch kon men niet zeggen, dat hij slecht begaafd was; integendeel, hij had meer begaafdheid dan die knapen, op wie de onderwijzer hem als voorbeelden wees. Volgens de meening des vaders ontbrak het hem aan lust datgene te leeren, wat men van hem vorderde; maar in werkelijkheid kon hij het niet leeren, omdat zijn hart andere eischen deed gelden, dan zijn vader en leermeester vorderden; en zoo voerde hij een strijd tegen zijn opvoeders. Hij was negen jaren oud, hij was een kind, maar zijn hart kende hij toch; hij beschermde het, en zonder den sleutel der liefde liet hij er niemand binnen. Zijn opvoeders klaagden, dat hij geen lust tot leeren had, en zijn hart dorstte naar kennis. Hij leerde bij Kapitonitsch, bij de kindermeid, bij Nadenka, bij Wassili Lukitsch, maar niet bij zijn onderwijzers. Het water, dat de vader en de onderwijzers op hun schepraderen verwachtten, was reeds te voren doorgeloopen en had op een andere plaats zijn kracht uitgeoefend.
De vader strafte Serëscha daarmede, dat hij hem niet toestond Nadenka te bezoeken. Maar deze straf bleek een geluk te zijn. Wassili Lukitsch was in een goede luim en leerde hem, hoe men windmolens kan maken. De geheele avond verliep aangenaam onder bezigheid en droomerijen, of men niet zulke molens zou kunnen maken, waarop men kon gaan zitten om dan de roeden met de hand vast te houden of zich daaraan vast te binden en zich mede te laten ronddraaien. Aan zijn moeder had hij den geheelen avond niet gedacht, maar toen hij in zijn bed lag, herinnerde hij zich haar plotseling en bad met zijn eigen woorden, dat zij morgen, als hij jarig was, mocht ophouden zich te verbergen en weer bij hem mocht komen.
"Wassili Lukitsch, weet u, wat ik nog meer gebeden heb? Wat in 't geheel niet bij het gebed behoort?"
"Vlijtiger te leeren?"
"Neen."
"Om een stuk speelgoed?"
"Neen, u zal het toch niet raden. Iets zeer schoons, een geheim. Als het komt, zal ik het u zeggen. Raad u het niet?"
"Neen, dat kan ik niet raden. Zeg het maar," zeide Wassili Lukitsch en lachte, wat hem zelden gebeurde. "Nu moet je gaan slapen, ik doe het licht uit."
"Zonder licht zie ik datgene, waar ik om gebeden heb nog duidelijker. Zooeven had ik u mijn geheim bijna verraden," hernam Serëscha en lachte vroolijk.
Nadat het licht was uitgedaan, zag en voelde Serëscha zijn moeder. Zij stond naast hem en liefkoosde hem met haar blikken. Maar daarop verschenen er windmolens, pennemessen, alles verwarde zich en vloeide ineen en hij sliep in.
VIJFDE BOEK.
I.
Toen Wronsky en Anna uit het buitenland teruggekeerd en in Petersburg aangekomen waren, hadden zij in een der Russische hotels hun intrek genomen, Wronsky op de eerste verdieping, Anna met het kind, de min en een dienstmeisje op de tweede, waar zij vier kamers bewoonde.
Den eersten dag na hun aankomst was Wronsky naar zijn broeder gereden. Hij trof daar zijn moeder aan, die voor zaken naar Moskou gekomen was. Zij en zijn schoonzuster ontvingen hem als altijd, zij spraken over zijn reis, over wederzijdsche bekenden, maar roerden met geen enkel woord zijn verhouding tot Anna aan.
Toen zijn broeder hem den volgenden morgen een tegenbezoek bracht, vroeg hij ook naar Anna. Wronsky zei hem ronduit, dat hij hun verhouding als die van echtgenooten beschouwde, en dat hij haar nog hoopte te overreden zich van haar man te laten scheiden, zooals deze haar had aangeboden; dan zou hij haar kunnen trouwen, maar reeds nu beschouwde hij haar als zijn wettige vrouw en verzocht hem, dit zijn moeder en zijn schoonzuster te willen mededeelen.
"Of de wereld dit goed- of afkeurt, is mij onverschillig," had hij gezegd, "maar wanneer mijn bloedverwanten met mij willen omgaan als met een familielid, dan moeten zij ook mijn vrouw als zoodanig beschouwen." Gregoor, die altijd veel prijs stelde op de meening van zijn jongeren broeder, wist niet recht, of dit goed of verkeerd was; de wereld moest dat beslissen, maar hij voor zich had er niets tegen, en derhalve was hij met zijn broeder Alexei bij Anna binnengetreden.
In zijn broeders tegenwoordigheid en ook in die van anderen sprak Wronsky Anna steeds met u aan, maar veronderstelde toch, als iets dat van zelf sprak, dat hij hun verhouding kende, en zij spraken er ook van, dat Anna zich naar Wronsky's landgoed zou begeven.
Ondanks zijn wereldkennis dwaalde Wronsky toch zeer in de beoordeeling zijner positie. Men zou meenen, dat hij het inzag, dat de hoogere kringen voor hem en Anna gesloten waren; maar nu kwamen in zijn hoofd allerlei denkbeelden op, dat dit vroeger wel het geval zou zijn geweest, maar dat men echter bij den tegenwoordigen vooruitgang (onbewust was hij nu een aanhanger van elken vooruitgang geworden) wel van meening veranderd zou zijn, en dat het volstrekt nog niet uitgemaakt was, of de groote wereld haar op zou nemen of niet; van het hof zouden zij natuurlijk uitgesloten blijven, maar alle andere menschen zouden het zoo beschouwen en zoo handelen, als hij zelf.
Eenige uren kan men de voeten wel in een ongemakkelijke houding onder zich houden, wanneer men zich bewust is, dat niets belet deze houding te veranderen; wanneer iemand echter weet, dat hij in deze ongemakkelijke houding blijven moet, dan zal hij met de beenen trekken en er aanvallen van kramp in bemerken en naar die richting stooten, waarin hij ze zou wenschen uit te strekken. Dit gevoel had Wronsky nu tegenover de hoogere kringen. Hoewel hij in den grond van zijn hart zeer goed wist, dat deze nu voor hem waren gesloten, wilde hij toch eens zien, of zij intusschen niet veranderd waren en hen ontvangen wilden. Maar hij bemerkte spoedig, dat, evenals bij het spel van de kat en de muis, de kringen zich voor hem persoonlijk openden, maar de handen, die voor hem waren opgeheven, zonken terstond voor Anna.
Een der eerste dames uit de Petersburger groote wereld, die Wronsky begroette, was zijn nicht, vorstin Betsy.
"Dus eindelijk!" riep zij hem van vreugde stralend toe. "En Anna? Hoe verheugt het mij! Waar logeert ge? Ik kan mij voorstellen, hoe vreeselijk vervelend het u nu na uw interessante reis in Petersburg moet voorkomen. Ik kan mij uw wittebroodsweken in Rome voorstellen! Hoe staat het nu met de scheiding? Heeft die plaats gehad?"
Wronsky bemerkte, hoe haar geestdrift verminderde, toen zij vernam, dat dit nog niet het geval was.
"Men zal daarom wel een steen op mij werpen, dat weet ik," zeide zij, "maar ik wil Anna toch bezoeken. Dat zal u aangenaam zijn. Ja, ik kom bepaald. Gij wilt niet lang hier blijven?"
En werkelijk kwam zij nog dienzelfden dag bij Anna; maar haar toon was reeds aanmerkelijk anders als vroeger. Zij liet zich klaarblijkelijk veel op haar moed voorstaan en verlangde, dat Anna deze trouwe vriendschap op prijs zou stellen. Zij bleef nauwelijks tien minuten, vertelde nieuwtjes en zeide bij het afscheid:
"Hoe staat het nu met uw scheiding? Al stoor ik mij ook aan niets, andere, kleingeestige menschen zullen misschien toch koel tegen u blijven, zoolang gij niet getrouwd zijt. Maar dat is nu immers heel eenvoudig. Ca se fait. Dus Vrijdag vertrekt gij reeds? Jammer, dat wij elkander vóór dien tijd niet meer zien."
Uit Betsy's houding had Wronsky kunnen afleiden, wat hij van de wereld te verwachten had, maar hij deed nog een poging bij zijn familie. Op zijn moeder rekende hij niet. Hij wist, dat deze, die in den eersten tijd der kennismaking zoo met Anna ingenomen was geweest, nu niets meer van haar weten wilde, omdat zij haar beschuldigde haar zoons carrière bedorven te hebben. Maar hij vestigde al zijn hoop op zijn schoonzuster Warja. Zij, dacht hij, zou geen steen op Anna werpen, zij zou vrijmoedig eenvoudig Anna bezoeken en haar ontvangen. Daarom was hij terstond den volgenden dag naar haar woning gereden, en daar hij haar alleen thuis vond, sprak hij zijn verwachtingen uit.
"Gij weet, Alexei," zei ze na hem te hebben aangehoord, "hoe veel ik van je houd, en hoe ik bereid ben alles voor je te doen. Maar ik heb gezwegen, daar ik wist, dat ik u en Anna Arkadiewna …" Zij zeide niet alleen Anna, maar uitdrukkelijk Anna Arkadiewna. "Ik bid u, meen niet, dat ik haar veroordeel! Dat nooit! Ik had in haar plaats misschien ook zoo gehandeld. Maar laat ons daar niet van spreken! "Wij behoeven niet in bizonderheden te treden, zeide zij, en zag hem verlegen in het betrokken gelaat. "Maar men moet de zaak toch bij haar naam noemen. Gij wilt, dat ik haar zal bezoeken en ontvangen om haar zoo weer in de wereld te rehabiliteeren, maar gij moet het inzien, dat kan ik niet. Mijn dochters zijn volwassen en om harentwil moet ik in de wereld leven. Dus kort en goed: ik bezoek Anna Arkadiewna, dan zal zij toch inzien, dat ik haar niet bij mij kan uitnoodigen, of ik zou het zoo moeten inrichten, dat zij degenen, die daar omtrent een andere meening hebhen, niet ontmoet; en dat zal haar beleedigen. Verheffen kan ik haar niet, integendeel ik zou …"
"Ik echter meen, dat zij niet dieper gevallen is, dan honderd andere vrouwen, die gij ontvangt," viel Wronsky haar onvriendelijk in de rede en daar hij zag, dat haar besluit vast stond, zweeg hij stil en stond op.
"Alexei! wees niet boos op mij! Ik bid je, begrijp toch, dat ik geen schuld heb!" zeide zij en zag hem met een verlegen lachje aan.
Maar zijn voorhoofd werd niet weder effen. "Ik ben niet boos op u," zeide hij. "Maar het spijt mij zeer. Het spijt mij, omdat onze vriendschap er door verbroken, ten minste er zeer door verminderd wordt. Gij zult begrijpen, dat dit voor mij ook niet anders mogelijk is." En hiermee verliet hij Warja.
Wronsky zag nu in, dat verdere pogingen vergeefsch waren en dat zij de weinige dagen in Petersburg als in een vreemde stad moesten doorbrengen. Zij moesten alle aanraking met hun vroegeren vriendenkring vermijden om zich niet aan onaangenaamheden en beleedigingen bloot te stellen. De grootste onaangenaamheid in Petersburg echter was deze, dat, zooals het scheen, Alexei Alexandrowitsch en zijn naam overal waren. Men kon geen gesprek aanknoopen, zonder dat het op Alexei Alexandrowitsch viel, men kon nergens heen rijden zonder hem te ontmoeten. Zoo ten minste scheen het Wronsky toe, als een mensch met een zeeren vinger; al gaat hij er nog zoo voorzichtig mee om, overal stoot hij er zich mede.
Het verblijf in Petersburg was voor Wronsky nog pijnlijker door de omstandigheid, dat hij Anna in een geheel nieuwe, voor hem onbegrijpelijke stemming zag. Nog pas op hem verliefd, werd zij terstond daarna koud, prikkelbaar en ongenaakbaar. Er kwelde haar iets, dat zij voor hem geheim hield; de beleedigingen, die zijn leven vergiftigden, scheen zij niet te bemerken en daardoor maakte zij ze voor hem nog te pijnlijker.
II.
Een van de redenen, die Anna bewogen hadden naar Rusland terug te keeren, was het verlangen naar haar zoon. Sedert den dag, dat zij uit Italië teruggekeerd waren, had de gedachte, dat zij hem weer zou zien, haar niet verlaten. Hoe meer zij Petersburg naderden, des te grooter scheen haar de vreugde en de beteekenis van dit wederzien. Zij vroeg zich af, hoe haar dit zou gelukken; het scheen haar zoo eenvoudig en natuurlijk, als zij met hem in dezelfde stad was. Maar reeds terstond na haar aankomst in Petersburg werd haar haar tegenwoordige verhouding tot de wereld duidelijk en zij begon in te zien, dat het lang niet gemakkelijk zou zijn haar zoon te zien.
Reeds twee dagen was zij in Petersburg geweest en de gedachte aan haar zoon had haar geen oogenblik verlaten, maar nog had zij hem nergens gezien. Hem in zijn huis te bezoeken, waar zij Alexei Alexandrowitsch zou kunnen ontmoeten, daar had zij het recht niet toe. Men zou haar kunnen afwijzen en beleedigen. Aan haar man te schrijven was haar een kwellende gedachte. Haar zoon eens toevallig op een wandeling te ontmoeten was haar niet voldoende; zij had zich zoo op dit weerzien voorbereid, zij had hem zooveel te zeggen, zij wilde hem omarmen en kussen! Serëscha's oude kindermeid had haar met raad en daad kunnen bijstaan, maar deze woonde niet meer bij Karenin. Met dergelijke overleggingen waren twee dagen voorbijgegaan.
Den derden dag eindelijk, nadat zij de betrekking tusschen gravin Lydia Iwanowna en Alexei Alexandrowitsch vernomen had, besloot zij aan deze een brief te schrijven, die haar zeer veel zelfbeheersching kostte en waarin zij met opzet liet doorschemeren, dat de toestemming om haar zoon te zien van de grootmoedigheid van Alexei Alexandrowitsch zou afhangen, want zij wist, dat, indien hem deze brief in handen kwam, hij niet zou kunnen weigeren zijn begonnen grootmoedige rol te spelen.
De bode had haar het minst verwachte en wreedste bericht teruggebracht, dat zij geen antwoord zou ontvangen. Dat vond zij verschrikkelijk. Nog nooit had zij zich zoo vernederd gevoeld als bij het verhaal van den bode van zijn ontvangst, zijn lang wachten en het eindelijk ontvangen bericht, dat men geen antwoord zou geven; maar zij begreep, dat de gravin van haar standpunt gelijk had. Haar smart was des te grooter, nu zij die alleen moest dragen; zij kon en wilde die Wronsky niet mededeelen. Zij wist, dat voor hem, die toch de hoofdoorzaak van haar ongeluk was, een ontmoeting met haar zoon van weinig belang was; zij wist, dat hij nooit in staat zou zijn haar gevoel te begrijpen; zij wist, dat zij hem haten zou om den koelen toon, waarop hij hiervan zou spreken, en dit vreesde zij het allermeest en hield het zorgvuldig voor hem geheim. Zij bleef den geheelen dag thuis en peinsde op middelen om haar zoon te kunnen zien. Eindelijk besloot zij aan haar man zelf te schrijven. Zij had den brief reeds af, toen haar een brief van gravin Lydia gebracht werd. Had het zwijgen der gravin haar vernederd, de brief en alles, wat zij tusschen de regels las, beleedigde en griefde haar zoo zeer, deze boosaardigheid tegenover haar hartstochtelijke, rechtmatige teederheid voor haar zoon scheen haar zoo vreeselijk toe, dat zij nu nog slechts toorn tegen anderen gevoelde en ophield zich zelf aan te klagen.
"Deze koelheid is een verloochening van hun gevoel! Zij willen mij alleen beleedigen en het kind martelen, opdat ik mij aan hen onderwerp. Maar dit in geen geval! Zij zijn slechter dan ik, want ik veins ten minste niet!" En terstond besloot zij morgen, op haar zoons verjaardag, rechtstreeks naar het huis van haar man te rijden, de bedienden om te koopen of te misleiden en het ging hoe het ging, haar zoon te zien en dit afschuwelijk samenweefsel van leugens, waarmee zij het kind omsponnen, voor hem te ontwarren.
Zij begaf zich naar een speelgoedwinkel, kocht wat speelgoed en vormde haar plan. Zij wilde reeds 's morgens om acht uur, als Alexei Alexandrowitsch zeker nog sliep, er heen rijden, geld in de hand nemen om dit den portier en den bediende te geven en hun zeggen, dat zij uit naam van een van Serëscha's peetooms hem kwam gelukwenschen, en dat haar uitdrukkelijk was opgedragen het speelgoed voor zijn bed te zetten. Zij overlegde ook bij zich zelf, met welke woorden zij haar zoon zou verklaren, waarom men hen gescheiden had.
III.
Den volgenden morgen om acht uur steeg Anna uit een huurkoets en schelde aan de groote poort van haar vroeger huis.
"Ga eens zien, wat zij wil. Het is een dame," zei Kapitonitsch, die nog niet gekleed was en op pantoffels en een haastig aangeschoten jas door het venster de dame, die voor de deur stond, gewaar werd.
Nauwelijks had zijn helper, een jonge man, die Anna onbekend was, de deur geopend, of zij trad binnen, nam uit haar mof een banknoot van drie roebels en drukte hem die snel in de hand.
"Serëscha, Sergej Alexeïtsch!" stotterde zij en trad vooruit. Na een blik op den banknoot geworpen te hebben, hield haar de helper van den portier bij de tweede glazen deur staande.
"Wie verlangt u te zien?"
Maar zij hoorde en antwoordde niet.
Nu ging Kapitonitsch, die de verlegenheid der vreemde bemerkte, zelf naar haar toe en vroeg, wat zij begeerde.
"Van vorst Skorodumof aan Sergej Alexeïtsch!" antwoordde zij.
"Nog niet opgestaan," zei de portier en beschouwde haar opmerkzaam. Anna had niet verwacht, dat de zoo geheel onveranderd gebleven inrichting van de voorkamer in dit huis haar zóó zou aangrijpen. Smartelijke en blijde herinneringen verdrongen zich in haar geest en voor een oogenblik vergat zij geheel, waarom zij gekomen was.
"Wil u zoo goed zijn een oogenblik te wachten," zei Kapitonitsch en nam haar den pelsmantel af. Toen zag hij haar in 't gezicht, herkende haar en maakte zwijgend een diepe buiging.
"Wees zoo goed binnen te treden, excellentie!" zei hij hierop.
Zij wilde spreken, maar de stem begaf haar. Zij zag den oude met een smeekenden blik aan en ijlde met snelle, lichte schreden de trap op. Dewijl hij zich ver voorover boog en de pantoffels verloor, liep Kapitonitsch haar na om haar in te halen.
"Misschien is de onderwijzer daar nog niet gekleed, ik wil hem zeggen…." Maar Anna klom verder de haar wel bekende trap op, zonder iets te verstaan van hetgeen de oude zeide.
"Hier, links, excellentie! Hij woont nu in de oude hoekkamer," zeide de portier hoestend; "ik zal eens gaan zien!" ging hij voort en bleef voor de hooge deur staan. "Uw excellentie zal het verontschuldigen, dat er nog niet opgeredderd is." En hij verdween achter de deur, om terstond weer te verschijnen: "Zij zijn juist wakker!"
Anna zag en hoorde niets om zich heen. Zij kon nauwelijks het geluk bevatten, dat zij hem terstond zien zou. Maar op het oogenblik, dat de deur weer door den portier geopend werd, hoorde zij een kind geeuwen. Aan dit geluid herkende zij haar zoon en zij zag hem als levend voor zich.
"Goed, goed! ga maar heen!" zeide zij en opende de deur.
De knaap zat in zijn bed met voorovergebogen lichaam en hield juist met geeuwen op. Zijn lippen sloten zich tot een zalig, droomerig lachje en toen legde hij zich weer langzaam en welbehagelijk neer.
"Serëscha!" fluisterde zij bijna onhoorbaar en naderde hem. Dat was hij, maar toch niet zooals zij hem zich had voorgesteld. Gedurende hun scheiding en in haar vurig verlangen naar hem, had zij zich hem als kind van vier jaren voorgesteld, toen zij hem het meest bemind had. Nu was hij zelfs niet meer zoo, als toen zij hem verlaten had, hij had zich van het vierjarig kind nog verder verwijderd en was nog grooter en magerder geworden! Wat is dat? Hoe mager is zijn gezicht en hoe kort is zijn haar! Hoe lang zijn zijn armen! Wat is hij veranderd, sedert zij hem verlaten heeft! Maar hij was het toch, hij, hij, hij! Dat was de vorm van zijn hoofd, dat waren zijn lippen, zijn poezel halsje, zijn breede schouders!
"Serëscha!" herhaalde zij.
Hij richtte zich weer in het bed op, wendde het hoofd naar beide zijden, alsof hij iets zocht en opende de vastgesloten oogen. Stil en vragend zag hij zijn moeder, die voor hem stond, aan, lachte gelukkig en sloot de oogen weer, ging echter niet weer liggen, maar boog zich knielend naar haar toe.
"Serëscha! Mijn lieve jongen!" sprak zij met bijna verstikte stem en sloeg de armen om zijn teeder lichaam, dat zich welbehagelijk tegen haar aanvleide.
Slaperig, met gesloten oogen en steeds glimlachend omhelsde hij haar over de bedleuning heen, terwijl hij haar bedekte met dien zoeten, warmen adem, die slechts aan kinderen eigen is, en begon met zijn gezicht haar hals en schouders te streelen.
"Dat wist ik," zeide hij en opende de oogen. "Vandaag ben ik jarig, ik wist dat u komen zou. Ik zal dadelijk opstaan."
Anna drukte hem hartstochtelijk tegen zich aan. Zij zag, hoe hij gedurende haar afwezigheid gegroeid en veranderd was. Zij herkende zijn lange beenen, die van onder de deken te voorschijn kwamen, maar toch kwamen ze haar vreemd voor. Zij herkende de ingevallen wangen en de kort afgeknipte haarlokjes in den nek, dien zij zoo dikwijls gekust had. Zij betastte dit alles en kon niets zeggen; tranen verstikten haar stem.
"Waarom schreit u, mama?" vroeg hij plotseling geheel wakker. "Mama, waarom schreit u?" riep hij op klagenden toon
"Ik? Ik zal niet meer schreien…. Ik schrei van vreugde. Ik heb je in zoo lang niet gezien. Ik zal het niet meer doen!" zei ze, terwijl zij de tranen inslikte en zich afwendde. "Zoo! Nu moet ge u echter aankleeden." hernam ze weer bedaard en zonder zijn hand los te laten ging zij naast zijn bed op den stoel zitten, waarop zijn kleeren gereed lagen. "Hoe kunt ge u zonder mij aankleeden? Hoe…." wilde zij vragen en eenvoudig en hartelijk met hem spreken, maar zij vermocht het niet en moest zich weder afwenden.
"Ik wasch mij niet meer met koud water, dat wil papa niet hebben. Heeft u Wassili Lukitsch gezien? Hij zal dadelijk komen. En u, u zijt op mijn kleeren gaan zitten."
En Serëscha lachte. Zij zag hem aan en lachte ook.
"Mama! lief moedertje!" riep hij uit en wierp zich in haar armen. Alsof hij eerst aan de werkelijkheid geloofde, nu hij haar zag lachen. "Dat is niet noodig," zeide hij en nam haar den hoed af, en toen, als zag hij haar eerst op dit oogenblik, wierp hij zich weer in haar armen en kuste haar.
"Nu? en wat hebt ge dan van mij gedacht? Je hebt toch niet gemeend, dat ik gestorven was?"
"Dat heb ik nooit geloofd."
"Heb je het wezenlijk nooit geloofd, mijn jongen?"
"ik wist dat het niet waar was, ik wist het!" herhaalde hij en greep haar hand, die zijn haar liefkoosde, en drukte ze aan zijn mond en begon ze te kussen.