WeRead Powered by ReaderPub
Anna Karenina cover

Anna Karenina

Chapter 119: VII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel interweaves two principal narratives: one traces a married woman's passionate affair and the social, familial, and moral consequences that follow; the other follows a thoughtful man as he seeks purpose, wrestles with questions of work, faith, and the rhythms of rural life. Through detailed scenes of domestic routine and society, the book examines marriage, fidelity, isolation, public reputation versus inner life, and the search for meaning, contrasting urban social pressures with personal conscience and the restorative presence of the natural world.

IV.

Intusschen was Wassili Lukitsch gekomen. Eerst begreep hij niet, wie de dame was, maar toen hij uit het gesprek afleidde, dat zij de moeder was, die haar echtgenoot verlaten had en die hij niet kende, daar hij eerst na haar heengaan in het huis was gekomen, twijfelde hij, of hij binnen zou treden of niet, of hij er al of niet Alexei Alexandrowitsch kennis van moest geven. Na dit bij zich zelf overlegd ie hebben kwam hij tot het besluit, dat het zijn plicht was Serëscha op het gewone uur te wekken en dat hij er dus niet over behoefde na te denken, wie daar zat, de moeder of iemand anders; hij had slechts zijn plicht te vervullen. Dus had hij zich aangekleed, was naar de deur gegaan en opende ze nu. Maar de teederheid tusschen moeder en zoon, de klank hunner stemmen en dat, wat zij spraken, deden hem van plan veranderen. Hij schudde het hoofd en sloot de deur weer met een zucht.

"Ik zal nog vijf minuten wachten," zeide hij bij zich zelf, terwijl hij hoestte en zijn tranen afdroogde.

Intusschen waren de bedienden des huizes in rep en roer geraakt. Allen hadden gehoord, dat de Barinja teruggekomen was, dat Kapitonitsch haar had binnengelaten, dat zij nu in de kinderkamer was, dat mijnheer toch altijd precies om acht uur opstond en dadelijk zelf naar de kinderkamer ging, en allen begrepen, dat een ontmoeting der echtgenooten in ieder geval moest vermeden worden. Karnej, de kamerdienaar, kwam beneden in de portierskamer en vroeg, wie haar binnengelaten had. Toen hij vernam, dat Kapitonitsch zelf haar ontvangen en naar boven geleid had, berispte hij den oude. Kapitonitsch zweeg hardnekkig, maar toen Karnej tot hem zeide, dat hij daarom uit het huis verdiende gejaagd te worden, sprong hij op hem toe, schudde de vuist tegen hem en zeide:

"Ja, jij zoudt de Barinja niet binnen hebben gelaten, hoewel je tien jaar bij haar gediend en niets als goeds van haar ondervonden hebt. Wil je dan nu niet naar haar toegaan en tot haar zeggen: Ik verzoek u heen te gaan? Jij hebt immers verstand van hooge politiek! Zoo is het! Maar jij denkt slechts aan je zelf, hoe je u ten koste van je heer verrijken zult!"

"Soldaat!" zei Karnej en wendde zich tot de binnentredende kindermeid: "Oordeel zelf, Marfa Efimonowna, hij heeft haar binnengelaten en er niemand iets van gezegd. Alexei Alexandrowitsch zal terstond uit zijn vertrekken komen en naar de kinderkamer gaan."

"O hemel!" zeide de kindermeid, "Karnej Wassilitsch,gij moet, het ga hoe het ga, mijnheer terughouden, en ik zal heengaan om haar op de een of andere wijze te verwijderen. O hemel, o hemel!"

Toen de kindermeid de kinderkamer binnentrad, vertelde Serëscha zijn moeder juist, hoe hij met Nadenka van den berg gegleden en driemaal gevallen was. Zij luisterde naar het geluid zijner stem, beschouwde zijn gelaat on volgde zijn gebarenspel, bevoelde zijn hand, maar begreep niet, wat hij zeide. Zij dachten gevoelde slechts dit ééne, dat zij heengaan en hem verlaten moest. Zij had de schreden van Wassili Lukitsch gehoord, hoe hij de deur opende en hoestte; zij hoorde ook de schreden der naderende kindermeid, maar zij zat daar als versteend, zij kon niet spreken en evenmin opstaan.

"Barinja, lieve barinja," zeide de kindermeid en kuste haar de handen en schouders: "Welk een vreugde heeft God ons jarig kind bereid! U is ook in 't geheel niet veranderd."

"Ach, lieve vrouw, ik wist niet, dat gij nog hier zijt…." zeide
Anna zich een oogenblik bezinnend.

"Ik woon ook niet hier, ik woon bij mijn dochter en ik ben slechts gekomen om geluk te wenschen. Ach, Anna Arkadiewna, lieve…."

De kindermeid begon plotseling te weenen en kuste haar weer de handen.

Serëscha's oogen straalden, en terwijl hij met de eene hand de moeder en met de andere de kindermeid vasthield, sprong hij lachend met zijn bloote voeten op het vloerkleed. De teederheid der kindermeid jegens zijn moeder bracht hem in verrukking.

"Mama, zij bezoekt mij dikwijls, en als zij komt…." begon hij maar bleef steken, toen hij zag, dat de kindermeid zijn moeder iets influisterde, waarna zich op haar gelaat schrik en schaamte teekenden, wat zijn moeder volstrekt niet goed stond. Zij trad naar hem toe.

"Mijn lieveling…."

Zij vermocht niet te zeggen 'vaarwel!' maar haar gelaat zeide dat en hij verstond het: "Mijn lieve, lieve Kutik!" zei ze en noemde hem bij den lievelingsnaam, dien ze hem als klein kind gegeven had: "Zult ge mij niet vergeten? Gij…." Zij kon niet verder.

Hoeveel had ze hem willen zeggen; zij had hem willen verklaren, waarom ze van hem gescheiden was; en nu gevoelde zij de onmogelijkheid daarvan. Maar Serëscha had alles begrepen, wat zij hem zeggen wilde; hij begreep zelfs, wat de kindermeid haar toegefluisterd had. De woorden: "altijd tegen acht uur…." waren hem niet ontgaan en hij wist, dat men van zijn vader sprak en dat deze en zijn moeder elkander niet mochten ontmoeten. Dit alles begreep hij, maar hij kon niet vatten, waarom op haar gelaat schaamte en schrik stonden uitgedrukt. "Zij heeft niets gedaan en is toch bang voor hem en schaamt zich voor iets." Hij wilde een vraag doen, opdat hem dit raadsel werd opgelost, maar dat mocht hij niet. Hij zag, dat zij leed en dat deed hem pijn. Hij drukte zich zwijgend vast tegen haar aan en zeide fluisterend:

"Ga nog niet heen; hij zal nog niet dadelijk komen."

Zij schoof hem van zich af om zoo te zien, of hij wist, wat hij zeide, en aan de verschrikte uitdrukking van zijn gezicht bemerkte zij, dat hij er zich niet alleen van bewust was, wat hij gezegd had, maar dat hij ook nog scheen te vragen, wat hij van zijn vader moest denken.

"Serëscha, liefste," zeide zij, "heb hem lief, hij is beter en edeler dan ik, en ik ben schuldiger dan hij. Wanneer gij volwassen zijt, zult gij dat alles inzien."

"Er is niemand, die beter is dan gij!" riep hij wanhopig weenend, en haar met kracht om de schouders vattend, drukte hij haar met van inspanning bevende handen tegen zich aan.

"Mijn hartje, mijn kleine!" zeide Anna zacht, als een kind schreiende.

Op dit oogenblik werd de deur geopend en Wassili Lukitsch trad binnen. Achter de deur hoorde men schreden; de kindermeid fluisterde verschrikt:

"Hij komt!" en reikte Anna haar hoed aan.

Serëscha wierp zich op het bed terug en weende luid, terwijl hij zijn gezicht met de handen bedekte. Anna nam deze handjes weg, kuste nog eens zijn natte oogen en ging met snelle schreden naar de deur. Alexei Alexandrowitsch trad haar te gemoet. Toen hij haar zag, stond hij stil en boog het hoofd.

V.

Hoe vurig Anna ook verlangd had haar zoon weer te zien en hoewel zij zich in alle opzichten daarop had voorbereid, had ze toch niet gedacht, dat deze ontmoeting haar zóó zou aangrijpen. In het hotel teruggekeerd, kon ze geruimen tijd niet begrijpen, waarom ze daar was.

"Ja, alles is weer voorbij en ik ben weer alleen," sprak ze in zich zelf en zonder den hoed af te zetten ging ze op den stoel zitten, die bij den haard stond. Met starenden blik keek zij naar de bronzen pendule, die op de console tusschen de beide vensters stond.

De Italiaansche min bracht het kleine meisje en hield het Anna toe. Het kleine, dikke, wel doorvoede kindje draaide evenals altijd, wanneer het zijn moeder zag, de ronde, volle armpjes met de handpalm naar beneden, lachte met het nog tandelooze mondje, en, evenals een visch met zijn vinnen doet, begon het met de handjes op zijn gesteven rokje te slaan. Men moest glimlachen, het kind kussen, en het den vinger toehouden, dien het juichend en met het geheele lichaam opspringend greep, en dan moest men het de lippen toehouden, die het in plaats van ze te kussen inzoog.

Dat alles deed Anna, nam het op den arm, liet het springen en kuste het de frissche wangen en de bloote armpjes, maar bij den aanblik van dit kind, werd zij zich bewust, dat zelfs het gevoel, dat zij voor het kindje koesterde in vergelijking van dat voor Serëscha geen liefde kon genoemd worden. Alles in dit kleine meisje was bekoorlijk, maar het roerde haar hart niet. Op het eerste kind, hoewel van een onbeminden man, had zij al de kracht harer liefde, die geen bevrediging gevonden had, vereenigd; aan het kleine, onder de moeielijkste omstandigheden geboren meisje was niet het honderdste deel van de zorg besteed, die men eens aan Serëscha had gewijd. Buitendien was de kleine nog geheel verwachting, Serëscha daarentegen was reeds bijna een mensch, een geliefd mensch en in hem bewogen zich reeds gedachten en gevoelens; hij begreep en beminde haar en kon zich reeds een oordeel vormen. En van hem was zij nu voor altijd, niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk gescheiden, en daaraan was niets meer te veranderen!

Zij gaf het kleine meisje aan de min terug en nam een album waarin zich alle photographieën van haar zoon in zijn verschillende levensjaren bevonden. Zij beschouwde ze en daarbij viel haar blik ook op Wronsky's portret.

"Dat is hij!" zeide zij en dacht daarbij aan hem als aan dengene, die de schuld was van haar tegenwoordigen, ongelukkigen toestand. Den ganschen morgen had zij niet aan hem gedacht. Maar nu haar plotseling dit mannelijk schoone, welbekende, dierbare gelaat tegenstraalde, nu gevoelde zij een onverwachte opwelling van liefde voor hem.

"Waar is hij? Waarom laat hij mij nu zoo alleen met mijn smart?" dacht zij plotseling met een treurig gevoel van verwijt, maar toch ook van liefde, terwijl ze vergat, dat zij zelf voor hem alles, wat haar zoon betrof, geheim had gehouden. Zij zond naar hem toe om te vragen, of hij terstond bij haar wilde komen. De bode kwam met het antwoord terug, dat hij bezoek had, maar dat hij spoedig zou komen en of hij vorst Jawschin mocht meebrengen.

"Hij komt niet alleen, hoewel hij mij sedert gisteren middag niet gezien heeft," dacht zij, en plotseling kwam de gedachte in haar op, dat hij haar reeds lang niet meer liefhad en dat nu voor haar geheim zocht te houden. Het weerzien van haar zoon, de ontmoeting met haar echtgenoot, al haar herinneringen aan het verleden, alles had zij nu vergeten. "Ja, hij bemint mij niet meer! Hoe is het mogelijk, dat ik dit niet reeds eerder bemerkt heb!" En terwijl zij alle gebeurtenissen van den dag in haar geest naging, vond zij in alles met ontzetting de bevestiging van dit vreeselijk vermoeden. Dat hij gisteren middag niet te huis bij haar gegeten had, dat hij er op had aangedrongen, dat zij in Petersburg ieder voor zich een afzonderlijke woning zouden nemen, en dat hij nu met zijn gast bij haar kwam, alsof hij een ontmoeting met haar alleen vermijden wilde…."

"Maar hij moet het mij zeggen! Ik moet het weten! En als ik het weet, dan weet ik ook, wat mij te doen staat," zeide zij buiten staat zijnde zich den toestand voor te stellen, waarin zij geraken zou, wanneer ze zich werkelijk van zijn onverschilligheid overtuigd zou hebben. Zij gevoelde zich de vertwijfeling nabij en ten gevolge daarvan in een buitengewoon opgewonden toestand. Zij schelde om het meisje en ging naar haar toiletkamer. Zij hield zich nu meer dan gewoonlijk met haar toilet bezig, alsof hij haar weer lief moest krijgen, wanneer ze een kapsel en een kleed droeg, die haar het best stonden. Slechts aan hem dacht zij nog, aan haar liefde en niet meer aan haar zoon. Nog eer zij gereed was, hoorde zij de gasten schellen.

Toen zij het salon betrad, was het niet zijn, maar Jawschins blik, die haar het eerst begroette; hij beschouwde de photographieën van haar zoon, die zij op de tafel had laten liggen, en hij scheen geen haast te hebben om zich tot haar te wenden.

"Wij zijn reeds oude bekenden," zeide zij en legde glimlachend haar kleine hand in de buitengewoon groote van den ietwat verlegen Jawschin; deze verlegenheid stond hem wonderlijk bij zijn hooge gestalte en forsch gelaat. "Verleden jaar hebben wij elkaar bij den wedren leeren kennen. Waren de wedrennen dit jaar ook interessant? Ik heb daarvoor de Corsoin Rome leeren kennen. Maar gij zijt geen vereerder van het buitenlandsche," zeide zij hem bemoedigend toelachend. Ik ken u en uw smaak, hoewel we elkander slechts eenmaal ontmoet hebben."

"Dat spijt me, want ik heb een slechten smaak," antwoordde hij.

Nadat zij zoo een tijdlang gepraat hadden, bemerkte Jawschin, dat Wronsky naar de pendule keek. Hij vroeg daarom nog slechts, of zij nog lang in Petersburg dachten te blijven, en greep daarna naar zijn muts.

"Ik denk niet lang," antwoordde zij, Wronsky verlegen aanziende.

"Dan zullen wij elkander wel niet meer zien," zeide Jawschin opstaande en zich tot Wronsky wendende. "Waar gaat ge van middag eten?"

"Wees van middag mijn gast," zeide Anna vastberaden, terwijl zij zich ergerde over haar verlegenheid, want zij bloosde als gewoonlijk, wanneer ze in het bijzijn van een vreemde op haar tegenwoordigen toestand moest zinspelen. "Het eten is hier wel is waar niet bizonder goed, maar gij beiden kunt dan ten minste hij elkander blijven. Alexei houdt van niemand zijner kameraden zooveel als van u."

"Dat verheugt mij zeer," antwoordde Jawschin, met een lachje, waaraan Wronsky bemerkte, dat Anna een goeden indruk op hem gemaakt had, en terwijl hij Anna eerbiedig naderde, drukte hij haar weer voorzichtig de hand.

Wronsky was met Jawschin opgestaan.

"Dus gij gaat ook?" zeide zij en gaf ook hem de hand.

"Ik had mij reeds wat verlaat," antwoordde hij. "Ga maar vooruit, ik zal u wel weer inhalen," riep hij Jawschin toe, die reeds bij de deur stond.

Zij hield zijn hand vast en zag hem met onafgewenden blik aan, terwijl zij er over nadacht, wat zij hem zou kunnen zeggen om hem terug te houden.

"Wacht, ik wil u iets zeggen," sprak zij en drukte zijn hand tegen haar hals. "Het hindert toch niet, dat ik hem uitgenoodigd heb?"

"Dat was heel goed van u," antwoordde hij, terwijl hij haar lachend de hand kuste.

"Alexei, ge zijt toch niet jegens mij veranderd?" vroeg zij met beide handen de zijne drukkend.

"Alexei, het verblijf hier is voor mij zoo pijnlijk. Wanneer reizen wij af?"

"Spoedig, spoedig! Gij kunt niet denken, hoe zwaar het leven hier ook mij valt," antwoordde hij zijn hand terugtrekkend.

"Nu, ga dan maar heen!" zeide zij beleedigd en wendde zich snel van hem af.

VI.

Toen Wronsky in het hotel terugkeerde, was Anna niet te huis. Spoedig na zijn vertrek werd hem medegedeeld, dat er een dame was gekomen en zij met deze was uitgereden. Dat zij uitgereden was zonder hem te laten weten waarheen, dat zij nu nog niet weer terug was, dat zij dien morgen in alle vroegte buiten zijn weten reeds ergens heen was geweest, dit alles te zamen met haar zonderling opgewonden voorkomen des voormiddags, toen zij hem met een bijna vijandigen blik de portretten van haar zoon in Jawschins tegenwoordigheid uit de hand had genomen, dit alles wekte zijn achterdocht op. Zoo wachtte hij haar in haar salon.

Maar Anna keerde niet alleen terug. Zij bracht een arme nicht, een oude vrijster, vorstin Oblonsky, mede. Dit was dezelfde dame, die des voormiddags bij haar was geweest en met wie zij was uitgereden om inkoopen te doen.

Anna scheen de bekommerde en onderzoekende uitdrukking op Wronsky's gelaat in 't geheel niet te bemerken en vertelde hem vroolijk, wat ze al zoo gekocht had. Maar hij zag, dat er iets in haar omging; in de schitterende oogen, wanneer ze een oogenblik op hem rustten, lag een gespannen aandacht en in haar woorden en gebaren dezelfde vlugheid en aanvalligheid, die hem in den eersten tijd hunner kennismaking zoozeer had aangetrokken.

Er was voor vier personen gedekt. Allen waren reeds bijeen toen Tuschkewitsch nog met een boodschap van vorstin Betsy aan Anna kwam. Betsy liet zich excuseeren, dat zij niet meer kon komen afscheid nemen, daar zij ongesteld was, en verzocht Anna haar tusschen zeven en negen te bezoeken. Wronsky zag Anna aan bij deze nauwkeurige bepaling van den tijd, die toonde, dat er maatregelen genomen waren om een ontmoeting met anderen te verhinderen. Maar Anna scheen dat volstrekt niet te bemerken.

"Het spijt me, dat ik juist tusschen zeven en negen geen tijd heb," antwoordde zij met een nauwelijks merkbaar lachje.

"Dat zal de vorstin zeer spijten."

"Mij ook."

"Wil u Patti ook soms hooren?" vroeg Tuschkewitsch.

"Patti? Daar zegt u zoo iets! Ik zou er wel heen gaan, als ik wist, dat ik nog een loge kon krijgen."

"Ik kan er u een verschaffen," sloeg Tuschkewitsch haar voor.

"Ik zou u bizonder dankbaar zijn," antwoordde Anna. "Wil u niet met ons dineeren? Mag ik u aan elkander voorstellen?"

Wronsky trok nauwelijks merkbaar de schouders op. Hij verloor zijn kalmte en kon Anna niet meer begrijpen. Waarom noodigde zij Tuschkewitsch uit om te blijven dineeren en, wat meer beduidde, wat wilde zij met een loge? Kon men er dan in haar toestand aan denken naar een Patti-voorstelling te gaan, waar de geheele haar bekende kring verschijnen zou? Hij zag haar verwijtend aan, maar zij antwoordde hem met den zelfden uitdagenden, half vroolijken, half verslagen blik, waarvan hij de beteekenis niet vatten kon.

Gedurende het diner was Anna opgewonden vroolijk. Het scheen alsof ze met Tuschkewitsch en Jawschin coquetteeren wilde. Na het diner reed Tuschkewitsch weg om voor een loge te zorgen en Wronsky en Jawschin gingen naar beneden om te rooken.

Nadat Wronsky een tijdlang beneden had gezeten, haastte hij zich weer naar boven, naar Anna. Zij had zich reeds omgekleed en droeg een lichtzijden met fluweel bezet kleed, dat zij in Parijs besteld had; het was van voren op de borst hartvormig uitgesneden, en op het hoofd droeg zij witte kant, die haar gelaat omlijstte en haar verblindende schoonheid voordeelig deed uitkomen.

"Wilt gij werkelijk naar de schouwburg gaan?" vroeg hij bezorgd en deed moeite haar niet aan te zien, opdat haar wegsleepende schoonheid geen invloed op hem zou uitoefenen.

"Waarom vraag je dat zoo verschrikt?" antwoordde zij. "Waarom zou ik er niet heengaan?"

Zij scheen de beteekenis zijner woorden niet te begrijpen.

"Daar is waarlijk geen reden voor!" zeide hij met gefronst voorhoofd.

"Datzelfde zeg ik immers ook," zeide zij met een onverschillig lachje en keerde haar langen, welriekenden handschoen om.

"Anna! Om Godswil! Wat scheelt u?" vroeg hij, om haar op te wekken, evenals vroeger haar man tot haar gesproken had.

"Ik begrijp niet wat ge wilt!"

"Je weet toch, dat je niet naar de schouwburg kunt gaan?"

"Waarom? Ik ga er niet alleen heen. Vorstin Barbara is naar huis gereden om zich te kleeden. Zij zal mij vergezellen."

Met een uitdrukking van besluiteloosheid en vertwijfeling haalde hij de schouders op.

"Weet je dan niet…." begon hij weer.

"Aan dat alles wil ik echter niet denken," schreeuwde zij bijna: "Ik wil niet! Heb ik soms berouw over wat ik gedaan heb? Neen, neen en nogmaals neen! En wanneer het weer van voren af aan begon, dan zou het evenzo geschieden. Voor ons, voor u en voor mij is slechts dit ééne van betekenis: dat wij elkander liefhebben en dat al het andere voor ons in 't geheel niet bestaat. Waarom wonen wij hier gescheiden en zien wij elkander bijna niet? Waarom mag ik niet naar den schouwburg? Ik bemin u, en anders is mij alles onverschillig. Maar uw gevoelens jegens mij zijn veranderd!" zeide zij en zag hem met een eigenaardig schitterenden en raadselachtigen blik aan. "Waarom ziet gij mij niet aan?"

Hij zag haar aan. Hij bemerkte de schoonheid van haar gelaat en haar elegant toilet. Maar juist nu hinderden hem haar schoonheid en élégance.

"Mijn gevoelens jegens u zijn niet veranderd, dat weet je; maar ik bid, ik bezweer je, ga niet naar de schouwburg!"

Zij verstond zijn woorden niet, maar zij gevoelde zijn kouden blik en antwoordde boos:

"En ik verzoek u, mij te verklaren, waarom ik er niet heen mag."

"Omdat het licht reden kan geven tot…."

Hij bleef steken.

"Ik begrijp er niets van. Jawschin n'est pas compromettant, en vorstin
Barbara zal mij vergezellen. Daar is zij reeds!"

VII.

Wronsky betrad om negen uur den schouwburg. De voorstelling was in vollen gang. In den helder verlichten corridor bevonden zich slechts de logesluiters en twee bedienden met de pelzen hunner meesters en meesteressen op den arm. Uit een niet zeer vast gesloten deur klonken de tonen van den voorzichtig accompagneerenden staccato van het orkest en een helderklinkende vrouwenstem, die juist een aria eindigde. De deur ging open, de logesluiter sloop hem voorbij en een daverend handgeklap verkondigde, dat het bedrijf ten einde was.

Wronsky ging de met een tapijt belegde trap af naar het door kroonluchters en gasvlammen verlichte parterre juist op het oogenblik, dat de zangeres, die schitterde door haar naakte schouders en diamanten, een diepe buiging maakte en glimlachend, met hulp van den tenor, de over het voetlicht vliegende bouquetten verzamelde; toen naderde zij een heer, die zijn van pommade glimmend haar in het midden gescheiden droeg, en die haar met opgeheven armen iets op het tooneel toereikte, en het publiek in het parterre en in de loges was opgewonden, boog zich naar voren en schreeuwde en klapte in de handen. De kapelmeester op zijn verhevenheid moest den heer bij de overgave behulpzaam zijn en schikte daarna zijn witte das weer terecht.

Wronsky ging naar het midden van het parterre en zag om zich heen. Heden lette hij minder dan ooit op de hem bekende en gewone inrichting van den schouwburg, op het tooneel en op al het geraas, dat, zooals hij wist, niets anders beduidde dan de vreugde over de gelegenheid om geraas te kunnen maken; evenmin sloeg hij acht op de geheele, hem lang bekende, onbelangwekkende, bonte menigte van toeschouwers in de volgepropte zaal. Hij zag daar altijd dezelfde vrouwen der demimonde, dezelfde bankiers en koopmansvrouwen, dezelfde officieren op den achtergrond der loges, dezelfde uniformen en jassen, dezelfde geheimzinnige, ongelukkige massa van waarschijnlijk menschelijke wezens, die daarboven in den engelenbak en op de galerijen stikte en tierde; en eindelijk onder deze gansche menigte dezelfde veertig eigenlijke en echte menschen, die op de gereserveerde plaatsen en in de loges verspreid zaten. Dit waren de oasen, waarop al zijn aandacht zich vestigde; en nog eer hij het parterre weer verlaten had, had hij er zich reeds mede in betrekking gesteld.

Bij zijn binnenkomst was het bedrijf ten einde en daarom was hij, zonder zich in de loge zijns broeders te begeven, langs de eerste rij van het parterre gegaan en bleef hier voor het voetlicht naast Serpuchowsky staan, die hier met teruggebogen knie zijn hiel op de leuning gezet had, en, hem reeds van verre bemerkend, hem met een glimlach tot zich had geroepen. Wronsky behoefde slechts deze "echte", d.w.z. zijn menschen aan te zien, op de richting hunner blikken en de uitdrukking van hun gelaat acht te geven, hij behoefde slechts hun op hem gerichte aandacht te bemerken om te begrijpen, wat op het oogenblik het voorwerp hunner belangstelling was; deze belangstelling werd verdeeld tusschen den verklaarden verloofde eener bekende jonge dame, die bijna dronken naast haar in haar loge zat, en tusschen de tegenwoordigheid van Anna Karenina. Wronsky wist, dat nu het voorname gezelschap zich levendig bezig hield met het huwelijk van bovengenoemde jonge dame, tot wier verloving met een door een ongelukkige ziekte mismaakt en aan den drank verslaafd mensch haar ouders hun toestemming hadden gegeven, omdat de vader van den bruidegom een zeer hooge, invloedrijke betrekking bekleedde; en heden vertoonde de bruid zich voor het eerst met haar verloofde in het publiek. Maar hij bemerkte, dat het opzien, dat Anna's verschijning baarde, nog grooter was, en dat al het glimlachen en schouderophalen, alle geestige zetten en teekenen van verbazing op haar gemunt waren. Hij had Anna nog niet bemerkt, maar hij zag met opzet niet naar haar plaats. Aan de richting van ieders blik zag hij, waar hij haar zoeken moest. Hij was op het ergste voorbereid. Hij zocht met de oogen naar Alexei Alexandrowitsch; maar deze was heden gelukkig niet in den schouwburg.

"Hoe weinig is er van den militair in u overgebleven!" zeide
Serpuchowsky: "Een diplomaat, een kunstenaar of iets dergelijks."

"Ja, na mijn terugkomst heb ik den frak aangetrokken," antwoordde
Wronsky lachend en haalde langzaam zijn tooneelkijker te voorschijn.

"Daarin benijd ik u. Wanneer ik uit het buitenland terugkeer en dit aandoe," hij raakte zijn epaulet aan—"dan betreur ik mijn vrijheid."

Serpuchowsky had zich reeds lang niets meer van Wronsky's werkzaamheid in den dienst voorgesteld, maar hij hield nog evenveel van hem als vroeger en nu, op dit oogenblik, nu hij zijn netelige positie volkomen begreep, gaf hij zich bizonder veel moeite om vriendelijk jegens hem te zijn."

"Jammer, voor het eerste bedrijf zijt ge te laat gekomen."

Wronsky luisterde slechts met één oor. Hij had den tooneelkijker naar de bel-étage gericht en monsterde de loges. Naast een dame met een tulband en een ouden heer, die boos door de glazen van zijn beweegbaren tooneelkijker tuurde, herkende hij Anna's beeldschoon hoofd, dat lachend uit zijn kanten lijst te voorschijn kwam. Zij zat in de vijfde baignoire, nauwelijks twintig schreden van hem verwijderd. Zij zat op de eerste rij en met een weinig achterover gebogen hoofd sprak zij met Jawschin. De houding van haar hoofd op de schoone, volle schouders en het gedempte vuur in haar oogen herinnerden hem volkomen aan den avond, toen hij haar in Moskou op het bal ontmoet had. Maar nu werkte haar schoonheid geheel anders op hem. In zijn gevoel voor haar lag nu niets geheimzinnigs meer en daarom deed hem nu haar schoonheid, hoewel zij hem nog sterker aantrok dan vroeger, te gelijkertijd pijnlijk aan. Niet een enkele maal ontmoetten hun blikken elkander; maar ook geen oogenblik hielden zij beiden op de tegenwoordigheid van den ander te gevoelen.

Toen Wronsky nogmaals zijn kijker daarheen richtte, bemerkte hij op het gelaat van vorstin Barbara een verschrikkelijke en toornige uitdrukking en zag hij, hoe zij zich voortdurend naar de naburige loge omkeerde. Ook Jawschin keek boos dien kant uit.—In die loge zaten de Katawassow's. Wronsky kende hen en wist, dat ook Anna met hen bekend was. Mevrouw Katawassow, een kleine, magere vrouw, was opgestaan en sloeg, terwijl zij Anna den rug toekeerde, haar sortie om, waarbij haar man haar behulpzaam was. Haar gezicht zag er rood en toornig uit en zeer opgewonden zeide zij iets. Katawassow, een zwaarlijvige kaalkop, trachtte zijn vrouw te kalmeeren, terwijl hij voortdurend naar Anna omkeek. Toen de dame was heengegaan, aarzelde haar man een tijdlang, terwijl hij met de oogen Anna's blik zocht met een blijkbaren wensch haar te groeten. Zij scheen dat echter opzettelijk niet te willen bemerken, maar wendde zich om en zeide iets tot Jawschin, die zijn hoofd met het kortgeknipte haar naar haar toe boog. Katawassow verliet den schouwburg, zonder voor Anna te hebben kunnen buigen, en de loge bleef van dit oogenblik af ledig.

Wronsky wist niet, wat er tusschen de Katawassow's en Anna voorgevallen was, maar zooveel was hem duidelijk, dat het iets vernederends voor Anna moest geweest zijn. Hij maakte dat op uit hetgeen hij gezien had en vooral uit het opgewonden gloeiend gelaat van Anna, die, dat wist hij, haar laatste krachten verzamelde om haar rol ten einde te spelen. En deze rol, uiterlijk kalm te schijnen, gelukte haar volkomen. Wie haar en haar omgeving niet kende en niet alle uitdrukkingen van medegevoel, ontsteltenis en verwondering van de zijde der vrouwen, dat zij het waagde zoo in dit opvallend kanten hoofdtooisel en met haar schoonheid openlijk voor de wereld te verschijnen, gehoord had,—die moest de kalmte en schoonheid dezer vrouw bewonderen en kon niet vermoeden, dat de gevoelens van een mensch, dien men aan den schandpaal stelt, haar ziel beroerden.

Wronsky, die wist, dat er iets gebeurd was, maar niet wat, voelde een kwellende onrust, en in de hoop iets meer te vernemen, begaf hij zich naar de loge zijns broeders. Hij koos opzettelijk dien uitgang van het parterre, die zich tegenover Anna's plaats bevond en ontmoette hier zijn vroegeren regimentscommandant, die met twee bekenden sprak. Wronsky hoorde nog, hoe zij den naam Karenina uitspraken, en bemerkte, dat de commandant zich haastte, met beteekenisvollen blik op de sprekenden, luide Wronsky's naam te noemen.

"Zoo, Wronsky! Wanneer kom je weer bij ons regement? Zonder een afscheidsfeestje kunnen we je toch niet ontslaan!" zeide hij.

"Dat spijt me, maar ik heb nu geen tijd. Op een anderen keer!" antwoordde Wronsky en snelde den trap op naar de loge zijns broeders.

Hier zat zijn moeder, de oude gravin, met haar stijve krullen. Warja was hem met prinses Sorakin op den corridor der beletage tegengekomen. Warja begeleidde de prinses naar haar moeder, toen gaf zij haar zwager een hand en begon dadelijk te spreken over 't geen hem belang inboezemde. Zij was zoo opgewonden, als hij haar nog nooit gezien had.

"Ik vind dat gemeen en afschuwelijk en madame Katawassow had daar volstrekt geen recht toe. Madame Karenina," begon ze.

"Nu? Wat dan"? Ik weet niets."

"Hoe? Hebt ge 't in 't geheel niet gehoord?"

"Je zult begrijpen, dat ik de laatste ben, die iets te hooren krijgt."

"Is er wel een boosaardiger schepsel dan deze mevrouw Katawassow?"'

"Wat heeft ze dan gedaan?"

"Mijn man heeft mij verteld…. Zij heeft madame Karenina beleedigd. Haar man is uit zijn loge een gesprek met haar begonnen en daarover heeft zijn vrouw hem een standje gemaakt. Zij moet hardop iets beleedigends gezegd hebben en is heengegaan."

Prinses Sorakin verscheen in de deur.

"Graaf Wronsky, uw mama zou u gaarne spreken," zeide zij.

"Ik ben u nog altijd wachtende," zeide zijn moeder met een spottend lachje, "men ziet u in 't geheel niet."

Haar zoon bemerkte, dat zij haar leedvermaak niet verbergen kon.

"Goeden avond, mama. Ik was op weg naar u toe," antwoordde hij koeltjes.

"Waarom gaat ge niet faire la cour à madame Karénine? Elle fait sensation. On oublie la Patti pour elle."

"Mama, ik verzoek u vriendelijk, daarvan niet te spreken," antwoordde hij, het voorhoofd fronsend.

"Ik zeg slechts, wat allen zeggen."

Wronsky antwoordde niet en richtte eenige woorden tot de prinses. In de deur trad hem zijn broeder tegen.

"Ach, Alexei! Welk een laagheid! Een dom schepsel, meer niet!… Ik wilde reeds naar haar toegaan—Kom mee!"

Alexei Wronsky hoorde hem niet. Hij ging een corridor door naar beneden. Hij gevoelde, dat hij iets doen moest, maar hij wist niet wat. De toorn tegen haar, omdat zij zich zelf en hem in een valsche positie had gebracht, maar ook het medegevoel met haar lijden wond hem op. Hij ging door het parterre rechtstreeks naar haar loge. In haar baignoire bevond zich Strenow, die met haar sprak.

"Er zijn tegenwoordig geen tenors meer. Le moule en est brisé."

Wronsky boog zich voor haar en groette Strenow.

"Ik geloof, dat ge te laat gekomen zijt en de schoonste aria niet gehoord hebt," zeide Anna tot hem. Het scheen hem toe, dat zij hem daarbij ironisch aanzag.

"Ik ben een slecht criticus," zeide hij, met een ernstigen blik haar aanziende.

"Evenals vorst Jawschin," hernam zij lachend. "Die meent, dat Patti te luid zingt; ik dank je," zei ze met haar kleine hand het programma aannemend, dat Wronsky voor haar had opgeraapt. Op dit oogenblik vertrok zij haar schoon gelaat; ze stond op en begaf zich naar den achtergrond der loge.——

Toen Wronsky bemerkte, dat haar loge in het volgend bedrijf ledig bleef, verliet ook hij het parterre en reed naar huis.

Hij vond haar alleen, nog in hetzelfde toilet, waarin zij den schouwburg bezocht had. Zij zat op den eersten stoel aan den wand en staarde voor zich uit; toen hij binnentrad, keek zij op en haar gezicht behield voor een oogenblik zijn strakke uitdrukking.

"Waarom hebt ge…." begon zij en wilde opstaan. Maar hij hield haar tegen. "Gij, gij zijt de schuld van alles!" riep zij, in tranen van toorn uitbarstende, op wanhopigen toon.

"Anna! Ik heb u verzocht, u bezworen, er niet heen te gaan; ik wist, dat het u onaangenaam zijn moest."

"Onaangenaam!" riep ze: "Ontzettend! Zoo lang ik leef, zal ik dat niet vergeten! Zij zeide, dat het schande was naast mij te zitten…!"

"Woorden van een domme vrouw!" zeide hij; "maar waarom dat gewaagd, waarom haar uitgedaagd?"

"Ik haat uw kalmte. Gij hadt mij niet zoover moeten brengen. Als gij een weinig van mij hieldt…."

"Anna! waarom deze twijfel aan mijn liefde?"

"Wanneer gij mij liefhadt, zooals ik u liefheb, wanneer gij u zoo kwellen moest, als ik…." En zij zag hem aan met een uitdrukking van schrik, van ontzetting.

Maar toch was hij over haar ontstemd. Al verweet hij haar ook niets met woorden, hij klaagde haar evenwel in zijn hart aan; maar toch verzekerde hij haar van zijn liefde, daar hij wist, dat dit alleen haar troosten kon.

En deze liefdesbetuigingen, die hem zoo alledaagsch toeschenen, dat hij zich schaamde ze uit te spreken, ving zij gretig op en zij werd langzamerhand weer kalm. Den volgenden dag reisden zij, geheel met elkander verzoend, naar het land.

VIII.

Darja Alexandrowna sleet den ganschen zomer met haar kinderen in Pokrowka bij haar zuster Kitty Lewina. Op haar eigen landgoed was het huis geheel vervallen en Lewin en zijn vrouw hadden haar overgehaald den zomer bij hen door te brengen. Stipan Arkadiewitsch vond deze schikking voortreffelijk en zeide, dat 't hem alleen maar speet, dat zijn betrekking hem verhinderde eveneens den zomer met de zijnen buiten door te brengen, daar dit voor hem het grootste geluk zou zijn. Hij bleef in Moskou achter en kwam van tijd tot tijd eenige dagen naar buiten.

Behalve de Oblonsky's met al de kinderen en hun gouvernante, hield zich dezen zomer ook de oude vorstin Tscherbatzky bij de Lewins op. Zij hield het voor haar plicht onder de tegenwoordige omstandigheden haar onervaren dochter ter zijde te staan. Ook Warenka, Kitty's vriendin, die zij in Soden had leeren kennen, had haar belofte vervuld Kitty te bezoeken, zoodra zij getrouwd zou zijn. Hoewel dit bijna allen bloedverwanten van Kitty waren en Lewin ze allen genegen was, betreurde hij toch een weinig zijn Lewinsche wereld en levenswijze, die, zooals hij zich uitdrukte, door den toestroom van het "Tscherbatzkysche element" met vernietiging bedreigd werd. Van zijn eigen familie bezocht hem dezen zomer slechts zijn broeder Sergej Iwanowitsch; maar ook hij was in zijn hart geen Lewin, maar een Kosnischew, zoodat het Lewinsche element geheel onderlag.

In Lewins huis, dat zoo lang ledig was geweest, waren nu zooveel menschen, dat bijna alle kamers bezet waren, en bijna elken dag moest de oude vorstin, voor zij aan tafel ging zitten, de hoofden tellen om het dertiende kleinkind aan een afzonderlijke tafel te plaatsen. Ook Kitty, die zich zeer druk maakte met de huishouding, had moeite genoeg al de hoenders, kalkoenen en eenden te verschaffen, die de goede eetlust harer gasten zoozeer behoefde.

Terwijl de kinderen in de kamer thee dronken, zaten de volwassenen op het balkon.

"Gij kunt er op aan, wat ik u zeg. Alexander komt niet mee," zeide de oude vorstin.

Men verwachtte namelijk met den avondtrein Stipan Arkadiewitsch, en de oude vorst had geschreven, dat hij misschien mede zou komen.

"En waarom?" ging de oude dame voort. "Hij zegt, dat men jonggetrouwden aan zich zelf moet overlaten."

"Papa heeft ons reeds genoeg alleen gelaten; hij is nog nooit hier geweest," zeide Kitty. "En welk een jong echtpaar zijn wij? We zijn reeds oud genoeg."

"Maar wanneer hij niet komt, dan neem ik ook afscheid, kinderen," zei de oude vorstin met bekommerde zucht.

"Waar denkt ge aan, mama!" vielen haar nu haar dochters aan.

"Bedenkt toch, hoe het hem, nu hij alleen is, te moede moet zijn! Want nu…." En plotseling, geheel onverwachts begon de stem der vorstin te beven. De dochters zwegen en zagen elkander aan. "Mama haalt zich altijd treurige dingen in 't hoofd," spraken haar blikken. Zij wisten niet, dat, hoe behagelijk zich de vorstin ook bij haar dochter gevoelde en hoewel zij haar aanwezigheid hier voor noodig hield, het haar en haar man treurig te moede was, sedert ook haar laatste, haar lievelingsdochter getrouwd was en haar familienest zoo geheel was verlaten.

"Wat wilt ge, Agasija Michailowna?" vroeg Kitty plotseling aan de met een geheimzinnig en gewichtig gelaat naast haar staande keukenmeid.

"Over het avondeten…."

"Ach, is het al weer zóó laat," zeide Dolly. "Ga gij nu heen om er voor te zorgen, dan zal ik intusschen met Grischa de les repeteeren. Hij is vandaag lui geweest."

"Dat is me ook een les! Neen, Dolly, ik zal gaan," riep Lewin opspringende.

Grischa, die op het gymnasium zou komen, moest voor dien tijd in dezen zomer nog al zijn lessen herhalen.

Dolly had reeds altijd in Moskou met haar zoon Latijn gewerkt, en toen zij nu bij de Lewins gekomen was, had zij het zich tot een regel gemaakt, ten minste eenmaal daags de moeielijkste Latijnsche thema's en rekenkundige voorstellen met hem te repeteeren. Lewin had aangeboden dit voor haar te doen; maar toen de moeder eens zijn onderwijs had aangehoord, bemerkte zij, dat hij anders onderwees dan de leeraar in Moskou.

Eenigszins verlegen, omdat zij Lewin niet beleedigen wilde, antwoordde zij hem toch vastberaden, dat er precies naar het boek gerepeteerd moest worden, zooals de onderwijzer gewoon was, en dat het beter was, dat zij dit zelf deed.

Het verdroot Lewin, dat Stipan Arkadiewitsch uit louter traagheid niet zelf over het onderwijs zijner kinderen waakte, maar dit aan de moeder overliet, die toch van het onderwijs, dat zij geven moest, zelf niets begrijpen kon. Daarom beloofde hij zijn schoonzuster, geheel in haar geest en in dien van den leeraar te onderwijzen, hoewel hij het volstrekt niet met deze methode eens was, en hij ging voort zich met Grischa bezig te houden. Maar hij vergat somtijds den tijd en zoo ook heden.

"Neen, Dolly, blijf zitten. Terstond zal alles in orde zijn!" zeide hij en nam het boek. "Alleen wanneer Stiwa komt en wij op de jacht mochten gaan, zal ik het uur verzuimen." En hij ging naar Grischa.

Intusschen had ook Warenka op dezelfde wijze tot Kitty gesproken. Zij wist zich ook in het gelukkige, comfortabele huis van Lewin nuttig te maken.

"Blijf gij zitten, Kitty, voor het avondeten zal ik zorgen," zeide zij en ging naar Agasija Michailowna.

"Ja, ja, maar waarschijnlijk zullen er geen kuikens te krijgen zijn. Dan moeten wij van ons eigen…." zeide Kitty.

"Zeer goed, wij zullen alles met Agasija Michailowna overleggen!" En
Warenka verdween.

"Welk een net meisje!" zeide de vorstin.

"Meer dan net, mama," zeide Kitty, "zij is er een, zooals er geen tweede bestaat!"

"Dus gij verwacht Stipan Arkadiewitsch?" mengde zich Sergej Iwanowitsch in het gesprek. "Twee meer verschillende zwagers zijn er niet," voegde hij er fijntjes lachend bij; "de een levendig en als de visch in het water, slechts in de gezellige kringen thuis, de ander, onze Kostja, ook levendig, haastig en voor alles ontvankelijk, maar in gezelschappen als verstijfd, of hij slaat om zich heen als een visch op het droge."

"Ja, hij is zeer lichtzinnig," zeide de vorstin tot Sergej gewend. "Ik wou u juist verzoeken er eens met hem over te spreken, dat zij (ze wees op Kitty) onmogelijk hier kan blijven; ze moet noodzakelijk naar Moskou verhuizen. Hij zegt, dat hij een dokter wil laten komen."

"Mama, hij zal alles doen! Hij keurt alles goed!" zeide Kitty, die zich over haar moeder ergerde, omdat zij in deze aangelegenheid Sergej Iwanowitsch tot rechter wilde maken.

Midden in dit gesprek hoorde men in de allee het snuiven van paarden en het rollen van wielen over het kiezelzand.

Dolly had nog geen tijd gehad om op te staan, ten einde haar man te gemoet te snellen, toen Lewin reeds uit het venster van de kamer sprong, waar Grischa zijn les leerde en dezen er door beurde.

"Dat is Stiwa!" riep Lewin van beneden. "Wij zijn met de les klaar,
Dolly! Wees onbezorgd!" voegde hij er bij.

"Is, ea, id; ejus, ejus, ejus!" riep Grischa, die hard begon te loopen en reeds in de allee zijn vader tegen sprong. Lewin snelde hem echter aan den wagen te gemoet.

"En er is nog iemand in. Wel het is papa!" riep hij van den ingang der allee terug. "Kitty! ga die steile trap niet af! Ga achterom!"

Maar Lewin had zich in zijn veronderstelling vergist, dat de naast Stipan in den wagen zittende de oude vorst was; hij bemerkte spoedig een knappen, welgedanen jongen man met een Schotsche muts met lange linten van achteren. Dit was Wassenka Wesslowsky, een verre bloedverwant der Tscherbatzky's, een Petersburg-Moskouer en elegant jong mensch, "een kapitale kerel en hartstochtelijk jager," zooals Stipan hem voorstelde.

Volstrekt niet verlegen over de teleurstelling, die hij veroorzaakt had, doordien men zijn persoon met dien van den vorst had verwisseld, begroette Wesslowsky Lewin zeer vergenoegd, terwijl hij hem aan hun vroegere kennismaking herinnerde. Toen hief hij Grischa in den wagen en zette hem op den pointer, dien Stipan Arkadiewitsch meegebracht had.

Lewin steeg niet in den wagen, maar ging er achter. Hij was eenigszins ontstemd, dat de oude vorst niet medegekomen was, van wien hij steeds meer was gaan houden, hoe meer hij hem leerde kennen; het ergerde hem ook, dat deze Wassenka Wesslowsky, een geheel vreemd en overtollig persoon, medegekomen was. Dit scheen bij hem nog meer, toen hij zag, hoe hij op de balkontrap, waar zich groot en klein verzameld had, op een beleefde en galante wijze Kitty's hand kuste.

"Ik ben uw vrouws neef, oude kennissen!" zei Wassenka, Lewins hand stevig drukkend.

"Is er veel wild?" vroeg Stipan reeds aan Lewin, hem nauwelijks tijd latend om ieder te begroeten. "Wij hebben vreeselijke plannen met hem! Hier, Tania! Dat is voor jou. Haal eens, wat daar achter in de kales ligt!" Zoo sprak hij naar alle kanten. "Hoe frisch zie je er uit, Dollinka!" zeide hij tot zijn vrouw en kuste haar voor de tweede maal de hand. Toen hield hij deze in zijn linkerhand en sloeg er zachtjes met de rechter op.

Lewin zag Stipan wrevelig aan. Alles, wat hij sprak en deed, beviel hem niet.

"Wien heeft hij gisteren wel met deze lippen gekust?" dacht hij bij het zien van zijn teederheden jegens zijn vrouw. Hij zag Dolly aan en ook zij beviel hem niet. "Zij kan toch niet aan zijn liefde gelooven! Waarom verheugt zij zich dan zoo? Afschuwelijk!"—Hij zag de oude vorstin aan, die hem nog een oogenblik te voren zoo eerwaardig had toegeschenen, maar de manier, waarop zij nu, alsof zij in haar eigen huis was, dezen Wassenka met zijn linten begroette, beviel hem ook niet. Zelfs Sergej Iwanowitsch, die juist de trap opging, scheen hem onaangenaam om de geveinsde vriendelijkheid, waarmee hij Stipan Arkadiewitsch ontving, hoewel Lewin toch wist, dat zijn broeder Oblonsky volstrekt niet lief had of achtte.—Maar het afschuwelijkst van allen scheen hem Kitty toe, die zich volkomen naar de blijde stemming voegde, waarmede deze vreemde heer zijn komst voor zich en al de overigen als een feestdag beschouwde, en hoofdzakelijk ontstemde hem het bizondere lachje, waarmede zij zijn glimlach beantwoordde.

In druk gesprek gingen allen in huis. Maar toen men plaats genomen had, keerde Lewin zich om en ging naar buiten.

Kitty bemerkte, dat er iets in haar man omging. Zij zocht een geschikt oogenblik waar te nemen om hem alleen te spreken, maar hij haastte zich om van haar los te komen en zeide, dat hij eens op de hoeve moest gaan rondzien. In lange had hem zijn bouwerij niet zoo gewichtig geschenen als nu.

"Voor haar is het altijd feestdag," dacht hij, "maar voor de zaken is er geen feestdag; zij kunnen niet wachten en zonder dezelve kan men niet leven."