WeRead Powered by ReaderPub
Anna Karenina cover

Anna Karenina

Chapter 121: IX.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel interweaves two principal narratives: one traces a married woman's passionate affair and the social, familial, and moral consequences that follow; the other follows a thoughtful man as he seeks purpose, wrestles with questions of work, faith, and the rhythms of rural life. Through detailed scenes of domestic routine and society, the book examines marriage, fidelity, isolation, public reputation versus inner life, and the search for meaning, contrasting urban social pressures with personal conscience and the restorative presence of the natural world.

IX.

Lewin keerde eerst naar haar terug, toen men hem voor het avondeten riep. Op de trap stonden Kitty en Agasija over den wijn te beraadslagen.

"Wat maakt ge toch voor omhaal? Denzelfden als gewoonlijk."

"Neen, dien drinkt Stiwa niet…. Kostja! Wacht toch! Wat scheelt je?" zeide Kitty en ging achter hem aan. Maar onbarmhartig, zonder op haar te wachten, ging hij met groote stappen naar de eetkamer en nam terstond deel aan een levendig gesprek, dat Stipan en Wassenka daar met elkander voerden.

"Nu? Hoe is het? Gaan we morgen op de jacht?" vroeg Stipan.

"Ja, toe, laat ons gaan," zei Wesslowsky, terwijl hij zijdelings op een stoel ging zitten en zijn welgedaan been onder zich trok.

"Zeer gaarne! Laat ons gaan! Zijt ge dit jaar al op de jacht geweest?" zeide Lewin, terwijl hij opmerkzaam Wesslowsky's been beschouwde, met geveinsde beleefdheid, die Kitty zoo goed in hem kende, en die hem volstrekt niet goed stond. "Ik weet niet, of wij snippen zullen vinden, maar watersnippen zijn er veel. Maar wij moeten vroeg opstaan. Zult gij ook niet te vermoeid zijn? Zijt gij niet moede, Stiwa?"

"Ik moede, ik ben nog nooit moede geweest. Wat mij aangaat, behoeven wij den geheelen nacht niet te slapen. Wij zullen gaan wandelen."

"Inderdaad! Dat zou heerlijk zijn!" bevestigde ook Wesslowsky.

"O, daarvan zijn wij overtuigd, dat gij niet behoeft te slapen en anderen ook geen tijd tot slapen zult gunnen!" zeide Dolly tot haar man met nauwelijks merkbare ironie, waarmede zij zich nu bijna altijd tot hem wendde. "Mij dunkt, het zou nu reeds tijd zijn…. Ik ga en eet van avond niet."

"Neen, blijf toch, Dollinka!" zeide hij en ging om de tafel heen naar haar toe; "ik heb u nog zooveel te vertellen."

"'t Zal wel niet veel bizonders zijn!"

"Weet gij: Wesslowsky is bij Anna geweest. Zij wonen nu slechts zeventig werst van hier. En ik wil er ook bepaald heenrijden. Wassenka! kom eens hier!"

En Wassenka ging naar de dames en nam naast Kitty plaats.

"Och, toe! Vertel ons eens! Gij zijt bij haar geweest? Hoe gaat het haar?" wendde zich Dolly tot hem.

Lewin bleef aan het andere eind van de tafel zitten en zonder zijn gesprek met Sergej en de vorstin af te breken, zag hij, dat zich tusschen Stipan, Dolly, Kitty en Wesslowsky een levendig en geheimzinnig gesprek ontspon; en dat niet alleen, hij zag ook op het gezicht zijner vrouw de uitdrukking van een ernstig gevoel, terwijl zij onafgewend in het knap gelaat van Wesslowsky zag, die levendig iets vertelde.

"Het is heel prettig bij hen," verhaalde hij van Wronsky en Anna; "ik mag mij trouwens geen oordeel aanmatigen, maar men gevoelt zich bij hen, alsof men tot de familie behoort."

"Wat denken zij te doen?"

"Ik geloof, dat hun plan is den winter in Moskou door te brengen."

"Hoe goed zou het zijn, als wij elkaar allen bij hen ontmoetten! Wanneer gaat gij weer naar hen toe?" vroeg Stipan aan Wassenka.

"Ik denk de maand Juli bij hen door te brengen."

"En gij? Wanneer wilt gij er heen?" vroeg hij zijn vrouw.

"Ik heb het reeds lang willen doen en ga er bepaald heen," antwoordde Dolly. "Ik heb medelijden met haar. Ik ken haar. Zij is een uitstekende vrouw. Ik ga alleen, wanneer gij weg zijt; dan val ik niemand lastig. Het is zelfs beter zonder u."

"Zeer goed," zeide Stipan. "En gij, Kitty?"

"Ik? Wat zou ik daar doen?" vroeg Kitty rood wordend. En zij wendde haar oogen naar Lewin.

"Kent gij Anna Arkadiewna?" vroeg Wesslowsky haar; "zij is een buitengewoon aantrekkelijke vrouw."

"Ja!" antwoordde zij nog sterker blozend, stond op en ging naar Lewin.

"Gaat ge morgen op de jacht?" vroeg ze.

Zijn ijverzucht was in deze weinige oogenblikken, vooral toen hij den blos zag, die haar wangen bedekte, terwijl zij met Wesslowsky sprak, reeds zeer hoog gestegen. Nu legde hij haar woorden op zijn manier uit. Hoe dwaas het hem ook later scheen, nu was het hem duidelijk, dat zij deze vraag slechts tot hem richtte, omdat zij gaarne dit genoegen wilde bereiden aan Wesslowsky, op wien ze naar zijn voorstelling nu reeds verliefd was.

"Ja zeker!" antwoordde hij met een onnatuurlijke stem, die hem zelf onaangenaam toeklonk.

"Maar zou het niet beter zijn, dat gij morgen nog thuis bleeft? Anders heeft Dolly niets aan haar man. Gij kunt dan overmorgen gaan." De eigenlijke zin dezer woorden werd zoo door Lewin verklaard: "scheid mij niet zoo spoedig van hem. Of gij heengaat, is mij onverschillig, maar gun mij morgen nog het gezelschap van dezen bekoorlijken jongen man.—Zoo ge wilt, kunnen wij ook morgen nog thuis blijven!" antwoordde Lewin met gemaakte beleefdheid.

Intusschen was ook Wesslowsky, die niet vermoedde, welk lijden zijn aanwezigheid veroorzaakte, van tafel opgestaan en Kitty met een vriendelijk lachenden blik volgend, naderde hij haar weer. Lewin zag dezen blik. Hij verbleekte en een oogenblik begaf hem de adem.

"Dus morgen? Mooi, dan gaan we!" zei Wesslowsky, viel op een stoel neer en trok zijn been weer onder zich. Lewins ijverzucht groeide aan. Hij zag zich reeds als bedrogen echtgenoot, wien de vrouw en haar minnaar slechts noodig hadden om hen de genoegens en gemakken des levens te verschaffen.—Toch vroeg hij zijn gast vriendelijk en beleefd naar zijn jachtpartijen, zijn geweer, zijn laarzen en sprak met hem af morgen op de jacht te gaan.

Tot Lewins geluk maakte de oude vorstin een eind aan zijn lijden, door op te staan, terwijl zij Kitty den raad gaf dadelijk naar bed te gaan. Maar ook dit liep niet zonder nieuwe smart voor Lewin af. Toen namelijk Wesslowsky van de gastvrouw afscheid nam, wilde hij haar weer de hand kussen, maar Kitty onttrok ze hem met naïve ruwheid, waarvan haar moeder haar later een verwijt maakte, terwijl ze zeide:

"Dat is bij ons geen gewoonte."

In Lewins oogen echter had zij schuld, omdat zij deze verhouding reeds zoover had laten komen, en nog meer, omdat zij hem haar misnoegen daarover zoo onbeleefd te kennen gaf.

"Hoe kan men nu reeds slapen!" zeide Stipan Arkadiewitsch, die nu na den bij het avondmaal gedronken wijn in zijn geliefkoosde, zalige stemming geraakt was.

"Zie, Kitty," ging hij voort en wees naar de achter de linden opkomende maan: "Hoe schoon! Nu een serenade, Wesslowsky! Weet ge, hij heeft een heel mooie stem. Wij hebben onderweg gezongen. Hij heeft twee zeer schoone romancen meegebracht, de nieuwste. Hij moet ze eens met Warenka Andrejewna zingen."

X.

Toen men elkander goeden nacht gezegd had, gingen Oblonsky en Wesslowsky nog lang in de allee op en neer, en men hoorde hun stemmen, toen zij de nieuwe romancen, zongen.

Lewin, die nu met zijn vrouw alleen was, beantwoordde geruimen tijd haar herhaalde vraag niet, wat hem toch scheelde? Maar eindelijk, toen zij zelf hem met een bedeesd lachje vroeg:

"Is u misschien iets aan Wesslowsky niet bevallen?" toen barstte hij los, het eene woord viel er na het andere uit en hij zeide haar alles.

Wat hij toen uitsprak, deed hem zelf zeer, maar daardoor wond hij zich nog meer op.

Hij stond voor haar, met van toorn stralende blikken en grimmig samengetrokken wenkbrauwen; hij drukte zijn gespierde handen tegen de borst, als moest hij al zijn krachten inspannen om zich in te houden. Zijn houding zou belachelijk geweest zijn, als zich daarin niet al zijn kwellend zelfbedwang had uitgesproken. De uitdrukking van zijn gelaat zou hard, ja wreed geweest zijn, wanneer die niet tevens een hevig lijden, waardoor hij zich vernederd gevoelde, verraden had. Zijn kin beefde en zijn stem was gebroken. "Jaloersch ben ik niet! Dat is een belachelijk woord! Ik kan niet jaloersch zijn en denken, dat…. Ik kan niet uitspreken, wat ik gevoel, maar het is verschrikkelijk…. Ik ben niet jaloersch, beleedigd ben ik, vernederd, omdat iemand het wagen kan te gelooven … het wagen kan u met zulke oogen aan te zien…."

"Met welke oogen?" vroeg Kitty, terwijl zij zich zoo nauwkeurig mogelijk alle woorden en gebaren van dien avond zocht te herinneren. In den grond van haar hart vond zij trouwens, dat er iets in dien blik gelegen had, waarmee hij haar van het andere eind van de tafel was gevolgd, maar dat waagde zij zich zelf niet te bekennen, veel minder kon zij er toe besluiten het Lewin mee te deelen en daardoor zijn lijden slechts te vergrooten. "En wat zou er aan mij dan voor aantrekkelijks zijn…."

"Ach!" riep hij en greep zich naar het hoofd: "Hadt ge dat toch niet gezegd! Dus, wanneer gij aantrekkelijk waart…."

"Ach neen, Kostja, wacht toch! Hoor dan toch!" zeide zij deelnemend en medelijdend: "Hoe kunt ge zoo iets denken? Mogen er dan voor mij in 't geheel geen menschen bestaan, geen…. Zeg, wilt ge dan, dat ik niemand zien zal?"

In het eerste oogenblik had zijn jaloezie haar beleedigd; het ergerde haar, dat haar zelfs de kleinste en onschuldigste verstrooiing verboden zou zijn, maar nu had zij gaarne deze kleinigheden, ja alles opgeofferd om hem slechts gerust te stellen en van het lijden, dat hem kwelde, te bevrijden.

"Begrijp toch het angstige en belachelijke mijner positie" ging hij in vertwijfeling fluisterend voort: "Hij bevindt zich als gast in mijn huis, hij doet eigenlijk niets onbehoorlijks, maar deze te groote vrijheid, de manier, waarop hij zijn been onder zich trekt…. Hij houdt dat voor een goeden, ja den besten toon—en zoo moet ik de rol van voorkomend gastheer tegen over hem spelen!"

"Maar Kostja! Gij overdrijft!" zeide Kitty, die zich in haar hart over de kracht zijner liefde voor haar, die zich nu in zijn jaloezie uitte, verheugde en ze toch vreesde.

"Hoofdzakelijk echter dit: gij zijt nu eenmaal voor mij iets zoo heiligs, wij zijn zoo gelukkig met elkander, zoo gelukkig op onze eigen manier, en nu komt plotseling deze erbarmelijke…. Neen, geen erbarmelijke—waarom hem uit te schelden? Wat gaat mij dat aan? Maar waarom moet uw en mijn geluk…?"

"Weet ge, nu wordt het mij duidelijk, waardoor dit gekomen is!" viel
Kitty hem in de rede.

"Nu? Waardoor? waardoor dan?"

"Ik heb bemerkt, hoe gij ons aanzaagt, toen wij ons daar aan tafel met elkander onderhielden…."

"Nu ja! Ja!" zeide Lewin geheel verschrikt.

Zij vertelde hem alles, wat zij daar gesproken hadden. Lewin hoorde zwijgend toe, toen zag hij onderzoekend in haar bleek, bedeesd gelaat en greep zich plotseling naar het hoofd.

"Kitty, vergeef mij! Ik heb u gekweld, mijn lieveling! Dat is immers niets als waanzin! Katja, ik heb groot ongeluk. Hoe kan men zich nu om zulken onzin kwellen!"

"Neen, ik heb met u te doen…!"

"Met mij? Wat ben ik? Een waanzinnige…! En daaronder zoudt gij lijden? Maar het is verschrikkelijk te denken, dat ieder vreemd mensch ons geluk zou kunnen verstoren!"

"Dat is waar! Dat is bepaald beleedigend!"

"Maar nu zal hij juist den geheelen zomer bij ons blijven en ik zal hem met attenties overladen!" zei Lewin haar de handen kussend: "Gij zult zien! Reeds morgen…. Ja, dat is waar, morgen gaan wij immers op de jacht…."

XI.

Den volgenden morgen, voor de dames waren opgestaan, hielden de jachtwagens voor de trap stil en Laska, die reeds lang begrepen had, dat men op de jacht ging, zat, nadat hij zich moe gesprongen en gejankt had, naast den koetsier op den bok, van waar hij onrustig, opgewonden en afkeurend door de deur naar de jagers keek, die nog steeds niet kwamen.

De eerste, die verscheen, was Wassenka Wesslowsky met hooge nieuwe laarzen, die tot over de helft der welgedane dijen reikten, met een groen jachtbuis, met een nieuwe, sterk naar leer riekende patroontasch omgord, met zijn muts met linten en met een nieuw Engelsch geweer zonder ring aan den riem. Kort daarop ging weer een deur open en zich draaiend en keerend sprong Kraak, de bont-gevlekte pointer van Stipan Oblonsky, naar buiten, en deze zelf verscheen met een geweer in de hand en een sigaar in den mond.

"Tubo, tubo, Kraak!" riep hij vriendelijk den hond toe, die hem met zijn pooten tegen den buik en de borst opsprong en er mee in de weitasch bleef hangen. Stipan was getooid met een soort schoenen uit één stuk leer, met een gescheurde broek en een kort jasje; op zijn hoofd zat de ruïne van een hoed, maar zijn geweer, een geweer van het allernieuwste systeem, geleek op een speeltuig, en wei- en patroontasch, hoewel er versleten uitziende, waren van het beste materiaal.

Wassenka Wesslowsky had tot nu toe geen denkbeeld gehad van deze echte jacht-chique om zich in lompen te kleeden, maar zijn jachtbenoodigdheden waren altijd in den besten staat. Eerst nu begreep hij dit, toen hij de elegante weldoorvoede en lustige jonkersgestalte van Stipan in zijn lompen aanschouwde, en hij besloot zich op de volgende jacht ook zoo te kleeden.

"Nu? en waar blijft onze gastheer?" vroeg hij.

"Een jonge vrouw!" zei Stipan lachend.

"Ja en zulk een bekoorlijke!"

"Hij was reeds in aantocht. Hij zal wel weer naar haar toegeloopen zijn."

Stipan Arkadiewitsch had juist gegist. Lewin was weer naar zijn vrouw geloopen om haar nog eens te vragen, of zij hem zijn domheid van gisteren wel geheel vergeten had, en haar te smeeken om Gods wil toch ook heel voorzichtig te zijn. "Gij moet u vooral de kinderen van het lijf houden, zij zouden u kunnen stooten!" En toen moest zij hem nogmaals verzekeren, dat ze niet meer boos op hem was; twee dagen zou hij wegblijven, maar hij verzocht haar echter hem morgen een briefje te zenden, slechts twee woorden, opdat hij wist, of het haar goed ging. Daarna had hij nog allerlei schikkingen, de zaken betreffende, te maken, en eindelijk reed het jachtgezelschap weg.

Toen Lewin alle zorgen over zijn zaken en zijn gezin achter zich had, gevoelde hij zulk een levensvreugde en blijde verwachting, dat hij niet in staat was te spreken.

Oblonsky ging het eveneens. Hij was ook niet spraakzaam. Maar Wesslowsky babbelde onophoudelijk. Terwijl Lewin naar hem luisterde, schaamde hij zich, dat hij gisteren zoo onrechtvaardig tegen hem geweest was. Wesslowsky was werkelijk een beste jongen, eenvoudig, goedhartig en zeer vroolijk. Zijn optimistische opvatting van het leven en een zeker nobel laisser aller deden echter Lewin eenigszins onaangenaam aan; hij scheen van meening, dat zijn lange nagels, zijn met linten getooid mutsje en zulke dingen meer hem een hooge beteekenis gaven; maar dat kon men in hem verontschuldigen om zijn net gedrag en zijn goedhartigheid.

Nadat zij drie werst gereden hadden, bemerkte Wesslowsky plotseling, dat hij zijn brieventasch miste. Hij moest ze onderweg verloren of thuis gelaten hebben. Er bevonden zich driehonderd en zeventig roebel in, en dus werd de koetsier met één paard teruggezonden om te zoeken, terwijl Lewin nu met de beide andere zelf reed.

"Welke marschroute nemen we?" vroeg Stipan.

"Zoo is het plan: Eerst rijden we tot Gwosdewo, daar is een snippenmoeras en achter Gwosdewo liggen overal mooie, groote moerassen met watersnippen; maar houtsnippen zijn er ook. Nu is het zeer warm, maar wij komen er nog voor den avond aan, twintig mijl is 't, en onderweg schieten we wat zich nog vertoont. Dan overnachten wij daar en gaan morgen naar de groote plassen."

"Is er dan onderweg niets?"

"Ja, een weinig is er wel, maar het kost ons slechts tijd en het is ook te warm!"

Lewin zelf verachtte deze plaatsen volstrekt niet; maar zij waren te dicht bij zijn huis en hij kon er alle dagen jagen; ook waren zij klein, ten minste voor drie personen.

Toen zij in de nabijheid van zulk een moeras kwamen, wilde Lewin er voorbij rijden, maar het geoefend jagersoog van Stipan bespeurde terstond een ter zijde van den weg gelegen poel. Hij verzocht Lewin stil te houden en stapte met Wesslowsky uit, terwijl Lewin als voorkomend gastheer bij de paarden bleef.

Kraak ging terstond in het boschje en Lewin liep het eerst achter hem.

Stipan was nog niet aan den poel gekomen, toen een groote snip er uit vloog. Wesslowsky schoot langs hem heen en de vogel vloog op een ongemaaide weide. Kraak vond hem daar weer, joeg hem op en Wesslowsky schoot hem neder. Daarop keerde hij naar den wagen terug.

"Nu moet gij gaan en ik blijf bij de paarden," zeide hij tot Lewin.

De lust om ook aan de jacht deel te nemen werd Lewin te sterk. Hij gaf Wesslowsky de teugels en begaf zich in het moeras.

Laska had, zich over onrechtvaardigheid willende beklagen, reeds lang gejankt. Nu liep hij rechtstreeks naar een geheel veiligen, Lewin bekenden heuvel, waar Kraak nog niet geweest was.

"Houd hem toch terug!" riep Stipan Arkadiewitsch.

"Hij zal er geen op de vlucht jagen," riep Lewin terug en snelde achter Laska aan.

Laska liep in een kring om den heuvel, herhaalde dit, kromp plotseling ineen en bleef in die houding staan.

"Stiwa, kom!" riep Lewin, die zijn hart luider voelde kloppen, en terwijl hij vasten grond voor zijn voeten zocht, naderde hij den hond. "Pil!"

Geen groote houtsnip, maar een watersnip vloog nabij den hond op; maar op het oogenblik, dat Lewin mikte, hoorde hij een geplas in het water, dat nader bij kwam en de stem van Wesslowsky, die hem luid iets toeriep. Lewin zag zelf, dat hij te laag mikte, maar hij schoot toch. Toen hij zag, dat hij gemist had, keek hij om en bespeurde, dat de paarden met den wagen niet meer op den weg, maar in den poel stonden. Wesslowsky, die bij het schieten wilde zijn, was het moeras ingereden en de paarden zakten in den grond.

"De duivel hale hem!" zeide Lewin en snelde naar den zinkenden wagen. "Waarom ben je er in gereden?" vroeg hij ontevreden en, terwijl hij den juist terugkeerenden koetsier te hulp riep, begon hij de paarden af te spannen.

Het verdroot Lewin, dat men hem in het schieten gestoord had en de paarden in den drassigen grond had laten geraken, maar vooral, dat noch Stipan Arkadiewitsch, noch Wesslowsky hem en den koetsier de geringste hulp verleende om de paarden af te spannen en te bevrijden. Want beiden hadden niet het minste begrip van aanspannen. Hij beantwoordde dus Wesslowsky's verzekeringen, dat het hier toch geheel droog was, in 't geheel niet en hield zich slechts met de paarden bezig. Toen hij echter later bemerkte, hoeveel moeite zich deze gaf den wagen uit den modder te trekken, verweet hij zich, dat hij nog onder den indruk van zijn gevoel van gisteren stond en te koel tegen Wesslowsky was. Hij gaf zich dus moeite om door vriendelijkheid zijn stroefheid van zooeven weer goed te maken.

Toen alles weer in orde gebracht was en de wagen weer op den straatweg stond, liet Lewin het ontbijt te voorschijn halen.

"Bon appetit, bonne conscience! Ce poulet va tomber jusqu'au fond de mes bottes." zei de vroolijk gestemde Wesslowsky, terwijl hij zijn tweede kuiken verslond. "Ziezoo! nu zijn onze rampen wel voorbij; nu zal alles goed gaan. Maar voor mijn misdrijf moet ik op den bok zitten, niet waar? Neen, neen! Ik ben Automedon! Gij zult eens zien, hoe goed gij u aan mij kunt toevertrouwen!" antwoordde hij Lewin, die hem niet wilde laten rijden: "Neen, ik moet mijn schuld boeten en hier op den bok zit ik heerlijk!" En hij reed heen.

Lewin vreesde wel, dat hij de paarden te hard zou behandelen, maar hij schikte zich naar zijn vroolijke luim, luisterde naar de vroolijke liederen, die Wesslowsky zong, naar zijn vertellingen en voorstellingen, hoe men op Engelsche manier four in hand moest rijden, en zoo bereikten zij in de beste stemming de Gwosdewsche moerassen.

XII.

Toen zij het groote moeras naderden, dacht Lewin er onwillekeurig over na, hoe zich van Wesslowsky te ontdoen om alleen te kunnen jagen. Ook Stipan Arkadiewitsch scheen dezelfden wensch te koesteren; Lewin zag op zijn gezicht die uitdrukking van bezorgdheid, die een waar jager steeds vóór de jacht heeft.

"Hoe zullen wij dan gaan? O, dat is een schoon moeras! Ik zie ook reeds een havik, en waar haviken zijn, daar is ook wild."

"Ziet ge, heeren," zei Lewin met eenigszins donker gelaat; "ziet gij daar dat rietgras!" Hij wees naar een donkere vlek op een reusachtig groote, zich ver op den rechter oever van de rivier uitstrekkende weide, die voor de helft reeds gemaaid was. "Daar begint het moeras, recht voor ons, waar het zoo groen wordt. Van daar loopt het naar den rechter kant verder, zooals ik nu de paarden laat gaan. Daar ziet ge eenige verhevenheden van den grond, daar zijn vele groote snippen, rondom dit rietgras heen tot aan gindsch esschenboschje en tot aan de molen Dingsda. Dat is de beste plaats. Eens heb ik daar zeventien watersnippen geschoten. Wij moeten nu in verschillende richtingen uit elkander gaan en elkaar bij den molen weer ontmoeten."

"Wie gaat rechts en wie links?" vroeg Stipan Arkadiewitsch. "Rechts is het breeder, daar moet gij beiden heengaan, dan ga ik links," zeide hij op den onschuldigsten toon ter wereld.

"Goed! Wij zullen hem alles wegschieten!" stemde Wesslowsky toe. "Laat ons gaan."

Zoo moest ook Lewin er mee instemmen, en zij scheidden; Lewin en Wesslowsky met Laska gingen rechts, Stipan Arkadiewitsch met Kraak ging links om het moeras heen. Nauwelijks waren zij aan het moeras gekomen, toen de beide honden begonnen te zoeken. Lewin kende dit behoedzame en onzekere zoeken van Laska; hij kende ook deze plaats en wachte op een zwerm watersnippen.

"Wesslowsky, blijf bij me," riep hij met halfluide stem zijn achter hem wadenden metgezel toe.

"Ik zal je niet storen. Denk niet aan mij"

"Poef, paf!" klonk het in Lewins oor. Wesslowsky had in een zwerm eenden geschoten, die boven het moeras rondvloog. Nauwlijks vond Lewin nog tijd om rond te zien, toen een watersnip zich liet hooren, een tweede, een derde,—acht watersnippen verhieven zich in de lucht.

Stipan Arkadiewitsch schoot er eene van, juist toen zij haar zigzagbeweging wilde beginnen. Toen mikte hij zonder zich te overijlen naar een tweede, die naar het riet vloog, en zij viel onder het schot.

Lewin was minder gelukkig; hij schoot op te grooten afstand en trof niet.

Stipan raapte zijn watersnip op en met een stralenden blik op Lewin zeide hij: "Zoo, nu gaan wij uit elkander."

Met Lewin placht het altijd zoo te gaan, dat, wanneer zijn eerste schoten mislukten, hij opgewonden werd, zich ergerde en ten gevolge daarvan den geheelen dag slecht schoot. Zoo ging het hem ook heden. Er waren zeer veel watersnippen voorhanden. Ieder oogenblik vlogen er eenige op en Lewin had alles weer goed kunnen maken; maar hoe meer hij schoot, des te meer geneerde hij zich voor Wesslowsky, die zonder maat en doel er lustig op los schoot, niets doodde en daarover toch niet verlegen werd. Lewin overijlde zich, hij mat den afstand niet en kwam eindelijk zoo ver, dat hij schoot zonder zelfs de hoop te koesteren nog iets te treffen. Ook Laska scheen dit te bemerken; zij zocht trager en keek onzeker en verwijtend naar de jagers om. Dezen waren voortdurend in kruitdamp gehuld, maar in hun groote weitasschen bevonden zich nog maar drie kleine, lichte watersnippen. Intusschen knalden van de andere zijde niet talrijke, maar zooals het Lewin toescheen, welgeslaagde schoten en bijna na ieder schot hoorde men Stipan Arkadiewitsch' stem: "Kraak! apporte!" Dat wond Lewin nog meer op. De watersnippen vlogen door de lucht, hun neersmakken op den grond en het knallen in de lucht van alle kanten hield niet op; de opgejaagde snippen zetten zich dicht voor de jagers neer. Te voren zweefden slechts twee haviken boven hot moeras en nu waren er tien.

Nadat Lewin en Wesslowsky meer dan de helft van het moeras waren omgegaan, kwamen zij aan een weide, die in lange stukken aan de boeren verpacht was; de helft dezer stukken was reeds gemaaid.

"Hei! jagers!" riep hun een der boeren toe, die op een uitgespannen telega zat: "sterkt u eerst met een ontbijt en een slok!"

Lewin keek om.

"Komt toch! Het zal u niet schaden!" riep een andere vroolijk gestemde boer met een rood gezicht en toonde daarbij zijn witte tanden en een groene, in de zon blinkende flesch.

"Qu'est-ce qu'ils disent?" vroeg Wesslowsky.

"Wij moeten een borrel met hen drinken. Zij zullen deze weide wel gepacht hebben. Een borrel zou nu lang niet slecht smaken!" antwoordde Lewin niet zonder slimheid, want hij hoopte, dat Wesslowsky den trek naar brandewijn niet zou kunnnen weerstaan en naar de boeren gaan zou.

"Waarom willen zij ons vrijhouden?"

"Daar hebben ze plezier in. Ga maar naar hen toe. Het is wel eens een aardige grap."

"Allons! c'est curieux!"

"Ja, ga er maar heen. Den weg naar den molen kunt ge niet missen."

Met genoegen bemerkte Lewin, dat Wesslowsky met voorovergebogen lichaam en de vermoeide voeten traag uit het moeras trekkend naar de boeren op de droge weide ging.

"Kom jij toch ook mee!" riep een der boeren Lewin toe: "wees niet bezorgd; er is nog stuk koek over!"

Lewin had gaarne deze uitnoodiging aangenomen, want hij voelde zich ook reeds vermoeid en het was telkens moeielijk de inzinkende voeten uit het moeras te trekken. Hij was een oogenblik in twijfel, maar hij zag, dat de hond stond en dus volgde hij dezen. Voor hem vloog een watersnip op; hij schoot en doodde ze. Maar Laska stond nog altijd; plotseling verhief zich voor haar een tweede watersnip. Lewin schoot. Maar hij had heden een ongelukkigen dag. Hij schoot mis en ging nu heen om de eerste te zoeken. Maar hij vond ook deze niet. Dus ook zonder Wesslowsky, wien hij van zijn ongelukkig slagen de schuld had gegeven, werd de zaak niet beter. Ook hier nog waren zeer veel watersnippen, maar Lewin schoot er herhaaldelijk voorbij.

"Neen, ik moet kalm worden!" zeide hij bij zich zelf. Hij ging het moeras uit, ging op een verhevenheid der weide zitten, trok de laarzen uit en schudde het water er uit, dronk zelf water, bevochtigde daarmee de beide heete loopen van zijn geweer en wiesch zich handen en gelaat.

Plotseling sprong Kraak van achter een essenboschje te voorschijn en berook Laska met de gebaren eens overwinnaars. Achter Kraak, in de schaduw der esschen, werd de statige verschijning van Stipan Arkadiewitsch zichtbaar. Hij kwam hen reeds hier tegen, zeer rood en verhit, met ontbloote borst, moeielijk gaande en met een vergenoegd lachje.

"Nu? veel geschoten?" vroeg hij.

"En gij?" was Lewins wedervraag. Hij behoefde niet te vragen: hij zag de boordevolle weitasch. Hij had veertien stuks geschoten.

"Het gaat goed! Een mooie plaats! Wesslowsky is u zeker wat in den weg geweest? Twee jagers met één hond, dat heeft geen eigenschap!" zeide Stipan, zijn zege daardoor verkleinend.

XIII.

Toen Lewin en Stipan Arkadiewitsch aan de molenaarswoning kwamen, was Wesslowsky daar reeds binnen gegaan. Hij zat in het midden der hut en lachte op zijn vroolijke, aanstekelijke manier, terwijl hij zich met beide handen aan de tafel vasthield en zich door een soldaat, den broeder der molenaarsvrouw, de laarzen liet uittrekken.

"Ik ben ook nu pas gekomen," riep hij de binnentredenden te gemoet; "ils ont été charmants!" Denkt een aan: niet alleen te drinken, ook te eten hebben ze mij gegeven, en welk een gebak! Delicieux! En nooit heb ik een beteren borrel gedronken! Maar zij wilden absoluut geen geld aannemen, in tegendeel, zij zeiden nog altijd: "Neem het niet kwalijk!"

"Waarom zouden zij ook geld aannemen. Zij wilden u tracteeren; en zij hebben geen brandewijn te koop," zeide de soldaat, die hem eindelijk de eene laars met de natte kous uittrok.

Ondanks het vuil in de boerenkamer, dat de jagers met hun laarzen en de beslijkte honden, die zich hevig schudden, er in hadden gebracht, ondanks modder- en kruitlucht en ondanks het gerammel van messen en vorken, gebruikten de jagers hun thee en hun avondmaal met een eetlust, die alleen de jacht te weeg brengt.

Toen, na zich gereinigd en gewasschen te hebben, begaven zij zich naar een aangeveegden hooizolder, waar de koetsier reeds het leger voor de heeren bereid had.

Hoewel het reeds donker was, had toch geen der jagers lust tot slapen.

Nadat zij elkaar een tijdlang met herinneringen, anecdoten en jachtverhalen hadden onderhouden, kwam hun gesprek op een thema, dat al hun belangstelling tot zich trok. Oblonsky had van een jacht verteld, waaraan hij den vorigen zomer op het landgoed van een zekeren heer Maltus had deelgenomen. Maltus was een bekend spoorwegkoning, die de gezelligheid zeer beminde en dien Stipan Arkadiewitsch uit den grond van zijn hart een kerel van goud noemde. Hij had verteld, hoe deze Maltus in het Twerskoïsche gouvernement groote moerassen gepacht had, hij beschreef de wagens en paarden, die de jagers daarheen hadden gebracht en de tent, die men voor het ontbijt in de nabijheid der moerassen had opgeslagen.

"Ik begrijp niet," zeide Lewin zich uit het hooi oprichtende, "dat zulke menschen u niet tegenstaan. Ik begrip wel, dat een ontbijt met Lafitte iets heel aangenaams is, maar is het mogelijk, dat zulke weelde u niet tegen de borst stond? Al deze menschen—vroeger waren zij onze brandewijnpachters—verwerven zich een groot fortuin, maar op een wijze, waardoor zij toch de verachting van ieder verdienen; deze verachting is hun echter volkomen onverschillig, want met hun op zoo oneerlijke wijze verworven geld koopen zij zich van de verachting los."

"Ja, dat is waar," bevestigde Wesslowsky; "volkomen waar! Trouwens Oblonsky doet het uit bonhommie, maar anderen zeggen toch: 'Oblonsky bezoekt ze….'"

"Neen, volstrekt niet!" Lewin hoorde, hoe Oblonsky dit lachend zeide: "Ik houd hem eenvoudig voor niets oneerlijker dan ieder rijk koopman of edelman."

"Ja, maar door welken arbeid heeft hij het verdiend? Is dat dan arbeid, als men op lage, slinksche wijze een concessie verkrijgt om die later weer te verkoopen?"

"Zeker is dat arbeid, namelijk arbeid in dien zin, dat wij zonder lieden van dit slag ook geen spoorwegen zouden hebben."

"Maar deze arbeid is toch een geheel andere dan die van een landbouwer of een geleerde."

"Dat geef ik toe, maar het is toch in zoover arbeid, als het een handeling is, waaruit iets ontstaat, zooals hier de spoorweg. Of vindt ge misschien, dat spoorwegen iets onnoodigs zijn?"

"O, zeker zijn ze nuttig. Maar iedere winst, die in geen verhouding staat tot den arbeid, die er voor verricht wordt, is oneerlijk."

"Wie kan echter hierin de juiste verhouding bepalen?"

"Een geldwinning door oneerlijke middelen, door list…." zei Lewin, die gevoelde, dat het hem niet gelukken wilde een scherpe lijn tusschen eerlijkheid en oneerlijkheid te trekken, zooals hij zich in gedachten voorstelde: "zooals ook deze inrichtingen van bankiers- en wisselaarskantoren…." ging hij voort: "kortom al deze soort van beroepen om zich zonder arbeid groote, kolossale vermogens te verwerven zijn een kwaad. Nu is slechts de vorm veranderd. Le roi est mort, vive le roi! Nauwelijks had men de brandewijnpacht opgeheven, of daar kwamen de spoorwegen, de banken: louter geldwinningen zonder arbeid."

"Dat is misschien zeer waar en geestig…. Stil, Kraak! Rustig liggen!" riep Stipan Arkadiewitsch zijn hond, die zich krabde, toe; hij was van de juistheid van zijn standpunt ten volle overtuigd en bleef dus volkomen kalm en maakte geen haast.

"Ge hebt nog altijd niet de grens tusschen eerlijken en oneerlijken arbeid getrokken. Is het dan misschien ook oneerlijk, dat ik een grooter inkomen geniet dan mijn griffier, hoewel hij misschien meer van de zaak verstaat dan ik?"

"Dat weet ik niet."

"Nu goed, dan willen wij zeggen, dat de netto opbrengst van uw goederen misschien vijfduizend roebel bedraagt, maar de boer, die er op werkt, krijgt er, hoe hij zich ook moge inspannen, niet meer dan vijftig. Zou dat niet even onrechtvaardig zijn, als dat ik meer krijg dan mijn griffier? Of dat Maltus een grooter inkomen heeft dan een van zijn stationschefs? Integendeel, ik zie in de houding der wereld tegenover deze soort lieden slechts een op niets gegronde vijandelijkheid, en ik geloof, dat het niets is als ijverzucht."

"Neen, dat is niet waar," viel Wesslowsky in. "IJverzucht kan het niet zijn. Er is en blijft iets onreins in zulk een zaak…."

"Pardon," zeide Lewin, "gij vindt het onrechtvaardig, als ik vijfduizend roebel krijg en de boer er slechts dertig verdient. Het is onrechtvaardig, dat voel ik, maar…."

"Inderdaad! Wij eten, drinken, gaan op de jacht, doen niets en hij is altijd zonder verpoozing aan het werk," zeide Wassenka Wesslowsky, in wien heden klaarblijkelijk voor de eerste maal deze gedachte was opgekomen, en die hij dus zeer open en oprecht uitsprak.

"Ja, je gevoelt dat, maar geeft hem toch uw goed niet," zeide Oblonsky eenigszins spottend tot Lewin. In den laatsten tijd, sedert zij beiden met twee zusters getrouwd waren, was er tusschen hen ongemerkt een soort van wedijver ontstaan, wie van beiden zijn leven het beste ingericht had, en deze wedijver deed zich ook nu in hun gesprek gelden, door er iets persoonlijks aan te geven.

"Ik geef het niet, omdat niemand het van mij eischt; en wanneer ik het ook wilde geven, dan zou ik het toch niet kunnen. En dan zou ik ook niet weten aan wien?"

"Geef het dezen molenaar hier; hij zal het niet weigeren."

"Nu goed, maar hoe zal ik het hem geven?"

"Dat weet ik niet. Maar wanneer gij er zoo van overtuigd zijt, dat je er geen recht op hebt…."

"Daarvan ben ik volstrekt niet overtuigd. Integendeel, ik gevoel, dat ik geen recht heb het weg te geven, dat ik plichten tegenover mijn bezittingen, tegenover mijn familie heb."

"Maar ik bid u, als gij deze ongelijkheid voor onrechtvaardig houdt, dan moet gij ook zoo handelen, dat…."

"Ik handel ook, maar negatief, d.w.z. zoo, dat ik mij geen moeite geef om het onderscheid tusschen hem en mij nog te vergrooten…."

"Neen, pardon, dat is een paradox!"

"Ja, dat is een sophistische uitlegging," bevestigde ook Wesslowsky. "O, zie daar! Onze gastheer!" zeide hij tot den molenaar gewend, die door de krakende deur binnen kwam. "Slaapt gij nog niet?"

"Neen, hoe kan ik slapen? Ik meende, dat de heeren slapen wilden, en daar hoor ik u spreken. Ik wilde mij hier nog een haak halen. Bijt hij ook?" vroeg de boer en ging voorzichtig op zijn bloote voeten de honden voorbij.

"Een kostelijke nacht!" zeide Wesslowsky. "Daar zingen immers vrouwen en lang niet kwaad! Wie zingt daar mulder?"

"Dat zijn de dienstmeisjes van de hoeve hiernaast."

"Laat ons nog wat gaan wandelen; wij slapen toch niet in. Kom
Oblonsky."

"Hoe kan dat nu: hier blijven liggen en te gelijkertijd gaan wandelen?" zeide Oblonsky en rekte zich uit. "We liggen hier zoo lekker."

"Nu, dan ga ik alleen," antwoordde Wesslowsky opspringend en trok zijn laarzen aan: "Tot weerziens, heeren! Zoodra het amusant wordt, zal ik je roepen."

"Niet waar? Een kerel van goud!" zeide Oblonsky, toen Wesslowsky weg was en de boer de deur achter hem had toegedaan.

"Zonder twijfel!" verzekerde Lewin, die nog altijd aan het onderwerp van hun gesprek dacht. Hij meende toch zijn gedachten, voor zoover hij dit kon, duidelijk te hebben uitgesproken, en toch zeiden deze beide menschen, die alles behalve dom en heel oprecht waren, eenparig, dat hij zich met sophismen troostte. Dat had hem in verlegenheid gebracht. "Ja, vriendje, zoo is het: of men moet de tegenwoordig bestaande maatschappelijke verhoudingen als billijk erkennen en ze verdedigen, of men moet bekennen, dat men zich zelf op onrechtmatige wijze in een bevoorrechte positie bevindt en zich dit voordeel, zooals ik doe, maar met genoegen ten nutte maken."

"Neen, als het een onrechtmatig voordeel was, dan zoudt ook gij dat niet met genoegen kunnen genieten, ik ten minste zou het niet kunnen. Om dat te kunnen, moet ik mij er van bewust zijn dat ik niet schuldig ben."

"Wat dunkt je? Zullen wij ook nog niet wat naar buiten gaan?" vroeg Stipan Arkadiewitsch, die het moede werd zijn gedachten nog meer in te spannen. "Inslapen doen wij toch niet. Laat ons dus gaan!"

Lewin gaf geen antwoord. Het zooeven uitgesproken woord, dat hij slechts negatief rechtvaardig handelde, had hij nog niet kunnen verkroppen.

"Is het mogelijk, dat men rechtvaardig zijn kan, als men slechts negatief handelt?" vroeg hij zich af.

"Hoe sterk riekt dit versche hooi!" zeide Stipan zich oprichtend. "Ik slaap toch niet in. Wesslowsky schijnt daar wat uit te voeren. Hoor je wel, hoe ze lachen? Dat is zijn stem. Laat ons er toch ook heengaan."

"Neen, ik ga niet," antwoordde Lewin.

"Is dat misschien ook uit principe?" vroeg Stipan Arkadiewitsch lachend en zocht daarbij in het donker naar zijn muts.

"Niet uit principe; maar wat zal ik daar doen?"

"Hoor eens: jij zult je nog wat op den hals halen!" zeide Stipan, die eindelijk zijn muts gevonden had.

"Hoe zoo?"

"Meent ge, dat ik niet gezien heb, hoe je naar uw vrouw geloopen zijt? Ik heb het wel gehoord, hoe het tusschen u beiden een kwestie van het grootste gewicht was, of ge twee dagen op de jacht mocht gaan of niet. Dat is in een idylle heel mooi, maar zijn geheele leven door kan men dat niet volhouden. De man moet zorgen, dat hij altijd onafhankelijk blijft, hij heeft immers zijn eigen mannelijke belangen. De man moet man zijn…." meende Stipan en opende de deur.

"Dat wil zeggen, hij moet de dorpsmeisjes het hof maken?" vroeg Lewin.

"Waarom niet, wanneer hij er plezier in heeft? Ça ne tire pas à conséquence. Mijn vrouw gaat het er niet slechter om en ik heb er pret mede. De hoofdzaak is slechts, dat ons eigen huis ons heilig is. In huis mag niets voorvallen, voor de rest behoeft men zich zelf echter de handen niet te binden."

"'t Is mogelijk!" antwoordde Lewin droog en ging op de andere zijde liggen. "Ik wil morgen vroeg opstaan en reeds bij zonsopgang de deur uit. Van ulieden zal ik niemand wekken."

"Messieurs! Venez vite!" klonk de stem van den terugkeerenden
Wesslowsky. "Charmante! Ik heb ze ontdekt! Charmante! Een waar
Gretchen!"

Lewin deed, alsof hij sliep. Oblonsky stak een sigaar op, verwijderde zich met Wesslowsky en spoedig vernam men het geluid der stemmen niet meer.

Lewin kon langen tijd niet inslapen. Hij hoorde zijn paarden beneden zich het hooi eten en hoe de molenaar met zijn oudsten zoon naar de nachtweide reed. Hij dacht aan den dag van morgen. "Morgen ga ik heel vroeg en zal mij niet overijlen. Er zijn daar een menigte watersnippen en groote snippen, en kom ik dan weer hier terug, dan vind ik Kitty's brief. Ja, ik gedraag mij niet als een man tegenover haar; ik ben geheel verwijfd geworden … Maar wat te doen? Weer slechts negatief handelen!"

In zijn halve sluimering hoorde hij het lachen en het vroolijke gebabbel van Stipan en Wesslowsky. Hij sloeg de oogen op. De maan scheen. In haar helder licht zag hij beiden in de open deur staan. Stipan zeide iets van de frischheid van het meisje en vergeleek haar bij een noot, die van den bast ontdaan was, en Wesslowsky herhaalde lachend de door een boer gesproken woorden: "Maak maar, dat je zelf een vrouw krijgt!" en Lewin zeide slaperig: "Heeren, morgen bij het aanbreken van den dag…." en sliep in.

XIV.

Het was tegen tien uur 's morgens, toen Lewin moede, hongerig en zeer opgeruimd van een gelukkige jacht met dertien stuks watersnippen en een eend naar den molen terugkeerde. Zijn kameraden waren intusschen ook reeds ontwaakt en zaten aan het ontbijt.

"Wacht eens, wacht eens!" zeide Lewin. "Ik weet, er waren er negentien in 't geheel!" en voor de tweedemaal werden de bloedige op zijde gebogen koppen der watersnippen en groote snippen geteld, die er nu niet meer zoo trotsch uitzagen, als toen ze waren uitgevlogen. De rekening kwam uit, en Stipans ijverzucht deed Lewin goed. Nog een tweede genoegen wachtte hem. De door Kitty uitgezonden bode te paard bracht haar brief.

"Ik ben gezond en welgemoed," schreef zij. "Gij kunt omtrent mij gerust zijn. Mijn nieuwe lijfwacht, Marie Wlassnewja, (het was de vroedvrouw, voortaan een nieuw en gewichtig personage in Lewins familieleven) is gekomen om naar mij te zien. Zij heeft mij volkomen gezond bevonden, maar toch willen wij haar tot uw thuiskomst hier houden. Ook al de overigen zijn gezond en vroolijk, ik bid u, haast u om onzentwille niet en, gaat de jacht goed, blijf dan nog maar een dag."

Deze beide redenen tot vreugde, de gelukkige jacht en het briefje zijner vrouw, wogen volkomen op tegen twee kleine onaangenaamheden, die hem wachtten. De eene was, dat het handpaard zich gisteren overwerkt had en daarom vandaag niets eten wilde en moedeloos voor zich uit stond te kijken. De andere onaangenaamheid, die in het eerste oogenblik zijn goede luim geheel scheen te zullen bederven, was, dat van al den mondvoorraad, dien Kitty hun zoo overvloedig had meegegeven, dat men had kunnen gelooven, dat zij dien in een week niet hadden kunnen verteren, niets meer was overgebleven. Toen Lewin nu moede en hongerig terugkeerde, zweefden de pasteien en vooral het koude gebraad zoo levendig voor zijn verbeelding, dat hij ze reeds meende te ruiken en te proeven. Hij zond daarom den koetsier Philip terstond heen om hem er van te brengen. Doch ziedaar! er waren geen kuikens meer en ook geen vleesch.

"Ja, die daar heeft een fameusen eetlust!" zeide Stipan naar Wesslowsky wijzend. "Ik lijd nu juist ook niet aan gebrek aan eetlust, maar met dien…. Neen, dat is iets verwonderlijks!"

"Nu, dan is er niets aan te doen," antwoordde Lewin en zag Wesslowsky donker aan. "Breng mij dan wat van de pasteien, Philip."

"Er zijn ook geen pasteien meer," antwoordde Philip.

Dat speet Lewin zeer, zoodat hij op geraakten toon zeide, dat zij toch ook wel iets voor hem hadden kunnen overlaten.

"Nu, maak deze watersnippen dan schoon," wendde hij zich tot Philip; zijn stem beefde van toorn en hij vermeed het Wesslowsky aan te zien! "Doe er brandnetels in en breng mij eerst melk."

Later, toen hij zich met melk verzadigd had, schaamde hij zich, dat hij zijn verdrietige stemming aan zijn gasten had getoond en schertste hij over zijn hongerige boosheid.

Des avonds jaagden zij nog een veld af en keerden des nachts vroolijk naar huis terug. De terugrit deed aan vroolijkheid voor den heenrit niet onder. Wesslowsky zong voortdurend en herinnerde zich met verrukking zijn avontuur bij de boeren, die hem met brandewijn vrijgehouden en daarbij gedurig gezegd hadden: "Neem het niet kwalijk;" dan weer sprak hij van de noten en de dorpsmeisjes en van den boer, die hem gevraagd had, of hij al getrouwd was en die, toen hij vernam, dat dit nog niet het geval was, groot medelijden met Wesslowsky had gehad; bizonder koddig schenen hem echter de woorden van den boer: "je moet de vreemde vrouwen niet aankijken, maar zorgen, dat je er zelf een krijgt."

"Over 't geheel ben ik over dit uitstapje zeer voldaan. En gij, Lewin?"

"Ik ben ook zeer tevreden," antwoordde Lewin, voor wien het een groote voldoening was, dat hij geen vijandig gevoel meer tegen Wesslowsky koesterde, maar dat hij integendeel zeer vriendschappelijk jegens hem gezind was.