WeRead Powered by ReaderPub
Anna Karenina cover

Anna Karenina

Chapter 138: XXVI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel interweaves two principal narratives: one traces a married woman's passionate affair and the social, familial, and moral consequences that follow; the other follows a thoughtful man as he seeks purpose, wrestles with questions of work, faith, and the rhythms of rural life. Through detailed scenes of domestic routine and society, the book examines marriage, fidelity, isolation, public reputation versus inner life, and the search for meaning, contrasting urban social pressures with personal conscience and the restorative presence of the natural world.

XXI.

"Daar ben ik met Dolly, ma tante," zeide Anna terwijl zij met Darja Alexandrowna naar buiten ging op het groote steenen terras, waar vorstin Warwara in de schaduw aan een borduurraam zat en aan het overtrek voor een stoel voor graaf Alexei Kyrillowitsch werkte. "Zij zegt, dat zij voor den middag niets wenscht te gebruiken, maar laat toch het ontbijt maar hier brengen, ik wil Alexei opzoeken en medebrengen."

Vorstin Warwara was zich ongetwijfeld van de ongepastheid van haar verblijf bij Wronsky even pijnlijk bewust als Dolly, want reeds met het eerste woord begon zij een verklaring te geven, waarom zij Anna hierheen begeleid had; niet omdat zij er behagen in schepte, met haar in weelde te leven, maar omdat zij altijd veel van Anna gehouden en zich altijd gaarne voor haar opgeofferd had, en dat deed zij ook nu om haar toestand te verlichten en haar in dezen moeielijken tijd van overgang behulpzaam te zijn.

"Haar man zal in de scheiding bewilligen en dan zal ik mij weer in mijn eenzaamheid terugtrekken. Maar nu kan ik haar van dienst zijn en zal, hoe zwaar het mij ook vallen moge, mijn plicht vervullen. En gij, hoe bekoorlijk zijt ge geworden. Je hebt den hemel verdiend, dat je hier gekomen zijt. Zij leven als de beste echtgenooten met elkaar. God zal hen richten, niet wij. Buitendien, c'est un intérieur si joli, si comme il faut. Tout a fait à l'anglaise. On se réunit le matin au breakfast et puis on se sépare. Tot het diner doet ieder, wat hij wil. Om zeven uur wordt opgedragen. Maar zij doen ook veel goeds. Heeft hij u nog niet van zijn ziekenhuis verteld? Ce sera admirable. Alles is uit Parijs…."

Dit gesprek werd afgebroken door Anna, die de heeren in de biljartkamer had aangetroffen en nu met hen op het terras terugkeerde. Vóór den middag was er nog veel tijd en het weer was schoon. Daarom werden allerlei voorslagen gedaan, hoe men de nog overblijvende twee uren het best zou kunnen doorbrengen. Men had ook in Wosdwijenskoje allerhande tijdverdrijf, maar van geheel anderen aard als in Lewins Pokrowskoje.

"Une partie de lawntennis," sloeg Wesslowsky met zijn innemend lachje voor, "en wij spelen weer samen, Anna Arkadiewna."

"Neen, daartoe is het te warm. Zou het niet beter zijn een wandeling in den tuin of een tochtje met het bootje te doen om Darja Alexandrowna de oevers te toonen," sloeg Wronsky voor.

"Mijn is alles goed," zeide Swijaschsky.

"Ik geloof, dat Dolly het liefst een kleine wandeling zou doen en dan misschien nog in de boot?" zeide Anna.

Hiertoe werd dan ook besloten. Wesslowsky en Tuschkewitsch gingen naar het badhuis om de boot gereed te maken en de overigen op te wachten, terwijl Anna met Swijaschsky en Dolly met Wronsky paarsgewijs in het park gingen wandelen. Dolly gevoelde zich in haar nieuwe omgeving eenigszins bedeesd en angstig. Niet alleen, dat zij Anna's gedrag op abstracte wijze en in theorie verontschuldigde, maar zij billijkte en prees het zelfs.

Zoo gaat het trouwens vlekkeloos reine en deugdzame vrouwen dikwijls. Door de eentoonigheid van haar eigen zedelijken levenswandel vermoeid, verontschuldigen zij niet alleen van verre de misdadige liefde van anderen, maar benijden er hen zelfs om. Daarbij kwam, dat zij Anna hartelijk liefhad. Alleen hier, waar zij zich in de werkelijkheid te midden van deze haar vreemde menschen met hun voor haar nieuwen, zoogenaamd goeden toon bevond, gevoelde zij zich beklemd.

Overigens, al veroordeelde zij ook Anna's handelwijze niet, toch was haar de aanblik van den man, die er de aanleiding toe geweest was, onaangenaam. Ook was Wronsky haar nooit zeer bevallen, zij hield hem voor zeer trotsch en kon aan hem volstrekt niets vinden, waarop hij trotsch kon zijn, tenzij op zijn rijkdom.

Toch imponeerde hij haar hier in zijn huis meer dan anders en van dit gevoel kon zij zich niet losmaken. Zij had tegenover hem hetzelfde gevoel als tegenover het kamermeisje om haar uitgestukte nachtjapon. Het was geen schaamte, maar een gevoel van onbehagelijkheid, van gegeneerdheid.

Dolly gevoelde zich dus beklemd en zocht naar een onderwerp van gesprek. Hoewel zij meende, dat bij zijn trots de lof van zijn huis en tuin hem onaangenaam zou kunnen zijn, zeide zij hem hierover toch iets vleiends, daar zij niets anders wist te zeggen.

"Ja, het is een heel net gebouw van ouden, goeden smaak," antwoordde hij.

"Bizonder is mij het terrein vóór de inrijpoort bevallen. Is dat vroeger ook zoo geweest?"

"O neen," zeide hij, terwijl zijn gelaat van genoegen verhelderde:
"Dit terrein hadt gij in het voorjaar eens moeten zien."

En nu begon hij, eerst terughoudend, maar spoedig meer ongedwongen, haar op verscheiden bizonderheden van huis en tuin opmerkzaam te maken. Men zag, dat het hem, nadat hij zooveel zorg aan de verfraaiing van zijn landgoed besteed had, nu eenigszins een behoefte was bij zijn nieuwe bekenden daarmede te pronken, en Dolly's lof deed zijn hart goed.

"Als ge het ziekenhuis wenscht te zien en niet reeds te vermoeid zijt, dan is het niet ver van hier. Kom," zeide hij en zag haar in 't gelaat om zich te overtuigen, dat het haar niet verveelde. "Gaat ge ook mee, Anna," wendde hij zich tot deze.

"Wij gaan ook mee, niet waar?" antwoordde zij met een blik op Swijaschsky. "Mais il ne faut pas laisser le pauvre Wesslowsky et Tuschkewitsch se morfondre la dans le bateau. Wij moeten het hen laten weten. Ja, dat is een gedenkteeken, dat hij zich hier opricht," wendde zij zich tot Dolly.

"Ja, een kostbaar werkje," bevestigde Swijaschsky, maar om niet den schijn van vleierij tegenover Wronsky op zich te laden, voegde hij er dadelijk een afkeurend gezegde bij: "Het verwondert mij slechts, graaf, dat gij, die zooveel voor de gezondheid van het volk doet, zoo onverschillig ten opzichte van de scholen zijt."

"C'est devenu tellement commun, les écoles," antwoordde Wronsky. "Versta mij wel, dit is bij mij niet de leidende gedachte geweest, maar ik heb mij laten meevoeren."

De dames staken haar parasols op en sloegen een zijlaan in, die hen na eenige kronkelingen uit den tuin bracht. Daar zag Dolly op een hoogte een schoon, groot, bijna reeds voltooid gebouw, dat in de helle zon schitterend uitkwam. Daarnaast werd een ander nog door den steiger omgeven huis gebouwd, waaraan verscheiden arbeiders bezig waren.

"Het werk gaat goed vooruit," zeide Swijaschsky. "Toen ik den laatsten keer hier was, was er nog niets van het dak te zien."

"Tegen den herfst moet alles gereed zijn. Van binnen is reeds alles voltooid," zeide Anna.

"Wat wordt dit hier voor een gebouw?"

"De woning voor den dokter en de apotheek," antwoordde Wronsky en voerde de dames naar het binnenste gedeelte van het ziekenhuis.

Terwijl buiten nog aan de kroonlijsten gewerkt en de benedenste verdieping geverfd werd, was boven reeds alles ingericht. Nadat zij de breede trap van gegoten ijzer waren opgeklommen, betraden zij een groote, geheel voltooide kamer. De muren waren zoo fraai gestukadoord, alsof ze met marmer belegd waren, de reusachtige glasruiten had men reeds in de vensters gezet, slechts aan de ruiten van den ingelegden vloer waren de meubelmakers nog bezig met polijsten.

"Dit is de ontvangkamer," zeide Wronsky. "Hier komt nog een staande lessenaar, een tafel en een kast, verder niets."

Zij begaven zich op den corridor. Hier toonde hun Wronsky een ventilatie van de nieuwste vinding, marmeren badkuipen en bedden met eigenaardige springveeren matrassen; daarna bezichtigden zij de waschkamer, kachels van nieuwe constructie, schuifstoelen, die zonder geraas werden gereden en waarop zaken en personen getransporteerd zouden worden. Swijaschsky waardeerde dit een en ander als een man, die van alles het noodige begrip heeft; Dolly verwonderde zich eenvoudig over hetgeen zij tot nu toe nog niet gezien had en, daar zij wenschte het goed te begrijpen, vroeg zij naar alles, wat Wronsky groot genoegen deed.

"Ik geloof, dat dit tot nu toe in Rusland het eenige, volkomen goed ingerichte ziekenhuis zijn zal," merkte Swijaschsky aan.

"Maar gij zult geen afdeeling voor verlossingen hebben," wierp Dolly in het midden. "En dat is toch op het land zoo noodzakelijk. Ik heb reeds dikwijls …"

Maar Wronsky viel haar ondanks zijn beleefdheid in de rede:

"Daarvoor moet het ook geen inrichting worden, maar uitsluitend een ziekenhuis; het is voor alle ziekten, behalve voor besmettelijke bestemd. Zie eens hier, als ik u verzoeken mag …" en hij schoof een ziekenstoel voor Dolly, ging er in zitten en toonde er haar de constructie van. "Ziet ge, men kan nog niet loopen, men is nog te zwak of er hapert iets aan de voeten, maar men heeft lucht noodig en dan gaat men zoo uitrijden."

Darja Alexandrowna stelde in alles belang, alles beviel haar, het meest echter Wronsky met zijn eenvoudige, natuurlijke geestdrift.

"Ja, hij is toch een net, goed mensch!" dacht zij soms en begreep, hoe Anna verliefd op hem had kunnen worden.

XXII.

"Neen, ik geloof, dat Darja Alexandrowna vermoeid is en wel geen belang zal stellen in de paarden," zei Wronsky, toen Anna voorsloeg de stoeterij te bezichtigen, waar Swijaschsky een hengst wenschte te zien.

"Gaat gijlieden er maar heen, ik begelijd Darja Alexandrowna naar huis en zal haar zoolang gezelschap houden, als het haar aangenaam is."

"Van paarden heb ik geen verstand en het zal mij zeer aangenaam zijn," zeide Dolly een weinig verwonderd. Zij zag aan zijn gezicht, dat hij daarmee iets bizonders voorhad. En zij had zich niet vergist.

Toen zij weer door de poort den tuin in waren gegaan, zag Wronsky naar Anna om en toen hij zich overtuigd had, dat zij hem niet meer zien en hooren kon, begon hij met een goedhartig lachje:

"Ik verheug mij zeer over de gelegenheid om met u te kunnen spreken. Ik vergis mij niet, als ik u voor Anna's vriendin houd." Hij nam den hoed af en streek zich over zijn reeds kaal wordend hoofd.

Dolly antwoordde niets, maar zag hem slechts verrast aan. Zij vreesde plotseling voor hetgeen hij zeggen zou. Allerlei vermoedens vlogen haar door het hoofd: "hij zal mij willen vragen hen met al mijn kinderen te bezoeken, en ik zal hem dit verzoek moeten afslaan; of om mij moeite te geven Anna in Moskou conversatie te verschaffen … of misschien iets over Wassenka Wesslowsky en zijn verhouding tot Anna, of van Kitty, tegenover wie hij zich schuldig gevoelt?" Zij vermoedde alleen onaangename dingen, maar het ware raadde zij niet.

"Gij hebt een grooten invloed op Anna en zij houdt veel van u; gij moet mij helpen."

Zij zag hem schuchter vragend in het energiek gelaat, dat nu eens door de zon helder verlicht, dan weer door het lommer der linden ten volle beschaduwd werd, en wachtte, wat hij verder zeggen zou; maar hij ging met den stok op het kiezelzand slaande zwijgend naast haar voort, alsof hij zijn gedachten eerst wilde verzamelen.

"Nu gij, de eenige vrouw van alle vroegere bekenden van Anna, ons hier bezocht hebt, zie ik wel in, dat ge het niet gedaan hebt, omdat ge onzen toestand voor een normalen houdt, maar omdat ge, terwijl ge al het moeielijke er van begrijpt, haar nog even lief hebt als vroeger en haar gaarne zoudt willen helpen. Heb ik geen gelijk?" vroeg hij en zag haar aan.

"Nu ja," antwoordde Dolly, "maar…." "Neen," viel hij haar in de rede en, terwijl hij staan bleef, dwong hij ook haar stil te staan. "Niemand kan beter en nauwkeuriger dan ik het moeielijke in Anna's positie begrijpen. Dat moet gij gelooven, als ge mij de eer bewezen wilt mij voor een mensch met een hart te houden. Ik ben de oorzaak van dezen haar toestand en dat gevoel ik."

"Ik begrijp u," zeide Dolly, die onwillekeurig de oprechte en besliste wijze bewonderde, waarop hij dit uitgesproken had. "Maar juist omdat gij u voor de oorzaak houdt, vrees ik ook, dat gij overdrijft. Ik begrijp wel, dat uw positie tegenover de wereld een zeer moeielijke is…."

"Een ware hel, een pijniging!" zeide hij snel; "men kan zich geen ergere zedelijke kwellingen voorstellen, dan ik die twee weken in Petersburg heb doorgestaan…. Dit kunt ge gelooven."

"Ja, maar hier, zoolang Anna…. en ook gij geen behoefte aan de wereld gevoelt…."

"Och, de wereld!" zeide hij verachtelijk. "Welk verlangen naar de wereld kan men hebben!"

"Nu, tot zoo lang zult gij gelukkig en kalm zijn. Ik zie het Anna aan, dat zij nu gelukkig, volkomen gelukkig is, zij heeft het mij zelf ook reeds bekend," sprak Dolly glimlachend, maar toch twijfelde zij onwillekeurig, of Anna ook werkelijk gelukkig was.

Maar Wronsky scheen daaraan niet te twijfelen.

"Ja, ja, ik weet het, zij leeft geheel op. Na al haar lijden gevoelt zij zich nu gelukkig. Zij is met dezen tegenwoordigen toestand tevreden—maar ik…? Ik vrees hetgeen ons nog wacht…. Excuseer, ge wilt verder gaan."

"Neen, het is mij hetzelfde."

"Nu, laat ons dan gaan zitten."

Darja Alexandrowna ging op een bank in de allee zitten. Hij bleef voor haar staan.

"Ik zie, dat zij gelukkig is," herhaalde hij, maar de twijfel aan dit geluk overviel Dolly nu nog sterker.

"Maar zal het zoo voortgaan? Of wij goed of slecht gehandeld hebben, dat is een zaak op zich zelf—de zaak is nu eenmaal geschied," zeide hij en vervolgde in het Fransch: "Wij zijn nu voor het leven gebonden. Ons verbindt de voor ons heiligste band der liefde. Wij hebben een kind en wij kunnen nog meer kinderen krijgen. Maar de wet en onze overige voorwaarden van bestaan zijn zoo, dat nog duizend verwikkelingen ontstaan kunnen, die zij nu, nu zich juist haar ziel van al het lijden, al de beproevingen hersteld heeft, niet ziet of niet zien wil. En dat is ook begrijpelijk. Maar ik—ik moet het wel zien. Mijn dochter … volgens de wet is zij mijn dochter niet, maar die van Karenin…. Dit bedrog wil ik niet!" zeide hij met een wrevelige beweging en zag Dolly norsch aan.

Zij antwoordde niet, maar zag hem slechts medelijdend in het gezicht. Hij ging voort:

"En wordt morgen een zoon geboren, mijn zoon, dan is hij volgens de wet ook een Karenin, hij is geen erfgenaam van mijn naam en van mijn vermogen; hoe gelukkig wij ook in den familiekring zijn, hoeveel kinderen wij ook krijgen mogen, tusschen hen en mij bestaat geen wettige band. Zij zijn allen Karenins. Begrijpt gij het ondragelijke van zulk een toestand? Ik heb getracht ook daarover met Anna te spreken. Maar het wond haar te zeer op. Zij begrijpt het niet en haar kan ik niet alles verklaren. Nu zult ge ons leven van een andere zijde beschouwen. Haar liefde maakt mij gelukkig, maar ik heb behoefte aan bezigheid. Die heb ik hier gevonden en ben er trotsch op, want ik houd ze voor meer adellijk dan die mijner kameraden aan het hof en in het regiment. Nooit zou ik nu meer met hen willen ruilen. Hier, op deze plaats, werk ik, ben ik gelukkig en tevreden en er ontbreekt anders niets aan ons geluk. Dit werkzame leven bevalt mij; cela n'est pas un pis-aller, integendeel…."

Het viel Dolly op, dat hij hier in zijn verklaringen verward geraakte, en zij begreep trouwens deze geheele afwijking niet goed; maar zij gevoelde, dat hij nu, nu hij van zijn intiemste verhouding tot Anna sprak, ook omtrent het overige zijn hart wenschte uit te storten en dat hiertoe in de eerste plaats ook zijn werkzaamheid als landheer behoorde.

"Ik ga dus voort," zei hij na een oogenblik nadenkens; "de hoofdzaak bij iederen arbeid is, dat men de overtuiging heeft, dat, wat men gedaan heeft, niet met ons sterven zal, dat men erfgenamen zal hebben—en die heb ik niet. Stel u den toestand van een man voor, die van te voren weet, dat zijn kinderen, die zijn door hem beminde vrouw hem geschonken heeft, de zijnen niet zijn, maar iemand anders toebehooren, die hen haat en niets van hen weten wil. Dat is ontzettend!"

Hij zweeg in zichtbaar groote opgewondenheid.

"Ja waarlijk, ik begrijp u! Maar wat kan Anna daaraan doen?" vroeg
Dolly.

"Ja, dat is het doel van ons onderhoud," hernam hij zich slechts met moeite kalmeerend; "Anna kan er veel aan doen, slechts van haar hangt het af…. Zelfs als ik bij den keizer een verzoek wilde indienen om mijn eigen kind te mogen adopteeren, zou een scheiding noodzakelijk zijn. En deze hangt slechts van Anna af. Haar man had in de scheiding toegestemd; alles was door hem reeds voorbereid, en nu, daarvan ben ik overtuigd, zal hij niet terugtreden. Zij zal daarom slechts aan hem te schrijven hebben. Hij heeft toen uitdrukkelijk verklaard, dat, indien zij dezen wensch wilde uitspreken, hij hem niet zou afslaan." "Waarlijk," voegde hij er wrevelig bij, "dat is weer een van die pharizeeuwsche wreedheden, waartoe slechts zulke menschen zonder hart in staat zijn! Hij weet, hoeveel kwelling haar iedere herinnering aan hem bereidt, maar juist daarom eischt hij een brief van haar. Ik begrijp, hoe kwellend dat voor haar is. Maar ook mijn gronden zijn zoo gewichtig, dat men moet passer par-dessus toutes ces finesses de sentiment. Il y va du bonheur et de l'existence d'Anne et de ses enfants. Van mij wil ik niet eens spreken, hoewel ik lijd, zooals ik nog nooit geleden heb," voegde hij er bij met een dreigende uitdrukking tegen den een of ander, die hem met dit zware kruis belast had. "Dus, Darja Alexandrowna, grijp ik zonder bedenken naar u als naar een reddingsanker. Help gij mij Anna overreden om aan haar echtgenoot te schrijven en hem om de scheiding te verzoeken."

"Ja zeker," antwoordde Dolly weifelend, terwijl zij zich haar laatste gesprek met Alexei Alexandrowitsch voor den geest riep. "Ja zeker!" herhaalde zij beslist, toen zij aan Anna dacht.

"Doe uw invloed op haar gelden, bewerk, dat zij schrijft. Ik zelf zou niet gaarne en kan ook bijna niet met hem daarover spreken."

"Goed, ik zal er met haar over spreken. Maar hoe denkt zij er zelf over?" zeide Dolly, terwijl haar plotseling Anna's eigenaardig aanwendsel inviel om de oogen toe te knijpen, als het gesprek op onderwerpen van haar intiemste leven kwam. "Alsof zij haar oogen tegen haar leven wil sluiten om niet alles daarin te zien!" dacht Dolly.—"Zeer zeker! om harentwil en om mij zelf zal ik met haar daarover spreken," antwoordde zij op de uitingen van zijn dank, en zij stonden op en gingen op het huis toe.

XXIII.

Anna was reeds vóór Dolly daarheen teruggekeerd. Zij zag haar opmerkzaam in de oogen, alsof zij naar het gesprek met Wronsky wilde vragen. Maar zij vroeg toch niets.

"Nu is het al weer tijd voor het diner," zeide zij. "Wij komen er in 't geheel niet toe elkander te zien. Nu reken ik op den avond. Nu moet men toilet maken. Wij hebben ons in het nieuwe gebouw geheel vuil gemaakt."

Dolly ging in haar kamer, maar het was haar belachelijk te moede. Zij had niets om zich om te kleeden, want zij had haar beste kleed aangetrokken. Om zich nu toch ook voor den middag voor te bereiden, liet zij door haar kamermeisje haar kleed afslaan, stak zich een anderen strik voor en koos andere kanten voor haar hoofd.

"Dat is alles, wat ik doen kon," zeide zij glimlachend tot Anna, toen deze reeds in het derde, weer zeer eenvoudige kleed bij haar binnentrad.

"Ja, wij kleeden ons hier te veel! Alexei is met uw bezoek zoo gelukkig, als anders zelden met iets. Hij is bepaald op u verliefd," zeide Anna. "Maar zijt gij ook niet moede?"

Voor den middag vonden zij ook geen tijd meer om haar gedachten uit te spreken. In het salon vonden zij vorstin Warwara en de heeren in het zwart gekleed; slechts de architect droeg een frak. Wronsky stelde zijn gast den dokter en den Duitschen rentmeester voor. Den architect had zij reeds in het ziekenhuis leeren kennen.

De dikke huishofmeester met zijn rond, gladgeschoren gezicht en zijn witten das kondigde aan, dat er opgediend was. De dames stonden op. Wronsky verzocht Swijaschsky Anna den arm te reiken, terwijl hij zelf Dolly naderde. Wesslowsky kwam Tuschkewitsch voor en bood vorstin Warwara den arm, zoodat Tuschkewitsch, de dokter, de rentmeester en de architect zonder dames bleven.

De eetzaal, het middagmaal, de bedienden, de wijn en de gerechten pasten niet alleen bij de algemeene weelde in dit huis, maar schenen nog grootscher dan al het overige.

Aan Wronsky's blik, zooals hij de tafel overzag en den huismeester met het hoofd teekens gaf, zooals hij Dolly tusschen botwinja en soep liet kiezen, bemerkte deze als ervaren huisvrouw, dat dit geheele diner zonder Anna's toedoen, hoewel onder toezicht van den huisheer zelf tot stand kwam. Van haar hing klaarblijkelijk niet meer af dan van Wesslowsky; Anna, Swijaschsky en Wesslowsky waren allen gasten, die vroolijk datgene genoten, wat voor hen bereid was.

Anna trad slechts als gastvrouw op in de leiding van het gesprek. Tegen deze, voor een huisvrouw aan een kleine tafel en met personen, zooals de rentmeester en de architect, die in een gansch anderen kring thuis behoorden en zich alle moeite gaven zich door de ongewone weelde niet verbluft te toonen en aan het algemeen gesprek zoo weinig mogelijk deel te nemen,—alzoo tegen deze voor een huisvrouw niet gemakkelijke taak was Anna met haar gewonen tact ten volle opgewassen en zij leidde het gesprek met natuurlijke bevalligheid, ja, zooals het Dolly toescheen, zelfs met genoegen.

Het gesprek stokte onder de dischgenooten, behalve van de zijde van den in somber zwijgen verzonken dokter, den architect en den rentmeester, nooit en Dolly gevoelde zich zoo opgewekt en was zoozeer in vuur geraakt, dat zij zelfs een kleur had gekregen en bij later nadenken daarover het niet geheel met zich zelf eens was, of zij ook iets dwaas of aanstootelijks kon gezegd hebben. Swijaschsky bracht het gesprek op Lewin en zijn zonderlinge denkbeelden, dat de machines niet pasten bij den Russischen landbouw en er zelfs storend op werkten.

"Ik heb niet het genoegen dezen heer Lewin te kennen," zeide Wronsky glimlachend, "maar hij zal wel nooit de machines, die hij zoo afkeurt, gezien hebben. Of wanneer hij ze soms gezien en in gebruik gehad heeft, dan zullen het wel geen buitenlandsche, maar de een of andere soort van Russisch fabrikaat geweest zijn. Hoe kan men dan daarover oordeelen?"

"Hij heeft in 't algemeen Turksche denkbeelden!" zeide Wesslowsky lachend tot Anna gewend.

"Ik kan zijn denkbeelden niet verdedigen," zei Darja Alexandrowna met vuur, "maar ik kan zooveel wel zeggen, dat hij een zeer beschaafd man is, die, als hij hier was, zijn denkbeelden wel zou weten te verdedigen. Ik versta dat waarlijk niet."

"Ik houd zeer veel van hem en wij zijn zeer goede vrienden," zeide Swijaschsky met een goedhartig lachje, mais pardon, il est un petit peu toqué; zoo b.v. beweert hij ook, dat de vredegerechten en de Semstwo geheel overbodig zijn, en hij wil aan geen van beide deelnemen."

"Dat is onze Russische onverschilligheid," zei Wronsky, terwijl hij zich in een fijn glas ijswater schonk. "Men gevoelt niet, dat onze voorrechten ons ook plichten opleggen en daarom ontkent men deze plichten."

"Ik ken geen mensch, die strenger in de vervulling van zijne plichten is dan Lewin," zei Dolly, door den aanmatigenden toon van Wronsky aan zijn eigen tafel geprikkeld.

"Ik integendeel," ging Wronsky voort, "ben, zooals u ziet, buitengewoon dankbaar voor de mij bewezen eer, dat men mij, dank zij Nikolaï Iwanowitsch, tot vrederechter benoemd heeft. Ik houd het voor mijn plicht de vergaderingen te bezoeken en de zaak van een boer wegens een zijner paarden schijnt mij even gewichtig als de belangrijkste zaak, die mij zelf betreft. Ik zal het ook voor een eer houden, als men mij als lid in de Semstwo mocht kiezen; ik kan daarmede slechts de voorrechten vergelden, die ik als landheer geniet. Ongelukkig ontbreekt onzen grooten grondbezitters nog te zeer het begrip van de beteekenis, die zij voor het rijk moesten hebben."

Het kwam Dolly zonderling voor te hooren, hoe kalm hij zich aan zijn eigen tafel in zijn recht gevoelde. Zij dacht aan Lewin, die geheel tegenovergestelde inzichten had en met zijn oordeelvellingen aan zijn eigen tafel niet minder beslist was. Maar zij hield van Lewin en daarom was zij geheel aan zijn zijde.

"Dus zullen wij bij de aanstaande verkiezingen op u mogen rekenen," zeide Swijaschsky. "Wij zullen er echter ter rechter tijd zijn moeten, reeds op den achtsten. Als gij mij misschien de eer zoudt willen bewijzen bij mij te komen…."

"Ik ben het met uw zwager ook eenigszins eens," zeide Anna tot Dolly: "ik denk echter niet geheel zooals hij," voegde zij er lachend bij. "Ik meen, wij hebben in den laatsten tijd veel te veel met algemeene, openbare plichten te doen. Vroeger waren er te veel beambten, zoodat er voor iedere zaak een bizondere beambte was; eveneens heeft men nu overal verzorgers van het openbare welzijn. Alexei is nu nauwelijks zes maanden hier en reeds is hij lid van ten minste vijf of zes vereenigingen; hij is voogd, rechter, lid van dorpsbesturen en gezworene. Als dat zoo verder gaat, zal hij voor niets anders meer tijd over hebben. En ik vrees, dat men bij zulk een menigte zaken overal maar een nul kan zijn. Op hoeveel plaatsen zijt gij in het bestuur, Nikolaï Iwanowitsch?" wendde zij zich tot Swijaschsky: "Mij dunkt wel op meer dan twintig."

Anna had schertsend gesproken, maar er klonk toch een zekere bitterheid uit. Dolly, die Anna en Wronsky opmerkzaam gadesloeg, bemerkte dat terstond. Zij had ook bemerkt, dat Wronsky's trekken bij dit gesprek dadelijk een ernstige en vastberaden uitdrukking hadden aangenomen. Hieruit en ook uit de omstandigheid, dat vorstin Warwara het gesprek snel op Peterburger kennissen zocht te brengen, alsook uit de wijze, waarop Wronsky zich in den tuin over zijn werkzaamheden had uitgelaten, besloot zij, dat met deze kwestie van publieke werkzaamheid een geheim verschil van meening tusschen Anna en Wronsky verbonden was.

Het diner, de bediening, de wijnen, alles was voortreffelijk, maar het was zoo, als Darja Alexandrowna het op groote diners en op bals had leeren kennen, het had niets eigenaardigs en natuurlijks; daarom maakte het hier in het gewone leven en in dezen engeren kring op haar een onaangenamen indruk.

Na den middag zat men een tijd lang op het terras. Toen speelde men lawn-tennis. De twee partijen plaatsten zich op den zorgvuldig geëffenden en vastgestampten crocket-ground aan beide zijden van het tusschen twee vergulde zuiltjes gespannen net. Ook Dolly deed een poging om mee te spelen, maar het duurde lang eer zij het spel begreep en toen zij het eindelijk gevat had, was zij zoo moede, dat zij ging zitten en nog slechts bij het spel toekeek. Ook haar partner Tuschkewitsch bleef bij haar, terwijl de anderen nog lang voortspeelden. Swijaschsky en Wronsky speelden zeer goed en met opmerkzaamheid, Wesslowsky het slechtst, maar toch hield zijn lachen en roepen niet op. Hij had, evenals de andere heeren, met verlof der dames zijn jas uitgetrokken, en zijn groote, fraaie gestalte in de witte hemdsmouwen, zijn verhit gelaat en zijn stootende bewegingen bleven haar in de herinnering. Nog toen zij zich 's avonds reeds te bed begeven en de oogen gesloten had, zag zij den op den crocketground rondspringenden Wesslowsky.

Gedurende het spel had Dolly zich weinig vermaakt. De schertsende toon tusschen Anna en Wesslowsky, evenals de algemeene onnatuurlijkheid dezer volwassenen, die hier zonder kinderen een kinderspel speelden, bevielen haar niet. Toch, om de anderen niet te storen en, het ging hoe het ging, den tijd te verdrijven, nam zij, na te zijn uitgerust, weer aan het spel deel en deed, alsof zij er vermaak in schepte. Op dezen dag meende zij met veel betere tooneelspelers dan zij zelf was, komedie te spelen en dacht, dat zij door haar slecht spel de geheele zaak bedierf.

Zij was met het voornemen gekomen om, wanneer het haar geschikt voorkwam, twee dagen te blijven. Maar reeds des avonds, gedurende het spel, besloot zij, reeds morgen weder terug te keeren. De kwellende zorgen der moeder, die zij onderweg zoo verafschuwd had, verschenen haar nu al, nadat zij nauwelijks een dag zonder haar kinderen had doorgebracht, in een geheel ander licht en misten hun uitwerking op haar niet.

Na de thee en een nachtelijk tochtje in de boot trad Dolly haar kamer binnen, trok haar kleed uit en ging zitten om het haar voor den nacht los te maken. Zij gevoelde een groote verlichting.

Het was haar zelfs een onaangename gedachte, dat Anna dadelijk bij haar zou komen. Zij zou gaarne met haar gedachten alleen zijn geweest, maar toen Anna in haar nachtgewaad bij haar kwam, verheugde zij zich toch bij dien aanblik. Nu voor de eerste maal zag zij haar weder geheel natuurlijk en zooals zij haar liefhad.

XXIV.

Reeds in den loop van den dag had Anna verscheiden malen getracht het gesprek op intiemer onderwerpen te brengen, maar had altijd na eenige woorden weer afgebroken: "Later, wanneer wij alleen zijn, willen wij daarover spreken. Ik heb u nog veel mee te deelen," had zij gezegd.

Nu waren zij alleen, maar Anna zweeg. Zij was aan het venster gaan zitten en zag Dolly aan. Zij doorzocht haar geheugen naar al de onuitputtelijke stof van vertrouwelijke mededeelingen, maar zij vond niets. Het scheen haar in dit oogenblik, alsof reeds alles gezegd was, en zij wist niet, waarover zij zou spreken.

"Hoe gaat het Kitty?" vroeg zij met een diepen zucht en een schuldigen blik op Dolly. "Zeg mij de zuivere waarheid, Dolly, is zij boos op mij?"

"Boos? Neen," antwoordde Dolly met een glimlach.

"Maar zij haat, zij veracht mij."

"Volstrekt niet. Maar weet ge, zoo iets vergeeft men niet."

"Ja, ja!" zeide Anna, wendde zich af en zag door het open venster. "Maar ik heb geen schuld. Wie heeft trouwens schuld? Wat is schuld hebben? Kon het dan anders zijn? Wat dunkt u? Kon het dan, dat gij niet Stiwa's vrouw waart geworden?"

"Ik weet het waarlijk niet. Maar zeg mij…."

"Ja, ja! Maar wij zijn over Kitty nog niet uitgepraat. Is zij gelukkig? Men zegt, dat hij een uitstekend mensch is!"

"Dat zegt nog te weinig! Ik ken geen beteren man."

"O, wat doet mij dat veel genoegen. Het verheugt mij zeer!"

Dolly glimlachte. "Maar vertel nu van u zelf. Ik heb u nog veel te zeggen. Wij hebben ook met elkander gesproken, ik met…." Dolly wist niet, hoe zij hem zou noemen. "Graaf Alexei Kyrillowitsch" scheen haar te stijf.

"Met Alexei?" zei Anna. "Ik weet, dat gij met elkander gesproken hebt. Maar ik wilde u juist vragen: wat denkt gij van mij, van mijn leven?"

"Hoe kan men dat met een enkel woord zeggen? Ik weet het waarlijk niet."

"Neen, zeg het mij toch. Gij ziet, hoe ik hier leef. Maar gij moet niet vergeten, dat gij in den zomer bij ons gekomen zijt, nu niet alleen zijn…. Toen wij in het begin van de lente hier kwamen, leefden wij geheel alleen en wij zullen weder alleen leven; ik verlang niets liever dan dat. Maar stel u eens voor, dat ik alleen, ook zonder hem leef, ik geheel alleen.—En dat zal komen … ik bespeur aan alles, hoe hij zeer dikwijls den halven tijd weg zal zijn!" zeide zij en ging dichter bij Dolly zitten.

"Trouwens," voorkwam zij deze, die iets antwoorden wilde, "ik zal hem niet met geweld terughouden en dat doe ik ook niet. Van daag zijn er wedrennen, zijn paarden rennen mee, hij rijdt er heen. Ik verheug mij er zeer over. Maar denk ook aan mij; stel u mijn toestand voor…. Maar wat helpt het er over te spreken?" Zij glimlachte. "Waarover heeft hij met u gesproken?"

"Hij heeft met mij over datgene gesproken, wat ik u reeds zelf wilde zeggen. Het valt mij daarom licht voor hem te pleiten. Of men misschien niet … of er geen mogelijkheid zou zijn …"—Dolly bleef steken, verbeterde haar woorden—"om uw toestand te veranderen, te verbeteren…. Gij kent immers mijn meening…. Alleen, als het mogelijk was, dat gij trouwdet…."

"Dat wil zeggen, gij bedoelt, de scheiding," zeide Anna meteen plotseling betrokken gelaat. "Gij weet, de eenige vrouw, die ik in Petersburg bezocht heb, was Betsy Twerskoja. Gij kent haar. Au fond c'est la femme la plus dépravée qui existe. Zij had een liaison met Tuschkewitsch en bedroog haar man op de afschuwelijkste wijze. Ook die heeft mij gezegd, dat zij niets van mij weten wilde, zoo lang mijn positie niet gerectificeerd was…. Meen niet, dat ik u met haar gelijk wil stellen…. U ken ik, mijn lieve ziel…. Maar het viel mij daar juist zoo in…. Nu, wat heeft hij u dan gezegd?" herhaalde zij haar vraag: "Wat begrijpt hij er van? Wat kan hij er van begrijpen?"

"Hij heeft gezegd, dat hij om uwentwil en om zijnentwil lijdt. Misschien zult ge dat egoïstisch noemen, maar dat is een edel, een loyaal egoïsme. In de eerste plaats zou hij uw dochter wettig erkend willen zien en uw echtgenoot zijn; hij zou een recht op u willen bezitten."

"Welke vrouw, welke slavin kan tot zulk een graad slavin zijn als ik?" viel Anna haar somber in de rede.

"De hoofdzaak voor hem is, hij wil…. Hij wil, dat gij niet lijdt…."

"Dat is onmogelijk! Verder?"

"En dan de wettigheid. Hij wil, dat uw kinderen een naam hebben."

"Welke kinderen?" vroeg Anna zonder Dolly aan te zien en kneep de oogen toe.

"Nana en die er nog komen zullen…."

"Daaromtrent kan ik gerust zijn. Ik zal geen kinderen meer krijgen."

"Hoe kunt ge zeggen, dat ge er geene meer krijgen zult?"

"Omdat ik het niet wil!" En ondanks haar opgewondenheid glimlachte Anna, toen zij de naïve uitdrukking van nieuwsgierigheid, verwondering en ontzetting in Dolly's gezicht bemerkte. "De dokter heeft mij eens na een ziekte gezegd…."

Dolly was nu door de nu volgende openbaringen, waarvan de gevolgtrekkingen haar zoo juist schenen, in het eerste oogenblik dermate in de war geraakt, dat zij meende er niets van te kunnen begrijpen, en dat men daarover eerst nog veel, veel nadenken moest.

Deze openbaringen, die haar plotseling de haar zoo lang raadselachtig geschenen opmerking verklaarde, dat eenige familiën niet meer dan een of twee kinderen kregen, riepen in haar zooveel gedachten en tegenstrijdige gevoelens te voorschijn, dat zij niets wist te zeggen en met wijd geopende oogen Anna verwonderd aanstaarde. Had zij onderweg niet iets dergelijks gedacht? Maar zulk een oplossing dezer gecompliceerde vraag scheen haar al zeer eenvoudig en het oproer harer gevoelens, dat zich in haar hart verhief in tegenstelling met den opzettelijk frivolen en lichtzinnigen toon, dien Anna had aangeslagen, maakte op haar een diepen indruk.

"N'est-ce pas immoral?!" Dat was alles, wat zij vermocht te antwoorden.

"Waarom?" antwoordde Anna: "Bedenk toch, ik heb slechts de keuze in andere omstandigheden, dat wil zeggen ziek, of de gezellin, de kameraad van mijn man, dus zooals deze zelf te zijn."

"Nu ja, nu ja!" zei Dolly bij het hooren van deze argumenten, die zij voor zich zelf had aangevoerd, maar die nu voor haar hun vroegere overtuigingskracht verloren hadden.

"Voor u en voor anderen," hernam Anna, als het ware haar gedachten radend, "kan misschien nog twijfel bestaan, voor mij echter niet. Ik ben zijn vrouw niet, hij bemint mij slechts totdat het hem verveelt? En dan? Waarmee zal ik zijn liefde vasthouden? Daarmede!"

In Dolly's hoofd verdrongen zich de gedachten en herinneringen met ongewone snelheid, zooals altijd in oogenblikken van opwinding.

"Ik," dacht zij, "heb Stiwa ook niet kunnen vasthouden; hij is van mij naar anderen gegaan, en de eerste, om wie hij mij ontrouw is geworden, heeft hem met haar schoonheid en vroolijkheid ook niet vastgehouden. Hij verliet haar om een andere. Meent Anna werkelijk zoo aantrekkelijk te blijven en Wronsky te kunnen vasthouden? Als hij slechts dat zoekt, dan kan hij ook toiletten en manieren vinden, die nog schooner en betooverender zijn dan de hare."

Dolly zuchtte nu diep. Anna hoorde dezen zucht, die haar verried, dat Dolly het niet met haar eens was, en ging verder. Zij had een voorraad van nog andere, sterkere argumenten, waartegen men niets kon inbrengen.

"Bedenk eens, wat moet er van mijn kinderen worden? Zij zullen ongelukkig zijn, een vreemden naam dragen en zich van hun geboorte af aan over hun moeder, over hun vader schamen."

"Ja, daarom is immers juist een scheiding noodig!"

Maar Anna hoorde niet. Zij wilde slechts dezelfde bewijsgronden waardoor zij zich zelf zoo dikwijls overtuigd had, luide uitspreken.

"Waartoe is mij dan mijn verstand gegeven, dat mij toch zegt, dat het een dwaasheid is ongelukkigen in de wereld te brengen?" Zij zag Dolly aan, wachtte echter geen antwoord af, maar ging voort:

"Ik zou mij altijd tegenover deze ongelukkige kinderen schuldig gevoelen. Bestaan zij niet, dan zijn zij ook niet ongelukkig, en als zij ongelukkig waren, dan droeg ik er alleen de schuld van."

"Hoe kan men zich tegenover wezens, die in 't geheel niet bestaan, schuldig gevoelen?" dacht Dolly en plotseling viel haar de gedachte in, of het ook soms in het een of andere geval beter kon zijn, als haar lieveling Grisch niet had bestaan? Dat scheen haar zoo dol, zoo ongehoord toe, dat zij het hoofd schudde om deze waanzinnige gedachten te verdrijven.

"Neen, ik weet het niet! Dat is niet goed!" zeide zij slechts met een uitdrukking van afschuw op het gelaat.

"Neen, maar gij moogt niet vergeten, wat gij zijt en wat ik ben…. En bovendien," ging Anna voort, die ondanks den overvloed harer bewijzen en de armoede van Dolly's tegenbewijzen toch in zekere mate toestemde, dat het niet goed was: "In mijn toestand kan ik mij geen kinderen wenschen."

Dolly sprak dit niet tegen. Zij gevoelde zich plotseling zoo ver van Anna verwijderd en erkende, dat tusschen hen vragen bestonden, waarover zij het nooit met elkander eens zouden worden, zoodat het beter was er in 't geheel niet over te spreken.

XXV.

"Des te meer moet gij er naar streven uw toestand te verbeteren, voor zoo ver het mogelijk is," zei Dolly.

"Ja, voor zoo ver het mogelijk is," antwoordde Anna op een plotseling geheel veranderden, zachten en treurigen toon.

"Is de scheiding dan niet mogelijk. Men heeft mij gezegd, dat uw man er in toegestemd had."

"Dolly! Ik zou daar liefst niet over spreken."

"Goed, dan spreken wij er niet van," haastte zich Dolly te antwoorden, toen zij de lijdende uitdrukking in Anna's gezicht bemerkte. "Ik zie slechts, dat gij alles te donker inziet."

"Ik? Volstrekt niet. Ik ben zeer vroolijk en tevreden. Gij hebt gezien, je fais des passions. Wesslowsky…."

"Om de waarheid te zeggen, beviel mij Wesslowsky's toon volstrekt niet," zei Dolly met den wensch een andere wending aan het gesprek te geven.

"Ach, dat prikkelt Alexei—verder niets. Hij is een knaap, geheel in mijn handen, weet ge; ik kan hem leiden, zooals ik wil. Hij is geheel als uw Grischa…. Dolly!" zeide zij, plotseling een andere wending aan het gesprek gevende, "gij zegt, dat ik alles te donker inzie. Gij kunt het niet begrijpen. Het is verschrikkelijk! Ik beijver mij om in 't geheel niets te zien."

"Maar ik meen, dat men toch alles moet doen, wat maar eenigszins mogelijk is."

"Ja, maar wat kan men hier doen? In 't geheel niets. Gij zegt: 'Alexei huwen.' Alsof ik daaraan niet denk. Ik daaraan niet denken!" herhaalde zij en bloosde. Zij stond op, richtte zich hoog op zuchtte diep en begon met haar lichte schreden de kamer op en neer te gaan. "Ik daaraan niet denken! Er is geen dag, geen uur, dat ik er niet aan denk en mij niet verwijt, dat ik er aan denk … want de gedachten daaraan kunnen iemand waanzinnig maken, ja waanzinnig maken! Wanneer ik daaraan denk, kan ik zonder morphium niet inslapen. Nu goed. Wij willen er bedaard over spreken. Men zegt mij: scheiding! Maar ten eerste wil hij die niet meer—hij staat geheel onder den invloed van gravin Lydia."

Dolly zat in rechte houding op haar stoel en volgde met haar medelijdend, deelnemend gezicht Anna's bewegingen.

"Men moet evenwel een poging doen," zeide zij zacht.

"Goed, men moet een poging doen. Wat zal dat beteekenen?" Hiermee sprak Anna klaarblijkelijk een gedachte uit, die zij wel honderdmaal overlegd had en reeds van buiten kende. "Dat beteekent, dat ik hem haat en dat ik, die mij toch schuldig tegenover hem beken en hem voor grootmoedig houd, mij voor hem vernederen, aan hem schrijven moet…. Goed! Ik overwin mij ook zoo ver en doe het. Ik ontvang of een beleedigend antwoord of zijn toestemming. Goed! Ik krijg ook zijn toestemming…." Anna bevond zich op dit oogenblik aan het verst verwijderde eind van de kamer en verschikte daar iets aan de venstergordijnen. "Ik krijg dus zijn toestemming, maar … de zoon? Dien zullen zij mij niet geven. Die zal bij den vader, dien ik verlaten heb, in verachting tegen mij opgroeien. Versta mij wel: twee wezens heb ik lief, beiden evenzeer: Serëscha en Alexei…."

Zij was in het midden van de kamer dicht voor Dolly getreden en drukte de handen tegen de borst. In het witte nachtgewaad scheen haar gestalte buitengewoon hoog en gezet. Zij liet het hoofd zinken en blikte met haar vochtige oogen neer op de kleine, magere en van aandoening bevende Dolly in haar uitgestukte nachtjapon en muts.

"Slechts deze beide wezens heb ik lief, maar het eene sluit het andere uit. Ik kan ze niet met elkander vereenigen en dat toch is voor mij noodig. Kan dat niet zijn, dan is mij alles onverschillig, geheel, geheel onverschillig. Maar op de een of andere wijze moet het een eind nemen en daarom kan en wil ik er niet gaarne over spreken. Klaag mij dus niet aan, veroordeel mij niet. Gij in uw onschuld en reinheid kunt niet begrijpen, wat ik lijd."

Zij ging naast Dolly zitten, zag haar met een schuldig gelaat in het gezicht en greep haar hand.

"Wat denkt gij? Wat denkt gij van mij? Veracht mij niet. Verachting verdien ik niet. Ik ben eenvoudig ongelukkig. Is iemand ongelukkig, dan ben ik het," zeide zij, wendde zich af en begon te weenen.

XXVI.

Toen Dolly alleen was, bad zij tot God en legde zich toen te bed. Zij had van harte medelijden met Anna, zoo lang zij sprak. Maar nu kon zij zich niet dwingen aan haar te denken. De herinnering aan haar eigen huis maakte zich in een nieuw licht en met een nieuwe bekoorlijkheid van haar verbeelding meester. Deze haar wereld scheen haar nu zoo lief en dierbaar, dat zij besloot in geen geval morgen nog hier te blijven, maar bepaald terug te rijden.

Intusschen nam Anna, in haar boudoir teruggekeerd, een wijnglas, druppelde er een artsenij in die grootendeels uit morphium bestond, en nadat zij gedronken en een tijdlang onbewegelijk gezeten had, ging zij met een kalm en opgeruimd gelaat naar het slaapvertrek.

Bij haar binnentreden zag Wronsky haar opmerkzaam aan. Hij zocht naar sporen van het gesprek, dat zij na haar lang oponthoud in Dolly's kamer met deze moest gehad hebben. Maar in de terughoudende trekken, die iets schenen te verbergen, vond hij niets dan de gewone, nog altijd betooverende schoonheid, haar bewustzijn daarvan en den wensch om op hem te werken. Hij wilde niet vragen, waarover zij gesproken had; hij hoopte, dat zij er zelf van zou beginnen. Maar zij zeide slechts:

"Ik verheug mij, dat Dolly u bevallen is. Niet waar?"

"Ja, het is mij, alsof ik haar reeds lang ken. Ik geloof, dat zij zeer goedhartig is, mais excessivement terre à terre. Niettegenstaande dat heb ik mij zeer verheugd, dat zij ons bezocht heeft."

Hij nam Anna's hand en zag haar vragend in de oogen.

Een andere uitlegging aan zijn blik gevende, lachte zij hem toe.

Ondanks de beden van gastheer en gastvrouw stond Dolly er den volgenden morgen op om af te reizen. Lewins koetsier in zijn reeds wat oud geworden mantel en hoed, met de tweesoortige paarden en de kales met de uitgestukte vleugels, kwam norsch en vastberaden in de overdekte en met kiezelzand bestrooide oprijpoort voor.

Het afscheid van vorstin Warwara even als van de heeren was Dolly onaangenaam; maar ook zij, zoowel als haar gastheer en gastvrouw gevoelden na een dag samenzijn duidelijk, dat zij niet bij elkander pasten en dat het voor beide partijen beter was niet samen te komen. Slechts Anna was treurig. Zij wist, dat nu niemand meer de gevoelens, die zich bij Dolly's aankomst in haar ziel verhieven, tot rust zou brengen. Het deed haar pijn deze gevoelens aan te raken, maar zij wist toch, dat dit het beste deel van haar innerlijk wezen was.

Toen Dolly het uitgestrekte veld was opgereden, had zij een weldadig gevoel van verlichting en de lust kwam in haar op, haar dienaren te vragen, hoe het hun bij Wronsky bevallen was, toen plotseling de koetsier Philip reeds van zelf begon:

"Rijk zijn zij, zeer rijk, maar zij hebben ons toch maar drie maat haver gegeven; nog voor het hanengekraai hadden zij het schoon opgevreten. Bij ons krijgen de vreemde paarden zooveel als zij vreten willen."

"Ja, een gierig heer," bevestigde ook de schrijver.

"Nu, maar hoe zijn u dan de paarden bevallen?" vroeg Dolly.

"De paarden—ja, daarover is maar ééne stem! En het eten was ook goed, maar toch scheen het mij daar niet recht vroolijk, Darja Alexandrowna. Ik weet niet, hoe het u daar voorgekomen is," zei Philip, terwijl hij haar zijn knap, goedhartig gezicht toekeerde. Ik heb mij verveeld."

"Ik ook. Zijn wij voor den avond te huis?"

"Ja, dat moet!"

Toen zij te huis was teruggekeerd, waar zij allen vroolijk en in den besten welstand aantrof, vertelde Dolly onder groote, algemeene opmerkzaamheid van haar uitstapje, van haar goede ontvangst, van de weelde en den goeden smaak in Wronsky's huis, van hun leven en hun genoegens en hield elke afkeurende aanmerking terug.

"Men moet Wronsky en Anna kennen. Ik heb hen nu nauwkeurig genoeg leeren kennen om te kunnen begrijpen, hoe roerend hun verhouding is," zeide zij met de grootste oprechtheid, terwijl zij geheel het onbestemde en onbehagelijke gevoel vergat, dat haar bij hen gekweld had.