XII.
Den geheelen dag bleef Anna thuis, dat wil zeggen bij de Oblonsky's, en ontving niemand. Er kwamen eenige bekenden, die van haar aankomst hadden gehoord, maar zij bleef bij Dolly en de kinderen. Zij zond een briefje naar haar broeder, dat hij dien dag in elk geval thuis moest komen eten. "Kom! God is barmhartig, Hij zal u helpen," had zij geschreven.
Oblonsky at dien middag ook thuis. Er werd een geheel algemeen gesprek gevoerd en zijn vrouw sprak hem aan met gij en jij, hetgeen nog niet weer was gebeurd. Er bleef wel is waar een verwijdering tusschen man en vrouw, maar van scheiding was geen sprake meer, en Stipan Arkadiewitsch bemerkte, dat er mogelijkheid voor een verklaring en tot vergeving bestond.
Vroeg in den middag kwam Kitty. Zij kende Anna Arkadiewna slechts weinig, en kwam nu bij haar zuster niet zonder bezorgdheid, hoe de Petersburgsche groote dame, die door allen zoo hoog werd geprezen, haar zou ontvangen en of zij haar zou bevallen. Maar zij beviel Anna, dat bemerkte zij terstond en Kitty gevoelde zich niet alleen spoedig onder den indruk harer persoonlijkheid, maar zij begon met Anna te dwepen, zooals jonge meisjes dat somwijlen met oudere dames plegen te doen. Kitty bewonderde in Anna de groote dame, maar kon zich niet voorstellen, dat deze de moeder van een bijna achtjarigen jongen was. Zij geleek door de vlugheid harer bewegingen, de frischheid en den levenslust, die zoowel uit haar blikken straalde, meer op een twintigjarig meisje; en toch lag er in haar oogen een ernstige, ja soms treurige uitdrukking, die Kitty sterk aantrok.—Kitty vond, dat Anna zeer natuurlijk was en niets verborg, en toch had zij een gevoel, alsof Anna soms tot haar moest nederdalen uit een voor haar onbereikbare, hoogere, dichterlijke wereld.
Na den middag ging Dolly naar haar kamer. Anna stond dadelijk op en naderde haar broeder, die een sigaar opstak. "Stiwan," sprak zij, met een vroolijk knikje, terwijl zij hem bekruiste en met de oogen naar de deur wees: "Ga nu, en God moge je helpen!"
Hij begreep haar, wierp zijn sigaar weg en verliet de kamer.
Anna keerde naar de sofa terug en zette zich naast Kitty neder, terwijl de kinderen, die al zeer veel van hun nieuwe tante hielden, haar omringden. Zij zag Kitty aan en, om in het bijzijn der kinderen niet te veel te zeggen en niet te zwijgen, sprak zij: "Wanneer zal het bal zijn, Kitty?"
"De volgende week! Een heerlijk! Een van die bals, waarop men zich altijd amuseert!"
"Zoo, zijn er zulke, waarop men zich altijd amuseert?" vroeg Anna met vriendelijke spot.
"Het is vreemd, maar het is zoo. Bij de Brobrischeffs is het altijd heel amusant, by de Nikitins ook, maar bij de Merschkoffs is het altijd heel vervelend. Hebt gij dat verschil tusschen het eene en het andere bal ook niet opgemerkt?"
"Neen, meisjelief, voor mij zijn er geen amusante bals meer," sprak Anna, en Kitty zag weer in haar oogen die bizondere wereld, die voor haar was gesloten. "Ik onderscheid ze in minder of meer vermoeiende en vervelende."
"Hoe kunt gij u op een bal vervelen?"
"En waarom zou voor mij een bal niet vervelend zijn kunnen?"
Kitty zag, dat Anna wist, welk antwoord moest volgen: "Omdat gij altijd de schoonste zijt."
Anna bloosde licht, en deed het ook nu.
"Ten eerste ben ik dat nooit, en ten tweede, wat zou dat dan nog voor mij uitmaken?"
"Gij gaat toch stellig mede naar dit bal?"
"Ik geloof, dat ik het slecht zal kunnen laten."
"Dat zal mij genoegen doen, ik zou u zoo gaarne op een bal zien."
"Zoo! als ik dan gaan moet, zal ten minste de gedachte, dat ik er u een genoegen mee doe, mij troosten. Grischa, jongen! trek alsjeblieft niet zoo aan mijn haar; 't is al genoeg in de war."
"Ik stel mij u op een bal geheel in lila voor."
"Waarom lila?"
"Ja zeker, dat zal u goed staan!"
"Nu, kindertjes, ga nu heen, hoort ge? Miss Gull roept; zij heeft de thee klaar," sprak Anna, terwijl zij zich van de kinderen losmaakte en hen naar de eetkamer zond. "En ik weet wel, waarom gij mij zoo gaarne op dit bal zoudt zien; ik weet, dat gij van dit bal heel wat verwacht en nu gaarne zoudt zien, dat al je vrienden tegenwoordig waren om in je geluk te deelen, niet waar?"
"Hoe weet u dat? Ja!"
"Welk een gelukkige tijd voor je!" ging Anna voort. "Ik herinner me dien ook nog zeer goed; ik heb hem zelf gekend, dien blauwachtigen bergnevel, die zooveel belooft en zooveel omsluiert en ons omzweeft in het gelukkigste tijdperk van ons leven, als wij, de kinderschoenen pas ontwassen, vrij en ongedwongen uit een breeden, vroolijken kring treden en onze schreden richten naar het enge dal, waarbij het ons wat beklemd om het hart wordt. Maar 't is overheerlijk, verleidelijk schoon dat nevelachtig verschiet! Wie heeft dat niet ondervonden?"
"Hoe echter heeft zij dat ondervonden? Hoe gaarne zou ik haar roman kennen!" dacht Kitty en stelde zich daarbij het prozaïsch, weinig aantrekkelijk uiterlijk van haar echtgenoot Alexei Alexandrowitsch voor.
"Ik weet er een klein beetje van, Stiwa heeft gebabbeld," ging Anna voort, "en ik wensch je van harte geluk! hij bevalt mij zeer. Ik trof Wronsky aan het station."
"Ach, was hij daar?" vroeg Kitty blozend. "En wat heeft Stiwa u dan gezegd?"
"Hij heeft alles verklapt, en ik zou er mij zeer in verheugen…." Plotseling herinnert zij zich haar echtgenoot en een gevoel van ijverzucht doortrilde haar ziel bij de gedachte aan de vrije keus van een jong meisje.
"Zijn moeder en ik hebben te zamen gereisd," hernam zij, "en zij sprak onophoudelijk over hem. Hij is haar lieveling."
"Wat vertelde zijn moeder dan?"
"O, zeer veel. Hij is wel is waar haar lieveling, maar men kan zoo merken, dat hij iets ridderlijks over zich moet hebben. Zoo vertelde zij, bijvoorbeeld, dat hij ten gunste van zijn broeder een deel van zijn vermogen wilde afstaan; dat hij in zijn jeugd iets nog ongewoners verricht heeft en wel een vrouw uit het water gered! Om kort te gaan, hij is een held," sprak Anna lachend en dacht daarbij aan de twee honderd roebels, die hij voor de wisselwachtersweduwe gegeven had, maar sprak daar evenwel niet van. Het was haar om de eene of andere reden onaangenaam daaraan te denken. Zij gevoelde, dat dit in verband stond met iets, dat haar zelf betrof en eigenlijk niet zijn mocht.
"Zij heeft mij verzocht, haar te bezoeken," ging Anna voort. "Nu, ik verheug er mij zeer op, de oude dame weer te zien. Morgen ga ik naar haar toe.—Maar, God zij dank! Stiwa blijft bij Dolly," zeide zij om het gesprek een andere wending te geven. Zij stond op en was, naar het Kitty toescheen, ergens ontstemd over.
Dolly kwam alleen uit haar kamer terug om thee te drinken.
"Ik vrees, dat het boven te koud voor je zal zijn," sprak zij tot Anna. "Ik zou je gaarne naar beneden laten verhuizen, dan zijn wij ook dichter bij elkander."
"Ach! heb toch maar geen zorg voor mij!" antwoordde Anna en zocht op
Dolly's gelaat te lezen, of er een verzoening had plaats gehad.
"Het is hier beneden vroolijker!" zeide Dolly.
"Nu, ik moet je zeggen," hernam Anna, "dat ik hier en overal slaap als een roos…."
"Waar heb jelui het toch over?" vroeg Stipan, die uit de zijkamer trad en zich tot zijn vrouw wendde. Uit dien toon maakten Anna en Kitty op, dat een verzoening tot stand was gekomen.
"Ik zag Anna gaarne naar beneden verhuizen, maar daar moeten nog gordijnen worden opgehangen, en dat zal niemand kunnen doen als ik."
"God weet, of zij zich wel geheel verzoend hebben," dacht Anna, toen zij Dolly's koelen en rustigen toon hoorde.
"Ach, Dolly! je hebt altijd zwarigheden," antwoordde haar man, "als ge wilt, zal ik alles in orde brengen."
"Ja, ik weet wel, hoe gij dat zoudt doen. Gij beveelt het aan Matjeff en rijdt dan uit, en Matjeff brengt alles in de war!"—Een spotachtig lachje omkrulde, als gewoonlijk, Dolly's lippen toen zij die woorden sprak.
"Volkomen verzoening, God zij dank!" dacht Anna, "God zij dank!" En terwijl de vreugde dit volbracht te hebben haar geheel doortintelde, trad zij op Dolly toe en kustte haar. Den ganschen avond sloeg Dolly, even als anders in den omgang met haar man, een vroolijk plagenden toon aan, en hij was tevreden en opgeruimd, doch zóó, dat hij toonde, dat hij, wien men pas een schuld had vergeven, deze nog niet had vergeten.
XIV.
Het bal was juist begonnen, toen Kitty met haar moeder de treden van de breede trap besteeg, die met zeldzame gewassen en gepoederde lakeien in roode rokken bezet en met licht overgoten was. Uit de zalen klonk hen een gelijkmatig gegons als van een bijenzwerm te gemoet, en terwijl zij in de kleedkamer, tusschen de hooge potgewassen, voor den spiegel haar kapsel en kleeding in orde brachten, ruischten de eerste tonen van het orkest voor den eersten wals. Een oud heer in burgerkleeding, die voor een anderen spiegel de aschgrauwe haren aan zijn slapen gladstreek en een wolk van heerlijke geuren om zich heen verspreidde, trad ter zijde om haar den weg vrij te laten en zag vol bewondering tot de hem blijkbaar onbekende Kitty op. Een jongeling, zonder baard, met buitengewoon laag uitgesneden vest, een van die, welke de oude vorst Tscherbatzky melkmuilen noemde, maakte een buiging, ging voorbij, maar keerde terstond weer om en engageerde Kitty voor een quadrille. De eerste quadrille was reeds aan Wronsky beloofd, dus werd de tweede gegeven. Een officier stond aan de deur en bewonderde, terwijl hij zijn handschoenen toeknoopte, de rooskleurige Kitty.
Hoewel kapsel en toilet en alle voorbereidselen voor het bal Kitty veel moeite en hoofdbrekens hadden veroorzaakt, trad zij nu, in het met kunst en smaak vervaardigde tullen kleed op rooskleurigen ondergrond, zoo natuurlijk en vrij op, alsof al die strikken, kanten en kleine versieringen geen opmerkzaamheid hadden vereischt en of zij in deze tulle, met de hooge frisuur en de prachtige donkere roos daarin, was geboren. Het geluk had voor Kitty meegewerkt. Het kleed benauwde haar nergens; de strikken waren niet verkreukeld of losgegaan; de hooggehakte schoenen zaten gemakkelijk; de dikke pouffen blond haar zaten zoo vast op het bevallig hoofd als haar eigen; alle knoopjes van haar lange handschoenen lieten zich gemakkelijk vastmaken en sprongen niet af; het zwart fluweelen lint met medaillon stond prachtig. Toen zij zich in den spiegel had bewonderd, gevoelde zij welk een waarde dit fluweelen lint had; aan al het andere was nog twijfel mogelijk, maar dit lint was betooverend. Kitty voelde in haar onbedekte schouders en armen marmerkoude, een gevoel, dat haar bijzonder aangenaam was. Hare oogen schitterden en haar roode lippen lachten in het bewustzijn harer eigen bekoorlijkheid.
Nauwelijks had zij de zaal betreden, of zij werd voor een wals geëngageerd en wel door den besten cavalier, den eersten der balhierarchie, den beroemden directeur en ceremoniemeester, Gregor Korszunsky, een schoon en deftig gehuwd man. Juist had hij gravin Bonin, met wie hij den eersten wals had gedanst, verlaten, toen hij de binnentredende Kitty gewaar werd, en terstond ijlde hij naar haar toe met den aan alle baldirigenten eigen zwevende danspas, boog voor haar en zonder haar antwoord af te wachten, legde hij den arm om haar slanke taille.
"Hoe gelukkig, dat u juist ter rechter tijd is gekomen! Het is anders geen manier van doen, zoo laat te komen! 't Is waarlijk een ontspanning met u te walsen, u danst zoo heerlijk licht en zoo juist op de maat." Hetzelfde complimentje stak hij bij alle bekenden af. Zij glimlachte over zijn lof en begon over zijn schouders heen in de zaal rond te kijken. Zij was niet meer een van die nieuwelingen, voor wie de geheele omgeving tot een enkelen tooverachtigen indruk versmelt; ook behoorde zij niet tot diegenen, die van het eene bal naar het andere gesleept waren en alle aanwezigen tot vervelens toe kenden; zij stond juist tusschen die beide in, zij gevoelde zich opgewekt en kon zich reeds genoeg beheerschen om opmerkingen te maken.
Zij zag, dat de elite van het gezelschap zich in een hoek der zaal had gegroepeerd. Daar bevond zich de gastvrouw, verder de tot in het onmogelijke gedecolleteerde, schoone Lydia, Korszunsky's vrouw! daar blonk de kale schedel van Kriwin, die altijd daar was, waar zich de elite bevond; daarheen zagen alle jongelieden zonder een toenadering te durven wagen en daar vonden haar oogen Stiwa en de bevallige gestalte en het bekoorlijk gelaat van Anna Karenina.—Hij was daar ook. Kitty had hem sinds den bewusten avond, dat zij Lewin had afgewezen, niet meer gezien. Met haar scherpen blik herkende zij hem dadelijk en bemerkte zelfs, dat hij haar aanzag.
"Nog een toer? U zijt toch niet vermoeid?" vroeg Korszunsky buiten adem.
"Neen, ik dank u."
"Waarheen zal ik u dan geleiden?"
"Ik geloof, dat mevrouw Karenina hier is. Wees zoo goed mij bij haar te brengen."
"Zooals u beveelt," en Korszunsky walste langzaam recht door de verschillende groepen naar den linker hoek der zaal heen, terwijl hij telkens riep: "Pardon medames! Pardon messieurs;" en zoo laveerde hij tusschen al die strikken en slepen door zonder ook maar een tipje daarvan aan te roeren en draaide zichzelf en zijn dame vlug met korten zwaai rond, zoodat haar sleep Kriwins knieën als een waaier bedekte. Toen nam hij met een diepe buiging haar hand en geleidde haar naar Anna Arkadiewna. Anna was niet, zooals Kitty het haar voorgesteld had, in 't lila gekleed, maar zij droeg een zeer laag uitgesneden zwart fluweelen japon, die haar ronde als uit ivoor gesneden, prachtige schouders, alsook haar volle armen met de smalle, kleine handen voordeelig deed uitkomen. Door haar prachtig zwart haar was een krans van violen geslingerd en zulk een krans kwam ook aan den gordel tusschen de witte kant uit te voorschijn. Het glanzige haar was eenvoudig in elkander gestrengeld en krullende lokjes kwamen aan hals en slapen te voorschijn. Om den blanken hals droeg zij een streng echte paarlen.
Kitty had Anna elken dag gezien, maar nu bemerkte zij, dat zij haar nog niet in haar volle schoonheid kende. Zij zag haar nu in een onverwachten glans en nu eerst begreep zij, dat Anna's eigenaardige schoonheid daarin bestond, dat bij haar minder het toilet dan zij zelf in het oog viel. Het zwarte kleed met de prachtige kant was slechts een lijst, waarin zij zelf te zien was: eenvoudig, gedistingueerd, natuurlijk en daarbij levendig en opgewekt.
Zij stond daar steeds in buitengewoon rechte houding en toen Kitty de kleine groep naderde, sprak zij juist met den gastheer, het hoofd eenigszins naar hem heen gebogen. Zij wendde zich terstond met een lief, welwillend lachje tot Kitty. Een vluchtige, echt vrouwelijke blik gleed over Kitty's toilet en een nauwelijks merkbare, voor deze echter goed verstaanbare beweging met het hoofd gaf de goedkeuring over haar schoonheid en toilet te kennen.
"Gij komt reeds als dansend de zaal binnen!" sprak zij.
"Dit is een mijner getrouwste helpsters," sprak Korszunsky, terwijl hij zich voor Anna, die hij nog niet gegroet had, boog. "De prinses helpt het bal opluisteren. Anna Arkadiewna, ik solliciteer om een walstoer," voegde hij er bij.
"Gij kent elkander dus al?" vroeg de heer des huizes.
"Wie ken ik niet? Mijn vrouw en ik zijn als de witte wolven: allen kennen ons!" antwoordde Korszunsky. "Een walstoer, Anna Arkadiewna!"
"Ik dans niet, als ik het eenigszins vermijden kan," antwoordde zij.
"Heden is het evenwel niet te vermijden," zeide Korszunsky.
Op dat oogenblik trad Wronsky naderbij. "Nu, als het dan zijn moet, dan dansen wij!" zeide zij en legde dadelijk, zonder op Wronsky's groet te letten, de hand op Korszunsky's schouder.
"Waarom is zij ontevreden op hem?" dacht Kitty, die opgemerkt had, dat zij opzettelijk Wronsky's groet voorbij zag.
Wronsky ging naar Kitty toe, herinnerde haar aan de eerste quadrille en gaf zijn leedwezen te kennen, dat hij zoo lang het genoegen niet had gehad haar te zien. Kitty bespeurde in zijn wezen iets bizonders, alsof hij nog meer terughoudend en hoffelijk was geworden; zij luisterde naar zijn woorden en zag met bewondering naar de dansende Anna. Zij verwachtte, dat hij haar ten dans zou vragen, maar hij deed het niet, en het werd haar deswege ietwat onbehagelijk. Zij zag hem vragend aan; hij bloosde en haaste zich haar te engageeren. Maar nauwelijks had hij zijn arm om haar fijne taille gelegd en deden zij den eersten pas, toen de muziek plotseling ophield. Kitty zag in zijn gelaat, dat zoo dicht bij haar was, en nog vele jaren later sneed haar deze blik vol liefde, waarmede zij hem aangezien had en die hij onbeantwoord had gelaten, met kwellende schaamte door het hart.
"Pardon! Pardon! Walsen!" riep Korszunsky aan de andere zijde der zaal, en terwijl hij de eerste de beste dame omvatte, begon hij weer te dansen.
Wronsky en Kitty danste eenige malen rond. Toen ging Kitty naar haar moeder en nauwelijks had zij eenige woorden met gravin Nordston gewisseld, toen ook Wronsky kwam om haar voor de quadrille af te halen.
Onder deze quadrille werd niets van belang gesproken; slechts eenmaal maakte het gesprek eenigen indruk op haar, toen hij vroeg, of Lewin nog hier was en er bij voegde, dat hij hem zeer bevallen was. Maar Kitty verwachtte ook niets meer van de quadrille. Zij wachtte met een beklemd hart op de mazurka. Bij deze, dacht zij, moest zich alles beslissen. Zij was zoo overtuigd, dat hij, zooals op vroegere bals, ook nu met haar de mazurka zou dansen, dat zij reeds vijf andere heeren had afgewezen.
Toen zij een der laatste quadrilles danste met een vervelend heer, dien zij niet had kunnen afwijzen, kwam zij juist vis à vis Wronsky en Anna. Zij was sedert de eerste maal niet meer met Anna saamgekomen en zag haar nu plotseling weer in een geheel nieuwen en onverwachten toestand. Zij aanschouwde in Anna de haar zelf zoo wel bekende teekenen der opgewondenheid van vervulde hoop; zij zag haar bedwelmd door verrukking; zij zag den opvallenden glans in haar oogen en den lach van geluk en levenslust, die onwillekeurig haar lippen omspeelde; zij zag de gracieuse zekerheid en lichtheid harer bewegingen.
"Wie?" vroeg Kitty zich zelf: "Allen of maar een enkele?" en zonder den zich aftobbenden jongeling, die met haar danste, te helpen—ofschoon hij den draad van het gesprek verloren had en niet weer kon vinden—en terwijl ze werktuigelijk de luide commando's volgde, sloeg zij onafgebroken Anna gade, en haar hart kromp meer en meer ineen.
"Neen, dat is niet de bewondering der menigte, die haar bedwelmt, het geldt slechts éénen en deze ééne is hij! Is het mogelijk? Is hij het?"
Telkens als hij met Anna sprak, lichtten haar oogen in vroolijken glans. Maar wat deed hij dan? Kitty zag hem aan en verschrok. Zij zag bij hem datgene, wat zij in den spiegel in haar eigen gelaat zag. Waar was zijn kalme en vaste houding gebleven? Waar de uitdrukking van zorgelooze gelijkmoedigheid in zijn gelaat? Neen! Nu, telkens als hij zich tot Anna keerde, boog hij het hoofd, als wenschte hij voor haar neer te vallen en in zijn blik lag slechts de uitdrukking der innigste liefde, gepaard met angstige beklemdheid. "Ik wil u niet beleedigen, maar ik zou mij zelf willen redden en geef niet toe!" zoo sprak elk zijner blikken.
Het geheele bal, de geheele wereld werd voor Kitty's ziel met een nevel bedekt. Slechts de strenge school harer opvoeding, die zij was doorgegaan, hield haar staande om te kunnen doen, wat men van haar verwachtte, dat was, dansen, op alle vragen antwoorden, spreken, zelfs lachen. Maar voor het begin van den cotillon, toen men reeds de stoelen terecht zette en zich eenige paren uit de groote naar de kleine zaal begaven, werd Kitty een oogenblik door angst en vertwijfeling overvallen. Vijf heeren had zij afgewezen en nu had zij geen danser; er was zelfs geen hoop meer, dat zij nog gevraagd zou worden, juist omdat zij altijd zoo gezocht geweest was en het niemand kon invallen, dat zij nog vrij zou zijn. Zij moest haar moeder zeggen, dat zij ongesteld was en naar huis moest; maar daartoe had zij den moed niet; zij gevoelde zich als vernietigd.
Zij ging een klein salon binnen en gleed op een stoel neder. Het luchtige kleed golfde als een wolk om haar fijne taille; de eene arm lag krachteloos in de vouwen van de rosa-tunica neder; de andere hield den waaier en verkoelde met een korte, snelle beweging haar gloeiend gelaat. Maar in weerwil van deze gelijkheid met een vlinder, die zich zoo even op een grashalm heeft neergezet en gereed is de bonte vleugels weer te openen en verder te fladderen, benauwde een ontzettende vertwijfeling haar het hart. "Wellicht vergis ik mij! Misschien is het volstrekt niet zoo!" Maar nogmaals ging voor haar innerlijk oog alles voorbij, wat zij gezien en gevoeld had, en zij kon niet meer twijfelen.
"Kitty, wat is dat nu?" vroeg gravin Nordston, die haar over het dik tapijt onhoorbaar genaderd was; "ik begrijp dat niet!"
Kitty's onderlip beefde; zij richtte zich dadelijk op.
"Kitty, gij danst den cotillon niet mede?"
"Neen, neen," antwoordde Kitty met een door tranen verstikte stem.
"Hij heeft haar in mijn tegenwoordigheid voor den cotillon geëngageerd," zeide de gravin Nordston, die wist, dat Kitty begreep, wie "hij" en "zij" waren: Zij zeide: "danst gij dan niet met prinses Tscherbatzky?"
"Och, 't is mij alles hetzelfde!" antwoordde Kitty. Niemand als zij zelf begreep haar toestand, niemand wist, dat zij eerst gisteren een man, die zij wellicht beminde, had afgewezen en daarom had afgewezen, omdat zij aan een anderen geloofde. Gravin Nordston zocht Korszunsky op, met wien zij zelf anders den cotillon zou gedanst hebben, en beval hem Kitty te engageeren. Korszunsky en Kitty dansten als eerste paar en tot haar geluk behoefde zij niet veel te spreken, want Korszunsky had genoeg te loopen en te ordenen; Wronsky en Anna zaten bijna tegenover hen. Zij zag hen van verre en zag hen als zij in den dans haar meer nabij kwamen, en hoe meer malen zij hen zag, des te meer werd zij overtuigd, dat haar ongeluk was voltooid. Zij zag, dat zij zich in de volle zaal geheel alleen gevoelden, en op Wronsky's anders zoo zelfbewust en vast gelaat zag zij nu een treffende uitdrukking van wankelmoedige onderworpenheid, gelijk aan de uitdrukking van een schranderen, zich schuldig gevoelenden hond.
Anna lachte, en haar lachen deelde zich aan hem mede; werd zij nadenkend, dan werd hij ernstig; een bovennatuurlijke kracht kluisterde Kitty's blik aan Anna; zij was verrukkelijk in haar eenvoudig zwart kleed; verrukkelijk waren haar met rijke braceletten omsloten armen, verrukkelijk haar hals met parelsnoer, verrukkelijk de lokken van haar een weinig losgegane frisuur, verrukkelijk haar bevallige, lichte bewegingen, verrukkelijk het schoon gelaat in zijn levendigheid; maar er was iets verschrikkelijks en vreeswekkends in al deze bekoorlijkheid gelegen.
Kitty bewonderde haar nog meer dan vroeger, maar deze bewondering veroorzaakte haar geen vreugde, maar kwelling. Zij gevoelde zich vernietigd en haar gelaat drukte dat ook uit. Haar oogen stonden dof en haar wenkbrauwen waren opgetrokken. Toen Wronsky haar in den cotillon ontmoette, werd hij door haar aanblik getroffen; hij herkende haar nauwelijks.
"Een allerprachtigst bal," zeide hij, om slechts iets te zeggen.
"Ja," antwoordde zij.
Midden in den cotillon moest Anna, om een nieuwe door Korszunsky uitgevonden, gecompliceerde figuur uit te voeren, in het midden van den kring treden; zij nam twee heeren en riep Kitty en een dame tot zich. Kitty naderde haar en zag haar schuchter aan. Anna zag haar met toegeknepen oogen aan en drukte lachend haar hand; maar toen zij bemerkte, dat Kitty's gelaat slechts met een uitdrukking van verwondering en twijfel haar lachen beantwoordde, wendde zij zich van haar af en begon opgewekt met de andere dame te spreken.
"Ja, er is iets vreemds, duivelsch en verrukkelijks in haar!" zeide
Kitty bij zich zelf.
Anna wilde niet op het souper blijven, hoezeer de gastheer haar ook drong. "Neen, ik blijf niet," antwoordde zij beslist. Wronsky stond naast haar en zweeg. Zij keerde zich naar hem om. Hoewel zij hem slechts eenige malen gezien had, gevoelde zij toch, dat tusschen hem en haar een verleden vol beteekenis lag.
"Neen, ik heb op dit eene bal bij u al meer gedanst, dan den geheelen winter in Petersburg," zeide zij; "ik moet voor de afreis nog wat rusten."
"U reist dus morgen bepaald af?" vroeg Wronsky.
"Ja, dat denk ik!" antwoordde Anna, alsof zij zich over zijn koene vraag verwonderde. Maar een onwillekeurig en trillend licht in haar oogen en haar zenuwachtig lachje verzengde hem, terwijl zij dat zeide.
Anna bleef niet op het souper, maar reed aanstonds weg.
XV.
Na den avond vol kwelling bij de Tscherbatzky's was Lewin onmiddellijk naar het telegraafkantoor gereden en zond een telegram naar huis, dat men hem den volgenden dag van het station zou afhalen. Nadat hij van zijn broeder Sergei afscheid had genomen, verliet hij Moskou den volgenden morgen en was 's avonds reeds weer te huis.
Onderweg en ook reeds te Moskou had hem een verwarring van denkbeelden, een ontevredenheid met zich zelf, een zeker gevoel van schaamte bevangen; maar toen hij aan zijn station uitstapte en zijn eenoogigen koetsier Ignat in den opgeslagen kraag van zijn kaftan gedoken zag staan; toen hij bij het zwakke lichtschijnsel uit de stationsvensters zijn slede en zijn paarden herkende, en toen Ignat, terwijl hij in de slede plaats nam en zich warm in zijn reisdeken hulde, hem verhaalde, dat de nieuwe werkopzichter was aangekomen, en dat de koe Pawa gekalfd had, verdween het gevoel van schuwheid en ontevredenheid. Hij gevoelde, dat hij weer zich zelf was; alleen wilde hij nu beter worden; hij besloot in de eerste plaats niet meer op een buitengewoon geluk, zooals hij gedacht had in een huwelijk te zullen vinden, te hopen, en derhalve wilde hij ook het tegenwoordige niet meer verachten; en eindelijk wilde hij zich niet meer door een zinnelijken hartstocht laten medeslepen. Daarna herinnerde hij zich ook een gesprek over communisme, en terwijl hij gister nog vluchtig daarover heen was geloopen, dacht hij er nu ernstig over na, en ofschoon hij ook elke omwenteling op oeconomisch gebied voor onzin hield, kwam hem nu toch zijn overvloed tegenover de armoede des volks als onrechtmatig voor, en hoewel hij tot hiertoe veel gewerkt en eenvoudig geleefd had, besloot hij voortaan nog meer te werken en zich nog minder weelde te veroorloven.
Met het verfrisschend gevoel van de hoop op een nieuw, beter leven naderde hij 's avonds ten nege ure zijn huis. Uit de vensters der kamer van Agasija Michailowna, de oppasster zijner jeugd, thans zijn huishoudster, viel het licht op de besneeuwde voorplaats van het huis. Zij sliep, dus nog niet. De door haar gewekte Kusma ijlde barrevoets en slaapdronken naar de buitentrap. De patrijshond Laska drong zich kwispelstaartend tegen zijn knieën, ging op de achterpooten staan, maar waagde het niet, zooals hij gaarne zou gedaan hebben, de voorpooten tegen zijn borst te zetten.
"Wat zijt gij spoedig terug gekomen, vadertje!" zeide Agasija.
"Het was er vervelend, Agasija Michailowna! Ginds is het schoon, maar t'huis nog beter!" antwoordde hij en ging naar zijn kamer.
Het vertrek werd nu door een binnengebrachte lamp verlicht; alle hem zoo wel bekende voorwerpen, die zich daarin bevonden, werden nu zichtbaar; het gewei van een koningshert, de boekenplank, de kachel, die lang gerepareerd had moeten worden, de sofa en daarvoor de groote tafel met een opengeslagen boek, een gebroken aschbeker en daarnaast een door hem zelf beschreven schrijfboek. Toen hij dit alles zag, beving hem voor een oogenblik de twijfel aan de mogelijkheid om een nieuw leven te beginnen, zooals hij dat onderweg gedroomd had; 't was hem of al deze getuigen van zijn vroeger leven hem omringden en zeiden: "Neen, gij wordt ons niet afvallig en wordt geen ander mensch! Gij blijft, die gij waart, met uw twijfel en uw bestendig wantrouwen tegen u zelf, met de ijdele voornemens om u te verbeteren en met uw eeuwig hopen op een geluk, dat voor u is weggelegd."
"Onzin," sprak hij luid tot zich zelf, ging naar een hoek, waar hij twee gewichten had staan, hief ze op en begon gymnastische oefeningen. Hij hoorde voetstappen voor de kamerdeur. Toen zette hij de gewichten dadelijk weer op hun plaats.
De rentmeester trad binnen en meldde, dat alles, Goddank, in orde was, maar hij liet er terstond op volgen, dat de boekweit in de nieuwe droogkamer wat was aangebrand. Dit bericht ergerde Lewin. Deze droogkamer was door hem zelf gebouwd naar een ten deele zelf gevonden nieuw plan. De rentmeester was er altijd tegen geweest en meldde nu met een geheim leedvermaak, dat de boekweit was verbrand. Lewin was stellig overtuigd, dat zoo ze verbrand was, hiervan de oorzaak alleen was gelegen in het verzuim om de noodige maatregelen te nemen; dit ergerde hem en hij liet dit den opzichter gevoelig blijken.
Maar er had nog een andere gewichtige en blijde gebeurtenis plaats gegrepen. Pawa, zijn beste en prachtigste koe, die hij op een tentoonstelling gekocht had, had gekalfd.
"Kusma, geef me mijn pels! en neem gij een lantaarn; ik wil ze eens gaan zien."
De stal voor de fokkoeien was dicht bij het huis. Lewin ging den stal in, bekeek Pawa en zette het kalf op zijn lange, waggelende pooten. De angstige Pawa begon te bulken, maar werd, zoodra Lewin haar het kalf weer toeschoof, rustig en begon toen met haar ruwe tong het kalf te likken. Dit stak den kop zoekend onder zijn moeders buik en kwispelde met den staart.
"Licht toch eens goed bij, Fedor! Hier met de lantaarn." zeide Lewin, terwijl hij het kalf bezichtigde. "Precies als de moeder, ofschoon in kleur op den vader gelijkend! Prachtig! Lang en mooie breede schoften! Nietwaar, Wassili Fedoritsch?" zoo wendde hij zich tot den rentmeester, terwijl hij uit blijdschap om het kalf de ramp met de boekweit geheel vergat.
"Hoe zou het ook leelijk kunnen zijn?" was het antwoord. "En Simeon, de opzichter, is dadelijk den dag na uw afreis gekomen. Wij moeten met hem afrekenen. Over de machine heb ik u al vroeger gesproken."
Deze aangelegenheid verplaatste Lewin weer terstond te midden van zijne groote en ingewikkelde landhuishoudelijke zaken; uit den stal ging hij dadelijk naar het kantoor, en nadat hij met den rentmeester het dringendste had besproken, ging hij naar boven naar het salon.
XVI.
Het was een groot en uitgestrekt oud gebouw, en hoewel hij het alleen bewoonde, gebruikte en verwarmde hij het geheele huis. Hij wist, dat het dwaas, dat het ook niet goed en dat het vooral met zijne nieuwe voornemens in strijd was, maar dit huis was voor hem de geheele wereld, het was die wereld, waarin zijn ouders geleefd hadden, en gestorven waren. Het leven dat zij geleid hadden, was voor Lewin het ideaal des levens, dat hij gedroomd had met zijn vrouw en zijn familie te vernieuwen.
Lewin kon zich zijn moeder nauwelijks herinneren. De gedachte aan haar was hem een heilig aandenken, en zooals haar beeld in zijn ziel was geprent, stelde hij zich zijn toekomstige vrouw voor.
Toen hij het kleine salon, waar hij gewoon was thee te drinken, was binnengetreden, zette hij zich in zijn leunstoel neder en Agasija Michailowna zette zich, toen ze de thee gebracht had, bij het venster. Nu kwam hij tot het bewustzijn, dat hij zonder zijn hoop en zijn droomen niet kon leven; met haar of met een andere, maar het moest zoo zijn. Hij las in het boek, dacht over het gelezene na, hield ook dikwijls op om naar Agasija's onophoudelijk gebabbel te luisteren en te gelijk rezen beelden uit zijn werkkring en uit zijn toekomstig familieleven, geheel zonder samenhang, voor zijn geest. Het boek, dat hij las, was dat van Tyndall "Over de warmte." "Dat over de kometen is onwaar, hoewel men 't met genoegen leest," dacht hij. Plotseling viel hem een aangenamer gedachte in: "Over twee jaar kan ik onder mijn kudde twee Hollandsche koeien hebben, twaalf jonge dochters van Berkus, den bul, en Pawa kan dan ook nog leven, en deze drie er bij—prachtig!" Hij nam het boek weer ter hand. "Nu goed! electriciteit en warmte zijn een en hetzelfde! Zou het ook stelkunstig mogelijk zijn een oplossing te vinden door voor de eene van die grootheden de andere te stellen? Neen. Dat doet er echter ook niets toe!… Bizonder aangenaam zou het zijn, als dat kalf van Pawa al een groote koe was, en die andere drie nog daar bij—Prachtig! En als ik dan met mijn vrouw den veestapel ga bezichtigen, zegt mijn vrouw tot de gasten: dit kalf hebben Kostja en ik zelf groot gebracht."—"Hoe kunt ge daar genoegen in vinden?" vraagt een der gasten. "Alles wat hem genoegen doet, doet ook mij genoegen…. Maar wie is zij? In Moskou is iets ernstigs voorgevallen…. Maar wat er aan te doen? Ik heb er geen schuld aan…. Maar nu wil ik een nieuw leven beginnen…. 't Zal echter nauwelijks mogelijk zijn; mijn vorig leven zal het beletten. Doch leven als tot hiertoe? Ja, maar beter, veel beter!"
Hij leunde met het hoofd achterover en dacht na. De oude Laska, die de vreugd over de terugkomst van zijn meester nog niet kon inhouden en eerst naar buiten geloopen was om daar eens goed uit te blaffen, kwam nu kwispelstaartend binnen en schoof den kop onder zijn hand om gestreeld te worden.
"Het spreken ontbreekt er maar aan en hij is toch maar een boerenhond," zei Agasija. "Maar hij begrijpt, dat zijn meester thuis gekomen en niet goed geluimd is."
"Waarom zou ik niet goed geluimd zijn?"
"Alsof ik dat niet zou kunnen zien, vadertje! Ik moet mijn heerschap toch wel hebben leeren kennen. Het is zoo erg niet, vadertje, als men maar gezond en rein van hart is."
Lewin zag haar nadenkend aan, terwijl hij zich verwonderde, dat zij zoo zijn gedachten had kunnen raden.
"Ik zal u nog wat thee geven," sprak zij, terwijl zij zijn kopje nam en de kamer verliet.
Laska drukte nog steeds den kop tegen zijn hand. Hij streelde den hond en ten teeken, dat nu alles in orde was, vlijde deze zich terstond aan zijn voeten neer en verzonk in zalige rust. Lewin beschouwde de bewegingen van het dier.
"Zoo was 't ook met mij! Maar 't is niets! Alles kan nog goed worden!"
XVII.
Den morgen na het bal meldde Anna Arkadiewna in de vroegte haar echtgenoot per telegram, dat zij dien dag uit Moskou vertrok.
"Neen, ik moet bepaald naar huis!" was de eenige verklaring, die zij voor de plotselinge verandering in haar reisplan aan haar schoonzuster gaf, en zij zeide dit op een toon, alsof haar eensklaps honderd dingen waren ingevallen, waaraan zij in het geheel niet gedacht had. "Neen, het is veel beter dat ik vandaag ga."
Stipan Arkadiewitsch kwam niet thuis dineeren, maar had beloofd tegen zeven uur van zijn zuster afscheid te komen nemen. Ook Kitty was niet gekomen. Een brief van haar meldde, dat zij aan hoofdpijn leed. Dus aten Dolly en Anna alleen met de kinderen en de Engelsche gouvernante.
Anna was den geheelen dag met toebereidselen voor de reis bezig; zij schreef brieven aan haar Moskousche kennissen, noteerde haar uitgaven en pakte haar goed; het kwam Dolly voor, dat zij innerlijk zeer onrustig was, een toestand, dien zij door eigen ervaring zeer goed kende, die iemand wel eens zonder reden overvalt, maar die toch meestal een ontevredenheid met zichzelf moet bedekken. Na het diner begaf Anna zich naar haar kamer en Dolly vergezelde haar.
"Wat ben je vandaag vreemd," sprak Dolly.
"Ik? Vind je dat? Ik ben niet vreemd, ik ben slecht. Dit overkomt mij nu en dan. Ik zou wel willen schreien, maar het gaat wel weer voorbij!" zeide Anna haastig en boog blozend haar gelaat over een taschje, waarin zij haar batisten zakdoeken en nachtmutsjes bewaarde. Haar oogen gloeiden koortsachtig en vulden zich telkens met tranen. "Evenals ik geen lust had om van Petersburg te vertrekken, heb ik nu ook tegenzin om van hier te gaan."
"Gij zijt hierheen gekomen, en hebt een goed werk verricht," hernam
Dolly, terwijl zij haar opmerkzaam aanzag.
Anna zag met door tranen bedauwde oogen tot haar op. "Zeg dat niet, Dolly! Ik heb niets gedaan en heb ook niets kunnen doen. Ik verwonder mij dikwijls, dat de menschen zich eigenlijk voorgenomen hebben mij te verwennen. Ik heb niets gedaan en kon ook niets doen. In uw hart was zooveel liefde, dat ge vergeven kondt."
"God weet, wat er zonder uw komst gebeurd was! Hoe gelukkig zijt gij toch, Anna! In uw hart is alles goed en helder!"
"Ieder heeft in zijn hart 'skeletons,' zooals de Engelschen zeggen."
"Wat zoudt gij voor 'skeletons' hebben? Bij u is alles helder."
"Och, ik heb er toch ook!" zeide Anna en een schalksch, geheimzinnig lachje omspeelde na de tranen onverwacht haar mond.
"Nu, dan zijn uw 'skeletons' komiek en niet van somberen aard," antwoordde Dolly lachend.
"Neen, zeer somber! Weet ge waarom ik vandaag vertrek in plaats van morgen? Ik moet het je opbiechten," zeide Anna, terwijl zij gedecideerd achterover in haar stoel leunde en Dolly vast in de oogen zag, en tot haar genoegen bemerkte deze, dat Anna tot over de ooren en tot aan de kleine zwarte krullen in den nek rood geworden was: "Ja," ging Anna voort, "weet ge, waarom Kitty niet is komen eten? Zij is ijverzuchtig en wel op mij. Ik heb het verkorven…. Ik was de oorzaak, dat het bal, waarvan zij zich zooveel voorstelde, voor haar een kwelling werd. Maar waarlijk! stellig! Ik heb geen schuld, of ten minste maar een beetje…."
"O, daar hebt ge precies gesproken als Stiwa," zeide Dolly lachend.
Anna gevoelde zich een weinig beleedigd: "O neen, neen! Ik ben Stiwa niet!" ijverde zij en fronste de wenkbrauwen. "Ik vertel het je echter, omdat ik geen oogenblik over mij zelf in 't onklare wil zijn!" Maar terwijl zij deze woorden uitsprak, gevoelde zij, dat zij niet juist waren, want zij twijfelde niet slechts aan zich zelf, maar de gedachte alleen aan Wronsky wond haar op en zij vertrok alleen vroeger, om hem niet meer te ontmoeten.
"Ja, Stiwa heeft mij verteld, dat ge met hem den cotillon gedanst hebt en dat hij…."
"Ja, ge kunt je niet voorstellen hoe vreemd dat is toegegaan. Ik wilde hem eigenlijk aan een ander koppelen en nu is daar op eenmaal geheel iets anders ontstaan…." Zij bloosde en hield op.
"Ja, dat bemerkte men terstond!" zeide Dolly.
"Maar ik zou wanhopig zijn, als dat bij hem ernstig gemeend was!" viel Anna hem in de rede. "En ik ben ook overtuigd, dat alles vergeten zal worden en Kitty zal ophouden mij te haten."
"Ik moet je zeggen, Anna, dat ik die partij in het geheel niet voor Kitty wensch, en het is beter, dat het uit is, als hij, Wronsky, in een dag op u verliefd kon worden."
"Ach hemel, hoe dwaas zou dat zijn!" zeide Anna, en weder steeg een blos van genoegen naar haar gelaat, toen zij de in woorden uitgesproken stem van haar geweten hoorde. "Nu vertrek ik, en ik heb mij Kitty, die ik zoo lief heb, tot vijandin gemaakt. Wat is zij toch lief! Maar gij zult alles weer in orde brengen, niet waar, Dolly?"
Dolly kon nauwelijks een glimlach onderdrukken; zij hield veel van Anna. maar het was haar niet onaangenaam te zien, dat zij ook haar zwakheden had.
"Ik wensch zoozeer, dat gij allen mij zoo lief hebt, als ik u lief heb," zeide Anna met tranen in de oogen "en zooals ik u nu nog meer heb lief gekregen…. Ach, hoe dwaas ben ik vandaag!" Zij wischte haar gelaat af en begon zich te kleeden.
XVIII.
"Goddank, nu is alles voorbij!" Dat was Anna's eerste gedachte, toen zij van haar broeder afscheid had genomen, die tot de derde bel luidde den ingang van den waggon versperde. Zij ging naast Annuschka, haar kamenier, zitten en keek eens in den slaapwagen rond: "Goddank! Morgen zie ik Serëscha [5] en Alexei Alexandrowitsch weder en dan begint mijn gewoon, goed leven weer!"
Nog steeds met hetzelfde gevoel van onrust, dat haar den geheelen dag had bezield, schikte Anna haastig een en ander voor de reis terecht. Met de kleine, vlugge handen opende zij het roode taschje, nam een kussentje en legde dit op de knieën, toen wikkelde zij de voeten behoorlijk in en maakte het zich gemakkelijk. Een zieke dame legde zich terstond te slapen. Twee andere spraken Fransch met elkander, en een bejaarde dame maakte aanmerking op de verwarming. Anna beantwoordde de dames, die haar aangesproken hadden, met een enkel woord, maar daar het gesprek haar weinig belang inboezemde, verzocht zij Annuschka haar de kleine lantaarn te geven, haakte deze aan het zijkussen vast en nam uit haar taschje een ivoren vouwbeen en een Engelschen roman. In het eerst kwam er nog niets van het lezen. Het gestommel en heen- en weerloopen stoorde haar eerst, toen luisterde zij naar het stampen der machine, daarop sloeg de sneeuw tegen het linkervenster en bleef tegen het glas kleven, tot het geheel bedekt was, en eindelijk stoorde haar de voorbijgaande conducteur, die aan de eene zijde geheel was besneeuwd. Verder bleef alles hetzelfde: het eenerlei schudden en stampen, dezelfde sneeuwjacht, de afwisselende overgangen van warmte, dezelfde vluchtige verschijning van dezelfde personen in het halfdonker en dezelfde stemmen,—en eindelijk begon Anna te begrijpen wat zij las.
De held van het verhaal was reeds op het punt zijn Engelsch geluk te verwerven: een baronetstitel en een landgoed, en Anna wenschte reeds met hem naar dat goed te rijden, toen zij plotseling besefte, dat hij zich eigenlijk moest schamen, en zij schaamde zich er ook over. "Waarover moet hij zich echter schamen en waarover ik dan toch?" vroeg zij zich zelf met half beleedigde verwondering. Er was toch niets waarover zij zich te schamen had. Zij riep de bizondere voorvallen te Moskou in haar geheugen terug. Zij waren goed en aangenaam. Toen zij zich het bal herinnerde, dacht zij aan Wronsky, aan zijn verliefd, ootmoedig gelaat, dacht aan haar verhouding tot hem…. Maar daar stak immers niets in! En evenwel werd het gevoel van schaamte sterker en het was, alsof bij de gedachte aan Wronsky een inwendige stem zeide: "Warm! zeer warm! verzengend!"
"Nu, wat zou dat? Wat beteekent het? Vrees ik dan deze zaak in het aangezicht te zien? zou het dan mogelijk zijn, dat tusschen mij en dezen jongen officier een andere betrekking bestaat of bestaan kan, dan tot ieder ander mijner bekenden?" Zij glimlachte verachtelijk en nam haar boek weer ter hand. Maar nu kon zij in het geheel niet meer bevatten, wat zij las. Zij streek met het vouwbeen langs het vensterglas, toen legde zij het koude vlak tegen haar wang en zou nu luid hebben kunnen lachen, zoozeer bemachtigde haar plotseling een gevoel van vreugde tot in het diepst der ziel; zij gevoelde dat haar zenuwen als snaren al strakker gespannen werden, dat haar oogen zich al verder openden, dat haar vingers zich zenuwachtig bewogen, dat inwendig iets haar adem beklemde en dat alle voorwerpen en klanken in het halfdonker verbazend helder en duidelijk tot haar bewustzijn kwamen. Elk oogenblik beving haar de twijfel, of de trein voor of achterwaarts ging of wel geheel stilstond, of Annuschka naast haar zat of een vreemde, of dat daar op de armleuning een pels of een dier was…. "Ben ik het zelf? of is het een ander?"…. Zij vreesde zich aan deze verdooving over te geven; zij stond op om zich te bezinnen en sloeg den plaid terug.
De deur werd geopend. De stem van een geheel ingehuld en met sneeuw bedekt persoon riep haar iets in het oor; zij begreep, dat zij bij een station waren aangekomen en dat die man de conducteur was. Zij vroeg Annuschka om haar pelerine en doek en ging naar de deur.
"Wil u naar buiten gaan?" vroeg Annuschka.
"Ja, ik wil wat frissche lucht scheppen, 't is hier te warm." Zij opende het portier. Sneeuw en wind stormden haar tegen en betwisten haar de deur. Zij opende die echter met beslistheid en ging naar buiten. Zij hield zich tegen den wind aan de balustrade van het platvorm vast. Achter den waggon was zij buiten den wind. Met welbehagen en uit volle borst ademde zij de koude sneeuwlucht in en liet haar blik over het perron en het station gaan. Twee heeren gingen langs haar heen en zagen haar in het gelaat. Nog eenmaal ademde zij met volle teugen de koude lucht in en trok reeds de hand uit den mof om de balustrade te grijpen en weer in den waggon te klimmen, toen een heer in een militairen mantel gewikkeld het licht van de lantaarn naast haar verduisterde. Zij wendde zich om en herkende in hetzelfde oogenblik Wronsky's gelaat. Hij bracht de hand aan de muts, maakte een buiging en vroeg haar, of zij niets wenschte en of hij haar niet met iets kon dienen.
Zij zag hem uitvorschend in de oogen en antwoordde niet terstond. Door de schaduw, die hem bedekte, heen zag zij toch of meende zij althans de uitdrukking van zijn gelaat te zien; het was weer diezelfde uitdrukking van eerbiedige verrukking, die gisteren ook zulk een diepen indruk op haar gemaakt had.—Herhaalde malen in de laatste dagen, maar zoo even ook nog, had zij bij zich zelf gezegd, dat Wronsky een van die honderden jonge mannen was, die overal te vinden zijn en aan wie zij zich zelf nooit zou veroorlooven te denken—en nu, het eerste oogenblik, dat zij weer met hem samentrof, doortintelde haar een gevoel van vroolijke blijdschap. Zij behoefde niet te vragen, waarom hij hier was, zij wist het even zeker, alsof hij het haar gezegd had, dat het slechts was om daar te zijn, waar zij was.
"Ik wist niet, dat gij ook op reis gingt. Waarom is u dan op reis?" vroeg zij, en een niet te verbergen vreugde en levendigheid straalden van haar gelaat.
"Waarom ik op reis ben?" vroeg hij en zag haar vlak in de oogen; "u weet, dat ik reis om daar te zijn, waar u is. Ik kan niet anders."—Op dat oogenblik veegde een windvlaag alle sneeuw van den waggon en rukte aan een losgegane zinken plaat, terwijl de locomotief klagend zijn schril gefluit deed hooren. De verschrikking van den storm loste zich nu voor Anna op in een liefelijke melodie. Hij had haar gezegd, wat haar hart wenschte, maar haar verstand vreesde. Zij antwoordde niets, maar haar gelaat verried den innerlijken strijd.
"Vergeef mij, indien ik daareven iets gezegd heb, dat u onaangenaam is," sprak hij deemoedig, beleefd en eerbiedig, maar toch zoo kalm, dat zij er een oogenblik niets op antwoorden kon.
"Wat gij daar zegt is slecht, en ik smeek u, als gij een weldenkend mensch zijt, vergeet dan, wat gij gesproken hebt, gelijk ik het ook vergeten zal," sprak zij eindelijk.
"Niet één uwer woorden, niet één uwer bewegingen zal en kan ik ooit vergeten…. "
"Genoeg, genoeg!" riep zij uit, terwijl zij te vergeefs haar gelaat, waarnaar hij vol verlangen opzag, een strenge uitdrukking poogde te geven.—Zij greep het koude ijzer van de balustrade, steeg de treden op en ging haastig het voorgedeelte van den waggon in. Bij den ingang bleef zij even staan om over het voorgevallene te denken.—Zij herinnerde zich zijn noch haar woorden, maar zij besefte, dat het zooeven gevoerd gesprek hen ontzettend nader tot elkander gebracht had. Het maakte haar evenzeer verschrikt als gelukkig.
Nadat zij zoo eenige minuten gestaan had, trad zij den waggon binnen en zette zich op haar plaats.—De gespannen toestand, waarin zij te voren verkeerd had, herhaalde zich niet slechts, maar werd sterker en het kwam zoover, dat zij vreesde, dat er iets te strak gespannens in haar zou breken.—Zij sliep den geheelen nacht niet, maar in de spanning en in de droomen, die haar verbeelding vervulden, was niets onaangenaams en duisters meer, maar integendeel iets gelukkigs, gloeiends en opwekkends.