XXVII.
Wronsky en Anna brachten den geheelen zomer en nog een gedeelte van den herfst in dezelfde omstandigheden door, zonder den minsten stap tot de scheiding te doen. Zij hadden besloten nergens heen te reizen, maar beiden gevoelden, vooral in den herfst dat zij, hoe langer zij alleen met elkander en zonder gasten waren, zulk een leven steeds minder zouden kunnen uithouden.
Hun leven scheen zoodanig, als men het slechts kon wenschen; het was vol overvloed en gezondheid, beiden hadden hun bezigheid en bovendien een kind.
Anna hield zich, als er geen bezoek was, met zich zelf bezig en met de lectuur van romans en andere boeken, die in de mode waren. Zij liet zich alle boeken zenden, die in de door haar aangehouden buitenlandsche tijdschriften met verlof vermeld werden, en wijdde hare geheele opmerkzaamheid aan het lezen, zooals men dit slechts in de eenzaamheid kent. Buitendien leerde zij alle zaken, waar Wronsky belang bij had, uit zijn boeken en vakschriften kennen, zoodat hij zich dikwijls tot haar wendde met vragen over landhuishoudkunde, bouwkunde en zelfs over paardenteelt en sport. Hij bewonderde haar kennis en haar geheugen. Ook voor den bouw van het ziekenhuis interesseerde zij zich, en dat niet alleen, maar zij maakte zelf ook allerhande plannen en liet de zaken daarnaar inrichten. Maar de voornaamste zorg voor haar was toch zij zelf, dat zij voor Wronsky dierbaar mocht zijn, dat zij hem alles vergoeden mocht, wat hij voor haar had verlaten. Wronsky wist het te waardeeren, dat zij het zich tot levenstaak gesteld had hem niet alleen te behagen, maar hem ook te dienen; toch werden hem soms deze liefdenetten, waarmee zij hem zocht te omspannen, lastig: hij wenschte soms, en met den tijd steeds vaker, niet zoozeer zich er van te bevrijden, dan wel te beproeven, of zij zijn vrijheid ook in den weg stonden. Waren op dezen immer sterker wordenden wensch naar vrijheid niet telkens, wanneer hij eens naar de stad of naar een wedren reed of zich naar een vergadering wilde begeven, hevige scènes gevolgd en er aan voorafgegaan, dan zou Wronsky met zijn leven volkomen tevreden geweest zijn. De rol, die hij zich nu gekozen had, de rol van een rijk grondbezitter, waaruit de kern der Russische aristocratie moest bestaan, was niet alleen geheel naar zijn smaak, maar zij schonk hem, nadat hij ze nu een halfjaar gespeeld had, een steeds grooter voldoening. En zijn arbeid, die hem steeds sterker aantrok, had uitstekende gevolgen. Ondanks de kolossale sommen, die hem het ziekenhuis, de machines en de onmiddellijk uit Zwitserland gekomen koeien gekost hadden, was hij toch overtuigd, dat zij zijn vermogen niet verminderd, maar vergroot hadden. Als het op geld verdienen aankwam, b.v. bij het verkoopen van hout, koren en wol en bij de landverpachting, was Wronsky zoo hard als steen en verstond hij het gunstige gelegenheden af te wachten. Wat de zaken op dit en zijn overige landgoederen betrof, hield hij zich aan de eenvoudigste en niets risqueerende methode en was in alle kleinigheden hoogst spaarzaam en berekenend. Ondanks alle slimheid en behendigheid van zijn Duitschen rentmeester, die hem gaarne tot allerlei kostbare proeven en aankoopen wilde verleiden, liet hij door dezen geen invloed op zich uitoefenen. Hij hoorde hem aan, vroeg hem uit en was het slechts dan met hem eens, wanneer hetgeen aangeschaft of ingericht moest worden iets nieuws was, maar dat toch de proef reeds had doorgestaan, iets dat tot nu toe in Rusland onbekend was en waardoor hij dus opzien kon baren. Bovendien stelde hij geen geld beschikbaar, voor hij tot in de kleinste bizonderheden wist, waarvoor het werd uitgegeven, en zag er op toe, dat hij voor zijn geld het beste kreeg.
In October zou in het gouvernement, waarin de goederen der Wronsky's, der Swijaschsky's, der Kosnischews, der Lewins en der Oblonsky's lagen, de keuze van een nieuwen maarschalk voor den adel plaats hebben.
Deze verkiezingen trokken tengevolge van verschillende omstandigheden de algemeene opmerkzaamheid tot zich. Er werd veel over gesproken en groote toebereidselen werden er gemaakt. Kort voor deze verkiezingen kwam Schwijaschsky, die zeer dikwijls op Wosdwijanskoje was, om Wronsky af te halen.
Den vorigen dag waren Anna en Wronsky om dezen tocht bijna vertoornd op elkander geworden. Het was in den herfst, juist in den moeielijksten en vervelendsten tijd op het land. Wronsky was daarom reeds op een strijd met Anna voorbereid, toen hij op een zoo ernstigen en kouden toon, als hij nog nooit tegen haar had aangeslagen, haar de mededeeling van zijn afreis deed. Tot zijn verwondering nam zij echter het bericht zeer kalm op en vroeg slechts, wanneer hij terug dacht te komen. Hij zag haar opmerkzaam aan, daar hij deze kalmte niet begreep. Zij glimlachte om dezen blik. Hij kende deze gewoonte van haar, zich geheel in zich zelf terug te trekken en wist, dat dit slechts dan geschiedde, wanneer zij een vast besluit genomen had, dat zij niet van plan was hem mee te deelen. Hij vreesde daarvoor, maar hij wenschte zoozeer een scène te vermijden, dat hij het zocht te ignoreeren, en hij geloofde inderdaad ook half, wat hij zoo gaarne wilde gelooven, dat zij haar verstand gebruikte.
"Ik hoop, dat ge u niet zult vervelen."
"Dat hoop ik ook," zei Anna. "Ik heb gisteren een kist vol boeken van Gautier ontvangen. Neen, ik zal mij niet vervelen."
"Zij wil dezen toon aanslaan, des te beter!" dacht hij. "Anders is het altijd hetzelfde lied!"—
Zoo ging hij, zonder dat het tusschen hen tot een oprechte verklaring gekomen was, naar de verkiezingen. Dit was de eerste maal sedert hun verbintenis, dat zij vóór een scheiding niet ten volle hun gemoed voor elkander hadden uitgestort. Aan den eenen kant verontrustte hem dit, aan den anderen kant vond hij, dat het zóó beter was.
"Vooreerst zal de toestand bij deze onklaarheid en veinzerij zooals nu blijven—maar later zal zij zich daaraan gewennen. In ieder geval kan ik alles voor haar opofferen—slechts niet mijn zelfstandigheid als man," dacht hij.
XXVIII.
De nieuwe maarschalk was gekozen en Wronsky had op den avond van den verkiezingsdag de hoofden der overwinnende partij op een feestmaal bij zich vereenigd.
Wronsky had aan de verkiezingen deelgenomen, omdat hij zich op het land begon te vervelen en om zijn recht op vrijheid tegenover Anna te doen gelden, maar ook ter wille van Swijaschsky, jegens wien hij zich bij deze gelegenheid, door zijn invloed ter beschikking te stellen, erkentelijk wilde betoonen voor diens bemoeiingen om hem als de tijd daar zou zijn in de Semstwo te doen opnemen, hoofdzakelijk echter om al zijn plichten als landedelman en grondbezitter zoo nauwgezet mogelijk te vervullen. Hij had zelf niet verwacht, dat dit werven van stemmen voor de verkiezingen hem zoo zou interesseeren, dat hij er zoo geheel in op zou gaan. Als een homo novus was hij in den kring der edellieden getreden, maar hij slaagde terstond bij zijn eerste optreden en dwaalde niet, als hij vernam, dat hij op hen reeds een zekeren invloed vermocht uit te oefenen. Hierbij hielpen hem zijn rijkdom en zijn voorname afkomst, zijn prachtige tijdelijke woning in deze gouvernementstad, die hem een oud bekende, die er een bloeiende bankierszaak bezat, had afgestaan, verder zijn uitstekende kok, dien hij van zijn landgoed had meegebracht, zijn vriendschap met den gouverneur, die niet alleen een oud kameraad, maar een vroeger door Wronsky geprotegeerd kameraad was, bovenal echter zijn eenvoud en de gelijke mate van hoffelijkheid, die hij aan allen betoonde, waardoor hij de meeste edellieden terstond dwong hun meening omtrent zijn ingebeelden trots op te geven. Hij wist het en anderen moesten het ruiterlijk erkennen, dat de zege van zijn partij grootendeels aan hem toegeschreven moest worden, en nu, aan zijn tafel, bij het feest ter eere van den nieuwen maarschalk, had hij een aangenaam bewustzijn van overwonnen te hebben voor den door hem gekozene. Deze verkiezingen waren hem zoo goed bevallen, dat hij er reeds aan dacht, bij het begin van den volgenden verkiezingstijd over drie jaar, in geval hij dan reeds gehuwd zou zijn, zich zelf mede candidaat te laten stellen.
Wronsky zat boven aan de tafel, aan zijn linkerhand zijn vriend, de jonge gouverneur, generaal à la suite; voor allen was deze het hoofd van het gouvernement, die de verkiezing plechtig geopend en een redevoering gehouden had en dien men met achting en onderdanigheid moest naderen; voor Wronsky echter was hij slechts Kathka Maslow—dit was zijn bijnaam in het pagecorps geweest,—die zich voor hem verlegen gevoelde en dien hij trachtte à mettre à son aise. Aan zijn rechterhand zat met zijn streng, onbewegelijk, nieuw ambtsgelaat Newedowsky, de pas gekozen maarschalk. Jegens hem was Wronsky eenvoudig en beleefd. Ook Stipan Arkadiewitsch was voor de verkiezingen overgekomen. Hij was zeer vergenoegd, nu hij zijn tijd zoo vroolijk kon doorbrengen. Onder het weelderig maal besprak men de bizonderheden van den verkiezingsdag en er werden verscheiden telegrammen afgezonden aan personen, die zich voor de verkiezingen interesseerden. Ook Stipan Arkadiewitsch, die in de beste luim was, zond een telegram van den volgenden inhoud aan Dolly:
"Newedowsky met twaalf kogels gekozen. Ik feliciteer ons. Verbreid het."
Hij dicteerde deze woorden luid, terwijl hij opmerkte: "Men moet haar toch ook eens een genoegen doen."
Maar toen Dolly dit telegram ontving, zuchtte zij slechts om den roebel, dien het gekost had, en vermoedde zeer juist, dat het slechts aan het eind van een feestmaal kon neergeschreven zijn. Zij kende Stiwa's zwak om aan het eind van een diner, "faire jouer le télégraphe."
Alles te zamen genomen verliep de voortreffelijke maaltijd zeer naar behooren, eenvoudig en vroolijk. Het gezelschap van deze twintig mannen was door Swijaschsky uit de gelijkgezinde liberalen gekozen, die niet alleen den grootsten invloed uitoefenden, maar ook te gelijker tijd geestig en van goede opvoeding waren. Men stelde ernstige en luimige toasten in op den nieuwen maarschalk, den gouverneur, den directeur van de bank en op "onzen beminnelijken gastheer." Wronsky gevoelde zich volkomen bevredigd; zulk een goeden toon had hij op het land volstrekt niet verwacht.
Tegen het eind van den maaltijd werd de stemming nog levendiger. De gouverneur noodigde Wronsky uit mede naar een concert te gaan, dat zijn vrouw ten voordeele "der broeders" (de oorlog der Serviërs tegen de Turken was toen uitgebroken) gearrangeerd had; ook wenschte zij zelf hem te leeren kennen.
"Daarna zal er gedanst worden en gij hebt gelegenheid onze schoonheden te leeren kennen. Het is werkelijk de moeite waard er heen te gaan."
"Not in my line!" antwoordde Wronsky, wiens lievelingsphrase dit was; maar hij glimlachte en beloofde toch mee te gaan.
Toen zij reeds van tafel opstonden en men begon te rooken, naderde Wronsky's kamerdienaar hem en reikte hem op een presenteerblad een brief over.
"Uit Wosdwijenskoje door een expresse," zeide hij veelbeteekenend.
De brief was van Anna. Wronsky kende den inhoud, voor hem te hebben gelezen. In de veronderstelling, dat de verkiezingen hem niet meer dan vijf dagen zouden bezig houden, had hij beloofd des Vrijdags terug te keeren. Heden was het reeds Zaterdag, en dus wist hij, dat de brief verwijten moest bevatten, dat hij niet op den beloofden tijd teruggekeerd was. Zijn brief, die hij haar daarom gisteren gezonden had, zou zij nog wel niet ontvangen hebben.
De inhoud van den brief was inderdaad zooals hij vermoed had, slechts de vorm was anders dan hij had verwacht en was voor hem bizonder onaangenaam: Nana was ziek en de dokter had verklaard, dat er een ontsteking uit ontstaan kon.
"Alleen verlies ik het hoofd geheel, Warwara is voor mij geen hulp, maar veeleer een last. Ik heb u reeds eergisteren en gisteren verwacht, nu zend ik naar u om te weten, waar gij zijt en wat gij doet. Ik wilde eerst zelf komen, maar ik heb mij bedacht, daar ik wist, dat u dit onaangenaam zou zijn. Geef mij een kort antwoord opdat ik weet, wat ik doen moet…."
"Het kind is ziek en toch wilde zij zelf komen—onze dochter ziek … en deze vijandige toon…!"
Het onschuldig genoegen hier, deze verkiezingen, die hem in den grond onverschillig waren, en daar ginds die sombere, drukkende liefde, waartoe hij moest terugkeeren…. Wronsky gevoelde thans al het scherpe dezer tegenstelling.
Maar hij moest nu vertrekken en met den eersten nachttrein reisde hij naar huis.
XXIX.
Na het onaangename onderhoud van Anna met Wronsky vóór diens vertrek, had zij voor het eerst met ontzetting ingezien, hoe afhankelijk zij van hem was, en zij had met de grootste zelfoverwinning besloten de scheiding van hem kalm te verdragen.
Maar in de eenzaamheid, toen zij zich zijn blik herinnerde, waarmee hij zich op zijn recht op vrijheid beriep, kwam haar weer haar eigen vernedering voor den geest. "Hij heeft het recht om ten alle tijde overal heen te gaan, neen niet alleen om overal heen te gaan, maar ook om mij geheel te verlaten! Hij heeft alle rechten, ik volstrekt geene. Maar juist omdat hij dit weet, had hij het niet moeten doen!"
Wat had hij dan eigenlijk gedaan? Hij had haar koel en streng aangezien. Dat was wel niet iets bepaalds, iets tastbaars, maar vroeger was het niet zoo geweest, en deze blik scheen haar de voorbode van een nieuwen tijd van koelheid en onverschilligheid.
En in het bewustzijn, dat deze tijd reeds aangebroken was, wist zij toch niets daartegen te doen, vermocht zij in haar verhouding tot hem niets te veranderen. Slechts even als vroeger kon zij beproeven hem met haar liefde en haar bekoorlijkheden vast te houden, en even als te voren kon zij slechts des daags door bezigheid en des nachts door morphium de gedachten verstikken aan datgene, wat zijn zou, als hij haar niet meer zou liefhebben. In ieder geval was er nog een middel om hem vast te houden en dat was de scheiding, om dan met hem te trouwen. En zij begon daar nu zelf over na te denken en kwam tot het besluit, den eersten keer, dat hij of Stiwa het gesprek er op zou brengen, zich terstond bereid te verklaren.
In zulke gedachten had zij vijf dagen doorgebracht, den tijd, dat hij afwezig zou zijn. Wandelingen, gesprekken met vorstin Warwara, bezoeken in het ziekenhuis en bovenal lezen, lezen van het eene boek na het andere hadden haar dezen tijd verdreven. Maar, toen op den zesden dag de koetsier zonder hem terugkeerde, gevoelde zij, dat zij niet meer in staat was het verlangen naar hem te onderdrukken. Daar werd haar dochtertje ziek. Anna begon het op te passen, maar ook dat schonk haar geen afleiding meer, te minder, daar de ziekte niet gevaarlijk was. Hoeveel moeite zij zich ook gaf, zij kon dit kleine meisje nu eenmaal niet liefhebben en veinzen wilde zij niet. Tegen den avond gevoelde Anna zulk een angst over Wronsky, dat zij reeds besloot zelf naar de stad te rijden, maar na rijp beraad schreef zij dien brief vol tegenstrijdigheden, dien Wronsky ontvangen had. Toen zij den volgenden morgen den zijnen ontving, berouwde het haar, dat zij den haren reeds verzonden had en zij verwachtte met ontzetting ten tweeden male zijn strengen blik te ontmoeten, vooral als hij zou vernemen, dat het kind volstrekt niet gevaarlijk ziek was. Maar toch verheugde zij zich, dat hij terug zou keeren. Al viel zij hem ook lastig, hij zou toch bij haar zijn, zij zou hem zien in al zijn bewegingen!
Zij zat in het salon onder de lamp en las in een nieuw boek, terwijl zij naar de vlagen van den herfstwind luisterde en ieder oogenblik zijn aankomst verwachtte. Reeds eenige malen had zij het rollen der wielen meenen te hooren, maar zij had zich vergist; eindelijk hoorde zij niet alleen het geraas van een rijtuig, dat het plein opreed, maar ook het roepen van den koetsier.
Zelfs vorstin Warwara, die patiëntie speelde, bevestigde het en Anna stond blozend op, maar in plaatst van naar beneden te gaan bleef zij staan. Zij schaamde zich plotseling over haar leugen, maar het meest vreesde zij, hoe hij dien zou opnemen. Het gevoel van beleediging was wel reeds verdwenen, maar zij vreesde zijn ontevredenheid. Zij ergerde zich over haar dochtertje, dat dit zoo snel en juist op een tijd, dat zij den brief had opgezonden, in beterschap was toegenomen. Toen viel het haar in, dat hij er was, met zijn gestalte, met zijn oogen. Zij vernam zijn stem, en alles vergetend snelde zij hem vol vreugde tegen.
"Nu? en hoe gaat het Nana?" vroeg hij bezorgd, van beneden de op den trap hem te gemoet snellende Anna aanziende, terwijl hem een dienaar de warme reislaarzen uittrok."
"Het beteekent niets, het gaat haar beter."
"En gij?" vroeg hij.
Zij greep met beide handen zijn rechterhand en drukte die tegen haar boezem. Zij wendde de oogen niet van hem af.
"Nu, ik verheug mij zeer," zeide hij met een koelen blik op haar, op haar kapsel en op haar kleed, dat zij, zooals hij wist, voor hem had aangetrokken.
Dat alles behaagde hem, maar hoeveel malen had het hem niet reeds behaagd. En de strenge, harde uitdrukking, die zij zoo zeer vreesde, bleef in zijn trekken onveranderd.
"Nu, ik verheug mij zeer! Zijt ge zelf ook goed gezond?" zeide hij en, zich met den zakdoek den vochtigen baard afvegend, kuste hij haar de hand.
"Het doet er niet toe," dacht zij. "Hij is nu ten minste hier en hij kan niet anders als mij liefhebben."
XXX.
De avond verliep kalm en gelukkig in tegenwoordigheid van vorstin Warwara, die bij Wronsky geklaagd had, dat Anna ook in zijn afwezigheid morphium had ingenomen.
"Wat zou ik doen? Ik kon niet slapen … de gedachten hielden mij wakker. Als hij er is, neem ik het nooit, bijna nooit!"
Hij vertelde van de verkiezingen en Anna verstond het door vragen ook datgene uit hem te halen, wat hem de grootste voldoening geschonken had, namelijk zijn welslagen. Zij vertelde hem daarentegen alles, wat hem te huis interesseerde en hun gezamenlijke berichten waren van bevredigenden aard.
Toen zij later op den avond alleen waren en Anna bemerkte, dat zij hem weder geheel in haar macht had, wilde zij gaarne den droevigen indruk, dien zijn blik wegens haar brief op haar gemaakt had, uitwisschen.
"Beken het maar, het ontstemde u mijn brief te ontvangen; gij geloofdet mij niet recht?"
Maar nauwelijks had zij dit gezegd, toen zij ook reeds inzag, dat, hoe verliefd hij in dit oogenblik op haar was, hij haar dit niet vergeven had.
"Ja," zeide hij. "De brief was recht zonderling. Eerst was Nana ziek, toen wildet gij zelf komen."
"En toch was dat alles waar."
"Dat betwijfel ik ook niet."
"Ja wel, gij betwijfelt het. Gij zijt ontevreden. Dat zie ik."
"Geen oogenblik. Ik ben wel ontevreden, maar slechts daarover, dat gij mij niet schijnt te willen toegeven, dat men ook plichten kan hebben…."
"Plichten om naar een concert te gaan…!"
"Nu, wij willen daarover niet spreken."
"Waarom niet?" vroeg zij.
"Ik wil daarmee slechts zeggen, dat het toch wel eens zoo treffen kan, als men noodzakelijke bezigheden heeft. Zoo moet ik nu b.v. weer op reis naar Moskou wegens de aangelegenheid onzer woning…. Och Anna, waarom zijt ge toch zoo prikkelbaar? Weet ge dan niet, dat ik zonder u niet leven kan?"
"Als dat zoo is," zeide Anna plotseling met geheel veranderde stem, "dan is u dit leven lastig…. Gij komt voor een dag, om terstond weer te vertrekken, alsof…."
"Anna, ge zijt wreed. Ik ben bereid u mijn geheele leven te wijden…."
Maar zij hoorde hem niet.
"Wanneer gij naar Moskou gaat, dan ga ik mede. Alleen blijf ik hier niet. Wij moeten of van elkander gaan of te zamen leven."
"Gij weet immers, dat dit mijn eenige wensch is…."
"Als de scheiding daartoe noodig is, dan wil ik hem schrijven. Ik zie, dat ik zoo niet leven kan…. Maar naar Moskou reis ik met u…."
"Alsof ge mij dreigen wilt! Ik wensch immers niets zoo zeer als mij niet van u te scheiden," zeide Wronsky; maar terwijl hij deze teedere woorden uitte, sprak uit zijn oogen niet alleen een koude, maar zelfs de booze blik van een vervolgd, getergd mensch.
Zij zag dezen blik en begreep ten volle zijn beteekenis: "Als het zoo is, dan is het een ongeluk en de dood is beter dan zulk een leven!" Dat was er de korte, voorbijgaande uitdrukking van, en zij vergat hem nooit weder.
Anna schreef een brief aan haar echtgenoot, waarin zij hem om de toestemming tot de scheiding vroeg en tegen het einde van November verhuisde zij met Wronsky naar Moskou. In de dagelijksche afwachting van Alexei Alexandrowitsch' antwoord, dat hun de toestemming tot de scheiding zou brengen, richtten zij zich daar gemeenschappelijk in, alsof zij reeds echtelieden-waren.
ZESDE BOEK.
I.
Het was reeds de derde maand, dat de Lewins in Moskou woonden.
Het tijdstip, waarop volgens de nauwkeurigste berekeningen Kitty bevallen moest, was reeds lang voorbij, maar zij was nog altijd op de been en aan niets was te bemerken, dat zij veel nader bij dat tijdstip was dan voor twee maanden. De dokter, de vroedvrouw, Dolly en haar moeder, maar bovenal Lewin, die niet zonder ontzetting kon denken aan hetgeen komen zou, begonnen angstig ongeduldig te worden; slechts Kitty zelf gevoelde zich gelukkig en wel.
Allen, die zij liefhad, waren bij haar, verzorgden haar en waren zoo goed voor haar, dat zij zich geen beter leven had kunnen wenschen, wanneer zij zich niet van de spoedig naderende beslissing bewust was geweest. Het eenige, wat minder gunstig op haar gestel werkte, was, dat Lewins houding niet was, zooals zij wenschte en zooals zij het liefst hem zou gezien hebben.
Zijn kalme, vriendelijke, gastvrije toon op het land beviel haar. Hier in de stad scheen hij bestendig in onrust en als het ware op de loer, alsof hij vreesde, dat iemand hem of hoofdzakelijk haar kon beleedigen. Ginds op het land gevoelde hij zich op zijn plaats, overijlde zich nooit en was nooit ledig. Hier in de stad daarentegen overijlde hij zich altijd, wilde niets verzuimen en wist niet waarmee zich bezig te houden. En wat zou hij ook doen? Kaartspel was niets voor hem; naar de sociëteit ging hij niet; het verkeer met levenslustige lieden zooals Oblonsky? Zij wist nu, wat dat beteekende: dat beteekende wijn drinken en na het drinkgelag verder hier of daar heengaan; zonder ontzetting kon zij er niet aan denken, waarheen in zulke gevallen de mannen eigenlijk gingen; zij wist, dat in deze amusementen zekere jonge vrouwen een rol spoelden, en dat was haar volstrekt niet naar den zin. Dus bij haar thuis zitten en zich met haar, haar moeder en de zusters bezig houden? Maar hoe vroolijk en onderhoudend haar zelf ook altijd deze gesprekken schenen, hem verveelden ze. Wat bleef hem dus nog over? Zou hij aan zijn boek verder schrijven? Hij had dat reeds beproefd, maar hij had haar bekend, dat, hoe minder hij te doen had, hij des te minder tijd overhield.
Slechts één voordeel had het leven in de stad: zij kibbelden hier in 't geheel niet meer.
Waren zij nu zelf in dit opzicht voorzichtiger of verstandiger geworden? Genoeg, zij hadden in Moskou in 't geheel deze tooneelen vol ijverzucht niet, waarvoor zij bij hun verhuizen daarheen zoo zeer gevreesd hadden. En toch viel er in dit opzicht iets voor beiden hoogst gewichtigs voor, namelijk een ontmoeting van Kitty met Wronsky.
De oude vorstin Marie Borissowna, een peettante van Kitty, van wie zij veel hield, had den levendigen wensch geuit, Kitty, die wegens haar toestand slechts zelden uitreed, te zien, en zoo reed deze er met haar vader heen. Daar troffen zij ook Wronsky aan.
Bij deze ontmoeting kon Kitty zich slechts verwijten, dat haar in het eerste oogenblik, toen zij de haar zoo welbekende trekken voor de eerste maal in burgerkleeding wederzag, de adem stokte en het bloed haar naar het hart drong, zoodat zij voelde, dat een blos haar gelaat bedekte. Maar dat duurde slechts weinige seconden. Haar vader had zijn gesprek, dat hij met opzet terstond op luiden toon met Wronsky begonnen had, nog niet geëindigd, toen zij er ook reeds volkomen op voorbereid was met hem evenzoo te spreken als met vorstin Marie Borissowna en vooral zoo, dat haar echtgenoot, wiens onzichtbare tegenwoordigheid zij als het ware in deze oogenblikken gevoelde, iederen toon en ieder lachje zou gebillijkt hebben.
Zij wisselden eenige woorden met elkander, zij glimlachte zelfs om een scherts van hem, terwijl hij van de verkiezingen vertelde, en deze "ons parlement" noemde. Maar terstond wendde zij zich weer tot haar peettante en zag hem niet meer aan, totdat hij opstond en voor haar boog.
Toen zij Lewin vertelde, dat zij Wronsky ontmoet had, bloosde deze nog veel sterker dan zij. Het was haar reeds zeer zwaar gevallen het hem mede te deelen, maar nog zwaarder viel het haar hem alle bizonderheden der ontmoeting te berichten, omdat hij haar daar niet naar vroeg, maar haar slechts met gefronsd voorhoofd aanzag.
"Het spijt me erg, dat gij er niet bij zijt geweest," zeide zij. "Maar het was toch goed, dat je niet in de kamer waart, anders was ik natuurlijk niet gebleven. Nu krijg ik veel, veel meer een kleur!" voegde zij er bij en bloosde inderdaad tot tranen toe. "Maar gij hadt door het sleutelgat mogen zien."
Haar oprechte oogen zeiden hem, dat zij over zich zelf tevreden was, en niettegenstaande zij bloosde, stelde hij zich toch terstond gerust en begon haar haarfijn over alles uit te vragen, en dat was juist wat zij wenschte. Nadat hij alles nauwkeurig vernomen had, zeide hij, dat hij bij de eerste gelegenheid Wronsky vriendschappelijk naderen wilde, want het was zoo kwellend zich iemand bijna altijd als een vijand te moeten voorstellen.
"Ik verheug mij wezenlijk zeer!" zeide hij.
II.
"Doe mij dus het genoegen eens een bezoek bij de Bohls te brengen," sprak Kitty tot haar man, toen hij tegen elf uur, voor hij uitging, bij haar binnentrad. "Ik weet reeds, dat gij vanmiddag in de sociëteit zult blijven, papa heeft voor u mede onderteekend. Maar wat wil je den geheelen middag aanvangen?"
"In de eerste plaats wil ik Katawassow bezoeken; hij heeft mij beloofd, mij met Matrosch, den beroemden geleerde, bekend te maken."
"En daarna?"
"Dan zal ik wel wegens de aangelegenheid mijner zuster naar de rechtbank moeten."
"Ga je ook naar het concert?" vroeg zij.
"Misschien, maar in allen geval kijk ik na het diner nog eens even bij je in," antwoordde hij naar de klok ziende.
"Trek je zwarte rok aan, dan kun je terstond naar gravin Bohl rijden."
"Is dat dan noodig?"
"Zeer zeker. Hij is ook bij ons geweest. Wat geef je daar nu om? Weet je, je gaat zitten, spreekt eenige minuten over het weer, staat dan weer op en rijdt weg."
"Maar je kunt niet gelooven, hoe ik daar afgewend ben, zoodat ik mij bepaald geneer. Waartoe dient het ook. Daar komt een vreemd mensch, hij gaat zitten en zit daar, zonder dat hij iets bizonders te doen heeft, hij stoort een ander slechts, windt zich zelf op en gaat dan weer heen!"
Kitty lachte.
"Als ongetrouwd heer heb je toch wel visites gemaakt," zeide zij.
"Ja, maar dan schaamde ik mij ook altijd en nu ben ik er geheel afgewend; waarachtig, ik zou mij liever laten slaan, als het maar niemand zag, dan zulke visites maken. Het komt mij altijd voor, alsof zij het mij kwalijk moeten nemen en mij vragen: Wat wil je hier bij ons, zonder dat je er iets te doen hebt?"
"Neen, zij zullen het je niet kwalijk nemen, daarvoor sta ik je in," antwoordde Kitty lachend. "Maar, Kostja, weet je, ik heb nog slechts vijftig roebel."
"Dan moet ik nog iets van de bank halen. Hoeveel?" vroeg hij met een gebaar van ontevredenheid, dat zij kende.
"Neen, wacht eens. Wij zullen daarover spreken. Dat verontrust mij. Ik bedoel, ik geef niets onnoodigs uit, maar het geld glijdt iemand zoo door de vingers. In het een of ander leggen wij het verkeerd aan."
Hij was inderdaad ontevreden, maar minder omdat er te veel geld gebruikt was, dan wel omdat hij aan datgene herinnerd werd, wat hij bijna had vergeten.
"Ik heb Solokom gelast de tarwe te verkoopen en de pacht voor den molen vooruit te innen. Aan geld zal 't ons in allen geval niet ontbreken."
"Neen, waarlijk! Het spijt mij soms, dat ik naar mama geluisterd heb. Hoe goed zou het voor ons op het land geweest zijn! Hier kwel ik u allen slechts en het geld wordt verkwist…."
"Volstrekt niet, volstrekt niet! Zoo lang ik getrouwd ben, heb ik geen tijd gehad, waarvan ik kon zeggen, dat hij beter geweest is dan de tegenwoordige."
"Waarlijk?" vroeg zij hem in de oogen ziende. Hij had dit maar zoo losweg gezegd om haar gerust te stellen. Maar toen hij nu deze oprechte, lieve oogen zag, die zoo vragend op hem gericht waren, herhaalde hij het uit het diepst van zijn ziel.
Slechts in den eersten tijd in Moskou hadden de voor een landman zoo onproductieve en toch onvermijdelijke uitgaven, waartoe hij zich van alle kanten genoodzaakt zag, een zekeren indruk op Lewin gemaakt. Maar nu had hij er zich reeds aan gewend. Het ging hem als de dronkaards, waarvan men zegt, dat het eerste glas hun toeschijnt als een paal, het tweede als een duif en het derde als een klein vogeltje. Toen Lewin de eerste banknoot van honderd roebel voor de nieuwe livreien van den bediende en den koetsier had moeten wisselen, berekende hij geheel onwillekeurig, dat het volkomen nuttelooze livreien waren, maar onvermijdelijk volgens de begrippen van Kitty en haar moeder, die zich in den hoogsten graad verwonderden over de opmerking, dat men er ook zonder livreien kon komen en dat deze ongeveer zooveel kostten als het loon van driehonderd dagen zwaren arbeid van den morgen tot den avond; deze eerste banknoot van honderd roebel slikte hij als een langen paal. Maar reeds de volgende, die hij voor een familiediner, dat achtentwintig roebel had gekost, had moeten laten wisselen, verdween toch reeds gemakkelijker dan een duif, hoewel hij daarbij de gedachten niet kon weren, dat achtentwintig roebel evenveel was als negen tschetwert haver, die onder zweet en zuchten gezaaid, gemaaid, gedorscht en opgeborgen werden. Maar de later gewisselde banknoten riepen volstrekt niet meer zulke gedachten bij hem te voorschijn, maar verdwenen als kleine vogeltjes. Of het voor dit geld gekochte genoegen een even groot gewin was, als de arbeid had kunnen schenken, die er verricht zou moeten worden om het te verdienen, was voor hem een reeds lang overwonnen bedenking geworden. Ook zijn landhuishoudkundig principe, zijn koren nooit onder den prijs te verkoopen, was reeds door hem vergeten. Slechts dit ééne noodige stond nog op den voorgrond, dat hij steeds genoeg geld in de bank had staan om er morgen vleesch voor te kunnen koopen; en dit geld raakte nu op, en hij wist niet recht, waar hij ander vandaan zou halen. Daarom was hij zoo wrevelig geworden, toen Kitty van geld was beginnen te spreken; maar nu had hij geen tijd om daarover na te denken.
III.
Lewin kwam op tijd in de club, waar ook de leden en gasten verschenen. Sedert hij de universiteit verlaten en gezelschappen bezocht had, was hij in geen club meer geweest. Hij herinnerde er zich nog de inrichting van, en toen hij de deur was binnengegaan en de breede, met tapijten belegde trap opklom, ontving hij denzelfden indruk als in vroeger jaren, den indruk van ontspanning, van een goed leven en van voornaamheid.
Hij ging naar de tafels, die bijna alle reeds bezet waren, en monsterde de gasten. Hij trof hier en daar oudere en jongere, hem bijna niet meer bekende lieden aan. Daar zaten Swijaschsky en Tscherbatzky, Newadewsky, de oude vorst, Wronsky en Sergej Iwanowitsch.
"Hierheen, Lewin!" riep de goedhartige stem van Turowzin, die bij een jong officier zat. Naast hen stonden nog twee onbezette stoelen. Lewin naderde hen verheugd.
"Daar zijn nog twee plaatsen voor u en Oblonsky. Hij zal ook wel spoedig komen."
De officier met zeer rechte houding en steeds lachende oogen was een
Petersburger, Gagin genaamd. Turowzin stelde ze aan elkander voor.
"Ah, daar is Oblonsky ook reeds."
"Ben je ook nu eerst gekomen?" vroeg deze Lewin naderend. "Goeden avond!"
Bij een vischsoep liet Gagin terstond champagne komen en des vier glazen werden gevuld. Lewin sloeg de hem aangeboden wijn niet af en bestelde de tweede flesch. Hij was hongerig, at en dronk met veel smaak en nam met nog grooter genoegen aan het vroolijke, ongezochte gesprek zijner kameraden deel. Gagin vertelde met gedempte stem een nieuwe Petersburger anecdote, die, hoewel dubbelzinnig, evenwel zoo koddig was, dat Lewin er zoo luid om lachte, dat degenen, die in de nabijheid zaten, zich naar hem omwendden. Toen gaf ook Stiwa een zeer vroolijke geschiedenis ten beste en ook Lewin vertelde er een, die recht beviel. Vervolgens kwam het gesprek op paarden en op een wedren, die dien dag had plaats gehad, en hoe dapper er Wronsky's "Alladin" den eersten prijs had behaald.
"Ha, ben jij daar ook!" zei Stipan Arkadiewitsch na afloop van hun maaltijd, terwijl hij zich over de stoelleuning terugboog en Wronsky de hand reikte, die juist met een langen gardeofficier achter hen langs ging. Uit Wronsky's gelaat straalde een bizonder opgewekte, aan het clubleven eigen bonhommie. Hij boog zich vertrouwelijk over Stiwa's schouder, fluisterde hem iets in en reikte toen met denzelfden glimlach de hand aan Lewin.
"Ik verheug mij u te zien," zeide hij.
"En ik feliciteer u," antwoordde Lewin. "Het was een mooie wedren."
"U houdt immers ook renpaarden?"
"Neen, maar mijn vader hield ze wel. Ik herinner mij dit nog en daarom ken ik er nog iets van."
"Waar heb je gezeten?" vroeg Stipan Oblonsky.
"Achter de zuil, aan de tweede tafel."
"Wij hebben hem geluk gewenscht," zeide de garde-overste. "Reeds de tweede keizersprijs! Ik wou, dat ik evenveel geluk in het kaartspel had als hij met de paarden. Maar laat ons den gouden tijd niet verliezen. Ik ga naar het infernalium," zeide de overste en verwijderde zich.
"Dat is Jawschin," antwoordde Wronsky op een vraag van Turowzin, terwijl hij plaats nam op een nog vrijen stoel aan hun tafel. Hij nam het hem aangeboden glas aan en bestelde nog een flesch.
Onder den invloed van het clubleven en den reeds gedronken wijn knoopte Lewin met Wronsky een gesprek aan over de beste veerassen en verheugde zich zeer, bij hem geen vijandelijk gevoel te bespeuren. Hij zeide hem zelfs, hoe zijn vrouw hem verteld had, dat zij hem bij vorstin Marie Borissowna had aangetroffen.
"O, vorstin Marie Borissowna! Die is verrukkelijk!" zeide Stipan Arkadiewitsch en vertelde nu van haar een anecdote, waar allen om moesten lachen. Vooral Wronsky lachte zoo hartelijk, dat zich Lewin geheel met hem verzoend gevoelde.
"Ben jelui klaar?" zei Stipan opstaande. "Komt dan!"
IV.
Ook Lewin stond op en voelde bij het gaan, dat zich zijn armen bizonder licht en vast bewogen. Bij het doorloopen van de groote zaal ontmoette hij zijn schoonvader. Druk sprekende en de kennissen groetende, die zij ontmoetten, gingen zij alle kamers door: een groote, waar de speeltafeltjes gereed stonden en de gewone partners een niet hoog spel speelden; de sophakamer, waarin geschaakt werd en waar Sergej Iwanowitsch met een bekende in gesprek was; de billardkamer, waar een vroolijk gezelschap bij den champagne zat en waarbij ook de Petersburger Gagin ging zitten. Zij gingen ook behoedzaam het geluid hunner schreden dempende, door de leeskamer, waar een jonge man met een somber gelaat in de journalen bladerde en een kaalhoofdig generaal in de lectuur verdiept was. Zij kwamen ook in een vertrek, dat de oude vorst de "wijze" kamer noemde, en hier spraken drie heeren ijverig over de laatste politieke berichten.
Hier verliet de oude vorst Lewin en deze begaf zich op weg om Oblonsky en Turowzin op te zoeken, wier gezelschap hem het aangenaamst was.
Hij vond Turowzin in de billardkamer en Stipan Arkadiewitsch in de deur in gesprek met Wronsky.
"Niet, dat zij zich juist verveelt, maar dit onzekere en onbesliste in haar toestand…." hoorde Lewin Wronsky zeggen en wilde zich verwijderen. Maar Stipan Arkadiewitsch riep hem aan: "Lewin!"
Lewin bemerkte in Oblonsky's oogen een vochtigen glans, dien zij altijd hadden, wanneer hij rijkelijk gedronken had of wanneer hij ontroerd was. Nu was het eene en het andere het geval.
"Ga niet weg, Lewin," zeide hij en drukte zachtjes zijn arm. "Hij is mijn intiemste, zoo niet mijn beste vriend," zeide hij tot Wronsky. "Ook gij zijt mij na en zijt mij dierbaar. En ik wensch, dit weet hij, dat ook gij met elkander bevriend zult worden en elkander nader leert kennen, want gij beiden zijt goede menschen."
"Nu, dan blijft ons niets over dan elkander te omhelzen," schertste
Wronsky op goedhartigen toon, terwijl hij Lewin de hand reikte.
Deze sloeg snel toe en drukte ze stevig.
"Kellner! Een flesch sect!" riep Stipan Arkadiewitsch.
"'t Doet me veel genoegen," zeide Wronsky; maar ondanks hun wederzijdschen wensch en dien van Stiwa, hadden zij elkander niets te zeggen en beiden gevoelden dat.
"Gij weet, dat hij Anna nog niet kent," zeide Oblonsky tot Wronsky. "Ik breng hem bepaald bij haar. Wij willen er met hem heenrijden."
"Anders gaarne," antwoordde Wronsky, maar ik ben ongerust over
Jawschin. Ik moet hier blijven, tot hij klaar is."
"Speelt hij slecht?"
"Hij speelt zonder ophouden en ik ben de eenige, die hem dan terughouden kan."
Stipan Arkadiewitsch nam Lewin onder den arm.
"Hoor eens, doe mij en Dolly en vele andere het genoegen en rijd terstond met mij naar mijn zuster Anna. Zij is te huis. Ik heb het haar reeds lang moeten beloven je eens mee te brengen. Waarheen wilde je van avond anders?"
"Naar niets bizonders. Ik heb Schwijaschsky slechts beloofd met hem naar de landbouwvereeniging te gaan. Wanneer je dus wilt, kunnen wij er heenrijden," antwoordde Lewin.
"Mooi! Ga eens zien, of mijn rijtuig er is," wendde zich Oblonsky tot een societeitsbediende.
V.
Oblonky's wagen kwam voor en hij steeg er met Lewin in.
"Wat doet het mij genoegen, dat je haar nu leert kennen. Gij weet, dat Dolly het altijd gewenscht heeft, en hoewel zij mijn zuster is, mag ik toch wel beweren, dat zij een buitengewone vrouw is. Enfin, je zult haar zien. Haar positie is zeer moeielijk, vooral nu."
"Waarom dan juist nu?"
"Wegens vroegere onderhandelingen met haar man betreffende de scheiding. Hij was volkomen bereid, maar nu rijzen er eenige bezwaren wegens den zoon, en deze aangelegenheid is nu al drie maanden op de lange baan gebleven. Als het tot de scheiding komt, trouwt zij dadelijk met Wronsky."
"Wat zijn er dan nog voor bezwaren?" vroeg Lewin.
"Och, dat is een lange en vervelende geschiedenis! Bij ons is immers alles zoo onbestemd. Maar het is er nu zoo mee gelegen: in afwachting van de scheiding woont zij nu reeds drie maanden hier in Moskou, gaat nergens heen, ontvangt behalve Dolly geen dame, want je zult begrijpen, dat zij geen bezoeken uit genade wenscht; dan is ze nu ook gebrouilleerd met die dame vorstin Warwara. Een andere vrouw zou in haar positie niet weten wat aan te vangen. Maar zij—nu, je zult eens zien, hoe zij haar leven heeft weten in te richten; hoe kalm en waardig zij zich houdt.—Hier links in de zijstraat, tegenover de kerk!" riep hij uit het portier. "Poeh! hoe warm!" zuchtte hij en sloeg zijn reeds eerder opgeslagen pels ondanks de twaalf graden koude nog verder open.
"Zij heeft immers ook een dochtertje. Daarmede houdt zij zich zeker veel bezig?" vroeg Lewin.
"Het schijnt, dat ge u een vrouw slechts als een soort wijfje, une couveuse, voorstelt," zeide Stiwa. "Als zij bezig is, dan moet dit altijd met kinderen zijn. Ik geloof, dat zij ze uitstekend opvoedt, maar men hoort daar nooit iets van. Haar bezigheid bestaat vooreerst in schrijven—neen, ik zie dat gij ironisch lacht—maar dat is onrecht—zij schrijft een kinderboek, maar spreekt er met niemand over; zij heeft het mij alleen eens voorgelezen en ik heb het manuscript aan Workuw gegeven … weet je, den uitgever. En ik geloof, dat hij ook zoo'n beetje schrijft. Maar je meent misschien, dat zij zoo'n soort blauwkous is? In het minst niet! Zij is in de eerste plaats een vrouw van gemoed, en je zult bij haar nog een kleine Engelsche en een geheele familie vinden, waarvoor zij zorgt."
"Dus zoo'n beetje philantropie?"
"Je wilt in alles iets slechts zien. Geen philantropie, maar het komt uit het hart. Zie, als ik wel heb, had Wronsky een pikeur, een Engelschman, die een meester in zijn vak, maar helaas een dronkaard was. Hij was op het laatst zoo verdronken, dat hij delirium tremens kreeg en zijn familie in den steek liet. Zij zag die armen, hielp hen, interesseerde zich voor hen en heeft nu de geheele familie tot zich genomen; en zij behandelt ze niet uit de hoogte en helpt ze slechts met geld, neen, zij maakt de jongens zelf voor het gymnasium klaar en het kleine meisje heeft zij geheel tot zich genomen. Enfin, je zult het zelf zien."
De wagen reed het plein op. Stipan Arkadiewitsch schelde luid aan de inrijpoort, waar reeds een slede stond. Zonder den portier te vragen, of Anna thuis was, trad hij, gevolgd door Lewin, die er hoe langer hoe meer aan begon te twijfelen, of hij wel goed handelde, de voorkamer der rijk gemeubileerde woning binnen.
Lewin beschouwde zich hier in den spiegel; hij vond, dat hij er wel rood uitzag, maar was overtuigd, dat hij volstrekt niet te veel gedronken had. Hij ging dus achter Oblonsky aan de met tapijten belegde trap op. Boven gekomen informeerde Oblonsky bij den bediende, welke bezoekers er bij Anna Arkadiewna waren, en kreeg tot antwoord: "De heer Workuw."
"Waar zijn zij?"
"In het kabinet."
Zij gingen door de kleine eetkamer met donkere houten wanden, toen naderden zij over mollige tapijten het halfdonkere kabinet, dat door een met een donker scherm bedekte lamp verlicht werd. Een tweede lamp, een refractor, brandde aan den wand en verlichtte het levensgroote portret eener dame, dat onwillekeurig Lewins aandacht tot zich trok. Het was het portret van Anna, dat in Italië vervaardigd was. Oblonsky was reeds achter het traliewerk der klimplanten getreden, terwijl Lewin geheel verdiept was in de aanschouwing van het beeld en daarbij geheel vergat, waar hij was, en ook niet wist, wat in zijn onmiddellijke nabijheid gesproken werd.
Dat was geen beeltenis, dat was een levende vrouw met zwart, krullend haar, naakte schouders en armen, met een peinzenden glimlach op de met een zacht dons bedekte lippen, die hem teeder en van haar zege bewust met de betooverende oogen aankeek. Slechts daarom kon zij niet levend zijn, omdat zij schooner was, dan een levend wezen zijn kon.
"Het doet mij veel genoegen," zeide een tot hem gerichte damesstem, de stem derzelfde vrouw, wier beeltenis hij verrukt aanstaarde. Anna was van achter de schutting van klimplanten te voorschijn getreden, en in het halfdonker van het kabinet herkende Lewin dezelfde vrouw, maar in een donkerblauw kleed, in een andere houding en met veranderde gelaatsuitdrukking, maar toch met dezelfde schoonheid, waarmede de kunstenaar haar geschilderd had, minder schitterend, maar daarvoor werkelijk levend.