VI.
Zij trad hem te gemoet, zonder hem haar vreugde te verbergen, dat zij hem zag, en aan de kalmte, waarmede zij hem haar kleine, energieke hand toereikte, hem aan Workuw voorstelde en hem een klein, roodharig meisje presenteerde, dat in de nabijheid met een werkje bezig was en door haar als haar pleegdochter werd aangeduid, herkende hij de hem bekende en steeds aangename manieren eener dame uit de groote wereld, altijd bedaard en altijd natuurlijk.
"Het doet mij veel, veel genoegen," herhaalde zij, maar deze eenvoudige, overal gebruikelijke woorden kregen in haar mond voor Lewin een bizondere beteekenis. "Door uw vriendschap met Stiwa en door uw vrouw ken ik u reeds lang; uw vrouw heb ik slechts korten tijd gekend, maar zij heeft bij mij den indruk van een bekoorlijke bloem, ja van een bloem achtergelaten. En zij zal nu spoedig moeder zijn?"
Zij sprak zonder zich te overhaasten, nu eens van Lewin naar haar broeder, dan weder naar den eersten ziende. Lewin gevoelde, dat de eerste indruk, dien hij op haar gemaakt had, goed was en het werd hem in haar tegenwoordigheid terstond licht en aangenaam om het hart, als had hij haar reeds van zijn kindsheid af gekend.
"Iwan Iwanowitsch en ik hebben ons hier in Alexei's kabinet begeven," antwoordde zij op Stiwa's vraag, of men hier rooken mocht, "juist om te rooken." En zij schoof Lewin een schildpadden cigarenkistje toe en nam er zelf een cigaar uit.
"Hoe gaat het met uw gezondheid?" vroeg haar broeder haar.
"Niet slechter. Zenuwen zooals altijd."
"Niet waar? Een buitengewoon schoon beeld?" vroeg hij Lewin, die herhaaldelijk naar de schilderij zag.
"Ik heb nooit een schooner gezien."
"En buitengewoon gelijkend," zeide Workuw.
Lewin zag van het portret naar het origineel. Een eigenaardige glans vloog over Anna's gelaat op het oogenblik, dat zij zijn blik op haar voelde rusten. Lewin kleurde en, om zijn verlegenheid te verbergen, wilde hij haar juist iets over Dolly vragen, toen zij hem reeds voorkwam.
"Wij spraken juist, voor gij binnenkwaamt, van de laatste portretten van Waschtschenkow…. Kent u ze?"
"Ja, ik heb ze gezien," antwoordde Lewin; "maar zij zijn mij niet bevallen."
Anna sprak niet alleen natuurlijk, maar ook geestig; toch uitte zij haar gedachten op zulk een losse wijze, alsof zij er volstrekt geen beteekenis aan hechtte, maar daarentegen aan de woorden van haar bezoeker veel gewicht toekende.
Het gesprek kwam spoedig op de nieuwe richting in de kunst, in 't bizonder op de nieuwe illustrateurs van den bijbel en de nieuwere Fransche kunstenaars. Workuw beschuldigde hen van realisme, dat in ruwheid ontaard was. Lewin meende, dat de Franschen het conventioneele in de kunst, zooals niemand buiten hen, bereikt hadden en dat zij daarom door reactie in den terugkeer tot het realisme een bizondere verdienste zagen; zij vonden nu hierin hun ideaal, omdat er meer waarheid in was gelegen.
Nog nooit had Lewin bij een door hem geuite geestige opmerking zooveel genoegen gesmaakt, als bij deze. Want Anna's gezicht was plotseling verhelderd en zij waardeerde deze gedachten ten volle. Zij lachte.
"Ik lach," zeide zij, "als iemand, die plotseling een treffend gelijkend portret ziet. Wat u daar juist gezegd heeft karakteriseert volkomen de geheele tegenwoordige Fransche kunst, zoowel de schilderkunst als de litteratuur: Doré, Zola, Daudet! Maar dat is misschien altijd zoo, men bouwt zijn concepties uit conventioneel uitgedachte gestalten, men maakt alle mogelijke combinaties, totdat de uitgedachte figuren vervelend worden en men weder aanvangt in het ware en natuurlijke smaak te vinden."
"Dat is volkomen waar," bevestigde ook Workuw."
"Gij zijt dus in de club geweest?" wendde zich Anna tot haar broeder.
"Dat is eerst een vrouw!" dacht Lewin geheel zich zelf vergetend en beschouwde onafgebroken haar schoon, levendig bewogen gelaat, dat plotseling geheel veranderd was. Hij hoorde niet, wat zij met haar broeder sprak, maar de verandering in haar trekken maakte op hem een diepen indruk. Het te voren in zijn rust zoo schoone gelaat vertoonde plotseling een eigenaardige vermenging van nieuwsgierigheid, toorn en trots. Maar dat duurde slechts een oogenblik; toen kneep zij de oogen toe, alsof zij zich iets zocht te herinneren.
"Nu ja.—Voor 't overige is het immers ook voor niemand interessant," zeide zij en wendde zich tot de Engelsche:
"Please, order the tea in the drawing-room." Het jonge meisje stond op en verliet het vertrek.
"Hoe is het? Is zij door het examen gekomen?" vroeg Stipan
Arkadiewitsch.
"Nog wel met glans. Zij heeft veel aanleg en een vriendelijk karakter."
"En het zal er misschien op uitloopen, dat je nog meer van haar zult houden dan van je eigen dochter."
"Zoo spreken de mannen. In de liefde is er geen meer of minder. Mijn dochter bemin ik op deze en haar op een andere wijze."
"Ik geloof, Anna Arkadiewna, dat, als gij slechts het honderdste deel uwer energie aan de algemeene zaak, aan de opvoeding der Russische jeugd gewijd had in plaats van aan deze Engelsche, gij een groot, nuttig werk volbracht zoudt hebben."
"Ja, dat stem ik toe, maar ik kan dat niet. Graaf Alexei Kyrilowitsch…." (bij het noemen van dezen naam zag zij schuchter en vragend Lewin aan en hij antwoordde haar onwillekeurig met een eerbiedigen en bevestigenden blik): "Graaf Alexei Kyrilowitsch heeft er dikwijls bij mij op aangedrongen, mij op het land met de school bezig te houden; ik ben er ook eenige malen heengegaan; het is heel aardig, maar ik kon er mij toch niet aan wennen. Gij spreekt van energie. Maar energie is gegrond op liefde; en liefde laat zich niet dwingen en niet bevelen. Dit meisje heb ik nu eenmaal lief en ik weet zelf niet waarom."
En weer zag zij Lewin aan. Haar glimlach en haar blik, alles zeide hem, dat zij eigenlijk slechts tot hem haar woorden gericht had, dat zij slechts aan zijn meening hechtte en van te voren wist, dat zij beiden elkander juist begrepen.
"Dat begrip ik zeer goed," antwoordde Lewin, "voor de school en dergelijke inrichtingen kan men zijn hart niet africhten en juist daarom geloof ik, dat al deze philantropische 'bemoeiingen' altijd zoo weinig gevolg hebben."
Zij zweeg. Toen lachte zij. "Ja, ja, zeer juist!" bevestigde zij. "Ten minste ik kon het niet. Je n'ai pas le coeur assez large om een geheele inrichting vol leelijke, kleine meisjes lief te krijgen. Er zijn zooveel vrouwen, die zich daardoor une position sociale verschaft hebben. En juist nu," voegde zij met een vertrouwelijk, treurig gebaar, schijnbaar tot haar broeder, maar inderdaad tot Lewin gewend, er bij:
"En juist nu, nu ik zoo vurig naar bezigheid verlang, kan ik het niet." Plotseling fronste zij haar voorhoofd en gaf een andere richting aan het gesprek. Lewin begreep, dat het voorhoofdfronzen haar zelf gold, daar zij van zich zelf gesproken had.
"Ook van u weet ik," sprak zij tot Lewin gewend, "dat u een slecht staatsburger is, maar ik heb u steeds zooveel mogelijk verdedigd."
"Hoe heeft u mij dan verdedigd?"
"Naar dat men u aanviel. Maar, willen de heeren geen thee?" Zij stond op en nam een in marokijn gebonden schrift in de hand.
"Geef het mij, Anna Arkadiewna," zeide Workuw met een blik op het boek. "Het is de moeite wel waard."
"O neen, de schaaf moet er nog over."
"Ik heb hem daarvan verteld," zeide Stipan Arkadiewitsch tot zijn zuster en wees daarbij op Lewin.
"Dat hadt ge liever niet moeten doen. Mijn geschrijf is van denzelfden aard als het korfje en het kleine houtsnijwerk, dat vroeger Lisa Markalewna eens in de gevangenis voor mij gekocht had. Velen dezer ongelukkigen verrichtten wonderwerken van geduld," wendde zij zich tot Lewin.
En Lewin vond weer een nieuwen trek in deze vrouw, waarin hij zooveel behagen had; namelijk naast geest, aanvalligheid en schoonheid ook nog oprechtheid. Zij gaf zich geen moeite het moeielijke harer positie voor hem te verbergen. Toen zij gesproken had, zuchtte zij diep, haar gelaat nam plotseling een strenge uitdrukking aan, scheen als versteend, en met dezen trek scheen zij hem nog schooner dan te voren. Toen zij aan den arm van haar broeder een oogenblik in de groote deur stond, vergeleek hij haar nog eens met het portret en had voor haar zulk een hartelijk medegevoel, dat hij zich over zich zelf verwonderde.
Onder de thee duurde het aangename, aan inhoudrijke gesprek voort; niet alleen, dat men geen oogenblik naar een onderwerp behoefde te zoeken, maar men gevoelde, dat men niet eens tijd genoeg zou hebben om zijn gedachten naar wensch uit te spreken en dat men zich bereidwillig zelf van het spreken onthield om naar datgene te luisteren, wat de anderen zeiden.
Gedurende dit interessante gesprek bewonderde Lewin Anna, minder, zoo hij meende, om haar schoonheid, dan om haar geest, haar beschaving en haar natuurlijke hartelijkheid. En hij, die haar te voren zoo streng veroordeeld had, sprak haar nu, na een zonderlingen gedachtengang, niet slechts vrij, maar had ook medelijden met haar en vreesde, dat Wronsky haar misschien niet ten volle wist te waardeeren. Toen Stipan Arkadiewitsch om elf uur opstond om heen te gaan (Workuw was reeds vertrokken), was het Lewin alsof hij eerst pas gekomen was, en hij stond met weerzin op.
"Vaarwel," zeide zij, zijn hand vasthoudend en hem met haar aantrekkelijkst lachje in de oogen ziende, "ik verheug mij zeer, que la glace est rompue." Zij liet zijn hand los en kneep de oogen toe; "zeg uw vrouw, dat ik haar evenzeer liefheb als vroeger, en dat ik, als zij nu niet met verschooning aan mij denkt, dit niet euvel duid; want om mij te vergeven en te begrijpen zou men zelf moeten doorleven wat ik doorleefd heb, en daarvoor moge God haar behoeden."
"Dat zal ik haar bepaald zeggen." zei Lewin blozend.
VII.
"Nu? wat heb ik je gezegd?" vroeg Stipan Arkadiewitsch aan Lewin, toen zij in de koudo winterlucht naar buiten traden en hij zag, dat zijn vriend volkomen overwonnen was.
"Ja," antwoordde Lewin nadenkend: "Een buitengewone vrouw; niet alleen verstandig, maar ook zoo oprecht. Maar haar positie moet toch moeielijk zijn. Ik heb innig medelijden met haar."
"Wij hopen, dat nu spoedig alles beslist zal worden. Weet je, men mag niet alles vooraf beoordeelen," zeide Stiwa het portier openend. "Adieu! onze wegen gaan hier uit elkander."
Zonder op te houden aan Anna te denken, zich in haar toestand te verplaatsen en medelijden met haar te gevoelen, kwam Lewin te huis.
Hij vond zijn vrouw zeer mismoedig en door verveling gekweld. Nog des middags had zij in de beste luim met haar beide zusters gegeten, maar daarna hadden zij hem gewacht en zij wachtten tot het hen allen verveelde en de zusters reden weg en zij bleef alleen.
"Nu? Hoe heb je je tijd besteed?" vroeg zij, hem in de eerste plaats in de oogen ziende, die zoo verdacht schitterden. Om hem evenwel niet te beletten alles te biechten, verborg zij haar spanning en hoorde met een goedkeurend gelaat zijn mededeeling aan, hoe hij dien avond had doorgebracht.
"Nu, ik verheugde mij zeer over deze ontmoeting met Wronsky. Wij waren zeer eenvoudig en ongegeneerd met elkander. Weet je, nu die onaangename verhouding niet meer bestaat, zal ik een ontmoeting met hem niet meer zoeken…." Maar terwijl hij dit zeide, viel het hem in, dat, hoewel hij hem niet weder wenschte te ontmoeten, hij toch terstond naar Anna gegaan was, en hij bloosde: "Wij zeggen altijd, dat het volk drinkt; ik weet niet, wie meer drinkt, het volk of wij? Het volk bedrinkt zich ten minste slechts op feestdagen, maar wij …"
Maar voor Kitty was deze redeneering, hoe het volk drinkt, niet interessant. Zij had gezien, dat hij bloosde en zij wilde weten waarom.
"Waar ben je dan later geweest?"
"Stiwa haalde mij over met hem Anna Arkadiewna te bezoeken…." En terwijl hij dit zeide, bloosde hij nog meer, en zijn twijfel, of hij er goed aan gedaan had of niet, was nu opgelost. Hij wist nu, dat hij het niet had moeten doen.
Kitty's oogen openden zich wijd en flikkerden bij Anna's naam. Maar zij beheerschte zich, verborg haar opwinding en misleidde hem.
"Zoo!" zeide zij slechts.
"Ge zijt toch niet boos, dat ik er heengegaan ben? Stiwa wilde het zoo graag en Dolly ook …"
"O neen," zeide zij, maar in haar oogen bespeurde hij een terughouding, die hem niets goeds voorspelde.
"Zij is een zeer nette en zeer betreurenswaardige, uitstekende vrouw." zeide hij en begon van Anna, van haar bezigheden en van hetgeen zij Kitty liet zeggen te vertellen.
"Ja, wél is zij betreurenswaardig," zeide Kitty, toen hij geëindigd had.
Hij vertrouwde op haar kalmen toon en ging naar zijn kabinet om zich te ontkleeden.
Toen hij terugkwam, zat Kitty nog op denzelfden stoel. Zij zat daar onbewegelijk en toen hij naar haar toe trad, barstte zij plotseling in snikken uit.
"Wat? Wat?" vroeg hij, maar wist reeds vooruit wat.
"Ge zijt op deze afschuwelijke vrouw verliefd geworden. Zij heeft je betooverd! Ik zie het aan je oogen. Ja, ja! en wat kan daarvan nog worden! In de club heb je gedronken, gespeeld en zijt toen heengereden … naar wie? Neen! Wij moeten van hier … Ik ga morgen op reis …"
Lang vermocht Lewin niet zijn vrouw te kalmeeren. Eindelijk gelukte het hem door te bekennen, dat het gevoel van medelijden en de gedronken wijn hem verward hadden en dat hij een slachtoffer geworden was van de sluwe berekening van Anna en dat hij haar voortaan wilde vermijden; maar het oprechtst gemeende in zijn bekentenis was, dat hij zich zoo geheel had laten meeslepen, omdat hij zoo lang in Moskou geleefd had zonder andere bezigheid dan praten, eten en drinken.
Zij spraken nog den halven nacht door. Eerst tegen drie uur hadden zij zich in zoover met elkander verzoend, dat zij konden inslapen.
VIII.
Toen Anna's gasten haar verlaten hadden, was zij in haar kamer op en neer gegaan. Hoewel zij, onbewust, zooals in den laatsten tijd jegens alle jonge mannen, den geheelen avond al het mogelijke gedaan had om Lewin op haar verliefd te maken en hoewel ze wist, dat haar dit gelukt was, voor zoover dit bij een, rechtschapen, getrouwd man mogelijk was, en hoewel ook hij haar bevallen was ondanks zijn scherpe tegenstelling met Wronsky (maar zij zag in hen slechts, wat zij met elkander gemeen hadden, waarom ook Kitty beiden, zoowel Lewin als Wronsky, had kunnen liefhebben—) toch hield zij, zoodra hij de kamer verlaten had, terstond op aan hem te denken. Slechts eene gedachte bleef haar bij, die haar onder de verschillende gestalten vervolgde:
"Indien ik zulk een indruk op andere mannen maak, op deze man, die uit liefde gehuwd is,—waarom is hij dan zoo koud tegen mij? of indien al niet koud—ik weet, dat hij mij liefheeft—maar een zeker iets scheidt ons. Waarom is hij den geheelen avond weer niet te huis? Hij liet mij door Stiwa zeggen, dat hij Jawschin niet verlaten mocht.—Nemen wij aan, dat dit de ware reden is—hij spreekt nooit onwaarheid—maar in deze waarheid ligt nog iets anders. Hij verheugt zich over de goede gelegenheid om mij te toonen, dat hij nog plichten heeft. Dat weet ik. Dat vind ik ook goed. Maar waarom moet hij mij dat bewijzen? Ik behoef geen bewijs, ik wil slechts liefde. Hij moest toch al het netelige van mijn leven hier in Moskou inzien! Leef ik dan? Ik ben steeds in gespannen verwachting, ik ben in afwachting van de beslissing, die altijd weer op nieuw wordt uitgesteld. Nog steeds is er geen antwoord, en Stiwa zegt, dat hij niet naar Alexei Alexandrowitsch kan gaan, en ik kan niet voor de tweede maal schrijven. Ik kan niets doen, niets beginnen, niets veranderen, ik moet mij goed houden, hopen en wachten en afleiding zoeken, maar dit alles: de opneming der Engelsche familie, het schrijven en lezen, alles, alles is slechts bedrog, en het een zoowel als het ander slechts morphium! En dat had hem toch leed moeten doen!" sprak zij en gevoelde, dat haar de tranen van medelijden met zich zelf in de oogen kwamen.
Zij hoorde het kortafgebroken schellen van Wronsky, en snel haar tranen drogend, ging zij voor de lamp zitten, opende een boek en deed haar best om kalm te schijnen. Zij wilde geen strijd, maar beschuldigde hem, dat hij dien wilde en nam dus onwillekeurig een strijdvaardige houding aan. Zij moest hem toch toonen, dat zij ontevreden over hem was, omdat hij niet op den beloofden tijd te huis was gekomen; zij wilde hem haar ontevredenheid, maar in geen geval haar droefheid toonen. Zij kon wel medelijden met zich zelf hebben, maar hij mocht dat niet.
"Nu? Heb je je niet verveeld?" vroeg hij vroolijk en opgewekt en wierp een pakket op de spiegeltafel! "Welk een vreeselijke harstocht is het spel toch!"
"Neen, ik heb mij niet verveeld. Ik heb het reeds lang verleerd mij te vervelen. Stiwa is hier geweest met Lewin."
"Ja, zij wilden je bezoeken. Hoe is Lewin je bevallen?" zeide hij en ging naast haar zitten.
"Zeer goed. Zij zijn eerst zooeven weggereden. Hoe heeft Jawschin het toch gemaakt?"
"Hij had reeds zeventienduizend gewonnen; ik wilde hem meenemen en had hem reeds tot aan de deur; maar toen keerde hij nog eens terug en heeft nu weer alles en nog meer verloren."
"Waarom ben je daar dan gebleven?" vroeg zij, plotseling naar hem opziende. Haar gezicht vertoonde een koude, vijandige uitdrukking. "Je hebt toch gezegd, dat je daar wildet blijven om Jawschin weg te brengen. En nu heb je hem er toch gelaten."
Ook zijn gelaat nam dezelfde koude, strijdvaardige uitdrukking aan.
"Ten eerste heb ik Stiwa niet verzocht u een boodschap over te brengen en ten tweede spreek ik nooit onwaarheid. De hoofdzaak was, dat ik blijven wilde en ik ben gebleven," antwoordde hij het voorhoofd fronsend. "Anna, waarom? waarom dat?" vroeg hij na een kort zwijgen. Hij boog zich naar haar toe en opende de hand in de hoop dat zij toeslaan zou.
Zij verheugde zich over deze tegemoetkoming; maar een eigenaardige, booze macht weerhield haar, haar eerste neiging te volgen, alsof te wetten van den strijd haar niet veroorloofden toe te geven.
"Waarlijk! je wildet blijven en zijt ook gebleven. Je doet alles, wat je wilt. Maar waarom moet je mij dat zeggen? Waartoe?" vroeg zij, meer en meer in vuur gerakend. "Wil dan iemand u dat recht betwisten? Maar je wilt gelijk hebben, dus ik geef je gelijk."
Zijn hand sloot zich en zijn gelaat nam een uitdrukking van verbeten toorn aan.
"Bij u is het niets dan eigenzinnigheid," zeide zij, plotseling voor deze haar steeds prikkelende gelaatsuitdrukking een naam vindende; "niets als eigenzinnigheid. Bij u komt het er slechts op aan overwinnaar te blijven, terwijl ik…." Weder had zij zooveel medelijden met zich zelf, dat zij bijna weende. "Als ge wist, wat het voor mij beteekent, wanneer ik zie, hoe gij u, zooals nu, vijandig van mij afkeert, als gij wist, wat dat voor mij beteekent! Hoe ik in zulk een oogenblik een ongeluk nabij ben, hoe ik bang ben voor mij zelf…" en zij wendde zich af om haar snikken te verbergen.
"Waarom dan dit alles?" vroeg hij, ontsteld over de uitdrukking harer vertwijfeling en boog zich weer tot haar neer; hij nam haar hand en kuste ze. "Waarom? Zoek ik misschien buitenshuis verstrooiing? Vermijd ik dan niet alle verkeer met dames?"
"Dat moest er ook nog bijkomen!" riep zij uit.
"Nu, zeg mij dan, wat ik doen moet om je tot rust te brengen? Ik ben tot alles bereid, als gij slechts gelukkig zijt," zeide hij, geroerd door haar vertwijfeling. "Wat zou ik niet willen doen om u van een smart als de tegenwoordige te bevrijden, Anna!"
"Neen, neen!" antwoordde zij. "Ik zelf weet niet…. Is het het eenzame leven…. De zenuwen….? Maar spreken wij daar niet meer van. Hoe is het bij den wedren gegaan? Je hebt er mij nog niets van verteld," zeide zij en deed haar best om de vreugde over de overwinning, die toch aan haar zijde was, te verbergen.
By het souper vertelde hij haar de bizonderheden van den wedren, maar aan zijn toon en zijn gelaat, die steeds ernstiger en kouder werden, bespeurde zij, dat hij haar haar overwinning niet vergeven had en dat het gevoel van eigenzinnigheid, waarmede zij hem had bestreden, zich ook bij hem weer begon te doen gelden. Hij werd nu des te koeler tegen haar, naarmate het hem berouwde zich aan haar te hebben onderworpen.
Maar zij, aan de woorden denkende, die haar de overwinning hadden doen behalen: "een vreeselijk ongeluk hangt mij boven het hoofd en ik ben bang voor mij zelf—" begreep, dat dit een ook voor haar gevaarlijk wapen was, dat zij niet een tweeden keer zou durven gebruiken. En zij gevoelde, dat te gelijk met de liefde, die hen verbond, een booze geest van strijdlust zich tusschen hen gesteld had, die zij noch uit zijn en nog minder uit haar eigen hart vermocht te verdrijven.
IX.
En bestaan geen verhoudingen, waaraan de mensch zich niet kan gewennen, vooral wanneer hij ziet, dat allen in zijn omgeving er onder leven. Drie maanden vroeger zou Lewin niet geloofd hebben, dat hij rustig had kunnen inslapen in den toestand, waarin hij zich nu bevond; hij leidde een onzinnig, doelloos leven, buitendien boven zijn middelen, hij had zich aan den drank overgegeven, want anders kon hij datgene, wat gisteren in de club voorgevallen was, niet noemen; hij had zich in een eigenaardige, vriendschappelijke betrekking tot een man gesteld, op wien vroeger zijn vrouw verliefd was geweest, hij had een avontuurlijk bezoek bij een vrouw gebracht, die men toch niet anders als een verlorene kon noemen, en ondanks zijn dwepen met haar, ondanks de smart van zijn vrouw, ondanks al deze omstandigheden kon hij slapen, rustig slapen!
Tegen den morgen deden hem een zachte aanraking aan den schouder en een fluisterende stem ontwaken. Kitty wijfelde, omdat zij het jammer vond hem te wekken, en toch wilde zij gaarne met hem spreken.
"Kostja, schrik niet! Het is niets! Maar het schijnt…. Wij moeten naar Lisaweta Petrowna zenden…."
Er brandde een licht. Zij zat op het bed en hield een haakwerk in de hand, waarmede zij zich in den laatsten tijd had bezig gehouden.
"Ik bid u, schrik niet. Ik ben volstrekt niet bang!" zeide zij toen zij zijn verschrikt gelaat zag en zij drukte zijn hand aan haar borst en aan haar lippen.
Nauwelijks wetende, wat hij deed, sprong hij snel het bed uit en schoot zijn chambercloak aan zonder de oogen van haar af te wenden. Hij wilde gaan, maar kon zich niet van haar losrukken. Zij had er reeds dikwijls met hem over gesproken, maar zoo bezorgd had hij haar nog niet gezien. Hoe afschuwelijk, hoe laag scheen hij zich zelf toe, nu hij aan de smart dacht, die hij haar gisteren veroorzaakt had, en hoe nietig en onbeduidend scheen hem nu dat alles in vergelijking van haar, en den toestand, waarin zij zich nu bevond. Haar verhit gelaat, omgeven door lokken, die uit de muts te voorschijn kwamen, straalde van blijmoedige vastberadenheid. Hoe weinig onnatuurlijkheid ook steeds in Kitty's karakter gelegen had, nu elke sluier wegviel, was hij er door getroffen, hoe klaar de kern van haar wezen uit haar oogen sprak.
Zij zag hem glimlachend aan, maar plotseling trok zij de wenkbrauwen omhoog, hief het hoofd op en hem snel naderend, greep zij zijn hand en drukte zich vast tegen hem aan, terwijl zij hem met gloeienden adem overstroomde. Zij leed en scheen hem haar lijden te klagen. En in het eerste oogenblik scheen het hem uit gewoonte toe, dat hij er schuld aan had. Maar haar oogen vol teederheid zeiden hem niet alleen, dat zij hem niet aanklaagde, maar ook, dat zij hem liefhad wegens dit lijden.
"Als ik geen schuld heb, wie dan?" dacht hij, onwillekeurig naar een schuldige zoekend om hem te bestraffen; maar er was geen schuldige. Zij leed, klaagde over deze smart, maar verhief zich er boven, verheugde zich er over en was er trotsch op. Hij zag, dat er in haar ziel iets verhevens omging, maar wat? Hij kon het niet begrepen, hij kon zich niet tot haar hoogte verheffen.
"Ik heb naar mama gezonden—en ga jij naar Lisaweta Petrowna…. Kostja!…. Het is niets! Het is al weer voorbij! Maar ga nu dan ook."
En Lewin zag met verwondering, dat zij reeds weer haar haakwerk in de hand nam en er aan werkte.
Hij kleedde zich in zijn kamer aan, maar vóór de paarden waren aangespannen, liep hij nog eenmaal naar de slaapkamer.
"Ik rijd naar den dokter. Naar Lisaweta Petrowna is reeds gezonden. Is er anders nog iets noodig?"
Zij zag hem aan, maar verstond klaarblijkelijk niet, wat hij zeide.
"Ja, ja, ga nu, ga!" zeide zij met de hand wenkende.
Hij was reeds weder in het salon, toen hij plotseling een klagend zuchten uit de slaapkamer hoorde, dat echter terstond weder ophield. Hij bleef staan en wist niet, wat hij er van denken moest.
"Ja ja, zij was het!" zeide hij, greep naar z'n hoofd en liep naar beneden. "God erbarme zich onzer! Hij vergeve en helpe!" sprak hij. Onwillekeurig waren hem deze woorden over de lippen gekomen. In dit oogenblik werd hij zich er van bewust, dat noch zijn twijfel, noch de onmogelijkheid om met het verstand tot het geloof te geraken, hem in het minst konden beletten zich in het gebed tot God te wenden. Zijn hart schudde allen twijfel plotseling als asch van zich af. Tot wien anders zou hij zich dan nu wenden dan tot Hem, in wiens handen hij zich zelf, zijn hart en zijn liefde voelde rusten.
Hij trad naar buiten, nam plaats in de slede en reed naar den dokter.
X.
De dokter was nog niet opgestaan. Zijn bediende zeide, dat hij gisteren eerst laat naar bed was gegaan en bevolen had hem niet te wekken. De bediende maakte de lampen schoon en scheen daar zeer druk mede. Zijn op de peer van een lamp gerichte opmerkzaamheid en de volkomen onverschilligheid voor hetgeen in Lewin omging, verwekte bij dezen een gevoel van wrevel; maar daar hij spoedig daarop bedacht, dat niemand verplicht was zijn gevoelens te kennen of te raden, besloot hij zoo kalm en beredeneerd mogelijk te handelen en vastberaden door dezen muur van onverschilligheid te dringen en zijn doel te bereiken. Zonder zich te overijlen, haalde hij een billet van tien roebel te voorschijn, reikte den dienaar het papier toe en zette hem uiteen, hoe Peter Dimitritsch (hoe groot en gewichtig scheen hem nu deze hem anders onverschillige Peter Dimitritsch) hem beloofd had ten allen tijde en op ieder uur bij hem te komen, dat hij het dus niet kwalijk zou nemen, als men hem nu wekte. De bediende stemde dit toe, verzocht Lewin in de spreekkamer te gaan en ging naar boven. Lewin hoorde, hoe de dokter achter de deur hoestte, op en neer ging, iets sprak en zich toen wiesch. Er waren nog geen drie minuten verloopen, die Lewin echter reeds als een uur toeschenen, toen hij het niet langer kon uithouden.
"Peter Dimitritsch! Peter Dimitritsch!" sprak hij met smeekende stem in de open deur. "Om Godswil! Vergeef mij, maar ontvang mij, zooals gij zijt. Het is reeds langer dan twee uren!"
"Dadelijk, dadelijk!" antwoordde een stem, en Lewin had tot zijn verwondering daarin een lachenden toon opgemerkt."
"Slechts een oogenblik…!"
"Terstond!"
"Peter Dimitritsch," begon Lewin weer met klagende stem, maar op dit oogenblik trad de dokter binnen en wel, tot Lewins ergernis, geheel gekapt en gekleed. "Deze menschen hebben in 't geheel geen geweten!" dacht Lewin. ''Zij kappen zich, terwijl wij te gronde gaan!"
"Goeden morgen!" zeide de dokter hem de hand gevende. Toen voegde hij er, alsof hij hem plagen wilde, bij: "Nu? vertel mij eens bedaard wat er is."
Terwijl Lewin zich beijverde zoo uitvoerig mogelijk den toestand zijner vrouw te schilderen, brak hij zijn verhaal zelf ieder oogenblik af met het verzoek, of Peter Dimitritsch toch dadelijk met hem mede wilde gaan.
"Zeker, maar het heeft nog volstrekt zoo'n haast niet. U weet dat zoo niet, maar ik verzeker u bepaald, dat het nog niet noodig is. Maar ik heb het u beloofd—welnu, laten wij dan maar gaan! Maar het heeft volstrekt geen haast. Neem toch plaats. Wil u niet een kop koffie?"
Lewin zag hem aan, of hij ook soms den gek met hem wilde steken. Maar de dokter dacht niet aan lachen.
"Ik ken dat, ik ken dat!" zeide hij even glimlachend. "Ik ben zelf huisvader, maar in zulke oogenblikken zijn wij mannen de beklagenswaardigste schepsels. Ik heb een patiënte, wier man by dergelijke gelegenheden altijd in den paardenstal vlucht."
"Maar wat dunkt u, Peter Dimitritsch—dunkt u, dat alles goed zal afloopen?"
"Er zijn alle kenteekenen voor een goeden afloop voorhanden."
"U komt dus dadelijk?" vroeg Lewin en zag den bediende, die de koffie binnen bracht, boos aan.
"Binnen een uur."
"Neen, om Gods wil, kom toch dadelijk."
"Nu. laat mij ten minste eerst rustig mijn koffie drinken."
De dokter ging aan de tafel zitten. Beiden zwegen.
"De Turken hebben duchtig slaag gehad. Heeft u het laatste telegram gelezen?" vroeg de dokter een stuk wittebrood kauwende.
"Neen, ik kan niet," zeide Lewin en sprong op. "Dus binnen een half uur zal u er zijn?"
"In een half uur."
"Op uw woord van eer?"
Lewin kwam te gelijk weer aan zijn huis met zijn schoonmoeder en zij gingen te zamen de deur der slaapkamer in. De vorstin had tranen in de oogen; haar handen beefden. Bij de eerste ontmoeting van Lewin had zij hem omhelsd en was begonnen te weenen.
"Nu, moedertje Lisaweta Petrowna?" zeide zij tot de vroedvrouw, die met opgewonden en tevreden uitdrukking op het gelaat haar tegentrad.
"Alles goed," antwoordde deze. "Overreed ze maar, dat zij gaat liggen. Dit zal haar verlichten."
Van het oogenblik af, dat Lewin was ontwaakt en volkomen had begrepen, wat er te doen was, had hij zich voorgenomen al zijn gedachten en gevoelens in zijn binnenste op te sluiten, ten einde zijn vrouw niet op te winden, maar haar gerust te stellen, haar moed te ondersteunen en haar te vermanen, dezen zwaren strijd van ongeveer vijf uren, zooals men hem gezegd had, standvastig door te staan. Maar toen hij nu na zijn terugkomst haar lijden zag, begon hij telkens al meermalen te herhalen: "Mijn God, vergeef en help!", wierp het hoofd terug, en werd beangst, dat hij het niet uithouden, in tranen uitbarsten en wegloopen zoude. Zoo groot was zijn ontroering. En toch was er slechts een uur verloopen.
Maar er verliep nog het tweede, derde, vierde en vijfde uur, dat hij zich als het uiterste tijdpunt had voorgesteld, en de toestand was nog steeds onveranderd. Hij hield het slechts uit, omdat hem niets anders overbleef, maar hij dacht elk oogenblik de uiterste grenzen van geduld bereikt te hebben en dat zijn hart zou barsten van medegevoel en medeleden.
Doch er verliepen nog minuten en uren, en zijn gevoel en ontroering werden meer en meer gespannen. "Mijn God! vergeef en help!" herhaalde hij voortdurend, en sprak die woorden zoo vol vertrouwen en innig, als in zijn eerste jeugd.
XI.
Lewin wist niet, of het laat of vroeg was. De kaarsen waren bijna ten einde gebrand; Dolly was juist in zijn kabinet geweest en had den dokter voorgeslagen een oogenblik te gaan liggen rusten. Lewin zat daar en hoorde het verhaal van den arts van een wonderdokter en magnetiseur; hij had het begrepen en voor een oogenblik den angstigen toestand vergeten. Plotseling weerklonk een jammerende kreet, zooals hij nimmer gehoord had. Dit geluid was zoo ontzettend, dat Lewin niet eens opsprong, maar, terwijl hem de adem stokte en de klopping van het hart een oogenblik stilstond, den dokter aanzag. Deze had het hoofd op zijde gebogen en luisterde. Toen glimlachte hij goedkeurend.
Alles was zoo buitengewoon, dat er niets meer was, dat op Lewin indruk maakte. "Dat moet wel zoo zijn," dacht hij en bleef nu rustig zitten. "Maar wat was dat voor een vreeselijke kreet?"
Hij sprong op, snelde op de teenen de slaapkamer in en plaatste zich aan het hoofdeinde van Kitty's ledikant. Het jammeren had opgehouden, maar iets moest er veranderd zijn, dat hij niet zag en niet begreep, ook niet zien en begrijpen wilde. Maar hij maakte het op uit Lisaweta Petrowna's gezicht; het stond ernstig, bleek en vastberaden en zij hield haar oogen op Kitty gericht. Dezer verhit, pijnlijk gelaat was naar hem toegekeerd en zocht zijn blik, zij greep met haar koortsachtige, warme, vochtige handen zijn koude rechterhand en drukte ze aan haar gelaat.
"Ga niet weg! Ik ben volstrekt niet bevreesd," zeide zij haastig.
"Mama, doe mij de oorringen af, zij hinderen mij…." Zij sprak snel, zeer snel en wilde lachen.—Maar plotseling vertrok haar gelaat en zij stiet hem van zich. "Neen, het is ontzettend! Ik sterf, ik sterf! Ga, ga!" riep zij en andermaal klonk die kreet, die aan niets anders gelijk was.
Lewin greep zijn hoofd vast en ijlde de kamer uit.
"Het is niets, alles is immers goed!" zeide Dolly tot hem.
Maar zij mochten zeggen, wat zij wilden, hij hield zich overtuigd, dat alles verloren was. Met het hoofd tegen den deurpost geleund, stond hij in de naaste kamer en hoorde iemand jammeren, en hij wist, dat die daar kermde en steunde Kitty geheeten had. Hij wenschte al lang niet meer het kind te bezitten; maar nu haatte hij dit kind; hij wenschte zelfs niet meer het behoud van haar leven, hij wenschte slechts haar spoedige bevrijding van dit lijden.
"Dokter! wat is dat toch? Wat is dat? Mijn God!" zeide hij en nam den binnentredenden dokter bij de hand.
"Het loopt naar het einde," antwoordde deze. En zijn gelaat stond daarbij zoo ernstig, dat Lewin daaruit opmaakte: zij sterft.
Zich zelf niet meer meester, snelde hij naar de slaapkamer terug. Het eerste, wat hij zag, was Lisaweta Petrowna's gelaat. Het was nog ernstiger en donkerder. Hij herkende in het verwrongen gelaat van haar, die daar lag, zijn Kitty niet meer. Hij leunde met het hoofd tegen het ledikant en voelde zijn hart breken.
Voor een oogenblik verloor hij alle bezinning. Hij kwam weer tot zich zelf, omdat het slaken der jammerkreten ophield; hij vernam een levendig fluisteren en snel ademen en een zachte, haperende, maar overgelukkige stem, die tot hem zeide: "Het is doorgestaan."
Hij hief het hoofd op. Met de krachtelooze handen op de deken, buitengewoon schoon en stil daar liggende zag zij hem sprakeloos aan en wilde, maar kon hem niet toelachen.
En plotseling gevoelde Lewin zich uit eene verschrikkelijke geheimzinnig-vreemde wereld, waarin hij de laatste twintig uren geleefd had, weer in deze oude gewone wereld terug verplaatst, die echter nu in een nieuw en zoo helder licht straalde, dat hij meende het niet te kunnen verdragen. De te strak gespannen snaren sprongen. Snikken en vreugdetranen, die hij niet mogelijk had geacht, welden met zulk een drang in hem op, dat het zijn geheele lichaam schokte en hij een poos niet kon spreken.
Hij knielde voor het bed neder, trok de hand zijner vrouw aan zijn lippen en kuste ze, en deze hand antwoordde met een lichte beweging der vingers.
Intusschen zweefde daar aan het voeteneinde van het bed, in de geschikte handen van Lisaweta Petrowna, als het vlammetje eener lamp, het leven van een menschelijk wezen, dat tot hiertoe nog niet bestaan had en dat voortaan met gelijk recht een leven voor zich zelf leiden en andere aan hetzelve gelijke wezen voortbrengen zoude….
"Het leeft! het leeft! En nog wel een jongen! Verontrust u niet," hoorde Lewin de stem van Lisaweta Petrowna, die met lichte hand het kind een slagje op den rug gaf.
"Mama, is dat waar?" vroeg Kitty's stem.
Slechts het snikken der gravin gaf haar antwoord.
En te midden daarvan klonk als het zekerste antwoord op de vraag der jonge moeder een geheel andere stem als al de overige gedempte stemmen in de kamer. Ongegeneerd, luid en driest klonk het schreeuwen van dat nieuwe menschelijk wezen, dat op onbegrijpelijke wijze hier of daar vandaan was gekomen.
Als men tot Lewin gezegd had, dat Kitty dood was en hij met haar, dat haar kind een engel was en dat zij zich in Gods tegenwoordigheid bevonden, dit alles zou hem niet verwonderd hebben,—maar nu hij in de werkelijkheid terugverplaatst was, moest hij zijn gedachten geweld aandoen om te beseffen, dat Kitty inderdaad leefde en gezond was en dat dit kleine, zoo wanhopig jammerend schepseltje zijn zoon was.
Tegen tien uur zaten de oude vorst, Sergej Iwanowitsch en Stipan Arkadiewitsch bij Lewin in de kamer en spraken met elkander over de kraamvrouw en andere dingen. Lewin hoorde het zwijgend aan en, terwijl hij zich onwillekeurig al het gebeurde vertegenwoordigde, dacht hij aan zich zelf, aan zijn vrouw en aan zijn zoon. Het was hem, alsof sedert den vorigen dag honderd jaren waren verloopen. Hij had een gevoel, alsof hij zoo hoog stond, dat hij behoedzaam moest afdalen tot hem met wie hij sprak, om hem niet te beleedigen. Terwijl hij sprak, dacht hij voortdurend weer aan Kitty en midden in een gezegde brak hij af, sprong op en snelde naar haar toe.
Zij sliep niet, maar sprak zacht met haar moeder over het doopen.
Het haar een weinig opgemaakt, wat omgekleed in een elegante nachtjapon lag zij met de handen gevouwen op de deken, terwijl op haar gelaat een vreedzame verheerlijking blonk als een overgang van het aardsche tot het hemelsche, zooals bij een gestorvene, maar hier beteekende het de begroeting van een nieuw aangekomene, daar die van het afscheid eens vertrekkenden. Wederom werd zijn hart ontroerd. Zij nam zijn hand in de hare en vroeg, of hij geslapen had. Hij kon niet antwoorden, maar zich zijner zwakheid bewust, wendde hij zich af. Plotseling veranderde de uitdrukking van zijn gelaat toen het kind begon te krijten.
"Geef het mij," zeide zij, "geef het mij, Lisaweta Petrowna, dan zal hij zijn zoon zien."
"Wacht, wij moeten eerst ons toilet wat in orde brengen," antwoordde de vroedvrouw en legde een rood bundeltje, dat zich bewoog, op haar schoot en begon het los- en weder in te wikkelen, waarop zij het met lichte hand omkeerde en ophief.
Lewin zag dit nietig, hulpeloos bundeltje en trachtte, hoewel te vergeefs, in zijn hart een bewijs van vaderlijke neiging voor hetzelve te ontdekken. Maar hij gevoelde er bijna afkeer van. Doch toen het geheel was losgewikkeld en hij de kleine fijne handjes en de van teenen voorziene voetjes, die zich bewogen, zag en opmerkte, hoe Lisaweta Petrowna de armpjes als fijne springveren in linnen wikkelde, overviel hem zulk een medelijden met dit wezentje en zulk een angst, dat hij de hand der vroedvrouw weerhield. Deze lachte:
"Wees gerust! U behoeft niet bang te zijn."
En toen het kindje nu tot een vaste pop was ingerold, hief zij het met ééne hand op, terwijl de andere het waggelende hoofdje van dit zonderlinge roode schepseltje ondersteunde. En inderdaad, daar waren ook een neusje, gespleten oogjes en smakkende lipjes.
"Een bizonder schoon en voordeelig kind!" zeide Lisaweta Petrowna.
Lewin zuchtte. Dat schoone kind met zijn waggelend hoofdje boezemde nog slechts een gevoel van medelijden in. Plotseling vertrok het zijn gezichtje en niesde. Lisaweta legde het kind in Kitty's arm; deze lachte van geluk: het kind had de borst genomen.
Lewin had, na zijn vrouw gekust te hebben, de donkere kamer verlaten.
Datgene, wat hij voor dit kind gevoelde, was iets geheel anders dan hij verwacht had; in dit gevoel was niets vroolijks; integendeel veeleer iets, dat hem kwelde en beangstigde. Het was de bewustheid hier in dit kind een nieuwe licht kwetsbare zijde verkregen te hebben; en dit bewustzijn was in den eersten tijd zoo hinderlijk, de angst dit hulpelooze schepseltje te zien lijden zoo groot, dat hij zich niet kon verheugen; slechts had hem een gevoel van trots vervuld op het oogenblik dat het kind niesde. Maar Kitty beminde hij nu in zulk eene mate, dat zijn vroegere liefde voor haar hem nu als onverschilligheid voorkwam.
XII.
Stipan Arkadiewitsch bevond zich weder in geldverlegenheid. De eerste twee derde gedeelten van de som, die hij voor het hout ontvangen had, was reeds verbruikt en ook het laatste derde gedeelte, na aftrek van tien procent, door den kooper vooruit betaald geworden; meer was van dezen niet te bekomen. Zijn inkomen als beambte ging geheel weg voor de huiselijke uitgaven en voor de betaling der niet ophoudende kleine schulden. Derhalve was er geen geld meer voorhanden.
Dat was onaangenaam, zelfs zeer lastig, en het mocht, dacht Stipan, niet verder gaan. De oorzaak hiervan was, zooals hij meende, in zijn geringe bezoldiging gelegen. Vóór vijf jaar was zijn ambtsbetrekking nog blijkbaar een goede geweest, maar nu niet meer. Petrow, de directeur eener bank, had twaalfduizend roebel vast tractement, Swentitzky had, als medelid eener aandeelen-maatschappij, zeventienduizend, Mitin, de grondvester eener bank, had zelfs vijftig duizend.
"Het is duidelijk; ik ben ingeslapen of men heeft mij vergeten," dacht Oblonsky en begon nu rond te zien, en inderdaad, tegen het einde van den winter vond hij een betrekking en wendde pogingen aan, eerst van Moskou uit door zijn oom, zijn tantes en zijn vrienden, en later, toen de zaak zoover rijp was, in het voorjaar, reisde hij zelf naar Petersburg. Het was een van die betrekkingen zooals er meer waren, die van een tot vijftigduizend roebel inkomen meer gaven, dan de vroegere vette prebenden met afwisselende voordeelen opbrachten. Deze betrekking vereischte eene persoonlijkheid van zulk een eminente kennis en zulk een groote werkkracht, als bezwaarlijk in een mensch vereenigd konden zijn. Doch aangezien zulk een mensch niet te vinden was, was het toch gewenscht, dat de betrekking aan een eerlijk man werd gegeven. En Stipan was niet slechts een eerlijk man in den zin, dien men daaraan in Moskou hechtte, als men van een eerlijk werkend schrijver, van een eerlijk journalist of van een eerlijke richting sprak en wat zooveel beteekende als: deze man of deze partij is niet slechts niet oneerlijk, maar verstaat het ook bij voorkomende gelegendheid de regeering een wenk te geven. Oblonsky verkeerde nu in Moskou hoofdzakelijk in die kringen, waarin dat woord ingevoerd was, hij was daar als een eerlijk man bekend en had dus meer dan iemand gegronde aanspraak op deze betrekking. Zij gaf een tractement van zeven tot tienduizend roebel, en Oblonsky kon ze bekleeden zonder den staatsdienst te verlaten. Het hing slechts af van twee ministers, eene dame en twee Joden, en deze allen, ofschoon zij reeds voorbereid waren, moest Oblonsky in Petersburg bezoeken. Buitendien had hij ook zijn zuster Anna beloofd Karenin tot het geven van een beslissend antwoord ten opzichte van de van hem verzochte echtscheiding te brengen.
Derhalve vroeg hij van Dolly vijftig roebel en reisde naar
Petersburg.
Stipan Arkadiewitsch zat in Karenins kabinet en hoorde diens gronden aan over de slechte inrichting van Ruslands finantiewezen, terwijl hij met geduld op het oogenblik wachtte, dat hij zijn rede eindigde, om dan dadelijk met hem over zijn zuster en zijn eigen aangelegenheid te spreken.
"Ja, dat is zeer waar," zeide hij, toen Alexei Alexandrowitsch zijn pince-nez, zonder welke hij niet meer kon lezen, afnam en zijn zwager vragend aanzag.
"Ik wil geen protectie-systeem meer ten voordeele van enkele personen, maar ten algemeenen beste. Maar zij willen dat niet begrijpen, slechts persoonlijke belangen drijven hen en zij laten zich medeslepen door schoone phrasen."
Stipan Arkadiewitsch wist, dat, als Karenin daarvan begon te spreken wat zij dachten en deden, degenen, die over zijn hervormingsplannen te beslissen hadden, en de oorzaak van alle gebreken in Rusland waren, hij dan gewoonlijk schielijk ten einde was.
Inderdaad zweeg Alexei Alexandrowitsch nu, en begon nadenkend in zijn manuscript te bladeren. "A propos!" zeide Stipan: "Ik wilde u ook nog verzoeken, bij gelegenheid als je Promonsky ziet, een goed woord voor mij te doen. Ik wenschte namelijk de betrekking van commissielid der agentuur van de credietbank der zuidelijke spoorwegen te bekomen."
De lange naam dezer betrekking, die Oblonsky zoo na aan het hart lag, was hem reeds zoo eigen, dat hij hem zonder haperen kon uitspreken.
Karenin vroeg hem, waarin dan de werkzaamheid dezer commissie bestond en, nadat hij het vernomen had, dacht hij na. Hij overlegde, of in de werkzaamheid dezer commissie niets was gelegen, dat in strijd was met zijn hervormingsplannen. Maar daar de werkzaamheid dezer nieuwe inrichting buitengewoon gecompliceerd was en haar ontwerp een groot gebied omvatte, kon hij de zaak niet zoo dadelijk geheel overzien en hij zeide, terwijl hij weder zijn pince-nez afnam:
"Zeker kan ik met hem daarover spreken. Maar waarom wil je die betrekking gaarne hebben?"
"Er is een goed inkomen aan verbonden, ongeveer negen duizend, en mijn middelen…."
"Negen duizend," hernam Karenin en fronste het voorhoofd. "Ik ben van gevoelen en heb reeds daarover geschreven, dat zulke groote tractementen in onzen tijd steeds het kenmerk eener valsche oeconomische assiette zijn—je zult mij begrijpen?"
"Maar wat wil je?" antwoordde Oblonsky. "Veronderstellen wij, dat de directeur eener bank tienduizend tractement heeft, of een ingenieur verdient twintigduizend—dat is niet te hoog geschat—dat zijn toch daadzaken—zooals je wilt…."
"Naar mijn gevoelen moet het tractement evenals de betaling voor eene waar zich regelen naar vraag en aanbod. Als ik echter zie, dat van twee even bekwame ingenieurs, die van de academie komen, de een op veertigduizend aanspraak maakt en de ander zich met tweeduizend vergenoegt, of wanneer een maatschappij een huzaar of jurist, die van de zaak volstrekt geen toereikende kennis heeft, aanstelt als directeur en een kolossaal tractement toelegt, dan, zeg ik, is dit tractement niet geregeld naar vraag en aanbod, maar is ongerechtvaardigd en partijdig. Mij dunkt…."
Oblonsky viel zijn zwager snel in de rede. "Maar je zoudt mij toch groot genoegen doen," zeide hij, "als je een goed woord voor mij bij Promonsky wildet doen, zoo en passant in het gesprek…."
"Ja, maar het hangt toch veel meer van Bolgarinow af," bracht Karenin in het midden. "Bolgarinow is er reeds voor gewonnen," zeide Oblonsky blozend. Hij bloosde, omdat hij dien morgen bij den jood Bolgarinow een bezoek had gebracht, waaraan onaangename herinneringen waren verbonden.
Stipan was overtuigd, dat de zaak, die hij dienen wilde, levensvatbaar en eerlijk was, maar toen Bolgarinow hem dien voormiddag opzettelijk met andere sollicitanten twee volle uren had laten antichambreeren, was het hem toch wat onbehagelijk te moede geworden. Maar waarom zou hij, al was hij een nakomeling van Rurik, niet een paar uren bij een Jood wachten, daar hij toch niet voor de eerste maal van den weg zijner voorvaders afweek, maar ook nu een nieuwe baan wilde betreden, omdat het hem niet genoeg voordeel gaf den staat te dienen. Doch het was hem toch onaangenaam geweest. En toen nu Bolgarinow hem eindelijk had ontvangen en wel met de grootste hoffelijkheid, terwijl hij zijn vernedering zoo sterk gevoeld had, dat hij grooten lust had zich geheel terug te trekken, had hij zich toch beijverd die vernedering zoo haastig mogelijk te vergeten; en toen hij ze zich nu herinnerde, bloosde hij.