WeRead Powered by ReaderPub
Anna Karenina cover

Anna Karenina

Chapter 159: XVI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel interweaves two principal narratives: one traces a married woman's passionate affair and the social, familial, and moral consequences that follow; the other follows a thoughtful man as he seeks purpose, wrestles with questions of work, faith, and the rhythms of rural life. Through detailed scenes of domestic routine and society, the book examines marriage, fidelity, isolation, public reputation versus inner life, and the search for meaning, contrasting urban social pressures with personal conscience and the restorative presence of the natural world.

XIII.

"En nu heb ik nog eene aangelegenheid met je te bespreken en je weet ook welke…. Van Anna," zeide Stipan na een korte pauze, waarin hij die onaangename herinnering trachtte te verdrijven. Bij het noemen van Anna's naam onderging Karenins gelaat eene geheele verandering; in plaats van het kalme zelfbewustzijn, dat het tot hiertoe had gekenmerkt, trad daarop onrust, bezorgdheid en de wensch deze gevoelens te verbergen te voorschijn. Hij zag zijn zwager vijandig aan en was vooraf besloten hem niet toe te geven.

"Wat wil je dan eigenlijk van mij?" zeide hij, zich onrustig op zijn stoel bewegend.

"Eene echtscheiding, op een of andere wijze eene echtscheiding, Alexei Alexandrowitsch. Ik wend mij nu tot u, niet als tot den beleedigden echtgenoot," wilde Stipan Arkadiewitsch zeggen, maar vreezende daardoor de zaak te bederven, zeide hij in de plaats: "Niet als tot een staatsman,"—hetgeen volstrekt niet te pas kwam,—"maar als tot een goed mensch en christen. Ge moet medelijden met haar hebben."

"In welk opzicht?" vroeg Karenin met een koelen, spottenden lach.

"Ja, je moet medelijden met haar hebben! Had je haar gezien zooals ik, die haar den geheelen winter heb gadegeslagen, je zoudt u over haar ontfermen. Haar toestand is troosteloos, werkelijk troosteloos!"

"Mij dunkt," antwoordde Karenin koud, "Anna Arkadiewna heeft alles, wat zij zelf gewenscht heeft."

"Ach, Alexei Alexandrowitsch, om Gods wil! geen wedervergelding voor hetgeen eenmaal geschied is. Je weet wat zij nu wenscht en verwacht, namelijk de scheiding."

"Maar ik meen, dat zij niets daarvan weten wil ingeval mijn zoon bij mij zou blijven? In dezen zin heb ik haar geantwoord en beschouw alzoo de zaak als geëindigd."

"Om Gods wil, wind je niet op," zeide Stipan Arkadiewitsch, de knie zijns zwagers aanrakend. "Sta me toe! De zaak is de volgende: Toen je van elkander gingt, handeldet gij zoo grootmoedig als men handelen kan, je stond haar alles toe, de vrijheid en—de scheiding. Zij wist dat te waardeeren. Ja, geloof me, zij heeft dat weten te waardeeren. Maar in de eerste oogenblikken was zij zich zoozeer haar schuld tegen u bewust, dat zij niet alles rijp heeft overlegd, maar zij kon ook niet alles overleggen…."

"Anna Arkadiewna's leven kan mij niet interesseeren," viel Karenin hem met opgetrokken wenkbrauwen in de rede.

"Maar haar positie in de wereld is eene onmogelijke," ging Oblonsky voort, hem weder met de hand aanrakend, alsof hij overtuigd was, dat zulk eene aanraking zijn zwager zou verteederen: "Haar toestand is ondragelijk en kan slechts door u worden verlicht, en je verliest daarbij niets. En dan heb je het haar ook beloofd."

"Te voren! Dat was een vroegere belofte! Maar mij dunkt de vraag omtrent mijn zoon heeft aan alles een einde gemaakt. Buitendien had ik ook gehoopt, dat Anna Arkadiewna zoo edelmoedig zou zijn…." Alexei Alexandrowitsch was bleek geworden en sprak dit met moeite en met bevende lippen.

"Zij laat ook alles aan uw edelmoedigheid over; zij smeekt en bidt u slechts om dit eene: haar uit dezen ondragelijken toestand te bevrijden. Zij maakt volstrekt geen aanspraak meer op den zoon. Alexei Alexandrowitsch, gij zijt een goed mensch. Stel je een oogenblik in haar plaats. De vraag der scheiding is voor haar een vraag van leven en dood. Had je het haar vroeger niet beloofd, dan zou zij zich met haar toestand verzoend hebben en zou op het land zijn gebleven; maar je hebt het haar beloofd, zij heeft je geschreven en is toen naar Moskou overgekomen; en hier in Moskou, waar elke ontmoeting haar als een dolksteek door het hart gaat, vertoeft zij nu sedert zes maanden, elken dag op de echtscheiding wachtende! Dat is evenzoo als dat men een ter dood veroordeelde maanden lang met den strop om den hals laat rondgaan en hem van daag den dood en morgen gratie in uitzicht geeft. Heb toch mededoogen met haar, en dan wil ik wel op mij nemen al het verdere te regelen. Vos scrupules…."

"Daarvan, daarvan spreek ik niet," viel Karenin hem met onwil in de rede: "Maar ik heb wellicht iets beloofd, wat ik niet beloven mocht."

"Je wilt dus herroepen, wat je beloofd hebt?"

"Ik heb nimmer een belofte verbroken, als het mogelijk was ze te vervullen. Maar ik wensch, dat men mij tijd laat om te overleggen, in hoever het mogelijk is, wat ik beloofd heb…."

"Neen, Alexei Alexandrowitsch," riep Oblonsky uit en sprong op. "Dat kan en wil ik niet gelooven! Zij is zoo ongelukkig als slechts een vrouw zijn kan, en je kunt haar onmogelijk weigeren aan zulk…."

"Men kan slechts beloven wat mogelijk is. Vous professez d'être un libre-penseur—maar ik, als een geloovig mensch, kan in zulk een gewichtige zaak niet tegen de Christelijke geboden handelen."

"Maar in de geheele Christenheid, en ook bij ons zooveel ik weet, is een echtscheiding geoorloofd." antwoordde. Oblonsky en staarde opmerkzaam in het geheimzinnig en donker gelaat van zijn zwager. "Ook onze kerk laat een echtscheiding toe."

"Zij laat ze toe, maar niet in dit geval."

"Alexei Alexandrowitsch, ik herken je niet," zeide Oblonsky na een oogenblik zwijgens. "Waart ge dan niet degene, die alles had vergeven en, slechts geleid door een Christelijk gevoel, bereid waart alles op te offeren?" Je hebt zelf gezegd: "Als men den rok neemt, wil ik ook den mantel geven…. En nu…!"

"Ik bid je," zeide Karenin plotseling verbleekend met bevende en klagende stem, terwijl hij opsprong: "Ik bid je dit gesprek te staken…."

"Ach neen, vergeef mij als ik u leed gedaan heb," zeide Oblonsky en reikte hem met een verlegen lachje de hand. "Maar ik moest als gezant toch aan mijn opdracht voldoen."

Alexei Alexandrowitsch dacht na.

"Wanneer," dacht hij, "zal eindelijk deze smaad en vernedering een einde nemen? Is het mogelijk, dat die eene fout, dat ik deze zedelooze vrouw heb gehuwd, al deze ellende heeft nagesleept? En welke vernederingen zullen nog volgen? En wanneer? Thans, nu ik mij geestelijk zoo verheven, bevrijd van menschelijke dwaasheden en zoo nabij mijn Heiland gevoel! Zal ik mijn belofte breken of—mij vernederen? Ik zelf kan dat niet beslissen. Ik zal mij in Gods hand stellen en Zijne leiding volgen."

"Ik zal het overleggen en op een aanwijzing wachten. Overmorgen zal ik u mijn beslissend antwoord geven," zeide hij peinzend.

Stipan Arkadiewitsch wilde heengaan, toen Karnej binnentrad en
"Sergej Alexejewitsch" aandiende.

"Sergej Alexejewitsch?" vroeg Oblonsky, doch zich dadelijk bezinnend, liet hij volgen: O, Serëscha! Ik dacht reeds aan den departements-directeur. Anna heeft mij verzocht ook Serëscha te groeten.

En hij herinnerde zich haar klagende, schuchtere uitdrukking, waarmede zij bij zijn heengaan gezegd had. "Je zult hem toch zien? Tracht ook uitvoerig te vernemen, hoe 't hem gaat en wie bij hem is. En Stiwa … als het mogelijk ware! Het is misschien mogelijk!" Stiwa had de beteekenis van dit "als het mogelijk ware" verstaan, maar hij zag nu in, dat daaraan—dat bij de scheiding haar de zoon werd toegekend—volstrekt niet was te denken. Nu verheugde hij zich slechts zijn neef te zien.

Alexei Alexandrowitsch herinnerde zijn zwager, dat in tegenwoordigheid des zoons nimmer van de moeder werd gesproken en dat hij derhalve ook hem verzocht met geen woord aan haar te herinneren.

"Na het laatste wederzien zijner moeder is hij zeer ziek geworden," zeide Alexei Alexandrowitsch. "Wij vreesden zelfs voor zijn leven. Maar een verstandige vrouw en de zeebaden hebben zijn gezondheid weer hersteld en nu heb ik hem op raad van den dokter op school gedaan. En de omgang met zijn makkers oefent inderdaad een goeden invloed op hem uit; hij is nu volkomen gezond en leert goed."

"Welk een flinke jongen ben je geworden! Volstrekt geen Serëscha meer, maar al werkelijk een Sergej Alexejewitsch!" zeide Oblonsky lachend, terwijl hij den knappen, frisch opgegroeiden knaap aanzag, die driest en ongedwongen in zijn donker buis en lange pantalon de kamer binnenkwam. Hij groette zijn oom als een vreemde, maar bloosde toen hij hem herkende en wendde zich snel van hem af, alsof hem een of ander geërgerd had. Hij trad voor zijn vader en reikte hem zijn schoolattest over.

"Nu 't is goed, je kunt weer gaan," zeide de vader.

"Hij is slanker en grooter geworden; hij is geen kind meer, maar een jongen," zeide Stipan Arkadiewitsch. "Kun je u mijner nog herinneren?"

De knaap zag haastig zijn vader aan.

"Ja ik herinner mij nog—mon oncle," antwoordde hij en zag hem aan om dadelijk weer den blik neer te slaan.

De oom riep hem bij zich en nam zijn hand. "Nu, hoe gaat het je dan?" vroeg hij, wenschende een gesprek te beginnen, maar wist zelf niet, wat hij zeggen zoude.

De knaap bloosde en trachtte behoedzaam en zwijgend zijn hand terug te trekken. En als een vogel, dien men de vrijheid weder geeft, stond hij, toen zijn oom hem had losgelaten, slechts een oogenblik stil, om weder zijn vader vragend aan te zien, en verliet toen de kamer met snelle schreden.

Er was een jaar verloopen sedert Serëscha zijn moeder het laatst had gezien. Na dien tijd had hij niets meer van haar vernomen. In hetzelfde jaar was hij op school gekomen en leerde hij zijn makkers kennen en liefhebben. De droomen en herinneringen, die met zijn moeder in betrekking stonden, hielden hem na zijn ziekte niet meer bezig en hij beijverde zich zelfs zich er tegen te verzetten, daar hij er zich voor schaamde, dewijl hij ze wel gepast vond voor een meisje, maar niet voor een jongen, die reeds de school bezocht. Hij wist, dat tusschen zijn vader en zijn moeder eene oneenigheid was ontstaan, tengevolge waarvan zij gescheiden waren, en hij trachtte zich aan deze daadzaak te gewennen.

Toen hij zijn oom zag, die op zijn moeder geleek, werd het hem onbehagelijk te moede, want het deed in hem herinneringen ontwaken, waarvoor hij zich schaamde. Het was hem te onaangenamer, omdat hij uit eenige woorden, die hij toen hij aan de deur wachtte gehoord had, en uit de houding van vader en oom kon opmaken, dat juist over zijn moeder was gesproken. En om zijn vader niet te veroordeelen, met wien hij leefde en van wien hij afhing, vooral echter om zich niet aan zijn gevoeligheid over te geven, die hij vernederend achtte, poogde hij dien oom, die gekomen was om zijn rust te verstoren, niet aan te zien en niet aan datgene te denken, waaraan hij hem herinnerde.

Maar toen Stipan Arkadiewitsch, die kort na hem heenging, hem buiten op de trap inhaalde, hem bij zich riep en vroeg, hoe hij in de school de tusschenuren doorbracht, liet zich Serëscha, omdat hem de tegenwoordigheid zijns vaders niet stoorde, met hem in een gesprek in.

"Wij spelen nu altijd spoorweg," antwoordde hij. "Ziet u, dat wordt zoo gedaan: Twee gaan op een bank zitten, dat zijn de passagiers, en een staat op den bank, de anderen spannen zich er voor. of alleen met de handen of met de gordelriemen. En dan gaat het door alle kamers. De deuren zijn al vooraf opengezet. Het moeilijkste is het daarbij conducteur te zijn."

"Dat is zeker degene die staat?" vroeg Stipan lachend.

"Ja, daarbij moet men onbevreesd en vlug zijn, vooral als de anderen plotseling stilhouden of als iemand valt."

"Ja, dat is geen gekheid," zeide Oblonsky en zag treurig in deze levendige oogen, die geheel aan de moeder herinnerden, maar die niet meer geheel kinderlijk onschuldig waren. Deze lieve jongen boezemde hem deernis in, en hoewel hij Karenin beloofd had niet met hem over Anna te spreken, kon hij dit toch niet nalaten.

"Herinner je uw moeder nog?" vroeg hij plotseling.

"Neen, ik herinner mij niet," antwoordde Serëscha snel, werd purperrood en sloeg de oogen neder. Verder vermocht de oom niets uit hem te halen.

Serëscha's gouverneur vond een half uur later zijn kweekeling nog bij de trap en wist niet, of hij weende of ergens over mokte.

"Heb je u gestooten of ben je gevallen?" vroeg hij. "Ik heb altijd gezegd, dat dit een gevaarlijk spel is. Ik zal het den directeur nog moeten zeggen."

"Als ik mij bezeerd had, zou niemand het merken; dat is wel zeker."

"Wat scheelt er dan aan?"

"Ach, laat mij! Of ik mij herinner of niet,—wat gaat hem dat aan? Waarom zou ik mij herinneren? Laat mij met rust!" wendde hij zich niet tot zijn gouverneur, maar tot de geheele wereld.

Dat was de laatste herinnering van den zoon aan zijn moeder.

XIV.

Stipan bracht, zooals altijd wanneer hij in Petersburg was, zijn tijd niet werkeloos door. Buiten het afdoen van zijne ambtsgelegenheden moest hij zich in Petersburg ook, zooals hij zich uitdrukte, herstellen van de dompige Moskousche lucht.

Moskou was in weerwil van zijne cafés chantants en van zijn omnibussen toch gelijk aan een stilstaand water. Dat gevoelde Oblonsky bij elke gelegenheid. Had hij eenigen tijd in Moskou in den schoot zijner familie doorgebracht, dan werd hij gedrukt naar lichaam en geest en hij bespeurde, dat iets als bekrompen ploertachtigheid hem doordrong. Duurde zulk een verblijf geruimen tijd onafgebroken voort, dan kwam hij zelfs zoover, dat hem de ontstemming zijner vrouw verontrustte, dat hij zich over de gezondheid en opvoeding zijner kinderen, over allerlei kleine beuzelingen en zelfs over zijn schulden bekommerde. Maar nauwelijks was hij te Petersburg en verkeerde hij in den kring, waarin hij leefde en niet vegeteerde, dan verdwenen dadelijk al de bedenkingen en bezwaren; zij versmolten als was voor het vuur.

Zijn vrouw …? Nog heden had hij met vorst Tschatschenky gesproken; deze had ook een vrouw en reeds volwassen kinderen, zoons in het pagecorps, maar hij had daarbij nog een andere, illegitime familie, met verscheiden kinderen; en hij had in deze familie ook zijn oudsten wettigen zoon ingeleid en achtte dat voor de ontwikkeling van zijn zoon zeer geschikt. Wat zou men van iets dergelijks in Moskou zeggen?

Kinderen? In Petersburg hinderden de kinderen hun vaders niet om ongestoord te leven; zij werden op kostschool opgevoed, en de in Moskou algemeen heerschende meening, dat de kinderen alle weelde des levens toekwam, bestond in Petersburg niet. Hier was men van gevoelen, dat ieder mensch verplicht is voor zich zelf te leven en wel zoo als het een beschaafd mensch toekomt. Ook de ambtsdienst was hier niet zulk een onafgebroken, hopeloos zwoegen als in Moskou; hier was het voldoende zich relatie's te scheppen, zijn persoon op den voorgrond te dringen—en men had zijn carrière gemaakt. Vooral echter werkte de Petersburger opvatting van geldelijke aangelegenheden geruststellend op Oblonsky. Bartujansky, die voor zijn levenswijze op grooten voet jaarlijks ten minste vijftigduizend roebel moest verteren, had hem gisteren een behartigenswaardig woord daarover gezegd.

Na het diner waren zij in een gesprek geraakt en Stipan Arkadiewitsch had tot Bartujansky gezegd: "Ik geloof, dat je op goeden voet staat met Mordwinsky; je zoudt mij een grooten dienst bewijzen, als je bij hem voor mij een goed woord wildet doen. Er is namelijk een post, dien ik gaarne bekomen zou; als medelid der agentuur…."

"Daar zou ik toch niet naar staan. Wat zou je u in zulke spoorwegzaken met dien Jood inlaten!? Zooals je wilt, maar het is iets afschuwelijks!"

Oblonsky had hem daarop niet geantwoord, dat het een levensvatbare zaak was, maar hij had geantwoord:

"Ik heb geld noodig, ik heb niet genoeg om te leven."

"Je leeft toch?"

"Ik leef, maar de schulden…."

"Wat zeg je? Schulden? Vele?" had Bartujansky deelnemend gevraagd.

"Zeer veel. Twintig duizend."

Bartujansky had lustig gelachen.

"Ach, gij gelukkig mensch! Ik heb anderhalf millioen schuld, meer niet, en leef toch voort en dat hindert volstrekt niet. De hoofdzaak is slechts er niet aan te denken."

En Stipan Arkadiewitsch was niet slechts door deze woorden, maar ook door daadzaken van de juistheid dezer bewering overtuigd geworden. Schiwalow had driehonderdduizend schuld en geen kopeke in zijn kas en hij leefde toch en nog bovendien, hoe? Graaf Kriwzow was reeds lang opgegeven en hij onderhield twee minnaressen. Petrowsky had een vermogen van vijf millioen doorgebracht en leefde toch voort als vroeger en had een betrekking bij het ministerie van financiën gevonden met twintigduizend roebel tractement.

Dat alles verlichtte en troostte Oblonsky. Maar ook physisch werkte Petersburg weldadig op hem. Het verjongde hem. In Moskou had hij dikwijls bezorgd een blik geworpen op zijn grijzend haar, had na het middagmaal een kort slaapje gedaan en zich uitgerekt, ging langzaam en zwaar ademhalend de trap op, verveelde zich met jonge vrouwen en danste op de bals niet meer mede. In Petersburg gevoelde hij zich zoo opgewekt, alsof hij tien jaren jonger was geworden.

"Oblomowschina, [13] marmottenleven, alles verdwijnt bij de goede dagen in Petersburg," zeide hij tot zich zelf.

Tusschen vorstin Betsy Twerskaja en Stipan Arkadiewitsch bestonden er oude, zonderlinge betrekkingen. Oblonsky had haar altijd schertsend het hof gemaakt en zeide haar schertsend de dubbelzinnigste dingen, daar hij wist, dat dit haar best beviel. Toen hij haar den dag na zijn gesprek met Karenin bezocht, gevoelde hij zich zoo jong, dat hij in zijn hofmakerij en onzinnig gebabbel zonder het te willen reeds zoover was gegaan, dat hij niet wist, hoe hij zich terug zou trekken, want zij beviel hem volstrekt niet en zelfs stond zij hem erg tegen. Maar het gesprek had dien toon aangenomen, omdat hij haar zeer beviel, en hij was zeer blijde over de komst van vorstin Miagkaja, waardoor aan het tête a tête een einde gemaakt werd.

"Ah, is u dat?" zeide deze toen zij hem zag. "Hoe gaat het uw arme zuster? U behoeft mij niet zoo aan te zien. Toen allen haar verguisden, allen die honderdmaal slechter zijn dan zij, vond ik, dat zij zeer goed had gehandeld. Ik kan het Wronsky niet vergeven, dat hij het mij niet heeft laten weten toen zij hier in Petersburg waren. Ik zou haar bepaald hebben bezocht en zou overal met haar zijn rondgereden. Ik bid u, zeg haar, hoeveel ik van haar houd. Maar vertel mij ook iets van haar."

"Haar positie is zeer pijnlijk…." begon Stipan Arkadiewitsch, die haar woorden voor goede munt aannam, maar dadelijk viel de vorstin haar gedachte vervolgend hem in de rede:

"Zij heeft gedaan wat zoovelen doen, maar zij wilde niet bedriegen en heeft zeer goed gehandeld. Zij kon niets verstandigers doen dan uwen half gekken zwager—excuseer me—te verlaten. Allen zeggen, dat hij zulk een eminent man is, maar ik heb steeds gezegd, dat hij bekrompen en vervelend was. Nu echter, nu hij zich met gravin Lydia Iwanowna en met dien Landau heeft ingelaten, zeggen allen, dat hij half waanzinnig is, en ofschoon het mij genoegen gedaan heeft te protesteeren tegen hetgeen allen zeiden, kan ik nu toch toch niet anders dan met hen instemmen."

"Maar verklaar mij eens een raadsel," zeide Stipan Arkadiewitsch: "Gisteren was ik bij hem om over mijn zuster te spreken en verlangde een beslissend antwoord. Dezen morgen ontving ik in plaats van een antwoord eene uitnoodiging van gravin Lydia Iwanowna voor heden avond."

"Dat is duidelijk," antwoordde vorstin Miagkaja vroolijk: "Zij zullen
Landau vragen, wat zij doen moeten."

"Landau?" Wie is deze Landau?"

"Wat? U kent Jules Landau den clairvoyant niet? Dat is ook een half waanzinnige, maar van hem hangt het lot uwer zuster af. Dat komt van uw leven in de provincie, daar weet men van niets! Weet u, Landau was in Parijs een winkelbediende en kwam eens bij een dokter. In de wachtkamer sliep hij in en begon in den slaap de zieken de merkwaardigste voorschriften te geven. Kent u Juri Maledinsky, die altijd ziek is? Nu, diens vrouw hoorde van dezen Landau en bracht hem bij haar man. Hij genas hem werkelijk. Het komt mij wel voor, dat hij volstrekt niet hersteld is, want hij is nog even krachteloos als te voren, maar zij zelf gelooven aan hem en voerden hem met zich rond en brachten hem met zich hierheen naar Rusland. Hier werd hij nu door allen bestormd en een ieder kon hij genezen. Zoo heeft hij ook gravin Lessabow genezen en zij heeft hem daarvoor in haar hart opgenomen, zoodat zij hem heeft geadopteerd."

"Wat? Geadopteerd?"

"Zooals ik zeg: geadopteerd. Hij is nu geen Landau meer, maar een graaf Lessabow. Maar de zaak is nu deze: Ook gravin Lydia Iwanowna, van wien ik veel houd, ofschoon het in haar hoofd niet richtig is, heeft zich nu geheel aan Landau vastgeklampt, en zonder hem neemt zij geen besluiten, noch in haar, noch in Karenins huis, en daarom ligt het lot uwer zuster thans geheel in handen van dezen Landau, alias graaf Lessabow."

XV.

Na een goed diner en een ruim genot van cognac, die hij bij Bartujansky gedronken had, trad Stipan Arkadiewitsch slechts een weinig na den bepaalden tijd bij gravin Lydia Iwanowna binnen.

"Wie is nog meer bij de gravin? De Franschman?" vroeg hij aan den portier.

"Alexei Alexandrowitsch en graaf Lessabow," antwoordde deze op stuurschen toon.

"Miagkaja heeft toch juist geraden," dacht Oblonsky, terwijl hij de trap opklom. "Zonderling! Maar het was toch goed, wat nader met haar bevriend te worden, want zij heeft een grooten invloed. Als zij een groot woord bij Promorsky voor mij doet, is alles in orde."

Buiten het huis was het nog licht, maar in het kleine salon der gravin, waar de rouleaux waren nedergelaten, brandden de lampen reeds.

Aan een ronde tafel onder een lamp zaten Alexei Alexandrowitsch en de gravin zacht met elkander te spreken. Aan de andere zijde der kamer stond een bleek, mager man, met glanzend schoone oogen, lang haar, dat tot op den kraag van zijn jas afhing, en spichtige beenen. Hij beschouwde de portretten, die aan den wand hingen.

Nadat Oblonsky de huisvrouw en Karenin had gegroet, wendde hij zich onwillekeurig om naar dien zonderlingen persoon.

"Monsieur Landau," zeide de gravin met een opvallend zachte stom en stelde beide heeren aan elkander voor.

Landau zag haastig om en legde in Oblonsky's rechterhand een bewegelooze, vochtige, koude hand; toen trad hij dadelijk weer terug en ging in de beschouwing der portretten voort. De gravin en Alexei Alexandrowitsch zagen elkander beteekenisvol aan.

"Het doet me genoegen u te zien, vooral vandaag," zeide de gravin, Oblonsky een plaats naast Karenin aanwijzende. "Ik heb u hem als Landau voorgesteld," ging zij zacht met een blik op den Franschman en daarna op Karenin voort, "maar hij heet eigenlijk graaf Lessabow, zooals u wellicht weten zal. Maar hij houdt niet van dezen titel."

"Ik heb er van gehoord," antwoordde Oblonsky. "Men zegt, dat hij gravin Lessabow geheel heeft genezen."

"Zij was vandaag bij mij en, ach, zij is zoo te beklagen. Deze scheiding is voor haar verschrikkelijk. Het is zulk een slag voor haar."

"Hij vertrekt dus bepaald?" vroeg Alexei Alexandrowitsch.

"Ja, hij keert naar Parijs terug. Hij heeft gisteren eene stem gehoord," antwoordde gravin Lydia met een blik op Oblonsky.

"O, eene stem!" hernam Oblonsky, beseffende, dat hij in een gezelschap, waar zulke vreemde omstandigheden voorkwamen, voorzichtig moest zijn.

Er volgde een korte pauze, waarin de gravin zich met een fijn lachje tot Oblonsky wendde, alsof zij op het hoofdonderwerp van het gesprek wilde komen.

"Ik ken u al lang, maar het doet mij genoegen u nader te leeren kennen. Les amis de nos amis sont nos amis. Maar om een vriend te zijn moet men zich geheel in den zielstoestand des anderen verplaatsen, en ik vrees, dat u dat ten opzichte van Alexei Alexandrowitsch niet geheel kunt doen. U zal begrepen waarvan ik spreek?" zeide zij en hief haar schoone, dweepende oogen tot hem op.

"Eenigszins, gravin, geloof ik Alexei Alexandrowitsch's toestand te begrijpen…." antwoordde Oblonsky, die niet volkomen begreep wat zij bedoelde en derhalve meende iets algemeens te moeten zeggen.

"Met zijn uitwendige toestand heeft zich veranderd," zeide de gravin terechtwijzend, terwijl zij met een verliefden blik Karenin volgde, die was opgestaan en naar Landau toetrad. "Zijn hart is veranderd, er is hem een nieuw hart gegeven en ik vrees, dat u zich niet genoeg in deze verandering heeft ingedacht."

"Dat is te zeggen, in algemeene trekken kan ik mij deze verandering voorstellen. Wij waren steeds met elkander bevriend en nu…." zeide Oblonsky, terwijl hij met een teederen blik dien der gravin beantwoordde en overlegde, met welken der beide ministers zij in nader betrekking stond, om te weten bij wien hij haar verzoeken moest hem aan te bevelen.

"De verandering, die in hem heeft plaats gehad, heeft bij hem wel niet het gevoel van liefde voor den naaste kunnen verzwakken, maar integendeel ze verhoogd en veredeld; maar ik vrees, dat u nog niet begrijpt. Wil u geen thee?" vroeg zij met een blik op den bediende, die de thee ronddiende.

"Niet geheel, gravin. Zijn ongeluk…."

"Ja, maar een ongeluk, dat voor hem tot het hoogste geluk geworden is, doordat hij een nieuw hart heeft bekomen, dat van Hem is vervuld," zeide zij en zag Oblonsky zoetsappig aan.

"Nu, geloof ik," dacht deze, "dat ik met mijn verzoek, om voor mij bij een van beiden een goed woord te doen, kan voor den dag komen."

"O, zeker, gravin," antwoordde hij, "maar deze innerlijke veranderingen zijn van dien aard, dat geen mensch daar in kan dringen…."

"Integendeel, men moet daarover spreken en elkander helpen."

"Ja, zeker; maar er bestaat zulk een verschil van overtuiging en bovendien…." zeide hij met een zalvend lachje.

"In zake der heilige waarheid kan er zulk een onderscheid niet bestaan."

"U heeft gelijk, hoewel … maar…." Stipan Arkadiewitsch zweeg verlegen. Hier deed zich een dilemma voor: hij moest rond-borstig zeggen, dat hij een vrijdenker was en dan zou zij niets voor hem doen, of hij moest haar wat voorhuichelen, dat hem even onaangenaam was.

"Ik geloof, dat hij inslaapt," fluisterde Alexei Alexandrowitsch geheimzinnig, terwijl hij weer bij de gravin kwam.

Stipan Arkadiewitsch keerde zich om. Landau zat bij het venster met den arm op de stoelleuning en het hoofd voorovergezonken. Toen hij de op hem gerichte blikken bemerkte, hief hij het hoofd op en zag hen aan, met een kinderlijk naïef lachje.

"Sla er geen acht op,'" zeide de gravin en schoof Karenin een stoel toe. "Ik heb opgemerkt, dat de Moskouers, vooral de mannen, in godsdienstig opzicht zeer onverschillig zijn."

"O neen, gravin," antwoordde Oblonsky; "ik geloof, dat de Moskouers den naam van het tegendeel hebben."

"Maar gij zelf," merkte Karenin met een vermoeiden glimlach op, "gij schijnt mij tot de onverschilligen te behooren."

"Is het mogelijk zoo te zijn!" riep de gravin uit.

"Ik ben in deze dingen niet onverschillig, maar verkeer in afwachting," zeide Oblonsky met zijn zachtste stem; "ik geloof, dat in dit opzicht mijn uur nog niet is gekomen."

Alexei Alexandrowitsch en Lydia Iwanowna zagen elkander aan.

"Wij kunnen niet weten, of het uur is gekomen of niet," zeide Karenin gestreng. "Niet daaraan mogen wij denken, of wij bereid zijn of niet; ons heil komt niet door menschelijk overleg; het komt dikwijls ook niet over degenen, die er naar streven, maar ook over hen, die het niet gezocht hebben, zooals over Saulus."

"Neen, ik geloof niet, dat nu reeds…." sprak Lydia Iwanowna, die de bewegingen van den Franschman gevolgd had. Landau was opgestaan en kwam bij hen.

"Is 't geoorloofd te hooren?" vroeg hij.

"O ja, zeker! Ik wilde u slechts niet storen," antwoordde de gravin met een teederen blik. "Ga bij ons zitten."

"Men mag slechts zijn oogen niet opzettelijk sluiten om van het licht verstoken te blijven," ging Karenin voort.

"Ach, als u de zaligheid kende, die wij smaken, terwijl wij Zijne bestendige tegenwoordigheid in onze harten gevoelen," zeide de gravin en lachte zalig.

"Maar de mensch gevoelt zich dikwijls niet in staat zich tot deze hoogte te verheffen," antwoordde Oblonsky, die nog steeds met een lachje zijn onafhankelijkheid trachtte te verdedigen.

"U wil zeggen, dat de zonden hem hierin verhinderen," zeide Lydia Iwanowna; "maar dat is een dwaling. Voor den geloovige is er geen zonde; want van de zonde zijn wij verlost…. "Pardon!" viel zij zich zelf in de rede en zag een bediende aan, die met een briefje binnen was gekomen en voor haar stond; zij las het briefje en gaf het mondeling antwoord. "Zeg maar: morgen bij de grootvorstin," en toen in haar gesprek voortgaande, zeide zij: "Voor de geloovigen is er geen zonde…."

"Ja, maar het geloof zonder de werken is een dood geloof," merkte Stipan Arkadiewitsch aan, die zich dit gezegde uit den catechismus meende te herinneren en steeds glimlachte, hoewel hij gevoelde, dat het een onnoozel lachen was.

"Zoo staat er in den brief van Jacobus," zeide Karenin, met een verwijtenden blik op de gravin, als wegens een zaak waarover te voren al gesproken was. "Hoeveel onheil heeft de valsche uitlegging dezer plaats reeds veroorzaakt. Niets verwijdert meer van het geloof dan juist zulk een uitlegging…."

"Door zoogenaamde Gode welgevallige werken, door boete en vasten en dergelijke zijn ziel te redden," zeide de gravin, "dat is een barbaarsche opvatting der monniken … zooals het nergens in de schrift bedeeld is. En het is toch zooveel eenvoudiger en lichter," voegde zij er bij, terwijl zij Oblonsky met hetzelfde opwekkend lachje aanzag, waarmede zij aan het hof de jonge dames, die door de nieuwe omgeving beschroomd waren geworden, mettait à leur aise.

"Wij zijn door Christus verlost, die voor ons geleden heeft, en slechts door het geloof worden wij gered," bevestigde Alexei Alexandrowitsch en bevestigde de uitspraak der gravin met zijn blik.

"Vous comprenez l'Anglais?" vroeg deze en, nadat zij een bevestigend antwoord had ontvangen, stond zij op en begon in het boekenkastje naar een boek te zoeken. "Ik zal u Save and Happy of ook Under the wing voorlezen," zeide zij en zag daarbij Karenin vragend aan. Toen zij het boek gevonden had, zette zij zich neder en opende het. Hier is de weg aangewezen, waardoor men komt tot geloof en tot al dat geluk, dat de ziel bevredigt en dat meer is dan alle aardsch geluk. De geloovige kan niet ongelukkig zijn, want hij is niet alleen. "Ja," zeide zij en hield haar vinger op een plaats in het boek, terwijl zij zuchtte en dwepend voor zich uit zag: "Zoo werkt het ware geloof! U kent Marie Sawin? Heeft u niet van haar ongeluk gehoord, dat zij haar eenig kind heeft verloren? Zij was volslagen wanhopig. En wat is geschied? Zij heeft dezen troost gevonden en kan nu God danken voor de ondergane beproeving. Dat is het geluk, dat het geloof schenkt."

"O ja, dat is veel…." zeide Oblonsky zeer tevreden, dat er gelezen zou worden; hij wenschte tijd te vinden om zich te bezinnen. "Maar," dacht hij, "het is toch beter haar vandaag nog niets te verzoeken. Hoe kan ik het aanleggen om maar van hier te komen."

"Het zal u wellicht vervelen?" vroeg de gravin tot Landau gewend. "U verstaat geen Engelsch, doch het is maar kort."

"O, ik zal het wel verstaan," antwoordde Landau met hetzelfde lachje en sloot de oogen.

Alexei Alexandrowitsch en Lydia Iwanowna zagen elkander veelbeteekenend aan en de lectuur begon.

XVI.

Stipan Arkadiewitsch was volkomen neergedrukt door deze geheel nieuwe en nimmer gehoorde redeneeringen. In het algemeen werkte het bonte Petersburger leven zeer opwekkend op hem, maar hij beminde en begreep het slechts in de sferen, waartoe hij behoorde en die hem bekend waren; in deze hem vreemde sfeer daarentegen gevoelde hij zich beklemd, verlegen en begreep hij niets. Bij het aanhooren van de lectuur der gravin en, terwijl hij Landau's naïeven of guitigen blik—hij wist niet welke de beteekenis was—op zich zag gevestigd, begon hij spoedig een eigenaardige zwaarte in het hoofd te gevoelen.

De meest verschillende gedachten dwarrelden door zijn hersenen: "Marie Sawin verheugt zich er over, dat haar kind dood is…. Nu zou het aangenaam zijn eens te rooken … om gered te worden behoeft men slechts te gelooven; de monniken weten er niets van hoe men dat aanvangt, maar gravin Lydia Iwanowna weet het.—Waarvan heb ik nu deze zwaarte in het hoofd? Van den cognac of omdat alles hier zoo zonderling is? Tot hiertoe, dunkt mij, heb ik mij goed gehouden, ik kan haar nu niet meer om iets verzoeken…. Men zegt, dat zij iemand dwingen om te bidden…. Als zij mij daartoe maar niet dwingen. Dat zou al te zot zijn…. Welk een onzin leest zij nu eigenlijk? Maar zij heeft een goede uitspraak…. Landau—Lessabow…. Waarom is hij een Lessabow?"

Oblonsky gevoelde onophoudelijk, dat zijn kinnebakken zich wilden openen om te geeuwen. Hij streek over zijn baard om zijn geeuwen te verbergen en trachtte zich te bedwingen. Maar onmiddelijk daarop bemerkte hij, dat hij al sliep en juist wilde beginnen te snorken. Hij kwam op hetzelfde oogenblik tot zich zelf, toen hij de stem der gravin hoorde zeggen: "Hij slaapt."

Stipan Arkadiewitsch verschrok en kwam tot bezinning. Hij zag zich betrapt en gevoelde zich schuldig. Maar hij stelde zich dadelijk gerust toen hij bemerkte, dat de woorden "hij slaapt" niet hem, maar Landau hadden gegolden. De Franschman was even als Oblonsky ingeslapen, maar deze slaap werd door zijn geloovige vrienden, vooral door gravin Lydia met eerbied als iets verhevens beschouwd.

"Mon ami," zeide zij fluisterend om den slapende niet te storen, terwijl zij behoedzaam de plooien van haar kleed opnam, tot Karenin—"mon ami, donnez lui la main. Vous voyez…. St!" fluisterde zij den juist weer binnenkomenden bediende toe: "er wordt niemand ontvangen."

De Franschman sliep of deed alsof hij sliep en maakte, terwijl zijn hoofd tegen den stoel lag gezonken, met zijn afhangende hand zwakke bewegingen, alsof hij iets vangen wilde. Karenin stond op, trad naderbij en legde zijn hand in die van den Franschman. Ook Oblonsky was opgestaan en de oogen wijd openend om zich wakker te houden, zag hij nu den een dan den ander aan. Was dat alles werkelijkheid? Hij gevoelde, dat zijn hoofd meer en meer verward werd.

"Que la personne qui est arrivée la derniére celle qui demande qu'elle sorte—qu'elle sorte!" sprak de Franschman met gesloten oogen.

"Vous m'excuserez, mals vous voyez…. Kom tegen tien uur terug, beter nog morgen…."

"Qu'elle sorte!" herhaalde de Franschman ongeduldig.

"C'est moi—n'est ce pas?" En toen Oblonsky een bevestigend antwoord ontving, vergat hij, door het verlangen zich zoo spoedig mogelijk te verwijderen, geheel de aangelegenheid zijner zuster en datgene, wat hij de gravin had willen verzoeken, en ijlde op de teenen loopend de kamer en het huis uit als uit een verpest verblijf en de straat op, waar hij nog een poos met den koetsier der droschke praatte en schertste om zoo maar weer tot bezinning te komen.

Maar eerst in den Franschen schouwburg, waar hij nog bij het laatste bedrijf binnenkwam, en bij een glas champagne gevoelde hij zich weder in de onontbeerlijke lucht terugverplaatst, maar volkomen wel te moede werd hij dezen geheelen avond niet.

Toen hij te huis was gekomen, vond hij een briefje van gravin Betsy. Zij schreef hem, dat zij zeer verlangde het gisteren met hem begonnen gesprek ten einde te brengen en hem derhalve verzocht morgen by haar te komen. Toen hij dit las, nam zijn gezicht een onvergenoegde uitdrukking aan.

Hij was zeer slecht geluimd, wat hem anders zelden gebeurde, en kon in de eerste uren niet inslapen. Alles, waaraan hij dacht, was afschuwelijk, maar het afschuwelijkst en voor hem beschamendst was de herinnering aan den avond by gravin Iwanowna.

Den volgenden dag ontving hij van Karenin een besliste weigering ten opzichte van de echtscheiding, en hij begreep, dat deze beslissing haren grond had in datgene, wat de Franschman gisteren in zijn werkelijken of geveinsden slaap had gesproken.

XVII.

Hitte en stof hadden voor Anna en Wronsky het oponthoud in Moskou, waar de zon niet meer als in de lente scheen, maar als in den zomer brandde, waar de boomen op de boulevards reeds bladeren hadden en met stof bedekt waren, onaangenaam doen worden; maar hoewel reeds lang besloten weder naar Wasowijenskoije te verhuizen, bleven zij toch nog in Moskou voortwonen, want er werd in den laatsten tijd tusschen hen geene overeenstemming gevonden.

De gespannen toestand, die hen scheidde, had volstrekt geen uitwendigen grond, en alle pogingen om zich jegens elkander daarover te verklaren verergerden dien slechts. De grond daarvoor was van innerlijken aard, en wel bij haar gelegen in een vermeende waarneming van zijn verflauwde liefde en bij hem in het berouw, dat hij zich om harentwil in zulk een valsche positie had gebracht, dat zij hem, in plaats van ze te verlichten, nog verzwaarde.

Geen van beiden sprak zich daarover genoegzaam uit, maar ieder geloofde, dat de ander alleen in het ongelijk was, en beijverde zich dat den ander te bewijzen.

Naar haar inzien waren al de gewoonten, inzichten en wenschen van zijn geheele wezen op vrouwenliefde gericht, en deze geheele liefde moest haar alleen behooren. Maar nu was deze liefde verflauwd, derhalve moest hij een gedeelte daarvan op een andere vrouw hebben overgedragen en daarom was zij ijverzuchtig. Zij was het echter niet op een bepaalde vrouw, maar slechts omdat zijn liefde verflauwd was. Zonder een werkelijk voorwerp voor haar ijverzucht, zocht zij naar zulk een, nu hier dan daar. Vandaag was zij ijverzuchtig op lichtzinnige vrouwen, die berucht waren en met wie hij uit hoofde van betrekkingen uit vroeger dagen zoo licht in aanraking kon komen; morgen op dames, die hij in gezelschappen ontmoeten kon; dan weder op zijn wensch, die zij zich verbeeldde te bestaan, om met haar te breken en met een ander te trouwen. Vooral deze laatste ijverzucht kwelde haar het moest. Eenmaal, in een zwak oogenblik, had hij zich onvoorzichtig uitgelaten, dat zijn moeder hem zoo weinig kende, dat zij nog steeds plannen smeedde om hem met prinses Sorokin te doen trouwen. Terwijl zij nu alles door haar gedachten liet gaan, wat zij voor hem had opgeofferd, gevoelde zij steeds meer zijn onrecht en zijn harteloosheid. Van al het smartelijke, dat zij in haar toestand ondervond, gaf zij hem de schuld. Dezen kwellenden toestand van hopen en vreezen in zwevende pijn, Karenins aarzeling en besluiteloosheid, haar eenzame verlatenheid—alles schoof zij op zijn rekening. Als hij haar beminde, zou hij al lang de bezwaren van haar toestand begrepen en haar daarvan verlost hebben. Ook daarvan, dat zij zich nog altijd te Moskou en niet op het land bevonden, droeg hij alleen de schuld. Hoe zij het ook wenschen mocht, hij wilde zich niet op het land begraven; conversatie was voor hem behoefte on daardoor had hij haar in dezen ondragelijken toestand gebracht, waarvan hij de bezwaren niet begreep. En eindelijk was het ook nog zijn schuld, dat zij zonder haar zoon moest leven.

En nu hield hij op haar te beminnen, nu zij alles had verloren! Zelfs de steeds zeldzamer wordende oogenblikken van teedere liefde tusschen hen stelden haar niet gerust; zij zag daarin slechts nog eene uitdrukking zijner kalmte en zekerheid, die vroeger niet had bestaan en die haar nu vertoornde.

Wronsky van zijn zijde kon volstrekt niet begrijpen, waarom zij haar reeds zoo drukkend leven nog meer vergiftigde, waarom zij hem, die toch voor haar al zooveel had opgeofferd, bestraffen en kwellen wilde, daar hij toch nu evenals vroeger voortging haar in gedachten en daden getrouw te blijven. Hij kon zich zelf en haar de fout niet vergeven, dat zij zich buiten den echt verbonden hadden. Eerst nu begreep hij den geheelen omvang van zulk een valschen stap. In werkelijkheid was zij in zijn macht, maar haar zwakheid en hulpeloosheid gaven haar een buitengewone macht over hem; doch deze macht werd haar verleend door zijn eerlijkheid en teergevoeligheid. Maar deze macht misbruikte zij. "Ik ben slechts uw minnares, ge kunt mij verlaten," had zij zelfs tot hem gezegd; en alsof zij hem opzettelijk in verzoeking wilde brengen, daagde zij hem uit tot den strijd. Toegeven kon hij haar niet in eene aangelegenheid, die zijn geheele leven betrof. Ook was het niet te begrijpen wat zij eigenlijk verlangde. Nu was het iets onmogelijks, een afzien van alles wat hem belang inboezemde, waardoor hij zich belachelijk zou maken, dan zijn onafgebroken verliefde nabijheid, zoodat hem dit, omdat het geëischt werd, bepaald tegenstond. Hoewel hij moest erkennen, dat zij in haar toestand uiterst beklagenswaardig was en dat men jegens haar zoo toegefelijk mogelijk zijn moest, vergat hij dit voornemen toch licht zoodra zij weder met elkander in betrekking kwamen. Haar onbillijkheid en haar levendig besef, dat zij aan zijn willekeur was overgegeven, verdroot hem; zij noodzaakte hem tot verdediging en afwering en dan, door haar ongerijmde, beleedigende uitvallen getergd, wond hij zich op en zeide haar dingen, die beter waren niet gezegd te zijn. Buitendien was het nu steeds haar wensch zijn physisch welgevallen op te wekken, en dit koketteeren met hem, deze bemoeiingen om door houding en kleeding indruk op hem te maken verkoelden hem, stieten hem meer van haar af dan dat ze hem aantrokken.

Het was in het schemeruur. Anna was alleen en verwachtte zijn terugkomst van een diner met ongehuwde heeren; zij ging in zijn kabinet, waar men het gedruis der straten het minste hoorde, op en neder en dacht over de bizonderheden van den pas voorgevallen strijd. Zij ging terug tot de aanleiding en kon het lang niet gelooven, dat een twist had kunnen ontstaan uit een onschuldig voor beiden onverschillig gesprek. En toch was het zoo geweest. Hij had zich over de gymnasiën voor meisjes vroolijk gemaakt en ze voor overtollig verklaard, zij daarentegen had ze verdedigd. Hij had bovendien verachtelijk over de beschaving der vrouwen gesproken en de meening geuit, dat Hanna, de door Anna geprotegeerde Engelsche, volstrekt niets van de physica behoefde te weten.

Dat had Anna verdroten; zij had daarin eene minachtende opmerking over haar doen en streven gezien en zij antwoordde hem met een gezegde, dat de haar veroorzaakte smart weer moest vergelden.

"Ik verwacht volstrekt van u niet meer, dat gij aan mijn gevoelen denkt als iemand, die mij lief heeft," had zij gezegd.

En hij was rood geworden van ergernis en had iets onaangenaams geantwoord. Haar antwoord had zij vergeten, maar hij had haar daarop, met het blijkbaar oogmerk haar te kwetsen, gezegd:

"Voor mij is inderdaad uwe voorliefde voor dit jonge meisje weinig interessant en wel daarom, dat ze onnatuurlijk is."

Deze wreedheid, waarmede hij de wereld verstoorde, die zij zich gebouwd had om haar moeielijk leven te kunnen dragen, deze onbillijkheid, waarmede hij haar van onoprechtheid en onnatuurlijkheid beschuldigde, had haar opgewonden.

"Het doet mij leed, dat slechts het ruwe en materieele u begrijpelijk en natuurlijk voorkomt," had zij geantwoord en was toen de kamer uitgegaan.

Toen hij nu daarop gisteravond weder bij haar was gekomen, hadden zij den gevoerden twist niet aangeroerd, maar beiden hadden het gevoel gehad, dat hij wel geëindigd, maar niet spoorloos voorbijgegaan was.

Heden was hij den geheelen dag nog niet te huis gekomen en zij gevoelde zich zoo verlaten en de verwijdering tusschen hen drukte haar zoo zwaar, dat zij bereid was alles te vergeven en te vergeten, zich met hem te verzoenen, zich zelf aan te klagen en hem te verontschuldigen.

"Ik zelf heb schuld. Ik was opgewonden, onverstandig, ijverzuchtig. Wij zullen ons met elkander verzoenen en naar het land vertrekken. Daar zal ik weer kalm en rustig zijn," zeide zij tot zich zelf.

"Dat is onnatuurlijk," klonk haar plotseling weer het woord van gisteren in de ooren; maar de woorden beleedigden haar minder, dan veel meer zijn oogmerk om haar te kwetsen. "Ik weet, wat hij daarmede zeggen wilde: Het is onnatuurlijk, als men een eigen dochter heeft, een vreemde lief te hebben. Alsof hij de liefde der moeder voor de kinderen begrijpt! Mijn liefde voor Serëscha, die ik om zijnentwil heb opgeofferd! Maar dit opzet om mij leed te doen! Neen, hij bemint eene andere, anders is het niet verklaarbaar!"

En zij bemerkte, dat zij zich, terwijl zij zich wilde geruststellen, in denzelfden kring rondbewoog en nu weer op het punt stond tot haar eersten toorn terug te keeren; toen verschrikte zij van zich zelf.

"Is het dan niet mogelijk? Kan ik het werkelijk niet over mij verkrijgen?" En zij begon weer van voren af aan.

"Het is waar, hij is eerlijk en bemint mij. Ook ik bemin hem en in de naaste dagen zal de scheiding komen. Wat wil ik dan meer? Ik moet kalmte, vertrouwen hebben, ik moet mij zoover overwinnen. Ja, als hij nu komt, wil ik hem zeggen, dat ik ongelijk heb, al heb ik ook gelijk, en dan willen we afreizen."

Toen, om niet verder te tobben en niet andermaal opgewonden te worden, schelde zij en beval de koffers te brengen, die zij pakken en mede naar het land nemen wilde.

Ten tien ure kwam Wronsky.