WeRead Powered by ReaderPub
Anna Karenina cover

Anna Karenina

Chapter 163: XX.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel interweaves two principal narratives: one traces a married woman's passionate affair and the social, familial, and moral consequences that follow; the other follows a thoughtful man as he seeks purpose, wrestles with questions of work, faith, and the rhythms of rural life. Through detailed scenes of domestic routine and society, the book examines marriage, fidelity, isolation, public reputation versus inner life, and the search for meaning, contrasting urban social pressures with personal conscience and the restorative presence of the natural world.

XVIII.

"Nu heb je u geamuseerd?" vroeg zij, terwijl zij hem met vriendelijke en schuldbewuste houding te gemoet ging.

"Als gewoonlijk," antwoordde hij, bij den eersten blik bespeurend, dat zij goed geluimd was.

Hij was reeds aan zulk een afwisseling harer gemoedsstemming gewoon, maar verheugde zich er heden des te meer over, daar hij zelf goed gestemd was.

"Wat zie ik? Dat is best!" zeide hij en wees op de koffers in de voorkamer.

"Ja, wij moeten weg. Ik was gaan wandelen en nu kwam het mij voor, dat het aangenaam zou wezen weder buiten te zijn. Er is toch niets, dat je hier terughoudt?"

"Ik heb geen anderen wensch. Ik kom dadelijk terug en dan zullen wij het bespreken. Ik wil mij slechts omkleeden. Laat intusschen de thee brengen."

Hij ging in zijn kabinet.

Er lag iets opvallends in zijn "dat is best," iets alsof hij tot een kind sprak, dat zijn caprices liet varen; de tegenstelling tusschen haar verzoenlijken en zijn zelfbewusten toon was beleedigend, zoodat een oogenblik de begeerte bij haar opkwam zich tot den strijd voor te bereiden, maar zij beheerschte zich en volhardde in haar vriendelijke houding.

Toen hij terugkwam, vertelde zij hem, hoe zij den dag had doorgebracht en besprak met hem haar reisplannen.

"Weet je, het is als een inspiratie in mij opgekomen, waarom zouden wij op eene scheiding wachten? Dat is op het land toch ook onverschillig. Ik kan niet langer wachten. Ik wil niets hopen, niets meer van scheiding hooren. Ik ben het met mij zelf eens geworden, dat dat op mijn leven volstrekt geen invloed zal hebben. Ben je dat ook met mij eens?"

"O ja," antwoordde hij en zag eenigszins ongerust in haar opgewonden gelaat.

"Wat heb je daar gedaan? Wie waren er?" vroeg zij een poos daarna.

Wronsky noemde de gasten op. Het diner was uitstekend geweest, ook de wedren en al het overige; slechts kon men in Moskou niet buiten iets bespottelijks. Zoo was, onder andere, ook een dame opgetreden, de zwemonderwijzeres der koningin van Zweden, en had haar kunst getoond.

"Wat? Zij heeft je wat voorgezwommen?" vroeg Anna ontevredend wordend.

"Ja, in een rood zwempak. Maar zij was oud en leelijk. Derhalve wanneer zullen w£j vertrekken?"

"Welk een zotte inval! Zwom zij dan zoo bizonder?" vroeg Anna, zonder hem te antwoorden.

"Volstrekt niet bizonder. Ik zeg immers ook, dat zij afschuwelijk was. Dus, wanneer dunkt je, dat we moeten afreizen?"

Anna schudde het hoofd, alsof zij eene onaangename gedachte verdrijven wilde.

"Afreizen? Waarheen? O ja! Hoe eer hoe beter. Morgen zullen we wel niet gereed zijn. Maar overmorgen." "Ja…. Neen! Wacht eens. Overmorgen is het Maandag; dan moet ik bij mama zijn," zeide Wronsky en werd verlegen; want nauwelijks had hij zijn moeder genoemd, of hij zag haar opmerkzamen, argwanenden blik op zich gevestigd. Haar gelaat ontgloeide en zij naderde hem. Het was nu niet meer de Zweedsche zwemonderwijzeres, die voor Anna's oogen opdaagde, maar prinses Sorokina, die met gravin Wronsky een villa in de nabijheid van Moskou bewoonde.

"Kun je er morgen niet heengaan?" vroeg zij.

"Neen; de zaak, waarvoor ik er heen moet—haar volmacht en het geld—kan ik morgen nog niet bekomen," antwoordde hij.

"Als het zoo is, dan vertrekken wij in het geheel niet."

"Waarom niet?"

"Later vertrek ik niet. Maandag of nooit!"

"Waarom dan?" vroeg Wronsky verwonderd; "dat heeft immers geen zin of reden."

"Voor u heeft het geen zin of reden omdat ik je niets aanga, want je wilt mij niet begrijpen. Het eenige, wat mij hier nog bond, was het belang van Hanna—maar dat heb je onnatuurlijk genoemd. Je hebt immers gezegd, dat ik mijn dochtertje niet liefheb en mij aanstelde, alsof ik van de Engelsche veel hield en dat dit onnatuurlijk was. Ik zou wel willen weten, welk leven hier voor mij natuurlijk zijn kon?"

Een kort oogenblik kwam zij tot bezinning en verschrikte, dat zij haar voornemen zoo ontrouw was geworden. Maar hoewel zij wist, dat zij zich te gronde richtte, kon zij zich niet onthouden hem te toonen, dat hij ongelijk had en dat zij zich niet aan hem wilde onderwerpen.

"Dat heb ik nimmer gezegd. Ik heb slechts gezegd, dat ik van deze uwe plotselinge genegenheid geen begrip had."

"Waarom wil jij, die toch zoo met je openhartigheid praalt, de waarheid niet zeggen?"

"Ik heb geen onwaarheid gesproken en het doet me zeer leed, dat je mij niet acht," zeide hij zacht en bedwong den opkomenden toorn.

"Met achting wil men de ledige plaats aanvullen, waar liefde zijn moest. En als je mij niet meer bemint, was het beter en eerlijker, dat je het mij zeidet."

"Neen, dat is onuitstaanbaar!" riep Wronsky uit en sprong van zijn stoel op. Hij ging voor haar staan en zeide langzaam, maar met een uitdrukking alsof hij nog veel te zeggen had: "Waarom, waarom stel je zoo mijn geduld op de proef? Alles heeft zijn grenzen."

"Wat wil je daarmede zeggen?" riep zij uit en zag met schrik in zijn gelaat de uitdrukking van haat, die vooral in zijn dreigende, toornige oogen vlamde.

"Ik wil daarmede zeggen," begon hij, maar weerhield nog zijn woorden. "Ik moet u vragen: wat wilt ge van mij?"

"Wat kan ik willen? Je denkt, dat ik slechts den éénen wensch koester, dat ge mij niet zult verlaten," zeide zij, terwijl zij alles wel begreep, wat hij niet had uitgesproken. "Maar dat staat in de tweede rij. Ik wil liefde en die is niet aanwezig. Derhalve is alles ten einde!"

Zij ging naar de deur.

"Wacht! Wacht!" zeide Wronsky. Zijn wenkbrauwen waren donker samengetrokken, als te voren, maar hij nam haar bij de hand. "Waar is het eigenlijk om te doen? Ik heb gezegd, dat wij ons vertrek moeten verschuiven tot den derden dag, en jij hebt daarop geantwoord, dat ik een leugenaar en oneerlijk man ben."

"Ja, en ik herhaal, dat een man, die mij voor de voeten werpt, dat hij alles voor mij heeft opgeofferd," zeide zij, herinnerende aan den twist van den vorigen dag, "dat zulk een man nog erger is dan oneerlijk: hij is een man zonder hart."

"Neen, het geduld heeft zijn grenzen!" riep hij uit en liet haar hand los.

"Het is duidelijk, hij haat mij," dacht zij en ging, zonder om te zien, zwijgend de kamer uit.

"Hij bemint eene andere vrouw, dat is duidelijk," sprak zij bij zich zelf in haar boudoir. "Ik wil liefde, maar deze is er niet. Derhalve is alles uit—en ik moet er een einde aan maken. Maar hoe?" vroeg zij zich af en zette zich in den stoel voor den spiegel neder.

Zij ging in haar gedachten na, waarheen zij zich nu zou begeven, of naar de tante, bij wie zij was opgevoed, of naar Dolly of naar het buitenland; zij vroeg zich, wat hij nu deed, waar hij was en of deze oneenigheid beslissend, of een verzoening nog mogelijk zou zijn, wat nu haar vroegere Petersburger kennissen van haar zeggen zouden, wat Alexei Alexandrowitsch er van zou denken. Deze en andere gedachten vlogen haar door het hoofd; maar zij stond er niet bij stil. In het diepst harer ziel lag eene andere, nevelachtige gedachte, die haar alleen belang inboezemde. Met de gedachte aan Karenin verbond zich bij haar de herinnering aan den tijd van haar laatste bevalling, toen het gevoel: "ach, waarom ben ik niet gestorven?" haar niet verliet. Dit gevoel en die vraag van destijds herinnerde zij zich. Dat lag in haar ziel, dat was een gedachte, die alleen alles oploste—ja! sterven!…

"De schimp en de schande van Alexei en Serëscha en mijn eigen ontzettende smaad—alles wordt door den dood uitgedelgd. Ja, sterven! En hij zal berouw hebben, hij zal mij betreuren en beminnen en lijden om mijnentwil…."

Met een bestendig lachje van medelijden met zich zelf zat zij daar in haar stoel en trok de ringen van de linkerhand om ze er weer aan te steken, terwijl zij zich levendig zijn gewaarwordingen na haar dood voorstelde.

Daar naderden schreden, zijne schreden. Alsof zij met haar ringen bezig was, wendde zij zich niet naar hem om.

Hij trad op haar toe, greep haar hand en sprak zacht:

"Anna, laat ons dan overmorgen vertrekken, als je wilt. Ik ben tot alles bereid."

Zij zweeg.

"Nu?" vroeg hij.

"Je weet zelf…." zeide zij, doch in hetzelfde oogenblik was zij niet meer in staat zich in te houden, maar brak in tranen uit. "Verlaat mij, verlaat mij!" sprak zij tusschen haar snikken. "Ik vertrek morgen … ik wil nog meer doen … wat ben ik? Eene zedelooze vrouw! Een steen om den hals! Ik wil je niet kwellen, ik wil het niet! Ik wil je vrij maken! Je bemint mij niet, je bemint eene andere!"

Wronsky bezwoer haar kalm te worden en verzekerde plechtig, dat er ook niet een schaduw van grond voor haar ijverzucht bestond, dat hij nimmer had opgehouden en nimmer zou ophouden haar te beminnen en dat hij haar nu meer dan ooit beminde. "Anna, waarom je zelf en mij zoo te kwellen?" zeide hij en kuste haar handen.

Zijn gelaat drukte innige liefde uit en zij meende het geluid der tranen in zijn stem te hooren en het vocht daarvan op haar hand te voelen—en plotseling ging Anna's wanhopige ijverzucht in de hartstochtelijkste teederheid over. Zij omarmde hem en bedekte zijn hals, hoofd en handen met kussen.

XIX.

In het gevoel eener volkomen verzoening ging Anna den volgenden morgen dadelijk de voorbereidselen voor de afreis maken. Hoewel nog niet besloten, of zij Maandag of Dinsdag zou vertrekken—want de een wilde nu den ander toegeven,—maakte zij zich toch geheel voor de reis gereed.

Zij stond in haar kamer, over een open koffer gebogen, toen hij, reeds geheel gekleed, vroeger dan gewoonlijk bij haar binnentrad.

"Ik rijd terstond weg naar mama. Het geld kan zij nog met Egarow wel nazenden, en morgen ben ik gereed," zeide hij.

Hoe goed geluimd zij ook was, de tocht naar het landhuis zijner moeder was haar onaangenaam.

"Neen, ik zelf zal dan niet gereed zijn," antwoordde zij en dacht te gelijk: "Dus was het hem toch wel mogelijk het zoo te schikken als ik wenschte.—Neen, schik het zooals je wilt. Ga in de eetkamer, ik volg je dadelijk. Ik wil hier nog maar in een paar minuten eenige nuttelooze dingen terugleggen." En zij legde nog meer op den berg van lappen en kleedingstoffen, die Annuschka reeds op de armen had.

Wronsky gebruikte juist zijn beefsteak, toen zij bij hem in de kamer kwam.

"Je kunt niet denken hoe mij deze kamers tegenstaan," zeide zij en zette zich naast hem om een kop koffie te drinken. "Niets is afschuwelijker dan deze chambres garnies. Zij hebben geen uitdrukking en geen ziel. Deze pendules, deze gordijnen en tapijten—drukken iemand als de nachtmerrie. Ik denk aan Wosdwijenskoje als aan het beloofde land. Zendt je de paarden nog niet weg?"

"Neen, zij zullen nakomen. Wil je uitrijden?"

"Ik wilde naar Wilson en haar eenige japonnen brengen. Dus bepaald morgen?" zeide zij met opgeruimde stem; maar plotseling veranderde haar gelaat.

Wronsky's kamerdienaar was binnengekomen en zocht de kwitantie van een telegram uit Petersburg. Het was niets ongewoons, dat Wronsky een telegram ontving, maar alsof hij voor haar iets verbergen wilde, zeide hij, dat de kwitantie in zijn kabinet lag en wendde zich snel tot haar:

"Ja, morgen ben ik bepaald met alles gereed."

"Van wie is dat telegram?" vroeg zij.

"Van Stiwa. Ik wilde het je niet laten zien."

"Waarom niet? Welk geheim kan Stiwa hebben?"

Wronsky riep den knecht terug en beval hem het telegram te brengen.

"Ik wilde het je niet laten zien. Stiwa heeft altijd een hartstocht om te telegrafeeren. Wat geeft dat als er toch niets beslist is?"

"Wegens de scheiding?"

"Ja, maar hij wil nog nader schrijven. Tot hiertoe is hij niet geslaagd. Hij belooft in den brief een beslissend antwoord. Je kunt het zelf lezen."

Anna nam met sidderende hand het telegram en las wat Oblonsky geseind had. Aan het slot stond: "Er is weinig hoop. Zal het mogelijke en onmogelijke beproeven."

"Ik heb je gisteren gezegd, dat scheiding of geen scheiding mij geheel onverschillig zijn," zeide zij blozend. "Het was niet noodig het voor mij geheim te houden." En zij dacht: "Evengoed kan hij ook zijn correspondentie met andere vrouwen voor mij geheim houden."

"Jawschin wilde heden voormiddag met Woitow komen," zeide Wronsky. "Ik geloof, dat hij Peszow alles heeft afgewonnen en nog meer dan hij betalen kan; bijna zestigduizend roebel." "Neen," zeide zij, vertoornd, omdat hij met deze wending van het gesprek blijkbaar te kennen gaf, dat zij opgewonden was. "Waarom denk je, dat dit telegram mij dermate zou interesseeren, dat het voor mij geheim moest worden gehouden? Ik heb toch gezegd, dat ik daaraan volstrekt niet meer denken wil, en wensch ook, dat gij u daarvoor even weinig zult interesseeren als ik."

"Ik interesseer mij daarvoor, omdat ik een zuiveren, klaren toestand wensch."

"Die is niet gelegen in den uiterlijken vorm, maar in de liefde," antwoordde zij, minder door zijn woorden dan door den toon van koele bezonnenheid, waarop hij sprak, bij toeneming opgewonden. "Waarom is dat je wensch?"

"Mijn hemel! Al weder deze liefde!" dacht hij en fronste het voorhoofd.

"Je weet waarom. Voor u en voor de kinderen, die wij hebben kunnen," zeide hij.

"Wij zullen geene kinderen hebben."

"Dat zou jammer zijn!"

"Derhalve voor de kinderen is het noodig! Aan mij denk je niet." Zij had vergeten of niet gehoord, dat hij gezegd had: "voor u en de kinderen."

De vraag, of zij kinderen hebben zouden, was reeds lang een teeder punt tusschen hen. Zijn wensch om kinderen te hebben verklaarde zij daarmede, dat hij haar schoonheid voor niets rekende.

"Ach, ik heb ook gezegd: voor u; het meeste voor u!" hernam hij met een verdrietig gelaat, "daar ik overtuigd ben, dat je opgewondenheid meest veroorzaakt wordt door de onzekerheid van je toestand."

"Ja, nu veinst hij niet meer en zijn koele onverschilligheid komt te voorschijn," dacht zij; zij had op zijn woorden geen acht gegeven en zag nu in zijn oogen den koelen rechter, die haar onderzoekend aanzag.

"Dat is de oorzaak niet," zeide zij, "en ik begrijp volstrekt niet, hoe je de oorzaak van mijn vermeende opgewondenheid kunt zien in de omstandigheid, dat ik geheel in je macht ben. Wat is er dan in mijn toestand onklaar en onzeker? Integendeel…."

"Ik betreur het, dat je mij niet wilt begrijpen," viel hij haar in de rede, met den wensch zijn gedachten haar volkomen duidelijk te maken. "Die onzekerheid bestaat juist daarin, dat je mij als vrij, als niet gebonden beschouwt…."

"Daaromtrent kun je volkomen gerust zijn," antwoordde zij en begon, terwijl zij zich van hem afwendde, haar koffie te drinken. Zij bracht het kopje aan den mond en nadat zij een teug had genomen, zag zij Wronsky aan en bemerkte duidelijk, dat haar houding van onverschilligheid hem verdroot. Zij zette het kopje weer neder.

"Het is mij onverschillig, hoe je moeder over mij denkt en welke huwelijksplannen zij voor je smeedt."

"Daarvan spreken wij nu niet."

"Ja wel! En geloof mij, elke vrouw zonder hart, zij mag oud of jong zijn, zij mag je moeder of een andere zijn, is mij volmaakt onverschillig."

"Anna, ik bid je mijn moeder te respecteeren."

"Eene vrouw, wier hart niet kan gevoelen, waarin het geluk en de eer van haar zoon zijn gelegen, zulk eene vrouw heeft geen hart."

"Ik herhaal mijn verzoek om van mijn moeder, die ik vereer, niet zoo verachtelijk te spreken," zeide hij, terwijl hij de stem verhief en haar ernstig aanzag.

Zij antwoordde niet, maar mat hem met de oogen. Zij herinnerde zich tot in kleinigheden het verzoeningstooneel van den vorigen dag en zijn hartstochtelijke teederheid.

"Dezelfde liefkozingen heeft hij ook aan andere vrouwen verspild of hij wil en zal het doen!" dacht zij en, terwijl zij hem met een toornigen blik aanzag, voegde zij er luid bij:

"Je houdt volstrekt niet van je moeder, dat is niets dan een phrase en nog eens een phrase!"

"Als het zoo gesteld is, moet men…."

"… Een besluit nemen, en ik ben besloten," antwoordde zij en wilde gaan. Maar op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend en trad Jawschin binnen.

Anna beantwoordde zijn groet en bleef in de kamer. Zij onderdrukte dadelijk den opgekomen storm in haar binnenste, nam weer plaats en trad met haar gast in gesprek.

"Hoe staat het met de schuld? Zou ze u betaald worden?" vroeg zij.

"Alles zal ik wel niet bekomen," antwoordde hij. "Woensdag vertrek ik. Wanneer reist u af?"

"Ik denk overmorgen," antwoordde Wronsky.

"Je hebt dat al zoo lang voorgenomen, dat ik denk, dat je ook ditmaal niet wegkomt."

"Daarvan ben ik zelfs overtuigd," zeide Anna en zag daarbij Wronsky met een blik in de oogen, die beteekende: vat dit kalm gesprek niet op als een bewijs van de mogelijkheid eener verzoening.

"Heeft u geen medelijden met den ongelukkigen schuldenaar?" wendde zij zich tot Jawschin.

"Ik heb dit mij zelf nooit gevraagd, Anna Arkadiewna. Mijn geheel vermogen draag ik hier" en hij wees op zijn borst. "Heden ben ik een rijk man, maar ga ik in de club, dan kom ik van avond misschien als een bedelaar terug. Hij, die zich met mij aan de speeltafel zet, doet ook zijn uiterste best om mij het vel over de ooren te halen. Zoo kampen wij met elkander en juist daarin bestaat het genoegen."

"Maar als u getrouwd was," zeide Anna, "hoe zou uw vrouw dan te moede zijn?"

Jawschin lachte.

"Om die reden ben ik ook ongetrouwd en zal het ook blijven."

"En Helsingfors?" zeide Wronsky lachend en zag daarbij Anna aan, die ook lachte. Hun blikken ontmoetten elkander, maar Anna's gelaat nam dadelijk een koele, terughoudende uitdrukking aan, alsof zij zeggen wilde: "Niet vergeten! Tusschen ons blijft het onveranderd."

"Was u werkelijk eenmaal verliefd?" vroeg zij Jawschin.

"O, mijn God, hoe dikwijls! Maar begrijp mij wel: Altijd zoo, dat ik er de speeltafel niet om verzuimde."

"Maar hoe was het met die, daar te …?" Zij wilde vragen: "te Helsingfors," maar zij wilde dit woord niet herhalen, omdat Wronsky het reeds had uitgesproken.

Op dit oogenblik trad Woitow binnen, die Wronsky's hengst wilde koopen. Anna stond op en verliet met onverschillig voorkomen de kamer.

Voor Wronsky wegreed, zocht hij Anna nog eenmaal op. Toen zij zijn schreden hoorde, nam zij een boek en deed alsof ze las.

"Wat wensch je?" vroeg zij in het Fransch.

"Ik zoek naar Gambetta's stamlijst; ik heb hem verkocht," antwoordde hij op een toon, die meer dan woorden duidelijk uitdrukte: "Tot eene uitlegging heb ik geen tijd, ook zou het tot niets leiden."

"Ik heb niets tegen haar misdaan," dacht hij. "Wil zij zichzelf straffen, tant pis pour elle."

Toen hij reeds wilde heengaan, scheen het hem alsof zij iets gezegd had en een plotseling medelijden met haar doordrong zijn hart.

"Was is het Anna?" vroeg hij.

"Ik? Niets!"

"Tant pis!" dacht hij weder en werd plotseling weer koel, keerde zich om en verliet de kamer. Toen hij in deur gekomen nog een blik in de kamer wierp, zag hij in den spiegel haar bleek gelaat en hoe haar lippen beefden. Hij had behoefte haar een vriendelijk woord te zeggen, maar het was te laat, hij bevond zich al buiten de deur voor hij een aanknoopingspunt had kunnen vinden.

Hij bracht den geheelen dag buitenshuis door en toen hij laat in den avond terugkeerde, zeide het dienstmeisje hem, dat haar meesteres hoofdpijn had en hem liet verzoeken niet bij haar te komen.

XX.

Nog nimmer was er een dag verloopen zonder dat zij een te voren gevoerden twist hadden bijgelegd. Heden was dit voor de eerste maal niet geschied. Het was de openbare erkentenis eener sterker geworden verkoeling hunner gevoelens voor elkander.

Hoe kon hij haar bij de binnenkomst, toen hij naar het attest van het paard zocht, zoo aanzien, haar, wier hart bijna van vertwijfeling brak? En met een onverschillig, kalm gelaat kon hij haar voorbijgaan! O, hij was niet slechts jegens haar verkoeld, neen, hij haatte haar, dat was duidelijk, hij beminde eene andere.

En terwijl zij zich alle door hem gesproken harde woorden in het geheugen terugriep, dacht zij er nog de woorden bij, die hij haar blijkbaar had willen zeggen, en zoo wond zij zich meer en meer op.

"Ik houd je niet vast," had hij kunnen zeggen. "Je hebt u van uw man niet laten scheiden, waarschijnlijk om tot hem terug te keeren. Zoo keer maar terug. Als je geld noodig hebt, zal ik het je geven. Hoeveel roebel heb je noodig?"

Zulke wreede woorden, die een ruw mensch slechts had kunnen bezigen, legde zij hem in haar verbeelding in den mond en, alsof hij ze werkelijk had gesproken, vergaf zij ze hem niet. En onmiddellijk daarop zeide zij weer tot zich zelf:

"Maar was het niet eerst gisteren, dat hij mij liefde zwoer, dat hij zich een eerlijk en teedergevoelig man betoonde? En hoe dikwijls heb ik niet gevreesd en getwijfeld om een beuzeling!"—

Zoo bracht Anna dezen geheelen dag (met uitzondering van een bezoek van een paar uren bij Wilson) in twijfel door, of alles ten einde was of dat nog uitzicht op verzoening bestond, of wel of het niet beter was, dat zij dadelijk vertrok zonder hem nog eenmaal te zien. Zij verwachtte hem den geheelen dag, maar toen zij 's avonds haar kamer binnentrad en het dienstmeisje het vorengenoemde bevel gaf, dacht zij: "Komt hij in weerwil daarvan toch, dan beteekent het, dat hij mij nog bemint; komt hij echter niet, dan is alles geëindigd en dan moet ik besluiten iets te doen…."

Zij had het geluid van een wegrijdend rijtuig gehoord, zij hoorde hem schellen, hoorde zijne schreden en zijn gesprek met het dienstmeisje—hij geloofde haar, vroeg niets verder en ging naar zijn kamer—derhalve: alles was geëindigd!

En als het eenige middel om de liefde in zijn hart weer op te wekken, hem te straffen en in dezen strijd, door een boozen demon bij hen verwekt, te overwinnen—rees de dood haar levendig voor oogen.

Nu was alles haar onverschillig: of zij naar Wosdwijenskoje vertrokken of niet, of zij van haar man de toestemming tot scheiding verkreeg of niet,—dat alles was niet meer noodig.

Slechts een ding was noodig: hem te straffen!

Toen zij nu haar gewone hoeveelheid opium ingoot en de gedachte bij haar opkwam, dat zij slechts het geheele fleschje behoefde uit te drinken om te sterven, scheen haar dat zeer licht en eenvoudig, en zij begon zich met genot aan de gedachte over te geven, hoe hij zich kwellen, berouw gevoelen en haar nagedachtenis liefhebben zoude. Zij lag in het bed met open oogen, het schijnsel van het ten einde brandend licht viel op de figuren van het plafond, waarop zij haar blik had gericht en dat gedeeltelijk beschaduwd werd door het nabij het bed staande kamerschut. Zij stelde zich levendig zijn berouw voor, zij hoorde hem zeggen: "Hoe heb ik haar zulke wreede woorden kunnen toevoegen? Hoe kon ik de kamer verlaten, zonder haar een woord toe te spreken! En nu is zij niet meer! Zij is voor altijd heengegaan! Zij is daar, waar…."

Plotseling begon de schaduw van het kamerschut te bewegen en bedekte de plafond-ornementen, andere schaduwen van de tegenovergestelde zijde zweefden ze tegen; toen verdwenen ze allen in een oogenblik, maar daarop vereenigden zij zich weder, bewogen zich en vloeiden samen tot een zwart, ondoordringbaar duister.

"Dat is de dood!" dacht zij en zulk een ontroering greep haar aan, dat zij een geruime poos niet begrijpen kon, waar zij was, en lang te vergeefs met sidderende handen naar een lucifer zoeken moest voor zij dien vond, om een ander licht in plaats van het uitgegane te ontsteken.

"Neen! liever al het andere! Slechts leven! Ik bemin hem immers en hij bemint mij! Dat is nu eenmaal geweest en zal voorbij zijn!" sprak zij en voelde, omdat zij weer tot het leven ontwaakt was, tranen van vreugde over haar wangen vloeien. En om zich van haar gevoel van angst te bevrijden, stond zij snel op en ging naar Wronsky's kabinet.

Hij sliep vast. Zij trad naar hem toe, liet het licht op zijn gelaat vallen en zag hem lang aan. Nu, nu hij sliep, beminde zij hem zoo, dat zij bij zijn aanblik de tranen van teederheid niet kon weerhouden, maar zij was overtuigd, dat als hij mocht ontwaken, hij haar met een koelen blik, die toonde dat hij van zijn recht bewust was, zou aanzien, en dat zij hem, voor zij van liefde kon spreken, toch eerst zou moeten bewijzen, hoezeer hij tegenover haar ongelijk had. Zonder hem derhalve te wekken, keerde zij naar haar kamer terug en na een tweede dosis opium viel zij eindelijk in een niet verkwikkenden halven slaap, waarin zij niet ophield haar bewustheid te behouden.

In den morgenstond overviel haar een zware nachtmerrie, waaraan zij reeds vóór haar vereeniging met Wronsky gedurende den slaap had te lijden gehad, zoodat zij daardoor ontwaakte. Zooals vroeger zag zij een oud klein mannetje met een stoppeligen baard; hij stond op haar borst over een ijzer gebukt, dat hij hanteerde, terwijl hij geheel onzinnige Fransche woorden voor zich heen mompelde, en zij voelde,—en dit vervulde haar juist met ontzetting—dat hij boven haar hoofd een verschrikkelijk werk met dit ijzer verrichtte, zonder haar op te merken of zich over haar te bekommeren. Zij ontwaakte badende in koud zweet.

Terwijl zij zich oprichtte, herinnerde zij zich als in een nevel gehuld den dag van gisteren.

"Wij hebben, zooals reeds meermalen, met elkander getwist. Ik heb hem laten zeggen, dat ik hoofdpijn had, en hij is niet bij mij gekomen. Morgen vertrekken wij; ik moet hem zien en mij voor de reis gereedmaken."

Toen zij vernam, dat hij nog in zijn kabinet was, ging zij daar heen. Het salon doorgaande, hoorde zij een rijtuig voorkomen. Zij zag uit het venster, haar blik viel op een coupé, waaruit een jong meisje met een lila-hoed op zich naar buiten boog; het sprak eenige bevelende woorden tot den bediende, die aan de deur schelde.

Naast het salon klonken Wronsky's schreden. Hij liep haastig de trap af. Anna zag weer uit het venster. Hij ging juist de buitentrap af en trad naar het rijtuig. Het jonge meisje met den lila-hoed gaf hem een pakket. Wronsky zeide haar lachend eenige woorden. Het rijtuig reed weer weg en hij liep snel de trap op.

De nevel, die tot hiertoe haar geheele ziel omhulde, was plotseling verdwenen. Haar gevoel van gisteren omklampte weer met vernieuwde smart haar hart. Zij kon nu niet begrijpen, hoe zij zich zoo diep had kunnen vernederen, nog een dag bij hem, in zijn huis, te vertoeven.

Zij trad zijn kabinet binnen om hem haar besluit mede te deelen.

"Vorstin Sorakin en haar dochter waren zooeven voor de deur en hebben mij het geld en de papieren van mama gebracht," zeide hij. "Gisteren kon ik ze nog niet bekomen. Hoe is het met je hoofdpijn? Is het beter?" vroeg hij kalm. Maar hij vermeed het haar aan te zien en de donkere, ernstige uitdrukking van haar gelaat te bemerken.

Zij zag hem zwijgend, opmerkzaam aan, terwijl zij midden in de kamer stond. Hij zag op, fronste een oogenblik het voorhoofd en ging toen voort verder den brief te lezen. Zij wendde zich om en ging langzaam naar de deur. Hij kon haar terugroepen, maar zij kwam tot aan de deur, hij zweeg nog steeds en niets dan het ritselen van het papier was te hooren.

"Ja! A propos!" zeide hij nu, terwijl zij reeds in de deur stond:
"Morgen reizen wij dus bepaald af, niet waar?"

"Gij, maar ik niet!" antwoordde zij.

"Dat wordt onverdragelijk!…"

"Gij … gij zult er berouw over hebben!" sprak zij en ging heen.

Verschrikt over den wanhopigen toon, waarop zij deze woorden gesproken had, sprong hij op en wilde haar volgen, maar hij bedacht zich, ging weer zitten en beet op de tanden, terwijl zijn voorhoofd zich rimpelde. Deze naar zijn meening zoo bovenmate ongepaste bedreiging vertoornde hem.

"Alles heb ik beproefd," dacht hij, "slechts dit eene blijft mij nog over: op niets acht te slaan." En hij ging zich gereed maken om naar zijn moeder te gaan, die nog een volmacht moest onderteekenen.

Zij hoorde zijn schreden in zijn kabinet en in de eetzaal. Bij het salon stond hij een oogenblik stil, doch hij wendde zich niet naar haar boudoir, maar gaf slechts bevel het verkochte paard aan Woitow af te leveren. Toen hoorde zij het rijtuig voorkomen, de huisdeur werd geopend, hij ging naar buiten. Maar hij kwam weer in den gang terug en er ijlde iemand naar boven. Het was de bediende, die de handschoenen haalde, welke hij had vergeten. Zij ging naar het venster en zag, hoe hij, zonder op te zien, de handschoenen aannam, met de hand den rug van den koetsier aanraakte en hem iets zeide. Zonder een blik naar het venster, zette hij zich op zijn gewone wijze in het rijtuig, sloeg het eene been over het andere, trok de handschoenen aan en verdween in een oogenblik achter den naasten hoek der straat.

XXI.

"Hij is weg,—het is ten einde!" sprak Anna nog aan het venster staande. En een kille ontsteltenis greep haar aan zooals des nachts bij het uitgaan van het licht en onder de verschrikkelijke nachtmerrie. "Neen! dat kan niet zijn!" riep zij uit, liep met driftige schreden de kamer door en trok heftig aan de schel. De eenzaamheid was haar zoo verschrikkelijk, dat zij den bediende niet afwachtte, maar te gemoet ging.

"Informeer eens, waar de graaf is heengereden," zeide zij.

De man antwoordde, dat hij zich naar de stallen had laten brengen.

"Mij is bevolen," voegde hij er bij, "u te zeggen, dat, ingeval u wenschte uit te rijden, het rijtuig zou terugkeeren."

"Goed. Wacht hier! Ik zal een paar regels schrijven. Zend Michaël dadelijk naar de stallen."

Zij zette zich neder en schreef:

"Ik heb schuld. Keer terug; wij moeten tot een verklaring komen. Kom om Gods wil, ik ben bevreesd."

Zij verzegelde het briefje, gaf het den knecht en in haar vrees om alleen te zijn verliet zij de kamer en begaf zich naar haar dochtertje.

De roodwangige kleine zat aan de tafel en sloeg geweldig met een stop op het tafelblad, terwijl zij met haar zwarte oogen haar moeder aankeek. Deze beantwoordde eene vraag der Engelsche, door te kennen te geven, dat zij zich weer wel gevoelde en dat zij morgen naar het landgoed zouden vertrekken; toen zette zij zich naast het kind neder en begon voor hetzelve de stop op de waterkaraf rond te draaien. Maar het luid, helder klinkend lachen van het kind, de beweging der wenkbrauwen, herinnerden haar zoo levendig aan Wronsky, dat zij, om niet in tranen uit te barsten, opstond en de kamer verliet.

"Is het mogelijk? Is alles ten einde? Neen, hij zal terugkeeren! Maar hoe zal hij mij dan dien vriendelijken lach, zijn geheele blijde opgewektheid, nadat hij met haar had gesproken, kunnen verklaren? Maar al verklaart hij ze niet genoegzaam, ik wil hem toch gelooven. Als ik hem niet geloof, blijft mij slechts dat ééne over, en dat wil ik niet."

Zij zag op de pendule. Er waren slechts twaalf minuten verloopen.

"Nu moet hij mijn briefje al ontvangen hebben en komt terug. Nog maar tien minuten…. Maar als hij nu eens niet komt? Neen, dat kan niet zijn. Hij mag mijn beschreide oogen niet zien. Ik zal mij wasschen. En mijn coiffure? Heb ik mij niet gefriseerd?" Zij kon het zich niet herinneren. Zij trad voor den kapspiegel. Het haar was opgemaakt, maar wanneer? Zij herinnerde het zich niet.

"Wie is dat?" dacht zij toen zij haar gelaat aanschouwde, waar uit een paar ontstoken, zonderling gloeiende oogen haar verschrikt aanzagen. "Dat ben ik toch," begreep zij, en terwijl zij zich verder beschouwde, voelde zij zijn kussen in haar nek; zij trilde en bewoog de schouders. Toen bracht zij haar hand aan de lippen en kuste ze.

"Wat is dat? Word ik dan waanzinnig?" En zij ijlde naar de slaapkamer, waar Annuschka juist bezig was op te ruimen.

"Annuschka," zeide zij, ging voor het meisje staan en zag haar aan, zonder te weten wat zij zeggen wilde.

"U wil naar Darja Alexandrowna rijden?" antwoordde het meisje, alsof zij haar verstaan had.

"Tot Darja Alexandrowna? Ja, daar wil ik heen. Vijftien heen, vijftien terug…. Hij komt dadelijk." Zij haalde het horloge te voorschijn en zag er op. "Maar hoe kon hij heengaan en mij in zulk een toestand achterlaten? Hoe kan hij leven zonder met mij verzoend te zijn?"

Zij ging naar het venster en zag naar de straat. Volgens den tijd had hij al terug kunnen zijn. Maar haar berekening kon onjuist zijn, en zij begon weer de minuten te tellen en na te denken wanneer hij vertrokken was.

Op het oogenblik dat zij op de pendule toeging om er haar horloge mede gelijk te zetten, kwam een rijtuig voor. Zij zag uit het venster. Het was zijn kales, maar niemand kwam de trap op en beneden hoorde zij geen stem. De bode, dien zij had gezonden, was met de kales teruggekeerd. Zij ging hem tegen. Hij had den graaf niet meer aangetroffen; deze was naar het Nischnegorodsche station gereden.

"Wat wil je nog?" vroeg zij op barschen toon den teruggekeerden Michaël, die haar het briefje toehield, "ach ja, hij heeft het niet meer in handen gekregen," herinnerde zij zich. "Rijd met dit briefje naar de villa van gravin Wronsky; je kent het huis toch? en wacht op antwoord."

"Wat zal ik er echter doen?" dacht zij. "Ja, ik rijd naar Dolly, dat is waar. Anders word ik krankzinnig. Ik kon evenwel ook nog telegrafeeren!"

En zij schreef het telegram.

"Ik moet haar noodig spreken. Kom dadelijk terug."

Zij verzond onmiddellijk het telegram en begon zich toen te verkleeden.

Toen zij haar toilet gemaakt en den hoed reeds opgezet had, zag zij de kalme Annuschka weder in de oogen. Een blijkbaar medelijden sprak uit deze kleine, goedige grijze oogen.

"Annuschka! Lieve! Wat zal ik doen?" zeide zij snikkend en viel hulpeloos in een stoel neder.

"Waarom is u zoo ontroerd, Anna Arkadiewna? Zoo iets komt dikwijls voor. U moet uitrijden en u wat verstrooien," antwoordde het meisje.

"Ja, ik wil uitrijden!" zeide Anna zich bezinnende en stond op. "En komt in mijn afwezigheid een telegram, zend het dan naar Darja Alexandrowna…. Of neen, ik kom zelf spoedig terug."

"Ja, men moet niet zooveel denken! ik moet handelen! Vooral uit dit huis weg," sprak zij bij zich zelf, terwijl zij ontsteld naar het kloppen van haar hart luisterde. Zij ging haastig naar buiten en zette zich in het rijtuig neder.

"Waarheen beveelt u?" vroeg Peter.

"Naar de villa Oblonsky."

XXII.

De lucht was helder. Den geheelen morgen was er een fijne, dichte regen gevallen, maar nu was het opgeklaard. De daken der huizen, de steenen der trottoirs, de raderen, het leder, het koper en zilver der equipages, alles schitterde helder in de meizon. Het was drie uur en op de straten was het zeer levendig. Bij den snellen draf der schimmels, bij het onophoudelijk rollen der raderen en de snel afwisselende indrukken in de frissche lucht, zag Anna, die nog eenmaal alle gebeurtenissen der laatste dagen van het begin af doorliep, haar toestand reeds geheel anders in, als te voren toen zij te huis was. De gedachte aan den dood was haar niet meer zoo verschrikkelijk en deze zelf niet meer zoo onvermijdelijk. Zij verweet zich nu nog slechts, dat zij zich zoo ver had vernederd.

"Ik heb hem bezworen mij te vergeven; ik heb mij geheel aan hem overgegeven en beleden schuldig te zijn. Waarom? Kan ik dan niet zonder hem leven?" Zij beantwoordde deze vraag niet, maar begon de opschriften in de straat te lezen: "Kantoor en dépôt—Dentist—Ja, ik wil Dolly alles vertellen. Zij houdt niet van Wronsky. Ik zal mij wel schamen en het zal mij pijn veroorzaken, maar ik wil haar toch alles zeggen. Zij heeft mij lief en haar raad zal ik volgen. Ik wil mij niet onderwerpen. Ik zal hem niet toestaan mij te vergeven … Philippow … Bakkerij.—Men zegt, dat zij het brooddeeg naar Petersburg zenden—het Moskouer water moet zoo voortreffelijk zijn.—Metischensky, Mineraalwater en pannekoek…." En nu herinnerde zij zich, dat zij lang geleden, toen zij pas zeventien jaar was, met haar tante—men reisde toen nog met paarden—naar het klooster te Troïtza was gereden en toen hier was gepasseerd." "Is het mogelijk," dacht zij, dat ik dat was? Dat meisje met roode handen? Hoeveel, dat mij toen zoo begeerlijk en onbereikbaar scheen, is mij nu onverschillig, maar hoeveel dat ik toen bezat, is nu voor mij verloren—voor altijd! Zou ik destijds hebben kunnen gelooven eenmaal zoo vernederd te worden?—Wat zal hij trotsch en tevreden zijn als hij mijn brief heeft gezien; maar ik zal hem toonen…. Hoe onaangenaam riekt deze verf! Waarom moet men altijd bouwen en verven?—Modes en coiffures…." las zij. Een man, Annuschka's man, groette haar: "Onze parasieten!" herinnerde zij zich een gezegde van Wronsky: "Onze? Waarom onze?… Het ergste is, dat het onmogelijk is het gebeurde ongedaan te maken…. Maar men kan de herinnering daarvan dooden, begraven…. En dat zal ik…!" En hier herinnerde zij zich haar verloopen leven bij Alexei Alexandrowitsch, dat zij reeds uit haar gedachten had verbannen. "Dolly zal het zoo opvatten alsof ik nu mijn tweeden man wil verlaten, en zal mij voorzeker ongelijk geven. Wil ik dan gelijk hebben? En zij voelde de tranen opwellen. Maar dadelijk dacht zij weder over twee jonge meisjes, die hartelijk lachten, en vroeg, waarover deze wel lachen mochten. Over de liefde? Zij weten nog niet, hoeveel treurigs en vernederends daaraan is verbonden…. Daar is de boulevard! Daar loopen drie jongens … zij spelen … Serëscha. Alles zal ik verliezen en men zal hem mij niet teruggeven…. Ja, ik zal alles verliezen als hij nu niet terugkeert. Wellicht heeft hij zich voor den trein verlaat en is misschien al teruggekeerd. Weder denkt gij er aan u te vernederen," sprak zij tot zich zelf. "Neen ik ga naar Dolly en zeg haar alles rechtuit: Ik ben ongelukkig, ik heb het ook verdiend, ik heb schuld, maar ik ben toch ongelukkig—help mij. Deze paarden en dit rijtuig—het staat mij tegen om er mij van te bedienen—het hoort alles aan hem…. Maar weldra zal ik ze niet meer zien!"

Terwijl zij zoo overlegde, hoe zij Dolly alles zou bekennen en daarbij haar hart nog meer wondde, ging zij de trap op.

"Is er bezoek?" vroeg zij in de voorkamer.

"Catharina Alexandrowna Lewina," antwoordde de bediende.

"Kitty! Dezelfde Kitty op wie Wronsky verliefd was," dacht Anna; "dezelfde Kitty, die hij zich steeds zoo gaarne herinnert. Hij betreurt het haar niet gehuwd te hebben. Maar aan mij denkt hij met wrevel en betreurt het mij ooit te hebben ontmoet."

Dolly kwam haar te gemoet.

"Ah, je bent nog niet vertrokken? Ik wilde je zelf bezoeken," zeide zij. "Vandaag heb ik een brief van Stiwa ontvangen."

"Wij hebben ook een telegram gekregen," antwoordde Anna en zag naar
Kitty om.

"Hij schrijft, dat hij niet kan begrijpen, wat Alexei Alexandrowitsch eigenlijk wil, maar hij zou zonder een bepaald antwoord niet vertrekken."

"Ik dacht bezoek bij u te vinden. Kan ik den brief lezen?"

"Ja,—Kitty—" zeide Dolly wat verlegen. "Zij is in de kinderkamer gebleven. Zij is zeer ziek geweest."

"Dat heb ik gehoord. Kan ik den brief lezen?"

"Ja, ik zal hem dadelijk halen. Hij slaat het wel niet af, integendeel,
Stiwa heeft hoop…." zeide Dolly en bleef in de deur staan.

"Ik hoop en wensch volstrekt niets," zeide Anna.

"Wat is dat? Kitty acht het zeker vernederend voor zich om mij te ontmoeten?" dacht Anna toen zij alleen was. "Wellicht heeft zij gelijk. Maar als het ook al waar is, mocht zij het mij toch niet toonen, zij, die op Wronsky verliefd is geweest. Ik weet het: in mijn toestand kan geen vrouw, die veel aan welvoegelijkheid hecht, mij ontvangen. Ik weet, dat ik van het eerste oogenblik af alles heb geofferd. Dat is nu mijn loon. O, wat haat ik hem. En waarom ben ik nu hierheen gekomen? Het wordt mij hier nog zwaarder dan te huis."

Zij hoorde in de andere kamer de stemmen der zusters.

"En wat moet ik nu aan Dolly zeggen? Moet ik Kitty de voldoening geven te zien, dat ik ongelukkig ben en dat ik bescherming inroep? Neen, en ook Dolly zal mij niet begrijpen. Ik heb haar niets te zeggen…. Het zou echter niet kwaad zijn Kitty te ontmoeten en haar te toonen, dat ik alles veracht en dat ik voor alles onverschillig ben."

Dolly kwam met den brief terug. Anna las dien en reikte hem zwijgend weer over.

"Dat alles heb ik geweten," zeide zij, "en het interesseert mij in het minste niet."

"Waarom niet? Ik, integendeel heb hoop," antwoordde Dolly en zag Anna uitvorschend aan. Nog nimmer had zij haar in zulk een zonderlingen, opgewonden toestand gezien. "Wanneer zul je vertrekken?"

Anna zag met half toegeknepen oogen voor zich uit en gaf geen antwoord.

"Kitty schijnt zich voor mij te verbergen?" zeide zij met een blik naar de deur, terwijl het rood haar gelaat begon te kleuren.

"Och, dat is onzin! Zij is bij het voeren van het kind, dat nog niet recht goed wil gaan, en ik heb haar aangeraden…. Neen, het doet haar genoegen! Zij zal dadelijk komen," antwoordde Dolly, die weinig aanleg had om te liegen. "Daar is zij."

Toen Kitty vernam, dat Anna er was, had zij niet te voorschijn willen komen. Maar Dolly had haar toch overreed. Met inspanning van al haar kracht trad zij nu binnen, naderde blozend en reikte haar de hand.

"Het doet mij veel genoegen," zeide zij, maar haar stem beefde. Het gevoel van afkeer van deze moreel slechte vrouw en de wensch voor haar niet hard te zijn kampten in haar binnenste en zij was daardoor eenigszins verlegen; maar toen zij Anna's schoon, innemend, ongelukkig gelaat aanschouwde, verdween alle bitterheid en zij gevoelde slechts medelijden.

"Het zou mij niet verwonderd hebben als u ongezind was geweest mij te ontmoeten. Ik ben daaraan reeds gewoon. U is ziek geweest. Ja, uw voorkomen is veranderd," zeide Anna.

Kitty gevoelde, dat Anna haar vijandig aanzag. Des te meer medelijden had zij met haar. Deze vijandschap was haar verklaarbaar uit de onbehagelijke verhouding, waarin Anna, die vroeger haar protegeeren wilde, zich nu tegenover haar bevond.

"Zij spraken over Kitty's ziekte, over haar kind, over Stiwa, maar blijkbaar was er niets, dat Anna belang inboezemde.

"Ik ben gekomen om afscheid te nemen," zeide zij en stond op.

"Wanneer vertrekt u dan?"

Maar weder zonder te antwoordden, wendde Anna zich tot Kitty.

"Ja, het doet mij veel genoegen u gezien te hebben," zeide zij lachend. "Ik heb zooveel van u gehoord, zelfs door uw man. U weet, dat hij mij heeft bezocht," voegde zij er met kwade bedoeling bij. "Waar is hij?"

"Hij is naar buiten vertrokken," antwoordde Kitty blozend.

"Groet hem van mij, groet hem bepaald."

"Zonder verzuim," antwoordde Kitty naïef en zag haar medelijdend in de oogen.

"Nu, vaarwel, Dolly." En terwijl zij deze kuste en Kitty de hand drukte, verwijderde Anna zich haastig, terwijl Dolly haar uitgeleide deed.

"Nog altijd als vroeger, even innemend en zeer schoon," zeide Kitty, toen zij weer met haar zuster alleen was. "Maar zij heeft iets vreemds over zich, iets dat medelijden inboezemt."

"Ja," zeide Dolly! "Maar vandaag gaat er iets bizonders in haar om. Toen ik haar naar de vestibule vergezelde, zag zij er uit alsof zij in tranen zou losbarsten."