WeRead Powered by ReaderPub
Anna Karenina cover

Anna Karenina

Chapter 168: XXV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel interweaves two principal narratives: one traces a married woman's passionate affair and the social, familial, and moral consequences that follow; the other follows a thoughtful man as he seeks purpose, wrestles with questions of work, faith, and the rhythms of rural life. Through detailed scenes of domestic routine and society, the book examines marriage, fidelity, isolation, public reputation versus inner life, and the search for meaning, contrasting urban social pressures with personal conscience and the restorative presence of the natural world.

XXIII.

Nog in slechter gemoedsstemming dan toen zij van huis ging, steeg Anna weer in het rijtuig. Met de vroegere kwelling paarde zich nu nog het gevoel van beleediging en verstooting, die zij zoo duidelijk in haar ontmoeting met Kitty had ondervonden.

"Waarheen beveelt u?" vroeg Peter.

"Naar huis," antwoordde zij. Zij dacht nu in het geheel er niet meer over waarheen zij anders zou kunnen gaan.

"Hoe nieuwsgierig zagen zij mij aan, als iets monsterachtigs en onbegrijpelijks!… Wat heeft deze aan dien andere met zulk een ijver te vertellen?" dacht zij en zag naar de voetgangers op de straat. "Kan men een ander mededeelen, wat men gevoelt? Ik wilde met Dolly spreken…. Het is goed dat ik het niet gedaan heb. Zij zou zich over mijn ongeluk verheugd hebben! Zij zou dat wel niet hebben getoond, maar in den grond toch een voldoening gesmaakt hebben, dat ik voor al de voorrechten, die zij mij benijden moest, nu gestraft ben. En Kitty? Zij zou nog meer verheugd zijn geweest. Ik ken haar door en door. Zij weet, dat ik de oogen van haar man meer dan gewoon beminnenswaardig geweest ben. Zij is ijverzuchtig en haat mij. En zij veracht mij nog bovendien. In haar oogen ben ik een immoreele vrouw. Was ik dit, dan had ik haar man op mij verliefd kunnen maken, als ik had gewild. Het voornemen is wel bij mij opgekomen, ik erken het…. Deze is ook met zich zelf tevreden," dacht zij van een dikken heer met roode wangen die voorbijreed en groette, daar hij haar voor een dame zijner kennis hield. "Hij denkt, dat hij mij kent en hij kent mij zoo weinig als iemand ter wereld. Ik ken mij zelf nauwelijks…. Die zouden gaarne van dat vuile ijs hebben," dacht zij, toen zij twee knapen zag, die bij een ijsverkooper stonden, die van zijn hoofd een vaatje nederliet en met het einde van een handdoek zijn bezweet gelaat afwischte. "Heeft men geen bonbons, dan neemt men het voor lief met smotsig ijs. Zoo ook Kitty. Toen ze Wronsky niet krijgen kon, vergenoegde zij zich met Lewin. En zij benijdt mij, en wij haten elkander—ik Kitty en Kitty mij—dat is waar…. Jätkin coiffeur…. Je me fais coiffer par Jätkin…. Dat wil ik hem zeggen, als hij komt," dacht zij en lachte.

Op hetzelfde oogenblik herinnerde zij zich, dat zij nu niemand had, dien zij iets grappigs kon zeggen. "Er is ook niets vroolijks meer. Alles is afschuwelijk. Men luidt voor de vesper en die koopman daar bekruist zich zoo voorzichtig, alsof hij vreest, daarbij iets te laten vallen. Waartoe deze kerken, dit klokgelui? Waartoe al deze leugens? Slechts daartoe om er achter te verbergen, hoe wij allen elkander haten, juist als gindsche droschke-koetsiers, die zoo ruw elkander uitschelden; Jawschin zeide: De anderen willen me het vel over de ooren halen en ik hen—dat is de waarheid."

Onder zulke gedachten, waarbij zij haar eigen toestand vergat, kwam zij aan haar woning terug. Bij den aanblik van den portier herinnerde zij zich, dat zij een brief en een telegram had afgezonden.

"Is een antwoord gekomen?" vroeg zij.

"Ik zal eens zien," antwoordde de portier, zag op den schrijflessenaar in het kantoor en gaf haar een telegram over in een couvert van dun papier. "Vóór tien uur kan ik niet komen. Wronsky," las zij.

"En de bode is nog niet terug?"

"Nog niet," antwoordde de portier.

"Als dat zoo is, dan weet ik, wat mij te doen staat," zeide zij, en terwijl zij een gevoel van toorn, dat op iets onbepaalds gericht was en de behoefte aan wraak in haar opstegen, snelde zij naar boven.

"Ik zal zelf naar hem toerijden. Ik zal hem alles zeggen vóór ik voor altijd vertrek. Nimmer heb ik een mensch zoo gehaat als hem," dacht zij.

Toen zij zijn hoed aan den kapstok zag hangen, rilde zij. Zij overlegde in het geheel niet, dat dit telegram slechts een antwoord op het hare was en dat hij haar brief nog niet had kunnen ontvangen. Zij stelde zich hem nu voor in rustig gesprek met zijn moeder en met Sorokina, zich verheugende over haar leed. "Ja, ik moet sneller rijden," zeide zij, zonder te weten waarheen? Zij wilde vluchten, sneller vluchten voor de gewaarwordingen, die zij in dit verschrikkelijk huis had doorgestaan. De bedienden, de tapijten, de meubels, alles in dit huis vereenigde zich om haar een ontzettenden afkeer in te boezemen, die als een last op haar drukte.

"Ja, ik moet naar het station rijden; ik rijd er heen en zal hem overvallen!"

Zij zag in de courant naar het vertrek van den trein.

"'s Avonds acht uur twee minuten. Ha, ik kom nog bijtijds."

Zij liet inspannen en pakte in een reistasch de noodzakelijkste dingen voor eenige dagen. Zij wist, dat zij in dit huis niet weer zou terugkeeren. Zij kwam onder de menigte plannen, die haar hoofd doorkruisten, tot het besluit, dat zij na het bezoek aan de villa der gravin zich naar het naaste station begeven, over den Nischnegorodschen spoorweg naar de naaste stad reizen en daar blijven zoude.

Het middagmaal stond reeds opgedischt. Zij ging naar de tafel, maar toen zij bemerkte, dat zelfs de reuk der spijzen haar tegenstond, liet zij het rijtuig voorkomen en ging naar buiten. Het huis wierp zijn schaduw reeds over de geheele straat; het was een heldere, warme avond.

Annuschka en Peter, die haar volgden en haar goed in het rijtuig droegen, de blijkbaar ontevreden koetsier, allen stonden haar tegen en hinderden haar met hun woorden en gebaren.

"Ik heb je niet noodig, Peter."

"Maar het plaatsbillet?"

"Nu, zooals je wilt, 't is mij hetzelfde," zeide zij verdrietig.

Peter sprong op den bok, en terwijl hij de hand in de zijde zette, beval hij den koetsier naar het station te rijden.

XXIV.

"Ja, wat was dat ook voor een goede gedachte, die ik onlangs had?" dacht Anna, toen zij de raderen van het rijtuig weer over het plaveisel hoorde rollen en in de weeke kussens begon te schommelen: "Jätkin—coiffeur…. Neen, dat was het niet. Juist! Dat, wat Jawschin gezegd heeft…. De strijd om het bestaan en de haat…. Dat is een deel van datgene, wat de menschen aan elkander bindt…. Neen, gij rijdt te vergeefs!" zeide zij in gedachten tot een gezelschap van personen in een kales met vierspan, die, zooals het scheen, voor hun pleizier een uitstapje buiten de stad wilden maken. "En de hond, dien ge daar bij u hebt, zal u ook niet kunnen helpen! Zich zelf kan men niet ontloopen…."

Zij wendde den blik zijwaarts daarheen, waar Peter naar iets scheen te kijken. Een smoordronken fabrieksarbeider werd door een politieagent weggebracht.

"Deze toch wellicht," dacht zij; "maar wij, graaf Wronsky en ik, wij hebben het geluk niet gevonden, hoeveel we ons daarvan ook hadden voorgespiegeld!… Wat heeft hij eigenlijk in mij gezocht? Minder liefde dan voldoening zijner ijdelheid." Zij herinnerde zich nu levendig al zijn woorden en bewegingen uit den eersten tijd hunner verbintenis. "Ja, hij heeft het genoegen gesmaakt zijn eerzucht bevredigd te zien. Wel is waar was daarbij ook liefde, maar voor het grootste deel was het toch de trots van het goed succes. Hij wilde met mij pralen. Nu is alles voorbij. Ik heb niets, waar ik trotsch op zijn kan, maar heb mij slechts te schamen. Hij heeft mij alles ontnomen, wat hij konde, nu behoeft hij niets meer. Ik ben hem tot last en hij beijvert zich slechts, jegens mij niet oneerlijk te zijn. Hij heeft zich gisteren versproken—hij wenscht de scheiding en dan het huwelijk om de schepen achter zich te verbranden…. Hij bemint mij—Maar hoe? The zest is gone…. Die daar wil, dat allen hem bewonderen en is met zich zelf tevreden," dacht zij bij den aanblik van een commies met roode wangen, die op een manegepaard voorbijreed. "Ja, hij heeft den smaak in mij verloren. Als ik hem nu verlaat, zal hij in den grond van zijn hart blijde zijn. Mijn liefde wordt steeds hartstochtelijker en zelfzuchtiger, de zijne daarentegen verflauwt meer en meer; derhalve moeten wij van elkander gaan. Er is anders geen uitkomst. Al het mijne ligt in hem, en ik vorder van hem, dat hij zich geheel aan mij toewijdt; hij wil zich echter meer en meer van mij terugtrekken. Tot op het oogenblik onzer vereeniging zijn wij elkander genaderd, sedert verwijderen wij ons onophoudelijk. En dat is niet te veranderen. Hij zegt mij, dat ik bovenmatig ijverzuchtig ben en ik heb mij zelf dat gezegd. Maar dat is niet waar. Niet jaloersch, maar ontevreden ben ik. Doch…." In de gemoedsbeweging, door haar gedachten verwekt, verwisselde zij van plaats in het rijtuig en bewoog onwillekeurig de lippen om te spreken…. "Indien ik voor hem een verstandige vriendin trachtte te zijn en niet zijn hartstochtelijke minnares…. Maar ik kan en wil niets anders zijn. En hierdoor verwek ik bij hem slechts tegenzin en bij mij zelf toorn. En dat zal niet anders worden. Ik weet zeer goed, dat hij mij niet bedriegt; hij heeft het oog niet op Sorokina, hij is niet meer verliefd op Kitty, hij zal mij niet ontrouw worden—dat alles weet ik, maar dat helpt mij niet. Indien hij, zonder mij te beminnen, slechts uit plichtgevoel goed en teeder voor mij is, dan is dat niet wat ik verlang; dat is honderdmaal erger dan haat, dat is de hel. En dat juist is het geval. Hij bemint mij reeds lang niet meer. En waar de liefde ophoudt, begint de haat. Als ik verstandig ben, laat Alexei Alexandrowitsch mij misschien Serëscha over en ik trouw met Wronsky." Terwijl zij zich Alexei Alexandrowitsch herinnerde, stond hij dadelijk levendig voor haar met zijn vermoeiden, half uitgedoofden blik, met de gezwollen aderen op zijn witte handen, met de eigenaardige stem en met het knakken zijner vingers. En bij de herinnering aan het gevoel, dat hen vereenigd had en dat ook liefde genoemd werd, huiverde zij van afkeer.

"Nu goed, ik verkrijg de scheiding en wordt Wronsky's vrouw. Zal Kitty dan echter ophouden mij aan te zien als heden? Neen. En zal Serëscha ophouden te vragen of na te denken over mijn beide echtgenooten? En welk een nieuw gevoel tusschen Wronsky en mij zou ik dan kunnen bedenken? Is nog eenig geluk—neen, slechts iets, dat geen kwelling is—tusschen ons mogelijk? Neen—neen!" antwoordde zij zonder aarzelen zich zelf; "het is onmogelijk. Wij zouden door het leven gaan, ver van elkander; ik ben zijn ongeluk en hij is het mijne; hij kan zich niet veranderen en ik mij ook niet. Wij hebben reeds alle pogingen gedaan, maar de schroef is verlamd…. Ja, dat is een bedelares met haar kind…. Zij denkt, dat zij beklagenswaard is…. Zijn wij dan niet allen met elkander in deze wereld geworpen om elkander te haten en ons zelf en anderen te kwellen?… Wat lachen die gymnasiasten daar … Serëscha…? Ik dacht ook altijd, dat ik hem liefhad en was over mijn eigen teederheid geroerd…. En toch heb ik zonder hem kunnen leven, ik heb hem prijsgegeven voor een andere liefde en heb over deze ruil geen berouw gehad zoolang die andere liefde mij bevredigde." En met afschuw dacht zij aan datgene, wat zij een andere liefde noemde.

Het rijtuig hield voor het stationsgebouw stil en een paar bestellers ijlden naar buiten.

"Moet ik plaats nemen tot Obiralowka?" vroeg Peter.

Anna had geheel vergeten waarom en waarheen zij reed, en nu begreep zij eerst na eenige inspanning die vraag.

"Ja," zeide zij en stapte uit, terwijl zij hem haar beurs overreikte.

Zij zag in de menschenmenigte rond, ging naar het salon der eerste klasse en riep zich de bizonderheden van haar toestand en de besluiten, waartusschen zij heen en weder wankelde, in het geheugen terug. En tusschen hoop en vertwijfeling begon zij weder de oude, schrijnende wonden van haar gepijnigd, onrustig hart open te rijten.

Zij zat in afwachting van den trein op de sofa, beschouwde met afkeer de in- en uitgaanden en bedacht wat zij bij haar aankomst aan het volgend station hem schrijven zou, en dan weder, hoe hij zich bij zijn moeder over zijn toestand zou beklagen, zonder haar lijden te begrijpen, hoe zij dan juist de kamer binnentreden en wat zij hem zeggen zoude. En daarop dacht zij, hoe het nog mogelijk zijn kon een gelukkig leven in te richten, hoe haar liefde en haar haat jegens hem evenzeer een kwelling waren en hoe heftig haar hart klopte.

XXV.

Er werd gebeld. Eenige luidruchtige jongelieden, zooals het scheen van minder allooi, gingen haar voorbij. Nu kwam Peter in zijn kaplaarzen en zijn livrei met zijn stompzinnig gezicht door de zaal en naderde haar om haar tot aan den waggon te begeleiden. De drukke heeren waren stil geworden toen zij hen voorbijging; de een fluisterde den ander iets toe. Zij klom de hooge trappen op en nam in de ledige coupé plaats op de smotsige springveeren zitting, die voorheen wit geweest was. Peter hief ten teeken van afscheid voor het venstertje zijn met tressen bezetten hoed omhoog en de conducteur sloeg de deur toe.

Een leelijke dame met tournure en een gemaakt lachend meisje liepen beneden voorbij. "Dit jonge meisje is ook reeds bedorven en wil in het oog vallen," dacht Anna. Om niemand te zien stond zij snel op en ging bij het tegenovergestelde venster van den waggon zitten.

Een onzindelijke, leelijke boer, met een muts op, waaronder het verwarde en stoppelige haar te voorschijn drong, ging juist voorbij en bukte zich naar de raderen van den waggon.

"Wat komt mij aan dezen afschuwelijken mensch zoo bekend voor?" dacht Anna. Toen viel haar droom haar in en sidderend van schrik keerde zij weer naar het andere venster terug. De conducteur opende de deur en liet een heer en een dame instappen.

"Wil u er weer uit?"

Anna gaf geen antwoord. Door haar dichten sluier konden de conducteur en de binnenkomenden de ontroering in haar gelaat niet bemerken. Zij keerde weder naar den zooeven verlaten hoek terug en zette zich neder. Het echtpaar ging aan de andere zijde zitten en monsterde onbemerkt, maar nauwkeurig haar kleeding. De heer en de dame schenen Anna afschuwelijk toe. De man vroeg, of zij toestond te rooken, niet zoozeer omdat hij rooken wilde, maar slechts om een gesprek aan te knoopen. Toen hij haar toestemming had ontvangen, begon hij met zijn vrouw Fransch te spreken. Zij maakten onbeduidende opmerkingen, slechts opdat zij het hooren en er op antwoorden zoude. Anna zag duidelijk, dat zij niet van elkander hielden; "en," dacht zij, "is het ook anders mogelijk? Kan men zulke afstuitende wezens beminnen?"

Er werd voor de tweede maal gebeld en nu begon het rumoeriger te worden, door geschreeuw, gelach en het voortrijden der bagage. Anna was overtuigd, dat voor niemand de geringste reden tot blijdschap bestond, zoodat dit lachen haar onaangenaam aandeed en zij zich de ooren wilde toestoppen om hot niet te hooren. Eindelijk klonk het derde bellen, een schel fluiten, het steunen der machine, de ketting werd aangetrokken en de heer tegenover haar maakte een kruis.

"Het zou interessant zijn hem te vragen, waarom hij dat doet," dacht Anna en zag hem stuursch aan. Toen keek zij voorbij de dame uit het venster naar de terugwijkende toeschouwers, die op het perron stonden. Met gelijkmatige stooten rolde de wagen, waarin Anna zat, het perron voorbij, de raderen rolden al vlugger en gemakkelijker met lichter gedruis over de rails, het venster werd verlicht door de schuinsche stralen van de avondzon en een licht tochtwindje speelde met de gordijntjes.

Anna vergat haar medereizigers; bij het lichte schommelen van den wagen ademde zij de frissche lucht in en begon weer verder te mijmeren.

"Ja, waar dacht ik ook aan? Dat het leven, hoe ik het mij ook voorstel, niets geven kan dan kwelling. Wij zijn toch allen maar geschapen om ons te kwellen; wij zijn ons dit wel bewust en zoeken slechts naar middelen om ons zelf te bedriegen, maar als men de waarheid inziet, wat moet men dan doen?"

"Het verstand is den mensch gegeven om datgene, wat hem hindert, te verwijderen," zeide de dame in het Fransch, blijkbaar over deze phrase zeer tevreden.

Deze woorden schenen een antwoord te zijn op Anna's gedachten.

"Datgene te verwijderen, wat iemand hindert," herhaalde zij bij zich zelf, en terwijl zij den man met zijn welgedane wangen en de magere vrouw aanzag, hield zij het er voor, dat deze ziekelijke vrouw zich beschouwde als iemand, die niet begrepen werd, en dat haar man haar in die meening liet en niet schroomde haar te bedriegen. Anna meende hun intiemste levensgeschiedenis te kennen, alsof zij in de schuilhoeken hunner harten kon zien. Maar zij vond daar niets belangwekkends in en ging derhalve verder in haar eigen gedachten voort.

"Ja, het hindert mij zeer en daartoe is ons het verstand gegeven, dat wij het dan verwijderen. Waarom dan het licht niet uitgebluscht, als het ons tegenstaat dat alles te zien? Maar hoe? Waarom liep zooeven die conducteur op de loopplank? Waarom tieren die jongelieden zoo in dien wagen? En wat beteekent hun lachen? Alles is onwaarheid, geveinsdheid, dwaasheid…."

De trein hield aan het station stil. Anna stapte uit en bevond zich nabij de menigte passagiers; dewijl zij zich echter van hen als van melaatschen trachtte verwijderd te houden, bleef zij op een vrije plaats van het perron staan en trachtte zich te bezinnen waarom zij hier gekomen was en wat zij eigenlijk wilde. Alles wat haar te voren zoo gemakkelijk te volvoeren had toegeschenen, viel haar nu onder deze gedruismakende, akelige menschen, die haar geen rust lieten, moeielijk en zwaar om geregeld te overleggen. Nu kwamen de pakjesdragers bij haar en boden hun diensten aan, toen drongen de luidruchtige jongelieden haar voorbij en zagen haar aan, dan weder liep men haar bijna omver. Terwijl zij zich herinnerde, dat zij wilde doorreizen, als er geen antwoord was, hield zij een besteller aan en vroeg hem, of er niet een koetsier van graaf Wronsky met een boodschap was.

"Graaf Wronsky? Er is juist iemand van hem hier geweest. Men heeft vorstin Sorakina met haar dochter afgehaald. Hoe ziet er de koetsier uit?"

Op dit oogenblik dat zij nog met elkander spraken, kwam de koetsier Michaël in zijn donkerblauwe livrei op haar toe, blijkbaar trotsch er op dat hij zijn zending zoo snel kon volbrengen, en reikte haar een brief over. Zij opende hem haastig, maar vóór zij hem gelezen had, kromp haar hart in een:

 "Het spijt mij, dat je brief mij niet tijdig is geworden. Ik
 kom
 om tien uur."—Wronski.

Het briefje was met slordige hand geschreven.

"Zoo! dat heb ik verwacht!" zeide zij met een boozen lach. "Goed! Je kunt naar huis rijden," wendde zij zich zacht tot Michaël. Zij sprak zacht, daar het heftig kloppen van haar hart haar ademhaling belemmerde.

"Neen, ik laat mij niet kwellen," dacht zij. Maar deze bedreiging richtte zij noch tegen hem noch tegen zichzelf, maar tegen datgene, wat haar kwelde. Zij verliet het perron en begaf zich ter zijde van het stationsgebouw.

Twee dienstmeisjes, die het perron op- en nedergingen, richtten de blikken op haar en maakten opmerkingen over haar toilet. "Echte!" zeiden zij, bedoelende de kanten aan haar japon. Ook een paar jonge mannen zagen haar in het gelaat en lachten tegen elkander. De stationschef vroeg haar in het voorbijgaan, of zij op den trein wachtte. Een kleine jongen, die kwas verkocht, hield de oogen op haar gevestigd.

"Mijn God, waar zal ik heen?" dacht zij en ging verder tot aan het perron, waar zij bleef staan. Eenige dames en kinderen, die een heer met een bril op hadden opgewacht en nog luid spraken en lachten, werden stil en beschouwden haar toen zij naderde.

Toen versnelde zij haar schreden, ging hen voorbij en trad naar den rand van het perron. Een goederentrein naderde. Het platform dreunde en het scheen haar alsof zij weer medereed.

Plotseling herinnerde zij zich dien man, die op den dag harer eerste ontmoeting met Wronsky overreden was, en nu wist zij, wat zij had te doen. Met snelle, lichte schreden ging zij de loopplank af, die aan het einde van het perron naar beneden voerde tot aan de rails. Zij zag den machinist in zijn buis, die haar verwonderd aankeek, zij zag het groote door den hevel bewogen rad—de locomotief ging voorbij.

"Daarheen?" zeide zij en staarde met afschuw op het met kolenstof vermengde kiezel, waarmede de baan overdekt was. Zij luisterde naar haar steeds heftiger wordend hartkloppen: "En ik zal hem straffen, ik wil mij niet laten kwellen, ik zal mij van allen en ook van mij zelf bevrijden."

De eerste wagen rolde voorbij, de tweede volgde. Zij wierp het roode taschje, dat zij in de hand had, van zich. Zij was zich bewust, dat zij iets meer beslissends en onherroepelijks ging doen dan zij ooit in haar leven gedaan had. Uit gewoonte hief zij werktuigelijk de hand op, bekruiste zich, viel op de knieën op een der rails en boog het hoofd voorover. De zoo gewone beweging van het kruisteeken te maken riep plotseling in haar ziel een rij van herinneringen uit haar jeugd en aan gewichtige oogenblikken haars levens te voorschijn. Een oogenblik schitterde de glans van het vluchtende leven nog voor haar oogen.

"Wat doe ik? Waar ben ik? Waarom?"

Zij wilde zich weer oprichten; maar een reusachtige, onverbiddelijke, donkere massa sloeg haar tegen het hoofd, stiet haar neder en sleepte haar aan den rug met zich voort.

"Mijn God! vergeef mij alles!" riep zij.

Het zwarte zand en kolenstof kwamen nader, zij viel er met het gelaat op neder. Het boertje, dat zij gezien had, boog zich, iets mompelende, van de trede van den waggon boven eene der ijzeren rails over haar henen. En het licht, waarbij de ongelukkige het met kommer, strijd, leugen en dwaasheid gevulde levensboek had gelezen, begon te sissen, verdonkerde, flikkerde nog eenmaal op en werd toen uitgebluscht voor altijd….

XXVI.

Een paar maanden waren verloopen. In de omgeving van Sergej Iwanowitsch Kosnischew sprak en schreef men over niets anders dan over het Slavische vraagstuk en over den Servischen oorlog. Al wat gewoonlijk de ledigloopende menigte doet om den tijd te dooden, werd nu voor de Slavische broeders gedaan. Bals, concerten, redevoeringen, de damestoiletten, de hotels, alles verried de belangstelling voor de Slaven.

Met veel van hetgeen men zoo sprak en schreef stemde Sergej Iwanowitsch niet in. Hij erkende, dat de Slavische vraag tot modezaak was geworden, en erkende ook, dat velen er zich uit eerzuchtige en zelfzuchtige beweegredenen mede bezig hielden. Hij zag in, dat de dagbladen sterk overdreven en veel papier nutteloos bedrukten met het eenig doel, de opmerkzaamheid tot zich te trekken en de andere te overschreeuwen. Hij bespeurde, dat zich bij deze algemeene geestdrift de onvergenoegden en tot hiertoe teruggezetten het luidruchtigst naar voren drongen en dat zich allerlei belachelijke lichtzinnigheid ruim baan maakte; maar hij bemerkte ook een ongetwijfeld oprechte, zich steeds meer verbreidende geestdrift, die alle klassen der samenleving vereenigde en bepaalde waardering verdiende. De strijd der geloovige, Slavische broeders vroeg deelneming en vijandschap tegen hunne onderdrukkers. Maar bizonder was Sergej Iwanowitsch over zulk eene uiting der openbare meening verheugd. Het publiek had duidelijk zijn gevoelen doen blijken. De ziel des volks, zooals hij het noemde, had een uitdrukking gevonden. En hoe meer hij zich met deze zaak bezig hield, des te duidelijker werd het hem, dat zij van een reusachtige, geschiedkundige beteekenis zou worden.

Derhalve wijdde hij zich geheel aan den dienst dezer groote zaak, en zijn tijd was er zoozeer door in beslag genomen, dat hij aan alle hem gestelde eischen niet kon voldoen.

Nadat hij de geheele lente en een deel van de zomer had gewerkt, kwam hij er eerst in Juli toe naar buiten te gaan en zijn broeder Lewin te bezoeken. Hij begaf zich er heen om, een paar weken op het land teruggetrokken, den volksgeest in zijn verheffing waar te nemen en wat tot verhaal te komen. Katawassow, die al lang beloofd had Lewin te bezoeken, vergezelde hem.

Toen Sergej Iwanowitsch en Katawassow aan het station afstapten, kwamen daar te gelijk verscheiden vrijwilligers met droschken aan. Zij werden door dames met bloemkransen en door oen toegestroomde volksmenigte ontvangen.

Een der dames kwam uit de wachtkamer en wendde zich tot
Sergej Iwanowitsch.

"Is u ook gekomen om hen uitgeleide te doen?"

"Neen, vorstin, ik reis op eigen hand om mij bij mijn broeder op het land wat te verfrisschen. En u doet hen steeds uitgeleide?" antwoordde hij glimlachend.

"Ja, dat is toch noodig," zeide de vorstin. "Is het waar, dat er achthonderd van de onzen zijn?"

"Meer. Hen medegerekend, die niet over Moskou de reis hebben gemaakt, zijn er meer dan duizend," zeide Kosnischew.

"Ziet u? Dat heb ik al dadelijk gezegd," antwoordde de dame verheugd:
"En is het waar, dat men al over het millioen bijeen heeft?"

"Meer, vorstin."

"En het laatste telegram? Zijn de Turken geslagen?"

"Ja, ik heb het zooeven gelezen," antwoordde Kosnischew.

"Het bericht wordt bevestigd, dat in de laatste drie dagen de Turken overal geslagen zijn, en morgen verwacht men den beslissenden veldslag."

"Weet u reeds, dat graaf Wronsky, de beruchte, met dezen trein vertrekt?"

"Ja, dat hij ook aan den strijd wil deelnemen, heb ik gehoord, maar ik wist niet wanneer hij zou vertrekken. Dus met dezen trein?"

"Ik heb hem gezien. Hij is hier; alleen zijn moeder vergezelde hem. Dat is nog altijd het beste, wat hij doen kan."

"O ja, zeker."

Op dit oogenblik drong de menigte, om wat middageten te bekomen, naar de restauratiezaal. Zij werden medegesleept en hoorden de luide stem van een heer, die met een champagneglas in de hand een toespraak tot de vrijwilligers hield.

"Gij gaat strijden voor ons geloof, voor de menschheid, voor onze broeders!" zeide de heer met steeds meer klimmende stem. "Moeder Moskou zegent u voor eene groote zaak. Jivio!"'besloot hij luid en met ontroerende stem.

"Jivio! Jivio!" schreeuwden allen en een nieuwe menigte stroomde de zaal in en klonk met de gravin.

"Ach! Vorstin! Wat zegt u er van?" vroeg Stipan Arkadiewitsch met een vroolijken lach en een stralend gelaat, terwijl hij plotseling te midden van de menigte verscheen. "Niet waar? zeer schoon en warm gesproken! Bravo! En ziedaar, Sergej Iwanowitsch! U moet ook eenige woorden spreken, weet u, als blijk van waardeering en tot opwekking. U kan dat zoo goed!" liet hij er, zijn arm aanrakende, met een vleiend, aanmoedigend lachje op volgen.

"Neen, ik reis dadelijk door."

"Waarheen?"

"Naar mijn broeder op zijn landgoed," antwoordde Kosnischew.

"O, dan ziet u ook mijn vrouw. Ik heb aan haar geschreven, maar u ziet ze toch vroeger. Wees zoo goed en zeg haar, dat het All right is. Zij zal het begrijpen. Zeg haar ook, dat ik gekozen ben tot medelid van de commissie … zij weet wel wat ik bedoel. Vous savez, les petites misères de la vie humaine!" wendde hij zich verontschuldigend tot de vorstin. "En Miagkaja—niet Lisa, maar Bibiche—, zendt geweren en twaalf liefdezusters. Weet u het al?"

"Ja, ik heb het gehoord," antwoordde Kosnischew op koelen toon.

"Hoe jammer dat u vertrekt," zeide Stipan Arkadiewitsch. "Wij geven morgen aan twee vrijwilligers—Bartenjansky uit Petersburg en onzen Wassja Wesslowsky—een afscheidsdiner. Zij gaan allen heen! Wesslowsky was eerst onlangs getrouwd en vertrekt nu al. Is dat niet mooi?"

De vorstin zag Kosnischew aan. Beiden schenen gaarne van hem los te willen zijn, maar dat hinderde Stipan Arkadiewitsch niet in het minst. Hij zag lachend nu op de veer van den hoed der gravin, dan naar alle zijden in het rond, alsof hij zich iets in het geheugen wilde terugroepen. Toen hij eene dame met een bus voorbij zag gaan, riep hij ze en legde er een bankbiljet van vijf roebel in.

"Ik kan deze bussen niet onverschillig aanzien, zoolang ik nog geld in den zak heb," zeide hij. "Wat zegt u van het laatste telegram? Dappere knapen die Montenegrijnen!"

"Wat u zegt!" riep hij uit, toen de vorstin hem mededeelde, dat Wronsky met dezen trein ging. Zijn gelaat drukte op dat oogenblik droefheid uit, maar reeds in het volgend oogenblik, nadat hij even had gezucht en met sidderende hand langs zijn baard had gestreken, trad hij de kamer binnen, waarin Wronsky zich bevond; hij had al zijn zuchten over den dood zijner zuster vergeten en zag in Wronsky nog slechts den held en zijn ouden vriend.

"Bij al zijn gebreken moet men hem toch recht laten wedervaren," zeide de vorstin tot Kosnischew, toen Oblonsky haar had verlaten: dat is een echt Russische, een Slavische natuur. Ik vrees slechts, dat het Wronsky onaangenaam zal zijn hem te zien. Wat zij ook mogen zeggen, mij roert het noodlot van dezen man. Spreekt u hem onderweg?"

"Ja, wellicht! Als het zoo valt."

"Ik was nimmer met hem ingenomen. Naar wat hij nu doet maakt weer veel goed. Niet slechts gaat hij zelf mede, maar hij heeft een geheel escadron op zijn kosten uitgerust."

"Ja, ik heb daarvan gehoord."

Er werd geluid. Allen drongen zich naar de deuren.

"Daar is hij," zeide de vorstin en wees op Wronsky, die in een langen zwarten jas en met een breedgeranden zwarten hoed op aan den arm zijner moeder daar aankwam. Naast hem ging Oblonsky, die levendig sprak.

Waarschijnlijk door Oblonsky opmerkzaam gemaakt, wendde hij zich naar de zijde, waar Kosnischew met de gravin stond en nam zwijgend den hoed af. Zijn gelaat was verouderd en zag er lijdend uit, maar scheen echter als uit steen gehouwen. Hij ging naar het plateforme van den wagen, liet zwijgend zijn moeder voorbijgaan en verdween in de wagenafdeeling.

Op het perron werd het roepen der menigte gehoord: "God behoede den czaar! Hoera en Jivo!" Een der vrijwilligers, een lange nog zeer jonge man met ingevallen borst, stelde zich bizonder op den voorgrond, terwijl hij zijn vilten hoed en bloemruiker boven zijn hoofd zwaaide.

Gedurende het oponthoud in de hoofdstad van het gouvernement ging Sergej Iwanowitsch niet in de restauratiezaal, maar bleef het perron op- en nedergaan. Toen hij Wronsky's wagon voorbij kwam, zag hij voor het venster de oude gravin. Zij riep hem aan.

"Ik ga ook met dezen trein," zeide zij, "en vergezel hem tot Kursk."

"Ja, dat heb ik al gehoord," zeide Kosnischew en zag tot haar op. "Dat is een loffelijke daad van hem," liet hij volgen, toen hij bemerkte, dat Wronsky niet aanwezig was.

"Ja, na zijn ongeluk…. Wat bleef hem anders over?"

"Een verschrikkelijke gebeurtenis!" zeide Kosnischew.

"Ach, wat heb ik doorleefd! Kom een oogenblik hier binnen…. Ach wat heb ik doorleefd!" hernam zij toen Kosnischew binnentrad en naast haar op de kussens ging zitten. "Men kan zich dat niet voorstellen. Zes weken lang sprak hij met niemand en gebruikte slechts eenig voedsel, als men hem er toe drong. En geen oogenblik konden wij hem alleen laten. Alles hadden wij hem ontnomen, alles, waarmede hij zich kon dooden. Wij woonden in de benedenverdieping, maar men kon niet voorzichtig genoeg zijn. U weet immers, dat hij reeds eenmaal om harentwil op zich heeft geschoten," zeide zij en bij deze herinnering fronste de oude dame het voorhoofd. "Ja en het eindigde met haar, zooals het met zulk een vrouw eindigen moest. Zulk een gemeenen, vernederenden dood moest zij uitzoeken!"

"Wij mogen daarover niet oordeelen, gravin," zeide Kosnischew met een zucht. "Maar ik begrijp, hoe zwaar en pijnlijk het voor u moet geweest zijn."

"Ach, ik kan het u niet zeggen. Ik had toen mijn verblijf op mijn landgoed en hij was juist bij mij. Daar bracht men mij een brief. Hij schreef een antwoord en verzond het. Wij vermoedden niet, dat zij aan het station was. 's Avonds—ik had mij juist teruggetrokken—vertelde mijn Marie mij dat zich nabij het station een dame onder den trein had geworpen. Het was mij, alsof mij een beroerte trof. Ik wist dadelijk, dat zij het was. Het eerste, wat ik zeide, was: De graaf mag er niets van vernemen! Maar men had het hem reeds gezegd. Zijn koetsier was daar geweest en had alles mede gezien. Toen ik zijn kamer binnen ijlde, was hij reeds zich zelf niet meer. Het was verschrikkelijk hem aan te zien. Hij sprak geen woord en snelde heen. Ik weet niet wat daar geschied is, maar men bracht hem als dood naar huis. Ik herkende hem nauwelijks. Daarop greep hem een soort van razernij aan. Maar hoe zou ik het kunnen verhalen? Het was een ontzettende tijd. Neen, wat men ook zeggen mag, zij was een slechte vrouw. Wat moet men zeggen, van zulke wanhopige harstochten? Zij heeft daardoor zich zelf en twee voortreffelijke menschen, haar echtgenoot en mijn ongelukkigen zoon te gronde gericht.

"Wat heeft Karenin gedaan?"

"Hij heeft het dochtertje tot zich genomen. Mijn Aläscha stemde in het begin in alles toe; maar nu grieft het hem verschrikkelijk, dat hij zijn kind aan een vreemden man heeft overgelaten. Maar hij kan zijn woord niet terugnemen. Karenin was voor de begrafenis overgekomen, maar wij maakten, dat hij en Aläscha elkander niet ontmoetten. Voor hem, haar echtgenoot, is het zoo het best. Hij is van haar bevrijd. Maar mijn arme zoon heeft zich geheel aan haar overgegeven; alles heeft hij voor haar opgeofferd, zijn carrière en mij, zijne moeder, maar toch heeft zij geen mededoogen met hem gehad, maar moest hem opzettelijk te gronde richten. Neen, wat men ook zeggen mag: haar dood was die eener afschuwelijke vrouw, eener vrouw zonder godsdienst. God moge het haar vergeven, maar ik moet haar aandenken haten, daar ik den ondergang mijns zoons voor oogen heb."

"Hoe is hij nu?"

"Deze Servische oorlog heeft God ons beschikt, want die is zijn redding! Ik ben al oud en begrijp van den staatkundigen toestand niet veel; men zegt: ce n'est pas très bien vu à Petersbourg, en als moeder vrees ik voor zijn veiligheid; maar wat te doen? Dat alleen kon hem nog weer tot leven wekken en oprichten. Jawschin, zijn vriend, heeft alles verspeeld en zich ook naar Servië begeven. Deze kwam bij hem en heeft hem overreed. Dat dwingt hem nu ten minste tot inspanning en werkzaamheid. Ach, ik bid u, spreek eens met hem; ik wilde zoo gaarne, dat hij eenige afleiding had. Hij is zoo somber. Hij zal u gaarne zien. Ik bid u, spreek hem eens aan. Hij gaat aan de andere zijde op en neer."

Sergej Iwanowitsch begaf zich naar de andere zijde van den trein.

Tusschen de pakken en kisten, die op het perron lagen opgestapeld, ging Wronsky in zijn lange paletot, met de handen in de zakken, als een dier in de kooi, op en neder, terwijl hij steeds op twintig passen snel terugkeerde. Toen Sergej Iwanowitsch hem naderde, scheen het dezen, dat Wronsky hem niet wilde opmerken. Maar Kosnischew was hierboven verheven. Wronsky was nu in zijn oogen slechts een belangwekkend deelgenoot in een groot werk, en hij achtte het zijn plicht hem aan te moedigen en te troosten. Hij trad derhalve op hem toe.

Wronsky bleef staan, zag hem oplettend aan, kwam toen een stap nader en drukte hem zeer vast de hand.

"U wenscht wellicht mij niet te zien," zeide Sergej
Iwanowitsch. "Evenwel … misschien kan ik u nuttig zijn?"

"Niemands ontmoeting kon mij minder onaangenaam zijn, dan die van u," antwoordde Wronsky: "houd het mij ten goede. Het leven geeft niets aangenaams."

"Ik begrip u, maar ik wilde u mijne diensten aanbieden. Een brief aan Ristic of aan Milan zou wellicht nuttig kunnen zijn?"

"Ach neen," zeide Wronsky, alsof hij moeite had hem te begrijpen. "Als u wil, laat ons dan nog een poos op- en neergaan. In den waggon is het zoel. Een brief? Neen, ik dank u. Om te sterven behoeft men geene aanbevelingen, tenzij aan de Turken," antwoordde hij, en zijn mond glimlachte, maar zijn oogen behielden de uitdrukking van bittere droefheid.

"Maar men kan betrekkingen aanknoopen, die onder de bestaande omstandigheden nuttig zijn kunnen. Ik verheugde mij toen ik van uw besluit hoorde. Men had van vele zijden grieven tegen de vrijwilligers, maar een man als u zal hen in de publieke opinie verheffen."

"Ik heb slechts de verdienste, dat ik niet aan het leven hecht en genoeg kracht heb om een carré uit elkander te slaan of op de plaats te blijven. Dat weet ik. Ik verheug mij, dat er iets is waarvoor ik mijn leven kan wagen, dat mij niet slechts nutteloos schijnt, maar zelfs lastig is. Zoo kan het nog voor iets ten voordeel zijn." En hij maakte met de kin een ongeduldige beweging uithoofde van aanhoudende, kwellende tandpijn, die hem zelfs verhinderde met den gewilden nadruk te spreken.

"U zal weer geheel opleven, dat verspel ik u," zeide Kosnischew, die zich diep geroerd gevoelde. "Onze verdrukte broeders te bevrijden is een doel, waarvoor het waard is te leven en te sterven. God geve u een goeden uitslag op uw edel pogen en inwendigen vrede!"

"Ja, als werktuig mag ik wat zijn, als mensch ben ik eene ruïne," zeide hij en drukte krachtig de hand, die Kosnischew hem toereikte. Hij zweeg en keek naar de raderen van den tender, die langzaam en gelijkmatig over de rails voortrolden. Een diepe smart stond in zijn trekken te lezen. De tender en het spoor riepen haar, of liever wat van haar overgebleven was, in zijn geheugen terug zooals hij haar gezien had, toen hij half waanzinnig de loods bij het station binnengestormd was; daar had zij gelegen, nog onlangs vol leven, toen een bloedig lichaam, schaamteloos uitgestrekt voor de oogen van vreemden! Het achterwaarts gebogen hoofd met de zwarte vlechten en de fijne krulletjes langs de slapen was ongedeerd gebleven; op het schoon gelaat en de half geopende roode lippen scheen een versteende, roerende klacht te liggen, maar in de wijdgeopende oogen lag een ontzettende uitdrukking, die duidelijker dan met woorden het verschrikkelijke woord uitsprak: "gij zult er berouw van hebben…."

Hij gaf zich moeite zich haar zoo te herinneren, als hij haar de eerste maal aan het station ontmoet had, zoo poëtisch schoon en aanlokkend, zoo vol levenslust en behoefte aan geluk en zelf geluk verspreidend, niet zoo bitter en wraakzuchtig als hij zich haar uit hun laatst bijeenzijn herinnerde…. Hij trachtte de schoonste met haar beleefde oogenblikken te voorschijn te roepen, maar deze waren nu voor altijd vergiftigd. Zij stond hem nu nog slechts voor oogen in haar opgewonden toorn en haar zegevierend besluit om zich te wreken…. En hij gevoelde geen tandpijn meer, een snikken schokte zijn geheele wezen!

Nadat hij eenige malen zwijgend de vrachtgoederen was voorbijgegaan, had hij de heerschappij over zich zelf herwonnen en wendde zich nog eenmaal kalm tot Sergej Iwanowitsch, die hem weder voorbijging.

"Is er sedert gisteren nog geen nieuw telegram aangekomen?"

"Ja, zij zijn voor de derdemaal geslagen, maar morgen verwacht men een beslissenden veldslag."

Nadat zij nog een oogenblik over Milans proclamatie tot koning en van de gevolgen dezer gebeurtenis hadden gesproken, keerden zij na het tweede bellen ieder naar zijn waggon terug.

XXVII.

Daar Sergej Iwanowitsch eerst in het laatste oogenblik tot zijn vertrek naar buiten had besloten, had hij zijn broeder daarvan geen bericht gezonden. Lewin was derhalve niet te huis toen Kosnischew en Katawassow in een tarantas, die zij aan het station gehuurd hadden, bestoven als Arabieren, des middags om twaalf uur voor zijn huis stilhielden. Kitty zat met haar vader en Dolly op het balkon. Zij herkende haar zwager en snelde naar beneden hem te gemoet.

"Je moogt je wel schamen, dat je ons niets hebt laten weten!" zeide zij, terwijl zij hem de hand reikte en het voorhoofd hem tegenhield. "Je ziet, dat we heel goed hebben gereden zonder je moeite te veroorzaken," antwoordde Sergej Iwanowitsch. "Maar ik ben zoo bestoven, dat ik u bijna niet durf naderen. Ik had zooveel drukten, dat ik vooraf niet kon bepalen, wanneer ik mij zou kunnen losrukken. Maar gijlieden hier geniet, als altijd, in je stille hoekje een vreedzaam geluk…. Hier onze oude vriend Fedor Wassilitsch is er ook eens uitgevlogen."

"Denk niet, dat ik wezenlijk een neger ben; als ik mij heb gewasschen, zal ik een menschelijk voorkomen hebben," en zijn witte tanden schitterden tusschen zijn schalkachtig vertrokken lippen, terwijl hij haar de hand reikte.

"Kostja zal heel blijde zijn…. Hij is in het veld, maar hij zal wel terstond terug zijn."

"Altijd druk in de zaken. Maar wij zijn ook in Arkadië," zeide Katawassow.—Wij in de stad zien en hooren niets dan van den Servischen oorlog. Hoe denkt onze vriend daarover? Waarschijnlijk anders als andere menschen?"

"Ja, niet zooals allen," antwoordde Kitty een weinig verlegen en wendde zich tot Kosnischew: "Ik zal hem laten halen. Papa is ook hier. Hij is eerst onlangs uit het buitenland teruggekomen."

Zij liet dus naar Lewin zoeken, wees de bestoven gasten hun kamers, bestelde voor hen een verversching en ging toen weer naar het balkon.

"Dat zijn Sergej Iwanowitsch en Katawassow, de professor," zeide zij.

"Oef! dat is veel op eens met die warmte," meende de oude vorst.

"Neen, papa, hij is heel aardig en net en Kostja houdt veel van hem," zeide Kitty met een smeekend lachje, daar zij in zijn trekken een spottende uitdrukking bemerkte.

"Ik heb er niets tegen."

"Ga jij ze wat bezig houden, Dollylief," wendde zij zich tot deze. "Zij hebben onderweg Stiwa aangetroffen, hij is welvarend. Ik moet eens naar mijn kleinen Mitja. Hij heeft sedert van morgen niets gehad en zal ongeduldig worden. Hij zal misschien wakker zijn en schreien."

En met snelle schreden ijlde zij naar de kinderkamer.

Mitja schreide werkelijk. Reeds van verre hoorde Kitty zijn stem en verdubbelde haar schreden. De stem was krachtig en gezond, slechts hongerig en ongeduldig.

"Schreit hij al lang, Stanja?" vroeg Kitty, terwijl zij haastig op een stoel ging zitten en zich gereed maakte om hem de borst te geven. "Geef hem toch dadelijk hier. Wat ben je langzaam! Het mutsje kun je immers later vastbinden."

Het kind liet een vreeselijk hongerig schreeuwen hooren.

"Zoo kan het toch niet, moedertje," zeide Agasija Michailowna, die nu bijna altijd in de kinderkamer was; "hij moet toch eerst in orde gebracht worden." "Suja, suja," zong zij over hem gebogen, zonder zich aan de moeder te storen.

Stanja bracht eindelijk het kind naar zijn moeder. Agasija Michalowna ging achter hen heen met een gelaat overvloeiende van teederheid.

"Hij kent mij al! wezenlijk, hij kent mij!" riep zij uit.

Maar Kitty sloeg geen acht op haar; haar ongeduld vermeerderde met dat van het kind. Derhalve kwam ook de zaak niet dadelijk in orde. Het kind vatte niet juist aan zooals het moest en ergerde zich.

Eindelijk, na een laatste wanhopig geschreeuw gelukte het; moeder en kind werden nu gelijktijdig rustig en stil.

"Nu kun je wel gaan," fluisterde Kitty. "Hij zal inslapen. Maar het arme kind baadt in zweet." En zij betastte het van alle zijden. "Waarom denk je, dat hij je reeds kent?" liet zij volgen, en beschouwde met genoegen de oogjes, die van onder het mutsje haar tevreden en guitig schenen aan te kijken, zijn zachte wangen, die zich gelijkmatig opbliezen en de rooskleurige handjes, die zich onophoudelijk bewogen. "Dat is onmogelijk, want als hij iemand kende, zou hij mij het eerst kennen," antwoordde Kitty op Agasija's bewering.

"Als hij wakker wordt, zal u het zien, als God wil. Doe ik zóó, dan verheldert zijn gezichtje geheel," volhardde Agasija Michailowna. "Nu goed, goed! Wij zullen het wel zien," fluisterde Kitty! "Ga nu maar. Hij slaapt in."

Agasija ging op de teenen de kamer uit; Stanja liet de rouleaux neder, joeg de vliegen weg van achter de mousselinen gordijnen van het bedje en evenzoo een groote bromvlieg, die tegen de vensterruiten stiet, en nadat zij met een berkentak over moeder en kind gezwaaid had, ging zij zitten.

"Welk een hitte! Foei hoe warm! Als de hemel maar regen gaf!" zeide zij.

"Ja ja! St.!" antwoordde Kitty, terwijl zij teeder en licht Mitja, die de kleine oogjes nu opende, dan sloot, op haar schoot wiegde. Eindelijk hield ook het kleine handje op zich te bewegen. Het kind zag, terwijl hij slechts van tijd tot tijd zijn voedingsbezigheid voortzette en de lange wimpers ophief, zijn moeder aan met de vochtige oogjes, die in het half donker zwart schenen. Men hoorde de kindermeid niet meer; zij was zelf ingesluimerd. Van boven liet zich de stem vernemen van den ouden vorst en het gelach van Katawassow.

"Zij zijn ook zonder mij in discours geraakt," dacht Kitty, "maar het is toch ergerlijk, dat Kostja er niet is. Hij zal wel weer naar de bijenkorven zijn gegaan. Dat wekt altijd zijn belangstelling op. In de lente was hij somwijlen somber en gedrukt, nu zijn die phasen veel minder. Hij heeft te veel philosophieën gelezen en dat bracht hem tot ongeloof. Hij zegt zelf, dat hij geloovig wenschte te zijn; maar waarom is hij het dan niet? Waarschijnlijk omdat hij te veel denkt als hij alleen is. Is hij al een ongeloovige, mij dunkt, het is toch nog beter zóó te zijn dan zooals madame Stahl was en ik zijn wilde in Soden—neen, hij is oprecht en braaf."

En daarbij viel haar een onlangs door hem betoonde trek van goedheid in. Een paar weken geleden had Dolly van haar echtgenoot een berouwvollen brief ontvangen, waarin hij haar bezwoer zijn eer te redden en haar goed te verkoopen om daarmede zijn schulden te betalen. Dolly was buiten zich zelf; zij verachtte haar man, was toornig en had medelijden met hem, en het einde was, dat zij ten slotte inwilligde een deel van haar goed te verkoopen. En nu dacht Kitty bewogen en onwillekeurig glimlachend aan de verlegenheid en de ongeschikte pogingen om het middel, dat hij tot Dolly's redding had bedacht, haar voor te stellen, zonder haar te beleedigen. Hij zocht namelijk Kitty te overreden haar aandeel in Dolly's bezitting af te staan, wat haar zelf tot hiertoe niet in den zin was gekomen.

"Welk een ongeloovige is hij dan? Met zulk een hart en in gestadige zorg om niemand leed te doen! Alles heeft hij voor anderen over. Sergej Iwanowitsch acht het natuurlijk, dat Kostja zijn rentmeester is. Nu staan ook Dolly en haar kinderen onder zijn bescherming, en al de boeren komen dagelijks bij hem, alsof hij verplicht is hen te helpen…. Ja, wordt maar zoo goed als je vader!" dacht zij, terwijl zij met haar lippen Mitja's wang aanraakte en hem aan Stanja overgaf.