WeRead Powered by ReaderPub
Anna Karenina cover

Anna Karenina

Chapter 173: XXX.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel interweaves two principal narratives: one traces a married woman's passionate affair and the social, familial, and moral consequences that follow; the other follows a thoughtful man as he seeks purpose, wrestles with questions of work, faith, and the rhythms of rural life. Through detailed scenes of domestic routine and society, the book examines marriage, fidelity, isolation, public reputation versus inner life, and the search for meaning, contrasting urban social pressures with personal conscience and the restorative presence of the natural world.

XXVIII.

Lewin had een broeder gehad, Nicolaas Dimitritsch, van wien hij en zijn broeder Sergej langen tijd gescheiden waren geweest. Door verregaand losbandig gedrag had hij zijn vermogen verspild, zijn naam onteerd en zijn gezondheid verwoest. Er waren jaren verloopen, dat men niets van hem had vernomen, tot eindelijk een brief uit een kleine provincieplaats Lewin naar zijn sterfbed riep. Kitty wist, dat deze broeder bestond, maar had hem nimmer gezien.

Zij wilde Lewin ter zijde staan, toen een treurige en wellicht moeielijke taak hem werd opgelegd, en vergezelde hem naar den doodzieken broeder. Deze, wrevelig tegen de geheele wereld en niet geloovende aan zijn naderend einde, ontving hen in eene gemoedsstemming, die beiden bitter bedroefde, terwijl zij met pijnlijke smart die uitgeteerde gestalte beschouwden, op wier gelaat reeds de dood zijn teeken had geschreven. Kitty betoonde zich eene uitstekende verpleegster. Bij haar vrouwelijke zachtheid ontwikkelde zij zulk een geestkracht en moed als men van haar niet zou verwacht hebben. Het diep mededoogen, het geduld en de zelfopofferende liefde van dit schoon en beminnelijk wezentje oefenden een wonderbaar verzachtenden invloed op den ongelukkige uit. Diep ellendig, als hij in den laatsten tijd geweest was, had hij op zijn ziekbed de geheele wereld gevloekt. Ongeloovige en materialist, als hij zich steeds had voorgedaan, had hij steeds en ook toen hij reeds hopeloos ziek daarneder lag den spot gedreven met al wat op iets hoogers betrekking had. Zijn ingenomenheid met en eerbied voor deze schoonzuster, die hem voorkwam als een wezen uit andere en hoogere sfeer, opende zijn ziel voor het geloof aan onbaatzuchtige liefde, aan een oneindig wezen, dat de oorzaak is van al wat bestaat en een wezen vol liefde moet zijn. Toen het hem zekerheid was geworden, dat hij sterven ging, greep hij naar troost, bad hij om vergeving. De cynische zekerheid, die in ruw zingenot bevrediging had gezocht, had hem in die uren geheel begeven en plaats gemaakt voor vernedering, zelfverwijt, diep schuldgevoel. Hij trachtte te bidden en hoorde gretig naar de troostende woorden van Gods barmhartigheid, die een oude eerwaardige pope zijner kerk tot hem richtte.

Sedert het sterven van zijn broeder, dat op Lewin een diepen indruk had gemaakt, onderwierp hij het probleem van het leven aan een nieuwe beschouwing en plaatste het in een ander licht. De overtuiging, die van twintig tot vier en dertig jaar het geloof zijner kindsheid had vervangen, wankelde op haar grondslagen. Het leven scheen hem nog ontzaglijker toe dan de dood. Van waar kwam het? Wat beteekende het? Waartoe was het ons gegeven? Het organisme, zijn verwoesting, de onvergankelijkheid der stof, de wetten van het behoud en de ontwikkeling der krachten, deze woorden en de wetenschappelijke theorieën, die zich er aan verbonden, waren ongetwijfeld interessant ten opzichte van het intellectueele leven, maar waren ze voldoende in den loop van 's menschen bestaan?

Lewin was gelijk aan iemand, die door de barre koude gaande en zijn warme pels voor een mousselinen kleedij verwisseld hebbende, alsdan, niet door redeneering begrijpt, maar in zijn geheele lichaam voelt, dat hij naakt, beroofd en bestemd is om ellendig om te komen.

Van toen af gevoelde Lewin, zonder iets in zijn uitwendig leven te veranderen, zich steeds ontrust over zijn onwetendheid, daar hij gedrongen was met droefheid te erkennen, dat datgene, wat hij zijn overtuigingen noemde, wel verre van hem licht te geven, die dingen voor hem ontoegankelijk maakte, waaraan hij zulk een dringende behoefte gevoelde.

De dagelijksche beslommering en afleiding verdrongen wel deze gedachten, maar na de bevalling van zijn vrouw, toen hij te Moskou zonder bepaalde bezigheid leefde, keerden zij gedurig met klimmende hardnekkigheid terug.

Hij stelde zich de vraag aldus: "Indien ik de verklaringen van het Christendom omtrent het probleem van mijn bestaan niet aanneem, waar zal ik dan andere vinden?" En hij doorvorschte zijn wetenschappelijk systeem even vruchteloos, als hij een speelgoedwinkel of een arsenaal zou doorzocht hebben om er voedsel te vinden.

Onwillekeurig, onbewust, zocht hij in zijn lectuur, in zijn conversatie, in de personen, die hem omringden, een of ander aanrakingspunt met het onderwerp, dat hem geheel vervulde.

Eéne daadzaak verwonderde hem en hield hem meer bizonder bezig: waarom schenen de lieden zijner wereld, die grootendeels, even als hij, het geloof met de wetenschap hadden verwisseld, geen zedelijk lijden te ondervinden en volmaakt voldaan en tevreden te leven? Zou de wetenschap hen meer duidelijk en klaar antwoorden op deze verwarrende vragen? En hij begon de menschen en boeken, die de zoo vurig verlangde oplossing konden bevatten, te bestudeeren.

Hij ontdekte evenwel, dat hij in een grove dwaling was vervallen door met zijn makkers van de universiteit aan te nemen, dat de godsdienst iets zonder beteekenis is; zij, die hij het meest genegen was: de oude vorst, Lwof, Sergej Iwanowitsch, Kitty, bewaarden het geloof hunner jeugd, dat hij zelf had gedeeld; de vrouwen in het algemeen en het geheele volk geloofden.

Verder zag hij in, dat de materialisten, wier gevoelens hij deelde, aan deze geen bizondere beteekenis gaven en, verre van die vraagstukken te verklaren, zonder welker oplossing het leven hem onmogelijk scheen, schoven zij ze ter zijde om er in de plaats de definitie van andere voor te geven, die hem zeer onverschillig lieten, als: de ontwikkeling van het organisme, de mechanische verklaring der ziel e.z.v.

Sedert het gevaar, waarin zijn vrouw had verkeerd, had Lewin een vreemde ontroering ontwaard; hij, de ongeloovige, had gebeden … en gebeden met een oprecht geloof; maar zoodra hij tot kalmte was teruggekeerd, gevoelde hij, dat zijn leven onvatbaar was voor zulk een gesteldheid der ziel. Op welk een oogenblik was hem de waarheid verschenen? Kon hij toegeven, dat hij zich had bedrogen? Moest hij zijn heimwee naar God omdat het, als hij het door koude redeneering ontleedde, in het stof terugviel, als een bewijs van zwakheid beschouwen? Of zou het zijn ontstaan door het besef eener heilige waarheid, waarvan het gevoel in het menschelijk gemoed ligt verborgen?…. Deze strijd in zijn binnenste drukte hem pijnlijk en hij trachtte met al zijn krachten zich er van te bevrijden.

XXIX.

Overstelpt door deze gedachten, las en peinsde hij gedurig, maar het doel scheen zich meer en meer te verwijderen.

Overtuigd, dat het vruchteloos was in het materialisme een antwoord op zijn twijfelingen te zoeken, herlas hij sedert den laatsten tijd van zijn verblijf te Moskou en op het land Plato, Spinoza, Kant, Schelling, Hegel en Schopenhauer; deze bevredigden zijn verstand zoolang hij ze las of hun leerstellingen plaatste tegenover andere leerbegrippen, vooral tegenover de theorieën der materialisten; maar ongelukkig—zoodra hij, onafhankelijk van deze gidsen, de toepassing zocht op eenig twijfelachtig punt, verviel hij in dezelfde radeloosheid. De uitdrukkingen geest, wil, vrijheid, zelfstandigheid hadden voor zijn verstand slechts een zekeren zin voor zoover hij den kunstigen draad der gevolgtrekkingen dezer wijsgeeren volgde en zich hield aan hun fijne onderscheidingen; maar als hij ze beschouwde uit het oogpunt van het werkelijk leven, dan stortte de kunstige opstapeling ineen, en hij zag nog slechts een verzameling van woorden, die in geen verband stonden in met dat "zeker iets," dat in het leven nog noodzakelijker is dan de rede.

Schopenhauer kon hem slechts korten tijd eenige kalmte geven. Toen zocht hij de waarheid in een onfeilbare kerk, wat hem het gemakkelijkste scheen, maar toen het hem opviel, dat de Grieksche en de Katholieke kerk, die beiden beweerden onfeilbaar te zijn, elkander veroordeelden, begreep hij, dat de kerkelijke theologie hem evenmin voldoende grondslagen kon geven als de philosophie!

De geheele lente door was hij zich zelf niet en doorleefde hij smartelijke uren.

"Ik kan niet leven zonder te weten wat ik ben en wat het doel is van mijn bestaan," dacht Lewin.

"In de oneindigheid van den tijd, van de stof, van de ruimte vormt zich een organische cel, blijft een oogenblik bestaan en barst…. Deze cel ben ik!"

Dit treurige sophisme was liet eenige, het hoogste resultaat der werkzaamheid van het menschelijk denken gedurende eeuwen; dat was de slotsom van het geloof, waarop zich de nieuwste nasporingen van den wetenschappelijken geest grondden; Lewin had zich er zonder te weten waarom en eenvoudig omdat die theorie hem het helderst scheen, onwillekeurig van doorgedrongen.

Maar deze slotsom scheen hem nu niets anders dan een sophisme; hij zag er het vernielend werk in van een geest des kwaads; het was zijn plicht zich er aan te onttrekken; de macht daartoe was in ieders bezit … En Lewin, voorspoedig, bemind, gelukkig, bovendien echtgenoot en vader, dacht soms huiverend aan de mogelijkheid dat men in zijn geval er toe komen kon het leven af te werpen.

Maar hij bleef leven en strijden.

XXX.

Hoe meer Lewins geest geschokt was door de moeielijkheid om het probleem van zijn bestaan te ontleden, des te meer gaf hij zich over aan de bemoeiingen van het dagelijksch leven. Hij hervatte tegen de maand Juni zijn werkzaamheden op Prokowska: het bestuur over de landerijen van zijn zuster en van zijn broeder, zijn relatie's met zijn buren en zijn boeren: hij voegde er dit jaar een bijenjacht bij, die hem bezig hield en met ijver bezielde. Zonder er over te redeneeren, volbracht hij zijn nieuwe plichten en een zedelijk instinct zeide hem, dat 't zoo het beste was. Vroeger gaf het denkbeeld een goede daad te verrichten hem vooraf een zachten indruk van vreugde, maar de daad op zich zelf verwezenlijkte zijn hoop en verwachting niet, en hij begon spoedig te twijfelen aan het nuttige van zijn streven. Thans ging hij recht op het doel af zonder blijdschap, maar ook zonder aarzelen en de verkregen resultaten bleken voldoende te zijn. Hij groef zijn voor in den akker met de onbewustheid van den ploeg.

In plaats van over zekere levensvoorwaarden te redeneeren, nam hij ze aan als even noodzakelijk als het dagelijksch voedsel. Te leven naar het voorbeeld zijner voorvaders, hun ondernemingen voort te zetten, ten einde ze op zijn beurt na te laten aan zijn kinderen, daarin zag hij een plicht, waaromtrent niet viel te twijfelen, en hij wist, dat om dit doel te bereiken de grond moest bemest, bebouwd en onder zijn eigen toezicht bezaaid worden, zonder dat hij het recht had deze zorg aan zijn boeren over te laten. Hij wist evenzeer, dat hij hulp en bescherming moest verleenen aan zijn broeder, aan zijn zuster, aan vele boeren, die hem kwamen raadplegen, als aan kinderen, die hem waren toevertrouwd; zijn vrouw en Dolly hadden gelijk recht op zijn tijd, en dat alles legde ruimschoots beslag op zijn levensbestaan, waarvan hij, als hij er over peinsde, de beteekenis niet kon verklaren, 't Was een vreemde zaak: niet slechts stond zijn plicht hem duidelijk voor oogen, maar hij voelde ook geen twijfel omtrent de wijze om dien te betrachten in de bizondere gevallen van het dagelijksch leven; alzoo aarzelde hij niet zijn arbeiders zoo goedkoop mogelijk te huren, maar hij wist, dat hij zo niet moest huren boven noch beneden den normalen prijs; hij leende geld aan een boer om hem uit de klauwen van een woekeraar te rukken, maar bewees hem later geen gratie bij het betalen van de rente; hij strafte gestreng het stelen van hout, maar zou zich bezwaard gevoeld hebben het vee van een boer te schutten, dat gevonden werd op zijn weiden; hij hield het loon in van een arbeider, die uit hoofde van den dood zijns vaders gedwongen was het werk te midden van den oogst te verlaten, maar hij onderhield en verzorgde de oude dienaren, die niet meer werken konden; hij liet de boeren wachten om zijn te huis gekomen vrouw te gaan omhelzen, maar hij zou niet naar zijn bijenkorven hebben willen gaan zonder hen ontvangen te hebben. Hij trachtte dit persoonlijk wetboek niet uit te diepen of uit te pluizen en verwijderde de redeneering daarover, die den helderen en duidelijken blik op zijn plicht had kunnen benevelen. Zijn fouten vonden bovendien een gestrengen rechter in zijn geweten, dat altijd waakte en hem geen toegevendheid bewees.

Het was aldus dat hij leefde, het spoor volgend door het leven hem aangewezen, altijd zonder de mogelijkheid te zien het mysterie van het bestaan te verklaren en steeds gekweld door zijn onwetendheid en de vrees, dat de wanhoop van den zelfmoordenaar hem zou kunnen overmeesteren.

XXXI.

De dag der aankomst van Sergej Iwanowitsch te Pakrowsky was voor
Lewin vol gemoedsaandoeningen geweest.

Men was aan het drukste tijdstip van het jaar gekomen, aan datgene, dat een inspanning van krachten vereischte, die men niet genoeg waardeert, omdat ze geregeld terugkeert en slechts eenvoudige uitkomsten oplevert. Maaien, garven binden, het koren binnen brengen, op nieuw ploegen en zaaien,—dit zijn werkzaamheden, die niemand verwonderen, maar om ze te volvoeren in den korten tijd door de natuur verleend is het noodzakelijk, dat jong en oud het werk aangrijpen, men moet zich drie of vier weken vergenoegen met brood, uien en kaas, men kan slechts eenige uren slapen, men kan dag of nacht niet ophouden, en dit verschijnsel herhaalt zich ieder jaar door geheel Rusland.

Lewin gevoelde zich in dat opzicht één met het volk; hij ging 's morgens vroegtijdig naar het veld, kwam terug om te ontbijten met zijn vrouw en zijn schoonzuster, dan ging hij naar de bouwhoeve, waar hij altijd wat te besturen vond. En terwijl hij het opzicht hield over de werkzaamheden of zat te praten met zijn schoonvader en de dames, vervolgde hem dezelfde vraag: "Wie ben ik? Waar ben ik? Waartoe ben ik?"

Toen hij bij de met nieuw stroo gedekte schuur stond, zag hij het door de dorschmachine opgejaagde stof in de lucht dansen, het stroo zich buiten de machine verspreiden op het door de zon beschenen gras, terwijl de zwaluwen zich verborgen onder het dak en de arbeiders de wijk namen naar het binnenste gedeelte der schuur, waar de schaduw het donkerst was.

"Waartoe dat alles?" dacht hij; "waartoe ben ik hier om over hen het opzicht te houden en zij, waarom toonen zij hun ijver ten mijnen behoeve? Daar is mijn oude vriendin Matrone (een groote magere vrouw, die hij van een brandwond had genezen en die dapper den grond schoffelde), ik heb ze genezen, dat is waar, maar zoo al niet thans, dan zal zij toch over een jaar of over tien jaren naar het graf worden gedragen, evenals dat mooie jonge meisje, dat de elegante speelt, als dat afgematte paard …, als Fedor, die het opzicht heeft bij de dorschmachine en met zooveel gezag de vrouwen bevelen geeft,—en het zal hetzelfde zijn met mij…. Waarom?" en in nadenken verzonken raadpleegde hij werktuigelijk zijn horloge om de taak der arbeiders te bepalen, liet Lewin de arbeiders uiteengaan en knoopte met Fedor een gesprek aan en ondervroeg hem ten opzichte van een rijken boer, Platon geheeten, die weigerde het land te huren, dat hij te voren aan een vereeniging had verpacht en dat het laatste jaar door een boer was bebouwd.

"De prijs is te hoog, Constantin Dimitritsch," zeide Fedor.

"Maar waarom heeft Mitionik dien het laatste jaar betaald?"

"Platon zal niet denzelfden prijs betalen als Mitionik," zeide de arbeider op af keurenden toon; de oude Platon zou zijn naaste niet het vel over de ooren halen; hij heeft medelijden met den geringen man en zou hem, als het noodig was, crediet geven."

"Waarom zou hij crediet geven?"

"De menschen zijn niet allen gelijk: de een leeft voor zijn buik, zooals Mitionik, de ander voor zijn ziel, voor God, zooals de oude Platon."

"Wat noem je voor zijn ziel, voor God leven?" vroeg Lewin haastig op luiden toon.

"Dat is eenvoudig: leven volgens Gods wil, volgens de waarheid. Niet allen doen zoo, dat is zeker, maar sommigen wel. U, bijvoorbeeld, Constantin Dimitritsch, u zou geen onrecht doen, ook niet tegen den geringen man."

"Ja, ja … vaarwel!" prevelde Lewin, ten prooi aan een levendige gemoedsbeweging, en zijn stok nemende, richtte hij zijn schreden huiswaarts.

"Leven voor God, volgens de waarheid … voor zijn ziel," deze woorden van den boer vonden weerklank in zijn hart; en onduidelijke gedachten, maar waarvan hij het heilrijke gevoelde, bewogen zich in zijn geest; zij ontsnapten uit een schuilhoek van zijn ziel, waar zij langen tijd waren besloten geweest, om nu een nieuw licht voor hem to doen opgaan.

XXXII.

Lewin ging met groote passen zijn weg, beheerscht door een geheel nieuwe gewaarwording; de woorden van den boer waren in zijn ziel gevallen als een electrieke vonk en de onzekere, duistere denkbeelden, die hem eigen waren geweest, schenen te wijken en plaats te maken voor gevoelens, die zijn hart vervulden met blijdschap.

"Niet leven voor zich zelf, maar voor God! … Welke God? Is het niet onzinnig te beweren, dat wij niet voor ons zelf, d.i. voor 't geen ons behaagt en aantrekt, moeten leven, maar voor God, dien niemand kan begrijpen of verklaren? … Evenwel heb ik deze onzinnige woorden begrepen, ik heb niet getwijfeld aan hun waarheid … ik heb er dezelfde beteekenis aan gehecht als die boer en ik heb misschien nooit iets zoo goed begrepen.

"Fedor beweert, dat Mitionik leeft voor zijn buik, ik weet dat het waar is; wij redelijke wezens leven bijna allen zoo. Maar Fedor zegt ook, dat men moet leven voor God volgens de waarheid, en ik begrijp dit even goed…. Ik en millioenen menschen, rijk en arm, ontwikkeld en eenvoudig, in het verledene en het tegenwoordige, wij stemmen overeen, dat men moet leven voor God en de waarheid, d.i. voor het goede.

"Niet het ontledend verstand, niet de philosophie, maar het gemoed zegt ons, dat het zoo zijn moet.

"Zou ik daarin werkelijk de oplossing van mijn twijfelingen hebben ontdekt en nabij hebben gevonden, wat ik in de verte zocht?"

Lewin vervolgde zijn weg, ongevoelig voor warmte en vermoeienis, maar overstelpt door zijn gewaarwordingen, en in de behoefte om rustig na te denken, verliet hij den weg en ging het bosch in, waar hij zich onder de dichte schaduw van een boom op het gras nedervleide, en zette toen zijn overpeinzingen voort.

"Ik moet mijn indrukken verzamelen….

"Ik geloofde vroeger, dat in mijn lichaam, evenals in dat van het insect, een ontwikkeling der stof werkte volgens sommige physische, chemische en physiologische wetten: eene onophoudelijke werking en worsteling, die zich tot alle uitstrekt: tot de boomen, de wolken, den nevel…. Maar waar liep dat streven op uit? Was de worsteling met het oneindige mogelijk?… En ik verwonderde mij langs dezen weg, in weerwil van de uiterste pogingen, niets te vinden, dat mij opheldering gaf omtrent de beteekenis van het leven, van de aandrift, van het verlangen, dat ons bezielt…. Dit hoogere zintuig is evenwel zoo levendig en helder in mijn binnenste, dat het de grond van mijn wezen uitmaakt; en toen Fedor mij zeide: 'Leven voor God en voor zijn ziel,' heb ik mij evenzeer verblijd als verwonderd hem het vraagstuk zoo eenvoudig te hooren oplossen.

"Ik heb niets ontdekt, ik wist het al…; ik heb eenvoudig de kracht erkend, die mij eens het leven heeft geschonken en het mij nu wedergeeft. Ik gevoel mij bevrijd van twijfel en verwarring…. Ik zie mijn Meester!…"

Hij herinnerde zich den loop zijner gedachten sedert den dag dat bij het zien van den stervenden broeder het denkbeeld van den dood hem diep had getroffen. Toen was het, dat hij duidelijk begreep, dat de mensch, als hij geen ander uitzicht heeft als lijden, dood en eeuwige vernietiging, er toe komen moet, onder de gedachte aan zelfmoord, het probleem van ons bestaan te verklaren op eene wijze, die er slechts de wreede ironie van een kwaadwillig wezen in kan zien. Maar zonder er in te slagen iets te verklaren, had hij zich toch niet gedood; hij was gehuwd, hij had nieuwe blijdschap gekend, die hem gelukkig maakte, als zij niet gekruist werd door zijn verwarde en donkere gedachten.

Wat bewees deze inconsequentie? Zijn leven was toch nog beter geweest dan zijn leer. Zonder het te weten was hij staande gehouden door die waarheden des geloofs, die hij met de moedermelk had ingezogen, hoewel zijn verstand ze miskende. Nu begreep hij, hoeveel hij er aan te danken had….

"Wat zou ik geweest zijn, als ik niet had geweten, dat ik voor God moest leven en niet voor de voldoening mijner behoeften? Ik zou hebben gelogen, gestolen, gemoord…. Geen der edele genoegens, die het leven mij geeft, zou voor mij hebben bestaan…. Ik was zoekende naar een oplossing, die wijsgeerige bespiegeling niet kon geven, en ook slechts het gemoed en het leven zelf gaven mij een antwoord. En deze kennis heb ik niet veroverd, zij is mij gegeven gelijk al het overige. Zou de bespiegeling mij ooit hebben aangetoond, dat ik mijn naaste moet liefhebben in plaats van hem te verworgen? Toen men het mij evenwel onderwees in mijn jeugd, geloofde ik het gemakkelijk en dit is de reden, dat ik het steeds wist. Het bewijs, dat het onderricht der rede levert, is de strijd om het bestaan, de wet, die eischt, dat elke hinderpaal, die de voldoening onzer begeerten in den weg staat, wordt verbrijzeld; de zelfzuchtige verwoesting is logisch,—terwijl het volstrekt niet met de gevolgtrekking der koude redeneering strookt zijn naaste lief te hebben. O hoogmoed en dwaasheid," dacht hij, "gevolg van de sluwheid en doortraptheid der koude redeneering van het verstand!…"

XXXIII.

"Ik meende," dacht hij verder, "door koele bespiegelingen te zijn ingedrongen in de geheimen der natuur en het probleem van het menschelijk leven tot zekere hoogte te hebben opgelost. Doen ook de wijsgeeren niet zoo met hun stelsels? En ziet men niet duidelijk in de onthulling van elke theorie eenigszins de beteekenis van het menschelijk leven aangewezen zooals de boer Fedor ze opvat? Zij komen er altijd minder of meer toe, maar dikwijls door een dubbelzinnige redeneering. Laat ons eens overgelaten zijn aan onze rede, aan onze driften, zonder de kennis van onzen Schepper, zonder het zedelijk besef van goed en kwaad…. Welke uitkomst zouden wij verkrijgen? Men werpt soms zijn geloof over boord, omdat men er van verzadigd meent te zijn en als de kinderen, die de waarde van hetgeen zij genieten niet inzien, hunkert men naar iets nieuws, dat in valschen glans schittert en waarmede men zich toch niet voeden kan. Ik, een Christen, opgevoed in het geloof, bevoorrecht met de weldaden van het Christendom, zonder er het rechte besef van te hebben gehad, ik heb getracht de essence van mijn leven te vernietigen…. Maar in de uren van lijden en smart heb ik tot Hem geroepen, die de bron van alle licht en leven is, en ik hoop, dat mijn gevaarlijke opstand tegen Hem mij is vergeven."

"Neen, de rede heeft mij niets geleerd; wat ik weet is mij gegeven, is te voorschijn gebracht uit het gemoed en door het geloof van het Christendom."

"De kerk?" hernam hij, zich omkeerende en ziende naar een troep vee, die naar de rivier ging. "Kan ik waarlijk alles gelooven, wat de kerk leert?" vroeg hij zich zelf en kwam op een punt, dat zijn verkregen rust eenigszins verstoorde. En hij herinnerde zich de dogma's, die hem zoo vreemd hadden toegeschenen…. "De schepping …. Maar hoe verklaart zij het bestaan? De duivel?… Hoe wordt hierdoor het kwaad verklaard?… De verlossing door het kruis en door boetedoeningen?… De dogma's der kerken," dacht hij, "leggen aan millioenen menschelijke wezens, die de aarde bevolken, jongen en ouden, boeren en keizers, geleerden en onwetenden, de verplichting op dezelfde begrippen te hebben, om er dat in- en uitwendig leven uit samen te stellen, dat alleen waard is beleefd te worden…. Maar leven voor God, voor de waarheid, voor zijn ziel, dit is immers wat de stichter van het Christendom heeft gewild. De groote waarheden door Hem ons verkondigd staan boven de bizondere dogma's der kerkgenootschappen. Ik wil slechts naar Hem hooren, door wien de Godheid tot de menschheid heeft gesproken."

Op den rug gelegen, beschouwde hij den hemel boven zich.

"Ik weet wel," dacht hij, "dat dit de oneindige ruimte is en niet een blauw gewelf, dat boven mij is uitgespannen,—maar mijn oog dringt niet door dat schijnbaar rond gewelf. De blik van Hem, die verder zag, moet zijn telescoop zijn."

Lewin eindigde zijn overpeinzing; hij hoorde een geheimzinnige stem, die zich blijmoedig verhief in zijn binnenste.

"Is dat waarlijk geloof?" vroeg hij zich zelf. "Hoe dankbaar ben ik, mijn God, voor het licht, dat Gij mij aanvankelijk hebt geschonken na het ronddolen in nevel en duisternis."

XXXIV.

Toen Lewin zijn huis naderde, bemerkte hij Tanja en Grischa, die hem kwamen tegenloopen.

"Oom Kostja! mama, grootpapa en Sergej Iwanowitsch en nog een," zeide Tanja, "komen u te gemoet."

"Wie is die andere?"

"Zoo'n rare heer! Hij doet altijd zoo met de armen." En Tanja bootste
Walawassow's gesticulaties na.

"Is hij oud of jong?" vroeg Lewin lachend. "Als het maar geen onaangenaam mensch is!" dacht hij, maar herkende spoedig bij de eerste bocht van den weg Katawassow met zijn stroohoed op. Hij sloeg juist zoo met de armen als Tanja voorgesteld had.

Lewin groette zijn broeder on Katawassow hartelijk en vroeg Dolly naar zijn vrouw.

"Zij is met Mitja het bosch ingegaan. Zij wilde hem daar laten slapen, omdat het in huis te warm is."

Lewin had zijn vrouw steeds gewaarschuwd het kind niet het bosch in te dragen, omdat hij het daar niet zonder gevaar achtte, en derhalve was dit bericht hem onaangenaam.

"Zij sleept hem van de eene plaats naar de andere," zeide de vorst lachende. "Ik heb haar aangeraden, hem in den kelder te brengen."

"Ziet u, Darja Alexandrowna," zeide Kosnischew en wees met zijn zonnescherm naar eenige witte wolken, die boven de esscheboom opkwamen: "Wij krijgen spoedig regen."

Lewin was op Katawassow toegetreden.

"Daar doet u wél aan, dat ge eens gekomen zijt."

"Het was al lang mijn voornemen. Nu zullen we alles ordelijk bespreken en naar behooren met elkander strijden! Heeft u Spencer doorgelezen?"

"Neen, nog niet geheel," zeide Lewin. "Overigens heb ik hem nu niet meer noodig."

"Hoe zoo? Dat is merkwaardig. Waarom niet meer?"

"Dat beteekent, dat ik mij ten slotte overtuigd heb, dat ik bij hem en zijns gelijken de oplossing der vragen, die mij bezig houden, niet zal vinden. Nu…. Maar later meer daarover. Hier gaat de weg naar mijn bijenkorven. Doet u het genoegen, dan gaan wij daarheen," wendde hij zich tot allen.

Nadat zij een smal voetpad door eene weide waren overgegaan, liet Lewin zijn gasten in de schaduw van een populier op een bank van ruwe houtklossen, die hij zelf hier opgericht had voor bezoekers, die bang waren voor de bijen. Hij zelf ging binnen de afschutting en haalde voor de groote zoowel als voor de kleinen brood, agurken en verschen honig.

"Weet je, Kostja, wien Sergej Iwanowitsch op reis ontmoet heeft?" vroeg Dolly, terwijl zij de agurken en den honig onder de kinderen verdeelde. "Wronsky. Hij gaat naar Servië."

"En dat niet alleen; hij voert een geheel escadron voor zijn rekening mede," voegde Katawassow er bij.

"Dat is juist iets voor hem," zeide Lewin. "Gaan er nog altijd vrijwilligers heen?"

"Nog, vraagt u!" antwoordde Kattawassow, terwijl hij smakelijk in een agurkje beet. "U hadt eens moeten zien hoe het gisteren aan het station toeging."

"Maar hoe moet ik dat begrijpen? Verklaar mij dat toch eens, Sergej Iwanowitsch! Waar trekken al deze vrijwilligers heen? Tegen wie moeten zij vechten?" vroeg de oude vorst met het voornemen het reeds vóór de komst van Lewin begonnen gesprek voort te zetten. "Wie heeft eigenlijk de Turken den oorlog verklaard? Iwan Iwanowitsch Ragasow of gravin Lydia Iwanowna met madame Stahl?"

"Niemand heeft den oorlog verklaard, maar zij nemen slechts deel in het lijden hunner medemenschen en wenschen hen te helpen," antwoordde Sergej Iwanowitsch.

"Niet van hun deelneming spreekt de vorst," zeide Lewin het voor zijn schoonvader opnemend, maar van den oorlog. Hij beweert slechts, dat bizondere personen niet zonder toestemming der regeering aan een oorlog moesten deelnemen."

"Nu? Hoe is dan uw eigen gevoelen?" vroeg Katawassow lachend, blijkbaar om Lewin tot een strijd uit te lokken. "Waarom zouden privaatpersonen daartoe geen recht hebben."

"Mijns inziens is de oorlog zulk een ruwe, wreede en afschuwelijke zaak, dat geen mensch, het minst een Christen, persoonlijk de verantwoordelijkheid van het begin van zoo iets verschrikkelijks mag op zich nemen; dat mag slechts de regeering, die daartoe geroepen is, als zij onvermijdelijk tot een oorlog wordt gedwongen."

Kosnischew en Katawassow waren dadelijk tot tegenspraak gereed.

"Er kunnen zich," beweerde Katawassow, "gevallen voordoen, dat de regeering geen acht slaat op den wil der bevolking, en dan doet de stem der openbare meening haar wil kennen."

Maar Sergej Iwanowitsch was hiermede niet tevreden; hij fronste het voorhoofd en zeide:

"Je had de vraag anders moeten stellen. Hier doet zich, zonder dat er een oorlogsverklaring bestaat, eenvoudig het rein menschelijke of laat ons zeggen Christelijk gevoel gelden. Men vermoordt onze broeders, die met ons van een bloed en een geloof zijn, of, nemen wij aan, 't zijn niet onze broeders en geloofsgenooten, maar eenvoudig kinderen, vrouwen en grijsaards. Nu komt ons gevoel daartegen in opstand en wij Russen snellen toe om aan deze gruwelen een eind te maken. Stel je voor: Je gaat over de straat en ziet hoe een dronken man een vrouw of een kind mishandelt. Zou je dan vragen, of je met dien mensch in oorlog zijt of niet? Ik denk dat je hem zoudt aangrijpen en de mishandelden in bescherming nemen."

"Maar ik zou hem niet dooden," bracht Lewin er tegen in.

"Ja wel, je zoudt hem onder zekere omstandigheden ook dooden."

"Dat weet ik niet. Ik zou mijn oogenblikkelijke impulsie volgen; maar op welke wijze kan ik niet vooruit zeggen. Doch zulk een oogenblikkelijke impulsie wegens onderdrukking der Slaven is niet aanwezig en kan er ook niet zijn. Mogelijk is ze bij jou aanwezig, maar bij alle anderen…."

"Is ze ook aanwezig," viel Kosnischew hem met ontevreden en donkeren blik in de rede. "Bij het volk is de oude traditie van de rechtgeloovigen, die zuchten onder het juk der Halve Maan. levendig bewaard, en nu staat het op en laat zijn stem hooren."

"Dat kan zijn," zeide Lewin ontwijkend, "maar, hoewel ik toch ook tot het volk behoor, gevoel ik niets dergelijks."

"Mij gaat het ook zoo," verzekerde de oude vorst. "Ik ben in het buitenland geweest, heb de dagbladen gelezen en moet bekennen, dat ik, in weerwil van alle Bulgaarsche gruwelen, niet kon begrijpen, waarom eigenlijk alle Russen plotseling hun Slavische broeders zoo lief hebben gekregen, terwijl ik geen liefde voor hen gevoelde. Dat maakte mij erg bedroefd en ik dacht reeds, dat ik een misgeboorte was of dat de Karlsbader kuur zoo slecht op mij werkte. Toen ik echter terugkwam, bevond ik, dat er buiten mij ook nog andere menschen waren, die zich wel voor Rusland, maar niet voor de Slavische broeders interesseeren, en hiertoe behoort ook onze Constantijn."

"Persoonlijke meeningen hebben hierbij volstrekt geen beteekenis," antwoordde Sergej Iwanowitsch. "De persoonlijke inzichten gaan ons volstrekt niet aan, als Oudrusland, het geheele volk, zijn wil openbaart."

"Ja, maar neem mij niet kwalijk, het volk weet daar niets van!" zeide de vorst.

"Zou het niet, papa? Maar Zondag in de kerk dan?" vroeg Dolly, die naar het gesprek had geluisterd.

"Wat was er Zondag in de kerk? Het was den priester bevolen iets voor te lezen en hij las het ook. Maar zij begrepen er niets van, zuchtten nu en dan, zooals bij elke preek, en dan zeide men hen, dat er in de kerk voor een heilige zaak zou gecollecteerd worden; daarvoor zouden zij een kopeke geven en dit deden zij ook. Maar waarvoor? Dat wisten zij zelf niet."

"Het volk weet het wel. Het bewustzijn zijner historische bestemming blijft onder het volk steeds levendig en in oogenblikken als het tegenwoordige komt het op dat punt tot klaarheid en geeft er getuigenis van," zeide Sergej Iwanowitsch en vestigde met overtuiging zijn blik op Michaël, den bijenwachter, die met een schotel in de hand in hun midden stond en lachend de kinderen aanzag. De schoone oude man met zijn zwart en wit gemengden baard en zilverwit haar begreep blijkbaar niets van al wat er gesproken werd en bekommerde zich er ook niet om.

"Ja, ja, dat is zoo," antwoordde hij op een vraag van Kosnischew en knikte met het hoofd.

"Ja. ondervraagt hem maar," zeide Lewin. "Hij weet en denkt volstrekt niets." "Jij hebt toch ook van den oorlog gehoord Michaëlitsch," wendde hij zich tot den oude. "Men heeft je daarover in de kerk voorgelezen. Wat dunkt je? Moeten wij voor de Slaven vechten?"

"Wat zouden we ons daarover het hoofd breken. Alexander Nicolajewitsch de Czaar heeft voor ons gedacht en zal in alle dingen verder voor ons denken. Hij weet wat het best is. Wil ik nog wat brood halen? Die jongen,"—wijzende op Grischa, die op een broodkorst beet, "zal nog wel wat lusten."

"Ik behoef niet te vragen," zeide Sergej Iwanowitsch. "Wij hebben honderden menschen gezien, die van alle zijden van Rusland toestroomen en openlijk en nadrukkelijk hun voornemens en hun doel te kennen geven. Zij brengen of hun paar kopeken of zich zelf en verklaren rechtuit waarvoor. Wat beteekent dat dan?"

"Naar mijn inzien," antwoordde Lewin, "beteekent dit, dat bij een volk van tachtig millioen zich altijd niet slechts eenige honderden, als nu, maar wel tienduizenden bevinden zullen, wien een goede maatschappelijke positie ontbreekt, lieden, die in verval gekomen of te gronde gericht zijn en nu tot alles zijn bereid, onverschillig of zij onder de rooverbende van een Pugatschew of naar Chiwa of Servië

"Ik spreek niet van ondergegane personen, maar van de beste en edelste vertegenwoordigers van het volk," zeide Kosnischew met een opgewondenheid als moest hij zijn laatste have redden. "En al deze offergaven?! Hierin spreekt de wil des volks zich uit."

"Het woord volk is een zeer onbestemde uitdrukking," zeide Lewin: "De schrijvers, de leeraars en een enkele onder duizend boeren weten wellicht iets van de zaak. Maar de overigen der tachtig millioen, zooals hier onze Michaëlitsch, geven hun wil niet slechts niet te kennen, maar zij hebben er geen besef van, waaromtrent zij dien zouden moeten te kennen geven. Met welk recht kunnen wij dan van een volkswil spreken?"

Kosnischew, die in de dialectiek wel geoefend was, trachtte nu aan het gesprek een andere richting te geven:

"Ja, als je op een bloot arithmetischen weg den volksgeest wilt ontdekken, zal het wel bezwaarlijk gaan. Een plebiscit is bij ons nog niet ingevoerd en zal zich ook niet laten invoeren; en ook daardoor zou de volkswil geen zuivere uitdrukking verkrijgen. Maar er zijn nog andere wegen. Dat zit in de lucht, dat gevoelt men met het hart. Ik spreek nog niet van de diepere stroomingen, die zich in de stilstaande zee onzes volks bewegen en die ieder niet vooringenomen mensch zal bespeuren, maar ik zie slechts op onze maatschappij in meer beperkten zin des woords. De meest verschillende partijschappen der intelligente wereld, die tot hiertoe vijandig tegenover elkander stonden, zijn nu vereenigd; alle openbare organen zijn ééne stem, alle worden door de machtige beweging beheerscht, die ze alle naar één doel voortsleept."

"Ja, alle dagbladen zeggen hetzelfde," antwoordde de vorst, "dat is waar. Zij stemmen met elkander overeen als de kikvorschen voor het onweer."

"Kikvorschen of niet.—Ik redigeer geen dagblad en wil mij ook niet tot hun advocaat opwerpen; maar ik spreek van overeenstemming in gevoelen in de geheele intelligente maatschappij," zeide Kosnischew tot zijn broeder gewend.

Lewin wilde antwoorden, maar de vorst kwam hem voor.

"Nu van zulk een overeenstemming laat zich nog heel wat zeggen; zoo b.v. mijn schoonzoontje Stipan Arkadiewitsch, u kent hem toch, die verkrijgt nu een plaats als lid van de eene of andere commissie en nog zoo iets,—ik herinner mij niet juist meer—maar te doen heeft hij niets—wat is het, Dolly? Dat is immers geen geheim—maar hij bekomt achtduizend roebel tractement. Vraag hem nu eens, of zijn dienstwerk nuttig is, dan zal hij u haarfijn bewijzen, dat het onmisbaar is. En toch is hij een waarheidlievend mensch, maar men kan ook met achtduizend roebel geen andere overtuiging hebben. Zoo is het ook gelegen met de overtuiging en oprechtheid der dagbladen. Men heeft het mij zoo uitgelegd. Wordt het oorlog, dan hebben zij dubbele ontvangsten. Hoe zou het dan mogelijk zijn, dat zij zich niet voor het lot der volken, der Slaven en dergelijken, interesseeren?"

"Ik dweep ook niet met dagbladen, maar die bewering is onrechtmatig," zeide Sergej Iwanowitsch.

"Slechts onder eene voorwaarde," ging de vorst voort.

"Alphonse Karr heeft het zeer juist van den oorlog met Pruisen gezegd: Zij houden den oorlog voor een noodzakelijk kwaad.—Heel mooi! Maar dan moesten zij, die den oorlog prediken, ook altijd bij elke bestorming, bij elke attaque, voor alle anderen in de eerste rij staan!"

"Een mooi postje voor de redacteurs!" zeide Katawassow luid lachend, terwijl hij zich in zijn verbeelding voorstelde met eenige hem bekende redacteurs bij het eerste treffen in het voorste gelid te staan.

"Zij zouden," meende Dolly, "dadelijk op den loop gaan en de anderen maar in den weg staan."

"O, als zij willen wegloopen, zal men kartetsen en kozakken met knoeten achter hen plaatsen," zeide de vorst.

"Dat is een raillerie en, neem mij niet kwalijk, een ongepaste raillerie," antwoordde Sergej Iwanowitsch.

"Ik zie niet in, waarom dat een raillerie zou zijn," begon Lewin, maar Sergej Iwanowitsch viel hem in de rede:

"Ieder lid der maatschappij heeft zijn eigen beroep; de mannen van de pen doen hun werk en volbrengen hun plicht daardoor, dat zij uitdrukking geven aan de openbare meening. Voor twintig jaren zouden wij gezwegen hebben, maar nu hoort men de stem van het Russisch volk, dat bereid is als één man op te staan en zich voor zijn onderdrukte broeders op te offeren. Dat is eene groote vooruitgang en een teeken van kracht."

"O, niet om zich op te offeren, maar om de Turken te verdelgen," zeide Lewin schuchter. "Tot offeren is het volk bereid, maar slechts om te offeren voor zijn zieleheil."

"Wat is dat, voor zijn zieleheil? Dat is voor een natuuronderzoeker een moeielijk te begrijpen zaak. Wat is dat dan, het zieleheil?" vroeg Katawassow lachend.

"Weet u dat niet?"

"Ik heb er waarachtig niet het minst begrip van," verzekerde Katawassow luider lachend.

"Ik ben niet gekomen om den vrede te brengen, maar het zwaard, zegt Christus," antwoordde Sergej Iwanowitsch, terwijl hij het, om Lewin te verslaan, voor het eenvoudigst hield een plaats uit de evangeliën aan te halen.

"Daar heeft u gelijk in," antwoordde de vorst op den op hem gerichten blik.

"Ja vadertje! u is geslagen, volkomen geslagen!" riep Katawassow vroolijk uit.

Lewin bloosde van ergernis, niet omdat hij zich overwonnen gevoelde, maar omdat hij zich niet had kunnen onthouden met hen te streden.

"Neen, met hen is niet te strijden," dacht hij. "Zij steken in een ondoordringbaar pantser en ik sta tegenover hen geheel onbedekt."

Hij zweeg derhalve en leidde de opmerkzaamheid zijner gasten, op de wolken, die zich meer en meer saamgetrokken hadden, en vroeg, of het niet beter was nog voor den regen naar huis te gaan.

XXXV.

De vorst en Sergej Iwanowitsch namen plaats in de telega en reden, het overige gezelschap ging te voet naar huis.

Toen zij nog een paar honderd schreden er van verwijderd waren, stak de wind al op en ieder oogenblik kon men het nederstroomen van den regen verwachten.

De kinderen liepen met een geschreeuw van schrik vermengd met gelach vooruit. Dolly werd belemmerd door haar japon, die om de beenen samensloeg, terwijl zij niet ging, maar liep, zonder de oogen van de kinderen af te wenden. De heeren hielden hunne hoeden vast en ijlden met groote schreden voort. Zij bereikten juist de buitentrap toen de eerste groote druppels vielen.

"Waar is Catharina Alexandrowna?" was Lewins eerste vraag aan Agasija
Michailowna, die hen in de vestibule met doeken en plaids tegenkwam.

"Wij dachten dat zij bij u was."

"En Mitja?"

"Waarschijnlijk in het bosch met zijn bonne."

Lewin nam de plaids en snelde naar het bosch.

In het korte tijdsverloop was de hemel reeds verduisterd als bij een eclips, en de wind blies en huilde met geweld, deed de takken schudden en de bladeren rondvliegen, terwijl veld en bosch waren verscholen achter een gordijn van regen.

Met gebogen, hoofd tegen den wind kampend, naderde Lewin met de doeken op den arm het bosch, waar hij achter een eik iets wits zag schemeren, toen plotseling alles voor hem opvlamde, de aarde dreunde en de hemel boven zijn hoofd scheen te barsten. Toen hij de oogen, die een oogenblik verblind waren, weer opsloeg, zag Lewin mot ontzetting door het regengordijn henen, dat de top van den hem zoo goed bekenden eik geheel van gedaante was veranderd.

"De bliksem heeft hem getroffen!" had hij nauwelijks tijd te denken, toen de kruin van den eik lager daalde on hij het kraken en splinteren vernam van een boom, die op andere boomen nedervalt.

"Mijn God! mijn God! laat zij slechts niet getroffen zijn!" riep hij, koud van schrik, terwijl de bliksem op nieuw alles in vuur zette, en hoewel het hem dadelijk inviel, hoe dwaas dat gebed was, herhaalde hij het toch onwillekeurig.

Toen hij de plek bereikte, waar zij zich gewoonlijk ophielden, vond hij ze niet.

Zij bevonden zich aan het ander eind van het bosch onder een oude linde en riepen hem aan. Twee gestalten in donkere kleeding stonden over iets gebogen. Het waren Kitty en de bonne. De regen had opgehouden en het werd helder. Beiden stonden gebukt over de kinderwagen met de groene kap.

"Gij leeft? Gij zijt ongedeerd? Goddank!" riep hij uit en naderde haar.

Kitty's rooskleurig en vochtig gelaat was naar hem toegekeerd en lachte hem onder den verbogen hoed verlegen toe.

"Hoe kun je zoo lichtzinnig zijn? Ik begrijp niet, hoe men zoo roekeloos kan wezen," voegde hij haar geërgerd toe.

"Ik heb werkelijk geen schuld. Wij wilden al naar huis gaan, maar toen werd hij onrustig…."

"Nu, Goddank, je bent behouden en wel!"

Mitja was geheel droog en gezond gebleven en sliep onafgebroken door. Men pakte de doornatte doeken bijeen; de bonne nam het kind uit den wagen en droeg het op den arm. Lewin ging naast zijn vrouw, hij gevoelde zich schuldig wegens zijn verstoordheid en drukte haar ongemerkt de hand.

Na den regen was het te nat om te wandelen, ook rezen steeds nieuwe onweerswolken aan den horizon op.

Er werd niet meer gestreden en allen waren het overige van den dag in de beste luim.

Katawassow maakte telkens de dames door zijn origineele grappen aan het lachen. Ook Sergej Iwanowitsch was zeer opgeruimd; hij opende zijn broeder een blik in de toekomst van het Oostersch vraagstuk en wel zoo eenvoudig en helder, dat allen hem met opmerkzaamheid volgden.

Slechts Kitty kon hem niet ten einde toe aanhooren; zij werd geroepen om Mitja zijn bad te geven.

Eenige minuten daarna werd ook Lewin in de kinderkamer geroepen.

Wat zou men van hem willen? Men riep hem nooit bij het kind dan in dringende gevallen. Maar zijn ongerustheid zoowel als de belangstelling in de theorieën van zijn broeder verdwenen zoodra hij zich een oogenblik alleen bevond, en zijn gevoel van innerlijk geluk en vrede, dat hem 's morgens vervuld had, keerde nu weder. De stem des gemoeds was bij hem sterker geworden dan die van het ontledend verstand. Hij ging het terras over en zag twee sterren schitteren aan den hemel.

"Ja," zeide hij naar den hemel ziende, "ik herinner mij gedacht te hebben, dat er een waarheid kon liggen in de zinsbegoocheling van dat gewelf, dat ik dikwijls beschouwde; maar welk was het onvoltooid gebleven begrip in mijn verstand? …" En terwijl hij de kinderkamer binnenging, herinnerde hij het zich.

"Waarom, indien het sterkst bewijs van Gods bestaan is gelegen in de innerlijke openbaring van goed en kwaad, die hij een iegelijk onzer mededeelt—waarom zou deze openbaring beperkt zijn tot de Christelijke Kerk? En deze millioenen Buddhisten, Muzelmannen, die eveneens het goede zoeken? …" Het antwoord op deze vraag moest bestaan, maar hij kon het voor hij binnentrad niet uiteenzetten.

Kitty stond met opgestroopte mouwen over de badkuip gebogen, terwijl zij met de eene hand het hoofdje van het kind vasthield en het met de andere afsponste. Zij keek om toen zij haar man hoorde naderen. "Kom gauw! Agasija Michailowna had toch gelijk, hij kent ons."

De ontdekking was gewichtig. Om er zich volkomen van te overtuigen, onderwierp men Mitja aan verschillende proeven; men riep de keukenmeid, die hij zelden gezien had, en zij moest zich over het kind bukken. De uitslag was beslissend. Hij keerde het gezichtje van haar af, en toen Kitty zich over hem boog, begon hij te lachen, drukte met de kleine handjes in de spons en maakte met de lipjes zulk een tevreden en eigenaardig geluid, dat niet slechts Kitty en de bonne, maar ook Lewin zelf er door verrast en opgetogen was.

Het kind werd uit de badkuip genomen, met water begoten, in een laken gehuld, afgedroogd en na een doordringenden schreeuw op zijn moeders schoot gelegd.

"Nu, ik ben blij te zien, dat je hem ook begint lief te hebben," zeide Kitty tot Lewin, nadat zij zich met het kind aan de borst op haar gewone plaats had nedergezet. "Ik ben er heel blij om; want ik was zeer bedroefd, omdat je gezegd had niets voor hem te gevoelen."

"Neen, dat heb ik niet gezegd. Ik heb alleen gezegd, dat ik mij teleurgesteld gevoelde."

"Hoe dan, teleurgesteld?"

"Nu, juist niet teleurgesteld, maar slechts beantwoordde de werkelijkheid niet aan mijn verwachting. Ik had gedacht, dat ik een verrassend, geheel nieuw gevoel zou ontwaren, en in de plaats beving mij slechts … een soort van onbehagen, medelijden en angst, die hij mij inboezemde."

Zij hoorde opmerkzaam toe, terwijl zij de ringen, die zij gedurende het baden had afgelegd, weer aan haar slanke vingers stak.

"Ik meen hoofdzakelijk daarom, dat meer medeleden en angst dan genoegen met mijn gevoel waren verbonden. Maar vandaag, na mijn angst gedurende het onweer, heb ik leeren beseffen, hoe dierbaar hij mij is."

Kitty's gelaat helderde op.

"Je bent dus zeer geschrokken?" zeide zij. "Ik ook, maar nu, nu alles voorbij is, nu komt mij het gebeurde nog veel verschrikkelijker voor, dan in het oogenblik van gevaar. Ik wil morgen toch den eik nog eens zien! En hoe grappig is Katawassow. Buiten het gebeurde was het een zeer genoeglijke dag. En ook tegen Sergej waart ge zoo aardig en net…. Ga nu weer naar je gasten. Het is hier na het bad altijd wat drukkend en dompig. Ik ben blijde je in zoo'n goede verhouding met je broer te zien."