XIX.
Eerst tegen den morgen sliep Anna zittend in. Toen zij ontwaakte, was alles om haar heen wit en licht, en de trein naderde Petersburg.
Terstond bestormden haar de gedachten aan haar huis, haar echtgenoot en haar zoon en de zorgen voor deze en volgende dagen. Met verwondering dacht zij aan haar toestand van gisteren terug. Wat was er toch gebeurd? In het geheel niets! Wronsky had onzin gesproken en daar kon kort en goed een eind aan gemaakt worden!
"En ik heb hem geantwoord, zooals ik doen moest! Of ik het mijn man vertellen zal? Maar wat moet ik hem dan zeggen? Daarover te spreken zou een schijn van gewicht aan iets geven, dat in het geheel niet van beteekenis is."
Zij dacht er aan, dat zij gedurende haar huwelijk driemaal in dezelfde positie verkeerd had. Zij herinnerde zich, dat, toen zij haar echtgenoot eens van een liefdesverklaring verteld had, die een jong ambtenaar haar had gedaan, hij hierop antwoordde: dat elke vrouw in de groote wereld aan zoo iets was blootgesteld, dat hij echter geheel op haar tact vertrouwde en noch zich zelf noch haar door ijverzucht zou beleedigen.
"Dus heb ik niets te vertellen! Het is ook, God zij dank, niets," sprak zij voor zich heen en stond op om den wagen te verlaten.
De eerste, dien zij te Petersburg, toen de trein stil hield, opmerkte, was haar echtgenoot.
"Mijn hemel, hoe komt hij toch aan zulke ooren?" dacht zij toen zij zijn koele en voorname houding beschouwde, waarbij haar de ver uitstaande ooren, die tot steun voor den rand van den hoed schenen te dienen, bizonder opvielen.
Toen hij haar gewaar werd, ging hij haar te gemoet, terwijl hij zijn lippen tot het gewone spotachtig lachje samenkneep en de groote, matte oogen op haar vestigde. Een onaangename gewaarwording beklemde haar het hart, toen zij dien flauwen blik ontmoette, alsof zij verwacht had hem anders te vinden! maar het meest werd zij getroffen door de ontevredenheid met zich zelf, die zij bij zijn ontmoeting gevoelde. Het was een haar onbekende gewaarwording, een gevoel van veinzerij in de verhouding tot haar echtgenoot.
"Zie nu eens welk een teeder echtgenoot gij hebt—teeder als in het tweede jaar van ons huwelijk! Hij brandt van verlangen u weer te zien!" sprak hij met zijn bedachtzame, fijne stem en op den toon, waarop hij gewoonlijk tot haar sprak, namelijk alsof hij spotte over iemand, die werkelijk zoo zou spreken.
"Is Serëscha gezond?" vroeg zij.
"En dat is nu al het loon voor mijn ijver?" zeide hij. "Gezond, gezond!" en haar den arm aanbiedende geleidde hij haar naar het rijtuig.
Ook Wronsky had dien nacht niet getracht te slapen. Hij zat daar, nu eens recht voor zich uit starend, dan de passagiers opnemende, en hij, die vroeger reeds door zijn onverstoorbare kalmte de hem onbekenden geïmponeerd had, scheen nu nog trotscher en zelfbewuster. Hij zag op de menschen als op levenlooze voorwerpen neer. Een jong zenuwachtig ambtenaar, die tegenover hem zat, begon hem om zijn voorkomen en houding te haten. Hij vroeg hem eerst om vuur, sprak hem aan, stiet hem zelfs aan om te toonen dat hij geen ding, maar een mensch was, doch Wronsky keek hem aan, alsof hij de waggonlamp was en de jonge man trok gezichten in het bewustzijn, dat hij onder den druk dezer negeering als mensch van zijn stuk geraakte.
Wronsky zag en hoorde niets. Hij gevoelde zich als een souverein, niet omdat hij meende op Anna indruk te hebben gemaakt—want daarvan was hij nog niet ten volle overtuigd—maar omdat de indruk, dien zij op hem gemaakt had, hem reeds gelukkig deed zijn.
Wat het einde daarvan zou wezen, wist hij niet en daar dacht hij ook in het geheel niet aan. Hij besefte, dat zich al zijn tot hiertoe verbrokkelde krachten nu tot een enkele concentreerden en met de grootste energie naar een begeerlijk doel streefden, en dit maakte hem gelukkig. Hij was zich slechts bewust tot haar de waarheid gesproken te hebben, dat hij daar zijn moest, waar zij was, dat haar te zien en haar te hooren zijn geheel levensdoel en levensgeluk geworden was. Toen hij bij gindsch station was uitgestegen om een glas selzerwater te drinken en hij Anna zag, vertolkte zijn eerste woord haar onwillekeurig, wat hij dacht, en hij verheugde er zich over, dat hij het haar gezegd had, dat zij het wist en er aan denken moest.
Te Petersburg den waggon verlatende, gevoelde hij zich, ondanks den slapeloozen nacht, frisch en opgewekt als na een koud bad. Hij bleef bij zijn waggon staan en wachtte tot zij den haren zou verlaten hebben.
"Ik zal haar nog eenmaal zien," dacht hij; "zij zal iets zeggen, het hoofd omwenden, opzien en misschien glimlachen."
Maar voor hij haar zag, werd hij haar echtgenoot gewaar, die door den stationschef beleefd door de menigte geleid werd.
"Ja, zoo, haar man!" Voor het eerst werd het Wronsky duidelijk, dat die man een persoon was, die bij haar behoorde; hij wist dat zij een echtgenoot had, maar aan diens bestaan had hij tot hiertoe schier niet gedacht. Dit gebeurde nu eerst, nu hij hem in levenden lijve voor zich zag, met zijn hoofd, schouders, beenen en zijn zwarte kleeding, vooral toen hij zag, dat die man haar als zijn eigendom aan den arm wegvoerde. Hij was als een dorstige, die eindelijk een bron gevonden heeft, maar daarin een schaap, een hond of een zwijn ontdekt, die het water troebel heeft gemaakt. Vooral hinderde Wronsky de manier van gaan van dien man, met die korte, stramme schreden, waarbij hij telkens de heupen optrok. Maar zij was dezelfde en haar aanblik werkte als vroeger physisch opwekkend op hem en verschafte hem een zalig genot. Hij beval zijn Duitschen bediende zijn bagage te bezorgen en weg te rijden; hij zelf echter naderde Anna. Hij had de eerste begroeting der echtgenooten gezien en met den scherpen blik van een verliefde de sporen eener kleine verlegenheid in haar gesprek met haar man bespeurd.
"Neen, zij bemint hem niet, zij kan hem niet beminnen!" was de gevolgtrekking, die hij maakte.
Terwijl hij hen achterop kwam, bemerkte hij met voldoening, dat Anna zijn nadering gevoelde; zij zag om en wendde zich, toen zij hem herkend had, terstond weer tot haar echtgenoot.
"Ik hoop, dat u een goeden nacht gehad heeft!" zeide hij en boog te gelijk voor beiden, terwijl hij het aan Alexei overliet den groet op zijn conto te nemen en hem te willen kennen of niet naar zijn believen.
"Ik dank u, zeer goed," antwoordde zij.
Haar gelaat droeg sporen van vermoeidheid; daarop ontbrak die levendigheid, die zich nu eens in een lach, dan in den glans der oogen verried; maar eenmaal schoot er toch een straal uit haar oogen tot hem over, en al werd dit vuur dadelijk gedoofd, hij was er toch werkelijk door beloond. Zij zag haar man vragend aan, of hij Wronsky ook herkende. Alexei Alexandrowitsch zag hem onverschillig en verstrooid aan, alsof hij zich zijner nauwelijks herinnerde. Wronsky's rustige kalmte en fier zelfbewustzijn stieten op Karanins hoog gevoel van eigenwaarde af als de zeis op een steen.
"Graaf Wronsky," zeide Anna.
"O, ik geloof dat we elkander al kennen," antwoordde Alexei Alexandrowitsch onverschillig en reikte Wronsky de hand. "Met de moeder zijt gij heengegaan en met den zoon komt gij terug," zeide hij, duidelijk elke lettergreep doende hooren, alsof elk woord een roebel was, dien hij haar schonk. "U is zeker met verlof hier?" voegde hij er bij en wendde zich, zonder het antwoord af te wachten, op zijn gewonen spottenden toon weer tot zijn vrouw: "Werden er bij het afscheid te Moskou veel tranen vergoten?"
Hij wilde Wronsky te kennen geven, dat hij met zijn vrouw alleen wenschte te zijn, en zich een weinig omkeerend tastte hij aan zijn hoed. Maar Wronsky wendde zich tot Anna: "Mag ik verzoeken om de eer mijn opwachting te mogen maken?"
"'t Zal ons zeer aangenaam zijn," antwoordde Alexei Alexandrowitsch; "elken Maandag ontvangen wij." Na Wronsky aldus zijn afscheid te hebben gegeven, ging hij tot Anna gewend voort: "Wat treft het goed, dat ik juist een half uur vrij heb om u af te halen en mijn teedere zorg te toonen," liet hij er op schertsenden toon op volgen.
"Gij onderstreept uw teedere bezorgdheid zoozeer," antwoordde zij denzelfden toon aanslaande, "dat ik ze wel waardeeren moet;" te gelijk luisterde zij onwillekeurig naar den klank van Wronsky's voetstappen achter haar. "Wat gaat mij dat aan?" dacht zij en vroeg haar man, hoe Serëscha den tijd had doorgebracht.
"O, uitstekend! Mariette zegt, dat hij zeer aardig geweest is en—ik moet u bedroeven—hij heeft in het geheel niet naar u verlangd, in het geheel niet, zooals uw trouwe heer gemaal gedaan heeft. Nog eens merci, melieve, dat ge mij een dag meer geschonken hebt. Onze lieve Samowar zal er geheel door verrukt zijn." (Samowar noemde hij de beroemde gravin Lydia Iwanowa, omdat zij altijd bij iedere gelegenheid in vuur geraakte en overkookte.) "Zij heeft reeds naar je gevraagd. Weet je: ik raad je aan haar vandaag nog te bezoeken. Haar hart deelt in alles en allen. Bij al haar andere zorgen, interesseert zij zich nog bizonder voor de verzoening onzer Oblonsky's."
Gravin Lydia Iwanowna was de huisvriendin der Karenins en het middelpunt van een dier Petersburger kringen, waarin Anna om haar mans wil het meest verkeerde.
"Ik heb haar immers geschreven."
"Ja, maar zij moet alles nauwkeurig weten. Als ge niet al te vermoeid zijt, bezoek haar dan. Nu, Conrad, rijdt ge naar huis; ik moet van hier dadelijk naar de eindzitting. Nu behoef ik mijn middagmaal niet meer alleen te gebruiken," ging hij op ernstigen toon voort; "gij weet niet hoe ge mij verwend hebt…."
En haar met een eigenaardigen glimlach een langen handdruk gevend, hielp hij haar in de coupé.
XX.
De eerste, die haar thuis te gemoet kwam, was haar zoon. Ondanks de vermaning zijner gouvernante was hij het bordes opgeloopen, riep jubelende: "Mama, mama!" en wierp zich om haar hals.
Maar even als haar man, maakte ook haar zoon op haar een teleurstellenden indruk. Zij had zich hem schooner voorgesteld dan hij werkelijk was. Maar toch was hij, zooals hij daar stond, met zijn blonden krulkop, blauwe oogen en gevulde beentjes in de strak gespannen kousen, een allerliefste jongen. Het was voor Anna een heerlijk genot hem bij zich te hebben en zijn liefkoozingen te ontvangen, en zij gevoelde een zedelijke geruststelling, als zij zijn blik vol liefde en vertrouwen tot haar zag opgeslagen en zijn naïve vragen hoorde. Zij haalde de geschenken te voorschijn, die Dolly's kinderen hem zonden en vertelde hem, welk een lief klein meisje die Tania daar in Moskou was, hoe die Tania al kon lezen en haar kleine broertjes en zusjes hielp bij het leeren.
"Is zij liever dan ik, mama?"
"Voor mij zijt gij het beste en liefste op de wereld."
"Dat wist ik wel," zeide Serëscha met een tevreden lachje.
Nauwelijks had Anna haar koffie gedronken, of Lydia Iwanowna werd reeds aangediend. De gravin was een groote en corpulente vrouw, met een ongezonde, geelachtige gelaatskleur, maar prachtige, dwepende, zwarte oogen. Anna hield van haar, maar vandaag was het haar, alsof zij voor het eerst al haar gebreken bemerkte.
"Nu, melieve? Gij hebt hun dus den olijftak gebracht?" vroeg de gravin, toen zij nog nauwelijks de kamer was binnen gekomen.
"Alles is voorbij, maar 't was ook alles niet zoo erg als wij dachten," antwoordde Anna. "Overigens is mijn belle soeur vast besloten …"
Maar de gravin, die zich voor al wat haar niet aanging interesseerde, had de gewoonte naar datgene, wat haar interesseerde, niet te luisteren, en daarom viel zij Anna in de rede:
"Ja, er is zooveel ellende en boosheid in de wereld, en ik gevoel me vandaag ook zeer ontstemd."
"Hoe komt dat dan?" vroeg Anna met moeite een glimlach onderdrukkend.
"Och, ik begin het moede te worden altijd te vergeefs lansen te breken voor de waarheid; het verlamt mij bijna geheel. Onze aangelegenheid met de zusters" (het betrof eene godsdienstig-patriotische stichting) "ging eerst wonderlijk goed vooruit, maar met die heeren is 't onmogelijk klaar te komen," liet zij er met spotachtige berusting in haar lot op volgen; "in het eerst vatten zij de gedachte goed op, maar toen verminkten zij het plan en beoordeelden alles zoo kleingeestig. Twee of drie van hen, waaronder uw man, hebben de zaak in haar geheele beteekenis opgevat, maar de anderen willen ze nu opgeven. Gister schreef Prawdin er mij over."
Prawdin was een bekende Panslavist, die in het buitenland woonde, en de gravin vertelde, wat hij had geschreven. Daarop ging zij weer haastig heen, want zij moest nog een Panslavistische vergadering bewonen.
"Zoo was het vroeger ook al," dacht Anna, "maar hoe komt het, dat mij dat vroeger nooit is opgevallen? Of is zij vandaag nog opgewondener dan anders? 't Is inderdaad toch belachelijk: haar doel is de deugd, de Christelijke deugd en daarbij ergert zij zich aan alles en ziet overal vijanden, vijanden van Christendom en deugd!"
Na gravin Lydia kwam een harer vriendinnen, de vrouw van een president, en vertelde haar alle nieuwtjes uit de stad. Ten drie ure ging ook deze heen, maar beloofde des middags weer te komen.
Toen Anna alleen was, besteedde zij den overigen tijd van den voormiddag om haar zaken te ordenen en eenige brieven en briefjes, die op haar tafel verzameld lagen, te lezen en te beantwoorden.
Het onbestemde gevoel van schaamte en de opgewondenheid, waardoor zij onderweg was aangegrepen, waren geheel verdwenen. In de gewone omgeving en de bezigheid van haar huiselijk leven had zij weldra haar kalmte, zekerheid en gewetensrust terug gevonden.
Ten vier ure keerde Alexei Alexandrowitsch van het ministerie van binnenlandsche zaken naar huis terug. Zooals meestal het geval was, had hij ook nu geen tijd om eerst naar zijn vrouw te gaan. Hij ging terstond naar zijn kabinet, waar eenige sollicitanten hem wachtten en hij nog eenige stukken moest onderteekenen, die de chef de bureau gebracht had.
Op het diner (bij de Karenins waren er steeds twee of drie gasten genoodigd) verschenen een oude nicht van Alexei Alexandrowitsch, de departementspresident met zijn vrouw en een jong mensch, die als candidaat voor een opengevallen betrekking was aanbevolen.
Met klokslag vijf trad Alexei Alexandrowitsch de eetzaal binnen, met witten das, zwarten rok en twee orderteekens op de borst; hij moest terstond na het diner weer weg, want elke minuut van zijn leven was bepaald en in beslag genomen. Om allen te voldoen, moest hij de grootste stiptheid in acht nemen. Zijn leus was: "Zonder haast, zonder rust." Hij trad alzoo de zaal binnen, groette allen, nam dadelijk plaats, terwijl hij zijn vrouw toeknikte.
"Zie zoo, nu is mijn eenzaam leven weer voorbij. Gij kunt niet gelooven, hoe ongezellig het is alleen te eten."
Onder het diner besprak hij Moskousche aangelegenheden en informeerde met een ironisch lachje naar Stipan Arkadiewitsch; verder liep het gesprek over ambtelijke en maatschappelijke zaken. Na het diner bleef hij nog een half uur met zijn gasten saam, en daarop zijn vrouw weer glimlachend de hand drukkend, stond hij op en ging heen om de vergadering van den rijksraad bij te wonen.
Anna bleef heden, tegen haar vroegere gewoonte, te huis, had eene conferentie met haar modemaakster en ging toen naar de kinderkamer, waar zij den geheelen avond met haar zoontje doorbracht, legde hem zelf te bed, bekruiste hem en dekte hem toe. Zij verheugde zich, niet te zijn uitgegaan en den avond zoo goed doorgebracht te hebben. Het was haar zoo licht om het hart, zij was zoo wel te moede en zij zag zoo helder in, dat al wat haar onderweg zoo gewichtig was toegeschenen, niets meer was dan een der gewone nietige toevalligheden des levens en zij zich daarover noch voor zichzelf noch voor anderen behoefde te schamen. Zij zette zich met een Engelschen roman voor den haard neer en wachtte haar echtgenoot af. Precies om half tien ging de schel over en een oogenblik daarna kwam hij de kamer binnen.
"Zijt gij daar eindelijk?" vroeg zij en stak hem de hand toe.
Hij kuste die en zette zich naast haar.
"Ik zie, dat je reis van goed gevolg geweest is."
"Ja, zeker," antwoordde zij en verhaalde hem alles van het begin af: haar reis met gravin Wronsky, haar aankomst te Moskou, het ongeluk bij het station en dan van haar verrichting in de treurige zaak haars broeders met Dolly.
"Ik kan zulk een mensch niet verontschuldigen, al is hij ook je broeder," zeide Alexandrowitsch gestreng.
Anna glimlachte. Zij begreep, dat hij slechts zoo sprak om te toonen, dat zelfs geen familiebetrekking hem kon bewegen zijn oprechte meening te verzwijgen. Zij kende deze eigenschap van haar echtgenoot en waardeerde die.
"Maar ik verheug mij toch, dat alles zoo gelukkig is afgeloopen en gij weer hier zijt," ging hij voort. "Maar wat zeiden ze daar ginds van de nieuwe dienstregeling, die ik hier in den senaat heb doorgezet."
Anna had niets van deze dienstregeling gehoord en schaamde zich, dat zij iets, dat voor hem zoo belangrijk was, zoo geheel had kunnen ignoreeren.
"Hier is er integendeel veel over gesproken," zeide hij met een glimlach van zelfvoldoening.
Zij bemerkte, dat hij naar een gelegenheid zocht om haar iets van deze voor hem zoo aangename zaak te vertellen, en nu bracht zij er hem door haar vragen toe haar met hetzelfde vergenoegde lachje de ovaties te beschrijven, die men hem naar aanleiding van die hervorming gebracht had.
"Dat heeft mij veel, zeer veel genoegen gedaan, want het bewijst, dat men ook in dat opzicht tot een beter inzicht begint te komen."
Nadat hij een tweede glas thee had gedronken, stond hij op om zich naar zijn kamer te begeven. "Gij zijt in het geheel niet uitgegaan? Hebt ge u dan niet verveeld?" vroeg hij nog.
"O neen," antwoordde zij, eveneens opstaande en hem door de zaal naar zijn kamer begeleidend. "Wat leest ge nu?" vroeg zij.
"Duc de Lille: Poésie des enfers," antwoordde hij: "een zeer goed boek."
Anna glimlachte, zooals men om de zwakheden van een geliefd persoon kan glimlachen. Zij kende zijne hem tot behoefte geworden gewoonte, 's avonds te lezen; zij wist, dat hij, hoewel zijne ambtsbezigheden zijn geheele kracht in beslag namen, het zich ten plicht stelde, al wat op geestelijk gebied verscheen te volgen en in het oog te houden. Zij wist ook, dat hij slechts in wijsgeerige, staatkundige en theologische geschriften belang stelde en dat hij uit zijn aard weinig voor de kunst gevoelde; maar desniettemin of juist deswege liet Alexei Alexandrowitsch niets voorbij gaan, wat op dat gebied opgang maakte en achtte zich verplicht alles te lezen. Op wijsgeerig en staatkundig gebied twijfelde en onderzocht Karenina, maar in kunst en poëzie en vooral ten opzichte van muziek, waarvan hij volstrekt geen begrip had, had hij zich bepaalde en onveranderlijke inzichten eigen gemaakt. Hij hield er van over Shakespeare, Rafaël, Beethoven, over de nieuwere richtingen in de kunst en poëzie en zoo al meer van een bepaald standpunt uit logisch te redeneeren.
"Nu, God zij met u," zeide Anna aan de deur van zijn kabinet, waar reeds een lamp met kap, een glas met water en een gemakkelijke leunstoel voor hem gereed stonden. "En ik zal intusschen naar Moskou schrijven." Hij drukte haar de hand en kuste ze.
"Hij is toch een goed man, een waarlijk goed, ja in zijn soort zelfs veelbeteekenend man," zeide Anna, terwijl zij naar haar kamer terugkeerde, bij zich zelf, alsof zij hem tegen iemand verdedigen moest, die hem beschuldigde en beweerde, dat men hem niet kon beminnen. "Maar waarom staan die ooren hem toch zoo ver van het hoofd? Zou hij zich het haar ook hebben laten knippen."
Met klokslag twaalf uur, toen Anna nog aan haar schrijftafel zat en juist haar brief aan Dolly sloot, deden zich gelijkmatige voetstappen in pantoffels hooren en Alexei Alexandrowitsch naderde haar, gewasschen en gekamd en met een boek onder den arm.
"Het is tijd, het is tijd," sprak hij met zijn eigenaardig lachje en ging de slaapkamer binnen.
Terwijl Anna zich ontkleedde, dacht zij aan den blik, waarmede Wronsky
Karenin gemeten had: "Welk recht had hij hem zoo aan te zien?"
Toen zij het slaapvertrek binnen kwam, miste haar gelaat niet slechts die opgewektheid, die gedurende haar verblijf te Moskou in haar oogen en haar lachjes had getinteld, maar dit vuur scheen nu geheel uitgebluscht of ergens diep verscholen te zijn.
XXI.
Bij zijn vertrek van Petersburg had Wronsky zijn ruime woning op de Moskaya aan zijn vriend en besten kameraad Petritzky afgestaan. Petritzky was een jong officier van burger afkomst en niet rijk, met buitengewoon veel schulden, die 's avonds steeds te veel dronk en wegens allerlei komieke en lichtzinnige affaires telkens naar de hoofdwacht werd gebracht en toch steeds bij al zijn kameraden en superieuren bemind was.
Toen Wronsky tegen twaalf uur van het station naar huis reed, zag hij bij het oprijplein een hem bekend rijtuig. Toen hij had aangescheld, hoorde hij binnen het lachen en snappen eener vrouwenstem en Petritzky daarboven uit roepen:
"Als 't een booswicht is, niet binnen laten."
Wronsky beval den knecht hem niet aan te melden en ging zacht de eerste kamer binnen. Aan de ronde tafel zat barones Schilten, die in haar lila kleedje met haar blond kopje als een kanarievogel schitterde en haar Fransch gesnap door de kamer deed schallen, terwijl zij te gelijk de koffie gereed maakte. Naast haar zaten Petritzky in négligé en de ritmeester Kamerowsky in volle uniform.
"Hoera! Wronsky!" riep Petritzky, sprong op en schoof zijn stoel achteruit; "onze gastheer zelf! Barones geef hem wat koffie uit de nieuwe kan! Bonjour kameraad! Dat is een verrassing! ik geloof, dat je over het sieraad van je kamer tevreden zult zijn!" zeide hij, terwijl hij op de barones wees: "Gij kent elkander toch?"
"Dat zou ik denken," antwoordde Wronsky met vroolijken lach en drukte de kleine hand der barones—"wij zijn oude vrienden!"
"Gij komt van de reis," zeide de barones; nu ga ik dadelijk heen. Ja, ik rijd dadelijk weg, als ik stoor."
"Waar u is, is u altijd thuis, barones," antwoordde Wronsky. "Bonjour,
Kamerowsky," zeide hij tot dezen met een koele handdruk.
"Kijk, zoo iets liefs weet gij nooit te zeggen," zeide de barones tot Petritzky.
"Niet? En waarom niet? Wacht maar eens, na het diner spreek ik ook niet slechter."
"Ja, na het diner! Ha, ha ha! Dan is het geen verdienste. Nu ik zal hem uw koffie geven. Ga nu eerst heen om u te wasschen en wat op te knappen," vermaande de barones, nam haar plaats weer in en draaide voorzichtig de kraan van de nieuwe koffiekan open. "Pierre, geef mij de koffiebus," wendde zij zich weer tot Petritzky, dien zij zoo bij zijn doopnaam noemde, zonder haar intieme betrekking met hem te verhelen. "Ik zal er nog wat bij doen."
"Dan zult ge hem bederven."
"Dat is niets—ha ha ha!—Nu? en uw vrouw?" riep zij plotseling het gesprek afbrekend Wronsky toe: "Wij hebben u namelijk hier uitgehuwelijkt. Hebt ge uw vrouw niet meegebracht?"
"Neen, barones, als Zigeuner ben ik geboren en als Zigeuner zal ik sterven."
"Des te beter, des te beter, geef mij uw hand."
En terwijl zij die niet weer los liet, begon zij hem met allerlei grapjes er tusschen door haar nieuwste levensplannen mee te deelen en vroeg hem om raad.
"Hij wil van geen scheiding weten—wat moet ik nu doen? (Hij was haar man.) Ik wil nu een proces tegen hem op touw zetten. Wat raadt ge mij? Kamerowsky, zie toch naar de koffie—ze kookt immers over—gij ziet dat ik met belangrijker dingen bezig ben.—Ik moet procedeeren, want ik moet mijn vermogen hebben. Begrijpt gij zulken onzin? Ik zeide hem met de meeste verachting, dat ik hem ontrouw was—en daarvoor wil hij nu mijn goederen behouden!"
Wronsky luisterde met genoegen naar het vroolijk gesnap der jonge vrouw, gaf haar in alles gelijk, deelde haar nu en dan schertsend zijn raad mede en sloeg dadelijk weer zijn tegenover zulke vrouwen gewonen conversatietoon aan. In zijn Petersburger wereld waren alle menschen door hem in twee soorten verdeeld. Tot de eene, lagere soort, behoorden alle ordinaire, bekrompen vooral belachelijke menschen, die beweerden, dat een man met de vrouw moet leven, die hij getrouwd heeft; dat een meisje onschuldig, de vrouw zedelijk zijn moet; dat de man vast van beginselen zijn en zich beheerschen moet; dat men zich aan de opvoeding der kinderen wijden, zijn brood verdienen, zijn schulden betalen moet, en al zulken onzin meer. Dit waren de ouderwetsche, belachelijke menschen. Tegenover hen stond een andere soort van echte, verlichte menschen, zij namelijk, tot wie hij en zijns gelijken behoorden, bij wie het er voornamelijk op aan kwam zich elegant voor te doen, bevallig, hooghartig, mild, dapper en vroolijk te zijn, zich zonder blozen aan elken hartstocht over te geven en om al het overige te lachen.
Wel gevoelde ook Wronsky, die te Moskou een geheel andere levensatmospheer had leeren kennen, zich in het eerste oogenblik eenigszins beklemd, maar zoodra hij de voeten in de oude pantoffels had gestoken, ging hij weer zijn vroegere zorgelooze, lustige wereld in.
De koffie kwam natuurlijk niet gereed, zij kookte slechts over en bespatte het gezelschap, wat juist noodig was, dat wil zeggen: zij gaf aanleiding tot alarm en gelach en vloeide over het kostbaar tapijt en het kleed der barones.
"Zoo, nu zeg ik u adieu! want anders komt het niet tot wasschen en dan heb ik de grootste misdaad, die een fatsoenlijk mensch begaan kan, eene onreinheid, op mijn geweten.—Gij raadt mij dus aan, hem het mes op de keel te zetten?"
"Zeker, maar zoo, dat uw kleine hand in de nabijheid van zijn lippen blijft. Hij zal die dan kussen en alles zal een goed einde nemen," antwoordde Wronsky.
"Dus tot vanavond in den Franschen schouwburg!" Haar kleed ruischte en zij verdween.
Ook Kamerowsky stond op en Wronsky ging naar zijn kleedkamer. Terwijl hij zich waschte en omkleedde, schetste Petritzky hem in korten tijd zijn geheelen toestand in Petersburg, zooals die zich gedurende zijn afwezigheid gevormd had. Geld was er niet voorhanden. Zijn vader had verklaard niets meer te geven, niet eens meer zijn schulden te willen betalen; een kleermaker had hem aangeklaagd en wilde hem achter slot brengen. De overste van zijn regiment had verklaard, dat hij, als al die schandalen niet ophielden, den dienst moest verlaten. De barones verveelde hem ontzettend, vooral omdat zij hem nooit geld wilde voorschieten; maar er was een andere, hij wilde ze Wronsky wijzen, een wonder van schoonheid in streng oosterschen stijl, "in het genre der slavin Rebecca, ge begrijpt me wel!" Ook had hij gisteren met Berkoscheff twist gehad en deze wilde hem zij secondant zenden, maar het zou wel met een sisser afloopen. In het algemeen was echter alles in Petersburg prachtig en heerlijk! Toen begon Petritzky allerlei interessant en piquant nieuws te verhalen.
Terwijl Wronsky in die hem door driejarig verblijf zoo vertrouwd geworden woning naar het hem zoo wel bekend gebabbel van Petritzky luisterde, had hij het aangenaam gevoel weer tot dat van ouds gewone en zorgelooze Petersburger leven teruggekeerd te zijn en daarbij het bewustzijn te midden daarvan een nieuw en bekoorlijk doel te hebben.
"Hoe gaat het met Luzulukoff?"
"O, Luzulukoff, dat is een prachtige geschiedenis!" riep Petritzky uit. "Gij kent Luzulukoffs hartstocht voor bals. Zonder hem is geen hofbal volmaakt. Onlangs was hij daar ook met zijn nieuwen helm—gij kent onze nieuwe helmen toch al! Zij zijn zeer mooi, heel licht. Derhalve hij staat daar—maar luister nu toch!"
"Ik luister immers!" zeide Wronsky, terwijl hij zich met een wrijfhanddoek afdroogde.
"Daar gaat een grootvorstin met een gezant hem voorbij en zij spreken tot zijn ongeluk juist over de nieuwe helmen. De grootvorstin wil den gezant de helmen nauwkeuriger beschrijven en daar ziet ze ons duifje staan." (Petritzky bootste na, hoe hij daar met zijn helm stond). "De grootvorstin verzoekt hem haar den helm even te geven—hij geeft hem echter niet! Wat is dat? Men knipoogt, men zet een donker gezicht. Geef hier! Hij geeft hem echter niet. Allen staan verstijfd van schrik…. Kun je u dat voorstellen? Daar wil die … hoe heet hij ook weer?… hem den helm ontnemen … maar hij houdt hem vast. De ander rukt hem eindelijk los en reikt hem de grootvorstin over. Dit is nu de nieuwe … zegt de grootvorstin, keert den helm om en daar plotseling, verbeeld je! bons! klets! Wat rolt er uit? Peren, appelen, bonbons, zegge: twee pond bonbons … dat alles had ons duifje bij elkaar gepikt en daarin geborgen."
Wronsky berstte bijna van lachen. Nog lang daarna, toen zij over geheel andere dingen spraken, begon hij, zoodra hij maar aan den helm dacht, luidkeels te lachen. Nadat hij alle nieuwtjes vernomen en zich met hulp van zijn bediende gekleed had, ging hij op rapport om zijn terugkeer in dienst te melden en ging daarna bezoeken afleggen.
TWEEDE BOEK.
I.
Tegen het einde van den winter werd in het huis van vorst Tscherbatzky een consult gehouden, dat over Kitty's gezondheidstoestand uitspraak doen en beslissen zou, welke maatregelen tot herstel harer verzwakte krachten zouden moeten genomen worden. Zij kwijnde weg en toen de lente kwam, verergerde haar toestand. De huisdokter had haar eerst levertraan, toen staal, daarna lapis voorgeschreven, maar daar dat alles niets hielp en hij geen anderen raad wist dan een buitenlandsche badplaats, had men besloten er een "beroemden" dokter bij te nemen. Deze beroemde dokter, een nog jong en zeer schoon man, drong op een nauwkeurig onderzoek van de patiënte aan. Hij scheen er met een bizonder genoegen op te drukken, dat maagdelijk schaamtegevoel slechts een overblijfsel van het oude barbarisme was en dat er niets natuurlijker was, dan dat een jong dokter het lichaam van een jong meisje betastte; hij vond het natuurlijk, omdat hij het dagelijks deed en daarbij niets bizonders dacht of gevoelde; daarom beschouwde hij de schaamte van een jong meisje niet slechts als een overblijfsel van barbaarschheid, maar als een beleediging voor hem zelf.
Men moest zich dus naar hem schikken, want niettegenstaande alle dokters dezelfde studie doorloopen en dezelfde wetenschap uit dezelfde bronnen putten, in weerwil sommigen zelfs beweerden, dat deze beroemde dokter slechts een middelmatige arts was, in het huis en in den geheelen kring van bekenden der vorstin was hij door een of ander tot een factotum geworden, en slechts deze beroemde arts wist het rechte en was alleen in staat Kitty te redden.
Nadat de dokter de diep beschaamde en ontstelde Kitty onderzocht, beklopt, haar ademhaling beluisterd en daarna zijn handen zorgvuldig gewasschen had, keerde hij in het salon terug om met den vorst te spreken. Deze hoorde hem met opgetrokken wenkbrauwen en nu en dan kuchende aan; als een ervaren, schrander en gezond man geloofde hij niet recht aan de geneeskunde en ergerde zich innerlijk aan deze comedie, te meer daar hij meende alleen de oorzaak van Kitty's ongesteldheid te kennen. Daarentegen kon ook de geneesheer nauwelijks zijne minachting voor dezen ouden man verbergen, en het scheen hem moeite te kosten tot diens zwak bevattingsvermogen af te dalen. Hij besefte, dat het nutteloos en niet de moeite waard was met dezen bekrompen man veel over de zaak te spreken en hij begreep ook wel, dat de moeder eigenlijk het hoofd des huizes was. Voor haar wilde hij zijn parelen uitschudden.
De vorstin kwam op dit oogenblik met den ouden huisdokter het salon binnen. De vorst ging ter zijde om niet te verraden, hoe belachelijk hem het geheel voorkwam.
"Welnu, dokter? Beslis u over ons lot," zeide de vorstin; zeg mij alles!—"Is er nog hoop?" wilde zij er bijvoegen, maar haar lippen beefden en zij vermocht de vraag niet te uiten. "Nu, wat is uw gevoelen, dokter?"
"In de eerste plaats, vorstin, moet ik met mijn collega spreken; dan zal ik de eer hebben u mijn inzicht bloot te leggen."
"Dan zullen wij u wel alleen moeten laten?"
"Als u zoo goed wil zijn…."
Met een zucht verliet de vorstin het salon.
Toen de dokters alleen waren, begon de huisarts schuchter zijn meening bloot te leggen. Volgens hem scheen het begin van een tuberculeus proces aanwezig te zijn, evenwel e. z. v.
De beroemde dokter hoorde hem aan en haalde intusschen zijn groot gouden horloge te voorschijn.
"Zoo." zeide hij, "maar…."
De ander, ofschoon in zijn uiteenzetting gestoord, luisterde eerbiedig.
"Maar gij weet, dat het begin van een tuberculeuzen toestand niet met zekerheid is te constateeren, ten minste de vorming van knobbeltjes niet. Men zou het hier echter kunnen aannemen; de kenteekenen zijn voorhanden: een slechte spijsvertering, zenuwachtige prikkelbaarheid en zoo meer. Hier is dus sprake van het vermoedelijk begin van een tuberculeus proces, en nu is de hoofdvraag: wat kan er gedaan worden om de spijsvertering te verbeteren?"
"Somtijds echter, zooals u weet, zijn ook gemoedsaandoeningen de oorzaak," veroorloofde de huisarts zich met een schrander lachje aan te merken.
"Zeker, zeer waar," antwoordde zijn beroemde collega, terwijl hij weer op zijn horloge zag. "Och, neem mij niet kwalijk: is de Jausky-brug al gereed of moet men nog altijd dien omweg maken?" vroeg hij. "Ja? Is zij klaar? O, dan kan ik in twintig minuten daar zijn…. Derhalve, het komt er hier op aan, de spijsvertering te verbeteren en de zenuwen te sterken. Het eene staat in verband met het andere; wij moeten dus naar beide zijden te gelijk trachten te werken…."
"Wat dunkt u van een reis naar het buitenland?" vroeg de huisdokter toen.
"Ik ben een tegenstander van die reizen naar het buitenland. U zal mij moeten toestemmen, dat, indien werkelijk tuberculeuze gesteldheid aanwezig is, een buitenlandsche reis niet helpen kan. Wij hebben een middel noodig, dat de spijsverteering bevordert en niet belemmert." In den verderen loop van het gesprek verklaarde de beroemde dokter, dat men met een badkuur in Soden de proef kon nemen, want mocht het niet baten, het kon ook niet schaden.
De huisdokter luisterde oplettend en eerbiedig. "Als voordeelen aan een verblijf in het buitenland verbonden zou ik beschouwen: een veranderde levenswijs, een plaatselijke verwijdering van de oorzaken, die hier wellicht op haar gemoed invloed oefenen, en dan ook," liet hij volgen, "den wensch der moeder."
"Och, als dit het geval is, moeten wij haar zeker laten reizen. Die Duitsche kwakzalvers zullen alles weer bederven … maar we zullen haar laten reizen."
En na nog eens op het horloge gezien te hebben, ging hij naar de deur.
De beroemde dokter verklaarde der vorstin (hij gevoelde dit welstaanshalve te moeten doen), dat hij de patiënte nog eens moest zien.
"Hoe, nog eens onderzoeken?" vroeg de vorstin ontsteld.
"O, neen, ik heb nog maar noodig eenige kleinigheden te weten. Mag ik u verzoeken?"
En de moeder begaf zich met den dokter naar Kitty. Deze stond, door het onderzoek afgetobt, met gloeienden blos en een eigenaardigen gloed in de oogen, midden in het salon. Toen de dokter binnen trad, bloosde zij nog meer en kwamen er tranen in haar oogen. Haar geheele ziekte en de behandeling daarvan kwam haar dwaas en belachelijk voor. Haar hart was gebroken; hoe zouden zij dat met poeders en pillen genezen? Maar zij durfde haar moeder niet krenken, daar deze haar eigen schuld gevoelde.
"Wees zoo goed plaats te nemen, prinses," zeide de beroemde dokter. Hij nam glimlachend tegenover haar plaats, voelde naar den pols en begon weer zijn vervelende vragen tot haar te richten. Zij beantwoordde die, maar plotseling stond zij geërgerd op.
"Excuseer, dokter, dat heeft er niets mede te maken en 't is reeds de derde maal dat u er naar vraagt."
De beroemde dokter was er niet door beleedigd. Toen Kitty zich verwijderd had, zeide hij tot de vorstin: "Ziekelijke prikkelbaarheid. Ik ben nu ook gereed…."
En nu verklaarde hij haar, als de eenige denkende vrouw, op wetenschappelijke wijze Kitty's toestand. Hij eindigde met een voorschrift, hoe het bronwater gedronken moest worden, hoewel het eigenlijk overtollig was. Zeer breedvoerig sprak hij over de vraag, of een buitenlandsche reis wezenlijk noodzakelijk was en ried haar nog aan, de Duitsche kwakzalvers toch niet te vertrouwen, maar zich in twijfelachtige gevallen steeds tot hem te wenden.
Na het vertrek van den dokter keerde de moeder heel opgewekt tot haar dochter terug, en ook Kitty scheen veel kalmer.
"Ik ben werkelijk heel gezond, mama," zeide zij; "maar als u op reis wil, welnu, laat ons dan op reis gaan." En wenschende over de ophanden reis verheugd te schijnen, begon zij over de toebereidselen te spreken.
II.
Kort na het vertrek van den dokter kwam Dolly. Zij wist, dat het consult heden zou plaats vinden, en kwam nu, ofschoon pas uit het kraambed opgestaan, om iets naders over Kitty's toestand te vernemen. Men trachtte haar mede te deelen wat de dokter gezegd had, maar nu bleek het, dat, ofschoon hij zeer lang en zeer duidelijk gesproken had, men toch niet kon weergeven, wat hij eigenlijk had gezegd. Eén ding stond echter vast: hij had een badreis naar Soden aangeraden. Dolly zuchtte onwillekeurig. Haar beste vriendin, haar zuster, ging weg. En haar leven was niet vroolijk. Haar verhouding tot Stipan werd na de verzoening meer en meer vernederend. Bijna nooit was hij meer thuis; geld was er ook niet meer voorhanden; de gedachte aan zijn ontrouw kwelde haar voortdurend, maar zij zette die zooveel mogelijk van zich, want zij vreesde de pas doorstane marteling der jaloezie. Ook keert de eerste opflikkering van een hartstocht nooit met zulk een hevigheid weder.
Ook de oude vorst kwam weer uit zijn kabinet in de huiskamer terug.
"Dus heb jelui besloten op reis te gaan. En wat wil je dan met mij beginnen?"
"Het is, geloof ik, het beste, dat gij thuis blijft!" sprak zijn vrouw.
"Precies zooals je wilt."
"Mama, waarom zou papa niet met ons op reis gaan?" vroeg Kitty. "Dat is voor papa en voor ons veel aangenamer." De oude vorst stond op en streek met zijn hand over Kitty's haar. Ze hief haar gelaat op en lachte gedwongen. Het kwam haar voor, alsof hij haar altijd het best begreep, ofschoon hij het minst sprak. Toen haar blik nu zijn goedige, blauwe oogen ontmoette, die haar zoo helder en opmerkzaam uit zijn oud, gerimpeld gelaat gadesloegen, was het haar, of hij haar geheel doorzag. Blozend hield zij hem den mond toe, maar hij streek slechts over het haar en zeide: "Die akelige chignons! Men kan zijn eigen dochter niet eens genaken en streelt slechts het haar van gestorven vrouwen!—Wel, Dolinka!" zoo wendde hij zich tot de oudste dochter: "wat voert uw baas uit?"
"O niet veel bizonders, papa," antwoordde Dolly, die begreep, dat hij naar haar man vroeg: "hij is altijd uithuizig, ik zie hem bijna niet meer," kon zij niet nalaten er met een pijnlijk lachje bij te voegen.
"Maar is hij nog niet naar buiten gegaan om het bosch te verkoopen?"
"Neen, hij is nog altijd met de voorbereidselen bezig."
"Zoo!" sprak de vorst, en zich nederzettend, zeide hij tot zijn vrouw: "Dus ik moet me ook klaar maken? Goed! Ik gehoorzaam. Maar Kitty, mijn kind, één ding moet ik je nog zeggen: als ge eens op een goeden dag wakker wordt, zeg dan tot je zelf: ik ben immers heel gezond en opgeruimd en ik wil weer met papa mijn vroege morgenwandelingen doen. He?"
Haar vader zeide dat zeer eenvoudig en toch werd Kitty bij die woorden verlegen en geraakte van haar stuk als een ontmaskerde misdadiger: "Ja," dacht zij, "hij weet alles, hij begrijpt alles en wil daarmede zeggen, dat men zijn schande moet weten te dragen, hoe beschamend dat ook zijn moge." Zij had geen heerschappij genoeg over zich zelf om iets te antwoorden; zij barstte in tranen uit en verliet de kamer.
"Dat komt weer van je grappen!" viel de vorstin tegen haar echtgenoot uit. "Zoo ben je nu altijd…." en er volgde een lange boetpreek.
De vorst hoorde geduldig zwijgend haar beschuldigingen aan, maar zijn gelaat betrok al meer en meer.
"Zij is zoo te beklagen, die arme, en gij merkt niet, dat de kleinste toespeling haar pijn doet. Ach! wat kan men zich toch in iemand vergissen!" zeide de vorstin. Dolly en haar vader begrepen, dat zij Wronsky meende. "Ik begrijp niet, dat er de wet geen vat op heeft om zulke afschuwelijke, gewetenlooze menschen te straffen!"
"Ach, ik wil daar niets van hooren!" sprak de vorst somber, terwijl hij van zijn stoel opstond, als wilde hij weggaan; maar aan de deur bleef hij staan. "Ja, moedertje, er zijn wel zulke wetten, maar wilt ge weten wie eigenlijk de schuld van alles draagt? Gij zijt het, gij alleen! Wetten tegen zulke huisnarren en windbuilen waren er altijd en zijn er nog. Ja, als er niet zooveel voorgevallen was, dat niet had moeten zijn, dan zou ik, oude man, dien gek wel ter verantwoording geroepen hebben! Ja, genees haar nu maar en haal me die kwakzalvers in huis!"
Hij scheen nog veel op het hart te hebben, doch nauwelijks hoorde de vorstin haar man dien toon aanslaan, of, zooals het in ernstige gevallen altijd gebeurde, zij gevoelde zijn meerderheid en had berouw over haar eigen woorden.
"Alexander, Alexander!" zei ze zacht, terwijl zij hem naderde en in tranen uitbarstte.
De vorst zweeg terstond en trad op haar toe. "Vergeef mij, als ik te heftig was, vergeef mij, melieve! Ik weet dat het je ook zoo zwaar valt. Maar wat er aan te doen? Het ongeluk is ook nog niet zoo heel groot. God is barmhartig…. Ik dank je…." zeide hij, zonder recht te weten, wat hij sprak, en terwijl hij den door tranen bevochtigden kus der vorstin op zijn hand voelde, beantwoordde hij dien en verwijderde zich toen.
Toen Kitty in tranen badend de kamer verlaten had, zag Dolly's moederlijke natuur terstond, dat een vrouw hier helpen moest. Zij legde haar hoed af, en in zekeren zin zedelijk de mouwen opstroopend, bereidde zij zich tot handelen voor. Gedurende den aanval van haar moeder op haar vader bleef zij in stillen deemoed zitten, gelijk een dochter betaamt; maar zoodra haar vader weggegaan was, maakte zij zich op om Kitty te gaan troosten. "Ik had het u al lang willen zeggen, mama; weet u, dat Lewin, toen hij de laatste maal hier was, bij Kitty een aanzoek wilde doen? Hij heeft het Stiwa gezegd."
"Hoe dan? Ik begrijp niet…."
"Heeft Kitty hem misschien afgewezen? Heeft zij u daar niets van gezegd…?"
"Neen, noch van den een, noch van den ander; zij is te fier; maar ik weet, dat het alles door die…."
"Denk toch eens aan, als zij Lewin afgewezen had! En ik weet stellig, dat zij dat niet gedaan zou hebben, als die ander er niet geweest was…. En die heeft haar nu schandelijk bedrogen…."
Het was voor de vorstin vreeselijk om er aan te denken, hoe schuldig zij tegenover Kitty was, en daardoor werd zij prikkelbaar.
"Ach, ik begrijp er niets meer van! Ieder wil tegenwoordig zijn eigen hoofd volgen; men vertelt de moeder niets en dan komt het zoo…."
"Mama, ik zal naar haar toe gaan?"
"Ga! Of heb ik het je soms verboden?"