III.
Toen Dolly in Kitty's vriendelijke met snijwerk versierde kamer trad, die er even frisch en zonnig als de bewoonster zelf voor twee maanden uitzag, herinnerde zij zich met hoeveel lust en liefde zij dat vertrek het vorige jaar ingericht hadden. Kitty zat op een laag stoeltje dicht bij de deur en had haar oogen strak op een hoek van het tapijt gevestigd, maar sloeg die nu met koelen somberen blik tot haar zuster op.
"Ik wilde nog eens even met je praten," zeide Dolly.
"Waarover?" vroeg Kitty snel, terwijl zij het hoofd verschrikt ophief.
"Waar anders over, als over je kommer?"
"Ik heb geen kommer."
"Spreek zoo niet, Kitty! Denk je werkelijk, dat ik niets weet? Ik weet alles, en geloof mij, het heeft weinig te beduiden. Wij hebben allen iets dergelijks ondervonden."
Kitty zweeg en keek strak voor zich uit.
"Hij is niet waard, je om zijnentwil te kwellen," ging Dolly voort, recht op de zaak afgaande.
"Ja, omdat hij mij versmaad heeft!" zeide Kitty met sidderende stem. "Och, zeg toch niets meer alsjeblieft."
"Wie heeft je dat gezegd? Dat kan niemand zeggen. Ik ben er van overtuigd, dat hij op je verliefd was en het zou gebleven zijn, als…."
"Ach, dat medelijden, en al die betuigingen van deelneming zijn het verschrikkelijkst!" riep Kitty plotseling uit. Zij keerde zich op haar stoel om, werd rood, speelde met de vingers en drukte nu met de eene dan met de andere hand tegen den gesp van haar ceintuur. Dolly kende haar zuster; zij wist, dat zij in drift in staat was zich zelf te vergeten en dingen te zeggen, die haar kort daarna berouwden.
"Wat? Wat wilt ge me doen gevoelen? Wat?" vroeg Kitty gejaagd: "Dat ik verliefd was op iemand, die niets van mij weten wil, en dat ik uit liefde voor hem zal sterven? En dat zegt nu mijn eigen zuster; zij meent dat … dat … zij … in mijn leed deelt! Ik wil zulk een medelijden, zulk een veinzerij niet!"
"Kitty, je zijt onrechtvaardig. Gij meent, dat ge beleedigd zijt, en valt mij nu aan…."
"Ik heb je niet beleedigd, maar gij…!"
"Integendeel, ik…." haastte Dolly zich te zeggen.
Maar Kitty luisterde niet in haar drift.
"Er is volstrekt geen grond om te denken dat ik ongelukkig ben en mij te troosten. Ik ben veel te trotsch om ooit iemand te beminnen, die mij niet bemint."
"Dat zegt immers ook niemand…. Maar toe, zeg mij nu eens oprecht," smeekte Dolly, Kitty's hand grijpend, "heeft Lewin met je gesproken?…"
Het noemen van Lewins naam scheen Kitty alle zelfbeheersching te doen verliezen; zij sprong op, wierp den gesp op den grond en riep met een heftige handbeweging uit: "Wat heeft dat alles met Lewin te maken? Ik begrijp niet, waarom je mij zoo plaagt! Ik heb je al gezegd en herhaal het, dat ik mijn trots heb en dat ik nooit doen zou, wat gij gedaan hebt: tot iemand terugkeeren, die je ontrouw geworden is en een andere bemint. Dat is mij onbegrijpelijk. Gij kunt dat, ik echter niet!"
Na die woorden zag zij haar zuster aan; toen zij bemerkte, dat Dolly zwijgend en treurig het hoofd liet hangen, viel zij lusteloos op den stoel bij de deur neer en bedekte haar gelaat met den zakdoek. Dit zwijgen duurde eenige minuten. Dolly dacht aan haar eigen leed. Haar vernedering, die zij onophoudelijk gevoelde, deed haar nog meer pijn, toen zij door haar zuster daaraan herinnerd werd. "En zij weet het, zij gevoelt het bij instinct!" dacht zij. Plotseling hoort zij een kleed ruischen en zij werd door een paar armen omvat. Kitty lag voor haar geknield. Zij smeekte niet om vergiffenis, zij fluisterde haar slechts toe: "Dolinka, ik ben zoo ongelukkig!" En zij verborg het lieve betraande gelaat in de plooien van Dolly's kleed. De tranen waren als het ware de noodige olie, zonder welke de machine van de wederzijdsche uitstorting des harten niet werkte. Na die tranen spraken de zusters niet meer over wat zij eigenlijk weten wilden. Nu verstonden zij elkander zonder dat volkomen.
"Ik heb geen verdriet," sprak Kitty nu bedaard, "maar ik weet niet, of gij het begrijpen kunt: alles staat mij tegen, ik heb een hekel aan alles, het meest nog aan mij zelf. Gij kunt u niet voorstellen, welke slechte gedachten ik somtijds heb."
"Welke slechte gedachten zoudt gij kunnen hebben?" vroeg Dolly, ongeloovig lachend.
"De slechtste, de laagste, zeg ik je. Dat is geen verlangen, geen verveling, neen, dat is iets veel ergers. 't Is of al het goede, dat in mij was, zich verborgen heeft en het slechte alleen gebleven is. Hoe is dat te verklaren?" voegde zij er bij, toen zij verwondering in de oogen harer zuster las. "Papa sprak zooeven tot mij…. Hij schijnt te denken, dat ik trouwen moet. Mama brengt mij op een bal, en ik denk, dat zij het alleen doet om mij zoo spoedig mogelijk uit te huwelijken en van mij bevrijd te worden. Ik weet, dat het niet waar is, en toch kan ik die gedachten niet van mij zetten. Die zoogenaamde huwelijkscandidaten kan ik niet meer aanzien; het komt mij altijd voor, of zij mij de maat willen nemen. Vroeger trok ik gaarne balkleederen aan, ik was verrukt over mij zelf, nu vind ik het onaangenaam en beschamend. En nu al dat andere…. De dokter…. Nu…." Kitty bleef steken; zij wilde nog meer zeggen; zij wilde zeggen, dat sedert er voor haar zooveel veranderd was, zij Stipan Arkadiewitsch geheel onuitstaanbaar vond en zij hem niet kon aanzien zonder zich de meest stuitende en ongehoorde voorstellingen van hem te maken, "In één woord, alles komt mij grof en laag voor," ging zij voort. "Dat is mijn ziekte…. Misschien zal het wel voorbijgaan…."
"Ge moet er niet zooveel over denken!"
"Hoe kan ik anders! Alleen bij u en de kinderen is het mij wèl."
"Hoe jammer, dat ge nu niet bij me kunt komen, omdat Lili nu juist het roodvonk krijgt."
"Ja, ik kom toch. Ik heb het roodvonk al gehad, en ik zal mama geen rust laten."
En Kitty liet haar ook geen rust; zij ging bij haar zuster logeeren en verpleegde de kinderen in hun ziekte, die werkelijk bleek roodvonk te zijn. De beide zusters brachten er al de zes kleinen gelukkig boven op; maar Kitty's gezondheid was niet beter geworden en in den tijd der groote vasten reisde de familie Tscherbatzky af naar het buitenland.
IV.
Twee maanden na Anna's terugkomst te Petersburg waren voorbijgegaan. Haar leven bewoog zich toen weder in de oude sleur. Maar sedert haar reis naar Moskou zag zij er anders dan vroeger op neer; weleer werd haar geheele tijd aangevuld door dit leven met zijn gezellig verkeer, met zijn uitspanningen en zijn gesprekken over huwelijken, ongelukken, bevorderingen en verplaatsingen; met zijn zorgen voor kleeding en frisuur; met zijn kleine genoegens en eerzuchtige verdrietelijkheden en vooral met haar kalmen tot gewoonte geworden omgang met vader en zoon. Dit leven der conversatiewereld, dat haar vóór de intrede in die wereld was voorgekomen als een sterk bewogen en gevaarlijke maalstroom, had zich voor haar in de werkelijkheid doen kennen als een tamelijk eentonig en rustig leven, dat de hartstochten op den bodem der ziel liet sluimeren. Het raakte slechts de oppervlakte van haar bestaan en in de laatste jaren van haar leven te Petersburg beving haar dikwijls te midden van bals en partijen een gevoel van matheid en verveling als van het gelijkmatig ronddraaien van een wiel. Maar sedert haar reis naar Moskou was dit plotseling anders geworden. Thans was het leven in de groote wereld haar geen rustig tijdverdrijf meer; nu eens ergerde zij zich over zijn verveling, huichelarij en dwaasheid, dan weer gevoelde zij zich te midden daarvan opgewekt en geprikkeld, als toen zij nog als jong meisje de bals bezocht.
De Petersburger élite vormde toen een afgesloten kring, waarin allen elkander kenden en elkander bezochten. Maar in dien kring hadden zich verscheiden kleinere coterieën gevormd. In drie daarvan had Anna vertrouwde vrienden en intiemeren omgang. Een dier coterieën was ontstaan door het officiëel verkeer van haar man en bestond uit collega's en ondergeschikte beambten. Anna herinnerde zich nog het gevoel van heiligen eerbied, dien zij in het begin deze persoonlijkheden had toegedragen. Nu kende zij hen allen zoo goed, als men elkander in een klein provinciestadje kent; zij kende al hun zwakheden, wist waar ieder den schoen wrong, kende hun verhoudingen tot elkander en tot het hoofdcentrum en wist in welke punten zij overeenstemden en in welke zij uiteenliepen; maar deze kring, waaraan haar echtgenoot door zijn belangen verbonden was, had, in weerwil van den invloed der gravin Lydia Iwanowna, haar nooit kunnen aantrekken en zij vermeed hem zooveel zij konde.—Een andere clique, die Anna meer boeide, was die, waardoor haar echtgenoot Alexander Alexandrowitsch zijn carrière gemaakt had; het was een vereeniging van bejaarde, niet schoone, deugdzame en kerkelijk vrome vrouwen en verstandige, geleerde, eerzuchtige mannen. Een dezer geleerde heeren had dezen kring als "het geweten der Petersburger wereld" gekenmerkt. Alexei Alexandrowitsch schatte hem zeer hoog en Anna, die zich zoo gemakkelijk in alles kon schikken, had ook daar spoedig eenige goede vrienden gevonden. Nu echter, na haar terugkomst uit Moskou, was die kring haar onuitstaanbaar geworden. Het kwam haar voor, dat allen huichelden en het werd haar in hun midden spoedig te ongezellig en vervelend, zoodat zij het middelpunt, gravin Lydia Iwanowna, zoo zelden mogelijk bezocht.
De derde clique eindelijk, waarmede Anna in betrekking stond, was de wereld der bals, der diners, der schitterende toiletten, de wereld, die zich met de eene hand aan het hof vastklemt om toch niet tot de demimonde af te dalen; want ofschoon haar leden zich verbeeldden veel hooger te staan, waren zij elkander in smaak, in levensopvatting en in geheel hun innerlijk wezen vrij gelijk. Anna's betrekking op dezen kring werd onderhouden door vorstin Betsy Twerskaja, de vrouw van een harer neven, die een jaarlijksch inkomen van 12000 roebels had en die Anna van haar eerste optreden af zeer genegen was geworden, die haar zocht te bekeeren en geheel in haar sfeer te trekken, terwijl zij Lydia Iwanowna's salon bespotte.
"Als ik eenmaal oud en leelijk ben, zal ik ook zoo worden," zeide Betsy, "maar gij, zulk een jonge, mooie vrouw, zijt nog niet rijp voor dat invalidenhuis."
In het begin had Anna zooveel mogelijk den omgang met vorstin Twerskaja vermeden; want die omgang maakte aanspraak op middelen, waarover zij niet had te beschikken; ook trokken haar neigingen haar meer naar de andere richting. Na haar reis veranderde dit geheel. Zij vermeed haar moraliseerende vrienden en zocht de groote wereld des vermaaks. Daar trof zij Wronsky aan en die ontmoetingen brachten een aangename opgewektheid bij haar teweeg. Bizonder dikwijls trof zij hem bij Betsy aan, die eene geborene Wronsky en zijn nicht was.
Wronsky was overal, waar hij Anna kon ontmoeten, en sprak haar, zoo dikwijls als hij kon, van zijn liefde. Zij moedigde hem niet aan, maar telkens als zij hem aantrof, werd haar ziel doorstroomd van dat levensvuur, dat ontvlamd was, toen zij hem het eerst in den waggon had ontmoet. Zij voelde het zelf, dat bij zijn aanblik blijdschap uit haar oogen blonk, een lach op haar lippen zweefde en dat zij niet in staat was deze teekenen der vreugde te verbergen. Eerst geloofde Anna zelf, dat zij ontstemd was, omdat hij haar durfde vervolgen, maar kort daarna, toen zij hem op een soirée, waar zij stellig gedacht had hem aan te treffen, niet zag, besefte zij door het gevoel van teleurstelling, dat haar aangreep, dat die vervolgingen haar niet slechts niet onaangenaam waren, maar dat zij de quintessens van haar leven uitmaakten.
V.
Vorstin Betsy Twerskaja was juist uit de groote opera thuis gekomen en had nauwelijks tijd gevonden van toilet te verwisselen en haar bleek gelaat met poeder te bestrooien, toen reeds het eene rijtuig na het andere voor het deftige, aan de groote Morskaja gelegen huis kwam aanrijden. De gasten stegen uit en de portier opende zonder gerucht de reusachtige deur om de aangekomenen te laten passeeren. Bijna tegelijkertijd kwam de gastvrouw met haar vernieuwde frisuur en huidkleur door de eene deur en door de andere de eerste gasten het groote salon binnen met zijn donkere wanden, zachte tapijten en helder glanzende tafel, op welker wit servet de zilveren samovar en het doorschijnend porselein van het theeservies schitterden. De gastvrouw nam bij den samovar plaats en trok de handschoenen uit. Het gezelschap, dat met hulp van onmerkbaar sluipende dienaren de stoelen terecht schoof, verdeelde zich in twee groepen, de eene om den samovar en de gastvrouw, de andere in den tegenovergelegen hoek van het salon om de schoone gezantsvrouw in zwarte zijde en met fijne zwarte wenkbrauwen. Het gesprek in beide groepen, dat, zooals altijd in het begin, dikwijls werd gestoord door begroetingen en het aanbieden van thee, sprong van den hak op den tak, alsof het nog naar een onderwerp zocht, waarop het zich kon vestigen.
"Zij is zeldzaam schoon, ik bedoel als actrice; men bespeurt, dat zij Kaulbach bestudeerd heeft," zeide een diplomaat in den kring der gezantsvrouw, "hebt ge haar nedervallen wel opgemerkt?…"
"Ach, ik bid u! spreek toch niet van dezen Nilson; van haar is niets nieuws meer te zeggen!" zoo werd hij in de rede gevallen door een dikke, roodwangige, blondharige dame, zonder wenkbrauwen en zonder chignon, in een oud zijden kleed. Het was vorstin Miagkaja, die door eenvoudigheid en ruwheid van haar wezen beroemd was en het enfant terrible genoemd werd; zij had zich te midden van de beide groepen geplaatst, en naar beide zijden luisterend, richtte zij haar woorden nu naar de eene dan naar de andere zijde. "Al drie menschen hebben mij van daag, alsof zij het afgesproken hadden, deze phrase van Kaulbach doen hooren. En ik weet ook, waarom deze manier van spreken hun zoozeer behaagt…."
Dat thema was derhalve door deze opmerking ter zijde geschoven; er moest een ander worden uitgedacht.
"Vertel ons nu eens iets grappigs, maar 't mag niet boosaardig zijn," zeide de gezantsvrouw, die uitmuntte in dien fijnen conversatietoon, dien de Engelschen small talk noemen.
De diplomaat wist nu niet, waarmede hij zou beginnen.
"Men zegt, dat het moeielijk is grappig en geestig te zijn zonder stekelig te worden," zoo begon hij lachend. "Maar ik wil het toch beproeven. Geef u mij dan een thema. Het thema is de hoofdzaak. Is dit aangegeven, dan gaat het van zelf. Ik geloof, dat zelfs de beroemste causeurs uit de vorige eeuw in onze dagen verlegen zouden zijn om iets schrandere te zeggen. Al het vernuftige is al zoo afgezaagd…."
"Ook dat is al lang gezegd geworden," viel de gezantsvrouw hem lachend in de rede.
Het gesprek ging zeer net binnen de perken voort, maar juist omdat het te net beperkt was, begon het weer spoedig te stokken. Men moest weer zijn toevlucht tot het zekerste, nimmer falende middel nemen, tot—kwaadspreken.
"Vindt ge niet, dat Puschewitz iets van Louis Quinze over zich heeft?" vroeg de diplomaat, terwijl hij met de oogen naar een knap, blond jongeling duidde, die aan een tafeltje stond.
"O ja, hij valt juist in denzelfden stijl als dit salon; daarom is hij ook zoo dikwijls hier."
Dit gesprek had levensvatbaarheid; want men kon op bedekte wijs over datgene spreken, waarover juist in dit salon het minst had mogen gesproken worden, namelijk over Puschewitz' verhouding tot de gastvrouw.
Om den samovar en de vorstin had het gesprek ook een poos heen en weer gewankeld tusschen de drie onvermijdelijke onderwerpen: het laatste nieuws uit de groote wereld, den schouwburg en de beoordeeling van den naaste, en op dit laatste had het zich ook hier blijven hechten.
"Weet ge al, dat Waltischewa, wel te verstaan, niet de dochter, maar de moeder, een costuum diable rose laat maken?"
"Och, dat is immers niet mogelijk! Neen, maar dat is curieus!"
"Dat zij met haar gezond verstand—want zij is lang niet dom—niet inziet, hoe belachelijk zij zich maakt!"
Nu had ieder iets bij te dragen ter beoordeeling en bespotting van de ongelukkige Waltischewa en het gesprek knapperde nu weldra lustig als een in brand gestoken hoop hout.
Vorstin Betsy's gemaal, een goedhartig, dik man, een hartstochtelijk verzamelaar van koperetsen, kwam, nu hij vernam, dat zijn vrouw menschen had, haar salon binnen vóór hij zich naar zijn club begaf. Met onhoorbare schreden was hij over het zacht tapijt vorstin Miagkaja genaderd.
"Nu," vroeg hij, "hoe is Nilson u bevallen?"
"Ach, hoe kan iemand zoo komen binnen sluipen!" antwoordde zij. "Wat hebt ge me verschrikt! Maar doe mij, alsjeblieft, een groot genoegen en spreek niet over die opera; ge hebt toch geen begrip van muziek. Ik wil liever tot u afdalen om met u over uw gravures te spreken. Nu? welk een schat hebt ge onlangs op de tolkuschka [6] opgevischt?"
"Zal ik het u laten zien? Maar ge hebt er toch geen oogen voor."
"O, laat me maar eens zien. Ik heb er ook wel wat van geleerd, bij die menschen, ja, hoe heeten ze ook?—bij dien … bankier … die heeft ook prachtige gravures en heeft ze ons onlangs laten zien."
"Wat? Zijt ge bij Schützburgs geweest?" vroeg de huisvrouw over de theetafel heen.
"Ja, ma chère. Zij hadden ons te dineeren gevraagd. Men heeft mij verteld, dat de saus op het diner alleen duizend roebels zou gekost hebben," zeide de vorstin zeer luid, daar zij bemerkte, dat allen naar haar luisterden, "en welk een afschuwelijke saus, zulk een groene poespas! Ik moest hen toen wederkeerig uitnoodigen en maakte een saus klaar van vijf en tachtig kopeken, en ze viel algemeen in den smaak. Ik kan geen duizend-roebel-saus maken."
"Zij is eenig," zeide de gastvrouw.
"Bewonderenswaardig," betuigde een ander.
Het effect, dat vorstin Miagkaja met haar woorden maakte, was altijd hetzelfde en het geheele geheim lag daarin, dat zij, al kwam het ook niet altijd te pas, zeer eenvoudige dingen zeide, die een beteekenis hadden. In den kring, waarin zij verkeerde, vond men haar woorden geestig. Zij wist zelf niet, waarom zij altijd dien indruk maakten, maar zij wist dat het zoo was en trok er partij van.
Daar onder het verhaal van vorstin Miagkaja het gesprek aan de tafel der gezantsvrouw gestaakt was, wenschte gravin Betsy het geheele gezelschap te vereenigen en wendde zich nu tot de vrouw van den gezant: "Wil u dan volstrekt geen thee gebruiken? Kom toch hier bij ons."
"Neen, 't is hier best!" antwoordde de andere lachend en zette het afgebroken gesprek voort. Zij hadden ook een recht bezield onderhoud; zij spraken van de Karenins, zoowel van de vrouw als van den man.
"Anna is sedert de Moskousche reis zeer veranderd. Zij heeft nu zoo iets bizonders aan zich," zeide een harer vriendinnen.
"De verandering bestaat vooral daarin, dat zij Alexei Wronsky's schaduw meegebracht heeft," meende de gezantsvrouw.
"Wat zou dat? Er bestaat een sprookje van Grimm: De man zonder schaduw. Bij hem is 't een straf voor 't een of ander. Ik kon er nooit recht wijs uit worden, waarin die straf eigenlijk bestond. Maar voor eene vrouw kan het wel onaangenaam zijn geen schaduw te hebben…."
"Ja, maar met vrouwen, die een schaduw hebben, loopt het doorgaans slecht af."
"Och, laat Anna Karenina toch met rust!" zeide vorstin Miagkaja; zij is een allerliefste vrouw. Haar man mag ik niet, maar van haar houd ik veel."
"Waarom moogt ge hem niet lijden? Hij is toch zulk een belangwekkend man," zeide de vrouw van den gezant. "Mijn man zegt, dat er in Europa weinig zulke staatslieden zijn als Karenin."
"Dat heeft mijn man mij ook gezegd," antwoordde Miagkaja; "maar ik geloof hem niet. Als onze mannen ons dat niet hadden voorgepraat, zouden wij hem onpartijdig beschouwen, zooals hij werkelijk is, en naar mijn meening is Alexei Alexandrowitsch een tamelijk onbeduidend man. Ik zeg dit natuurlijk onder de roos…. Niet waar? wat kan ons zoo op eenmaal iets duidelijk worden! Toen men mij vroeger gebood hem voor een subliem man te houden, zocht ik steeds naar zijn verheven eigenschappen en daar ik zijn groot verstand niet vinden kon, besloot ik daaruit, dat ik dom moest zijn; sedert ik echter tot mij zelf zeide—natuurlijk heel zacht—dat hij dom is, sedert is mij alles duidelijk…. Heb ik geen gelijk?"
"Wat zijt ge vandaag boosaardig!"
"In het geheel niet. Er blijft mij geen andere uitweg over: Een van ons beiden moet dom zijn; en nu weet ge wel, dat men dit van zich zelf moeielijk kan aannemen."
"Niemand is met zijn eigen rijkdom, ieder met zijn eigen verstand tevreden," citeerde de diplomaat in het Fransch.
"Ja, zoo is het," wendde de vorstin Miagkaja zich snel tot hem; maar de zaak is deze, dat ik Anna niet wil hooren veroordeelen. Zij is zoo goed, zoo lief. Wat moet zij doen, als alle mannen haar het hof maken en haar als haar schaduw naloopen?"
"Ik denk er ook volstrekt niet aan haar daarom te veroordeelen," trachtte Anna's vriendin zich te verontschuldigen.
"Als ons geen schaduw volgt, hebben wij daarom nog geen recht anderen te veroordeelen."
Nadat vorstin Miagkaja Anna's vriendin alzoo behoorlijk de les had gelezen, stond zij dadelijk te gelijk met de gezantsvrouw op en beiden gingen aan de andere tafel zitten, waar een algemeen gesprek over den koning van Pruisen gevoerd werd.
"Waarover hebt ge zoo druk gediscuteerd?" vroeg Betsy.
"Over de Karenins," antwoordde de gezantsvrouw lachend; "de vorstin karakteriseerde Alexei Alexandrowitsch."
"O, hoe jammer, dat wij dat niet gehoord hebben!" zeide de gastvrouw en wierp een blik naar de entreedeur. "Ha, zijt ge daar eindelijk!" richtte zij zich tot den binnentredenden Wronsky.
Daar Wronsky niet slechts allen, die hier bijeen waren, kende, maar hen ook dagelijks ontmoette, kwam hij op die rustige wijze de kamer binnen, waarmede men menschen te gemoet treedt, die men pas verlaten heeft.
"Van waar ik kom?" antwoordde hij op een vraag van de gezantsvrouw; "ik zie wel, dat er niets aan te doen is, dat ik wel zal moeten opbiechten. Ik kom van de bouffes; ik geloof voor de honderdste maal, en altijd met hetzelfde genoegen. Het is bekoorlijk. Ik weet, dat ik mij moet schamen, maar in de groote opera slaap ik in en bij de bouffes blijf ik tot het laatste oogenblik opgewekt en amuseer ik mij. Van daag…." Hij noemde den naam eener Fransche tooneelspeelster en wilde van haar verhalen; maar de gezantsvrouw viel hem met een komieke ontzetting in de rede: "Ik bid u, vertel ons niets van deze horreur!"
"Nu goed, dan doe ik het niet, te meer daar gij allen deze horreur schijnt te kennen."
"En allen," liet vorstin Miagkaja volgen, "zouden er gaarne heenrijden, als het maar even zoo in de mode was als nu naar de groote opera te gaan."
VI.
Vorstin Betsy's blik viel toevallig op Wronsky, toen zij bemerkte, dat zijn naar de deur gekeerd gelaat plotseling veranderde. Een heldere, blijde glans verspreidde zich daarover en zonder zijn oogen van de deur te wenden, stond hij op. Anna was het salon ingekomen. In haar buitengewoon rechte houding, met haar lichten, snellen en vasten gang, die haar van alle dames van haar kring onderscheidde, en zonder de richting van haar blik te veranderen, legde zij den korten afstand af, die haar van de huisvrouw scheidde, drukte deze de hand, glimlachte en wendde zich met hetzelfde lachje naar Wronsky. Deze boog diep en schoof haar een stoel toe. Zij dankte slechts met een hoofdbuiging, bloosde toen en fronste de wenkbrauwen. Maar dadelijk en vlug als in al haar bewegingen, wenkte zij de overige bekenden toe en nadat zij de haar toegereikte handen gedrukt had, wendde zij zich weer tot de gastvrouw.
"Ik was bij gravin Lydia Iwanowna en wilde eigenlijk vroeger komen, maar ik heb mij verlaat. Er was daar een missionnair, een sir John, een zeer interessant man…."
"O, dat is die missionnair…."
"Ja, hij vertelde veel van zijn leven in Indië…."
"Sir John, ja, sir John! Ik heb hem gezien. Hij spreekt zeer goed. Wlaszjawa is geheel over hem verrukt. Is het waar, dat de jongste Wlaszjawa met Topasch zal trouwen?"
"Ja, men zegt, dat de zaak is beklonken."
"Ik bewonder de ouders. Men zegt, dat het een huwelijk uit ware liefde is."
"Uit ware liefde? Wat hebt ge voor antediluviale begrippen! Wie spreekt in onzen tijd nog van ware liefde?" vroeg de gezantsvrouw.
"Nu waarom niet? Deze eenvoudige oude mode blijft zich nog altijd handhaven," bracht Wronsky in het midden.
"Des te erger voor hen, die deze verouderde mode nog volgen. Ik ken slechts gelukkige huwelijken, die door het koel verstand gesloten zijn."
"Maar het geluk dezer verstandigen verstuift als kaf voor den wind, zoodra een hartstocht in het spel komt, waarvan men te voren niets wilde weten."
"Verstandigen noemen wij dezulken, die vooraf reeds van allen kost genuttigd hebben. Het is als met het roodvonk; is men eenmaal doorgeziekt, dan blijft men vrij."
"Dan moest men ook de liefde, even als de pokken, kunstmatig kunnen inenten."
"Ik was in mijn jeugd op een subdiaken verliefd; maar ik weet niet, of het mij veel geholpen heeft," zei vorstin Miagkaja.
"Neen, scherts ter zijde!" zeide vorstin Betsy: "Naar mij inzien kent hij slechts de liefde, die gefeild en zich daarna bekeerd heeft."
"Ook na het huwelijk?" vroeg de gezantsvrouw schertsend.
"Berouw komt nooit te laat!" citeerde de diplomaat.
"Ja, waarlijk," zeide vorstin Betsy, "om berouw te kunnen gevoelen moet men gefeild hebben. Hoe denkt u daarover?" vroeg zij Anna, die tot nu toe met een glimlach om den mond dit gesprek zwijgend had aangehoord.
"Ik denk," antwoordde Anna, met een harer handschoenen spelend, "dat, daar er zooveel hoofden zooveel zinnen zijn, er ook wel zooveel verschillende liefde zal wezen als er harten zijn."
Zoover de welvoegelijkheid toeliet, had Wronsky, in spanning Anna's antwoord afwachtend, haar aangezien. Na haar woorden verruimde, als na een doorgestaan gevaar, een diepe zucht zijn borst en plotseling keerde Anna zich tot hem: "Ik heb een brief uit Moskou ontvangen; zij schrijven, dat Kitty Tscherbatzky ernstig ziek is."
"Inderdaad?" antwoordde hij met gefronst voorhoofd.
Anna zag hem gestreng aan: "Interesseert u dat zoo weinig?"
"Integendeel, het interesseert mij zeer. Wat schrijft men u daar verder over, als het niet te onbescheiden is?"
Anna stond op en naderde Betsy. "Mag ik een kop thee verzoeken?" zeide zij achter haar stoel staande.
Terwijl de vorstin haar inschonk, naderde Wronsky haar: "Wat schrijft men u dan?" zoo herhaalde hij zijn vraag.
"Ik denk dikwijls, hoeveel toch de mannen van edelmoedigheid spreken, terwijl zij ze zoo weinig beoefenen," antwoordde zij ontwijkend. "Dat had ik u al lang willen zeggen," voegde zij er nog bij en ging aan een ettelijke schreden verwijderde tafel zitten, die vol albums en atlassen lag.
Hij bracht haar een kop thee en zeide: "Ik heb den zin uwer woorden niet geheel begrepen."
Zij zag naar de sofa naast zich en hij nam dadelijk daarop plaats. Zonder hem aan te zien sprak zij toen: "Ja, ik wilde u daarmede zeggen, dat ge slecht, zeer slecht hebt gehandeld."
"Weet ik dat dan niet? Maar wiens schuld is het, dat ik zoo gehandeld heb?"
"Waarom zegt ge mij dat?" vroeg zij blozend en zag hem aan.
"U weet waarom!" antwoordde hij, koen en blijmoedig haar blik beantwoordend.
Niet hij, maar zij werd verlegen.
"Dat bewijst slechts, dat gij geen hart hebt," zeide zij, maar haar blik sprak: "gij hebt een hart en daarom ben ik voor u bevreesd."
"Dat, waarop u eerst doeldet, was slechts een zinsverwarring, geen liefde."
"Denk er aan," zeide Anna, "dat ik u verboden heb dit woord uit te spreken, dit afschuwelijke woord!" Maar zij besefte tegelijk, dat zij met dit verbod een zeker recht op hem had genomen en hem een des te grooter recht gegeven had haar van zijn liefde te spreken. Doch vastberaden zag zij hem in de oogen en terwijl zij begon te gloeien, zoodat zij haar wangen voelde branden, ging zij voort: "Ik wilde het u al lang zeggen en ik ben nu juist hier gekomen, omdat ik wist, dat gij er ook zoudt zijn, ik ben gekomen om u te zeggen, dat 't ten einde moet zijn. Ik heb tot hiertoe nimmer en voor niemand behoeven te blozen, en gij dwingt me, mij schuldig te gevoelen."
Hij zag haar aan en was verrast door eene nieuwe, zielvolle uitdrukking harer schoonheid.
"Wat verlangt ge van mij?" vroeg hij ernstig en eenvoudig.
"Ik verlang, dat gij naar Moskou terugkeert en Kitty vergeving vraagt."
"Dat verlangt ge niet," zeide hij kalm. Hij zag, dat zij zich geweld deed om het tegendeel te zeggen van hetgeen zij wenschte.
"Indien ge mij werkelijk lief hebt, zooals ge zegt, geef mij dan mijn rust weder!"
Zijn gelaat straalde.
"Weet ge dan niet, dat ge voor mij het geheele leven zijt, maar rust … ik kan u niet geven, wat ik zelf niet heb. Mij zelf—geheel, mijn liefde … ja! Aan u kan ik niet denken zonder mij—gij en ik, in mijn gedachten zijn wij een. De mogelijkheid der rust zie ik ook in de toekomst noch voor mij, noch voor u; wel zie ik de mogelijkheid der vertwijfeling en der ellende—maar ik zie ook de mogelijkheid van een geluk, en welk een geluk…. Is het niet mogelijk?" fluisterden zijn lippen slechts—maar zij verstond het toch.
Zij spande al de kracht van haar verstand in om te spreken en te doen, wat de plicht haar gebood, en toch zag zij hem met een blik vol liefde aan en antwoordde niets.
"Daar is het!" dacht hij in verrukking, "daar is het einde, waar ik reeds wanhoopte, waar ik geen einde zag, daar is het! Zij bemint mij en heeft het bekend."
Zij wilde iets zeggen, maar hij kwam haar voor: "Ik smeek u slechts om één gunst, om het recht te mogen hopen, mij zelf altijd te mogen kwellen zooals nu. Maar als ik dit recht moet missen, zoo beveel mij te verdwijnen, en ik verdwijn. Is mijn tegenwoordigheid u onaangenaam, dan zult ge mij niet meer zien."
"Ik wil u niet wegjagen…."
"Verander dan slechts niets! Laat alles blijven zooals het nu is," smeekte hij met bevende stem…. "Daar is uw man!"
Inderdaad trad op dat oogenblik Alexei Alexandrowitsch op zijn bedaarde, eenigszins linksche manier het salon binnen. Op zijn vrouw en Wronsky een blik werpend, naderde hij de gastvrouw, groette haar en nam aan de theetafel plaats. Weldra hoorde men hem met zijn schrale stem levendig spreken en zich op zijn gewonen, schertsenden toon over den een of ander vroolijk maken.
"Uw Rambouillet is volkomen bijeen," zeide hij, zijn blik over het gezelschap latende gaan…. "alle gratiën en muzen…."
Maar vorstin Betsy kon dezen toon ("sneering," zooals zij hem noemde) niet dulden en als schrander gastvrouw, die zij was, bracht zij het gesprek dadelijk op den algemeenen dienstplicht. Alexei Alexandrowitsch liet zich ook terstond door dit thema gevangen nemen en begon de door de vorstin bestreden nieuwe ukazen ijverig te verdedigen.
"Maar dit wordt intusschen aanstootelijk!" fluisterde eene dame, met de oogen Anna, haar man en Wronsky aanduidend.
"Wat heb ik u gezegd?" antwoordde Anna's vriendin fluisterend.
Doch niet alleen deze beide dames, maar bijna allen, zelfs vorstin Miagkaja en Betsy, wierpen nu en dan afkeurende blikken op die beide, van de overigen verwijderd zittenden. Slechts Alexei zag geen enkele maal naar hen en toonde zich geen oogenblik van het onderwerp van zijn gesprek afgeleid.
Zoodra vorstin Betsy de algemeene ergernis bemerkte, schoof zij een ander in haar plaats om het onderhoud met Alexei Alexandrowitsch voort te zetten en naderde Anna. "Ik moet altijd de helderheid en nauwkeurigheid bewonderen," zeide zij, "waarmede uw man zich weet uit te drukken. De ingewikkeldste vraagstukken worden iemand duidelijk, als hij er over spreekt."
"O ja!" antwoordde Anna, met een glans van geluk op haar gelaat, zonder evenwel een woord te verstaan van hetgeen Betsy tot haar sprak. Maar zij ging met haar naar de groote tafel en nam deel aan het algemeen gesprek.
Na verloop van een half uur kwam Karenin bij zijn vrouw en bood haar aan met hem naar huis te rijden. Zij wees dit, zonder hem aan te zien, af en zeide, dat zij op het souper wilde blijven. Toen nam Alexei Alexandrowitsch afscheid en reed alleen weg.
Eenige uren later was ook Anna gereed om te vertrekken; de portier hield de deur wijd open. Wronsky geleidde haar naar het rijtuig, en terwijl zij met haar kleine vlugge hand den haak van haar pelsmantel uit de kant van haar kleed losmaakte, luisterde zij met gebogen hoofd met verrukking naar de woorden, die hij fluisterde: "Gij hebt niets gezegd; laat ons aannemen, dat ik ook nergens aanspraak op maak; maar dit moet ge weten: het is geen vriendschap die ik zoek; voor mij is er maar een geluk in het leven, besloten in het woord, dat gij niet lijden moogt, ja, in de liefde…."
"Liefde!" herhaalde zij langzaam, als sprak zij tot zich zelf, maar zij voegde er plotseling bij: "Daarom juist bemin ik dat woord niet; het heeft voor mij een te groote beteekenis, een grootere dan gij kunt begrijpen;" zij zag hem daarbij recht in het gelaat: "Tot weerziens!" Toen reikte zij hem de hand, ging met snellen, vasten tred den portier voorbij en verdween in haar rijtuig.
VII.
Alexei Alexandrowitsch had er niets bizonders of aanstootelijks in gezien, dat zijn vrouw met Wronsky alleen aan een tafel zat en met hem in levendig gesprek was; maar hij had bemerkt, dat het de overigen in het salon als iets bizonders en aanstootelijks was opgevallen, en daarom kwam haar gedrag hem ook ongepast voor. Hij besloot er met zijn vrouw over te spreken.—Te huis gekomen, ging hij naar de studeerkamer, zette zich in den leunstoel, sloeg een boek open en las, zooals hij gewoon was, tot één uur. Van tijd tot tijd streek hij met de hand over het hooge voorhoofd en schudde het hoofd, alsof hij iets van zich wilde afwerpen. Op het gewone tijdstip stond hij op om zijn nachttoilet te maken. Anna was nog niet te huis gekomen. Met het boek onder den arm ging hij naar boven; maar in plaats van, zooals anders, zijn gedachten bij zijn ambtsbezigheden te bepalen, dacht hij nu aan zijn vrouw, en wel met zulk een onrust, alsof hem iets onaangenaams had kunnen overkomen…. Tegen zijn gewoonte ging hij nog niet naar bed, maar begon, de handen op den rug houdend, met groote schreden het vertrek op en neer te gaan.
Toen hij besloten had met zijn vrouw te spreken, scheen dit hem zeer natuurlijk en gemakkelijk, maar nu hij meer over de zaak nadacht, kwam het hem bezwaarlijk voor, daar het den schijn van wantrouwen zou geven. Hij was niet jaloersch. Jaloerschheid was naar zijn inzien een beleediging der vrouw en men moest zijn vrouw volkomen vertrouwen. Waarom men dit vertrouwen moest hebben, dat is, de volle overtuiging, dat zijn jonge vrouw hem altijd zou beminnen, daarvan gaf hij zich verder geen rekenschap, maar zeide zich zelf eenvoudig, dat men dit vertrouwen hebben moest. Nu besefte hij echter, dat hij tegenover iets onlogisch en onbegrijpelijks stond, waarmede hij niets wist aan te vangen. Hij besefte, dat het leven hem tegenover de mogelijkheid plaatste, dat zijn vrouw een ander zou kunnen beminnen, en dat kwam hem ongehoord, onbegrijpelijk voor, omdat hij het werkelijk leven niet kende. Hij had zijn geheele leven in officiëele sfeer en werkzaamheid doorgebracht, waarin hij slechts met een matten weerschijn van het leven had te doen gehad. Telkens als hij met het werkelijk leven in aanraking was gekomen, was hij uitwijkend ter zijde getreden. Nu had hij het gevoel van iemand, die juist een afgrond is overgegaan over een brug, die achter hem instort; vroeger had hij slechts de brug gezien, nu zag hij slechts den afgrond. Deze afgrond was het werkelijk leven, de brug was het kunstmatig bestaan, dat hij tot hiertoe voor leven gehouden had. Voor de eerste maal was de gedachte bij hem opgekomen, dat zijn vrouw een ander zou kunnen liefhebben, en die gedachte deed hem ontstellen.
Na veel wikken en wegen en heen en weer loopen door het vertrek, zette hij zich voor de schrijftafel zijner vrouw neder. Hier bij het zien van haar schrijfmappe van malachiet en van een begonnen brief, namen zijn gedachten plotseling een andere richting. Hij begon zich eenigszins haar gedachten en gevoelens voor te stellen. Voor de eerste maal besefte hij, dat zij haar eigen leven, eigen beschouwingen en eigen neigingen had, en de gedachte, dat zij een eigen zelfstandig leven leidde, scheen hem zoo verschrikkelijk toe, dat hij die van zich zocht te stooten; het was een afgrond, waarin hij huiverde neer te zien.
"En het fataalste is, dat ik juist nu met een zaak bezig ben" (hij dacht aan een ontwerp, waarvan de uitwerking hem was opgedragen), "waarvoor ik alle kalmte en geestkracht noodig heb; en nu juist moet deze dwaze onrust mij bevangen! Wat te doen? Ik moet overleggen, beslissen, tot een besluit komen!" zeide hij luid; "de vraag wat zij gevoelt, wat in haar ziel omgaat, is mijn zaak niet; dat gaat haar godsdienst, haar geweten aan," dacht hij en gevoelde een zekere verlichting in het bewustzijn, een legaal gezichtspunt voor de beoordeeling van deze aangelegenheid te hebben gevonden.
Alexei Alexandrowitsch was een kerkelijk geloovig man, eensdeels omdat hij zich nooit met godsdienstige vraagstukken bizonder had afgegeven en de twijfel hem dus niet kon bevangen, ten andere vooral omdat de leer der kerk een bepaalde verklaring gaf voor alle twijfelachtige en onbestemde dingen, die Alexei Alexandrowitsch het lastig en onaangenaam vond door eigen nadenken te verklaren. De kerkleer ruimde al die vragen uit den weg en liet hem alzoo ruimte en tijd voor zijn werkzaamheid op practisch gebied.
"Derhalve," dacht hij, "de vraag naar haar gevoelens en aandoeningen gaat mij niet aan, maar haar eigen geweten. Wat mijn plicht is, is duidelijk. Als hoofd des huizes ben ik verplicht en er eenigermate verantwoordelijk voor, haar den rechten weg te wijzen, haar opmerkzaam te maken op de gevaren, in zoover ik die als zoodanig erken, haar te waarschuwen en zelfs de macht, die ik over haar heb, te doen gelden. Ik moet haar dit uiteen zetten." Hij legde de handen in elkander en drukte ze zoo sterk, dat de gewrichten der vingers knapten. Deze beweging, een slechte gewoonte, was een bewijs, dat hij met zich zelf in het reine was gekomen.
Voor het huis deed zich het geluid hooren van een aankomend rijtuig. Alexei Alexandrowitsch bleef midden in de zaal staan. Lichte schreden ijlden de trap op. Hoewel hij met zijn besluit klaar was, gevoelde hij toch, hoe meer die schreden naderden, bij toeneming, dat hij de ophanden zijnde verklaring vreesde….
VIII.
Anna trad binnen. Op haar gelaat lag een heldere glans van blijmoedigheid, maar die herinnerde aan een gloed van een brand bij nacht. Toen zij haar echtgenoot zag, hief zij het hoofd op en glimlachte, alsof zij juist uit een droom ontwaakte.
"Zijt ge nog niet te bed? Dat is wel een wonder!" sprak zij, terwijl zij haar baschlik afnam en zich naar haar kleedkamer begaf.
"Het is tijd, Alexei Alexandrowitsch," zeide zij, terwijl zij reeds achter de deur verdween.
"Anna, ik moet nog met u spreken."
"Met mij?" vroeg zij, weer terugkomend en hem verwonderd aanziende: "Wat is er dan? Waarover?" Zij ging zitten: "Nu goed, als het noodig is, zullen we nog eens praten; maar het was beter dat wij naar bed gingen."
Haar woorden klonken zoo eenvoudig en onbevangen en hoe natuurlijk was het, dat zij wilde slapen. Zij verwonderde zich zelf over haar kunst van veinzen. Zij gevoelde zich met een ondoordringbaar pantser van leugen omgeven en het was haar, alsof een onbekende macht haar helpend ter zijde stond.
"Anna, ik moet u waarschuwen," sprak hij.
"Waarom? Waarvoor?" vroeg zij en zag er zoo oprecht en onbevangen uit, dat al wie haar niet zoo nauwkeurig kende als haar man, in haar toon en den zin der woorden niets onnatuurlijks zou gevonden hebben. Hem echter deden ze gevoelen, dat de diepte harer ziel, die vroeger altijd voor hem open lag, nu voor hem gesloten, wellicht voor immer gesloten was.
"Ik moet je daarvoor waarschuwen," zeide hij met zachte stem, "dat ge door lichtzinnigheid en onbedachtzaamheid in gezelschappen geen aanleiding geeft tot aanmerkingen op je persoon. Uw zeer druk en levendig onderhoud met graaf Wronsky (hij sprak dien naam kalm en vast uit) trok de algemeene opmerkzaamheid."
Zoo sprekend zag hij haar in de overmoedige oogen, die hem door hun ondoorgrondelijke diepte verschrikten en hem de nutteloosheid zijner woorden deden beseffen.
"Zoo ben je nu altijd," antwoordde zij, alsof zij hem in het geheel niet begreep. "Nu is het je onaangenaam, als ik mij goed amuseer. Krenkt het je, dat 'k mij niet verveeld heb?"
Alexei Alexandrowitsch kromp ineen en drukte de vingers om ze te laten knappen.
"Ik bid je, knap zoo niet! Ik kan het niet uitstaan!"
"Anna, zijt gij dat?" vroeg hij met inspanning en staakte de beweging zijner handen.
"Wat beteekent dat alles eigenlijk?" vroeg zij met een schijnbaar oprechte, spotachtige verwondering. "Wat wil je toch van me?"
Alexei Alexandrowitsch zweeg een oogenblik en streek met de hand langs voorhoofd en oogen. Hij zag in, dat, in plaats van, zooals hij wilde, zijn vrouw voor een onvoegzaamheid in de samenleving te waarschuwen, hij zich onwillekeurig opgewonden had over iets, dat slechts haar eigen geweten aanging en dat hij met het hoofd door een muur wilde, die slechts in zijn verbeelding bestond. Nu ging hij koel en rustig voort: "Ik wil maar één ding zeggen en ik bid je, mij bedaard aan te hooren. Zooals ge weet, beschouw ik jaloezie als een vernederend en beleedigend gevoel en zal er mij nooit door laten leiden. Er zijn echter bepaalde voorschriften der goede zeden, die men niet uit het oog mag verliezen. Heden—niet ik heb het opgemerkt, maar ik oordeel naar den indruk, dien het op het gezelschap maakte—heden hebben allen opgemerkt, dat ge u niet gedragen hebt, zooals gewenscht moet worden."
"Ik begrijp waarlijk van dat alles niets!" zeide Anna de schouders ophalend en dacht te gelijk: "Hem zelf is het volkomen onverschillig; maar in het gezelschap heeft men iets opgemerkt, en dat verontrust hem!"—"Je bent niet recht wel, Alexei Alexandrowitsch," liet zij er toen op volgen, stond op en ging naar de deur. Hij stond ook op, alsof hij haar terug wilde houden. Zijn gelaat was verwrongen en somber, zooals Anna het nog nooit gezien had. Zij bleef staan, en haar hoofd haastig op zijde wendend, begon zij de haarspelden uit het haar te nemen. "Nu, ik luister, wat komt er nog meer?" vroeg zij met onbevangen spot.
"Ik heb geen recht," begon hij, "uw bizondere gevoelsopwellingen te peilen, dit acht ik ook overtollig, zelfs schadelijk. Als we op den bodem der ziel graven, brengen we soms iets te voorschijn, dat we beter doen stil te laten rusten. Uw neigingen des harten zijn uw eigen gewetenszaken; maar ik ben evenwel voor u, voor God en voor mij zelf gehouden u uw plicht onder het oog te brengen. Uw leven is aan het mijne verbonden, niet door de menschen, maar door God. Een misdaad alleen kan dien band verbreken en zulk een misdaad wordt door zware straf gevolgd."
"Ik begrijp er niets van. Mijn hemel! En ik zou zoo gaarne gaan slapen," zeide zij en bond zich het haar bijeen.
"Anna, spreek om Godswil niet zoo," sprak hij teeder. "Misschien dwaal ik, maar geloof mij, wat ik zeg, dat zeg ik zoowel voor uw als voor mijn bestwil. Ik ben uw man en ik bemin u…."
Zijn stem trilde. Een oogenblik boog zij het hoofd en de spottende glans verdween uit haar oogen; maar dit woord beminnen wond haar weer op. "Hij bemint?" dacht zij: "kan hij dan beminnen? Maar hij kent dat woord slechts van hooren zeggen en weet in het geheel niet, wat liefde is."
"Alexei Alexandrowitsch," sprak zij luid, "ik begrijp er waarlijk niets van; verklaar je duidelijk, wat meent gij…."
"Veroorloof mij uit te spreken. Ik bemin u. Doch van mij zelf wil ik zwijgen; de hoofdpersonen zijn onze zoon en gij zelf. Het is mogelijk, ik herhaal het, dat mijn woorden u volkomen nutteloos en slecht te pas gebracht voorkomen; misschien berusten zij op een dwaling. In dat geval vraag ik verschooning; maar indien ge gevoelt, dat er de geringste grond voor bestaat, dan smeek ik je, u wel te bedenken en mij alles oprecht mede te deelen zooals uw hart het je ingeeft."
Alexei Alexandrowitsch zeide zonder het te weten iets geheel anders, dan hij zich had voorgenomen.
"Ik heb niets te zeggen," antwoordde zij, terwijl zij ter nauwernood een lachje kon onderdrukken, en liet er dadelijk op volgen: "En het is nu waarlijk hoog tijd om te gaan slapen."
Alexei Alexandrowitsch zuchtte diep en begaf zich, zonder verder nog een enkel woord te verliezen, naar het slaapvertrek.
Toen Anna ook in de slaapkamer kwam, lag hij reeds in zijn bed. Zijn lippen waren vast op elkander gesloten en zijn oogen zagen haar niet aan.
Zij begaf zich naar haar bed en verwachtte elk oogenblik, dat hij haar weer zou aanspreken. Zij vreesde daarvoor en wenschte het toch. Hij zweeg echter. Zij wachtte lang te vergeefs en vergat hem eindelijk. Zij dacht aan den anderen, zij zag hem en gevoelde, dat een misdadige opwinding en blijdschap haar hart vervulde. Plotseling hoorde zij een gelijkmatig snorken. In het eerst scheen het, of Alexei Alexandrowitsch van zijn eigen snorken schrikte; want hij hield een oogenblik op; spoedig echter, na twee korte pauzen, zette hij het weer met volle kracht door.
"Het is te laat, te laat!" fluisterde zij glimlachend, en zij lag nog lang met onbewegelijke, open oogen, welker glans zij zelf in de duisternis meende te zien.