WeRead Powered by ReaderPub
Anna Karenina cover

Anna Karenina

Chapter 33: X.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel interweaves two principal narratives: one traces a married woman's passionate affair and the social, familial, and moral consequences that follow; the other follows a thoughtful man as he seeks purpose, wrestles with questions of work, faith, and the rhythms of rural life. Through detailed scenes of domestic routine and society, the book examines marriage, fidelity, isolation, public reputation versus inner life, and the search for meaning, contrasting urban social pressures with personal conscience and the restorative presence of the natural world.

IX.

Sinds dien avond begon er een nieuw leven voor Alexei Alexandrowitsch en zijn vrouw. Er was niets bizonders voorgevallen. Anna reed als vroeger uit, bezocht vorstin Betsy dikwijls en trof Wronsky overal aan. Haar echtgenoot wist het, maar kon er niets aan doen. Al zijn pogingen om haar tot een verklaring te bewegen stuitten af op een ondoordringbaren muur van kluchtig misverstand. Uiterlijk was alles hetzelfde, maar hun intieme verhouding tot elkander was geheel veranderd. Zoo sterk Alexandrowitsch zich in zijn officieel leven gevoelde, zoo zwak gevoelde hij zich hier. Als een ter slachtbank geleide stier, wachtte hij met gebogen hoofd de bijl af, die hij boven zijn hoofd zag opgeheven. Telkens, als hij er aan dacht, meende hij nog een poging te moeten wagen, of zij nog niet door goedheid en liefde te overtuigen, te redden zou zijn, of hij haar niet dwingen kon tot bezinning te komen, en elken dag nam hij zich voor nog eenmaal met haar te spreken. Doch zoo dikwijls hij begon, besefte hij, dat de demon van boosheid en leugen, die haar beheerschte, ook hem overweldigde, en hij zeide altijd wat anders en op een geheel anderen toon, als hij zich had voorgenomen. Hij viel onwillekeurig in zijn ouden toon; hij sprak als iemand, die dengene, die zoo sprak, uit zou lachen. En op dien toon kon hij natuurlijk niet zeggen, wat hij haar te zeggen had.

Wat bijna een jaar lang voor Wronsky de hoogste wensch zijns levens en voor Anna een onmogelijke en daarom te bekoorlijker droom geweest was, dat was nu werkelijkheid geworden. Bleek, met trillende lippen stond hij over haar gebogen en bezwoer haar, zich gerust te stellen, zonder zelf te weten waarover of waarom.

"Anna! Anna!" zeide hij met bevende stem, "Anna om Godswil…."

Maar hoe dringender hij smeekte, des te dieper boog zij het eens zoo fier opgeheven, nu zoo diep vernederd hoofd; zij boog zich zoover voorover, dat zij van de sofa aan zijn voeten neergleed en snikkend fluisterde zij: "Vergeef mij!"

Zij gevoelde zich zoo schuldig en misdadig, dat haar niets overbleef, dan zich te vernederen en om vergeving te bidden. Nu bezat zij in de geheele wereld niets meer dan hem alleen. Verder sprak zij niets; meer kon zij niet zeggen. Zijn aanblik deed haar physische vernedering gevoelen.

Hij echter gevoelde, wat een moordenaar bij het aanschouwen van zijn levenloos offer gevoelen moet; dit zijn offer was haar liefde. Er lag iets stuitends, afschuwelijks in de herinnering aan datgene, waarvoor men zulk een schandprijs betaald had.—Maar ondanks allen afschrik van den moordenaar voor het lijk van den vermoorde, moet hij dit lijk toch misvormen en verbergen, moet hij van het voordeel partij trekken, dat hij door dien moord gewonnen heeft. En evenals de moordenaar zich woest over het lijk heen werpt, het verscheurt, verminkt en onkenbaar maakt, zoo bedekte hij haar gelaat en schouders met hartstochtelijke kussen. Zij hield zijn hand vast en bewoog zich niet.

"Ja, deze kussen zijn datgene, wat door die schande is gekocht. Ja, en dit is de hand, die nu de mijne is en blijven zal, de hand van mijn medeplichtige." Zij bracht de hand aan haar mond en kuste ze. Hij zonk op de knieën en wilde haar in het gelaat zien. Maar zij verborg het en sprak geen woord. Eindelijk beheerschte zij zich met inspanning om op te staan en duwde hem van zich.

"Alles is voorbij," sprak zij. "Ik heb niets meer dan u. Vergeet dit niet."

"Hoe zou ik vergeten, wat voor mij het leven is? Voor een oogenblik van zulk een geluk…."

"Wel een geluk?" vroeg zij met schrik en afschuw; en deze afschuw deelde zich onwillekeurig aan hem mede.

"Om Godswil! geen woord, geen enkel woord meer!" herhaalde zij en met een vreemde, hem onverklaarbare uitdrukking in het gelaat ging zij van hem af.

X.

Den eersten tijd na zijn terugkomst uit Moskou kromp Lewin telkens ineen en bloosde als hij aan de ondervonden afwijzing dacht. "Evenzoo kromp ik ineen en bloosde ik," dacht hij, "toen ik nummer één voor de physica [7] kreeg en in de tweede klasse bleef zitten; toen achtte ik mij ook verloren, en nu? Jaren zijn sedert dien tijd voorbij gegaan en ik verwonder mij thans, dat ik mij dat vroeger zoo zeer kon aantrekken. Zoo zal het ook met dit verdriet gaan. Er zal ook een tijd komen, dat ik er even onverschillig aan denk."

Doch drie maanden waren verloopen en nog was hij er niet onverschillig onder geworden; de herinnering deed hem nog even pijnlijk aan als in de eerste dagen, ofschoon tijd en arbeid het hunne gedaan hadden. Op die groote herinnering hoopte zich al meer en meer kleine en toch zoo belangrijke gebeurtenissen uit het landleven en bedekten haar langzamerhand. Met elke nieuwe week dacht hij minder aan Kitty en verwachtte ongeduldig de bekendmaking van haar huwelijk, die hem, hoopte hij, even volkomen zou genezen, alsof hij zich een tand liet trekken.

Intusschen was de lente gekomen, een zeldzaam schoone, zachte lente, waarin plant en dier en mensch zich verheugden. In de laatste vastenweek was het nog helder vriezend weer geweest. Des daags dooide het in de zon, des nachts daalde de thermometer tot zeven graad. Op den eersten Paaschdag lag er nog sneeuw. Plotseling, op den tweeden Paaschdag, kwam er een warme wind, wolken stapelden zich opeen, en drie dagen en nachten stroomde onverpoosd een zachte regen neder. Donderdags ging de wind liggen en er verbreide zich een dichte, grauwe nevel. De wateren werden ontboeid, het ijs brak en barstte, schuimende, troebele waterstroomen zochten overal uitwegen; toen week de nevel, de wolken verstoven in kleine vlokken, het werd helder en de lente hield haar intocht. De heldere morgenzon deed spoedig het dunne ijs dat zich 's nachts op de poelen en plassen gevormd had, smelten, en de lucht trilde van de opstijgende uitwaseming der verjongde aarde. De dorre weiden werden groen, het jonge gras schoot als naalden omhoog, de knoppen der vlierboomen, der St. Jansbessen en der geurige berken zwollen, en op de met gele bloemen bestrooide weide gonsden de bijenzwermen. Nabij het fluweelachtig groen der graanvelden hoorde men den onzichtbaren leeuwerik, het schreeuwen van den kievit boven de met troebel water gevulde greppels en moerassen, en hoog in de lucht jubelden de kraanvogels de lente te gemoet. Weldra loeide ook het vee in de weide, krompootige lammeren speelden om hunne blatende moeders en de bloote voeten der dorpskinderen gingen over de natte paadjes door de velden, van de overzijde der beek klonken vroolijke stemmen der huismoeders, die haar linnengoed bleekten, en van de hoeven de slagen der aksten van de boeren, die hun ploegen en eggen in gereedheid brachten. Het was een echte, ware lente.

XI.

Lewin trok zijn hooge jachtlaarzen en heden voor het eerst een kort wollen buis in plaats van zijn pels aan en deed zijn rondte over zijn landgoederen, nu eens over klaterende beekjes, dan over ijs en straks weer diep in den modder stappende. De lente is de tijd van plannen en ontwerpen. Eerst ging hij naar het vee. De koeien waren op het erf voor den stal gebracht, hun huid glinsterde in de warme zon en zij loeiden van verlangen naar de weide. Lewin beval ze naar buiten te brengen en de kalvers in de stalhokken te laten en voor hen troggen met water en ruiven met hooi neer te zetten. Maar het bleek, dat de ruiven, hoewel in den herfst gerepareerd, in den winter weer gebroken waren. Hij zond om den wagenmaker, maar vernam, dat die aan de eggen werkte, die reeds in de boterweek [8] gereed hadden moeten zijn. Het was voor Lewin zeer verdrietig, dat die wanorde in de zaken zich zoo dikwijls herhaalde, hoezeer hij er jaar op jaar ook tegen gestreden had. Daarom liet hij den opzichter roepen. Deze kwam van de dorschvloer, in een korten pels gehuld en met een stroohalm, dien hij knakte, in de hand.

"Waarom is de wagenmaker niet bij de dorschmachine?"

"Ik wilde het u gisteren al melden: De eggen moeten eerst klaar zijn, daar wij ze morgen op het land noodig hebben."

"Wat heeft hij dan den geheelen winter uitgevoerd?"

"Waarvoor heeft u nu den wagenmaker noodig?"

"Waar zijn de ruiven voor de kalverhokken?"

"Die heb ik op zij laten zetten. Maar wat kan men met zulk volk uitvoeren? vroeg de opzichter en gesticuleerd.

"Met zulk volk? Met zulk een opzichter!" stoof Lewin op. "Waarvoor ben jij hier eigenlijk …?" riep hij uit, maar terstond bedenkend, dat hij daarmede toch niet verder kwam, bleef hij steken en zuchtte slechts eens diep. "Nu hoe staat het met het zaaien?"

"Achter Turkino zullen wij morgen of overmorgen al kunnen beginnen."

"En de klaver?"

"Ik heb Wassili en Mischka naar buiten gezonden; zij zaaien ze nu uit, maar ik weet niet, of zij er mee klaar zullen komen, want het land is nog zeer nat."

"Op hoeveel desjatinen?"

"Op zes."

"Waarom niet op alle?" riep Lewin ontstemd uit. Het was volgens zijn theorie en ervaring wenschelijk de klaver altijd zoo vroeg mogelijk, zoo mogelijk met het smelten der sneeuw, uit te zaaien. Maar hij had dat nooit gedaan kunnen krijgen.

"Er is geen volk te bekomen? Wat zou men met dit volk beginnen? Drie zijn er niet gekomen…."

"Je hadt er eenigen van het stroo af kunnen nemen."

"Dat heb ik gedaan."

"Wat doen die dan?"

"Vijf zijn er bij de mestvaalt, vier zetten de haver om, anders zou die bederven."

Lewin was overtuigd, dat, als er gezegd werd: "anders zou die bederven," ze reeds bedorven was, die prachtige Engelsche zaaihaver! Men had dus al weer niet gedaan, wat hij bevolen had. Hij wenkte geërgerd met de hand, ging naar den graanzolder om naar de haver te zien, en keerde toen naar den stal terug. De haver was nog niet bedorven en daardoor was hij kalmer geworden. De dag was ook te schoon om lang ontstemd te zijn.

"Ignat, zadel Kolzik," riep hij zijn koetsier toe, die met opgestroopte mouwen de kales schoonmaakte.

"Om u te dienen!"

Terwijl het paard werd gezadeld, riep Lewin den in de nabijheid staanden opzichter weer bij zich en besprak met hem de verdere voorjaarswerkzaamheden en zijn voor de boerderij gevormde plannen. De opzichter luisterde aandachtig en was kennelijk bereid om al zijn voorslagen te billijken, maar steeds met een hopelooze en treurige uitdrukking in gelaat en houding, die Lewin maar al te goed kende en die hem ergerde, daar ze scheen te zeggen: "Dat is alles heel mooi en goed, maar wat God beschikt!" Niets hinderde Lewin zoozeer als die uitdrukking. Maar hij had die bij al zijn opzichters waargenomen, zooveel hij er al had gehad.

"Als wij maar klaar komen, Constantin Dimitritsch."

"En waarom zouden we niet klaar komen?"

"Wij moeten er nog zestien arbeiders bij huren en er komen er geen. Van daag kwamen er een paar, maar die vroegen zestig roebel voor den zomer."

Lewin zweeg. Weer stelde de elementaire kracht zich tegenover hem, evenals dat: "wat God beschikt," en porde hem, als altijd, ook nu aan tot den strijd. Hij wist, dat er niet meer dan veertig arbeiders voor het gewone loon te bekomen waren, en dat zij niet toereikend waren voor den noodzakelijken arbeid.

"Dan moeten we zoeken. Zend naar Suri en naar Schasiroska, of er daar ook nog zijn."

"Ik zal er wel heenzenden." zeide de opzichter op hopeloozen toon
"Met de paarden zijn wij ook te zwak."

"Wij moeten er bij koopen. Maar ik weet het wel," voegde hij er bij, "jij zoekt altijd de kleinste en goedkoopste uit—ik laat het ditmaal niet aan jou alleen over. Ik zal er zelf bij zijn."

"Ja, maar u slaapt tegenwoordig veel te weinig. Anders: ons is het goed; het oog van den meester…."

"Dus, achter het berkenboschje zijn ze aan het zaaien? Daar wil ik ook eens naar gaan zien," zeide Lewin en besteeg den kleinen isabelkleurigen kolzik, dien de koetsier hem bracht.

"Door de beek komt u niet," riep deze hem toe.

"Nu, dan door het bosch."

En in flinken draf reed Lewin op het goede, vurige paardje door het slijk van den hof de poort uit en het veld in.

Toen Lewin tegen den middag naar huis terug keerde en door de beek reed, waarin het water al weer gezakt was, deed hij twee wilde eenden opschrikken.

"Er moeten daar ook al houtsnippen zijn," dacht hij en bij een bocht van den weg trof hij den boschwachter, die zijn vermoeden bevestigde.

XII.

Toen Lewin in de beste stemming zijn woning naderde, hoorde hij een slede met schelletjes van den straatweg komen.

"He, daar komt iemand van den trein," dacht hij. "Om dezen tijd komt de Moskouer trein aan…. Wie kan dat zijn?" Hij gaf zijn paard de sporen en toen hij uit de acaciaboschjes van den tuin te voorschijn trad, zag hij een met drie paarden bespannen voertuig, waarin een in zijn pels gewikkeld heer zat, den straatweg afkomen.

"Ha! dat is een aangename gast, daar ben ik mede in mijn schik!" riep hij uit, toen hij Stipan Arkadiewitsch herkende. "Nu zal ik ook stellig vernemen, wanneer zij getrouwd is of trouwen zal," dacht hij. En op dezen heerlijken lentedag veroorzaakte de herinnering aan haar hem in het geheel geen smart.

"Nu had je me toch in het geheel niet verwacht, niet waar?" vroeg Stipan en steeg uit de slede met een modderspatje op de wang en boven de wenkbrauwen, maar overigens met een glans van frischheid en genoegen op het gelaat. "In de eerste plaats brandde ik van verlangen je eens weer te zien," sprak hij, en omhelsde Lewin; "ten tweede zou ik wel eens met je willen jagen, en ten derde wil ik het bosch te Egorschewo verkoopen."

"Nu, dat is heerlijk! Wat zeg je van zulk een lentedag? Hoe ben je er nog met je slede doorgekomen?"

"Met het rijtuig zou het nog slechter gegaan zijn, Constantin
Dimitritsch," antwoordde de hem bekende koetsier.

Lewin bracht zijn gast naar de logeerkamer, waar de elegante bagage van Stiwa, een reistasch, buks en sigarenkist, reeds gebracht waren en terwijl hij hem alleen liet om zich te wasschen en te verkleeden, ging hij zelf naar zijn kantoor om bestellingen voor zijn landbouwbedrijf te doen, volgens de plannen, die hij zich onder het naar huis rijden gevormd had.

Agasija Michailowna, die altijd zeer bezorgd was om de eer van het huis op te houden, wachtte hem in de voorkamer op om met hem over het middageten te beraadslagen.

"Kook wat ge wilt, maar vlug, hoor," antwoordde hij en ging door naar den opzichter.

Toen hij terugkwam, verscheen Stipan Arkadiewitsch keurig gekleed en gekapt in de deur. Beiden gingen naar boven.

"Wat ben ik blij, dat ik je gevonden heb. Nu zal ik toch eens achter al die geheimen komen, die je hier bezig houden.—Neen, waarlijk! ik benijd je.—Welk een huis! Hoe prettig is hier alles! Helder en vriendelijk!" sprak Stipan, geheel vergetend, dat het niet altijd lente en niet elken dag zoo helder en zonnig was. "En wat heb je een beste huishoudster, ofschoon een aardig kamermeisje met een klein schortje toch nog wel zoo verkieselijk zou zijn; maar bij je strenge zeden en het kloosterleven, dat je leidt, is het zoo ook heel mooi."

Stipan vertelde hem vele belangrijke nieuwtjes, maar sprak met geen enkel woord over Kitty Tscherbatzky. Alleen van zijn vrouw bracht hij hem de groete over. Lewin was hem zeer dankbaar voor die kieschheid en verheugde zich zeer over de aanwezigheid van zijn gast. Gedurende den tijd zijner eenzaamheid hadden zich vele gedachten en gewaarwordingen bij hem opgehoopt, die hij aan niemand had kunnen mededeelen, en nu stortte hij die alle over Stipan Arkadiewitsch uit: zijn poëtische lenteontboezemingen, zijn plannen en mislukte uitkomsten op landhuishoudkundig gebied, zijn opmerkingen over de door hem gelezen boeken en bovenal de gronddenkbeelden van zijn eigen schriftelijke opstellen, welker hoofdinhoud, zonder dat hij zelf daar het minste vermoeden van had, een uittreksel uit alle mogelijke landhuishoudkundige boeken was. Stipan, die alles bij het eerste woord terstond begreep, was bizonder voorkomend en luisterde met een uitdrukking vol achting en ingenomenheid op het gelaat, die Lewin kennelijk goed deed.

Door de vereenigde krachten van Agasija Michailowna en den kok konden de beide hongerige vrienden zich weldra te goed doen aan boterhammen, ganzebout en gezouten champignons. Hoewel Stipan Arkadiewitsch andere diners gewoon was, vond hij alles voortreffelijk: den kruidenbrandewijn, de boter, het brood, vooral den ganzebout, de champignons, de soep met pastijtjes, het hoen in de witte sous en den witten wijn uit de Krim.

"Heerlijk, overheerlijk!" zeide hij en stak na het gebraad een stevige sigaar op. "'t Is of ik uit het geraas en gestommel van een stoomboot hier aan een stillen oever…."

Op dat oogenblik trad Agasija Michailowna met ingemaakte vruchten binnen.

"Ach, Agasija Michailowna," zeide Stipan en kuste de toppen zijner dikke vingers, "wat hebt ge ons een heerlijken ganzebout gebracht! Welk een brandewijn!… Maar zeg, Kostja," wendde hij zich tot Lewin, "is het al niet zoo zachtjes aan tijd geworden?"

Lewin zag het venster uit naar de ondergaande zon, die achter de nog kale toppen van het woud begon te verdwijnen.

"Ja waarlijk, het is tijd," riep hij uit en sprong op; "Kosma, laat de lineika [9] inspannen," en toen ijlde hij naar beneden.

Toen Stipan Arkadiewitsch ook beneden gekomen was, nam hij eigenhandig den doek van een gelakt kistje en, nadat hij dit geopend had, zette hij zijn prachtig jachtgeweer van de nieuwste constructie in elkander.

Kosma, een goed drinkgeld in het geschiet ziende, week niet van Stipans zijde en trok hem de laarzen en overschoenen aan, hetgeen deze ook gewillig doen liet.

"Hoor eens, Kostja, als Rjäbinin de makelaar komt, laat hem dan binnenkomen en op mij wachten."

"Wilt ge het bosch dan aan Rjäbinin verkoopen?"

"Ja kent gij hem?"

"Of ik hem ken! Ik heb ook al eens zaken met hem gedaan, positief en definitief."

Stipan lachte. "Positief en definitief" waren lievelingsuitdrukkingen van den handelsman.

"Ja, hij redeneert heel kluchtig. Kijk eens hier! Hij begrijpt, waar zijn heer heen wil," voegde hij er bij en streelde Laska, die zich zachtjes jankend tegen zijn heer aanvleide en nu eens zijn hand, dan weer de laarzen en de buks besnuffelde.

De lineika hield reeds voor de deur stil, toen zij naar buiten gingen.

"Het is wel niet ver, we zouden hebben kunnen loopen, maar ik heb toch maar laten inspannen."

"Ja, rijden is beter," sprak Stipan en nam plaats in het voertuig. Hij wikkelde zijn voeten in een tijgervel en stak een sigaar op.

"Hoe is het toch mogelijk, dat ge niet rookt. Een sigaar is niet slechts een genot, maar de kroon van het genot. Dit is een leventje! Heerlijk! Zoo zou ik altijd willen leven!"

"En wat verhindert je het te doen?" vroeg Lewin glimlachend.

"Neen, gij zijt een gelukkig mensch. Ge hebt alles waar je van houdt. Ge houdt van paarden en je hebt ze, ge hebt honden en een jachtveld en je landgoed."

"Misschien ben ik slechts daarom gelukkig, omdat ik met hetgeen ik heb tevreden ben en mij niet ongelukkig gevoel door het gemis van hetgeen ik niet bezit," antwoordde Lewin en dacht daarbij aan Kitty.

Stipan bemerkte dit, zag hem aan, maar zeide niets.

Lewin was hem daar wel dankbaar voor, en toch had hij gaarne iets van haar vernomen, maar durfde er niet over beginnen.

"Nu, hoe staat het toch met je eigen aangelegenheden, die van je hart, wel te verstaan?" vroeg hij schertsend.

Stipans oogen glinsterden vroolijk.

"Gij wilt toch niet aannemen, dat men veel van een kalatsch kan houden, als men zeker recht op iets anders heeft. Gij noemt dat een vergrijp. Voor mij is een leven zonder liefde geen leven. Ik ben nu eenmaal zoo geschapen. En men doet daar toch waarlijk niemand kwaad mede, men doet zich zelf alleen goed…."

"Dus al weer een nieuwe liaison?" vroeg Lewin.

"Wat hebt gij daar mee noodig? Zeg, ken je de vrouwengestalten van Ossian? Vrouwen, die men in den droom ziet…. Zulke vrouwen zijn er…. Dat zijn verschrikkelijke vrouwen. Die vrouwen, ja, 't is wat te zeggen, men vindt aan haar altijd weer wat nieuws en aantrekkelijks, maar hoe meer men ze bestudeert…."

"Daarom is het beter, dat men ze niet bestudeert."

"Neen, ik weet niet, welk groot man eens gezegd heeft, dat het eigenlijk levensgenot niet bestaat in het vinden van de waarheid, maar in het zoeken daarnaar…."

Lewin zweeg. Met den besten wil van de wereld kon hij zich toch niet genoeg in zijn vriends zielstoestand verplaatsen om diens gewaarwordingen en diens genot in de studie der vrouwen te begrijpen.

XIII.

Aan het bosch gekomen, bracht Lewin zijn vriend Oblonsky naar een moerassige, geheel met mos begroeide, open plaats, liet hem daar op den uitkijk staan, begaf zich zelf naar de overzijde van die open plek, plaatste zich achter den stam van een berk en hield zijn geweer gereed. De oude geoefende Laska, die hem op de hielen gevolgd was, zette zich met gespitste ooren voor hem neder. De zon verdween achter het bosch. In den weerschijn van het avondrood teekenden zich de berken met hangende takken en zwellende knoppen scherp af tegen de donkere elzen.

Uit het dichte, nog geheel met sneeuw bedekte woud kwam het water zacht murmelend in kleine kronkelende beekjes te voorschijn. De vogels kweelden en fladderden van den eenen boom op den anderen. Op de niet verafgelegen hofstede van den boschwachter sloeg, bij het rollen der wegrijdende lineika, een kleine hond aan, bleef onophoudelijk doorkeffen en stoorde hen bij het luisteren. Als het enkele oogenblikken stil was, vernam het ingespannen luisterend oor het zachte ritselen van het voorjaarsloover, dat zich door het wasemen van den grond en het groeien van het gras bewoog.

"Zie eens aan," sprak Lewin bij zich zelf, "hier hoort en ziet men het gras groeien." Hij stond onbewegelijk stil, ving elk geluid op, zag beurtelings naar den vochtigen, bemosten grond, naar de luisterende Laska, naar de boomtoppen die hem omgaven en naar den met witte wolken bedekten hemel. Een havik stond met nauwelijks merkbaren vleugelslag hoog boven het woud, een andere vloog hem van ter zijde voorbij en verdween. De vogels kweelden luider en luider. Niet ver van daar schreeuwde de uil en Laska rees plotseling overeind, ging voorzichtig een paar schreden vooruit en luisterde met zijwaarts gebogen kop. Van over de rivier klonk de roep van den koekoek.

"Hoor, al een koekoek!" zeide Stipan van achter een struik te voorschijn tredend.

"Ja, ik hoor het wel," antwoordde Lewin, wien het hinderlijk was de rust van het woud met zijn eigen hem zelf onaangenaam in de ooren klinkende stem te verstoren. "Nu zullen ze spoedig komen." Stipan Arkadiewitsch trad weer achter de struiken terug en Lewin zag terstond daarop een lucifer flikkeren, toen den rooden gloed van een sigaar en een omhoog dwarrelend blauw rookwolkje. Daarna hoorde hij tweemaal achter elkander een knik, knak: Stipan had den haan van zijn geweer gespannen.

"Wat schreeuwt daar zoo?" vroeg Oblonsky en richtte Lewins opmerkzaamheid op een lang gerekten, gedempten toon, die aan het gieren van een fijne kinderstem deed denken.

"Dat kent ge niet? Wel dat is immers mijnheer Cuwaert [10]….

"Maar nu niet meer gesproken! Hoor! daar komt er al een aangevlogen," riep Lewin luid en legde zijn geweer aan. In de verte weerklonk een herhaald schril geluid en na een korte, den jager zoo goed bekende pauze, hoorde men duidelijk het krijschen. Lewin keek links en rechts en zag plotseling recht voor zich uit, boven den top van een populair, een vliegenden vogel. Schreeuwend vloog die recht op hem toe; hij herkende den langen hals en snavel, en terwijl Lewin nog mikte, flikkerde het eensklaps achter de struiken waar Oblonsky stond, de vogel vloog als een pijl naar beneden, om terstond weer omhoog te stijgen; weer flikkerde een straal en weerklonk een schot en klapwiekend viel de vogel zwaar en kletsend op den vochtigen grond.

"Is het mogelijk! Misgeschoten?" riep Oblonsky, die door den rook niet kon zien.

"Daar is hij," zeide Lewin op Laska wijzend, die met gespitste ooren en kwispelstaartend langzaam met afgemeten schreden, als wilde hij het genot verlengen, zijn meester de doode snip kwam brengen.

"Nu, het verheugt mij, dat het je gelukt is," voegde hij er bij, en toch benijdde hij Oblonsky, die hem voor geweest was.

"Dat uit den rechter loop was een slecht schot," beweerde Stipan, terwijl hij de buks op nieuw laadde.

"St. st. Daar vliegt weer wat!" En werkelijk daar weerklonk weer schel en snel op elkander volgend geschreeuw. Twee spelende houtsnippen, die elkander vervolgden, streken krijschend boven de hoofden der jagers heen. Vier schoten knalden, maar vlug als de wind keerden de vogels om en verdwenen uit het oog….

De jagers hadden een goede plaats gekozen. Stipan Arkadiewitsch velde nog twee stuks, Lewin even zoo, maar kon een er van niet vinden. Het werd donker. De snippen vlogen niet langer rond. Lewin echter vertoefde nog steeds, hij wilde wachten tot Venus, die hem door de twijgen van een berkenboom tegenblonk, boven dien boom gerezen en het sterrebeeld van den Grooten Beer duidelijk te zien zoude zijn. Maar Venus straalde reeds hoog boven den top uit en de Groote Beer schitterde reeds helder aan den donkeren heuvel en nog toefde Lewin.

"Nu is het toch zeker tijd om te gaan?" vroeg Stipan Arkadiewitsch.

"Laat ons nog even wachten."

"Zooals ge wilt."

Zij stonden ongeveer vijftien schreden van elkander.

"Stiwa!" zeide Lewin eensklaps, geheel onverwacht: "Waarom vertel je mij niet eens, of je schoonzuster al getrouwd is of wanneer ze trouwen zal?"

Hij gevoelde zich kalm en sterk genoeg om elk antwoord te kunnen verdragen. Maar Stipans antwoord had hij toch in het geheel niet vermoed.

"Zij denkt en zij dacht volstrekt niet aan trouwen, maar zij is ernstig ziek en de dokters hebben haar naar het buitenland gezonden. Men vreest zelfs voor haar leven…."

"Wat zeg je?" riep Lewin uit: "ernstig ziek? Wat scheelt haar? Hoe is…."

Op dat oogenblik zag Laska, de ooren spitsend, naar den hemel en daarna keek zij haar meester verwijderd aan. "Die hebben ook den rechten tijd tot praten uitgezocht," dacht zij. "Daarboven vliegt ze—daar, daar is ze, waarlijk ze vergeten haar…!"

Maar plotseling weerklonk een schelle schreeuw. De beide vrienden richtten tegelijkertijd hun buksen, twee schoten knalden en de hoogvliegende snip streek terstond de vleugels en viel tusschen de takken van het kreupelhout neder.

"Dat is mooi! Die komt ons allebei toe!" riep Lewin en snelde met Laska de struiken in om de snip te zoeken. "Ja, van welk ongeluk spraken wij daar even?" dacht hij. "Ja, Kitty is ziek…. Maar wat er aan te doen? 't Is treurig, erg treurig…. Aha! Laska heeft ze gevonden! Beste hond!" sprak hij den warmen vogel uit den muil nemend. "Hij heeft ze gevonden, Stiwa," riep hij en legde de snip in zijn bijna geheel gevulde weitasch.

XIV.

Op den terugweg vroeg Lewin naar alle bizonderheden van Kitty's ziekte en de tegenwoordige plannen van de Tscherbatzky's, en al wilde hij het zich zelf niet bekennen, het was toch een groote voldoening voor hem, vooreerst omdat er nu eensklaps weer hoop voor hem was ontstaan, en vervolgens, omdat zij, die hem zoo zeer gekwetst had, nu ook leed. Toen echter Oblonsky over de oorzaak van haar ziekte begon te spreken en Wronsky's naam noemde, viel Lewin hem in de rede: "Ik heb geen recht die familieaangelegenheden te kennen, en oprecht gesproken, ook in het geheel geen belang daarbij." Na een oogenblik zwijgens ging hij voort: "Zijn je onderhandelingen met Rjäbinin over den verkoop van het bosch al afgeloopen?"

"Ja, en ik vind zijn bod zeer billijk. Acht en dertig duizend roebels; acht duizend dadelijk en het andere in zes termijnen te betalen. Ik moest lang met hem handelen, wij wilden geen van beiden toegeven."

"Dus, dat wil zeggen, dat ge hem het bosch zoo goed als geschonken hebt," sprak Lewin somber.

"En waarom dan geschonken, vriendje?" vroeg Stipan Arkadiewitsch met een goedhartig lachje, want hij wist, dat Lewin nu in een stemming was om alles af te keuren.

"Omdat het bosch op zijn minst vijf honderd roebels per desjatine waard is," antwoordde Lewin.

"Oho, jelui landjonkers!" spotte Stipan. "Wat zijn wij stadslui toch dwaze menschen! Maar als er van zaken doen sprake is, dan doen wij toch altijd de beste. Geloof maar vrij, ik heb alles nauwkeurig overwogen, het bosch is zeer voordeelig verkocht, zoo zelfs, dat ik vrees, dat hij zich nog zal terug trekken. Timmerhout levert het in het geheel niet op, alleen brandhout; dit is nu hoogstens honderd zeventig roebel de desjatine waard en hij betaalt er tweehonderd roebels voor."

Lewin lachte ironisch. "Ik ken die manier van doen van die stedelingen," dacht hij, "elke tien jaar komen zij eenmaal buiten, vangen dan twee of drie landelijke uitdrukkingen op, gebruiken die vandaag goed, morgen verkeerd, en meenen dan, dat zij er alles van weten. Geen timmerhout; is dus hoogstens honderdzeventig roebel waard! Dat spreekt over zaken, waar hij in 't geheel geen verstand van heeft." Overluid voegde hij er bij: "Ik matig mij geen oordeel aan over dat, wat jelui daar op het gerechtshof uitvoert; is het noodig, dan kom ik tot jelui en vraag om raad. Gij echter zijt overtuigd alles van het boschwezen te weten. Maar geloof mij, dat is zoo eenvoudig niet. Hebt gij de boomen geteld?"

"De boomen? zou ik die tellen?" antwoordde Stipan lachend en hoopte
Lewins slechte luim te verdrijven:

 "Kan het wel tellen, het grootste verstand
 De stralen der zon, aan den oever het zand…."

"Nu, Rjäbinins groot verstand kan het. Geen handelaar koopt zonder te tellen, tenzij het hem present gegeven wordt, gelijk gij nu doet. Ik ken uw bosch. Ieder jaar jaag ik daar; vijfhonderd is het waard, kontant uitbetaald, en hij geeft je tweehonderd in termijnen. Gij kunt dus rekenen, dat ge hem dertig duizend geschonken hebt."

"Kom, kom, je overdrijft," zeide Stipan, ietwat terneer geslagen. "Waarom heeft mij dan niemand meer geboden?"

"Omdat hij die anderen omgekocht heeft; die krijgen ieder hun deel er van. Ik heb met allen gehandeld; ik ken ze. Dat zijn geen kooplui, het zijn afzetters, woekeraars. Onder de vijftig procent winst doen ze geen zaken, neen, uit twintig kopeken slaat hij een roebel."

"Ach kom, houd toch op! Ge zijt slecht gehumeurd!"

"Volstrekt niet!" antwoordde Lewin stroef, en de wagen hield voor het huis stil.

Aan den oprit stond reeds een kleine met leder en ijzer overtrokken telega met een vleezig paard. Daarop zat een forsche, breedgeschouderde klerk van Rjäbinin, die tegelijkertijd voor koetsier diende. Rjäbinin zelf was in huis en wachtte de vrienden in de voorkamer af. Hij was een lang, mager man van middelbaren leeftijd, met een snor, een gladgeschoren, vooruitstekende kin en starende, uitpuilende oogen. Hij droeg een langen blauw-lakenschen jas en hooge laarzen, waar hij nog groote overschoenen over heen getrokken had. Toen de vrienden binnen kwamen, wischte hij het gelaat met zijn zakdoek af en trok zijn jas terecht. Na de hand ook met den zakdoek afgewischt te hebben, stak hij die zoo aan Oblonsky toe, alsof hij iets vangen wilde.

"Kom, zijt ge daar al," sprak Stipan. "Dat is goed."

"Ik durfde het niet wagen, de bevelen van Uw Doorluchtigheid ongehoorzaam te zijn, ofschoon de weg zeer slecht is. Ik moest positief den geheelen weg te voet afleggen en ben toch nog op het afgesproken uur gekomen. Constantin Dimitritsch." wendde hij zich tot Lewin en beproefde ook diens hand te vangen, "ik heb de eer…." Maar Lewin deed, alsof hij de uitgestoken hand niet bemerkte en nam de houtsnippen uit de weitasch.

"Heeft het u behaagd u met de jacht te verlustigen! Hoe heet die vogel toch?" vroeg Rjäbinin en zag met verachtelijken blik naar de snippen. "Zullen zeker wel goed smaken?" en daarbij schudde hij afkeurend met het hoofd, als betwijfelde hij het, of het de moeite en kosten waard was zulk gevogelte eetbaar te maken.

"Ga in mijn kabinet," zeide Lewin stroef, "daar kunt gij alles bespreken."

"Zeer goed, zooals u beveelt," antwoordde Rjäbinin.

Bij het binnentreden van het kabinet zag hij om zich heen, alsof hij het kruisbeeld zocht, doch bekruiste zich niet, toen hij het gevonden had. Hij zag met denzelfden minachtenden blik, dien hij op de snippen geworpen had, naar de planken en kasten vol boeken en schudde weer afkeurend het hoofd; nu gaf hij echter reeds in het geheel niet meer toe, dat dit bezit de kosten waard was.

"Welnu? brengt gij het geld?" vroeg Oblonsky. Neem plaats."

"Aan geld ontbreekt het niet. Om u te zien en met u te spreken ben ik gekomen."

"Waarover wilt gij dan spreken?" Neem toch plaats."

"Dat kan ik wel doen," antwoordde Rjäbinin en nam plaats.

"U moet er nog wat af doen, vorst. Het is ongehoord. Het geld ligt al tot de laatste kopeke gereed. Aan het geld ligt het dus niet."

Lewin, die inmiddels zijn buks in de kast gehangen had, wilde de kamer weer verlaten, maar toen hij deze woorden van den handelaar hoorde, bleef hij staan.

"Hij is ongelukkig te laat bij mij gekomen, anders had ik den prijs bepaald," zeide hij.

Rjäbinin stond op en nam Lewin zwijgend en met een spottend lachje van het hoofd tot de voeten op.

"Constantin Dimitritsch is zeer gierig," zeide hij tot Stipan Arkadiewitsch. "Men kan definitief niets van hem koopen. Ik heb tarwe van hem gekocht, maar een prachtig stuk geld er voor moeten betalen."

"Waarom zou ik ze ook voor niets geven? Ik heb ze ook niet op straat gevonden of gestolen."

"God beware ons. In den tegenwoordigen tijd is het stelen positief onmogelijk, er zijn tegenwoordig definitief overal gerechten van gezworenen. Alles is heel voornaam ingericht, van stelen is geen sprake meer. Maar zooals ik gezegd heb, op mijn eerewoord, u vordert te veel. Dat is geen handel. Ik verzoek u dringend er iets af te doen, al is het ook maar een kleinigheid."

"Hebt gij de zaak dan al beklonken of nog niet?" vroeg Lewin aan Oblonsky; "indien gij het al eens zijt, is er niets meer aan te doen, anders koop ik uw bosch."

De lach verdween van Rjäbinins gelaat, dat nu aan een havik, een roofdier deed denken. Vlug knoopte hij met zijn knokkelige vingers den jas los, zoodat de stalen knoopen van zijn vest en zijn horlogeketting zichtbaar werden en haalde een oude, dikke brieventasch te voorschijn.

"Hier is het geld! Het bosch is mijn," sprak hij, terwijl hij snel een kruis maakte en de hand uitstak. "Neem u het geld, het bosch behoort mij. Zoo handelt Rjäbinin, hij kibbelt niet om kopeken," sprak hij stroef en waaide met zijn brieventasch, alsof 't een waaier was.

"Ik zou me in je plaats niet overhaasten," sprak Lewin.

"Maar ik heb mijn woord al gegeven," antwoordde Oblonsky.

Lewin verliet het vertrek en sloeg de deur achter zich toe. Rjäbinin zag hem na en schudde het hoofd. "Zoo is de jeugd! Definitief niets als kinderwerk! Want ik, geloof mij, ik koop alleen om de eer, opdat men zeggen zal, dat Rjäbinin en niemand anders het bosch van vorst Oblonsky koopt. God weet, dat ik er geen voordeel bij heb. Bij God, dat is de waarheid. En nu verzoek ik u beleefd, laat ons schrijven het contract…."

Een uur later besteeg de handelaar met tot aan den hals toegeknoopten jas en het contract in den zak zijn met ijzer en leder beslagen wagentje en reed naar huis.

"Ach, die heeren!" zeide hij tot den klerk, "de een is al even lastig als de ander!"

"Ja, zeker," antwoordde de klerk, terwijl hij zijn heer de teugels overgaf: "Kan ik u met deze zaak geluk wenschen, Michael Ignatjewitsch?"

"Zoo zoo! La la!"

XV.

De zakken wel gevuld met bankbiljetten, begaf Stipan Arkadiewitsch zich naar boven. Hij was in de beste stemming en wilde Lewins slechte luim ook verdrijven. Hij wenschte, dat de dag met het avondeten even prettig eindigde als hij begonnen was.

Lewin was echter slecht gestemd, hoeveel moeite hij zich ook gaf vriendelijk en voorkomend jegens zijn gast te zijn. De tijding, dat Kitty nog niet getrouwd was, verbijsterde en overweldigde hem. De dwaze verkoop van het bosch, het bedrog, waarvan Oblonsky de dupe was geweest, en de gedachte, dat dit juist in zijn huis had moeten gebeuren, verdroten hem.

"Zoo, ben je klaar?" sprak hij den binnentredenden Oblonsky aan: "zoudt ge nu het avondeten niet willen gebruiken?"

"Dat lijkt mij goed toe! 't Is verwonderlijk, welk een eetlust ik hier buiten heb! Waarom heb je Rjäbinin niets gepresenteerd?"

"De duivel hale hem!"

"'t Is erg zooals ge met hem omgaat! ge hebt hem niet eens de hand gereikt. Waarom zou men hem de hand niet geven?"

"Ik steek ze mijn knecht ook niet toe, en die is honderd maal beter dan hij."

"Gij zijt een reactionnair! Waar blijft dan de gelijkstelling van alle standen?"

"Wie dat gaarne wil, mag zich gelijk stellen, wel bekome het hem! Mij stuit het tegen de borst."

"Ik zeg, dat ge een volbloed reactionnair zijt."

"Zoo? waarlijk? Ik heb er nooit over nagedacht, wat ik ben. Ik ben
Constantin Lewin, verder niets."

"Constantin Lewin, die slecht geluimd is," antwoordde Oblonsky glimlachend.

"Nu ja, ik ben een beetje korzelig, maar waarom? Neem mij niet kwalijk: om je dommen verkoop…."

Stipan Arkadiewitsch maakte een gebaar, als iemand, die onschuldig beleedigd is geworden.

"Laat dat nu maar rusten!" sprak hij. "Wanneer is dat ooit anders geweest? Heeft men iets verkocht, dan is het altijd: 'Het was veel meer waard geweest,' en toch wilde niemand er meer voor geven…. Nu, ik begrijp het wel, je hebt iets tegen dien armen Rjäbinin."

"Wel mogelijk. Maar waarom? Gij zult mij misschien een reactionnair of iets dergelijks noemen—maar het doet mij pijnlijk aan, als ik de allerwege om zich grijpende verarming van den adel zie, waartoe ook ik behoor, en waartoe te behooren ik mij, ondanks alle gelijkstelling der standen, zeer verheug. En deze verarming is geen gevolg van te groote weelde—dan was het niets, want het is een plicht van den adel voornaam te leven en adellijken alleen kunnen dat. Alom koopen de boeren veel goederen op. Daar zie ik ook niets in. De voorname heer acht zich te hoog iets te doen, de boer werkt en verdringt den luiaard. Dat is juist zooals het behoort. Maar het grieft mij, wanneer ik zie, dat de verarming dikwijls het gevolg is van, nu, ik zal maar zeggen: onnoozelheid. Hier koopt een Poolsche pachter van een dame, die te Nizza leeft, een prachtig landgoed voor den halven prijs; ginds wordt een akker, die tien roebels waard is, voor een roebel verpacht, en gij schenkt vandaag hier, zonder eenigen grond, dertigduizend aan een aartsschelm…."

"Ja nu! moet men dan elken boom rekenen?"

"Zeer zeker moet men rekenen. Gij deedt het niet, maar Rjäbinin heeft het wel gedaan. Zijn kinderen zullen de middelen voor een goede opvoeding en een zorgeloos leven bezitten, terwijl de uwen dat misschien niet zullen hebben…."

"Nu, nu! Neem me niet kwalijk, maar rekenen is een miserabel werk. Wij hebben onze bezigheden, zij de hunne. Zij moeten ook wat verdienen. Maar kom! de zaak is bovendien nu uitgemaakt. Ha! daar zijn spiegeleieren, mijn lievelingskostje! En nu zal Agasija Michailowna ons ook nog wel wat van haar overheerlijken kruidendrank geven…."

Stipan Arkadiewitsch zette zich aan tafel en begon met Agasija te schertsen, terwijl hij haar verzekerde, dat hij zulk een souper in lang niet genoten had.

"U prijst ten minste nog eens iets," sprak Agasija, "maar Constantin Dimitritsch, dien kan men geven, wat men wil, al was het een droge korst brood: hij eet ze op en gaat weer weg."

Hoeveel moeite Lewin zich ook gaf om zich te beheerschen, het gelukte hem niet; hij bleef stroef en stil. Hij wilde Stipan iets vragen, maar kon er niet toe komen; hij vond misschien geen geschikt oogenblik of geen passenden vorm. Stipan Arkadiewitsch was reeds weer naar beneden gegaan, had zich gewasschen, omgekleed en te bed gelegd, terwijl Lewin nog steeds bij hem bleef, het vertrek op en neer liep en over allerlei onverschillige dingen met hem sprak, maar nog altijd niet in staat was hem datgene te vragen, wat hij op het hart had.

"Wat maakt men die zeep tegenwoordig toch mooi!" zeide hij een pakket welriekende zeep loswikkelend; "zie, dat is toch waarlijk een kunstwerk!"

"Ja, tegenwoordig is alles volmaakt!" antwoordde Stipan, sterk en tevreden geeuwend. "Daar heb je bij voorbeeld de schouwburgen en ontspanningslokalen…. Ah, ha, ha!" geeuwde hij:… "Overal electrische verlichting … ah, ha, ha!"

"Ja, electrisch licht…." zeide Lewin. "Ja…. Maar zeg mij eens, waar is Wronsky tegenwoordig?" vroeg hij plotseling en legde de zeep neder.

"Wronsky?" vroeg Oblonsky, zijn geeuwen inhoudend, "die is te Petersburg. Is spoedig na je vertrek afgereisd en was sinds dien tijd geen enkele maal te Moskou. Weet je, Kostja, ik wil je de waarheid zeggen." voegde hij er bij zich half oprichtend en op het bedtafeltje leunend en Lewin met zijn goedige oogen slaperig aanstarende: "Gij hebt het je zelf te wijten. Ge hadt alle hindernissen het hoofd moeten bieden…. Ik heb je toen al gezegd…." Hij geeuwde zonder den mond te openen, alleen met de kinnebakken.

"Zou hij wat van mijn aanzoek weten of niet?" dacht Lewin hem scherp waarnemend. "Er ligt iets schuws, iets diplomatisch in zijn gezicht!" en gevoelend, dat hij rood werd, zag hij Stipan zwijgend en openhartig in de oogen.

"Als er destijds iets met haar bestond," ging Oblonsky voort "dan was het eigenlijk maar zeer oppervlakkig. Zijn innemende aristocratische persoonlijkheid en zijn toekomstige positie in de wereld werkten niet zoozeer op haar, als wel op moeder…."

Lewins gelaat betrok. De oude wond in zijn hart deed hem weer even veel pijn, als toen hij ze pas had ontvangen. "Wacht eens, wacht eens!" zeide hij, Oblonsky in de rede vallend, "gij zegt zijn aristocratische persoonlijkheid. Met je verlof, waarin vindt gij dat aristocratische van Wronsky of iemand anders, dat hun het recht kon geven mij lager te stellen? Gij houdt Wronsky voor een aristocraat. Een man, wiens vader zich alleen door intrigues in de hoogte gewerkt heeft, en wiens moeder God weet met wie al liaisons gehad heeft…. Neen, neem mij niet kwalijk! Tot de aristocraten reken ik mij zelf en mijns gelijken, die tot drie of vier generaties in hun geslacht kunnen terugzien, die zich nooit voor iemand hebben vernederd, die nooit iemand noodig hadden, menschen, zooals mijn vader en mijn grootvader. Gij acht het beneden je om, zooals ik doe, de boomen in het bosch te tellen en gij schenkt dertigduizend aan Rjäbinin, maar gij zult een vast jaargeld en ik weet niet wat nog al meer ontvangen. Daar heb ik niet op te rekenen en daarom houd ik dat, wat ik geërfd heb en dat, wat ik daarbij verwerf, beide evenzeer in waarde…. Wij zijn de aristocraten, maar niet diegenen, die niet zonder de aalmoezen van de grooten der wereld kunnen bestaan en die men voor twintig kopeken overal kan koopen."

"Van wie spreekt ge toch eigenlijk? Ik ben het immers geheel met je eens!" zeide Stipan vroolijk en oprecht, hoewel hij gevoelde, dat Lewin ook hem onder diegenen telde, die voor twintig kopeken te koop waren, maar Lewins opbruisende natuur maakte werkelijk indruk op hem. "Op wien scheldt ge toch eigenlijk? Al is ook veel, van wat ge van Wronsky zegt, niet waar, zoo spreek ik het tóch in het geheel niet tegen. Ik zeg je echter ronduit, dat ik in je plaats naar Moskou zou gaan en…."

"Neen, neen! Ik weet niet, of gij er iets van weet of niet—dat is mij ook onverschillig; zie, ik heb haar gevraagd en ben afgewezen, en Catharina Alexandrowna is nu niets meer voor mij als een beschamende herinnering."

"Waarom? Onzin!"

"Laat ons daar niet meer over spreken." verzocht Lewin; "vergeef mij, indien ik grof tegen je was. Ge zijt toch niet boos, Stiwa? Kom, wees niet boos op me," zeide hij vriendelijk en drukte hem de hand. Nu hij zijn hart eens lucht had gegeven, was hij weer in dezelfde stemming als des voormiddags.

"Ik ben in het geheel niet boos, in het minst niet; ik heb daar ook geen reden voor. Ik ben blijde, dat we eens vertrouwelijk gesproken hebben. Maar weet je, die plaats in het bosch moet 's morgens vroeg al zeer goed zijn. Zullen we er heen rijden? Dan zou ik vroeg opstaan en van het jachtterrein onmiddellijk naar het station kunnen rijden."

"Dat is best!"