WeRead Powered by ReaderPub
Anna Karenina cover

Anna Karenina

Chapter 48: XXVI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel interweaves two principal narratives: one traces a married woman's passionate affair and the social, familial, and moral consequences that follow; the other follows a thoughtful man as he seeks purpose, wrestles with questions of work, faith, and the rhythms of rural life. Through detailed scenes of domestic routine and society, the book examines marriage, fidelity, isolation, public reputation versus inner life, and the search for meaning, contrasting urban social pressures with personal conscience and the restorative presence of the natural world.

XXII.

De wedren ving niet aan in de baan zelf, maar drie honderd meter buiten dezelve, en op dit gedeelte bevond zich de eerste hindernis, een gracht van drie meter breed, die de ruiters naar believen konden overspringen of doorrijden. Driemaal plaatsten de ruiters zich in een rij, maar telkens kwam een paard te ver naar voren en men moest andermaal de rij formeeren. Eindelijk, de vierdemaal gelukte het en "voorwaarts!" klonk het commando. Alle oogen en kijkers van de tribune waren op den bonten ruitertroep op het oogenblik van zijn afrijden gericht.

De opgewonden, zenuwachtige Froe-Froe verzuimde het eerste oogenblik, meerdere paarden waren haar al voorgekomen, maar nog vóór het water achterhaalde zij zonder moeite drie van hen, en slechts de met het achterlijf licht en gelijkmatig werkende Gladiator bleef haar voor en buitendien geheel vooraan de bevallige Diana, die den meer dooden dan levenden Kusowlew droeg.

In de eerste oogenblikken had Wronsky noch zich zelf noch het paard in zijn macht. Tot aan de eerste hindernis, de gracht, vermocht hij zijn paard niet te besturen. Gladiator en Diana kwamen bijna te gelijk aan dezelve—een, twee! hieven zij zich op en vlogen naar de andere zijde over; onmiddellijk achter hen hief zich ook Froe-Froe op, maar op het oogenblik dat Wronsky zich nog in de lucht voelde zweven, zag hij plotseling schier onder de hoeven van zijn paard Kusowlew, die aan den anderen oever met zijn Diana uit het water omhoog zocht te krabbelen. Kusowlew had namelijk dadelijk bij den sprong van zijn paard den teugel losgelaten en natuurlijk moest dit deze gevolgen hebben. Wronsky vernam dit later, nu bemerkte hij slechts, dat zich daar, waar Froe-Froe haar voeten moest neerzetten. Diana's kop bevond. Maar als een kat onder het vallen maakte Froe-Froe onder den sprong een krachtige beweging in den rug en met de beenen, zoodat zij, zonder Diana aan te raken, voorbij vloog. Van nu af had Wronsky zijn paard geheel in zijn macht. Hij hield het terug met het oogmerk, de groote barrière eerst na Machatin over te springen, en hem dan op de eerste vrije ruimte voorbij te komen.

De groote barrière stond recht voor de tribune van het hof. De keizer, het geheele hof en een menigte volks, allen hadden het oog op hem gevestigd en op Machatin, die een paardlengte voor hem reed, toen zij een bedekte barrière, den zoogenaamden "duivel", naderden. Wronsky besefte dit, hoewel hij niets zag als de ooren en den kop van zijn paard, die hem tegen vliegenden grond en Gladiators witte voeten, die snel en steeds op denzelfden afstand voor hem de maat sloegen. Daar hief Gladiator zich op en zonder ergens aan te stooten en terwijl zijn korte staart hoog opfladderde, verdween hij voor Wronky's oogen. "Bravo!" hoorde men ergens een stem roepen. Op hetzelfde oogenblik schemerden voor hem de planken der barrière. Zonder de beweging te veranderen hief zijn paard zich onder hem op, de planken verdwenen en slechts hoorde hij achter zich een lichten klop. Door het zien van den vooruitgaanden Gladiator vurig geworden, had Froe-Froe zich wat te vroeg voor de barrière opgeheven en deze derhalve met een achterhoef aangeraakt. Maar haar gang bleef onveranderd en Wronsky zag, dat hij nauwkeurig den ouden afstand van Gladiator had behouden. Hij zag weer diens kruis, den korten staart en de snel uitslaande witte voeten voor zich.

Op dit oogenblik, toen Wronsky dacht, dat wel de tijd daar was om Machatin voorbij te komen, begon Froe-Froe, alsof zij de gedachten van haar heer had geraden, van zelf Gladiator te naderen en wel aan de voordeeligtse zijde van de lijn. Maar Machatin gaf de lijn niet vrij. Wronsky overlegde, of men wellicht op de bocht van buiten voorbij zou kunnen komen, toen Froe-Froe dit reeds van zelf deed en al begon te vorderen. Haar van zweet al donker gekleurde schouder bevond zich reeds naast Gladiators kruis. Toen liepen zij een poos geheel naast elkander. Maar nu kwamen zij aan een hindernis en om deze niet in de groote bocht te nemen, begon Wronsky met den teugel te werken, en spoedig kwam hij Machatin op de schuinsche hoogte voorbij. Wronsky zag zijn met modder bespat gezicht, het scheen hem zelfs toe te lachen. Wronsky was nu Machatin vooruit, maar hij bemerkte hem dicht achter zich en hoorde voortdurend den gelijkmatigen hoefslag en het korte, krachtige snuiven uit de neusgaten van Gladiator.

De beide naaste hindernissen, een gracht en een barrière, werden zonder veel moeite overwonnen, maar Wronsky hoorde nu den hoefslag en het snuiven achter zich naderen. Hij bestuurde Froe-Froe en voelde met blijdschap, dat haar gang zich versnelde en Gladiators hoefslag weer was als te voren.

Wronsky leidde nu den ren van het paard, zooals Kord hem had geraden en hij zelf voornemens was geweest. Nu was hij van den uitslag zeker. Zijn opgewondenheid, zijn blijdschap, zijn teederheid voor Froe-Froe werden steeds grooter. Hij had gaarne eens omgezien, maar dat durfde hij niet, en hij trachtte slechts zijn kalmte te vermeerderen en zijn paard niet sterker aan te drijven, ten einde het den voorraad kracht te laten behouden, waarover, zooals hij bemerkte, Gladiator nog beschikte. Er bleef nu nog maar ééne, doch de bezwaarlijkste hindernis over. Kon hij deze te boven komen, dan was hij overwinnaar. Hij naderde de barricade. Hij en Froe-Froe bemerkte haar te gelijk en oogenblikkelijk beving hen dezelfde twijfel. Hij bemerkte de weifeling van zijn paard aan diens ooren en hief reeds de karwats op, maar zag nog tijdig, dat zijn twijfel ongegrond was. Froe-Froe verzamelde haar kracht juist zooals hij het dacht en wenschte, verhief zich en de kracht harer energie droeg haar ver over de gracht en in gelijken gang en dezelfde snelheid, zonder veel inspanning, ging zij met rennen voort.

"Bravo, Wronsky!" hoorde hij uit een menschenhoop roepen; hij wist, dat het lieden en kameraden uit zijn regiment waren, en hij meende Jawschins stem te herkennen, maar hij zag hem niet. Hij luisterde rugwaarts, wat achter hem geschiedde. "Overgesprongen!" dacht hij, toen hij Gladiators hoefslagen weer achter zich hoorde.

Er bleef nu nog een natte gracht van twee meter breedte over. Wronsky vestigde er zijn aandacht niet eens op; maar wenschende een zoo groot mogelijken voorsprong te gewinnen, begon hij met de teugels te werken en ze naar de maat op te heffen en weder op den hals van het paard te laten dalen. Hij bemerkte dat Froe-Froe haar laatste krachten bezigde. Hals en schouders waren wit, maar ook aan de manen, aan den kop en aan de spitse ooren hing het zweet bij droppels en zij ademde kort en scherp. Maar hij wist ook, dat haar voorraad van kracht voor de nog ontbrekende zeshonderd meter toereikend zou zijn. Slechts daaraan, dat hij zich nader bij den grond bevond en aan een bizondere elasticiteit van beweging bespeurde Wronsky, hoe zich de snelheid van zijn paard had vergroot. De gracht sprong het zonder bezwaar over. Het schoot er als een vogel over heen, maar op hetzelfde oogenblik bemerkte Wronsky tot zijn schrik, dat hij zelf de beweging van zijn paard niet gevolgd had, maar onbegrijpelijker wijze zich met een onvergefelijk slechte beweging op den zadel had laten vallen. Daardoor werd de situatie plotseling een geheel andere; Wronsky zag, dat iets ongehoords was geschied; het was hem niet duidelijk wat, toen eensklaps dicht voorbij hem de voeten van Gladiator schemerden en Machatin in den snelsten galop voorbij suisde. Wronsky raakte met een voet den grond en op dezen voet zonk de zwaarte van zijn paard. Nog nauwelijks had hij zijn voet vrijgemaakt, toen ook Froe-Froe reeds zwaar rochelend op zijde viel, en met haar fijnen met zweet bedekten hals vergeefsche pogingen aanwendde om zich weer op te richten. Zij lag aan zijn voeten bevende op den grond als een aangeschoten vogel. Wronsky's valsche beweging had haar den rug gebroken. Dat vernam hij veel later. Nu zag hij slechts dit eene, dat Machatin zich snel verwijderde en dat hij alleen wankelend op den modderigen grond stond en dat Froe-Froe zwaar rochelend voor hem lag, met den kop naar hem toegekeerd en hem met haar schoone oogen aanstarende. Nog steeds niet begrijpend, wat er gebeurd was, rukte hij het paard aan den teugel. Het sloeg om zich als een visch in het net, trok de voorpooten bijeen, maar, niet in staat zich van achteren op te richten, sloeg het weder om zich en viel andermaal op zijde. Met hartstochtelijk ontsteld gelaat, bleek en met sidderende lippen, sloeg Wronsky het met de sporen onder den buik en begon weer aan den teugel te rukken—maar Froe-Froe bewoog zich niet, zij drukte den muil op den grond en zag haar meester met de schoone, sprekende oogen aan.

"A—h!" kermde Wronsky, met de handen naar het hoofd grijpend, "wat heb ik gedaan! De ren is verloren! En dat door eigen schuld. Beschamend, onvergefelijk! En dat arme, lieve, te gronde gerichte paard; ach! wat heb ik gedaan!"

Een troep volks, officieren van het regiment, de dokter met zijn helpers kwamen toegesneld en deden allerlei vragen. Tot zijn ongeluk voelde hij zich zelf ongedeerd. Maar het paard had den rug gebroken en moest dood geschoten worden. Wronsky kon op de aan hem gerichte vragen niet antwoorden. Hij kon met niemand spreken. Hij wendde zich af en zonder de hem ontvallen muts op te nemen ging hij van de renbaan zonder te weten waarheen. Hij gevoelde zich diep ongelukkig. Voor de eerste maal in zijn leven ondervond hij een niet meer goed te maken ongeluk, waarvan hij zelf alleen de schuld droeg.

Jawschin haalde hem met zijn muts in de hand in en begeleidde hem naar huis. Een half uur daarna kwam Wronsky weer tot zich zelf. Maar de herinnering aan dezen wedren zou in zijn ziel blijven hechten als een der zwaarste en meest kwellende van zijn geheele leven.

XXIII.

Uitwendig was Karenins verhouding tot zijn vrouw dezelfde gebleven. Er was slechts dit onderscheid, dat hij nog meer met bezigheden overladen scheen dan te voren. Zooals in alle vroegere jaren, begaf hij zich ook nu naar een buitenlandsch bad om zijn gezondheid te herstellen en keerde als gewoonlijk in Juli naar huis terug om dadelijk met verdubbelde energie weer aan den arbeid te gaan. Zijn vrouw daarentegen verhuisde zooals gewoonlijk naar hun buitenverblijf, terwijl hij in Petersburg bleef.

Sedert haar gesprek na de soirée bij vorstin Twersky had hij niet meer met Anna over zijn verdenking en zijn ijverzucht gesproken, en zijn eigenaardige manier van zoo te spreken, alsof hij een ander voorstelde, paste juist voor zijn tegenwoordige verhouding tot zijn vrouw. Hij was tegen haar wel wat koeler geworden, maar niet meer dan of hij slechts een kleine grief tegen haar had wegens gebrek aan vertrouwen harerzijds bij gelegenheid van hun toenmalig nachtelijk gesprek; zijn gedachte was ongeveer: "Gij wilt tegenover mij niet openhartig zijn,—des te erger voor u; al zoudt ge mij nu er ook om smeeken, nu zou ik niet rechtuit spreken!" Zoo dacht hij als iemand, die zich vergeefs beijverd had een uitbarstend vuur te verstikken en eindelijk vertoornd over zijn vergeefsche moeite uitroept: "Nu goed, als ge u niet wilt laten blusschen, brand dan maar voort!"

Hij, deze zoo schrandere en in alle ambtszaken zoo fijngevoelige man, zag de dwaasheid van zulk een verhouding tot zijn vrouw niet in. Hij zag haar niet in, omdat het hem verschrikkelijk was haar zoo te zien, als zij in werkelijkheid was; hij sloot en verzegelde in zekere mate de kamer zijns harten, waarin de gevoelens voor zijn familie, dat is voor zijn vrouw en zijn zoon, woonden. Hij, vroeger zulk een nauwgezet vader, verkoelde in dezen winter vooral jegens zijn zoon en zooals met zijn vrouw sprak hij ook met hem op ironischen toon.

Alexei Alexandrowitsch was er van overtuigd en beweerde ook, dat hij nog in geen jaar zoo met bezigheden overstelpt was geweest als in het tegenwoordige, maar hij bekende zich zelf niet, dat hij zich deze drukten zelf uitdacht, omdat hij daarin het beste middel zag om de kamer, waarin de gevoelens voor vrouw en kind verborgen lagen, en die steeds sterker werden, hoe langer hij ze daar bewaarde, niet open te sluiten, in zijn gelaat lag steeds, zoodra iemand naar zijn vrouw vroeg, een strenge en trotsche uitdrukking.

Karenins landhuis lag in Pargalewo, en gewoonlijk placht ook gravin Lydia Iwanowna daar te wonen en als buurvrouw en vriendin, op intiemen voet met Anna te verkeeren. Dit jaar echter gaf zij er de voorkeur aan daar niet te wonen; zij had geen enkel bezoek bij Anna gebracht, maar maakte Karenin op Anna's verkeer met vorstin Betsy en Wronsky als iets onbetamelijks opmerkzaam. Doch hij wees haar streng terug en zeide, dat zijn vrouw boven alle verdenking was verheven, en sedert vermeed hij de gravin. Hij wilde niet opmerken, dat velen in de conversatie Anna scheef aanzagen, en hij wilde niet begrijpen, waarom Anna zoo levendig wenschte van Pargalewo naar Zarskoë te verhuizen, waar Betsy woonde en in welks nabijheid Wronsky's regiment gelegerd was. Hij veroorloofde zich niet daarover na te denken, maar in den grond zijns harten was hij, ofschoon zonder bewijzen, vast overtuigd, dat hij een bedrogen echtgenoot was, en voelde zich diep ongelukkig. Hoe dikwijls had hij in de verloopen gelukkige jaren zijns levens bij den aanblik van andere bedrogen echtgenooten gezegd: "Hoe kan men zoo iets ook toelaten? Waarom verbreekt men zulk een ondragelijken toestand niet?" Maar nu, nu het ongeluk op zijn eigen hoofd was gevallen, dacht hij er niet aan, hoe zulk een verhouding kon opgelost worden, en wilde er zelfs niets van weten, omdat het te verschrikkelijk, te ondragelijk was.

Na zijn terugkomst uit het buitenland was Karenin slechts tweemaal in zijn landhuis geweest; de eerste maal toen hij er dineerde, den anderen keer met eenige gasten; maar hij was er geen nacht overgebleven, zooals hij vroeger placht te doen.

Den dag van den wedren was hij door zijn bezigheden bizonder bezet geweest; maar hij had reeds des morgens het zoo geschikt, dat hij na een vroegtijdig middagmaal naar zijn vrouw kon rijden en dan naar den wedren, dien het geheele hof zou bijwonen en waarbij hij derhalve niet mocht ontbreken. Bij zijn vrouw wilde hij slechts aanrijden om welstaanshalve ten minste eens in de week haar bezocht te hebben. Ook moest hij haar, daar het de vijftiende der maand was, het huishoudgeld overhandigen.

XXIV.

Anna stond voor den spiegel en was met Annuschka's hulp bezig den laatsten strik aan haar costuum te bevestigen, toen zij op het kiezel voor het huis het geluid van een aankomend rijtuig hoorde.

"Voor Betsy is het nog te vroeg," dacht zij en zag uit het venster. Daar zag zij de coupé en daarin den zwarten hoed en de bekende ooren van haar echtgenoot.

"Wat ongelegen tijd! Wat zal er van worden als hij hier wil overnachten?" dacht zij en hoewel de gedachte aan al wat daaruit kon ontstaan haar verschrikte en beangstigde, liep zij, den geest des leugens in zich voelend en zich aan dezen overgevend, hem toch met vroolijk stralend gelaat te gemoet en zonder te weten wat zij sprak, zeide zij: "O, dat is mooi! Ik hoop, dat ge den nacht over blijft." Dit was het eerste woord, dat de geest des leugens haar ingaf: "Nu rijden wij samen naar den wedren—jammer, dat ik al met Betsy afspraak heb gemaakt! Zij zal mij namelijk afhalen…."

Bij het hooren van dezen naam fronste Karenin het voorhoofd. "O, ik wil de onafscheidelijken niet scheiden," antwoordde hij op zijn gewonen ironischen toon: "Ik ga met Michaël Alexandrowitsch. De dokter heeft mij het gaan bevolen. Ik zal dus te voet gaan en onderweg denken, dat ik nog in de badplaats ben."

"Er is nog volstrekt geen haast," zeide Anna; "verlang je thee?" Zij schelde. Een dienstmeisje verscheen.

"Breng thee en zeg aan Serëscha, dat Alexander Alexandrowitsch hier is.' "Hoe is het met je gezondheid?" En zij zette zich naast haar man neder. "Ge ziet er niet goed uit."

"Neen," antwoordde hij, "vandaag heeft de dokter mij ook bezocht en dit heeft mij veel tijd gekost. Het scheen mij toe, alsof een mijner goede vrienden hem bij me had gezonden. Mijn gezondheid is immers ook zoo kostbaar…."

"Nu? Wat heeft hij gezegd?" En zij vroeg hem uit over zijn gezondheidstoestand en over zijn bezigheden en vermaande hem zich te ontzien en naar haar te verhuizen. Dat alles sprak zij zeer eenvoudig en haastig en met een eigenaardigen glans in de oogen. Hij hechtte evenwel geen waarde aan haar woorden; hij hoorde ze maar gaf er de beteekenis aan, die ze werkelijk hadden. Hij antwoordde phlegmatisch en schertsend. In dit geheele gesprek was niets van beteekenis, maar in later tijd kon Anna zich nimmer deze korte scène herinneren zonder een gevoel van kwelling en schaamte.

Serëscha kwam met zijn gouvernante binnen. Als Karenin er acht op had gegeven, zou hem de schuchtere blik zijn opgevallen, waarmede zijn zoon eerst hem en toen zijn moeder aanzag. Maar hij wilde niets zien en daarom zag hij niets.

"Ha, jonge man! Hij is gegroeid! Inderdaad, hij wordt al groot. Goeden dag, jonge man."

Serëscha, die reeds altijd tegenover zijn vader bloode was, werd het nog meer, toen hij als jonge man werd aangesproken en in zijn hoofd het raadsel nog niet had kunnen oplossen, of Wronsky een vriend of vijand van zijn vader was. Alsof hij bescherming zocht wendde hij zich tot zijne moeder. Slechts bij haar gevoelde hij zich op zijn gemak. Terwijl Alexei Alexandrowitsch met de gouvernante sprak, lag zijn hand op zijn zoons schouder; dezen was dat zoo kwellend en pijnlijk, dat Anna bemerkte, dat hij op het punt stond om te weenen.

Anna, die bij het binnenkomen van het kind had gebloosd, nam, toen zij bemerkte, hoe onaangenaam hij zich gevoelde, Karenins hand van zijn schouder, kuste hem, geleidde hem naar buiten op het balkon en kwam toen dadelijk terug. "Het is toch al tijd," zeide zij, naar de pendule ziende, "waarom zou Betsy niet komen."

"Ja," zeide Alexei Alexandrowitsch en knakte met de saamgevouwen vingers; "ik ben ook gekomen om u geld te brengen. Men voedert geen nachtegalen met vertellingen. Gij kunt het wel reeds noodig hebben."

"Neen, ik heb het nog niet noodig … maar toch…." zeide zij en bloosde tot de haarwortels toe. "Gij komt toch na den wedren weer hierheen?"

"Ja zeker," antwoordde hij. "Daar is ook al het sieraad van Pargalewo, vorstin Twerskaja," voegde hij er bij, terwijl hij door het venster een eleganten, eenspannigen mandewagen zag voorkomen. "En hoe elegant! Bekoorlijk! Nu, dan zullen wij ook opbreken."

De vorstin stapte niet uit. Slechts haar bediende in kraagmantel en zwarten hoed klom af en bleef bij het portier staan.

"Ik ga nu, Adieu!" zeide Anna en kuste haar zoon; toen naderde zij Alexei Alexandrowitsch en reikte hem de hand: "Het is vriendelijk van u, dat ge gekomen zijt."

Hij kuste haar hand.

"Alzoo tot weerziens! Gij komt op de thee; dat is best," hernam zij en ging vroolijk en vergenoegd naar buiten. Maar toen zij de deur uit was, voelde zij de plek op haar hand, die zijn lippen hadden aangeraakt en zij kromp schier van een gevoel van afkeer ineen.

XXV.

Toen Karenin bij de renplaats kwam, zat Anna reeds op de tribune, waar een gezelschap van de voornaamste personen vereenigd was. Zij bemerkte haar man reeds in de verte. Twee mannen: haar echtgenoot en haar minnaar, waren thans de brandpunten van haar leven, en zij gevoelde de nabijheid van ieder hunner zonder de hulp van haar uitwendige zinnen. Zij zag, hoe haar man de tribune naderde, nu een onderdanigen groet nederbuigend beantwoordende, dan vriendschappelijk en verstrooid de met hem gelijkstaanden groetend, straks weer zich beijverend den blik der machtigen der aarde tot zich te trekken en dan zijn grooten ronden hoed, die de spitsen der ooren neerdrukte, diep afnemend. Zij kende deze geheele manier en alles aan hem stond haar tegen.

"Slechts eerzucht, de wensch naar succes neemt zijn ziel in," dacht zij; "al die verhevene gedachten over verlichting en godsdienst bestaan voor hem slechts als middelen tot het doel."

Hij zag naar het balcon der dames; maar in die zee van mousseline, linten, vederen, parasols en bloemen vond hij zijn vrouw niet. Zij begreep, dat hij haar zocht, maar zij hield zich opzettelijk, alsof zij hem niet bemerkte.

"Alexei Alexandrowitsch!" riep vorstin Betsy, "zoekt ge uw vrouw? Hier is zij!"

Hij zag even met zijn koud lachje naar boven.

"Daar is zooveel glans, dat het iemand de oogen verblindt," antwoordde hij. Hij lachte zijn vrouw toe, groette de vorstin en de overige kennissen, met de dames schertsend en met de heeren eenige woorden wisselend. Beneden aan den voet der tribune stond een adjudant-generaal, die door zijn geestigheid en fijne beschaving zeer bekend was. Karenin knoopte een gesprek met hem aan. Het was juist pauze tusschen den wedren en zoo werd hun discours door niets gestoord. De generaal was uit beginsel een tegenstander van wedrennen, Karenin sprak hem tegen, ze verdedigende. Anna hoorde zijn schrale, eentonige stem; ieder woord scheen haar valsch en beleedigde haar gehoor.

Toen de derde wedren begon, richtte zij den blik naar voren en zag onafgewend naar Wronsky, die zich juist op het paard zette, en te gelijk hoorde zij de onaangename stem van haar echtgenoot, die niet wilde ophouden. De vrees voor Wronsky kwelde haar, maar nog meer die fijne stem.

"Ik ben eene slechte, een verloren vrouw," dacht zij; "maar ik houd niet van geveinsdheid en aan hem is alles veinzerij. Hij weet en ziet alles; welk een gevoel heeft hij dan toch, dat hij nu daar zoo kalm kan staan praten? Als hij mij of Wronsky wilde dooden, zou ik hem nog achten. Maar neen, hij kent niets dan welvoegelijkheid en huichelarij."

Zij begreep niet, dat de ongewone spraakzaamheid van dien dag, die haar zoo ergerde, slechts haar grond had in zijn onrust en opgewondenheid. Beweging van den geest was voor hem noodig om de gedachten aan zijn vrouw, die natuurlijk door haar en Wronsky's tegenwoordigheid op nieuw opgewekt werden, te verstikken.

"Het gevaar," zeide hij, "is noodwendig aan wedrennen der cavalerie verbonden. Als Engeland in zijn krijgsgeschiedenis op schitterende verrichtingen zijner cavalerie kan wijzen, dan kan het dit, dank zij zijn ijver om menschen en dieren door den sport daarvoor te vormen. De sport heeft naar mijn inzien eene beteekenis, die niet gering moet geschat worden; men ziet echter gewoonlijk slechts de oppervlakte…."

"Is dat dan ook oppervlakte?" vroeg vorstin Twersky; "men zegt, dat een officier twee ribben heeft gebroken."

Alexei Alexandrowitsch liet een lachje zien, dat slechts zijn lippen opende, maar verder niets uitdrukte.

"Toegegeven, vorstin," zeide hij, "de ribben zijn niet oppervlakkig, maar iets inwendigs. Maar daar komt het niet op aan," liet hij tot den generaal gewend volgen: "U moet niet vergeten, dat hier officieren rijden, die zich deze bezigheid tot een beroep gekozen hebben, en u zult mij toestemmen, dat ieder beroep zijn schaduwzijde heeft. Dit behoort tot de plichten van een officier. De weerzinwekkende sport van boxen of van het Spaansche stierengevecht, ja, deze zijn een teeken van barbaarschheid. Maar zulk een sport is bewijs eener hoogere volksbeschaving…."

"Neen, den volgenden keer ga ik er niet meer heen. Het windt me te veel op. Niet waar, Anna?" zeide boven vorstin Betsy.

"Het windt iemand op, maar men kan zich toch niet losrukken," antwoordde een andere dame. "Ware ik een Romeinsche geweest, ik zou voor den circus niet gegruwd hebben."

Anna antwoordde niet. Zonder den tooneelkijker neer te leggen zag zij slechts naar één plaats. Op dit oogenblik ging een hoog militair persoon voorbij. Zijn gesprek afbrekend, stond Karenin eerbiedig op en boog zich diep.

"U neemt geen deel aan den wedstrijd?" schertste de militaire autoriteit.

"Mijn rennen is zwaarder," antwoordde Karenin eerbiedig. Hoewel dit antwoord niet veel zeide, zette de militaire autoriteit een gezicht, alsof hij een zeer schranderen man gehoord en zeer goed de pointe de la sauce begrepen had.

"Vorstin, op wien wedt u?" hoorde men van beneden de stem van Stipan
Arkadiewitsch zeggen.

"Anna en ik, wij wedden op vorst Kusowlew."

"Ik op Wronsky!"—"Een paar handschoenen!"

"Aangenomen."

"Niet waar? Hoe schilderachtig?"

Alexei Alexandrowitsch had zoo lang gezwegen, als men nabij hem sprak. Nu begon hij weer: "Ik geef toe, dat de spelen van volwassen mannen…."

Op dit oogenblik reden de strijders af en elk gesprek werd gestaakt. Het rijden interesseerde Karenin niet en hij zag derhalve met zijn matte oogen verstrooid naar het publiek. Eindelijk bleef zijn blik op Anna rusten.

Haar gelaat was bleek en ernstig. Zij zag blijkbaar niets als hem. Haar hand hield krampachtig den waaier vast en zij waagde het nauwelijks adem te halen. Hij zag haar een tijd lang aan, toen wendde hij zich plotseling af en monsterde de andere gezichten.

"Ja, deze dame en de andere zijn even opgewonden; dat is zeer natuurlijk," sprak Karenin bij zich zelf. Hij wilde haar niet langer gadeslaan, maar onwillekeurig keerde zijn blik weer tot haar terug. En met ontsteltenis las hij tegen zijn wil op haar gelaat datgene, wat hij niet weten wilde.

Kusowlews val in het water maakte op allen een diepen indruk, maar op Anna's bleek, van vreugde stralend gelaat zag hij duidelijk, dat hij, dien zij in het oog had, niet was gevallen. Toen nu Machatin en Wronsky de barrière waren overgesprongen en een officier, die achter hen volgde, zoo ongelukkig op het hoofd viel, dat hij terstond dood was, ging er een kreet van ontzetting door het publiek, maar Anna—dat zag Karenin—had het in het geheel niet bemerkt en begreep niets van hetgeen men rondom haar besprak. Hij bespiedde haar nu steeds veelvuldiger en steeds langer. Hoewel Anna uitsluitend naar den rijdenden Wronsky zag, voelde zij toch den zijwaarts op haar gerichten blik van haar echtgenoot. Zij keerde zich eens een oogenblik om, zag hem vragend aan, fronste licht het voorhoofd en wendde zich toen weder af.

"Och, het is mij geheel onverschillig," sprak haar houding en van toen af zag zij hem niet meer aan.

Het was een ongelukkige wedren. Van zeventien officieren waren er acht gevallen of op andere wijze buiten den strijd gesteld. Tegen het einde van den wedren verkeerden allen in groote opgewondenheid, die nog toenam, doordat de keizer ontevreden was.

XXVI.

Allen gaven luid hun ontevredenheid te kennen. "Voor een circus ontbraken hier nog slechts de leeuwen," zeide men, en allen gevoelden zich zoo ontsteld, dat, toen Wronsky viel en Anna een luiden gil uitstiet, niemand daarin iets bizonders zag. Maar onmiddellijk daarop onderging Anna's gezicht een al te vreemde verandering. Zij verloor haar zelfbeheersching en sloeg om zich als een gevangen vogel; haastig stond zij op, alsof zij ergens heen wilde gaan, toen wendde zij zich tot Betsy:

"Laats ons wegrijden! wegrijden!" riep zij uit.

Maar Betsy hoorde niet. Zij sprak juist met den adjudant-generaal.

Alexei Alexandrowitsch trad nu op Anna toe en bood haar hoffelijk den arm aan.

"Kom, als gij het wenscht," zeide hij in het Fransch. Maar zij luisterde naar hetgeen de generaal sprak en bemerkte haar man in het geheel niet.

"Men zegt, dat hij het been heeft gebroken," zeide de generaal. "Het is afschuwelijk."

Zonder haar man te antwoorden, hield Anna den tooneelkijker omhoog en zag naar de plaats, waar Wronsky gevallen was; maar het was te ver en er hadden zich te veel menschen verzameld om iets te kunnen onderscheiden. Zij liet den kijker dalen en wilde heengaan. Op dit oogenblik kwam een officier aan galoppeeren en meldde den keizer iets. Voorovergebogen luisterde Anna oplettend.

"Stiwa! Stiwa!" riep zij haar broeder toe. Maar deze hoorde niet. Nu wilde zij zelf naar beneden ijlen.

"Als ge heengaan wilt, bied ik je nogmaals mijn arm aan," zeide
Alexei Alexandrowitsch.

Zij wendde zich met afschuw van hem af en, zonder hem aan te zien, zeide zij: "Neen, neen! Laat mij—ik blijf!" Zij bemerkte nu, dat van den ongeluksplaats een officier door de menigte naar de tribune ijlde. Betsy wenkte hem met een doek. De officier bracht de tijding, dat Wronsky ongedeerd was gebleven, maar dat zijn paard den rug had gebroken.

Toen Anna dit hoorde, ging zij haastig weer zitten en bedekte het gelaat met den waaier. Karenin zag, dat zij weende. Zij kon noch haar tranen, noch zelfs een zucht, die uit haar borst oprees, weerhouden. Hij plaatste zich derhalve voor haar om haar tijd te laten eenigszins tot kalmte te komen.

"Voor de derde maal bied ik je mijn arm aan," zeide hij zich na een poos tot haar omkeerend. Anna staarde hem aan en wist niet, wat zij zou antwoorden. Maar vorstin Betsy kwam haar te hulp.

"Neen, Alexei Alexandrowitsch," mengde zij zich er tusschen, "ik ben met Anna hierheen gereden en heb beloofd haar ook weer terug te brengen."

"Vergeef mij, vorstin," antwoordde hij met een hoffelijk lachje en zag haar daarbij vast aan: "Ik zie, dat Anna niet geheel wel is en daarom wensch ik, dat zij met mij rijdt."

Anna zag verschrikt om zich, stond onderworpen op en legde haar hand op den arm van haar echtgenoot.

"Ik zal naar hem toe zenden, naar alles onderzoek doen en je alles laten weten," fluisterde Betsy haar toe.

Bij het heengaan sprak Karenin als gewoonlijk met ieder, dien hij ontmoette, en ook Anna moest op de gewone wijze hen te woord staan; zij was echter als een geheel andere en ging aan haar echtgenoots arm als in een droom daarheen. Zij namen zwijgend in de coupé plaats en reden zwijgend door de menigte. In weerwil van alles, wat hij gezien had, veroorloofde Karenin zich toch niet Anna's oogenblikkelijken gemoedstoestand in overweging te nemen. Voor hem bestond slechts haar uitwendige houding en gedrag. Hij had gezien, dat zij zich ongepast had aangesteld en achtte zich verplicht haar daarop opmerkzaam te maken. Het werd hem echter zeer zwaar, haar slechts dat en niet meer te zeggen. Hij opende den mond en sprak onwillekeurig iets geheel anders.

"Hoe zonderling, dat wij allen toch in zulke barbaarsche schouwspelen behagen kunnen vinden. Ik veracht…."

"Wat? Ik versta je niet," antwoordde Anna met minachting in haar toon.

Hij gevoelde zich beleedigd en begon nu dadelijk te spreken over datgene, waarover hij wilde spreken.

"Ik moet u zeggen," begon hij in het Fransch, "dat ge u heden niet zeer gepast hebt gedragen."

"In welk opzicht heb ik mij dan ongepast gedragen?" vroeg zij luid en zag hem recht in de oogen, maar niet meer met haar vroegere ironische opgewektheid, doch met een koene, vastberaden uitdrukking, die den angst moest verbergen, dien zij ondervond.

"Vergeet niet!" zeide hij en wees naar het geopend venster achter den koetsier. Hij stond op en haalde het venster omhoog.

"Welk een ongepastheid heb je dan gevonden?" herhaalde zij.

"De uitbarsting van vertwijfeling, die ge bij den val van een der ruiters niet kondt verbergen." Hij wachtte op een antwoord, een tegenstand. Maar zij zweeg en staarde voor zich uit.

"Ik heb u reeds eens verzocht, u in de wereld zoo te gedragen, dat kwade tongen u niets kunnen ten laste leggen. Er was een tijd, dat ik van zalige gewaarwordingen sprak; daarvan spreek ik nu niet. Ik spreek nu slechts van zuiver uiterlijke dingen. Ge hebt nu ongepast voorgedaan, en ik wensch, dat zich dat niet herhaalt."

Zij hoorde nauwelijks de helft zijner woorden. Zij vreesde hem en dacht daarbij, of Wronsky wel ongedeerd gebleven was of niet. Zij lachte slechts spottend, toen hij ophield, en antwoordde niets. Hij zag dit lachen en een zonderlinge verwarring beving hem; de vrees, die zij gevoelde, deelde zich in zekere mate aan hem mede.

"Zij lacht om zijn verdenking," dacht hij. "Zij zal mij hetzelfde zeggen als onlangs, dat er geen grond voor argwaan bestaat, en dat ik mij belachelijk maak."—Hoewel haar geheele schuld hem duidelijk voor oogen stond, wenschte hij nu toch niets zoozeer, als dat zij zich over hem vroolijk mocht maken, en hij was bereid haar in alles te gelooven, om maar niet datgene te moeten gelooven, waarvan hij wist, dat het waar was. Maar de uitdrukking van haar gelaat, verschrikt en somber, als zij was, liet nu niet eens meer aan een leugen gelooven.

"Wellicht verkeer ik in dwaling," zeide hij. "In dat geval vraag ik u mij te verontschuldigen."

"Neen, gij vergist u niet," antwoordde zij langzaam en zag hem wanhopig in zijn koud gelaat. "Gij vergist u niet. Ik was in vertwijfeling en kon niet anders zijn. Ik hoor u spreken en denk aan hem. Ik bemin hem en ben zijn geliefde! Ik kan niet langer veinzen. Ik verafschuw, ik haat u…. Doe met mij, wat gij wilt…!" En zij leunde in den hoek van het rijtuig achterover, en haar gelaat met de handen bedekkend, barstte zij in snikken uit.

Alexei Alexandrowitsch bewoog zich niet, niet eens nam de blik van zijn starre oogen een andere richting. Over zijn geheel gelaat had zich plotseling de plechtige rust eens dooden verbreid, en deze uitdrukking veranderde den geheelen duur van hun gemeenschappelijken rit niet meer.

Toen zij het landhuis naderden, keerde hij, nog steeds met dezelfde uitdrukking, haar het gelaat toe: "Maar ik verlang van u de handhaving van de uiterlijke welvoegelijkheid zoolang, tot…." zijn stem beefde,—"ik de noodige maatregelen om mijn eer te bewaren genomen zal hebben. Deze zal ik u mededeelen."

Hij stapte uit en was haar behulpzaam. In tegenwoordigheid der dienstboden drukte hij haar toen zwijgend de hand, stapte weer in de coupé en reed naar Petersburg terug.

Kort na zijn vertrek kwam een bediende van vorstin Betsy, die Anna een briefje bracht.

"Ik heb naar Wronsky gezonden en naar zijn gezondheid gevraagd. Hij schrijft, dat hij gezond en ongedeerd, maar wanhopig is."

"Derhalve hij komt." dacht Anna. "Wat is het goed, dat ik alles bekend heb." Zij zag op de pendule. "Er blijven nog drie uren over. Nu, Goddank, dat alles met hem is afgedaan!"

DERDE BOEK.

I.

In de kleine Duitsche badplaats, waar vorst Tscherbatzky zich met vrouw en dochter ophield, vormde zich dadelijk in overeenstemming met hun woning, hun naam en hun daar aanwezige kennissen een bepaalde gezelschapskring. In dezelfde Duitsche badplaats vertoefde dit jaar ook een echte Duitsche prinses, tengevolge waarvan het gezelschap zich nog vaster aaneensloot. Vorstin Tscherbatzky wenschte bepaald haar dochter aan die prinses voor te stellen en reeds den eerstvolgenden dag had zij deze ceremonie verricht. Kitty had zich diep en gracieus in haar "zeer eenvoudig," dat is zeer elegant, uit Parijs ontboden zomercostuum gebogen en de prinses had gezegd: "Ik hoop, dat spoedig de rozen op dit bevallig gezichtje zullen terugkeeren." Zoo had hier het dagelijksch leven der Tscherbatzky's een bepaalde richting verkregen, die het niet meer kon verlaten.

Zij werden ook bekend met de familie eener Engelsche lady, met een Duitsche gravin en haar in den laatsten oorlog gewonden zoon, met een Zweedsch geleerde en met monsieur Canut en diens zuster. Voornamelijk verkeerden zij echter met eene dame uit Moskou, Marie Eugenjewna Ritschew en haar dochter, die Kitty niet lijden mocht, omdat ze even als zij uit liefde ziek was geworden, alsmede met een Russischen overste, dien Kitty van kinds af slechts in epauletten en uniform gekend had, maar die haar hier met zijn kleine, grauwe oogen, open borst en bonten halsdoek buitengewoon komiek voorkwam en die haar, daar men niet van hem af kon komen, zeer verveelde.

Nadat alles zoo een bepaalde en vaste regelmaat had aangenomen, begon Kitty zich te vervelen, en nog meer, toen de oude vorst naar Karlsband vertrokken en zij alleen met haar moeder achter gebleven was. Nu werd het spoedig haar aangenaamste bezigheid omtrent de onbekende badgasten waarnemingen te doen en gissingen te maken.

Onder deze persoonlijkheden interresseerde haar vooral een jong
Russisch meisje, dat in gezelschap eener Russische dame, zekere madame
Stahl, zooals allen haar noemden, in de badplaats was gekomen.

Madame Stahl behoorde tot den besten kring, maar zij was zoo ongesteld, dat zij niet kon gaan, en slechts op bizonder schoone dagen verscheen zij in een rolstoel aan de bron. Vorstin Tscherbatzky zeide, dat niet ongesteldheid, maar trots mevrouw Stahl terughield van den omgang met haar Russische landgenooten. Het jonge meisje daarentegen ging niet slechts madame Stahl ter hand, maar was, zooals Kitty bemerkte, bevriend met alle aanwezige erge zieken, trok zich hun lot liefdevol aan en bewees hun gaarne kleine diensten. Volgens Kitty's waarneming was zij niet met madame Stahl verwant en bekleedde zij evenmin bij haar een dienstbare betrekking. Men noemde haar mademoiselle Warenka, terwijl madame Stahl haar kortweg Warenka noemde. Kitty gevoelde een stille sympathie voor dat meisje, en als zij haar blik ontmoette, meende zij te bespeuren, dat ook zij haar beviel.

Mademoiselle Warenka scheen de eerste jaren der jeugd reeds voorbij, maar men kon haar geen bepaalden ouderdom toekennen, en zij kon evengoed negentien als dertig zijn. Bij nadere beschouwing kon men haar, in weerwil van haar ziekelijke bleekheid, eer schoon dan leelijk noemen. Ook had zij een fraai figuur, behalve dat zij wat mager was, waardoor haar hoofd in evenredigheid van het tengere lichaam wat te groot scheen te zijn. Voor de heeren scheen zij weinig aantrekkelijks te hebben. Zij geleek een schoone bloem, die nog niet haar bladeren, maar reeds haar geur had verloren. Bovendien ontbrak het haar om de mannen te behagen te zeer aan datgeen, wat Kitty te veel had: aan den moeielijk beteugelden levenslust en het bewustzijn van eigen bekoorlijkheid. Zij was altijd bezig, hoewel met dingen, die volkomen van zelf spraken, zoodat men moest denken, dat zij in niets anders belang stelde. Hoe meer Kitty haar gadesloeg, des te meer scheen zij haar een zeldzaam voortreffelijke persoonlijkheid toe en des te sterker werd haar wensch haar te leeren kennen.

De jonge meisjes ontmoetten elkander dagelijks meer dan eens, en telkens vroegen Kitty's oogen: "Wie zijt gij? Wat zijt gij? Zijt gij waarlijk dat bekoorlijk wezen, dat ik mij voorstel? Maar denk niet," voegde haar blik er bij, "dat ik mij aan u wil opdringen. Ik bewonder u slechts en heb u lief." En de blik der onbekende antwoordde: "Ook ik heb u lief; gij zijt een zeer net, innemend meisje. En ik zou u nog meer liefhebben als ik maar tijd had." En inderdaad was zij, zooals Kitty zag, onophoudelijk bezig. Nu geleidde zij de kinderen eener Russische familie van de bron naar huis, dan bracht zij een plaid voor madame Stahl en wikkelde er haar in, straks beijverde zij zich om een prikkelbaren zieke te doen bedaren en te verstrooien of zocht voor dezen of genen koekjes bij de koffie uit.

Kitty drong haar mama haar met mademoiselle Warenka te laten kennis maken. De vorstin, ofschoon het haar onaangenaam was den eersten stap tot kennismaking met madame Stahl te doen, won toch informaties omtrent Warenka in, en daar zij in geen opzicht iets bedenkelijks vernam, naderde zij zelf het meisje om met haar bekend te worden. Zij had daartoe het oogenblik gekozen, dat Kitty naar de bron was gegaan en Warenka bij een bakker inkoopen deed.

"Veroorloof mij met u kennis te maken," zeide zij met haar vriendelijkst lachje. "Mijn dochter is geheel op u gecharmeerd. U kent mij misschien niet. Ik…."

"O, dat is volkomen wederkeerig," antwoordde Warenka snel.

"Ik hoor, dat u ook in Mentone geweest is met madame Stahl—uw tante? Ik ben met haar bellesoeur bekend geweest…."

"Neen, zij is mijn tante niet. Ik noem haar mama, maar ik ben in het geheel niet met haar verwant, ik ben maar door haar opgevoed," antwoordde Warenka licht blozend.

Zij sprak dit alles zoo eenvoudig, en de vrijmoedige en open uitdrukking van haar gelaat was zoo aantrekkelijk, dat de vorstin begreep, waarom Kitty met deze Warenka zoo was ingenomen geworden.

Op dit oogenblik kwam Kitty van de bron terug. Haar gelaat straalde van vreugde, toen zij haar moeder in gesprek zag met de onbekende.

"Nu, Kitty, uw lang gekoesterde wensch met mademoiselle…."

"Warenka," liet deze volgen.

"… bekend te worden, wordt vervuld," zeide de vorstin.

Kitty bloosde van blijdschap en drukte lang en zwijgend de hand harer nieuwe bekende, die ze onbewegelijk in de hare liet liggen en den druk niet beantwoordde. Maar, hoewel de hand niet antwoordde, straalde toch van Warenka's gelaat een stil, blijmoedig, ofschoon ietwat treurig lachje, dat haar groote, maar fraaie tanden deed zien.

"Ik heb het zelf al lang gewenscht," zeide zij.

"Maar gij hebt het altijd zoo druk…."

"Integendeel. Ik heb haast niets te doen…."

Maar schier te gelijk moest zij haar nieuwe kennis verlaten, want op dit oogenblik kwamen twee kleine meisjes naar haar toe loopen.

"Warenka, Warenka, mama zoekt u."

En Warenka moest met haar medegaan.

II.

De bizonderheden, die vorstin Tscherbatzky omtrent madame Stahl en Warenka, alsmede omtrent haar wederzijdsche verhouding vernomen had, waren ongeveer de volgende. Madame Stahl, van wie de een beweerde dat zij haar man, de ander daarentegen dat hij haar bij zijn leven door een onzedelijken levenswandel gekweld had, was immer een ziekelijke opgewonden tot dweperij overhellende vrouw geweest. Haar eerste kind, dat na de scheiding van haar man geboren werd, was terstond na de geboorte gestorven. De bloedverwanten van mevrouw Stahl, die haar prikkelbaarheid kenden en vreesden, dat de smart over het verlies van haar kind haar zou dooden, verruilden het met een in denzelfden nacht geboren kind van een kok, die in hetzelfde huis woonde. En dat kind was Warenka. Toen mevrouw Stahl nu later vernam, dat Warenka haar eigen dochter niet was, beschouwde zij haar toch als zoodanig, te meer daar Warenka's bloedverwanten kort daarna allen stierven.

Nu vertoefde madame Stahl reeds sedert tien jaren bestendig in het buitenland, zonder het bed weer te hebben kunnen verlaten. Sommigen zeiden, dat madame zich in de samenleving kunstmatig de positie eener eerzame, zeer godsdienstige vrouw had weten te verwerven, terwijl anderen beweerden, dat zij ook werkelijk die hoogzedelijke persoon was, die zij scheen en dat zij slechts het welzijn harer medemenschen beoogde. Niemand kon zeggen tot welke kerk zij behoorde, tot de Catholieke, de Protestantsche of de Grieksche; maar het was zonder twijfel, dat zij met de aanzienlijkste hoofden en geestelijken van alle belijdenissen in vriendschappelijke betrekking stond. Warenka had steeds met haar in het buitenland gewoond, en allen, die madame Stahl kenden, kenden en beminden ook mademoiselle Warenka.

Nadat de vorstin dit alles was te weten gekomen, vond zij in de kennismaking harer dochter met Warenka niets bedenkelijks, te meer daar deze de beste opvoeding had ontvangen; zij sprak uitmuntend Fransch en Engelsch, en wat de hoofdzaak was, zij had de vorstin van mevrouw Stahl een compliment overgebracht, met de betuiging, dat deze het betreurde door haar ziekelijkheid verhinderd te zijn met de vorstin nader bekend te worden. Kitty werd met elken dag meer met haar vriendin ingenomen en ontdekte in haar steeds meer deugden.

Toen de vorstin vernam, dat Warenka een fraaie stem had, drong zij haar op een avond haar te bezoeken en iets voor haar te zingen. Warenka kwam en bracht een muziekblad mede. De vorstin had ook den overste en Marie Eugenjewna met haar dochter uitgenoodigd. Het scheen Warenka weinig te hinderen, dat zij hier bijna alleen onbekenden aantrof; zij ging terstond naar de piano. Zij kon zich zelf niet accompagneeren, maar zij zong zeer goed van het blad. Kitty, die zeer goed speelde, moest haar begeleiden.

"Gij hebt een buitengewoon talent," zeide de vorstin, toen Warenka het eerste lied zeer goed had gezongen. Ook Maria Eugenjewna en haar dochter dankten en prezen haar.

"Zie eens," zeide de overste en wees naar het venster, "welk een publiek zich daar heeft verzameld."

"Het doet me pleizier, dat het u genoegen geeft," antwoordde Warenka eenvoudig.

Kitty zag haar vriendin met trotschheid aan. Zij was verrukt over haar voordracht, haar stem, haar gelaat, maar vooral over haar eenvoudige nederigheid, waardoor zij zich niets liet voorstaan op haar gave en volkomen onverschillig scheen voor den toegedeelden lof. Zij scheen slechts te vragen, of zij nog meer zou zingen, of dat het reeds genoeg was.

"Was ik in haar plaats," dacht Kitty, "hoe trotsch zou ik er op zijn, hoe zou ik me over de menigte daar voor de vensters hebben verheugd! En zij wenschte slechts, niet te mishagen en mama genoegen te doen. Welk een geest woont er in haar? Wat geeft haar deze kracht om steeds zoo vrij en rustig te zijn? Dat wilde ik wel eens weten en van haar leeren," dacht Kitty, terwijl zij Warenka's kalm gelaat beschouwde.

De vorstin verzocht Warenka nog iets te zingen, en Warenka hief een ander lied aan; zij deed dit even kalm, juist en schoon, terwijl zij in rechte houding met de magere, ietwat bruine hand de maat aangaf.

Het stuk, dat in het muziekboek volgde, was een Italiaansch lied. Kitty speelde de inleiding en zag toen vragend Warenka aan. Deze bloosde en zeide: "Dit willen we overslaan."

Kitty zag haar verwonderd aan. "Nu dan een ander," zeide zij en sloeg haastig de bladen om. Zij had dadelijk begrepen, dat aan dit lied een bizondere herinnering was verbonden.

"Neen," antwoordde Warenka en legde lachend haar hand op de noten, "laten wij het maar zingen." En zij zong het even rustig vast en goed als de andere.

Toen zij dit lied had gezongen, dankten allen haar nogmaals en toen werd er thee gedronken. Kitty en Warenka echter gingen naar den kleinen tuin bij het huis.

"Aan dit lied is zeker een herinnering verbonden?" vroeg Kitty. "Gij behoeft mij niets te zeggen," haastte zij zich er bij te voegen, "maar zeg mij slechts, of ik juist heb gegist."

"Neen, waarom zou ik het je niet vertellen?" antwoordde Warenka: "Ja, er is een herinnering aan verbonden en die was eenmaal treurig. Ik beminde iemand en heb het dikwijls voor hem gezongen."

Kitty zag haar zwijgend en ontroerd, met groote oogen aan.

"Ik beminde hem en hij mij, maar zijn moeder was er tegen en hij trouwde een ander. Hij woont thans niet ver van ons en ik zie hem somtijds. Gij hadt wel niet gedacht, dat ik ook een roman heb gehad?" vroeg zij, en nauwelijks zichtbaar ontglom in haar schoon gezichtje dat vuur, dat, zooals Kitty besefte, haar vroeger eenmaal geheel moest doorgloeid hebben.

"Waarom zou ik dat niet gedacht hebben? Als ik een man was, zou ik, als ik u eens had leeren kennen, niemand meer kunnen beminnen. Ik begrijp maar niet, hoe hij u om zijn moeder heeft kunnen verlaten en ongelukkig maken. Hij heeft geen hart gehad."

"O, zeg dat niet! Hij is een goed mensch en ik ben niet ongelukkig, in tegendeel, ik ben zeer gelukkig. Maar vandaag willen we niet meer zingen," voegde zij er bij en wendde zich naar het huis toe.

"Hoe goed zijt gij, hoe goed!" riep Kitty uit, hield haar terug en kuste haar. "Als ik toch een beetje op u kon gelijken!"

"Waarom moet gij op iemand gelijken? Zóó als gij zijt, met uw zacht en weemoedig lachje, zijt gij beminnelijk," antwoordde Warenka.

"Neen, ik ben nergens goed voor. Nu, ik smeek u, zeg mij … Wacht, laat ons gaan zitten," zeide Kitty en zette zich op een bank neder; "zeg mij, vindt ge niets beleedigends in de gedachte, dat een man uw liefde versmaad heeft, dat hij met …"

"Hij heeft ze in het geheel niet versmaad; ik ben overtuigd, dat hij mij heeft bemind, maar hij was een gehoorzame zoon…."

"Als hij nu evenwel niet uit gehoorzaamheid aan zijn moeder, maar uit eigen aandrift …" zeide Kitty en besefte te gelijk, dat zij haar geheim had verraden, ten minste, dat haar schaamrood gelaat haar nu verried.

"Dan zeker had hij slecht gehandeld en ik zou in 't geheel niets meer voor hem gevoeld hebben," antwoordde Warenka, die begreep, dat er nu geen sprake meer was van haar, maar van Kitty.

"Maar de beleediging," bracht Kitty in, "de beleediging kan men niet vergeten." De herinnering aan het laatste bal, aan de pauze voor den cotillon kwam haar weer voor oogen.

"Welke beleediging? Gij hebt toch niet slecht gehandeld?"

"O, erger dan slecht,—beschamend."

"Wat noemt gij beschamend?" vroeg zij. "Gij hebt toch niet een man, dien gij onverschillig waart, beleden, dat ge hem bemindet!"

"Zeker niet. Ik heb geen woord daarvan gezegd, maar hij wist het toch. Neen, neen, er zijn blikken … er bestaat zulk een manier…. En als ik honderd jaren leef, zal ik dat niet vergeten…."

"Hoe zit dat dan in elkander? Ik begrijp dat niet. De hoofdzaak is, of gij hem nog bemint of niet," zeide Warenka, alles rechtuit bij zijn naam noemende.

"Ik haat hem en zal het mij zelf niet vergeven…."

"Wat?"

"Den smaad, de beleediging."

"Ach, als allen eens zoo overgevoelig waren als gij!" zeide Warenka. "Er is bijna geen meisje, dat zoo iets niet ondervonden heeft. En dat alles is van zoo weinig gewicht."

"Wat is dan gewichtig?" vroeg Kitty en zag haar met nieuwsgierige verwondering aan.

"Ach, er is zooveel meer gewichtigs," antwoordde Warenka lachend.

"Ach, zeer veel," hernam Warenka, die niet wist wat zij zeggen zoude.

Op dit oogenblik deed zich uit het venster de stem der gravin hooren:
"Kitty, het is koel! Sla een doek om of kom in huis."

"Dat is waar. Het is tijd," zeide Warenka en stond op: "Ik moet ook madame Berthe nog bezoeken. Zij hoeft mij dit verzocht."

Kitty hield haar hand vast en met een blik van hartstochtelijk smeeken en van nieuwsgierigheid vroeg zij: "Wat is het gewichtige, dat ons rust geeft? Gij weet het, zeg het mij!"

Maar Warenka begreep de vraag in Kitty's blik niet. Zij was zich slechts bewust, dat zij nog naar madame Berthe gaan en om twaalf uur bij haar moeder voor de thee zijn moest. Zij keerde derhalve naar de kamer terug, legde haar muziekbladen bijeen en wilde gaan.

"Mag ik u begeleiden?" vroeg de overste.

"Ja, want ge kunt in het donker toch niet alleen gaan," voegde de vorstin er bij: "Of zal ik je de meid medegeven?"

Kitty zag, dat Warenka nauwelijks een lach kon weerhouden, omdat iemand haar zou begeleiden.

"Neen, ik dank u; ik ga altijd alleen, en nimmer overkomt mij iets," antwoordde zij, terwijl zij haar hoed opzette. Toen kuste zij Kitty nog eens, en zonder haar gezegd te hebben wat het gewichtigste is, verdween zij met haar muziek onder den arm in de schemering van den zomeravond.