WeRead Powered by ReaderPub
Anna Karenina cover

Anna Karenina

Chapter 53: IV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel interweaves two principal narratives: one traces a married woman's passionate affair and the social, familial, and moral consequences that follow; the other follows a thoughtful man as he seeks purpose, wrestles with questions of work, faith, and the rhythms of rural life. Through detailed scenes of domestic routine and society, the book examines marriage, fidelity, isolation, public reputation versus inner life, and the search for meaning, contrasting urban social pressures with personal conscience and the restorative presence of the natural world.

III.

Kitty werd tengevolge van haar kennismaking ook met madame Stahl nader bekend en deze verhouding zoowel als Warenka's vriendschap oefende een heilzamen invloed op haar uit.

Kitty gevoelde zich ongelukkig, zij zocht troost en vond dien nergens. Nu kwam die troost van zelf tot haar, doordat zich voor haar een geheel nieuwe wereld opende, die niets met baar verleden gemeen had; een schoone, verheven wereld, van welker hoogte af men kalm op het verleden kon terugzien. Datgene "wat gewichtig is" werd haar openbaar; het was datgene, wat zij vermoed had; het gewichtigste was, dat er buiten het instinctive leven, waaraan Kitty zich tot hiertoe uitsluitend had overgegeven, nog een ander, geestelijk, voor Kitty begrijpelijk leven bestond. Dit leven ontsloot de godsdienst, maar een godsdienst, die weinig met den aan Kitty van jongs af bekenden gemeen had en die zich voor Kitty opende door de huiselijke godsdienstoefeningen der weduwe, waarbij zich de nader met haar bevrienden plachten te vereenigen om onder de leiding eens leeraars bijbelplaatsen te verklaren en het toepasselijke daarvan aan te wijzen; dat was een begrijpelijke, met het leven verbonden en van leven doordrongen godsdienst, waaraan men niet slechts geloofde, omdat het gevorderd werd, maar dien men ook kon liefhebben.

Madame Stahl sprak met Kitty als met een lief kind, dat men als de herinnering aan zijn eigen jeugd bewondert. Slechts eenmaal had zij er van gewaagd, dat in alle menschelijke kwellingen slechts het geloof en de liefde troost aanbrengen en dat wij ons van Christus medelijden met ons kleinst en nietigst leed verzekerd kunnen houden; toen had zij terstond het gesprek op een ander onderwerp geleid. Maar uit elke harer bewegingen, uit elk harer woorden, uit ieder harer, zooals Kitty het noemde, "hemelsche" blikken, bovenal echter uit de geschiedenis van haar leven, die zij door Warenka had leeren kennen, uit dat alles vernam Kitty "wat gewichtig was," hetwelk zij tot hiertoe nog niet gekend had. Kitty zag in madame Stahl den Christelijken ootmoed en de zielegrootheid verpersoonlijkt. Maar hoe verheven ook haar karakter was, hoe roerend haar levensgeschiedenis, hoe zacht en treffend haar woorden waren en hoezeer ze Kitty ook in geestdrift brachten, deze zou haar toch niet van harte hebben kunnen lief krijgen, als zij haar niet al dien tijd met Warenka's oogen had aangezien. En voor Warenka was haar mama het toppunt van volkomenheid. Kitty had onwillekeurig in madame Stahl eenige trekken opgemerkt, die haar bevreemden. Zij had, toen deze eens naar haar familie vroeg, een bijna spotachtigen glimlach op haar gelaat bespeurd, die haar verwonderde en krenkte. Nog meer echter was zij ontevreden, toen zij eens bij gelegenheid van een bezoek bij madame Stahl een Catholieken priester aantrof en madame den geheelen tijd haar gelaat in de schaduw van de lampekap trachtte verborgen te houden. Van hoe weinig beteekenis deze kleine opmerkingen ook waren, hadden zij Kitty toch in verwarring gebracht. Daarentegen was Warenka in haar eenzaamheid, zonder vrienden en bloedverwanten, terwijl zij na eene treurige teleurstelling in de liefde toch niets wenschte, zich over niets beklaagde en zich slechts aan haar plichten wijdde,—voor haar een schier volmaakt wezen, waarmede zij dweepte. In Warenka had zij het gezien, dat men slechts zich zelf vergeten en als anderen denken moet om kalm, goed en gelukkig te worden—en dat was Kitty's doel. Nadat Kitty nu duidelijk begrepen had, wat gewichtig was, vergenoegde zij zich er niet mede zich daarover te verheugen, maar zij wijdde zich werkelijk aan dit voor haar nieuw geopend leven. Na Warenka's mededeelingen over madame Stahls doen en laten, vormde zij zich een bepaald levensplan. Waar zij ook mocht wonen, wilde zij even als een nicht van mevrouw Stahl, van wie Warenka haar verhaald had, overal de ongelukkigen opzoeken en helpen, waar zij vermocht; zij wilde goede geschriften uitdeelen, de misdadigen en gevangenen uit den bijbel voorlezen. Vooral het laatste was voor haar een aanlokkelijke gedachte. Maar dit was een geheim, waarvan zij noch met haar moeder noch met Warenka spreken wilde. Zij was overtuigd, dat het goed en schoon was, dat men het doen moest, en toch zeide een inwendige stem haar, dat zij niet in staat was het te doen.

De vorstin bemerkte, dat Kitty zich geheel onder den invloed en op sleeptouw van mevrouw Stahl en nog meer van Warenka bevond. Niet alleen dat zij de laatste in geheel haar bedrijvig streven en doen navolgde, maar zij copiëerde haar onwillekeurig ook in haar manieren, zooals zij ging, sprak en met de oogen pinkte. Maar spoedig bemerkte zij ook, dat in Kitty's innerlijk leven een geheele omkeering had plaats gehad. Zij ontdekte, dat zij nu 's avonds steeds in een Fransch evangelie las, dat madame Stahl haar geschonken had, hetgeen zij vroeger niet had gedaan; dat zij haar gewone kennissen vermeed en met de zieken verkeerde, die onder Warenka's bescherming stonden en voornamelijk met de familie van een armen Russischen schilder. Zij was er blijkbaar trotsch op, in deze familie de plichten eener liefdezuster te vervullen. Dit alles was nu recht mooi en de vorstin had er ook niets tegen in te brengen, te minder daar de vrouw des schilders een zeer fatsoenlijke persoon was en ook de Duitsche prinses Kitty's werkzaamheid met welgevallen opgemerkt en Kitty den "engel der vertroosting" genoemd had; maar zij vreesde, dat Kitty het te ver zou drijven. "Il ne faut jamais rien outrer," had zij haar derhalve gezegd. Maar de dochter antwoordde niets en dacht slechts in haar hart, dat men op godsdienstig gebied van geen overdrijving kon spreken; want hoe kon van overdrijving sprake zijn tegenover een gebod, dat beveelt: als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem ook de linker toe, en als iemand u den rok ontneemt, laat hem ook den mantel?

IV.

Nog voor het sluiten van het badseisoen keerde vorst Tscherbatzky bij de zijnen terug. Van Karlsbad was hij nog naar Baden-Baden en Kissingen getrokken om daar eenige kennissen te begroeten, en weer, zooals hij zeide, volop Russischen geest in te ademen. De beschouwingen van den ouden vorst en van de vorstin omtrent het leven in het buitenland stonden geheel tegenover elkander. De vorstin prees en bewonderde alles en trachtte, in weerwil dat zij in het Russische leven was geworteld, in het buitenland op een West-Europeesche dame te gelijken, wat zij toch niet was. Zij was een Russische barina, en derhalve moest zij zich eenigszins geweld aandoen, wat haar dikwijls lastig viel. De vorst daarentegen vond alles in het buitenland afschuwelijk, hem was het Europeesche leven een gruwel; hij behield zijn Russische gewoonten en trachtte in het buitenland nog minder Europeesch te schijnen, dan hij in werkelijkheid was.

Hij kwam mager, met hangende wangen, maar in de beste luim terug. Deze verbeterde nog meer, toen hij zag, dat Kitty weer geheel hersteld was. Evenwel werd hij eenigszins verontrust door het bericht van Kitty's vriendschap met Warenka en madame Stahl en door de mededeeling der gravin over de omkeering, die in des meisjes gemoed had plaats gehad; dit wekte in zijn binnenste weer dat gevoel van ijverzucht op alles, wat zijn dochter buiten hem belang inboezemde; er beving hem eenige vrees, dat zijn dochter naar hooger sferen kon ontvlieden, waar zijn invloed haar niet meer kon bereiken. Maar deze bekommering versmolt in de zee van goedigheid en vroolijke luim, die steeds zijn hart vervulde en die nu door het Karlsbader water nog was vergroot.

Daags na zijn aankomst ging de vorst in zijn langen jas en met zijn Russische rimpels en hangende wangen, die door den stijven halsboord werden gesteund, met Kitty naar de bron. Het was een bizonder schoone morgen; de bevallige, vroolijke huizen met tuintjes er voor, de aanblik der dienstmeiden met roode wangen en roode armen, die vroolijk haar werk verrichtten, en de heldere zonneschijn stemden hem blijmoedig. Maar hoe meer hij de bron naderde, des te talrijker werden de zieken, die hij tegenkwam; hun voorkomen scheen hem nog beklagenswaardiger toe in deze omgeving. De glans en het licht van dezen Junimorgen, de tonen van het orkest en vooral de aanblik der gezonde dienstmeiden waren voor hem een droevig contrast met de uit alle hoeken van Europa hier saamgekomen en zich treurig voortsleepende lichamen. In weerwil van zijn zelfbewustzijn en een gevoel alsof hij weer jong was geworden, was het hem toch, toen hij aan den arm van zijn geliefd kind daarheen stapte, als moest hij zich geneeren om zijn krachtigen gang en sterke leden.

"Breng mij met uw nieuwe vrienden in kennis," zeide hij tot zijn dochter. "Ik heb dit afschuwelijk Soden bijna lief gekregen, omdat het u de gezondheid heeft weergegeven. Maar hoe treurig, hoe treurig is het hier? Wie is dat?"

Kitty noemde hem alle met haar bekende en onbekende personen, die zij ontmoetten. Aan den ingang van den tuin kwam de blinde mevrouw Berthe met haar geleidster hun tegen, en de vorst verheugde zich over de uitdrukking van teedere ontroering op het gelaat der oude Française, toen deze Kitty's stem herkende. Zij begon hem dadelijk met haar oneindige Gallische beminnenswaardigheid te overstroomen en hem te loven, dat hij zulk een prachtige dochter had, die zij een schat, een parel, een engel noemde.

"Nu, dan is zij de engel nummer twee," zeide de vorst lachend, "want volgens haar eigen verklaring is mademoiselle Warenka de engel nummer één."

In de galerij troffen zij Warenka aan, die hen met een rood taschje in de hand haastig te gemoet kwam.

"Papa is gekomen," zeide Kitty.

Warenka maakte een natuurlijke en eenvoudige beweging, half buiging half groet, en begon dadelijk vrij en eenvoudig, zooals zij met allen deed, met den vorst te spreken.

"O zeker ken ik u al, ik ken u zeer goed," zeide hij tot haar met een lachje, waaraan Kitty met blijdschap bemerkte, dat haar vriendin een goeden indruk op hem gemaakt had. "Waar gaat dat nu zoo haastig heen?"

"Mama is hier," antwoordde zij tot Kitty gekeerd; "zij heeft den geheelen nacht niet geslapen, en de dokter heeft haar aangeraden een rit te doen. Ik breng haar nu haar handwerkje."

"Dus dat is de engel nummer één," zeide de vorst, toen
Warenka zich verwijderde.

Kitty bemerkte, dat hij met Warenka een weinig den spot wilde drijven, maar dat hem dat niet recht gelukken wilde, omdat zij hem goed bevallen was.

"Nu zal ik al uw vriennen wel leeren kennen," voegde hij er bij; "ook uw madame Stahl, als zij zich vernederen wil zich mijner te herinneren."

"U heeft haar dus gekend, papa?" vroeg Kitty met een zekeren angst, daar zij bij het noemen van madame Stahl in haar vaders oogen iets spotachtigs zag opflikkeren.

"Ik heb haar man en ook haar oppervlakkig gekend, voor zij zich onder de piëtisten had begeven."

"Piëtisten, wat zijn dat, papa?" vroeg Kitty, zeer verschrikt, wijl datgene, wat zij in mevrouw Stahl vereerde, een naam had.

"Dat weet ik zelf niet zoo precies. Ik weet slechts, dat zij God voor alles dankt, voor ieder ongeluk, en ook daarvoor, dat haar man is gestorven. Nu, dit kon belachelijk schijnen, want zij hebben slecht genoeg met elkander geleefd."

"Daar is zij," zeide Kitty en wees op een rolwagen, waarin, van alle zijden door kussens ondersteund, iets van grauwblauwe kleur onder een zonnescherm lag. Dat was mevrouw Stahl. Achter haar stond een sombere Duitsche arbeider, die den wagen schoof; naast haar een blonde Zweedsche graaf, dien Kitty slechts bij naam kende. Eenige zieken bleven aarzelend bij het ziekenwagentje staan en staarden de daarin gezeten dame als een wonder aan.

De vorst naderde met Kitty en deze zag dadelijk weer in zijn oogen die spottende uitdrukking. Hij trad op madame Stahl toe en sprak haar recht hoffelijk en vriendelijk in dat uitgezochte Fransch aan, dat tegenwoordig nog slechts zoo weinigen in staat zijn te spreken.

"Ik weet niet, of u zich mijner nog zal herinneren, maar ik moet mij u weer in het geheugen terug roepen om u te danken voor de aan mijn dochter bewezen goedheid," zoo sprak hij, terwijl hij zijn hoed afnam en niet weer opzette.

"Vorst Alexander Tscherbatzky," antwoordde mevrouw Stahl, terwijl zij haar hemelsche oogen tot hem ophief, waarin Kitty nu een zekere ontevredenheid meende te bespeuren: "ik verheug mij u te zien. Ik heb uw dochter zeer lief gekregen."

"En met uw toestand gaat het nog steeds niet beter."

"Ik heb mij daaraan reeds gewend," antwoordde madame Stahl en maakte den vorst met den Zweedschen graaf bekend.

"U is anders weinig veranderd," zeide de vorst. "Het moet tien of elf jaar geleden zijn, dat ik het laatst de eer had u te zien."

"Ja, als God een kruis oplegt, geeft hij ook de kracht om het te dragen. Men vraagt zich zelf wel eens, waarom het leven zoo lang is…. De andere zijde!" voegde zij er tot Warenka gekeerd bij, die bezig was haar voeten in een plaid te wikkelen.

"Wel, om goed te doen!" antwoordde de vorst met de oogen lachend.

"Wij mogen ons geen oordeel daarover aanmatigen," meende madame Stahl, die de verdachte uitdrukking in zijn oogen bespeurd had. "Derhalve, u zal me dat boek toezenden, lieve graaf? Ik zal u daarvoor zeer dankbaar zijn," sprak zij tot den jongen Zweed gekeerd.

"Ah!" riep de vorst uit, daar hij in de nabijheid den Moskouer overste zag. Hij boog zich voor mevrouw Stahl en ging met zijn dochter en de overste, die zich bij hen aansloot, verder.

"Dat is onze aristocratie, vorst," zeide de Moskouer overste, die zich sarcastisch wilde uitdrukken, daar hij het madame Stahl zeer kwalijk had genomen, dat zij met hem niet bekend was geworden.

"Zij is altijd dezelfde," antwoordde de vorst.

"U heeft haar nog voor haar ziekte gekend, vorst? Men zegt, dat zij in tien jaren niet heeft geloopen."

"Zij loopt niet, omdat zij een kort been heeft…."

"Papa, dat is niet mogelijk!" meende Kitty.

"Booze tongen beweren het, lieveling. Uw Warenka heeft ook een pleizierige taak," voegde hij er bij. "O, die zieke dames!"

"Ach neen, papa," wederlegde Kitty, "Warenka vergoodt haar. En dan doet zij ook zooveel goeds. Vraag, wie u wil. Allen kennen haar!" "'t Is mogelijk, 't is mogelijk!" antwoordde hij en drukte haar arm tegen zich aan. "Maar beter is het nog, dat men het zoo doet, dat, wie men ook vragen mag, niemand het weet."

Kitty zweeg, niet omdat zij niets wist te antwoorden, maar omdat zij haar geheimste gedachten niet aan haar vader wilde verraden. Maar zonderling! Ofschoon zij zich voorgenomen had, niet in het oordeel haars vaders te deelen en hem niet in haar heiligdom te laten indringen, besefte zij toch, dat het hemelsch beeld van mevrouw Stahl, dat zij een geheele maand lang in haar hart had gedragen, spoorloos verdween. Er bleef slechts een vrouw met een kort been over, die niet loopt om haar mankheid te verbergen, en die Warenka kwelt, omdat ze niet geheel naar haar wensch den plaid had terecht gestoken. Met alle inspanning harer verbeelding vermocht zij niet, zich de vroegere madame Stahl voor te stellen.

V.

Des vorsten goede luim was voor al zijn huisgenooten, zijn kennissen en ook voor den Duitschen hotelhouder aanstekelijk. Toen zij van de bron waren teruggekeerd en Marie Eugenjewna den overste en Warenka uitgenoodigd had zich bij haar te voegen, liet de vorst een tafel en stoelen onder den kastanjeboom in den tuin brengen en daar het ontbijt gereed zetten. De waard en zijn dienstpersoneel leefden op onder den indruk zijner vroolijkheid. Zij kenden zijn edelmoedigheid, en een half uur later zag de zieke Hamburger dokter, die boven woonde, uit zijn venster met afgunst op dat gezelschap vroolijke, gezonde Russische menschen onder den kastanjeboom neder. Onder de spelende schaduw van den boom zat de vorstin aan een met een wit servet bedekte tafel, die met koffieservies, brood, boter, kaas en koud gebraad was beladen. Haar coiffure was versierd met lila lint; zij gaf de kopjes rond en presenteerde het brood. Tegenover haar aan het andere eind zat de vorst, duchtig smullend, terwijl hij luid en levendig iets vertelde. Hij had al zijn inkoopen van de reis naast zich gelegd; gesneden kastjes, vouwbeenen van allerlei soort en andere kleinigheden, waarvan hij een menigte had aangekocht. Ieder gaf hij wat, ook Liesje, de dienstmeid en den hotelhouder, met wien hij in slecht Duitsch schertste, terwijl hij hun verzekerde, dat niet de baden, maar de voortreffelijke gerechten, vooral de pruimensoep Kitty gezond hadden gemaakt. De vorstin bespotte haar echtgenoot om zijn Russische eigenaardigheden, maar zij was toch zoo opgewekt en vroolijk als zij sedert haar verblijf in de badplaats nog niet geweest was. De overste lachte als altijd bij het schertsen van den vorst, maar, wat de Europeesche zeden betrof, die hij meende grondig bestudeerd te hebben, helde hij geheel naar de beschouwing der gravin over. De goedige Marie Eugenjewna stikte bijna van lachen om des vorsten grappen, en Warenka werd, wat Kitty nog niet bij haar bemerkt had, telkens door een zenuwachtig, aanstekend lachen, dat de potsen van den vorst bij haar verwekte, geheel geschokt.

Dit alles wond ook Kitty wel op, maar zij kon toch niet geheel onbekommerd zijn. Zij kon het raadsel, dat haar vaders ironische beschouwingen van haar vrienden en van het leven, dat zij had lief gekregen, voor haar deed ontstaan, niet dadelijk oplossen. Allen waren vroolijk, slechts Kitty niet, en dat kwelde haar.

"Waarvoor heb je dat alles toch gekocht?" vroeg de vorstin haar man lachende en reikte hem een kop koffie toe.

"Nu, als men zoo ronddrentelt en toevallig in de nabijheid van een winkel komt, dan wordt men aangeroepen om iets te koopen.

"Doorluchtigheid! Excellentie! Doorluchtigheid!" Nu, als zij Doorluchtigheid zeggen, dan kan men toch niet anders: tien thaler zijn weg eer men 't weet."

"Dat komt slechts door de verveling," meende de vorstin.

"Zeker, de verveling! Zulk een verveling, moedertje, dat men niet meer weet, wat men doen zal."

"Hoe kan men zich hier nog vervelen, vorst?" vroeg Maria Eugenjewna. Er is toch zooveel belangwekkends in Duitschland."

"Ja, al dat belangwekkende ken ik al. Ik ken de pruimensoep, de erwtenworst ken ik, alles ken ik."

"Neen, zeg, wat je wilt; maar de Duitsche inrichtingen zijn interressant," zeide de overste.

"Wat is er interressants? Allen zijn tevreden als de koperen groschen. Zij hebben allen wat zij wenschen. Moet ik daarom tevreden zijn? Ik heb niet wat ik wensch en ik weet slechts, dat ik zelf mijn laarzen uittrekken en ze zelf achter de deur zetten moet. 's Morgens staat men vroeg op, kleedt zich dadelijk aan, gaat naar de zitkamer en krijgt wat slechte thee te drinken. Dan is het toch te huis geheel anders. Men wordt wakker op zijn gemak en men heeft geen haast: men ergert zich over een of ander, men bromt een beetje, bezint zich dan eerst ordentelijk, overlegt alles rijpelijk en men overijlt zich niet!"

"Tijd is geld! Dat vergeet u," zeide de overste.

"Welke tijd? Er zijn tijden, waarvan men een geheele maand voor een halven roebel zou geven, en er zijn zulke, waarvan een half uur met geen geld te betalen is. Is dat niet zoo, Kathinka? Waarom zie jij er uit, alsof je de verveling beet heeft?"

"Ik? Volstrekt niet, papa."

"Ik moet naar huis," zeide Warenka en stond op. Zij nam afscheid en ging in huis om haar hoed te halen.

Kitty volgde haar. Zelfs Warenka kwam haar nu anders voor. Zij was geen slechtere, maar een andere, dan zij zich tot hiertoe had voorgesteld. Met de aankomst haars vaders had zich de geheele wereld, waarin zij tot hiertoe geleefd had veranderd. Zij kon haar eigen ervaringen niet verloochenen, maar zij besefte, dat zij zich in zich zelf had bedrogen, toen zij meende datgene te kunnen zijn en worden, wat zij wilde. Zij kwam tot het besef, hoe zwaar het was, zich zonder geveinsdheid en pronkerij op de hoogte te handhaven, waartoe zij getracht had zich te verheffen; het kwam haar nu voor, dat deze wereld van kommer, van zieken en stervenden, waarin zij hier geleefd had, beangstigend en nederdrukkend was; en de inspanning, die zij had aangewend om die wereld lief te hebben, kwam haar nu kwellend en pijnlijk voor; zij verlangde van hier weg te komen, op reis te zijn, snel voorwaarts in de frissche lucht, terug naar Rusland, naar Klekotok, waarheen ook Dolly met haar kinderen, zooals zij uit haar brieven wist, was verhuisd.

Slechts haar liefde voor Warenka was niet verzwakt geworden. Toen zij van elkander afscheid namen, drong Kitty haar, haar in Rusland te bezoeken.

"Ik zal komen, als je getrouwd zijt." zeide Warenka.

"Ik zal nooit trouwen."

"Nu, dan kom ik ook nooit."

"Nu goed, dan zal ik trouwen, alleen opdat gij komt," antwoordde Kitty.

De voorspelling van den dokter was vervuld; Kitty keerde geheel genezen terug. Zij was niet meer zoo zorgeloos en vroolijk als te voren, maar zij was kalm en rustig. De Moskousche kommer en smart was voor haar een bloote herinnering geworden.

VI.

Stipan Arkadiewitsch Oblonsky was naar Petersburg afgereisd en vertoefde daar nu om de plichten te vervuilen, die voor alle staatsbeambten van zelf spreken, maar voor anderen onbegrijpelijk zijn, en zonder welker vervulling het onmogelijk is ambtenaar te wezen, namelijk zich bij het ministerie in herinnering te houden. Terwijl hij tot vervulling van dezen plicht, waarvoor hij al het geld uit het huis had medegenomen, zijn tijd lustig bij de wedrennen en in do zomercafé's doorbracht, verhuisde Dolly met de kinderen naar hun landgoed om de uitgaven zooveel mogelijk te beperken. Hun landgoed Klekotok, dat zij als huwelijksgift had medegekregen, hetzelfde welks houtgewas in het voorjaar was verkocht, lag ongeveer vijftig werst van Lewins Pokrowskaja verwijderd.

Het groote heerenhuis van Klekotok was reeds jaren geleden afgebrand en de oude graat had daarvoor het bij de boerderij behoorend gebouw laten vergrooten en tot woonhuis inrichten. Voor twintig jaren had het Dolly doelmatig en ruim toegeschenen, maar nu was het oud en vervallen. Toen Stipan in het voorjaar daarheen was gegaan om het bosch te verkoopen, had Dolly hem gedrongen het huis eens op te nemen en de noodige herstellingen te laten doen. Hij was, zooals alle schuldige mannen, gaarne bereid zijn vrouw alle gemakken te verschaffen en had het huis onderzocht en maatregelen voor alle naar zijn oordeel noodige verbeteringen genomen. Volgens zijn meening was het noodig geweest nieuwe meubels te laten komen, gordijnen op te hangen, den tuin te laten in orde brengen, een kleine brug over den vijver te bouwen en bloemen te planten. Maar andere, zeer noodige dingen, welker gemis later Dolly soms wanhopig maakte, had hij voorbij gezien. Hoezeer Stipan zich moeite gaf een zorgzaam vader en echtgenoot te zijn, kon hij zich toch ook gedurig weer niet herinneren, dat hij vrouw en kinderen had. Hij had de eigenschappen van een jonkman en deze regelden zijn doen en laten. Bij zijn terugkomst te Moskou had hij zijn vrouw met trots verzekerd, dat alles voor haar ontvangst gereed was, dat het huis op een pronkkastje zou gelijken en hij zelf kon haar nu aanraden naar buiten te verhuizen. Het vertrek zijner vrouw was hem in alle opzichten aangenaam. Het leven op het land zou voor de kinderen gezonder en ook veel goedkooper zijn, en hij zelf—vrijer. Darja Alexandrowna van haar zijde achtte ook het verblijf op het land voor de kinderen noodig, vooral voor het meisje, dat na het roodvonk nog steeds niet geheel was geworden zooals zij zijn moest, en dan ook om de eeuwige kleine uitgaven aan schoenmaker, kleermaker, slachter en vischkooper wat te beperken. Buitendien was haar de gedachte aan het land ook aangenaam, omdat zij hoopte Kitty, die in den zomer van de badplaats zou terugkeeren, daar bij zich te zien. Kitty schreef haar, dat niets zoo aanlokkelijk voor haar was, als den zomer met Dolly en de kinderen te Klekotok, dat voor haar zoo rijk aan herinneringen uit de jeugd was, door te brengen.

De eerste tijd van haar verblijf op het land was voor Dolly zeer zwaar. Van haar kindsheid af was haar de voorstelling bijgebleven, dat het land een toevluchtsoord voor alle stadsonaangenaamheden was en dat het leven daar wel niet druk en elegant, maar daarvoor ook goedkoop en ongedwongen was; men had daar alles zelf, alles was er dus goedkoop en het was er—dit was de hoofdzaak—voor de kinderen gezond. Maar nu, na haar aankomst, bevond zij, dat ook hier alles geheel anders was, dan zij het zich had voorgesteld.

Den dag na haar aankomst regende het sterk en in den nacht begon het op den corridor en in de kinderkamer erg te lekken, zoodat zij de bedden in het salon moest brengen. Ook ontbrak er een meid om voor het dienstpersoneel te koken. Van negen koeien in den stal waren er eenige, zooals de koemeid zeide, drachtig en stonden derhalve droog, de andere hadden pas gekalfd, weder andere waren oud—zoodat niet eens genoeg boter en melk voor de kinderen aanwezig was. Eieren waren er ook niet en kippen niet te koop. Slechts eenige oude, loodkleurige, magere hanen konden geslacht en gekookt worden. Ook aan vrouwelijke bediening ontbrak het; allen waren bij de aardappels bezig. Uitrijden kon men ook niet, want het eene paard was kolderig en sloeg den dissel in stukken. Aan baden was niet te denken, want de geheele oever der rivier was door het vee vertrapt en aan de zijde van den weg open en zichtbaar. Men kon niet eens gaan wandelen, want het vee kwam door de gebroken heining in den tuin en daarbij was een vreeselijke stier, die brulde en derhalve ook wel stooten zou. Kleerkasten waren er niet; die er bestonden kon men niet sluiten of sprongen, zoodra men ze voorbij ging, van zelf weer open. Kookpotten waren er niet te vinden, in de waschkeuken was geen ketel en in de mangelkamer geen strijktafel.

In plaats van de verwachte rust en ontspanning, vond Dolly eene volgens haar begrippen verschrikkelijke ellende en geraakte bijna in vertwijfeling. Zij spande al haar krachten in gevoelde echter de geheele hopeloosheid van haar toestand en moest zich geweld aandoen om de opwellende tranen te weerhouden. De opzichter, een voormalig wachtmeester, dien Stipan wegens zijn schoon en waardig voorkomen uit zijn vroegere betrekking als portier hierheen had verplaatst, trok zich Darja Alexandrowna's leed volstrekt niet aan; hij zeide slechts eerbiedig: "Bij dit afschuwelijk volk is alles mogelijk!" Hij zelf echter hielp haar in geen enkel opzicht. Haar toestand scheen haar derhalve hopeloos toe. Maar ook in het huis der Oblonsky's bevond zich een anders weinig in het oog vallende, maar in hoogen graad nuttige en gewichtige persoon, namelijk Maria Filimonawna. Zij stelde de barina gerust, verzekerde, dat alles terecht zou komen, en zonder zich te overijlen of op te winden, sloeg zij de handen aan het werk. Zij maakte kennis met de vrouw van den opzichter en zat reeds denzelfden dag met haar en den opzichter onder den acaciaboom en raadpleegde met haar onder een kop thee. Weldra vormde zich onder de acacia onder de leiding van Maria Filimonowna een club, die uit de vrouw des opzichters, den dorpsoudste en den landhuishoudkundige bestond, en deze club ruimde allengs alle bezwaren in het leven der barina uit den weg. Binnen een week was alles dan ook al geschikt. Het dak was hersteld, een kookvrouw werd in de peettante van den dorpsoudste gevonden, kippen werden gekocht, de koeien begonnen melk te geven, de tuin werd ingesloten, de kasten werden van haakjes voorzien en gingen niet meer van zelf open, een behoorlijke strijkplank lag in de mangelkamer op een stoelleuning in de commode en het rook er, zooals het behoorde, naar het strijken.

"Nu heeft u alles en u wilde reeds wanhopen," zeide Maria Filimonowna en wees op de strijkplank. Er wordt zelfs een uit stroo gevlochten badhuisje gebouwd. Lili liet men het eerst baden. En nu begon, ofschoon vooreerst bij gedeelten, haar verwachting van een, zoo ook al niet onbezorgd, dan toch behagelijk landleven zich te verwezenlijken. Met zes kinderen kon het voor Darja Alexandrowna niet zonder zorgen zijn. Nu was het eene ziek, dan moest men hetzelfde van een ander vreezen; vandaag scheelde het derde wat, morgen het vierde en het vijfde toonde een boozen aard en zoo verder. Zelden was er een korte, rustige periode. Maar al deze zorgen, al deze onrust waren het eenig mogelijke geluk voor Dolly. Had zij deze niet gehad, dan was zij alleen gebleven met de gedachte aan haar echtgenoot, die haar niet beminde. Maar hoe zwaar der moeder ook deze gestadige angst en bezorgdheid over haar kinderen viel, deze kinderen zelf vergoedden haar door allerlei kleine genoegens haar zorgen. Deze genoegens waren zoo onmerkbaar als het goudstof in het zand der rivier, en in de eerste oogenblikken zag zij niets als slechts den kommer, slechts het zand; maar er waren ook nog oogenblikken voor haar, dat zij niets zag dan slechts de genoegens, slechts het goud.

VII.

Tegen het einde van Mei ontving zij een antwoord van haar man op haar klachten wegens al wat op het landgoed ontbrak. Hij maakte allerlei verontschuldigingen en beloofde, zoodra het hem mogelijk was over te komen. Maar deze mogelijkheid scheen voor hem niet te willen aanbreken, want nog in Juni was Dolly alleen op het land.

Op een Zondag, den dag van den heiligen Petrus, reed zij naar de kerk om haar kinderen het heilig avondmaal te laten geven. Zij had reeds eenige dagen te voren overwogen, hoe zij de kinderen bij die gelegenheid zou kleeden. De kleedingsstukken waren genaaid, gekeerd en gewasschen, de zoomen en vouwen uitgelegd, de knoopen vastgehecht, de strikken terecht gestoken. 's Morgens ten negen ure,—zij had den pope verzocht het begin van den kerkdienst tot dat oogenblik uit te stellen—stonden de feestelijk gekleede kinderen van vreugde stralend op het voorplein voor de kales en wachtten op hun moeder. In plaats van het statig ros, had men op raad van Maria Filimonowna den bruine van den opzichter voorgespannen, en eindelijk verscheen Darja Alexandrowna in een wit mousselinen kleed en nam plaats in het rijtuig.

Zij had zich zorgvuldig gefriseerd en gekleed. Vroeger was zij nauwlettend op haar toilet om haar zelfs wil, om er goed uit te zien en te behagen; toen, hoe ouder zij werd, stelde zij steeds minder belang in sierlijke kleeding; zij bespeurde slechts, hoeveel onbevalliger zij was geworden. Nu echter kleedde zij zich weer met genoegen en met zorg. Zij deed het nu niet meer om haar zelfswil en niet om haar schoonheid, maar om als moeder harer bevallige kinderen den totalen indruk niet te bederven. En toen zij zich de laatste maal in den spiegel had beschouwd, was zij met zich zelf tevreden. Zij was schoon, niet zooals vroeger op de bals, maar schoon genoeg voor het doel, dat zij nu voor oogen had.

In de kerk was niemand buiten de boeren en hun vrouwen. Maar het scheen Dolly toe, alsof zij met de kinderen een algemeene bewondering verwekte. De kinderen waren niet slechts schoon, maar gedroegen zich ook aardig. Wel stond Alëscha (uitspraak Aleosja) nooit stil, maar draaide altijd heen en weer, doch hij was toch een allerliefste jongen. Tania stond daar als een volwassene en zag naar de kleintjes. Maar de jongste, Lili, was in haar naïve bewondering van alles wat zij zag verrukkelijk en het was moeielijk niet te lachen als zij na ontvangst van het avondmaal zeide:

"Please some more."

Te huis ging ook alles goed. Alleen begon Grischa te fluiten onder het ontbijt en, wat nog erger was, hij wilde de Engelsche gouvernante niet gehoorzamen, toen deze het hem verbood. Daarom kreeg hij niets van de zoete koek. Als Dolly te huis was geweest, zou zij op dezen dag zulk een straf niet hebben toegelaten; maar zij moest het eenmaal door de Engelsche vastgestelde billijken. Daardoor werd de algemeene vreugde wat verstoord. Grischa weende en zeide, dat Nicolinko ook had gefloten en dien had men niet gestraft; hij weende ook niet om de koek, dat kon hem niet schelen, maar omdat men tegen hem onrechtvaardig was. Dat was nu al te treurig en Dolly besloot, nadat zij met de Engelsche overlegd had, Grischa te vergeven en ging derhalve naar hem toe.

Toen zij echter de zaal binnen trad, aanschouwde zij een tafereel, dat haar hart met blijdschap vervulde en haar de tranen in de oogen deed komen. De kleine misdadiger zat daar op een vensterbank en naast hem stond Tania met een bord. Onder voorwendsel, voor haar poppen een diner te willen aanrichten, had zij van de gouvernante verlof gevraagd haar portie koek mede naar de kinderkamer te mogen nemen; maar zij bracht de koek dadelijk naar haar broeder. Deze, nog steeds voortgaande te weenen en over de onrechtvaardigheid te klagen, at de koek en zeide snikkend:

"Eet jij ook. Laten we samen eten … samen …"

Eerst had het medelijden met haar broeder, toen het bewustzijn harer goede daad op Tania gewerkt en tranen stonden in haar oogen, maar zij zeide niets en at haar gedeelte op.

Toen zij hun moeder zagen, waren zij eerst zeer verschrikt, maar toen zij haar oplettender aankeken, bemerkten zij, dat zij goed hadden gehandeld, en begonnen te lachen en met den mond vol koekjes wischten zij zich met de handen de lippen af en besmeerden hun van tranen en ingelegde vruchten blinkende gezichten.

"O hemel! Het nieuwe witte kleed! Tania! Grischa!" riep de moeder uit en beijverde zich het kleedje te redden. Maar zij lachte met tranen in de oogen.

De nieuwe kleederen werden uitgetrokken, de meisjes moesten weer haar daagsche blouses en de jongens hun gewonen kielen aantrekken; toen werd de laneika aangespannen—tot spijt van den opzichter weer met den bruine—om eerst naar het bosch te rijden om paddestoelen te zoeken en dan naar het badhuisje. Het was niet gemakkelijk, op alle kinderen tegelijk acht te geven, onder allen de orde te bewaren en aan alle kousen, broekjes en schoenen te denken, alle banden los te maken en weer toe te binden; maar voor Darja Alexandrowna was er geen grooter genot, dan zoo met haar kleintjes te samen te baden, al die kleine dikke beentjes vast te houden om ze de kousjes af te trekken, dan deze naakte lichaampjes op den arm te nemen, in het water te dompelen, hun vroolijk en verschrikt gescheeuw te hooren en deze naar adem hijgende, plassende cherubims met hun wijd geopende oogen en angstige en vroolijke gezichten te aanschouwen.

VIII.

Omringd van haar kinderen met natte hoofdjes en zelf met een doek om het hoofd gebonden, naderde Dolly haar huis, toen de koetsier zich omkeerde en zeide: "Daar komt een heer aan. Ik geloof, dat het de heer van Pokrowskaja is." Dolly zag naar buiten en was zeer verheugd, toen zij Lewins haar zoo welbekende gestalte met grijzen hoed en jas haar te gemoet zag komen. Zag zij hem altijd gaarne komen, van daag bizonder, omdat zij hem nu in haar vollen roem en glorie ontmoette. Niemand kon beter dan Lewin haar rijkdom begrijpen en datgene, waarin deze rijkdom bestond.

"U zit daar als een klokhen, Darja Alexandrowna."

"O, hoe blijde ben ik," zeide zij en reikte hem de hand.

"Zoo, ge verheugt u en hebt mij toch uw komst niet laten weten. Van
Stiwa ontving ik een briefje, dat ge hier zijt."

"Van Stiwa?" vroeg Dolly verwonderd.

"Ja, hij schrijft mij, dat u reeds hier zijt, en meent dat ge mij wel zult toestaan, hem een dienst te bewijzen," antwoordde Lewin. Maar nauwelijks had hij dat gezegd, of hij brak verlegen zijn rede af en ging zwijgend naast de laneika voort, terwijl hij nu en dan een blad van de linden aftrok en met de tanden in stukken beet. Hij werd verlegen door de gedachte, dat de hulp van een vreemde in een zaak, die anders de man placht te bezorgen, niet aangenaam zou zijn. De handeling van haar man beviel haar ook inderdaad niet, en zij begreep Lewin dadelijk. Juist om dit fijn gevoel hield Dolly van hem.

"Ik heb het zoo verstaan," ging Lewin voort, "dat u mij wellicht wenschte te zien en heb mij daarover zeer verheugd. Mij dunkt, er moet u, een huisvrouw uit de stad, hier veel ruw en wild voorkomen. Als u iets noodig heeft, gelief dan over mij te beschikken."

"O, neen, ik dank u," antwoordde Dolly. "In het begin haperde er wel een en ander, maar nu hebben we alles behoorlijk ingericht. Wil u niet instappen? Wij kunnen wel wat dichter bijeen gaan zitten."

"Neen, ik dank u, ik ga liever te voet. Kinderen, wie van jelui gaat mede. Wij willen met de paarden om het hardst loopen."

Hoewel nu de kinderen Lewin maar weinig kenden, toonden zij toch tegenover hem niet die eigenaardige verlegenheid, die hen anders zoo dikwijls tegenover volwassenen beving, als deze veinsden. Het spelen van een rol, dat ook den schrandersten en meest scherpzienden man vermag te misleiden, wordt veelal door het eenvoudigst kind dadelijk doorzien en dan keert het zich af. Welke gebreken Lewin ook mochten aankleven, van geveinsdheid was bij hem geen spoor, en derhalve betoonden de kinderen hem ook dadelijk dezelfde vriendschap, die zij in het gelaat hunner moeder bespeurden. Op zijn uitnoodiging sprongen de oudsten uit het rijtuig en liepen met hem zoo vertrouwelijk voort als met hun moeder. Ook Lili wilde bij hem zijn en de moeder reikte ze hem toe. Hij zette ze op zijn schouder en liep met haar voort.

"Wees gerust," riep hij, Dolly vroolijk toelachend, "ik zal haar niet laten vallen."

Hier op het land, in tegenwoordigheid van de hem zoo sympathische Dolly en in het midden der kinderen, geraakte Lewin in die kinderlijk vergenoegde luim, waarvoor hij zich dikwijls schaamde en die hij zorgvuldig voor vreemde oogen verloochende. Maar juist om deze gemoedsstemming hield Dolly veel van hem. Hij speelde met de kinderen, als huns gelijke, hij leerde hen gymnastische toeren, liet miss Gull om zijn slecht Engelsch lachen en vertelde Dolly van zijn oeconomische bezigheden.

Des namiddags, toen zij beiden alleen op het balkon zaten, bracht
Dolly het gesprek op Kitty.

"Kitty komt hierheen en zal den zomer bij ons doorbrengen."

"Inderdaad?" vroeg hij, en een licht rood kleurde zijn gelaat. Maar tegelijk, om dit gesprek te vermijden, ging hij voort: "Ik zal u dus twee koeien zenden, en als het u goed is, betaalt u me daarvoor vijf roebels in de maand…."

"Och neen, ik dank u. Wij kunnen thans zoo tamelijk toekomen."

"Nu, dan wil ik uw koeien eens gaan zien en regelen, hoe zij gevoederd moeten worden. Van de voedering hangt alles af." En slechts om het gesprek af te leiden, zette hij haar nu de geheele theorie der melkerij uiteen, waarbij de koe slechts voorkwam als een soort van machine om het voeder te verwerken en winstgevend te maken.

Hoewel hij van deze dingen sprak, wenschte hij toch vurig iets van Kitty te vernemen, maar hij vreesde, daardoor de rust, die nu zijn deel was geworden, weer te verliezen.

"Ja, maar bij dit alles behoort toezicht, en wie zal dit houden?" antwoordde Dolly moedeloos.

Zij had nu haar huishouding door Marie Filimonowna in zulk een toestand gebracht, dat zij er niets aan wenschte te veranderen; en, om de waarheid te zeggen, stelde zij ook in Lewins kennis der landhuishoudkunde geen volkomen vertrouwen. Zijn uiteenzetting dat de koe slechts een machine om melk te winnen was, scheen haar verdacht en zijn redeneeren over de verschillende soorten van voeder begreep zij niet, terwijl zij Marie's handelwijze om de bruine en de zwarte koe wat meer te eten te geven duidelijk, eenvoudig en van goed gevolg had bevonden. En wat de hoofdzaak was: zij wilde nu van Kitty spreken.

"Kitty schrijft, dat zij naar niets zoozeer verlangt, als naar eenzaamheid en rust."

"Is het met haar gezondheid beter geworden?" vroeg Lewin opgewonden.

"Goddank! zij is geheel hersteld. Ik geloofde het ook niet, dat zij door een borstkwaal was aangetast."

"O, dat verheugt mij zeer," antwoordde Lewin en, zooals het Dolly toescheen, vertoonde zich terwijl hij dat zeide en haar daarop zwijgend aanzag, op zijn gelaat iets van roerende hulpeloosheid.

"Hoor eens, Constantin Dimitritsch," zeide zij met haar goedhartig, een weinig ironisch lachje: "Waarom zijt gij boos op Kitty?"

"Ik? Ik ben niet boos," antwoordde Lewin.

"Ja wel, gij zijt boos op haar. Waarom hebt ge ons bij uw laatste aanwezigheid te Moskou niet bezocht."

"Darja Alexandrowna," antwoordde hij en werd rood tot over de ooren, "ik verwonder mij, dat u, die zoo goed zijt, geen leedwezen over mij gevoelt, daar u toch weet…."

"Wat weet ik?"

"Dat ik haar hand gevraagd heb en afgewezen ben geworden," zeide Lewin, en al de teederheid voor Kitty, die hem zoo even nog had vervuld, week uit zijn ziel voor het bitter gevoel van die beleediging.

"Waarom dacht ge, dat ik dat wist?"

"Omdat allen het weten…."

"Dan vergist ge u zeer. Ik heb er niets van geweten, hoewel ik zoo iets vermoedde."

"Nu, dan weet u het thans."

"Ik wist slechts dit eene, dat er iets was, dat haar vreeselijk kwelde, en dat zij mij verzocht heeft er niet over te spreken. En als zij het mij niet gezegd heeft, dan heeft zij het ook aan niemand anders gezegd. Wat is dan tusschen ulieden voorgevallen? Zeg het mij."

"Ik heb het u al gezegd."

"Wanneer is dat gebeurd?"

"Toen ik de laatste maal bij u was."

"Weet gij, wat ik u zeggen wil? Ik heb diep medelijden met haar. Gij, gij lijdt slechts door beleedigden trots…."

"Wellicht," zeide Lewin, "maar…."

Zij viel hem in de rede: "Maar met haar, arm meisje, heb ik diep medelijden. Nu begrijp ik alles."

"Nu, Darja Alexandrowna, verontschuldig mij," sprak hij en stond op:
"Vaarwel. Tot weerziens."

"Neen, wacht nog!" antwoordde zij en hield met haar magere hand zijn arm vast. "Wacht nog. Ga zitten."

"Ja, maar ik bid u, spreken wij daar niet meer over," zeide hij en ging weer zitten; daarbij gevoelde hij iets zonderlings in zijn hart, alsof daarin een doode verrees, namelijk de zooals hij meende lang begraven hoop.

"Als ik niet van u hield," zeide Dolly en de tranen drongen haar in de oogen, "als ik u niet kende, zooals ik u ken…."

De herleefde doode bewoog zich sterker in Lewin en nam geheel zijn hart gevangen.

"Ja, nu begrijp ik alles," hernam Dolly, "gij kunt dat niet begrijpen; de mannen, die naar welgevallen kiezen en uitzoeken kunnen, zijn altijd volkomen zeker, wie zij beminnen. Maar een jong meisje, dat wachten en afwachten moet, een jong meisje met haar jonkvrouwelijke zedigheid, dat u mannen slechts van verre ziet, schat niet alles naar zijn waarde. Een jong meisje kan zulke gewaarwordingen en gevoelens hebben, dat zij de ware beteekenis daarvan niet weet…."

"Dat is toch niet geheel zooals het behoort."

"Dit maakt geen verschil, het is eenmaal zoo. Gijlieden doet een aanzoek, als ge omtrent uw neiging tot klaarheid en zekerheid zijt gekomen, maar een meisje kan niet vragen en kiezen. Zij moet kiezen en kan het soms nog niet, zij kan slechts ja of neen zeggen."

"Zoo koos zij tusschen mij en Wronsky!" dacht Lewin, en het tot leven ontwaakte lichaam zonk weer dood terug en drukte kwellend zijn hart.

"Darja Alexandrowna," zeide hij, "zoo kiest men wel een kleed of wat anders, maar met de liefde…. De keus is eenmaal gedaan—des te beter.—Een herhaling kan niet zijn…."

"O, die trots! die trots!" zeide Dolly, alsof zij hem verachtte om de kleinheid van dat gevoel. "Destijds, toen ge uw aanzoek deedt, was zij juist in een toestand, dat zij geen antwoord kon geven; zij kon nog niet kiezen tusschen u en Wronsky; dezen zag zij toen dagelijks, maar u had zij in langen tijd niet gezien. Voorzeker, ware zij ouder geweest, dan was zulk een twijfel niet mogelijk geworden. Ik zou in haar plaats niet geaarzeld hebben. Hij was mij altijd onaangenaam, en het heeft dan nu ook een einde genomen."

Lewin riep zich Kitty's antwoord voor den geest. Zij had gezegd:
"Neen, dat kan niet zijn…."

"Darja Alexandrowna," zeide hij koel, "ik weet uw vertrouwen in mij hoog te waardeeren, maar ik geloof, dat u zich vergist. Ik mag gelijk of ongelijk hebben, maar deze trots, dien u zoo afkeurt, maakt, dat elke gedachte aan Catharina Alexandrowna voor mij onmogelijk is."

"Laat ik u nog dit ééne zeggen: gij begrijpt, ik spreek van mijn zuster, die ik lief heb, alsof zij mijn kind was. Ik zeg niet, dat zij u bemint; ik wilde maar zeggen, dat haar afwijzend woord van toenmaals volstrekt niets beteekent."

"Dat weet ik niet," zeide Lewin en stond op: "Indien u wist, welke smart u mij veroorzaakt! Het is, alsof iemand een kind is afgestorven en men hem dan zegt: 'Het had kunnen blijven leven, het had zoo en zoo kunnen worden en gij zoudt er uw vreugde aan beleefd hebben….' En toch is het dood, dood, dood."

"Wat zijt ge dwaas!" zeide Dolly en lachte treurig in weerwil van Lewins opgewondenheid; nadenkend liet zij toen volgen: "Maar nu begrijp ik meer en meer…. Ge zult dus niet hier komen, als Kitty er is?"

"Neen, ik zal niet komen. 't Spreekt van zelf dat ik Catharina Alexandrowna niet geheel zal vermijden, maar waar ik kan, zal ik haar van mijn aanwezigheid bevrijden."

"Wezenlijk, dat is zeer dwaas en komiek," hernam Dolly, hem met een uitdrukking van zachte genegenheid aanziende; "'t zij dan zoo! wij hebben er niet van gesproken!—Wat wil je, Tania?" wendde zij zich in het Fransch tot haar dochtertje, dat op dat oogenblik binnen kwam.

"Waar is mijn schoffel, mama?"

"Ik heb je in het Fransch aangesproken."

Het kind wilde haar antwoorden, maar was vergeten, hoe een schoffel in het Fransch genoemd werd. De moeder moest het haar zeggen, en toen zeide zij haar dan ook, waar de schoffel was te vinden.

Nu scheen Lewin alles in Dolly's huis en aan haar kinderen lang zoo aantrekkelijk niet meer als te voren: "En waarom spreekt zij Fransch met haar kinderen?" dacht hij. "Hoe onnatuurlijk en gemaakt! En de kinderen gevoelen dat. Dit Fransch berooft hen van hun ongedwongenheid." Hij wist niet, dat Dolly dat reeds twintig maal tot zich zelf gezegd had, maar in weerwil van en ten koste van de ongedwongenheid achtte zij het noodig, haar kinderen op deze wijze te onderrichten.

"Waarom wilt ge nu al weg? Blijf toch nog wat."

Lewin bleef nog tot het theedrinken; maar zijn vroolijke luim was verdwenen en hij gevoelde zich ontstemd.

Na de thee was Lewin naar de voorkamer gegaan om te bevelen, dat zijn paarden werden aangespannen. Toen hij terug kwam, vond hij Dolly met opgewonden, verstoord gelaat en met tranen in de oogen. In zijn korte afwezigheid was iets voorgevallen, dat Dolly's vreugde en al haar trots op haar kinderen geheel verstoorde. Grischa en Tania hadden om een bal elkander geslagen. Dolly was op het geschreeuw naar buiten geloopen en had hen in een verschrikkelijken toestand gevonden. Tania hield Grischa bij het haar, maar deze, met het gezicht door woede ontsteld, sloeg met de vuisten op haar los, waar hij ze maar trof. Toen was het Dolly, of iets in haar hart scheurde; alsof een schaduw op haar leven viel, en zij ondervond, dat deze kinderen, waarop zij zoo trotsch was, niet slechts heel gewone, neen, slechte, slecht opgevoede kinderen waren, booze kinderen vol grofheid en ruwen hartstocht. Zij kon over niets anders meer denken of spreken en moest Lewin haar leed klagen. Lewin zag, dat zij zich ongelukkig gevoelde en beijverde zich haar te troosten, terwijl hij zeide, dat deze vechtpartij niets slechts bewees en dat alle kinderen elkander wel eens sloegen. Maar terwijl hij zoo sprak, dacht hij: "Nu, ik zou mijn kinderen Fransch met mij laten spreken! Ik zou wel oppassen. Ik zou zulke kinderen niet hebben! Men moet ze niet bederven, ze niet verwennen, dan zijn en blijven ze lief en goed. Neen, ik zou zulke kinderen niet hebben!" Toen nam hij afscheid; zij trachtte hem niet meer te houden en hij reed weg.