WeRead Powered by ReaderPub
Anna Karenina cover

Anna Karenina

Chapter 77: V.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel interweaves two principal narratives: one traces a married woman's passionate affair and the social, familial, and moral consequences that follow; the other follows a thoughtful man as he seeks purpose, wrestles with questions of work, faith, and the rhythms of rural life. Through detailed scenes of domestic routine and society, the book examines marriage, fidelity, isolation, public reputation versus inner life, and the search for meaning, contrasting urban social pressures with personal conscience and the restorative presence of the natural world.

XXII.

Na zijn ontmoeting met Wronsky was Karenin overeenkomstig zijn plan naar de Italiaansche opera gereden. Hij bleef gedurende het tweede bedrijf en zag allen, die hij zien moest. Toen hij weer te huis kwam, keek hij oplettend naar den kapstok en toen hij daar geen militairen paletot ontdekte, ging hij naar zijn kamer. Maar tegen zijn gewoonte ging hij niet te bed, maar ging tot drie uur in den nacht zijn kamer op en neder. Het gevoel van toorn tegen zijn vrouw, die de welvoegelijkheid niet bewaren en de eenige haar gestelde voorwaarden niet vervullen wilde, ontnam hem de rust. Zij had niet aan zijn verlangen voldaan, derhalve moest hij haar straffen en zijn bedreiging volvoeren—de scheiding bewerkstelligen en haar den zoon ontnemen! Hij kende al de omslachtigheid, die daarmede gepaard zou gaan, maar nu moest het geschieden.

Hij kon den geheelen nacht niet slapen; zijn toorn en ergernis klom bij toeneming en had tegen den morgen het toppunt bereikt. Hij kleedde zich haastig, alsof hij vreesde iets uit de volle schaal van zijn toorn te storten, begaf zich dadelijk naar zijn vrouw om niet met zijn toorn ook zijn energie te verliezen.

Toen Anna, die meende haar echtgenoot zoo wel te kennen, hem zag, was zij getroffen. Zijn voorhoofd was gerimpeld, zijn oogen stonden somber en vermeden haar aan te zien, zijn lippen waren vast en verachtend opeen geklemd. In zijn houding, zijn beweging, in den klank zijner stem lag een vastberadenheid, die zijn vrouw tot hiertoe niet in hem gekend had. Hij trad de kamer binnen en, zonder haar te groeten, ging hij terstond naar haar schrijftafel, nam den sleutel en opende een schuiflade.

"Wat wilt ge?" riep zij uit.

"De brieven van uw minnaar!" antwoordde hij.

"Die zijn daar niet," zeide zij en wilde de lade toeschuiven, maar aan deze beweging bemerkte hij, dat zijn vermoeden juist was, en, terwijl hij haar hand ruw wegduwde, greep hij snel de schrijfportefeuille, waarin hij wist, dat zij haar gewichtigste brieven placht te bewaren. Zij wilde ze hem ontrukken, maar hij stiet haar van zich.

"Ga zitten; ik moet met u spreken," zeide hij en drukte de portefeuille zoo vast onder den arm, dat de schouder omhoog kwam.

Zij zag hem verrast en bevreesd aan.

"Ik heb u gezegd, dat ik u niet toesta uw minnaar hier te ontvangen."

"Ik moest hem zien om…."

Zij hield op, omdat zij geen reden wist te vinden.

"Ik wil de bizonderheden niet weten, waarom een vrouw haar minnaar moet zien."

"Ik wilde slechts…." riep zij opstuivend uit. Zijn grofheid tergde haar en gaf haar den moed terug. "Gevoelt gij dan niet, hoe gemakkelijk het voor u is mij te beleedigen?" zeide zij.

"Beleedigen kan men slechts een eerlijk mensch, maar als men tot een dief zegt, dat hij een dief is, is dit slechts het vaststellen van eene daadzaak."

"Dezen nieuwen trek van wreedheid heb ik tot hiertoe nog niet in u gekend."

"Gij noemt het wreedheid, als een man zijn vrouw alle mogelijke vrijheid geeft en haar naam een eerbaar schild, slechts onder voorwaarde, de welvoegelijkheid te bewaren; dus dat is wreedheid?"

"Het is erger dan wreedheid, het is gemeenheid, als gij het weten wilt," riep Anna in een oproer van woede uit en stond op om heen te gaan.

"Neen," riep hij met piepende stem, die nu nog een noot hooger klonk. En terwijl hij met zijn groote vingers haar arm zoo heftig greep, dat de drukking van den armband roode sporen achter liet, drong hij haar met geweld op haar stoel terug.

"Gemeenheid? Als gij dit woord wilt gebruiken, dan is het gemeenheid, dat een vrouw voor een minnaar haar man, wiens brood zij eet, en haar zoon verlaat!"

Zij boog het hoofd. Zij dacht nu niet aan haar woorden van gisteren tot den beminde, dat deze slechts haar man, maar haar echtgenoot een overtollig persoon was;—zij besefte nu slechts de volle waarheid zijner woorden en zeide zacht: "Gij kunt mijn toestand niet erger schilderen, dan ik zelf mij dien voorstel. Maar waarom zegt gij mij dit alles?"

"Waarom ik het zeg? Waartoe?" ging hij toornig voort: "Opdat ge zoudt weten, dat ik mijn maatregelen nemen zal om aan dezen toestand een einde te maken!"

"Die zal ook wel spoedig een einde nemen," zeide zei en wederom kwamen haar bij de gedachte aan den nu zoo gewenschten dood de tranen in de oogen.

"Ja, het zal een vroeger einde nemen, dan gij het met uw minnaar gedacht hebt! (Hij bezigde dit woord bizonder dikwijls). Gij hebt voldoening noodig voor uw zinnelijke hartstochten…."

"Alexei Alexandrowitsch, het is niet slechts niet grootmoedig, het is onwelvoegelijk, een machtelooze te slaan."

"Ja aan u zelf denkt gij, maar het lijden van een mensch, die uw echtgenoot was, treft u niet. Het is u onverschillig, of zijn leven is verwoest, dat hij uit … uitgeleden…."

Hij sprak zoo snel, dat hij in de war geraakte en begon te stotteren. Het werd haar belachelijk, maar dadelijk schaamde zij zich over deze opwelling in dit oogenblik. Hij hield op en tot haar verrassing bemerkte Anna, dat zijn oogen zich met tranen vulden. En voor de eerste maal verplaatste zij zich voor een oogenblik in zijn toestand en had zij medelijden met hem. Maar wat kon zij zeggen of doen? Zij boog het hoofd en zweeg. Ook hij zweeg een poos; toen begon hij weer te spreken, maar op minder scherpen en kouden toon:

"Ik wilde u zeggen, dat ik morgen afreis naar Moskou en niet weer in dit huis zal terugkeeren. Mijn advocaat zal u mijn besluiten mededeelen. Mijn zoon zal naar mijn zuster gaan."

"Gij hebt Serëscha noodig om mij smart aan te doen," zeide zij op kleinmoedigen toon: "Gij houdt niet van hem…. Laat mij Serëscha!"

"Ja, zelfs de liefde voor mijn zoon heb ik verloren, omdat met hem mijn afschuw tegen u is verbonden; maar in weerwil daarvan neem ik hem met mij—Adieu!"

Hij wilde gaan, maar nu hield zij hem staande: "Alexei Alexandrowitsch, laat mij Serëscha," vroeg zij andermaal op zachten toon.

"Ik heb niets meer te zeggen. Laat Serëscha tot mijn terugkomst…."

"Ik zal spoedig—bevallen. Laat hem mij!"

Alexei Alexandrowitsch werd rood. Hij onttrok haar zijn hand en verliet zwijgend de kamer.——

VIERDE BOEK.

I.

Met het doel om een gewichtige aangelegenheid te onderzoeken had Alexei Alexandrowitsch besloten naar een verwijderd gouvernement te reizen. Op zijn doorreis daarheen bleef hij drie dagen in Moskou. Den tweeden dag bracht hij den gouverneur-generaal zijn bezoek.

Op een hoek van de straat, waar de equipages en droschken waren opgestuwd en hij dus langzamer moest rijden, hoorde Alexei Alexandrowitsch zich plotseling door een luide, vroolijke stem bij zijn naam roepen, zoodat hij in die richting moest uitzien. Op den hoek van het trottoir stond Stipan Arkadiewitsch in een korten modernen paletot, een kleinen scheefstaanden hoed op, met zijn witte, blinkende tanden tusschen de roode, tot lachen geopende lippen; hij stond daar vroolijk, jeugdig en schitterend en zijn roepen klonk zoo dringend en hardnekkig, dat Karenin wel moest ophouden. Hij hield met eene hand den greep der trede van zijn rijtuig vast, uit welks venster een dameshoofd in een zijden hoed en twee kinderhoofdjes gluurden en wenkte lachend met de andere zijn zwager toe. Ook de dame lachte vriendelijk en wenkte met de hand Alexei Alexandrowitsch toe. Het was Dolly met haar kinderen.

Alexei Alexandrowitsch wilde eigenlijk geen zijner bekenden in Moskou opzoeken en het minst den broeder zijner vrouw. Hij nam den hoed af en wilde verder rijden, maar Stipan Arkadiewitsch beval den koetsier stil te houden en ijlde door de sneeuw der straat naar hem toe.

"Nu, maar dat is niet zoo als het behoort, ons volstrekt geen bericht te geven! En gisteren nog was ik bij Dusseau en lees aan de tafel den naam van 'Karenin,' maar ik vermoedde niet, dat gij dat zijn kondt; anders had ik je opgezocht. Hoe verheugt het mij je te zien!" en Stipan legde den eenen voet over den anderen om de sneeuw er af te schudden: "Waarlijk, het is te erg, ons in het geheel geen bericht te zenden!" herhaalde hij en opende het portier.

"Ik ben om zaken hier—ik kon niet," antwoordde Karenin op koelen toon.

"Kom een oogenblik bij mijn vrouw: zij zal u gaarne zien."

Alexei Alexandrowitsch haalde zijn voeten uit den plaid en begaf zich met Stipan door de sneeuw naar Dolly.

"Wat is dat, Alexei Alexandrowitsch? Waarom gaat gij ons zoo voorbij?" vroeg Dolly lachend.

"Ik was zeer door ambtszaken gebonden. Ik verheug me zeer u te zien. Hoe gaat het u?"

"Nu, hoe gaat het onze lieve Anna?"

Karenin mompelde iets onverstaanbaars en wilde heengaan, maar Stipan hield hem terug en zeide:

"Dolly, vraag hem morgen te dineeren; wij zullen ook Kosnischew en Peszow vragen om hem met de keur der Moskousche vernuften op te wachten."

"Derhalve smeek ik je te komen," zeide Dolly; "wij zullen je tusschen vijf en zes uur verwachten. Hoe gaat het de lieve Anna? Het is reeds zoo lang geleden…."

"Zij vaart wel," mompelde Alexei Karenin met gefronst voorhoofd. "Het is mij aangenaam geweest u te zien!" En hij keerde naar zijn rijtuig terug.

"Dus kom je morgen?" riep Dolly hem na.

Hij antwoordde iets, wat Dolly echter wegens het geraas der rijtuigen niet verstond.

"Ik kom morgen nog bij je," riep ook Stipan hem na.

Karenin zette zich weer in zijn rijtuig en leunde zoover mogelijk achterover om niemand te zien en door niemand herkend te worden.

"Een zonderling!" zeide Stipan tot zijn vrouw, en nadat hij op het horloge gezien had, maakte hij tegen zijn vrouw en de kinderen een vriendelijke handbeweging en verwijderde zich vroolijk op het trottoir.

"Stiwa! Stiwa!" riep Dolly blozend.

Hij keerde zich om.

"Ik moet voor Grischa en Tania paletots koopen! geef mij toch wat geld."

"Niet noodig! zeg maar, dat ik het betalen zal!" En hij verdween, nadat hij vroolijk een kennis had toegeknikt.

II.

De eerstvolgende dag was een Zondag. Stipan Arkadiewitsch reed naar den grooten schouwburg om de repetitie voor het ballet bij te wonen en gaf daar aan Mascha Tschibissow, een schoone, op zijn aanbeveling geëngageerde danseres, de gisteren haar beloofde koralen en kuste achter de coulissen in het donker van den schouwburg haar van blijdschap stralend gezicht. Toen sprak hij met haar een rendez-vous na het ballet af en beloofde haar bij de laatste acte te komen en haar af te halen voor een souper. Van daar reed Stipan naar den Ochotny Rjad, zocht zelf de visch en asperge voor de middagtafel uit en om twaalf uur was hij bij Dusseau, waar hij bij drie personen, die in het logement hun intrek hadden genomen, bezoeken had af te leggen, namelijk bij Lewin, die zooeven van een reis in het buitenland was teruggekeerd, dan bij zijn nieuwen chef, die juist was aangekomen om zijn hoogen post te aanvaarden en die Moskou wenschte te leeren kennen, en eindelijk bij zijn zwager Karenin, dien hij bepaald ontvoeren wilde voor het diner.

Stipan Arkadiewitsch hield van een goed diner: maar nog meer hield hij er van een diner te geven, geen groot, maar een fijn, wat de keuze der gerechten, der wijnen en der gasten betrof. Het tegenwoordige menu beviel hem zeer: versche baars, asperge en—als pièce de résistance—: een eenvoudig, maar buitengewoon goed roastbeef, en de daarbij behoorende wijn. Als gasten zouden bij hem zijn: Kitty en Lewin en, opdat dit niet opviel, nog een nicht en een jongere Tscherbatzky en—als pièce de résistance onder de gasten:—Sergej Kosnischew en Alexei Alexandrowitsch, Sergej Iwanowitsch, de Moskouer philosoof en Alexei Alexandrowitsch, de Petersburger staatsman! En buitendien wilde hij nog den als origineel bekenden Peszow uitnoodigen, een liberale babbelaar, liefhebber van muziek, historicus en de beminnenswaardigste van alle vijftigjarige jongelingen. Het geld voor het bosch had hij van den koopman ontvangen en het was nog niet uitgegeven; ook was Dolly in den laatsten tijd zeer aardig en vriendelijk tegen hem.

Zoo was hij in de beste stemming. Slechts twee onaangename dingen bestonden er nog voor hem; maar deze verdwenen beide in de zee van vroolijke onbezorgdheid, die zijn ziel vervulde. Het eerste was, dat hij gisteren bij de ontmoeting met Alexei Alexandrowitsch diens koele terughouding bemerkt had; uit zijn houding en uit de omstandigheid, dat hij gekomen was zonder daarvan iets te laten weten, in verband met de geruchten, die hem van Anna en Wronsky waren ter ooren gekomen, vermoedde Stipan, dat iets tusschen man en vrouw niet richtig zijn moest. Hij had met zijn vrouw, aan wier gave om vooruit te zien hij geloofde, hierover gesproken en zij had hetzelfde gedacht. Dolly had gezegd: "Aan slechtheid bij Anna geloof ik niet, maar men zal gebabbeld en haar belasterd hebben. Spreek open met hem; hij schijnt zulk een koel, droog mensch te zijn; ik ben bang voor hem. En wat is hij veranderd; hij is geheel verschrompeld en een grijsaard geworden."

"Neen," had Stipan Arkadiewitsch geantwoord, "ik begrijp dat niet. Maar ik breng hem bepaald mede op het diner en dan tirez lui les vers du nez; gij kunt dat beter."

De andere onaangenaamheid was, dat den nieuwen chef gelijk alle nieuwe chefs, het gerucht vooruitging van een vreeselijk man te zijn, die des morgens vroeg om zes uur opstond, werkte als een paard en een gelijke inspanning van zijn ondergeschikten verlangde. Buitendien werd van hem gezegd, dat hij in het verkeer een rechte beer was en de tegenovergestelde neigingen en levensgewoonten van den tegenwoordigen chef bezat, die meer naar Stipans manier geleefd had. Zoo was dan de gedachte door hem niet vriendelijk ontvangen te worden geen aangename. Maar Stipan Arkadiewitsch had een vermoeden, dat alles wel terecht zou komen.

"Allen zijn menschen en zondaars zijn we allemaal. Waarom dan zich te ergeren en elkander te vreezen?" dacht hij, terwijl hij het hotel inging. "Goeden morgen, Wassili," zeide hij in den corridor tot den hem goed bekenden kellner: "Heb je den baard laten staan! Lewin in nummer zeven? O! breng mij bij hem en vraag of graaf Anischkin (dat was de nieuwe chef) mij ontvangen kan."

"Om u te dienen!" antwoordde Wassili.

Lewin stond met een boer uit Twersk midden in de kamer en mat met een maatstok een versch afgetrokken berenvel, toen Stipan binnen trad.

"Ha, heb je dien neergelegd?" riep Stipan uit. "Een prachtig exemplaar! Een berin? Goeden dag, Archiz!"

Hij drukte den boer de hand en zonder jas of hoed af te leggen, ging hij op een stoel zitten.

"Ontdoe je toch en maak het je gemakkelijk," zeide Lewin en nam hem zijn hoed af.

"Neen, ik heb geen tijd, slechts een oogenblik!" antwoordde Stipan, maar knoopte toch zijn jas los, trok hem toen uit en bleef langer dan een uur, terwijl hij zich door Lewin en den boer van de laatste jacht liet vertellen.

Reeds sedert veertien dagen was Lewin uit het buitenland teruggekeerd; hij was een tijd lang te huis geweest en was nu voor een berenjacht overgekomen. Na een verblijf van vier weken in het buitenland was hij als een geheel ander mensch teruggekeerd. Hoe deze verandering was ontstaan, wist hij zelf niet te verklaren. In den laatsten tijd zag zijn oog in de wereld en aan de menschen slechts goeds en schoons, en uit zijn vroegere hopelooze stemming was hij allengs overgegaan tot zulk een blijmoedige levensbeschouwing, als hij tevoren niet gekend had.

"Maar ik moet gaan," zeide Stipan en maakte zich wel voor de vijfde maal tot vertrek gereed.

"Neen, neen, blijf toch nog wat," drong Lewin en drukte hem weder op zijn stoel. "Wanneer zien wij elkander weer? Want morgen vertrek ik."

"Nu dat is niet anders. Ik ben opzettelijk daarom hier gekomen. Je moet bepaald van daag bij ons dineeren; uw broeder zal er ook zijn en mijn zwager Karenin."

"Is die hier?" vroeg Lewin en wilde ook naar Kitty vragen. Hij had gehoord, dat zij in het begin van den winter bij haar zuster, de vrouw van een diplomaat, was gelogeerd, maar wist niet, of zij daar nog was of al was teruggekeerd. Maar hij kwam er niet toe het te vragen.

"Nu," dacht hij, "of zij daar is of niet, dat is het zelfde."

"Je zult dus komen?"

"Zeker, ik zal gaarne komen."

"Om vijf uur en eenvoudig gekleed!" En Stipan Arkadiewitsch stond op en begaf zich naar beneden naar zijn nieuwen chef. Zijn vermoeden had hem niet bedrogen. De nieuwe, verschrikkelijke chef bleek een zeer welwillend man te zijn en Stipan Arkadiewitsch ontbeet met hem en bleef zoo lang bij hem, dat hij eerst omstreeks vier uur bij Alexei Alexandrowitsch kon komen.

III.

Nadat Karenin met zijn ambtsbezigheden, waarvoor hij naar Moskou was gekomen, den geheelen voormiddag was bezig geweest, ging hij een brief zitten schrijven aan zijn advocaat. Zonder aarzelen gaf hij hem volmacht om geheel naar zijn eigen inzicht te handelen. Hij legde in dit schrijven drie brieven van Wronsky aan Anna, welke hij in haar portefeuille had gevonden. Sedert Alexei Alexandrowitsch zijn huis had verlaten met het voornemen niet meer tot zijn familie terug te keeren, sedert hij kort daarna met zijn advocaat gesproken en deze levensvraag tot een rechtsvraag gemaakt had, sedert had hij zich meer en meer in zijn besluit versterkt en erkende de mogelijkheid het uit te voeren.

Hij verzegelde juist dezen brief, toen hij de luide stem van Stipan hoorde, die met een bediende twistte en verlangde toegelaten te worden.

"Nu, 't zij zoo," dacht Karenin. "Des te beter! Ik zal dadelijk mijn verhouding tot zijn zuster uiteenzetten en hem verklaren, waarom ik van middag niet bij hem dineeren kan.—Binnen!" riep hij luid en schoof het geschrevene in de portefeuille.

"Nu, zie je, dat je gelogen hebt en dat hij thuis is?" hoorde men Stipans stem tot den bediende, en onmiddellijk daarop kwam hij, zijn overjas onder het gaan uittrekkend, lachend de kamer in.

"Het verheugt mij zeer je te zien! Derhalve ik mag hopen…." begon hij op vroolijken toon, maar, toen hij de sombere gelaatsuitdrukking van zijn zwager bemerkte, hield hij op.

"Ik kan niet komen," antwoordde Alexei Alexandrowitsch op koelen toon, terwijl hij staan bleef en zijn gast niet uitnoodigde om te gaan zitten. Het was dadelijk zijn plan zich tegenover den broeder zijner echtgenoot, tegen wie hij zoo even een aanklacht tot scheiding voorbereid had, in een gepaste koele verhouding te plaatsen, maar hij had niet gerekend op de zee van goedhartigheid, die aanstonds in Stipans ziel buiten de oevers trad. Deze opende wijd zijn schitterende, heldere oogen.

"Waarom komt ge dan niet? Wat wil je daarmede zeggen?" vroeg hij in het Fransch en schoof zijn das om den blanken hals terecht. "Neen, gij moogt niet meer weigeren: wij rekenen allen op je."

"Ik wil daarmede zeggen, dat ik niet bij u komen kan, omdat de familiebetrekking tusschen ons zal ophouden."

"Wat? wat bedoelt ge? Waarom?" riep Stipan met een krampachtig lachje uit.

"Omdat ik mij van uw zuster, mijn vrouw, wil laten scheiden. Ik ben daartoe gedwongen…."

Maar Alexei Alexandrowitsch had nog niet uitgesproken, toen Stipan
Arkadiewitsch zuchtte en zich in een stoel liet vallen.

"Hoe, Alexei Alexandrowitsch, wat zegt ge daar?" riep hij uit en een groote smart lag in zijn trekken.

"Het is zoo."

"Neen, excuseer me, dat kan—ik kan het niet gelooven…."

Karenin ging ook zitten en hij besefte, dat zijn woorden volstrekt niet die werking hadden, die hij er zich van voorgesteld had, en dat, hoe hij zich ook verklaren en van den toestand opening geven mocht, zijn verhouding tot zijn zwager onveranderd dezelfde blijven zou.

"Ja, ik ben voor de treurige noodzakelijkheid geplaatst, een scheiding te vragen."

"Ik zeg maar dit eene, Alexei Alexandrowitsch: Ik ken u als een voortreffelijk en stipt rechtvaardig man, ik ken Anna—verontschuldig mij, ik kan mijn gevoelens omtrent haar niet veranderen—als een goede, prachtige vrouw, en daarom—houd het mij ten goede—kan ik daaraan niet gelooven. Hier bestaat een dwaling," zeide hij en sloeg met de hand op de tafel, "dat is zeker!"

"Ja, als het maar een dwaling was…."

"Met je verlof, ik begrijp je," viel Stipan hem in de rede; "voorzeker … maar één ding: men mag zich niet overijlen … in geen geval overijlen!"

"Ik heb mij niet overijld," antwoordde Karenin op koelen toon. "En in zulke zaken kan men ook niemand om raad vragen. Ik ben vastbesloten…."

"Ach, dat is verschrikkelijk!" zeide Stipan en de tranen kwamen hem in de oogen. "Ik zou één ding doen, Alexei Alexandrowitsch, ik bezweer je, doe dat. Zooals ik begrijp, heeft de zaak nog geen aanvang genomen. Vóór gij een klacht indient, spreek eerst met mijn vrouw. Zij houdt veel van Anna als van een zuster en zij houdt veel van u, met een woord, zij is een merkwaardige vrouw. Om Godswil, spreek eerst met haar. Doe het ter liefde van mij, ik bezweer het u!"

Karenin dacht een oogenblik na en Stipan zag hem deelnemend aan, zonder hem in zijn zwijgen te storen.

"Derhalve: gij gaat naar haar toe."

"Ik weet niet. Juist daarom ben ik niet bij u geweest. Mij dunkt, dat ook onze verhouding moet veranderen…."

"Waarom toch. Dat zie ik niet in. Je zult mij toch veroorloven te veronderstellen, dat gij buiten onze verwantschappelijke betrekking ook nog andere, vriendschappelijke gevoelens voor mij koestert, even als ik die u, met een oprechte achting gepaard, toedraag," zoo zeide Stipan en drukte Alexei de hand. "Als ook uw ergste vermoedens bevestigd werden, zou ik mij toch nimmer veroorloven over de een of andere partij mijn oordeel te vellen, en derhalve zie ik geen reden, waarom onze verhouding zou veranderen…. Doe mij alzoo het genoegen bij mijn vrouw te komen."

"Ja, wij beschouwen de zaak verschillend," antwoordde Karenin koel; "overigens zullen wij er maar niet meer over spreken."

"Neen, maar zult ge dan komen? Slechts vandaag op het diner. Mijn vrouw verwacht je bepaald. Ik bid je, kom toch. En de hoofdzaak is: Spreek met haar. Zij is een zeldzame vrouw. Gij moogt niet weigeren."

"Nu, als gij het zoozeer wenscht, dan kom ik," zeide Alexei
Alexandrowitsch met een zwaren zucht.

IV.

Het liep al naar zes uur en reeds waren eenige gasten verschenen, voor de gastheer zelf te huis was gekomen. Hij kwam te gelijk met Peszow en Kosnischew binnen. In het salon bevonden zich reeds vorst Tscherbatzky, de vader, en de jonge Tscherbatzky, verder Turowzin, Stipans metgezel bij zijn drinkgelagen, een goedhartige jonkman van vijf en twintig jaren, en Kitty.

Stipan zag dadelijk, dat in het salon niet alles in orde was. Darja Alexandrowna, in haar grijs zijden paradekleed, was blijkbaar bekommerd, omdat de kinderen in hun kamer alleen moesten eten, en ook, omdat haar man zoolang uitbleef. Zij verstond het niet het gezelschap naar behooren te vermengen. Allen zaten, volgens de uitdrukking van den ouden vorst, als poppenvrouwtjes op een visite, in het onzekere waarom zij eigenlijk hierheen geraakt waren, en zij persten er eenige woorden uit om niet geheel te zwijgen. De goedhartige Turowzin gevoelde zich blijkbaar niet op zijn plaats, en het lachen zijner dikke lippen, toen Stipan binnen kwam, scheen te zeggen: "Nu, vriendje, hier heb je mij onder pleizierige lui geplakt! In het Chateau de fleurs behoor ik beter thuis!"—De oude vorst zat daar zwijgend en beschouwde met zijn kleine oogen van ter zijde Karenin, en Stipan zag het hem aan, dat hij reeds een kwinkslag had uitgedacht, waardoor hij dezen grooten staatsman wilde stempelen.—Kitty keek naar de deur en verzamelde al haar krachten om bij het binnenkomen van Constantin Lewin niet te blozen. De jonge Tscherbatzky, dien men verzuimd had aan Karenin voor te stellen, beijverde zich te toonen, dat hij zich deswege niet geneerde, en Karenin zelf was, naar Petersburgsche zeden, als dames aan het diner deel nemen, in rok en witte das verschenen. Stipan zag het hem aan, dat hij slechts gekomen was om zijn woord te houden en dat hij met zijn aanwezigheid in dit gezelschap een zwaren plicht vervulde. Hij droeg ook de schuld van de kilheid, die alle gasten tot aan Stipans komst bevangen hield.

Bij zijn intrede in het salon verontschuldigde Stipan zich met de verklaring, dat hij door zekeren vorst lang was opgehouden (deze was de bestendige zondenbok zoo dikwijls hij zich verlaatte) en toen stelde hij in een oogenblik allen aan elkander voor: Alexei Alexandrowitsch bracht hij bij Sergej Kosnischew en gaf hun tot thema de Russificeering van Polen, waarover zij terstond met Peszow in gesprek geraakten. Terwijl hij daarop Turowzin op den schouder klopte, fluisterde iemand hem iets zots in en zette hem tusschen zijn vrouw en den ouden vorst. Daarop zeide hij tot Kitty, dat zij er heden bizonder goed uitzag en stelde den jongen Tscherbatzky aan Karenin voor. Op die wijze had hij spoedig het gezelschappelijk deeg bijeen gekneed, zoodat het in het salon recht levendig werd en de stemmen luid klonken.

Alleen Constantin Lewin was er nog niet. Maar dat was ook recht goed, want toen Stipan door de eetzaal ging, bemerkte hij dadelijk, dat de portwijn en sherry van Depré en niet van Lewé gehaald waren; hij gebood daarom den koetsier nog aanstonds naar Lewé te rijden. In de eetzaal ontmoette Lewin hem.

"Kom ik te laat?"

"Wanneer kom je niet te laat?" antwoordde Stipan en nam Lewins arm onder den zijnen.

"Heb je groot gezelschap? Wie zijn er?" vroeg Lewin onwillekeurig blozend, terwijl hij met de handschoenen de sneeuw van zijn muts klopte.

"Alleen onze intiemste vrienden. Kitty is ook hier. Kom ik zal je aan Karenin voorstellen." In weerwil van zijn liberale gevoelens was Stipan Arkadiewitsch toch overtuigd, dat de bekendheid met Karenin voor ieder vleiend moest zijn, en daarom tracteerde hij nu zijn vrienden op hem. Maar op dit oogenblik was Lewin niet in de stemming om de eer van die kennismaking ten volle te waardeeren. Sedert dien avond, toen hij Wronsky bij haar had getroffen, had hij Kitty niet wedergezien, behalve in dat oogenblik toen zij hem op de landstraat voorbij reed.

Hij had het vermoed, dat hij haar heden hier vinden zou; maar, om de vrijheid zijner gevoelens te bewaren, had hij getracht zich zelf te overreden, dat hij er niets van wist. Toen hij nu van haar aanwezigheid hoorde, overviel hem plotseling zulk een blijde schrik, dat hij geen woord kon spreken. Hoe zou hij haar wedervinden? Als dezelfde, die zij vroeger was, of als degene, die hij in het rijtuig gezien had? Maar wat, als Dolly de waarheid had gezegd? En waarom zou dat ook niet waar zijn?" Dit waren ten naastebij zijn gedachten.

"Och wees zoo goed en stel me aan Karenin voor," zeide hij, met moeite eenigszins zijn bedaardheid hernemende, ging met gedwongen vaste schreden het salon binnen en—zag haar.

Zij was niet meer de vroegere, ook niet degene, die hij in het rijtuig gezien had, zij was een geheel andere en Dolly had de waarheid gesproken. Zij was verschrikt, schuchter, beschaamd en daardoor een des te bekoorlijker jong meisje. Zij zag hem dadelijk, toen hij binnen kwam. Zij was verheugd en schaamde zich over haar blijdschap in dier mate, dat er een oogenblik was—namelijk dat, waarin hij de gastvrouw naderde en daarop haar weer aanzag—waarin het Dolly, die alles opmerkte, toescheen, alsof zij wilde weenen. Zij bloosde, verbleekte, bloosde weer en verwachtte hem met bevende lippen. Hij trad op haar toe, boog zich en reikte haar zwijgend de hand. Hadden haar lippen niet getrild en had een vochtig waas haar oogen niet beneveld, dan had haar lachje kalm kunnen schijnen, terwijl zij tot hem sprak:

"Wij hebben elkander in langen tijd niet gezien!" en met een wanhopig besluit drukte haar koude hand de zijne.

"U heeft mij niet gezien, maar ik u wel!" antwoordde Lewin, terwijl hij van geluk straalde. "Ik heb u gezien, toen u van het station naar Pokrowka reed."

"Wanneer?" vroeg zij verwonderd.

"U reed naar Pokrowka," antwoordde Lewin, die gevoelde, dat het geluk zoozeer zijn hart overstroomde, dat hij er bijna in stikte. "En," dacht hij: "hoe heb ik met dit fijn gevoelend wezentje iets kunnen verbinden, dat niet volkomen onschuldig is? Ja het schijnt waar te zijn, wat Dolly gezegd heeft."

Stipan Arkadiewitsch nam hem bij de hand en geleidde hem naar Karenin.

"Zeer aangenaam de bekendschap te vernieuwen," zeide Karenin koel en drukte Lewin de hand.

"Hoe? reeds met elkander bekend?" vroeg Stipan verwonderd.

"Wij hebben op reis drie uren te zamen in een waggon gezeten," antwoordde Lewin lachend.

"O zoo! Maar ik verzoek u," zeide Stipan en wees in de richting der spijszaal.

De heeren traden binnen en begaven zich naar de tafel voor het tweede ontbijt, waarop zes verschillende soorten van wotki en even zooveel verschillende soorten van kaas, kaviaar, haring en conserven benevens borden en wittebrood gereed stonden.

Door de nabijheid van den geurigen wotki en de verwachting van den maaltijd werd het gesprek over de Russificeering van Polen tusschen Kosnischew, Karenin en Peszow gestaakt.

"Deze kaas kan ik u aanbevelen. Verkiest u?" zeide de gastheer. "Doet ge nu weer aan de gymnastiek?" wendde hij zich tot Lewin en bevoelde met de linkerhand diens spieren. Lewin lachte, kromde den arm en onder Stipans vingers vormde zich een veerkrachtige ronding als van kneedbaar staal, voelbaar door het fijne laken van den jas.

"Wat een Simson!"

"De berenjacht vereischt wel een groote kracht?" meende Alexei Alexandrowitsch, die van zulk een jacht een zeer onduidelijk begrip had. Lewin lachte.

"Volstrekt niet. Een kind kan een beer nederleggen," antwoordde hij en maakte met een lichte buiging voor de dames plaats, die met de gastvrouw bij het buffet kwamen.

"Ik hoor, u heeft een beer geschoten?" vroeg Kitty, terwijl zij tevergeefs trachtte met den vork een glibberigen paddestoel op te nemen en daarbij het geborduurd bezetsel van haar mouw terugschoof. "Heeft u dan beren in uw streek?" liet zij volgen, haar bekoorlijk hoofdje half naar hem omkeerend.

Het was niets bizonders wat zij zeide, maar welk een niet te beschrijven beteekenis lag in elken klank, in elke beweging der lippen, der oogen en der handen, terwijl zij sprak! Er lag daarin een bede om vergeving en vertrouwen, een schuchtere en teruggehouden teederheid, een beloven, een hopen en een liefde jegens hem, waaraan hij gelooven moest en die hem met een onmetelijk geluk vervulde.

"Neen, maar in het gouvernement Twersk. Op de terugreis van daar ontmoette ik uw zwager in den spoortrein. Dat was een komieke ontmoeting."

En schertsend en levendig vertelde hij, hoe hij na een doorwaakten nacht, in een boerenpels gehuld, Karenins coupé was binnengestormd. "De conducteur wilde mij uithoofde van mijn gewaad er uit transporteeren; toen begon ik hem met groote woorden te imponeeren; "maar ook u," wendde hij zich tot Karenin, "wilde eerst den boerenpels er uitjagen, doch daarna nam u mijn partij, waarvoor ik u zeer dankbaar ben."

"De rechten der passagiers in de keuze hunner plaatsen zijn in het algemeen moeielijk te bepalen," zeide Karenin.

"Ik zag ook, dat u in het onzekere waart," antwoordde Lewin met een goedig lachje, "en daarom haastte ik mij om door een beschaafd gesprek mijn schaappels weer van schuld te bevrijden."

Sergej Iwanowitsch, die, terwijl hij zich met de gastvrouw onderhield, met een half oor naar zijn broeder luisterde, zag hem nu van ter zijde aan en dacht: "Wat is er met hem vandaag?" Hij vermoedde niet, dat Lewin zich vleugels voelde wassen, want—zij luisterde naar zijn woorden en dat alleen interesseerde hem; dat gaf hem heden zelfvertrouwen en hij gevoelde zich op een hoogte geheven, waarop hem schier het hoofd duizelde en daar ergens ver beneden hem waren deze goede, prachtige Karenins, Oblonsky's en de geheele overige wereld!

Als toevallig en zonder het te bedoelen, plaatste Stipan Kitty naast Lewin, alsof voor haar geen andere plaats meer over was. Het diner was even kostbaar als het tafelgereedschap. De soep Louise was voortreffelijk uitgevallen. De kleine pasteitjes waren onberispelijk; zij smolten in den mond. Behalve Matjeff vervulden twee bedienden met witte dassen hun plicht onmerkbaar, stil en rustig.

Doch niet slechts de materiëele zijde van het diner was gelukt, maar ook de minder materiëele. Het gesprek was algemeen en opgewekt, het stokte nergens en werd tegen het einde zoo levendig, dat de heeren, zelfs nadat zij opgestaan waren, hun thema niet loslieten en dat zelfs Alexei Alexandrowitsch zich opgewekt gevoelde.

V.

Nadat het gesprek over verscheiden onderwerpen had geloopen, was het ook op het thema van vrouwen-emancipatie gekomen.

Alexei Alexandrowitsch had gezegd, dat men gewoon was een beschaafde vrouw voor een vrijdenkende vrouw te houden, en dat dit volstrekt niet was te billijken.

Hierop antwoordde Peszow: "Ik meen integendeel, dat deze beide vragen niet van elkander zijn te scheiden. Het gebrek aan beschaving heeft de vrouwen van haar rechten beroofd, en het ontbrak haar aan beschaving, omdat zij die rechten misten."

"U spreekt van rechten," zeide Sergej Iwanowitsch, "derhalve zoo wat rechten om gezworenen, leden der regeering, parlementsleden te worden…?"

"Voorzeker!"

"Maar verondersteld, dat er bij zeldzame uitzondering eenige dames waren, die deze plaatsen konden vervullen, dan schijnt mij daarvoor de uitdrukking "rechten" niet geheel juist gekozen. Juister ware het daar van "plichten" te spreken. Want als wij een derglijken post als b.v. van telegraafbeambte of regeeringsraad bekleeden, dan zijn wij ons bewust, dat wij daardoor een plicht vervullen. En dus zouden wij juister zeggen: De vrouwen verlangen plichten op zich te nemen, en dat zou volkomen rechtmatig zijn; want haar wensch om aan den algemeenen menschelijken arbeid deel te nemen, kan men slechts billijken."

"Volkomen juist," bekrachtigde Alexei Alexandrowitsch; "het is slechts de vraag, of zij de bekwaamheden bezitten om zulke plichten te vervullen."

"Deze bekwaamheden zouden zij bepaald hebben," bracht Stipan nu in, "als men haar de noodige opleiding liet te beurt vallen. Wij zien dat…."

"Hoe zegt het spreekwoord?" viel de vorst hem in de rede, die reeds lang met zijn kleine, spotachtig glinsterende oogen dit gesprek had gehoord; "slechts in tegenwoordigheid mijner dochter durf ik het zeggen: Haar haar is lang, maar kort is haar verstand…."

"Zoo heeft men ook van de negers tot aan hun bevrijding gedacht," zeide Peszow verdrietig.

"Ik moet mij slechts verwonderen, dat de vrouwen naar nieuwe plichten verlangen, waaraan de mannen, zooals wij zien, zich somwijlen gaarne onttrekken."

"Plichten zijn met rechten verbonden, met macht, geld en invloed; daarnaar trachten ook de vrouwen," antwoordde Peszow.

"Dat is juist zoo, als dat ik trachten zou naar het recht om minne te worden; het is een beleediging, dat men daarvoor slechts vrouwen wil aannemen en betalen en niet mij," zeide de oude vorst.

Turowzin barstte in een luid gelach uit en Sergej Iwanowitsch betreurde het, dat hij zelf dat niet gezegd had. Zelfs Alexei Alexandrowitsch lachte.

"Ja, maar een man kan toch niet zoogen," zeide Peszow; daarentegen vrouwen…."

"O jawel, een Engelschman heeft op een schip zijn eigen kind gezoogd," viel de oude vorst in, die zich zulk eene vrijheid in tegenwoordigheid zijner dochter veroorloofde.

"En zooveel zulke Engelschen er zijn, even zooveel vrouwen zijn er, die beambte zijn kunnen," sprak nu Sergej Iwanowitsch.

"Maar wat zal een meisje beginnen, dat geen familie heeft?" bracht Stipan weder in het midden terwijl hij onder dit gesprek voortdurend de danseres Tschibissow in het oog had.

"Maar wij komen voor het beginsel op, voor het ideaal," zeide Peszow met zijn basstem. "De vrouw wil het recht hebben, vrij onafhankelijk en goed ontwikkeld te kunnen zijn. Het bewustzijn, dit doel niet te kunnen bereiken, benauwt haar en drukt haar neder."

"En ik voel mij benauwd en neergedrukt, dat men mij niet als minne in het weeshuis wil aanstellen," hernam de oude vorst tot groote blijdschap van Turowzin, die van lachen de asperge met het dikke einde in de saus doopte.

VI.

Allen, behalve Lewin en Kitty, hadden aan dit algemeen gesprek deelgenomen. Deze beiden echter voerden een eigen gesprek met elkander of ten minste een geheimzinnige wisseling van gedachten, die hen elke minuut elkander nader bracht en in beiden het gevoel van een vroolijken schrik voor iets onbekends, welks oplossing zij naderden, te voorschijn riep.

Het eerst moest Lewin haar van de ontmoeting op de landstraat, toen hij haar des morgens had gezien, vertellen.

"Het was vroeg, zeer vroeg in den morgen. Het scheen, dat u zooeven was ontwaakt. Uw mama sliep nog in den hoek. Het was een zeldzaam schoone morgen. Ik ga daar heen en denk: Wie rijdt daar met dat vierspan? En in het zelfde oogenblik zweefde u mij voorbij, ik keek het venster in en u zat daar, hield met de handen de banden van uw mutsje vast en scheen in nadenken verzonken," zeide hij lachend. "Hoe gaarne had ik geweten, waaraan u dacht. Was het iets gewichtigs?"

"Wat moet ik er verwaaid hebben uitgezien!" dacht zij, maar toen zij zijn gelukkig lachje zag, bemerkte zij, dat zij integendeel een goeden indruk op hem moest gemaakt hebben. Zij bloosde even en glimlachte blijmoedig. "Waarlijk ik weet het niet."

"Hoe lustig lacht die Turowzin," zeide Lewin en bewonderde Turowzins vroolijke oogen en huppelende houding.

"Kent u hem al lang?" vroeg Kitty.

"Wie kent hem niet?" vroeg Lewin.

"Ik zie echter, dat u hem voor een verkeerd mensch houdt."

"Niet voor een verkeerd, maar voor een onbeduidend mensch."

"Dat is echter niet zoo en spoedig zal u anders over hem denken," zeide Kitty; "ik had eerst ook geringe gedachten van hem, maar hij is een zeer aangenaam en goedhartig mensch. Zijn hart is uitmuntend. Den vorigen winter, kort nadat—u by ons was," zeide zij met een beschaamd, maar vertrouwend lachje, "werden Dolly's kinderen aangetast door het roodvonk en hij bezocht ze eens. En denk eens," sprak zij zacht, "hij had zulk een medelijden, dat hij er bleef en haar hielp in de oppassing der kinderen; ja, drie weken bleef hij in haar huis en verpleegde de kinderen als een dienstmeid."

Lewin zag Turowzin nog eens aan en verwonderde zich, dat hij tot hiertoe de deugd van dezen mensch nog niet opgemerkt had.

"Vergeef mij, ik zal voortaan over niemand meer ongunstig denken," zeide hij vroolijk en hij gevoelde, dat hij zijn oprechte meening uitsprak.

VII.

Het gesprek over vrouwenrechten had intusschen een voor de tegenwoordigheid der dames kritieke wending genomen; het had zich namelijk gericht op de ongelijkheid der rechten in het huwelijk. Peszow had reeds herhaalde aanduidingen in deze richting gedaan, die Sergej Iwanowitsch en Alexei Alexandrowitsch steeds voorzichtig hadden weten af te leiden. Nu wendde Peszow zich rechtstreeks tot Alexei Alexandrowitsch en voerde als bewijs der grootste ongelijkheid tusschen de mannelijke en vrouwelijke rechten de daadzaak aan, dat de ontrouw van den man en die der vrouw verschillend werden beoordeeld, zelfs zoowel van de zijde der wetten als van die der openbare meening.

Stipan naderde snel zijn zwager en bood hem aan te rooken.

"Neen, ik rook niet," zeide Karenin kalm, alsof hij uitdrukkelijk toonen wilde, dat hij het gesprek niet vreesde en wendde zich toen met een koelen lach tot Peszow:

"Mij dunkt, dat de grond daarvoor in de gesteldheid der dingen zelf is te zoeken," zeide hij en wilde tot iets anders overgaan. Maar plotseling zeide Turowzin tot hem:

"Heeft u reeds van Wassja Priasnitschnikow gehoord? Men heeft mij vandaag verteld, dat hij een duel met Kritschky gehad en hem gedood heeft."

"Het schijnt dat men altijd de gewonde plek moet aanraken," dacht Stipan. Hij wilde zijn zwager ter zijde voeren, maar deze vroeg nieuwsgierig, waarom Priasnitschnikow dan geduelleerd had.

"Wegens zijn vrouw. Hij heeft recht gehandeld, hij daagde den ander uit en doodde hem."

"Zoo!" zeide Alexei Alexandrowitsch onverschillig en ging met opgetrokken wenkbrauwen het salon in.

"Wat ben ik blijde, dat ge gekomen zijt," zeide Dolly hier tot hem met een verlegen lachje; "ik moet eenige woorden tot u spreken. Laat ons gaan zitten."

"Ik wilde u juist verzoeken mij te verontschuldigen, daar ik afscheid moet nemen. Ik moet morgen verder reizen."

Darja Alexandrowna was vast van Anna's onschuld overtuigd; zij voelde dat zij verbleekte en dat haar lippen uit verontwaardiging tegen dien kouden, gevoelloozen man, die zoo bedaard haar onschuldige vriendin wilde te gronde richten, begonnen te trillen.

"Alexei Alexandrowitsch," zeide zij en zag hem vastberaden in de oogen. "Ik heb u eerst naar Anna gevraagd en ge hebt mij geen antwoord gegeven. Hoe gaat het haar?"

"Ik geloof, dat zij gezond is, Darja Alexandrowna," antwoordde hij, zonder op te zien.

"Alexei Alexandrowitsch, vergeef mij, ik heb geen recht … maar ik heb liefde en achting voor Anna; ik bid en bezweer u, zeg mij, wat er tusschen u is voorgevallen? Waarom beschuldigt ge haar?" Zijn voorhoofd rimpelde zich, en terwijl hij de oogen sloot, boog hij het hoofd.

"Ik veronderstel, dat uw echtgenoot u de reden zal medegedeeld hebben, waarom ik het noodig acht mijn tegenwoordige betrekking tot Anna Arkadiewna te veranderen," zeide hij, zonder haar in de oogen te zien, terwijl hij intusschen ontevreden naar Tscherbatzky zag, die door het salon ging.

"Dat geloof ik niet, dat kan ik niet gelooven," riep Dolly met een afwijzend gebaar en wrong haar magere handen. Zij stond haastig op en legde haar hand op zijn arm. "Men zal ons hier storen; ik smeek u, kom mede."

Haar opgewondenheid deelde zich ook aan hem mede. Hij stond op en volgde haar gewillig naar de leerkamer. Zij zette zich aan de tafel, die met wasdoek was bedekt, dat door pennemessneden was doorkorven.

"Neen, dat geloof ik niet," sprak Dolly en trachtte hem in de oogen te zien.

"Men moet daadzaken toch geloof schenken, Darja Alexandrowna," zeide hij, op het woord "daadzaken" den nadruk leggende.

"Wat heeft zij dan gedaan? Wat eigenlijk?"

"Zij heeft haar plicht vergeten en haar man bedrogen. Dat heeft zij gedaan."

"Neen, neen! dat is niet mogelijk! Om Godswil, neen! Ge hebt u vergist!" riep Dolly uit, terwijl zij met de handen de slapen bedekte en de oogen sloot.

Alexei Alexandrowitsch lachte koel, maar deze warme verdediging opende de wonde weder, zonder hem echter in zijn besluit te doen wankelen. Hij begon nu met meer levendigheid te spreken.

"Aan een dwaling is wel moeielijk te denken, als de vrouw zelf haar man verklaart, dat acht jaren vereenigd leven, dat zoon en familie, dat alles slechts een dwaling was en dat zij beginnen wil van voren af aan te leven," zeide hij heftig door den neus ademend.

"Anna en misdrijf! Hoe voegt dat samen? Dat kan ik niet gelooven!"

"Darja Alexandrowna," zeide hij en zag haar nu rechtstreeks in het opgewonden, goedhartig gelaat; hij voelde zijn tong ontbloeid. "Ik had er veel voor gegeven, als nog een twijfel mogelijk was. Toen ik nog twijfelde, was het mij zwaar, doch lichter dan nu. Toenmaals had ik nog hoop, maar nu ook dat niet meer; nu twijfel ik aan alles zoo, dat ik zelfs mijn zoon haat en somwijlen niet geloof, dat hij werkelijk mijn zoon is. Ik ben zeer ongelukkig."

Dat behoefde hij niet te zeggen; dat begreep Darja Alexandrowna terstond, toen hij haar in het gelaat zag en zij had medelijden en was in haar geloof aan de onschuld harer vriendin geschokt. "Och, dat is verschrikkelijk, ontzettend! Maar is het werkelijk waar, dat ge besloten zijt, van haar te scheiden?"

"Ik ben tot dezen laatsten stap besloten. Er blijft niets anders meer over."

"Niets anders over?" vroeg zij met tranen in de oogen. Zij wist, dat er nog een zaak overbleef, datgene, wat zij zelf gedaan had—haar kruis op zich te nemen. "Neen, er blijft toch nog iets over!" zeide zij.

"Het ergste is, dat men in zulk een ongeluk niet zoo doen kan, als bij iets anders. Bij verlies door den dood moet men zijn kruis dragen, maar hier moet men handelen," zeide hij, alsof hij haar gedachten wilde raden. "Uit zulk een vernederenden toestand moet men zich bevrijden; het is niet mogelijk met drieën te leven."

"Ik begrijp dat," zeide Dolly en boog het hoofd. Zij zweeg en dacht aan haar eigen leed, maar plotseling hief zij met een gevoel van energie het hoofd op en legde de handen als bezwerend ineen. "Maar bedenkt, dat gij een Christen zijt! Denk aan haar; wat zal er van haar worden, als gij haar verlaat?"

"Ik heb daaraan gedacht, Darja Alexandrowna, en wel veel gedacht." Roode vlekken bedekten zijn gelaat. Met buitengewoon schitterende oogen staarde hij haar aan. Dolly had hartelijk medelijden met hem. "Ik heb dat gedaan, juist destijds, toen zij mij haar schande beleed, en ik wilde alles bij het oude laten. Maar wat is daaruit geworden? Zij heeft niet eens de geringste voorwaarde vervuld om ten minste de welvoeglijkheid te bewaren," sprak hij opgewonden. "Een mensch, die niet te gronde wil gaan, kan men wel redden, maar als de natuur reeds zoo bedorven is, dat hem zelfs de ondergang als redding voorkomt, wat kan men dan doen?"

"Alles, slechts geen scheiding!" antwoordde Dolly.

"Maar wat noemt gij alles?"

"Neen, dat is ontzettend. Zij zou de vrouw noch van den een noch van den ander zijn! Zij zou te gronde gaan!"

"Derhalve, wat kan ik doen?" vroeg Karenin de schouders en de wenkbrauwen optrekkend. De herinnering aan de laatste overtreding zijner vrouw vertoornde hem zoodanig, dat hij weer koel en bezonnen werd als bij het begin van het gesprek. "Ik ben u voor uw deelneming zeer dankbaar,—maar ik moet nu vertrekken," zeide hij en stond op.

"Neen, wacht nog een weinig? Ge moogt haar niet te gronde richten. Wacht nog, ik wil u wat zeggen. Ook ik ben gehuwd en mijn man heeft mij bedrogen; uit toorn en ijverzucht wilde ik ook alles verlaten, alles opgeven, maar ik kwam tot bezinning en wie, wie heeft mij gered? Anna! En ik leef, de kinderen groeien voorspoedig op, mijn man behoort zijn familie weer toe en heeft berouw over zijn onrecht, wel niet altijd, maar hij gevoelt het, hij wordt reiner en beter, en ik leef niet ongelukkig…. Ik heb vergeven en gij moet ook vergeven."

Alexei Alexandrowitsch luisterde, maar haar woorden oefenden op hem geen invloed uit. In zijn ziel was al de toorn van den dag, toen hij tot de scheiding besloten had, opgehoopt. Hij bewoog zich heen en weer en zeide met zijn doordringende, scherpe stem: "Vergeven?" Ik kan en wil niet vergeven, ik houd dat voor onrechtmatig. Voor deze vrouw heb ik alles gedaan, maar zij heeft alles, wat haar eigen is, in het slijk vertreden. Tk ben geen boos mensch: ik heb nimmer iemand gehaat, maar haar haat ik met alle krachten mijner ziel en ik kan haar onmogelijk vergeven, omdat ik haar te zeer haat om al het kwaad, dat zij mij heeft aangedaan." Dit sprak hij met tranen des toorns in zijn stem.

"Doe wel degenen, die u haten," fluisterde Darja Alexandrowna verlegen.

Alexei Alexandrowitsch lachte verachtelijk. Hij kende dat schriftwoord lang genoeg, maar in dit geval was het niet te passen.

"Ja, maar hen, die men niet liefhebben kan, omdat zij iemand het hart verscheuren, omdat zij voortgaan zijn geheele menschelijke natuur te tergen en in oproer te brengen…. Vergeef mij, dat ik u ontroerd heb. Ieder heeft zijn eigen leed…."

En terwijl hij zijn bedaardheid herwon, nam Karenin kalm afscheid en reed naar zijn hotel terug.