WeRead Powered by ReaderPub
Anna Karenina cover

Anna Karenina

Chapter 80: VIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel interweaves two principal narratives: one traces a married woman's passionate affair and the social, familial, and moral consequences that follow; the other follows a thoughtful man as he seeks purpose, wrestles with questions of work, faith, and the rhythms of rural life. Through detailed scenes of domestic routine and society, the book examines marriage, fidelity, isolation, public reputation versus inner life, and the search for meaning, contrasting urban social pressures with personal conscience and the restorative presence of the natural world.

VIII.

Toen het diner was geëindigd, wilde Lewin zich met Kitty naar het salon begeven, maar hij vreesde, dat hij haar door haar zoo blijkbaar het hof te maken lastig zou vallen. Derhalve bleef hij in het gezelschap der heeren terug en nam deel aan het algemeen gesprek; maar zonder Kitty te zien, droeg hij toch kennis van haar bewegingen, van haar blik en de plaats, waar zij zich in het salon had nedergezet. Plotseling was het hem, alsof zij hem naderde; hij keerde zich om en zag haar werkelijk met Tscherbatzky in de deur staan en naar hem kijken. Hij stond op en ging naar haar toe.

"Ik dacht," zeide hij, "dat u zich aan de piano had gezet. Muziek is iets, dat mij op het land ontbreekt."

"Neen, wij zijn gekomen om u te roepen. Ik dank u, dat u gekomen zijt." En zij beloonde hem met een lach als met een geschenk. "Welk genoegen kan het u geven, hier te zitten strijden. Men overtuigt elkander toch niet."

"Ja, dat is waar," antwoordde Lewin. "Meestal strijdt men opgewonden voor eigen meening zonder te begrijpen, wat de tegenpartij bewijzen wil."

Tscherbatzky verwijderde zich van hem, en terwijl Kitty aan een opgeslagen speeltafeltje ging zitten, nam zij een stukje krijt in de hand en begon allerlei strepen en kringen op het groene doek te teekenen. In haar oogen lag een stille glans, en hij, zich geheel in haar toestand verplaatsend, gevoelde door geheel zijn wezen een immer sterker wordende, gelukkige spanning.

"Ik wilde u al lang iets vragen," zeide hij en ging naast haar zitten. Hij zag in een paar vriendelijke, hoewel verschrikte oogen.

"Ik bid u, vraag het."

"Hier!" zeide hij, nam het krijt en schreef de eerste letters van den volgenden zin:

"Toen u mij zeide: het kan niet zijn, beteekende dit nimmer of slechts toenmaals?"

Het was onmogelijk, dat zij dezen gecompliceerden zin zou begrijpen, maar hij zag haar zoo aan, alsof zijn leven er van af hing, dat zij deze woorden wist te raden.

Zij zag hem vrijmoedig aan, toen steunde zij nadenkend het gefronst voorhoofd met de hand en bestudeerde de letters. Een paar maal zag zij hem vragend aan: "Is het dat wel, wat ik denk?"

"Ik heb het verstaan," zeide zij eindelijk blozend.

"Wat beduidt dat woord?" vroeg hij en wees op de n, die "nimmer" moest beteekenen.

"Dat wil zeggen "nimmer," maar het is niet waar." Hij wischte het haastig weer uit en reikte haar het krijt over. Zij schreef T.k.i.n.a.a.

Dolly had zich reeds eenigszins van de bekommering, door haar gesprek met Karenin bij haar verwekt, hersteld, toen zij bij haar binnenkomst dadelijk deze beide gestalten aanschouwde. Kitty met het krijt in de hand, den schuchteren, gelukkigen blik naar boven op Lewin gericht, en zijn schoone over de tafel gebogen gestalte, zooals hij met schitterende oogen nu op haar, dan op de tafel nederzag.

Plotseling ontvlamden zijn oogen; hij had begrepen, dat de letters beteekenden: "Toen kon ik niet anders antwoorden."

Hij zag haar vragend en twijfelend aan: "Slechts toen?"

"Ja," antwoordde haar lach.

"En—en nu?" vroeg hij.

"Lees het maar. Ik schrijf datgene wat ik zeer wensch, zeer wensch."—Zij schreef de eerste letters van: "Ik verzoek mij te vergeven en het gebeurde te vergeten."

Hij greep het krijt en met een hand, die van opgewondenheid beefde, schreef hij: "Ik heb niets te vergeven en te vergeten; ik heb niet opgehouden u te beminnen."

Zij zag hem ademloos aan.

"Ik heb het begrepen," fluisterde zij.

Hij zette zich neder en schreef nu een lange phrase. Zij verstond alles, nam het krijt en antwoordde dadelijk.

Hij kon het een poos niet ontcijferen en zag haar dikwijls in de oogen. Het was hem of door louter zaligheid een verduistering over hem kwam; in de bekoorlijke, van geluk stralende oogen las hij alles, wat hij weten wilde. En nu schreef hij drie letters, maar hij had ze nog niet voltooid toen zij ze reeds ontraadseld had en tot antwoord schreef: "Ja."

"Je schijnt hier secretarisje te spelen?" vroeg de oude vorst, die hen was genaderd. "Maar we moeten opbreken, als je nog bij tijds in den schouwburg wilt zijn."

Lewin stond op en geleidde Kitty tot aan de deur.

In hun spel was alles gezegd; hij wist, dat zij hem beminde en dat zij haar ouders zeggen zou, dat hij morgen komen wilde.

IX.

Toen Kitty was weggereden, gevoelde Lewin zich zoo verlaten, door zulk een onrust aangegrepen en door zulk een ongeduldig verlangen om de uren tot den eerstvolgenden dag zoo snel mogelijk te dooden, om haar maar weder te zien en zich dan voor immer met haar te vereenigen, dat hij voor deze veertien uren, die hij nog zonder haar moest doorbrengen, als voor den dood vreesde. Het was hem een behoefte, met iemand samen te komen en te praten om den tijd te verdrijven. Het aangenaamst gezelschap was Stipan voor hem, maar deze reed, zooals hij zeide, naar een soirée, maar in werkelijkheid naar het ballet. Lewin vond nog slechts zooveel tijd om hem te zeggen, dat hij gelukkig was en dat hij veel van hem hield en nimmer, nimmer vergeten zou, wat hij voor hem gedaan had. Stipan had niets geantwoord, maar zijn schitterende oogen en zijn lachend gelaat toonden, dat hij dit gevoel wist te waardeeren, dat hij wist, dat dit gevoel verhevener was dan alle woorden—en zoo drukte hij hem geroerd de hand.

Toen Lewin van Darja Alexandrowna afscheid nam, zeide zij, nadat zij hem gefeliciteerd had: "Wat ben ik blijde, dat gij het met Kitty gevonden hebt; men moet oude vriendschap in waarde houden."

Deze woorden deden Lewin onaangenaam aan. Dolly kon onmogelijk begrijpen, hoe alles bij hen verheven en voor haar onbereikbaar was.

Zoo nam Lewin afscheid van hen, maar om niet alleen te blijven, sloot hij zich bij zijn broeder aan.

"Waar gaat ge heen?"

"Naar de zitting."

"Nu, als ge er niets tegen hebt, rijd ik mede."

"Waarom niet? Kom, wij rijden heen. Wat is er van daag met je?"

"Wat er met mij is? Geluk is er met mij," antwoordde Lewin en liet het rijtuigvenster vallen. "Het hindert je toch niet, 't is hier binnen zoo benauwd. Ja, ik heb geluk. Waarom ben jij niet getrouwd?"

Sergej lachte.

"Ik verheug er mij zeer over. Zij schijnt een uitmuntend meisje…."

"Zeg niets, zeg niets!" riep Lewin uit, greep zijn pelskraag met beide handen en trok hem over de ooren. "Zij schijnt een uitmuntend meisje," waren zulke gewone, eenvoudige woorden, dat zij zijn gevoel volstrekt niet uitdrukten.

Sergej lachte vroolijk en luid.

"Maar ik mag toch zeggen, dat ik er mij zeer over verheug?"

"Morgen kunt ge dat, morgen, maar nu niets meer! Hoor je? Nu zwijgen!"

Zij reden naar de zitting, en alle menschen, die Lewin daar zag, kwamen hem goed en beminnelijk voor. Maar de zitting was reeds om negen uur geëindigd en derhalve zocht Lewin, om den tijd maar door te komen, nog eenigen zijner vrienden op, zoodat het twee uur in don nacht was geworden, toen hij in zijn hotel terugkwam. Hij verschrok bij de gedachte, dat hij nu, met zijn ongeduld alleen, nog tien uren moest wachten. De huisknecht, die den nachtdienst had, stak voor hem het licht op en wilde weer gaan maar Lewin hield hem terug. Deze huisknecht Gregoor op wien Lewin vroeger niet gelet had, bewees nu een zeer verstandig en braaf en, wat de hoofdzaak was, een gevoelig mensch te zijn, even als heden alle andere menschen waren.

"Valt het je niet zwaar, dat je niet moogt slapen, Gregoor?"

"Wat zal men doen? Dat brengt de dienst zoo mede. In een privaat huis is het gemakkelijker, maar hier verdien ik meer."

Het bleek, dat Gregoor familie had, drie zoons en een dochter, die naaister was en binnen kort met een zadelmakersknecht zou trouwen.

Dit gaf Lewin gelegenheid aan Gregorius zijn gevoelen mede te deelen, dat in den echt de liefde de hoofdzaak is; want met deze zou men altijd gelukkig zijn, daar men dan het geluk in zich zelf droeg.

Gregorius luisterde oplettend naar Lewins betoog en maakte om het te bevestigen de voor Lewin verrassende opmerking, dat hij vroeger bij goede heeren gediend had, en ook nu was hij met zijn meester tevreden, hoewel deze een Franschman was.

"Een buitengewoon goed mensch," dacht Lewin.

"Nu, en jij, Gregoor, toen jij trouwde, heb je toen je vrouw lief gehad?"

"Hoe zou ik ze niet lief gehad hebben?" antwoordde Gregoor.

Op dit oogenblik klonk de bel en Gregoor snelde heen.

Lewin had den geheelen dag bijna niets gebruikt, maar hij dacht aan geen avondeten. Hij had den geheelen nacht niet geslapen en toch dacht hij ook nu aan geen slaap. Het was koel in de kamer en evenwel drukte hem de warmte. Hij opende de beide ventilators in het venster en ging daartegenover aan de tafel zitten. Achter een besneeuwd dak zag hij een bouwvallig kruis uitsteken en daarboven den driehoek van den Wagen en de zacht glanzende Capella. Hij staarde nu op het kruis, dan naar de ster, ademde de koude binnendringende winterlucht in en ging voort zich, als in den droom, met de opdagende beelden en herinneringen bezig te houden.

Ten zeven ure verschenen de knechts om te boenen, er werd voor de mis geluid, en Lewin bemerkte, dat hij koud werd. Hij sloot de vensters, trok zijn pels aan en ging de straat op.

X.

Op de straten was het nog geheel ledig, Lewin ging tot aan het huis der Tscherbatzky's. De inrijpoort was nog gesloten en alles sliep. Hij ging naar het hotel terug, in zijn kamer en bestelde de koffie. Hij beproefde te drinken en een kalatsch er bij te eten, maar dit laatste wilde niet gelukken. Hij trok zijn overjas aan en ging weer naar buiten. Hij wandelde door de straten, terwijl hij elk oogenblik naar de klok zag en blijmoedig naar alle zijden in het rond keek.

Veel van hetgeen hij daarbij opmerkte, had hij vroeger niet gezien. Hoofdzakelijk de schoolkinderen, de grijze duiven, die van de daken op het plaveisel nedervlogen, de met meel bestrooide saïki's (een soort boterkoeken), dien een onzichtbare hand voor het uitstalvenster schoof—dit alles maakte indruk op hem. Deze saïki, twee schoolknapen en de duiven waren voor hem bekoorlijke voorwerpen. Een der knapen liep achter de duiven en keek Lewin lachend aan, de duiven klapten met de vleugels en vlogen weg, in de lucht zweefden enkele kleine sneeuwvlokjes, die glinsterden in de zon en uit de vensters stroomde de geur van verschgebakken brood. Alles was zoo schoon, dat Lewin bijna van blijdschap lachte en weende.

Zoo had hij een geruimen tijd de straten doorgewandeld en eindelijk was het twaalf uur geworden. Hij nam een droschke en reed naar de Tscherbatzky's.

De portier wist alles reeds volkomen. Dat was aan den glimlach te bespeuren, waarmede hij zeide: "U is in lang niet bij ons geweest, Constantin Dimitritsch."

"Allen reeds opgestaan?"

"Kom u binnen!"

"Bij wien beveelt u, dat ik u aandien?" vroeg de bediende.

Deze bediende was nog een jonge, praatzieke vlasbaard, maar toch een best mensch, die alles ook goed begreep.

"Bij den vorst—bij de vorstin—bij de prinses"—antwoordde Lewin.

De eerstvolgende persoon, die hij ontmoette, was mademoiselle Linon. Zij ging door de zaal en haar lokken en gezicht blonken. Hij wilde haar juist aanspreken, toen op dat oogenblik het geruisch van een kleed zich achter de deur liet hooren en mademoiselle Linon verdween uit zijn oogen. De blijde verwachting van zijn naderend geluk doortrilde hem. Mademoiselle haastte zich weg te komen en liet hem alleen. Nauwelijks was zij heengegaan, toen snelle, zeer snelle schreden op het parket werden gehoord en—zijn geluk, zijn leven, het beste deel van hem zelf naderde hem haastig, zeer haastig. Zij ging niet, zij vloog hem door een onzichtbare hand opgeheven te gemoet. Zij stond voor hem, hief haar armen op en sloot ze in elkander. Zoo snel zij kon, was zij naar hem toegeijld en gaf zich verheugd en schuchter geheel aan hem over. Hij omhelsde haar en drukte zijn lippen op de hare, die zijn kus zochten.

Ook zij had den geheelen nacht niet geslapen en hem den geheelen langen morgen verwacht. De ouders stemden volkomen toe en waren gelukkig in haar geluk.

"Kom mee naar mama," zeide zij en greep zijn hand. Hij vermocht een geheele poos niets te zeggen, niet omdat hij vreesde door woorden de diepte zijner gevoelens te kort te doen, maar veeleer, omdat telkens, als hij spreken wilde, tranen zijn stem verstikten. Hij greep haar hand en kuste ze.

"Is dit werkelijkheid?" vroeg hij met doffe stem. "Ik kan het in het geheel niet vatten, dat jij mij bemint!"

Zij lachte tevreden bij dit "jij" en over de schuchterheid, waarmede hij haar beschouwde.

"Ja!" zeide zij langzaam, vol beteekenis: "Ik ben zoo gelukkig."

Zonder zijn hand los te laten, ging zij met hem het salon binnen. De vorstin begon, toen zij haar zag, snel adem te halen, daarop te weenen en terstond weer te lachen; toen ijlde zij hem te gemoet, kuste hem en bevochtigde zijn wangen met tranen.

"Dus alles tot een goed einde! Ik verheug er mij over. Ik houd veel van u!"

"Vlug gegaan!" zeide de oude vorst, trachtende onverschillig te schijnen; maar Lewin bemerkte, toen hij zich tot hem wendde, dat ook zijn oogen vochtig waren.

"Dat heb ik lang en nimmer iets anders dan dat gewenscht," zeide hij,
Lewins hand grijpend: "Ook toen, toen deze dwaze…."

"Papa!" riep Kitty uit en hield hem den mond met haar hand dicht.

"Nu, dan zal ik niet …" zeide hij; "ik verheug mij … boven mate … ach, wat ben ik dom."

Hij omhelsde Kitty, kuste haar gelaat, haar hand en bekruiste haar.

Een nieuw gevoel van genegenheid voor dezen hem anders vreemden man werd in Lewin opgewekt, toen hij zag, hoe teeder en lang Kitty zijn vleezige hand kuste.—

De vorstin was de eerste, die alles bij zijn naam noemde en hun gedachten op de practische levensvragen vestigde. Dit kwam allen in het eerste oogenblik recht zonderling en onaangenaam voor.

"Wanneer wilt ge de verloving ingezegend en afgekondigd hebben? En laat ons overleggen, wanneer de bruiloft kan gehouden worden. Wat dunkt u, Alexander?"

"Dat moet hij bepalen," zeide de oude vorst en wees op Lewin. "Hij is daarbij de hoofdpersoon."

"Wanneer?" vroeg Lewin blozend; "als u mij vraagt, dan wensch ik vandaag het inzegenen en morgen de bruiloft."

"Nu, mijn lieve Lewin, dat is onzin."

"Nu, dan de volgende week."

"Hij is als waanzinnig!"

"Waarom toch?"

"Mijn lieve hemel!" zeide de moeder vroolijk lachend om zijn haast:
"En het uitzet?"

"Moet er dan werkelijk een uitzet en al dat andere zijn?" dacht Lewin ontsteld. "Waarom zou dat alles mijn geluk bederven?" Hij zag Kitty aan en zag dat de gedachte aan het uitzet haar niet het minst had beleedigd. "Dan moet het wel zoo zijn!" dacht hij.

Nadat de ouders hen hadden verlaten, naderde hij zijn bruid en greep haar hand. Hij was nu weer tot zich zelf gekomen en kon weer spreken en hij moest haar zooveel zeggen. Maar hij zeide altijd iets anders, dan noodig was.

"Ik wist, dat het zoo zou komen. Ik waagde nooit te hopen, maar innerlijk was ik er toch van overtuigd," zeide hij. "Ik geloof, dat het was voorbeschikt."

"En ik," zeide zij, "reeds toen…." Zij stokte, maar hem met haar oprechte oogen vastberaden aanziende, ging zij voort: "Ja toen reeds, toen ik mijn geluk van mij stiet, heb ik slechts u alleen lief gehad, maar ik was verblind. Ik moet het uitspreken: kunt ge dat vergeten?"

"Wellicht strekte het tot ons best. Ook gij moet mij veel vergeven. Ik moet u zeggen…."

Hij was dadelijk besloten haar twee dingen te bekennen, namelijk dat hij niet zoo zedelijk rein was als zij, en dat hij in godsdienstig opzicht niet geloovig was. Dat was onaangenaam, maar hij achtte het zijn plicht haar zoowel het eene als het andere dadelijk te biechten.

Hun gesprek werd door mademoiselle Linon gestoord, die met een overdreven vriendelijke, maar ook hartelijke, lachende uitdrukking in het gelaat, haar lievelingsleerlinge kwam gelukwenschen. Toen kwamen de aanverwanten en daarop begon die gelukkige en woelige drukte, waarvan Lewin voor den dag der bruiloft niet weer bevrijd zou worden. Deze drukte verveelde hem somwijlen, maar het gevoel van zijn geluk werd bij hem steeds levendiger. Hij had gedacht, dat zijn verloving niets gemeen zou hebben met die van anderen, maar eindelijk deed hij toch slechts hetzelfde, wat anderen deden.

"Maar nu zouden we bonbons kunnen eten," had mademoiselle Linon gezegd, en Lewin reed weg en ging bonbons koopen.

"Ik verheug me bizonder!" zeide een goede kennis. "Ik raad je aan de bouquetten bij Fomin te koopen."

"Zoo? Is dat noodig?" En hij reed naar Fomin.

Zijn broeder zeide: "Gij moest zorgen wat voorraad van geld te hebben, omdat er vele uitgaven zullen komen, geschenken…."

"Wat? Zijn geschenken noodig?" En hij liep in een galop naar Fuda; en overal zag hij, dat men hem verwacht had, dat men zich verheugde en hem voor den gelukkigsten mensch ter wereld hield.

Een gelijke ondervinding had ook Kitty. Toen gravin Nordston zich eens veroorloofd had aan te duiden, dat zij voor Kitty iets beters gewenscht had, wond zij zich zoo op en bewees haar zoo overtuigend, dat er in de wereld niets beters dan Lewin was, dat de gravin dit moest toestemmen en in het vervolg in Kitty's tegenwoordigheid Lewin steeds met een lachje der grootste ingenomenheid begroette.

De biecht, die hij Kitty beloofd had, was in dezen tijd een zeer gewichtige gebeurtenis. Hij had met den ouden vorst raad genomen en met instemming van dezen overhandigde hij Kitty zijn dagboek, waarin hij alles wat hem kwelde, had neergeschreven; hij had het geheel met het oog op zijn toekomstige vrouw geschreven. Zoo als gezegd is, waren het vooral twee dingen, die hem drukten: zijn ongeloof en zijn gemis van onschuld. De bekentenis van het eerste maakte niet veel indruk op haar; zij was godsdienstig, had nimmer aan de waarheden van den godsdienst getwijfeld, maar zijn ongeloof aan de waarde van de uitwendige instellingen der kerk trof haar niet, omdat zij zijn hart kende en daarin alles vond, wat zij wenschte, en dat zulk een gesteldheid des gemoeds ongeloof heette, was haar onverschillig. Maar om de andere bekentenis had zij bitter geweend.

Lewin had een zwaren inwendigen strijd gehad, vóór hij haar zijn dagboek overgaf. Maar er mocht tusschen hen geen geheim bestaan; dat het zulk een diepen indruk op haar maken konde, had hij niet vermoed. Toen hij eens op een avond uit den schouwburg kwam, zag hij een beschreid treurig gelaat vol droefheid, die hij haar had veroorzaakt en niet weer goed kon maken; toen zag hij de klove, die zijn verleden van haar engelenreinheid scheidde, en hij was ontroerd over hetgeen hij gedaan had.

"Neem het, neem het weg dit hatelijk boek!" zeide zij, het voor haar liggend beschreven boek van zich schuivend. "Waarom hebt ge het mij gegeven?—Maar neen, het is toch beter zoo," voegde zij er uit medelijden met de vertwijfeling, die uit zijn gelaat sprak, bij: "maar het is verschrikkelijk!"

Hij boog het hoofd en zweeg. Hij wist niets te zeggen.

"Ik heb het vergeven, maar het is afschuwelijk."

Zijn geluk was intusschen zoo groot, dat ook deze zijn schuldbekentenis het niet verder verstoorde, dan dat zij er een nieuwe schaduw aan verleende. Zij had hem zijn zonden vergeven; maar sedert achtte hij zich harer nog meer onwaardig, hij boog zich in zedelijk opzicht voor haar nog dieper en schatte zijn overdiend geluk slechts nog hooger.

XI.

Toen Alexei Alexandrowitsch de kamer van zijn hotel binnentrad, reikte een bediende hem twee telegrammen over. Het eene bevatte het bericht, dat Stremow benoemd was voor de betrekking, waarop Karenin zelf had gerekend. Hij wierp het telegram neder, zijn gelaat kleurde zich rood en hij begon de kamer op en neer te gaan. "Quos vult perdere Jupiter prius dementat…." zeide hij en bedoelde met "quos" juist die personen, die Stremow voor die betrekking hadden benoemd. Het veroorzaakte hem niet zoozeer verdriet, dat hij voorbijgegaan en miskend was, maar het was hem onverklaarbaar, dat men niet had ingezien, dat juist Stremow, die zwetser en phrasenheld, minder dan ieder ander voor dat ambt geschikt was. "Hoe is het mogelijk, dat zij niet begrijpen, hoe zij door deze benoeming hun prestige te gronde richten?"

Nog iets bitters van dezen aard zeide hij bij zich zelf, terwijl hij het andere telegram opende. Het kwam van zijn vrouw. De onderteekening "Anna" viel hem het eerst in het oog.

"Ik sterf. Ik smeek en bezweer u te komen. Met uw vergiffenis sterf ik geruster."

"Zou dat een listig bedrog zijn?" Dit scheen hem eerst buiten twijfel. Maar haar bevalling was op handen. "Wellicht kraamvrouwenkoorts. Maar wat is haar doel? Dat ik het kind zal erkennen? Dat ik mij compromitteer en de scheiding verijdeld wordt?" dacht hij. "Maar er staat: "Ik sterf…." Hij las de woorden nog eenmaal over en plotseling maakte hun zin een diepen indruk op hem.

"En als het nu toch eens waarheid was, als zij onder den indruk harer smarten en de nabijheid van den dood eens oprecht berouw had en ik was, omdat ik een list vermoedde, niet gekomen…. Dat zou niet alleen gevoelloos zijn en door ieder veroordeeld worden, maar het zou ook dom van mij zijn. Peter! laat het rijtuig niet weggaan. Ik vertrek dadelijk naar Petersburg!" zeide hij tot zijn bediende.

Zijn besluit was genomen, om naar Petersburg te gaan en er zijn vrouw te zien. Was haar ziekte slechts een voorwendsel, dan zou hij zwijgen en terstond weer afreizen. Was zij werkelijk den dood nabij en verlangde zij daarom naar hem, dan zou hij haar vergeven, als hij haar nog levend vond, haar de laatste eer bewijzen, als hij reeds te laat kwam.

Met een gevoel van afmatting en onfrischheid, dat men altijd van een in een wagen doorgebrachten nacht medebrengt, kwam Karenin in de droschke, die hem van het station de stad inbracht, voor zijn woning aan. De portier opende de deur, nog voor Karenin gescheld had. Petrow, de portier, zag er wonderlijk uit; hij droeg een ouden jas, geen halsdoek, en liep op pantoffels!

"Hoe gaat het met de barina?"

"Goddank! gisteren gelukkig bevallen."

Alexei Alexandrowitsch bleef staan en verbleekte. Het werd hem plotseling duidelijk, hoezeer hij op haar dood had gehoopt.

"En hoe bevindt zich de barina?"

Karnej kwam met een morgensloofje voor de trap afloopen.

"Zeer erg! Gisteren is consult gehouden en op dit oogenblik is er de dokter."

"Neem mijn goed!" zeide Karenin. Bij het bericht, dat er nog uitzicht op haar dood bestond, gevoelde hij een soort van verlichting en ging de voorkamer binnen.

Aan den standaard hing een officiersmantel. Karenin bemerkte hem dadelijk en vroeg: "Wie is daar binnen?"

"De dokter, de baker en graaf Wronsky."

"Ik wil alles verdragen, als het maar een einde neemt," dacht Karenin en ging door naar de binnenkamers. In het salon was niemand. Uit Anna's kamer kwam op het geluid zijner schreden de baker met een muts met lila linten op te voorschijn. Met de gemeenzaamheid, die de nabijheid van den dood verleent, ging zij op den huisheer toe, nam zijn hand en leidde hem het kabinet binnen.

"Goddank, dat u er is! Zij spreekt altijd van u."

"Breng toch dadelijk ijs," hoorde hij in de slaapkamer den dokter op bevelenden toon zeggen.

Aan Anna's schrijftafel zat Wronsky op een lagen stoel; hij had het gelaat met de handen bedekt en weende. Toen hij de stem van den dokter hoorde, sprong hij op, nam de handen van voor het diep verslagen gelaat en zag Alexei Alexandrowitsch voor zich. Hij werd zoo verlegen, dat hij zich weer nederzette en het hoofd voorover boog, alsof hij gaarne zou verdwijnen. Maar spoedig herstelde hij zich en zeide: "Zij sterft. De dokters geven geen hoop. Ik ben in uw macht, maar sta mij toe hier te blijven…. Overigens zooals u zult bevelen…."

Toen Alexandrowitsch Wronsky's tranen zag, overviel hem weer die ontroering, die het lijden van anderen steeds bij hem verwekte; hij wendde zijn gelaat af en ging haastig naar de deur der slaapkamer.

Uit deze werd nu Anna's stem gehoord. Deze klonk blijmoedig en zij sprak duidelijk en met nadruk. Alexei Alexandrowitsch kwam aan haar bed. Zij lag daar met het gelaat naar hem toegekeerd. Haar wangen gloeiden, haar oogen schitterden, haar kleine witte handen kwamen uit de kanten van haar nachtgewaad te voorschijn en speelden met de deken. Zij scheen niet slechts gezond en opgewekt, maar ook in de beste luim.

"Want Alexei…. Ik meen Alexei Alexandrowitsch…. Welk een verschrikkelijk, zonderling toeval, dat zij beiden Alexei heeten, niet waar?… Alexei zal niet weigeren; hij zal niet vergeten, dat hij mij heeft vergeven. Waarom komt hij niet? Hij is goed, hij weet zelf niet, hoe goed hij is. Ach, mijn God, welk lijden! Geef mij wat water! Ach, dat zal haar, mijn klein meisje, geen goed doen! Nu, geef haar een minne, het is zelfs beter zoo. Als hij komt, zal het hem genoegen doen haar te zien. Neem ze weg…."

"Alexei Alexandrowitsch is al gekomen. Hier staat hij," zeide de baker en beijverde zich Anna's aandacht op Karenin te vestigen. Maar deze zag hem voorbij.

"Ach, onzin! Geef mij het meisje, geef het mij. Hij is nog niet gekomen. Zij zeggen dat maar, omdat zij denken, dat hij niet zal vergeven; maar zij kennen hem niet. Niemand kent hem. Ik alleen, en mij is dat ook moeilijk gevallen. Men moet zijn oogen zien. Serëscha heeft geheel dezelfde en daarom kan ik ze niet aanzien. Heeft Serëscha te eten gekregen? Serëscha moet naar de hoekkamer verhuizen en men moet Marietta verzoeken, dat zij bij hem slaapt …"

Plotseling kromp zij ineen, werd stil en verschrikt en als tot verdediging hief zij de handen beschermend naar haar gelaat op alsof zij vreesde, dat iemand haar slaan zoude. Zij had haar echtgenoot in het oog gekregen.

"Neen, neen," begon zij weer, "voor hem ben ik niet bang; ik ben bang voor den dood. Kom hier, Alexei. Ik moet mij haasten, want ik heb geen tijd. Er blijft mij niet veel tijd om te leven over; de koorts zal dadelijk terugkomen, en dan begrijp ik niets. Nu begrijp en zie ik alles."

Karenins gelaat had een diep smartelijke uitdrukking aangenomen. Hij greep haar hand en wilde spreken, maar kon niet. Zijn kin beefde, maar hij bestreed deze opwelling en vermeed haar aan te zien. Doch steeds, zoodra zijn blik haar trof, zag hij haar oogen op hem gericht met zulk een roerende, teedere innigheid, als hij nooit bij haar gezien had.

"Wacht, gij weet niet…. Wacht toch, wacht…."

Zij verzamelde haar gedachten: "Ja," begon zij toen weder: "Ja, ja! Verwonder u niet over mij. Ik ben dezelfde … Maar in mij zit een andere, die ik vrees … En die heeft gindschen liefgekregen en wilde u haten, maar ik kon u niet vergeten, die vroeger waart. Die andere ben ik niet. Nu ben ik de rechte. En nu sterf ik, ik weet, dat ik sterven zal; vraag het hem. En nu voel ik ook het gewicht aan mijn handen, voeten en vingers. De vingers zijn zoo groot—kolossaal! Maar dat eindigt spoedig … Slechts eene zaak behoef ik nog. Gij moet mij vergeven, volkomen vergeven. Ik ben zeer slecht, maar de verpleegster heeft mij verhaald van de heilige zondares, hoe heet zij ook? die was nog slechter geweest. En dan ga ik naar Rome, daar is een groote woestijn, daar zal ik niemand hinderen, en neem Serëscha en het kleine meisje mede … Neen, ik weet, gij kunt mij niet vergeven, zoo iets kan men niet vergeven … Neen, neen, ga heen! Gij zijt te goed!"—Met een harer gloeiende handen hield zij zijn hand vast, met de andere stiet zij hem van zich.

Karenins ontroering werd hoe langer hoe grooter, zoodat hij eindelijk ophield daartegen te strijden. Een eigenaardige zielstoestand maakte zich van hem meester; een blijde geestdrift voor liefde en christelijke vergeving zijner vijanden. Hij viel op de knieën, legde zijn hoofd op haar arm, die door haar kleeding heen als vuur gloeide, en snikte als een kind. Zij omvatte zijn reeds kaal wordend hoofd, drong zich nader naar hem toe en hief, als in uitdagenden trots, haar boven naar boven.

"Daar is hij! Ik wist het immers wel! Nu vaartwel, vaart allen wel! Gij zijt weer hier? Waarom gaat gij niet?… Neem toch dezen pels weg!"

De dokter nam haar handen, legde ze voorzichtig op het kussen en bedekte haar schouders. Zij legde zich gewillig achterover en zag met schitterende oogen voor zich uit.

"Vergeet niet, dat ik niets behoef als uw vergiffenis; meer verlang ik niet…. Maar waarom komt hij niet?" vroeg zij en richtte haar blik naar Wronsky. "Kom hier, kom, geef hem de hand."

Wronsky ging naar het bed en bedekte zijn gelaat met de handen.

"Laat uw gezicht vrij—zie hem aan. Hij is een heilige!" zeide zij. "Laat toch uw gezicht vrij!" herhaalde zij geërgerd. "Alexei Alexandrowitsch, neem hem de handen van het gelaat. Ik wil hem zien."

Alexei Alexandrowitsch nam Wronsky's handen van diens gelaat. Smart en schaamte hadden het verschrikkelijk verwrongen.

"Geef hem de hand. Vergeef hem."

Karenin reikte hem de hand en kon de tranen niet weerhouden, die zijn oogen verduisterden.

"Goddank!" zeide zij: "Nu is alles in orde. Leg mij nog een weinig de voeten terecht. Zoo, zoo is het goed. Hoe smakeloos zijn deze bloemen geweven! Zij gelijken in 't geheel niet op vergeet-mij-nietjes!" sprak zij en liet haar blik over het vloerkleed gaan. "Mijn God! mijn God! wanneer neemt dit een einde? Geef mij morphine, dokter, geef ze mij. O mijn God, mijn God!" En van pijn krimpend woelde zij door het bed.

XII.

De dokters hadden Anna's ziekte voor een kraamvrouwenkoorts verklaard, die in honderd gevallen negen en negentig maal met den dood eindigde. Den geheelen dag lag zij in koorts, delirium of bewusteloosheid. Tegen middernacht lag de zieke bewusteloos en bijna zonder dat men kon bespeuren, dat het hart nog sloeg. Men verwachtte elk oogenblik haar einde.

Wronsky was naar huis gereden, maar kwam vroeg in den morgen weer om naar Anna's toestand te vernemen. Karenin ontmoette hem in de voorkamer en zeide: "Blijf. Wellicht vraagt zij naar u." Daarop bracht hij zelf hem naar het boudoir zijner vrouw.

Tegen den morgen begon zij weer zeer opgewonden te worden, haar gedachten en woorden overstroomden elkander en dan zonk zij weer in bewusteloosheid terug. Den derden dag herhaalden zich dezelfde verschijnselen, en de dokters verklaarden nu, dat er hoop op herstel bestond.

Dien dag kwam Alexei Alexandrowitsch in Anna's boudoir, trad op Wronsky toe en na de deur gesloten te hebben ging hij tegenover hem zitten.

"Alexei Alexandrowitsch," zeide Wronsky, die zag, dat het nu tot een verklaring zou komen, "ik kan niet spreken en niets begrijpen. Verschoon mij. Hoe zwaar het u ook vallen mag, geloof mij, dat ik nog verschrikkelijker lijd."

Hij wilde opstaan. Maar Karenin greep zijn hand en zeide: "Wat ik u bidden mag, hoor mij aan. Het is noodzakelijk. Ik moet u de gevoelens verklaren, die mij nu leiden en die mij in de toekomst leiden zullen. U moet ten mijnen opzichte niet in dwaling vervallen. U weet, dat ik tot echtscheiding was besloten en deze zaak reeds had ingeleid. Ik wil u niet verbergen, dat ik wankelde en mij zeer kwelde; ik beken, dat ik daarbij in de eerste plaats door den wensch geleid werd mij op u en op haar te wreken." Hij zag Wronsky openhartig en welwillend aan. "Toen ik dat telegram ontving, ging ik met dezelfde gevoelens hierheen, ja ik wil nog meer zeggen: ik wenschte zelfs haar dood. Maar …" Hij zweeg een oogenblik, overleggende, of hij hem al zijn gevoelens zou openleggen of niet.—"Maar ik zag haar en heb haar vergeven. En de zaligheid van het vergeven heeft mij geopenbaard, wat mijn plicht is. Ik heb volkomen vergeven. Ik wil ook de andere wang toekeeren, ik wil ook den mantel laten aan hem, die mij den rok heeft ontnomen en ik wil slechts God bidden, dat Hij mij de zaligheid van vergiffenis schenken niet ontneemt."

Tranen stonden in zijn oogen. Hun aanhoudende glans trof Wronsky.

"Ziet u, dat is mijn toestand. U kan mij in het slijk treden, tot spot der wereld maken, maar ik kan haar niet verlaten en zal haar geen enkel woord van verwijt toevoegen. Mijn plicht is mij nu duidelijk: ik moet aan haar zijde blijven. Als zij wenscht u te zien, zal ik het u laten weten, maar nu, dunkt mij, is het beter u verwijderd te houden…."

Hij stond op en kon van ontroering niet verder spreken. Ook Wronsky stond op en zag hem in gebogen houding eenigszins schuin aan. Hij begreep Karenins gevoelens niet. Maar hij besefte, dat in diens levensbeschouwing iets hoogers, voor hem onbereikbaars was gelegen.

XIII.

Na dit gesprek met Karenin verliet Wronsky langs de achtertrap diens huis. Buiten gekomen stond hij stil en kon zich nauwelijks voorstellen, waar hij zich bevond en waarheen hij zich begeven wilde. Hij gevoelde zich beschaamd, vernederd, schuldig en van de mogelijkheid beroofd deze vernedering van zich af te wijzen. Hij zag zich uit het spoor geworpen, waarin hij tot hiertoe zoo licht en veilig was voortgereden. Alle gewoonten en regels van zijn leven, die hem tot nu toe zoo vast en onomstootelijk hadden geschenen, waren plotseling valsch en ontoereikend gebleken. De bedrogen echtgenoot, die hem een beklagenswaardig wezen had geschenen, een toevallige en belachelijke verstoring van zijn geluk, had zich plotseling, en wel door toedoen van Anna zelf, tot een hoogte verheven, die achting afdwong, en deze echtgenoot deed zich op deze hoogte niet kennen als kwaadwillig, valsch en belachelijk, maar als goed, eenvoudig en edelmoedig. Dat gevoelde Wronsky. De rollen waren plotseling verwisseld. De man was hooghartig in zijn ongeluk hij echter klein en nietig in zijn bedrog.

Maar dit bewustzijn van zijn eigen verachtelijkheid tegenover dien man, dien hij zoo ten onrechte had geminacht, maakte slechts het kleinste gedeelte van zijn leed uit. Hij gevoelde zich onuitsprekelijk ellendig, omdat hij gevoelde, dat zijn in den laatsten tijd schijnbaar afgekoelde hartstocht voor Anna thans, nu hij haar voor immer meende verloren te hebben, sterker dan te voren ontwaakte. Thans, nu hij in haar ziekte haar hart geheel had leeren kennen, geloofde hij haar vroeger niet recht bemind te hebben. En nu, nu hij haar beminde, zooals zij bemind moest worden, was hij voor haar vernederd en had haar voor immer verloren. Het meest vernederend oogenblik was het voor hem geweest, toen Karenin zijn handen van zijn beschaamd gelaat had getrokken. Zoo stond hij bij de trap als een verlorene en wist niet, wat te doen.

"Beveelt u een droschke?" vroeg de portier.

"Ja, een droschke!"

Toen hij te huis was gekomen, legde Wronsky zich, na drie slapelooze nachten, in zijn kleederen en met het gezicht naar beneden op de sopha. Zijn hoofd was woest. De zonderlingste beelden, herinneringen en gedachten wisselden met vreeselijke snelheid elkander af voor de oogen zijns geestes. Nu goot hij voor de zieke medicijn in den lepel en liet hem overloopen, dan zag hij de witte handen der baker of de zonderlinge stelling van Alexei Alexandrowitsch op den vloer voor het bed.

"Slapen en alles vergeten!" zeide hij bij zich zelf met het rustig vertrouwen van een gezond mensch, die, als hij vermoeid is, dadelijk inslaapt, en inderdaad, aanstonds warrelde in zijn hoofd alles dooreen en begon in den afgrond der bewusteloosheid te verzinken; de golven der vergetelheid sloegen reeds over hem te zamen, toen plotseling in hem als ware het een electrische ontploffing plaats greep. Hij kromp verschrikt ineen en sprong op de knieën omhoog. Zijn oogen waren wijd geopend, de zwaarte van het hoofd en de afmatting der leden waren plotseling verdwenen.

"Gij kunt mij in het slijk treden," hoorde hij Karenin zeggen en zag hem duidelijk voor zich, hij zag Anna's koortsig rood gelaat, haar schitterende oogen, die met teederheid en liefde niet hem, maar Alexei Alexandrowitsch aanzagen, hij zag zijn eigen ellendige houding, toen Karenin hem de handen voor het gelaat wegtrok.—Hij rekte zich uit, wierp zich weer als te voren op de sopha en sloot de oogen.

"Slapen, slapen!" zeide hij.

Doch met gesloten oogen zag hij nu Anna's gelaat nog duidelijker, maar zooals op dien gedenkwaardigen avond voor den wedren. Hij lag daar en trachtte in te slapen; hij herhaalde halfluid eenige uit hun verband gerukte woorden uit de een of andere stelling, met den wensch daardoor het ontstaan van andere voorstellingen te verhinderen, maar daarbij hoorde hij en luisterde naar een zonderling, geheimzinnig gefluister en herhaalde de woorden: "Verstond niet te waardeeren, wist niet te genieten."

"Wat is dat? Word ik waanzinnig?" vroeg hij zich zelf. "Wellicht. Waardoor wordt men anders waanzinnig? Om welke reden anders schiet men zich dood?" antwoordde hij zich zelf. "Neen, ik moet inslapen."

Hij rukte het kussen terecht en drukte er het voorhoofd in, maar het kostte hem inspanning slechts de oogen gesloten te houden. Hij sprong op en ging zitten. "Het is met mij voorbij," zeide hij. "Ik moet overleggen, wat mij overblijft te doen."

Zijn gedachten doorvlogen zijn geheele leven, slechts niet den tijd zijner liefde voor Anna. Eerzucht …? Serzuchowsky? De wereld? Het hof? Op niets van dit alles bleven zijn gedachten zich hechten. Dat alles had vroeger een beteekenis voor hem, nu bestond het voor hem niet meer.

Hij stond van de sopha op, maakte zijn kleederen los, ontblootte zijn borst om vrijer te kunnen ademhalen en ging eenige malen zijn kamer op en neder.

"Zoo wordt men krankzinnig," herhaalde hij, "en zoo komt men er toe zich dood te schieten … om zich niet te schamen!" liet hij er zacht op volgen.

Hij ging naar de deur en sloot ze; toen ging hij met starren blik en de tanden op elkander geklemd naar de tafel, nam zijn revolver, onderzocht hem, laadde hem en dacht na.

"Het spreekt van zelf! Altijd dezelfde herinneringen aan een verloren geluk, dezelfde ijdelheid van alles wat nu nog overblijft, steeds hetzelfde vernederend bewustzijn…. Het spreekt van zelf!" hernam hij andermaal, en terwijl zich zijn gedachten in denzelfden kring bewogen, hief hij zijn revolver op en richtte hem tegen de linkerzijde van zijn borst en haalde, met de geheele hand, alsof hij ze tot een vuist wilde ballen, de haan over. Hij hoorde geen schot, maar een hevige slag tegen zijn borst deed hem tuimelen; hij wilde zich aan de tafel vasthouden, liet den revolver vallen en zat op den vloer, terwijl hij verwonderd rond zag. Hij herkende zijn kamer niet; hij zag den gebogen tafelpoot, de papiermand, het tijgervel…. De haastige, krakende schreden van zijn dienaar, die door het salon ging, deden hem weer tot zich zelf komen. Hij spande zijn gedachten in en zag, dat hij op den vloer lag, hij zag bloed op het tijgervel en op zijn hand en begreep, dat hij op zich zelf geschoten had.

"Dom! ik heb slecht getroffen!" zeide hij en tastte met de hand naar het wapen. Het lag naast hem. Hij zocht het verder af en zich daarbij ter zijde keerend, verloor hij het evenwicht, viel neer en zijn bloed stroomde te voorschijn.

De elegante dienaar, die bij zijn kennissen altijd over zwakke zenuwen geklaagd had, verschrok, toen hij zijn heer in dien toestand op den vloer zag liggen, zoodanig, dat hij hem liet bloeden en wegliep om hulp te halen.

Een uur later kwam Warja, de vrouw van Wronky's broeder, aangereden en met hulp van eenige haastig er bij geroepen dokters, legde zij den zwaar gewonde op zijn bed en bleef bij hem om hem te verplegen.

XIV.

Toen Karenin zich op het wederzien zijner vrouw had voorbereid, had hij een fout begaan. Hij had niet op de mogelijkheid gerekend, dat haar berouw oprecht kon zijn, dat hij haar vergeven en dat zij niet sterven zou. Deze fout erkende hij twee maanden na zijn terugkomst van Moskou in haar volle beteekenis. De reden was, dat hij voor deze laatste ontmoeting zijner vrouw zijn eigen gevoel niet kende. Aan haar ziekbed had hij voor de eerste maal in zijn leven geheel aan dat gevoel toegegeven, gedreven zoowel door het medelijden, dat anderer lijden steeds bij hem verwekte en waarvoor hij zich steeds als voor een dwaze zwakheid geschaamd had—als door berouw, dat hij op haar dood had gehoopt, en eindelijk niet het minst door de zaligheid van het vergeven, waardoor hij plotseling zijn leed verzacht gevoelde en in zijn hart een vrede en geluk inkeerde, zooals hij te voren niet gekend had.

Hij had zijn vrouw vergeven, beminde haar en had medelijden met haar om haar lijden en om haar berouw; hij had Wronsky vergeven en had medelijden met hem, toen hij zijn wanhopige daad vernam. Ook zijn oudsten zoon beminde hij nu meer dan vroeger, maar het meest het kleine meisje. Eerst bemoeide hij zich uit medelijden met het pasgeboren zwakke kind, dat het zijne niet was en gedurende de ziekte der moeder zeer verwaarloosd zou zijn geworden, als hij het zich niet aangetrokken had, en nu bemerkte hij dat hij het had liefgekregen. Eenige malen daags begaf hij zich naar de kinderkamer, de baker en de kindermeid, die hem eerst vreesden, hadden zich aan hem gewend, en geruimen tijd kon hij het kleine roodgele gezichtje beschouwen.

Maar, hoe meer de tijd verliep, des te meer werd hij overtuigd, dat, hoe natuurlijk hem zelf ook zijn tegenwoordige toestand toescheen, men er wel voor zorgen zoude hem niet rustig daarin te laten blijven. Behalve de eigen, innerlijke zelfvoldoening bemerkte hij spoedig, dat er nog een andere, grover en sterker macht was, die zijn lot bestuurde en dat deze hem de ootmoedige zielerust, die hij zocht, niet gunnen zoude. Hij besefte, dat allen hem vragend en verbaasd aanzagen, omdat zij hem niet begrepen, en dat zij de een of andere handeling van hem verwachtten. Maar vooral besefte hij het onware en onnatuurlijke van zijn verhouding tot zijn vrouw.

Toen de weekhartigheid, die het naderen van Anna's dood had verwekt, verdwenen was, bemerkte Alexei Alexandrowitsch, dat zij hem schuwde, dat hij haar lastig was en dat zij hem niet in de oogen kon zien. Alsof zij hem iets zeggen wilde, waartoe zij niet vermocht te besluiten en alsof zij vermoedde, dat hun tegenwoordige verhouding zoo niet kon voortduren, verwachtte ook zij iets van hem.

Tegen het einde van Februari werd het jongste kind ziek, dat naar zijn moeder "Anna" was gedoopt. Karenin was 's morgens vroegtijdig in de kinderkamer geweest en nadat hij had bevolen om den dokter te zenden, was hij naar het ministerie gegaan. Eerst om vier uur keerde hij naar huis terug. In de voorkamer trof hij een opgeschikten bediende aan met gouden tressen en een kraag van berenvel, die over een witten met Amerikaansch hondevel gevoerden mantel lag.

"Wie is daar?" vroeg Karenin.

"Vorstin Elizabeth Fedorowna Twerskaja." antwoordde de bediende met een snert van glimlach, die Karenin niet beviel.

Het bezoek der vorstin, van wie hij volstrekt niet hield, was hem onaangenaam en hij begaf zich daarom naar de kamers der kinderen.

In de eerste kamer lag Serëscha over de tafel gebogen en teekende onder vroolijk gebabbel. De Engelsche gouvernante, die met een handwerkje naast hem zat, stond bij Karenins binnentreden op.

Alexei Alexandrowitsch streek met de hand over het haar van zijn zoon en vroeg, wat de dokter van de kleine baby gezegd had.

"De dokter zegt, dat het niets gevaarlijks is en heeft alleen baden voorgeschreven, sir."

"Ja, maar haar scheelt toch wat," en hij luisterde naar het krijten van het kind in de aangrenzende kamer.

"Ik geloof, dat de minne niet deugt," zeide de Engelsche beslist.

"Waarom denkt u dat?" vroeg hij en bleef staan.

"Zij is ook bij gravin Pohl geweest, sir. Men dokterde steeds met het kind, en eindelijk bleek het, dat de minne geen voedsel had."

Karenin dacht na. Toen ging hij de andere kamer in. Het kind lag achterover op de armen der minne, rekte zich uit en wilde de aangeboden borst niet nemen. Het schreide in weerwil van het sussen der over haar gebogen minne.

"Gaat het nog steeds niet beter?" vroeg Alexei Alexandrowitsch.

"Zeer onrustig," antwoordde de kindermeid.

"Miss Edwards denkt, dat de minne geen voedsel genoeg heeft."

"Dat geloof ik ook, Alexei Alexandrowitsch."

"Waarom zeg je dat dan niet?"

"Wien zou ik het zeggen? Anna Arkadiewna is immers nog altijd ziek," antwoordde de dienstmeid verdrietig.

Zij was een oude dienares des huizes. Alexei Alexandrowitsch meende in haar eenvoudige woorden een toespeling op zijn toestand als echtgenoot te vinden.—Het kindje schreide nog sterker; de meid nam het van de minne over en wiegde het, terwijl zij de kamer op en neer ging, in haar armen.

"De dokter moet de minne onderzoeken," zeide Alexei Alexandrowitsch.

De oogenschijnlijk gezonde en bloeiende minne, bevreesd dat zij ontslagen kon worden, mompelde iets, terwijl zij haar borst verbergde, en lachte verachtelijk over den twijfel aan haar overvloed van melk. Ook in dien lach zag Karenin een spotten met zijn toestand.

"Arm kind," zeide de dienstmeid, terwijl zij het al op en neer gaande tot rust zocht te brengen.

Alexei Alexandrowitsch nam plaats op een stoel en keek met deelnemende uitdrukking toe. Toen het kind eindelijk in zijn wiegje gelegd en het kussen door de meid terecht geschikt was, stond Alexei Alexandrowitsch weder op en naderde, behoedzaam op de teenen gaande, de wieg; hij zag het kind een poos zwijgend en met dezelfde uitdrukking van medelijden aan, toen verhelderde zich zijn voorhoofd en hij verliet de kamer.

In de eetkamer gekomen, schelde hij en beval den dienaar, den dokter te halen. Hij ergerde zich over zijn vrouw, dat zij zich zoo weinig om het kind bekommerde, en derhalve overwon hij zich en ging naar haar kamer. Terwijl hij over het dikke tapijt de deur naderde, werd hij zonder het te willen getuige van een gesprek, dat hij niet begeerde te hooren.

"Als hij niet ging vertrekken, kon ik uw weigering begrijpen. Overigens schijnt uw man immers boven dit alles verheven te zijn," hoorde hij vorstin Betsy zeggen.

"O, niet om mijn man, maar om mijns zelfs wil! Spreek zoo niet!" antwoordde Anna's opgewonden stem.

"Maar ge moet toch zelf wenschen van een man afscheid te nemen, die zich om u wilde doodschieten."

"Juist daarom wil ik het niet…."

Alexei Alexandrowitsch bleef met verschrikt, schuldig gelaat staan en wilde weer terugkeeren. Maar hij bedacht, dat dit zijner niet waardig was, en ging hoestend naar de slaapkamer. Het gesprek verstomde en hij trad binnen.

Anna zat met kortafgesneden haar op de chaise-longue. Zooals altijd bij den aanblik van haar echtgenoot, verdween de levendigheid uit haar gelaat; zij boog het hoofd en zag verlegen naar Betsy. Deze zat overdreven modern gekleed, het lange, schrale figuur stijf opgericht, naast Anna; zij boog het hoofd en ontving Karenin met een ironisch lachje.

"Ah," zeide zij als verrast; "het doet mij genoegen, u te huis te treffen. U zelf komt nergens; sedert Anna's ziekte heb ik u niet meer gezien. Ik heb gehoord…. Ja, u is een zeldzaam man!"

Zij sprak met beteekenisvolle vriendelijkheid, alsof zij hem wegens zijn verhouding tot zijn vrouw een orde der edelmoedigheid wilde schenken.

Karenin boog zich koel en, terwijl hij zijn vrouw de hand kuste, vroeg hij, hoe het haar ging.

"Ik geloof, dat ik beter ben," antwoordde zij en vermeed zijn blik.

"Maar het schijnt mij, alsof ge een koortsachtige kleur hebt." zeide hij, op het woord "koortsachtig" den nadruk leggend.

"Wij hebben te druk gepraat," zeide Betsy. "Ik zie in, dat het zelfzuchtig van mij was en wil derhalve heengaan."

Zij stond op, maar Anna nam plotseling blozend, driftig haar hand: "Neen, wat ik u bidden mag, blijf nog. Ik wil u nog iets zeggen,—neen u!" wendde zij zich tot haar man en een donkerrood overstroomde haar hals en haar voorhoofd: "Ik kan en wil voor u geen geheimen hebben."

Alexei Alexandrowitsch knakte met de vingers en boog het hoofd.

"Betsy heeft mij gezegd, dat graaf Wronsky wenscht voor zijn vertrek naar Taschkent van ons afscheid te nemen." Zij zag haar man niet aan en haastte zich alles te zeggen, wat haar zoo zwaar viel. "Ik heb geantwoord, dat ik hem niet kon ontvangen."

"Of liever, mijn beste, dat dit van Alexei Alexandrowitsch afhing," verbeterde Betsy.

"Neen, ik kan hem niet ontvangen en het kan tot niets…." Zij brak plotseling af en zag haar man vragend aan: "Met één woord: ik wil niet…."

Alexei Alexandrowitsch kwam nader en wilde haar hand vatten. Haar eerste beweging was ze terug te trekken, maar zij beheerschte zich en drukte zijn vochtige hand vol gezwollen aderen.

"Ik dank u zeer voor uw vertrouwen." zeide hij half geërgerd en half verlegen, omdat hij datgene, wat hij anders zoo gemakkelijk had kunnen beslissen, niet wist te beoordeelen in tegenwoordigheid der vorstin, die hem voorkwam als de personificatie van dat ruw geweld, dat zijn leven in de oogen der wereld de richting zou geven en hem verhinderde zich geheel aan de gevoelens van liefde en vergiffenis over te geven.

"Nu dan, adieu, melieve," zeide Betsy en stond op. Zij kuste Anna en verliet de kamer. Alexei Alexandrowitsch deed haar uitgeleide.

"Alexei Alexandrowitsch, ik ken u als een waarachtig edelmoedig man," zeide zij, terwijl zij in het kleine salon bleef staan en zijn hand vast drukte: "Ik ben u een vreemde, maar ik bemin en acht u zoozeer, dat ik mij een raadgeving veroorloof: Ontvang hem. Alexei Wronsky is een man van eer en hij vertrekt naar Taschkent."

"Vorstin, ik ben u voor uw raad en deelneming dankbaar; maar de vraag, of zij hem ontvangen kan of niet, kan niemand uitmaken als zij zelf."

Hij zeide dit naar zijn gewoonte met waardigheid, maar dacht onmiddellijk daarna, dat, hoe zijn woorden ook zijn mochten, door den toestand der dingen voor hem geen waardigheid meer bestond. En datzelfde las hij in het bedwongen half spottend glimlachen, waarmede Betsy, toen hij zweeg, hem aanstaarde.