WeRead Powered by ReaderPub
Anna Karenina cover

Anna Karenina

Chapter 89: XVII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel interweaves two principal narratives: one traces a married woman's passionate affair and the social, familial, and moral consequences that follow; the other follows a thoughtful man as he seeks purpose, wrestles with questions of work, faith, and the rhythms of rural life. Through detailed scenes of domestic routine and society, the book examines marriage, fidelity, isolation, public reputation versus inner life, and the search for meaning, contrasting urban social pressures with personal conscience and the restorative presence of the natural world.

XV.

Karenin boog zich voor vorstin Betsy en keerde naar zijn vrouw terug. Zij had zich nedergelegd, maar toen zij zijn schreden hoorde, richtte zij zich weer op en zag hem verschrikt aan. Hij bemerkte, dat zij geweend had.

"Ik ben je zeer dankbaar voor je vertrouwen," herhaalde hij zacht de woorden, die hij te voren in Betsy's tegenwoordigheid in het Fransch tot haar gesproken had; hij sprak Russisch en zeide gedurig "jij," en dit "jij" vertoornde Anna. "En ik dank je ook zeer voor je beslissing, want ook ik ben van oordeel, dat, als hij de stad wil verlaten, het voor graaf Wronsky volstrekt niet noodig is eerst bij ons te komen. Overigens …"

"Dat heb ik al gezegd, waarom dat dus te herhalen?" viel Anna hem met een plotselinge geraaktheid, die zij niet kon overwinnen, in de rede. "Niet noodig!" dacht zij. "Voor een man, die afscheid wil nemen van de vrouw, die hij bemint, voor wie hij zich dooden wilde en zouder wie hij niet leven kan—niet noodig!"

Zij drukte de lippen opeen en zag met haar schitterende oogen op zijn met gezwollen aderen bedekte handen neer, die hij in elkander wreef.

"Wij willen daar niet meer van spreken," liet zij er kalmer op volgen.

"Ik heb het u overgelaten deze vraag te beslissen en het verheugt mij te zien …"

"Dat mijn wensch met den uwen overeenstemt," voltooide zij haastig, geërgerd dat hij zoo langzaam sprak, waarbij zij toch al vooruit wist, wat hij zou zeggen.

"Ja," bevestigde hij, "en de vorstin mengt zich op ongepaste wijze in deze familiezaken. En zij nog wel …"

"Ik geloof niets van hetgeen men van haar zegt," viel zij hem snel in de rede. "Ik weet slechts, dat zij mij oprecht lief heeft."

Karenin zuchtte en zweeg. Zij speelde opgewonden met de kwasten van haar nachtkleed en zag hem aan met het kwellend gevoel van een physieken afkeer van hem, wegens welk gevoel zij zich wel beschuldigde, maar dat zij niet kon overwinnen. Zij had nu slechts één wensch: van zijn haar zoo hinderlijke tegenwoordigheid bevrijd te zijn.

"Ik heb juist om den dokter gezonden," zeide hij.

"Ik ben gezond. Waartoe heb ik een dokter noodig?"

"Neen, maar de kleine schreit, en men zegt, dat de minne te weinig voedsel heeft."

"Waarom hebt gij mij niet toegestaan haar zelf te zoogen? Ik heb er u om gesmeekt! Maar dat is hetzelfde (Karenin begreep de beteekenis van dit: "dat is hetzelfde",) het is een kind, dat in den weg is. Ik had het zelf willen zoogen, maar men veroorloofde het niet en nu doet men mij verwijten."

"Ik doe geen verwijten."

"Ja wel, u doet mij verwijten. Mijn God, waarom ben ik niet gestorven?" En zij begon te snikken, uitroepende: "vergeef mij, ik ben zenuwachtig, ik ben onrechtvaardig! Maar ga nu…."

"Neen, dat kan zoo niet blijven," zeide Karenin vastbesloten bij zich zelf, toen hij van het bed zijner vrouw in zijn kabinet was teruggekeerd. Nog nimmer was hem de onhoudbaarheid zijner positie in de oogen der wereld, de afkeer zijner vrouw van hem en bovenal die macht, die geheime, ruwe macht, die, in strijd met zijn eigen wenschen, een verandering in zijn echtelijke verhoudingen gebood, zoo verschrikkelijk duidelijk geworden als dezen dag. En hij gevoelde zich machteloos. Hij wist vooruit, dat allen tegen hem waren en dat zij datgene, wat hem als het natuurlijkste en plichtmatigste toescheen, niet toelaten, maar hem dwingen zouden datgene te doen, wat hij niet wilde, wat hij voor onrechtmatig, zij echter voor rechtmatig hielden.

XVI.

Betsy had Karenins zaal nog niet verlaten, toen Stipan Arkadiewitsch Oblonsky, die juist van Elissew kwam, waar versche oesters waren, haar in de deur ontmoette.

"Ah, vorstin, dat is wel een aangename ontmoeting!" zeide hij. "Ik kom van uw woning."

"Een korte ontmoeting, want ik wil juist wegrijden," antwoordde Betsy en trok haar handschoenen aan.

"Wacht met het aantrekken van uw handschoenen, vorstin, tot ik uw handje gekust heb. Ik ben, wat de invoering van verouderde modes betreft, voor niets meer dankbaar dan voor den handkus!" Hij kustte haar hand: "Wanneer zullen we elkander weerzien?"

"Ge zijt dien niet waard," antwoordde zij lachend.

"Pardon, ik ben dien zeer waard, want ik ben nu de ernstigste mensch van de wereld geworden. Niet slechts voor mijn eigen, ook voor anderer familiebelangen zorg ik," zeide hij met een ernstig gezicht.

"Ach, dat verheugt mij zeer," antwoordde Betsy, die dadelijk begreep, dat hij van Anna sprak. En met hem in de zaal terugkeerend, namen zij plaats in een hoek.—"Hij brengt haar nog om het leven," zeide zij fluisterend en veelbeteekenend. "Het is ondragelijk, ondragelijk …"

"Het verheugt mij bij u deze deelneming te vinden," zeide Stipan en schudde het hoofd met een ernstige, treurige uitdrukking: "In die zaak ligt ook de reden mijner aanwezigheid hier in Petersburg."

"De geheele stad spreekt er van," antwoordde zij. "Het is een ondragelijke toestand. Zij vergaat er onder. Hij begrijpt niet, dat zij een vrouw is, die met haar gevoelens geen scherts drijft. Slechts een van beide is mogelijk: zij ontvluchten, of hij moet zich van haar laten scheiden. Maar zoo gaat zij te gronde."

"Ja, ja, zoo is het!" zeide Oblonsky met een zwaren zucht. "Deswege ben ik ook gekomen, dat wil zeggen, eigenlijk niet deswege…. Men heeft mij tot kamerheer benoemd, en ik moest hiervoor mijn dank gaan betuigen. Maar bij deze gelegenheid hoop ik ook dit te arrangeeren."

"Nu, God moge u helpen!" wenschte Betsy.

Hij deed de vorstin uitgeleide tot in den gang en nadat hij haar den pols had gekust en haar zooveel dubbelzinnigen onzin had voorgebabbeld, dat zij niet wist, of zij daarvoor lachen of zich ergeren moest, ging hij naar zijn zuster. Hij vond haar badend in tranen. In weerwil van zijne uitgelaten stemming, viel hij toch dadelijk in den deelnemenden, ietwat poëtischen toon, die bij haar gemoedstoestand paste. Hij vroeg eerst, hoe het haar ging en hoe zij den morgen had doorgebracht.

"Zeer, zeer slecht; niet slechts den morgen, den geheelen dag en alle verloopen en toekomende dagen."

"Het schijnt mij toe, dat ge u al te veel aan uw droefheid overgeeft. Men moet het hoofd opheffen, de wereld beschouwen zooals zij is. Ik weet, het is zwaar, maar …"

"Ik heb wel eens gehoord, dat vrouwen haar mannen, die misdadig zijn, daarom nog te meer beminnen, maar ik haat hem om zijn deugden. Ik kan met hem niet leven. Begrijp eens! Zijn aanblik reeds werkt physisch op mij, ik geraak er door buiten mij zelf. Ik kan, ik kan niet met hem leven. Wat zal ik doen? Ik was te voren al ongelukkig en dacht, dat men niet ongelukkiger zijn kon, maar deze troostelooze toestand, waarin ik mij nu bevind, kon ik mij niet voorstellen. Kun je gelooven, dat ik, in weerwil dat ik weet, dat hij een goed, uitstekend man is en ik niet waard ben hem te dienen, hem evenwel haat? Ja, hem juist deswege, om zijn grootmoedigheid, haat? Er bluft mij niets meer over, dan…."

"De dood," wilde zij zeggen, maar Stipan liet haar niet uitspreken.

"Je bent ziek, opgewonden," zeide hij. "Geloof mij, je overdrijft vreeselijk. Wat is er dan zoo verschrikkelijk?" En Stipan lachte. Niemand anders in zijn plaats zou gewaagd hebben tegenover zulk een wanhoop te lachen; maar in zijn lach lag zooveel goedhartigheid, dat hij niet beleedigde, maar zelfs de smart lenigde en deed bedaren. Zijn zachte, vertroostende woorden en zijn opgeruimdheid werkten verzachtend als amandelolie. Ook Anna gevoelde dat.

"Neen Stiwa," zeide zij, ik ben verloren, neen, erger dan dat, nog niet verloren, want het einde is nog niet daar. Ik ben als een overspannen snaar, die springen moet, maar nog zoover niet is—en dat zal een verschrikkelijk einde nemen … ja, het zal ontzettend eindigen."

"Dat doet niets; men moet de snaar maar voorzichtig ontspannen. Er is geen enkele toestand, waaruit niet een uitweg is te vinden."

"Ik heb nagedacht en nagedacht, maar slechts een…."

Weder zag hij aan de droevig sombere uitdrukking van haar gelaat, dat naar haar inzien de eenige uitweg slechts de dood was, en hij liet haar weder niet uitspreken.

"Volstrekt niet," zeide hij. "Je kunt je eigen toestand niet zoo juist beoordeelen als ik. Veroorloof mij derhalve, dat ik oprecht mijn meening zeg." Weder lachte hij behoedzaam. "Ik wil met het begin aanvangen. Je hebt een man gehuwd, die twintig jaren ouder was. Je hebt hem zonder liefde gehuwd en wist niet wat liefde was. Dat was verkeerd, nemen wij aan…."

"Een verschrikkelijke dwaling," zeide Anna.

"Maar ik moet herhalen, het is een niet weg te nemen daadzaak. Dan hadt je het ongeluk, een ander dan je man te beminnen. Dat is een ongeluk, maar ook een beslist feit; en je man heeft dit erkend en heeft je vergeven."

Hij hield bij elken zin op, alsof hij haar tegenspraak verwachtte, maar zij antwoordde niets.

"Zoo is de zaak gelegen. Nu is de vraag: Kunt ge zoo met je man voortleven? Wensch je dat? Wenscht hij dat?"

"Ik weet niet, ik weet volstrekt niets!"

"Maar je hebt zelf gezegd, dat het je ondragelijk is!"

"Ik heb niets gezegd. Ik herroep dat. Ik weet en begrijp volstrekt niets."

"Ja, maar—permitteer…."

"Je kunt dat niet begrijpen. Ik gevoel, dat ik rechtstreeks naar een afgrond ga en er in zal storten, maar ik weet niet, hoe ik mij redden zal.—Ik kan het niet."

"'t Doet niets af! Wij zullen je opvangen. Ik begrijp je volkomen, ook begrijp ik, dat je het niet over je verkrijgen kunt, je geheimste wenschen uit te spreken."

"Ik wensch niets, volstrekt niets … als slechts, dat alles een einde neemt."

"Dat ziet en weet ook hij. En denk je, dat dit hem niet evenzeer neerdrukt als u? Jij kwelt je zelf en hij kwelt zich zelf! Wat moet daaruit worden? Daarentegen lost een scheiding de geheele vraag op," zoo sprak hij nu blozend de hoofdgedachte uit en zag haar met beteekenis aan.

Zij antwoordde niet en schudde slechts ontkennend het hoofd. Maar aan de uitdrukking van haar gelaat, waarvan weder de vroegere schoonheid afstraalde, bespeurde hij, dat zij het slechts daarom niet wenschte, wijl het haar een onmogelijk geluk toescheen.

"Ik heb met je beiden diep medelijden en ik zou overgelukkig zijn, als ik dat kon arrangeeren," zeide Stipan nu nog koener lachend. "Stil! zeg niets! Als het God maar behagen mocht, dat ik aan mijn gevoelens steeds de juiste uitdrukking kon geven. Ik ga naar hem toe."

Anna zag hem met nadenkende, glanzende oogen aan en antwoordde niets.

XVII.

Stipan Arkadiewitsch trad met hetzelfde eenigszins plechtig gezicht, waarmede hij zich in de gerechtszaal in zijn directorialen zetel placht neder te zetten, Karenins kabinet binnen. Deze ging met de handen op den rug op en neder en dacht er over na, wat Stipan wel met Anna bespreken mocht.

"Stoor ik je?" vroeg Stipan, dien bij den aanblik zijns zwagers een hem anders onbekend gevoel van verlegenheid beving.

"Neen. Verlang je iets?" vroeg deze onvriendelijk.

"Ja, ik wilde…. Ik moet—ja, ik moet met je spreken," stamelde
Oblonsky, zelf over zijn ongewone schuchterheid verwonderd.

Dit gevoel had hem zoo onverwacht en eigenaardig overvallen, dat hij het niet voor de stem van zijn geweten hield, dat hem zeide, dat hij een verkeerden stap ging doen. Hij vermande zich en bestreed zijn schuchterheid.

"Ik hoop, dat ge mij zult gelooven, dat ik mijn zuster lief heb en jegens haar de oprechtste achting en gehechtheid koester."

Alexei Alexandrowitsch bleef staan, maar antwoordde niets. De uitdrukking van volkomen offervaardigheid op zijn gelaat maakte echter op Stipan Arkadiewitsch een diepen indruk.

"Ik was voornemens met je over mijn zuster en uw wederzijdsche verhouding te spreken," zeide hij, nog steeds niet geheel meester over zijn verlegenheid.

Karenin lachte weemoedig, zag zijn zwager aan en zonder te antwoorden ging hij naar de schrijftafel, nam een begonnen brief op en reikte dien Stipan over.

"Ik denk er onophoudelijk aan," zeide hij daarbij, "en ben reeds begonnen het schriftelijk uiteen te zetten, omdat ik dacht, dat dit beter was, want mijn tegenwoordigheid windt haar op."

Stipan nam verrast den brief aan, zag de matte oogen, die zoo onafgewend op hem gericht waren, en begon te lezen: "Ik zie, dat mijn tegenwoordigheid u lastig is. Hoe smartelijk het mij ook is daarvan overtuigd te zijn, zie ik toch, dat het zoo is en niet anders zijn kan. Ik wil u niet aanklagen, en God is mijn getuige, dat ik, toen ik u in uw ziekte zag, van ganscher harte besloten had al het tusschen ons voorgevallene te vergeven en een nieuw leven te beginnen. Daar heb ik geen berouw over en zal er ook geen berouw over hebben; maar ik zie, dat ik het daardoor beoogde doel, uw welzijn, het geluk uwer ziel, niet bereiken kan. Zeg mij nu zelf, wat u het geluk en de rust uws harten kan wedergeven. Ik zal mij geheel aan uw wil en rechtsgevoel onderwerpen."

Stipan Arkadiewitsch gaf den brief terug en zag zijn zwager twijfelachtig aan, daar hij niet wist, wat hij zeggen zou. Dit zwijgen werd beiden zoo onbehagelijk, dat Stipans lippen begonnen te beven, terwijl zijn blik op Alexei Alexandrowitsch bleef hechten.

"Dat is het, wat ik je zeggen wilde," sprak deze eindelijk en wendde zich af.

"Ja, ja," zeide Stipan, zonder in staat te zijn verder te spreken, want de aandoening beklemde zijn keel. "Ja, ja, ik begrijp dat…." bracht hij er eindelijk uit.

"Ik wensch slechts, haar wil te vernemen," zeide Alexei.

"Ik vrees, dat zij zelf geen klaar begrip van haar toestand heeft. Zij kan hier geen rechter zijn," antwoordde Stipan eindelijk weer zich zelf meester. "Zij gevoelt zich bedrukt, werkelijk bedrukt door je edelmoedigheid. Als zij dezen brief ontvangt, zal zij de kracht niet hebben iets te antwoorden.—Zij zal het hoofd nog meer laten hangen."

"Ja, maar wat dan te doen in dit geval? Hoe zal ik mij verklaren…. Hoe haar wil vernemen?"

"Als ge mij veroorlooft mijn meening te zeggen, dan geloof ik dat dat van u afhangt; gij moet de noodige maatregelen nemen om aan dezen toestand een eind te maken…."

"Je meent dus, er moet een eind aan gemaakt worden?" viel Karenin hem in de rede. "Maar hoe? Ik zie geen uitweg."

"Uit elken toestand is een uitweg," zeide Stipan opstaande en nieuwen moed scheppende. "Er was een tijd, dat je dezen band wildet verbreken…. Als ge u nu overtuigd hebt, dat je wederzijds bij elkander je geluk niet kunt vinden…."

"Geluk kan zeer verschillend worden opgevat. Maar veronderstellen wij, dat ik tot alles bereid ben, dat ik voor mij zelf niets wil—welken uitweg uit onzen toestand zie je dan?"

"Hoor dan mijn gevoelen," zeide Stipan met hetzelfde verzachtend, honingzoet lachje als te voren tot Anna; en dit goedhartig lachje werkte zoo overtuigend, dat Karenin al zijn eigen hulpeloosheid begreep en, zich geheel aan hem onderwerpend, bereid was alles te gelooven, wat Stipan zeggen zou. "Zij zelf zal het nimmer uitspreken." ging deze voort. "Maar slechts één ding is mogelijk dat zij wenschen kan, en dat is, dat deze geheele verhouding en alle daarmede verbonden herinnering ophouden. Ik bedoel, dat in ulieder toestand een zeer nauwkeurige bepaling uwer wederzijdsche verhoudingen noodzakelijk is. En deze kan slechts door de vrijheid van beide partijen verkregen worden…."

"Dat beteekent, door een echtscheiding," viel Alexei hem in de rede.

"Ja, ik meen de scheiding; ja, een scheiding," herhaalde Stipan blozend, "is in elk opzicht de verstandigste uitweg voor echtgenooten, die zoo met elkander staan, als gijlieden. Wat zou men anders doen, als men in het huwelijk bevindt, dat een samenleven onmogelijk is? En dit kan altijd gebeuren…."

Karenin zuchtte zwaar.

"Hier is maar dit eene te bedenken: of een der echtgenooten weer trouwen wil. Zoo niet, dan is alles zeer eenvoudig," ging Stipan voort, terwijl hij zich meer on meer van zijn bevangenheid losmaakte.

Karenin mompelde met opgewonden gelaat iets bij zich zelf, maar antwoordde niet. Alles, wat zijn zwager zoo eenvoudig voorkwam, had hij zich zelf reeds zoo dikwijls gezegd. Maar dat was niet slechts niet eenvoudig, maar volslagen onmogelijk. Een scheiding, waarvoor volgens de wetten een reden bestaan moest, kwam hem nu onmogelijk voor, daar van de eene zijde het gevoel van eigenwaarde en achting voor den godsdienst niet veroorloofden de beschuldiging van gefingeerde echtbreuk op zich zelf te nemen, en van den anderen kant kon hij nog minder toelaten, dat de vrouw, die hij beminde en die hij vergeven had, aangeklaagd en beschimpt werd. De wettige scheiding was onmogelijk, ook nog om andere gewichtige redenen.

"Wat zou er, ingeval van zulk een scheiding, van den zoon worden? Hem bij de moeder laten was onmogelijk; want deze gescheiden moeder zou weldra haar eigen onwettige familie hebben, waaronder de positie en opvoeding van den stiefzoon zeer waarschijnlijk betreurenswaardig zijn zou. Hem echter bij zich houden? Hij wist, dat dit van zijn kant wraakneming zou zijn, en deze wilde hij niet. Maar het meest onmogelijk kwam hem de scheiding om den wil van Anna zelf voor. Dolly's woord te Moskou, dat hij bij een scheiding slechts aan zich zelf dacht en daarbij niet in aanmerking nam, dat hij er Anna door te gronde zou richten, was hem in de ziel gevallen. En dit woord, in verband met zijn onbaatzuchtige, vergevensgezinde stemming en met zijn liefde voor de kinderen, verstond hij nu op zijn wijze. Zijne toestemming tot scheiding beteekende voor hem zelf een ontzegging van het leven en van de kinderen, en voor haar, haar den laatsten steun op den weg van het goede ontnemen en haar in het verderf storten. Gescheiden, zou zij zich, dat wist hij, met Wronsky vereenigen en deze verbintenis zou onwettig en misdadig zijn; want voor de echtbreukige vrouw bestaat er naar de wetten der kerk geen huwelijk, zoolang de echtgenoot leeft.

"Zij zal zich met hem vereenigen en na een of twee jaren zal hij haar weer verlaten of zij zal een nieuwe minnarij aanknoopen," dacht Karenin. "En ik, omdat ik tot deze onwettige scheiding mijn toestemming heb gegeven, zal de schuld van haar verderf dragen."

Hij geloofde dus geen woord van hetgeen Stipan zeide, op alles had hij vele tegenwerpingen, maar hij hoorde hem aan in het bewustzijn, dat zich in zijn woorden weder dat overmachtig ruw geweld deed hooren, dat zijn leven leidde en waarvoor hij eindelijk toch zou moeten bukken.

"De vraag is nu deze, op welke voorwaarden ge u over een scheiding wilt verstaan. Zij maakt op niets aanspraak en waagt niet u om iets te verzoeken, zij laat alles aan uwe edelmoedigheid over."

"Mijn God, mijn God! Waartoe dit?" dacht Alexei Alexandrowitsch, terwijl hij zich de details eener scheiding voorstelde, waarbij de man de schuld op zich nam, en met dezelfde beschaamde beweging, zooals Wronsky eens voor hem stond, hief hij zijn handen voor het gelaat.

"Je zijt opgewonden, dat begrijp ik. Maar als je het wel overlegt…."

"Als u iemand op de rechter wang slaat, keer hem ook de linker toe, en ontneemt u iemand den rok, laat hem ook den mantel…." dacht Alexei Alexandrowitsch: "Ja ja!" riep hij met zwakke, klagende stem uit: "Ik wil de schande op mij nemen en sta ook nog den zoon af; maar … of het niet beter is het niet te doen … Overigens, doe, wat ge wilt!"

En terwijl hij zich van zijn zwager afwendde, opdat deze hem niet zien kon, ging hij op zijn stoel bij het venster zitten. Hij had een bitter, beschamend gevoel; maar tusschen dit verdriet en deze schaamte mengde zich een inwendige blijde ontroering over de grootheid van zijn ootmoed.

Ook Stipan was ontroerd en zweeg een poos. "Alexei Alexandrowitsch, geloof mij, zij zal uw edelmoedigheid weten te waardeeren. Maar het is Gods wil," voegde hij er bij, doch nauwelijks had hij dit gezegd, of hij bedacht, dat het zeer afgezaagd en hier niet gepast was, en het kostte hem moeite een glimlach terug te houden.

Karenin wilde iets antwoorden, maar zijn ontroering belette het hem.

"Het is een fatale zaak, een ongeluk, dat moet men erkennen." sprak Stipan. "Maar ik beschouw het als een onveranderlijke daadzaak, en ik zal trachten u en haar te helpen."

Toen hij de kamer verliet, was hij ontroerd, maar dat weerhield hem niet met het gevolg van zijn pogen tevreden te zijn, want hij was overtuigd, dat zijn zwager zijn woord niet zou terugnemen. Bij deze voldoening kwam nog een ander genoegen, want hij kreeg den inval, dat hij, als deze aangelegenheid zou zijn afgeloopen, zijn vrouw en zijn kennissen de vraag wilde voorleggen: "Welk onderscheid is er tusschen mij en een veldmaarschalk? De veldmaarschalk manoeuvreert en niemand is daarmede geholpen, en ook ik heb gemanoeuvreerd en drie zijn er door geholpen; of beter: welke overeenkomst is er tusschen mij en een veldmaarschalk, als …? Nu, ik zal het nog beter uitdenken," zeide hij met een tevreden lachje.

XVIII.

Wronsky's verwonding was, al was het hart niet getroffen, gevaarlijk. Eenige dagen zweefde hij tusschen leven en dood. Toen hij voor de eerste maal weer tot bewustzijn kwam, bevond Warja zich alleen bij hem in de kamer.

"Warja," zeide hij en zag haar somber aan, "ik heb mij toevallig gewond; zoo moet gij tot allen zeggen en niet meer daarvan spreken. Het is te dom!"

Zonder hem een antwoord te geven, boog Warja zich over hem heen en zag hem verheugd in het gelaat. Zijn oogen stonden helder en zonder teeken van koorts; maar zij hadden een sombere uitdrukking.

"Nu Goddank!" zeide zij, "hebt ge geen pijn meer?"

"Hier nog een weinig." Hij wees op zijn borst.

"Wacht een oogenblik; ik zal u verbinden."

Hij drukte zwijgend de breede kaken opeen en zag haar aan, terwijl zij hem verbond. Toen zij daarmede gereed was, zeide hij: "Ik phantaseer niet. Zorg er voor, dat men niets anders van mij zegt, dan dat ik mij toevallig verwond heb."

"Niemand spreekt daarover. Maar ik hoop, dat je niet weer toevallig op je zelf schieten zult."

"Ik zal het wel niet weer doen; maar beter was het!" En hij lachte somber.

In weerwil van deze woorden en van dit lachen, waardoor Warja zeer verschrikt was, gevoelde hij toch, toen de ontsteking had opgehouden en de genezing begonnen was, dat hij zich van een deels zijns kommers had ontlast; alsof hij zich door deze daad van de schande en vernedering, die hem te voren drukten, rein gewasschen had. Hij kon nu weer met kalmte aan Alexei Alexandrowitsch denken; hij erkende diens groote edelmoedigheid zonder zich daardoor vernederd te gevoelen. Buitendien kwam hij ook nu weer in het oude vaarvater zijns levens. Hij zag de mogelijkheid om de menschen weder zonder gevoel van schaamte in de oogen te kunnen zien en kon zich weer door zijn voormalige gewoonten laten leiden. Slechts één gevoel kon hij, ofschoon hij het voortdurend bestreed, niet uit zijn hart rukken: een aan wanhoop grenzend leedwezen haar voor immer in het verderf te hebben gestort. Dat hij zich nu, nadat hij zijn schuld had gedelgd, geheel van haar losmaken en zich niet meer tusschen haar en haar echtgenoot dringen zou, stond bij hem vast; maar hij kon toch het leedwezen over haar verlies niet uit zijn hart rukken, hij kon de herinnering niet bannen aan de oogenblikken van geluk, die hij bij haar had genoten, die hij toen te weinig had weten te waardeeren en die hem nu met hun bekoorlijkheid in zijn verbeelding vervolgden.

Serpuchowsky bewerkte voor hem een verplaatsing naar Taschkent en Wronsky was zonder wankelen aanstonds bereid daaraan te voldoen. Maar hoe meer het oogenblik van vertrek naderde, des te zwaarder scheen hem het offer, dat hij meende aan zijn plicht te moeten brengen.

Zijn wond was genezen en hij ging reeds uit om de voorbereidselen voor zijn vertrek te maken.

"Slechts eenmaal zou ik haar gaarne zien, dan zal ik mij gewillig in ballingschap begraven en sterven," dacht hij en aan deze gedachte had hij bij een zijner afscheidsbezoeken woorden gegeven. Met dit bericht was Betsy naar Anna gegaan en had hem haar afwijzend antwoord teruggebracht.

"Des te beter!" dacht Wronsky bij dit bericht; "het was slechts een zwakheid, die mij mijn laatste krachten zou gekost hebben."

Den volgenden dag kwam Betsy bij hem en meldde hem, dat zij van Oblonsky het bepaald bericht had ontvangen, dat Karenin zijn toestemming tot echtscheiding had gegeven. Hij zou haar derhalve nu kunnen zien.

Zonder van Betsy afscheid te nemen, al zijn goede voornemens vergetend, zonder te vragen, of hij gelegen kwam of waar zich haar echtgenoot bevond, ijlde hij naar Karenins huis. Hij stoof de trap op, op niets of niemand acht slaande, en bijna galoppeerend snelde hij haar kamer binnen. Zonder te bedenken en zonder er op te letten, of ook iemand anders tegenwoordig was, omhelsde hij haar en bedekte haar gelaat, haar hals en haar armen met kussen.

Anna had zich op dit wederzien voorbereid; zij had overlegd, hoe zij met hem zou spreken, maar zijn onstuimige hartstocht sleepte haar mede, zoodat zij niets kon zeggen. Zij wilde hem en zich zelf tot kalmte brengen, maar dat was nu te laat. Zijn opgewondenheid deelde zich ook aan haar mede, en haar lippen beefden zoo, dat zij niet vermocht te spreken.

"Ja, ge hebt mij veroverd en ik ben nu geheel de uwe!" zeide zij eindelijk en drukte zijn handen tegen haar borst.

"Zoo moest het komen!" antwoordde hij. "En zoo moet het blijven, zoolang wij leven. Nu weet ik dat!"

"Dat is waar!" zeide zij, terwijl zij allengs bleeker en bleeker werd en intusschen zijn hoofd omvat hield. "Maar na al wat gebeurd is, blijft daarin toch iets ontzettends."

"Dat zal voorbijgaan!" zeide hij. "Alles zal voorbijgaan, en dan zullen wij gelukkig zijn! Onze liefde zal, zoo mogelijk, juist omdat daarbij wat ontzettends is, nog sterker worden," en hij hief het hoofd op en liet lachend zijn witte tanden zien.

En zij moest met een lachje het zijne beantwoorden, niet om zijn woorden, maar om zijn verliefde oogen. Zij nam zijn hand en streelde daarmede haar kort haar en koude wangen.

"Je bent met dat korte haar nauwelijks te herkennen. Je bent nog schooner geworden. Net een jongen. Maar wat ben je bleek."

"Ja, ik ben nog steeds zeer zwak," zeide zij lachend en weder beefden haar lippen.

"Wij gaan naar Italië; daar zult ge weer beter worden."

"Is het mogelijk, dat wij zullen zijn als man en vrouw? Ik met u alleen?" zeide zij en zag hem in de oogen.

"Ik zou niet weten, hoe het anders zijn kon."

"Stiwa heeft mij gezegd, dat—hij met alles instemde; maar ik kan zijn edelmoedigheid niet aannemen," zeide zij en zag nadenkend zijn gelaat voorbij. "Ik dring op geen scheiding aan, mij is alles hetzelfde. Ik laat hem zelfs mijn zoon! Wat dunkt je?"

Hij begreep niet, hoe zij in dit eerste oogenblik van hun wederzien aan haar zoon en aan de scheiding denken kon. Alsof dat niet alles onverschillig was!

"Spreek daar niet van! Denk er niet aan," zeide hij en keerde haar hand in de zijne om. Hij wilde haar opmerkzaamheid weer tot zich trekken, maar zij vermeed steeds hem aan te zien.

"Ach, waarom ben ik maar niet gestorven? Het ware beter geweest!" zeide zij en zonder dat zij snikte, vloeiden de tranen over haar wangen, maar zij deed moeite een opgeruimde uitdrukking aan haar gelaat te geven om hem niet te bedroeven.

Volgens zijn vroegere levensopvatting zou het voor Wronsky beschamend en onmogelijk geweest zijn, zijn evenzoo met eer als met gevaar verbonden verplaatsing naar Taschkent af te wijzen; maar nu zag hij er zonder aarzelen af, en daar hij bemerkte, dat hooggeplaatste personen daarover ontevreden waren, verliet hij geheel den militairen dienst.

Een maand later bleef Alexei Alexandrowitsch in zijn woning alleen met zijn zoon. Anna en Wronsky waren op weg naar het buitenland, zonder dat een scheiding, waarvan zij uitdrukkelijk had afgezien, had plaats gevonden.

XIX.

Vorstin Tscherbatzky achtte het onmogelijk het huwelijk te laten voltrekken voor de groote vasten, en wel wegens den uitzet, waarvan voor dien tijd, dat is binnen vijf weken, nauwelijks de helft gereed kon zijn. Zij moest echter toestemmen, dat men, indien men wachtte tot Paschen, gevaar liep door een sterfgeval verhinderd te worden, want een oude tante van den vorst was gevaarlijk ziek. Men sloeg dus een middelweg in door te besluiten, dat het huwelijk zou plaats hebben voor de vasten, maar dat men slechts een gedeelte van den uitzet onmiddellijk zou ontvangen en de rest na de bruiloft. Het jonge paar was voornemens, dadelijk na de plechtigheid naar het land te vertrekken en had dus niet veel noodig. De vorstin was verontwaardigd Lewin onverschillig te zien voor al deze belangen; als altijd half dwaas, ging hij voort zijn geluk en zijn persoon te beschouwen als het middelpunt, het eenige doel der schepping; om zijn zaken bekommerde hij zich niet, hij liet ze over aan de zorg zijner vrienden, overtuigd, dat zij alles ten beste zouden schikken. Zijn broeder Sergej, Stipan Arkadiewitsch en de vorstin leidden hem geheel; hij vergenoegde zich met goed te keuren, wat men hem voorsloeg.

Zijn broeder leende het geld, dat hij noodig had; de vorstin raadde hem aan Moskou na de bruiloft te verlaten, Stipan Arkadiewitsch was van gevoelen, dat een reis in den vreemde gepast zou zijn. Hij stemde alles toe.

"Beveelt wat u goeddunkt," dacht hij, "ik ben gelukkig, en wat gij ook beschikt, mijn geluk zal er niet meer of niet minder door zijn."

Maar toen hij Stipans idee aan Kitty mededeelde, hoorde hij met verwondering, dat zij dit ontwerp niet goedkeurde en dat zij voor de toekomst wel bepaalde plannen had. Zij wist, dat Lewin te huis op zijn goederen ernstige belangen had, en deze belangen, die zij niet begreep of trachtte te begrijpen, schenen haar zeer gewichtig te zijn; ook wenschte zij geen reis in het buitenland, maar gaf er de voorkeur aan zich dadelijk in hun werkelijke woonplaats te installeeren. Deze zeer bepaalde beslissing verraste Lewin, en als altijd onverschillig voor de details, verzocht hij Stipan, met den smaak, die hem kenmerkte, het toezicht te houden over de verfraaiing van zijn huis op Pokrowka. Dat was juist een kolfje naar zijn hand.

"A propos," zeide Stipan eens, nadat hij buiten alles had geregeld, "heb je het attest van de biecht?"

"Neen, waarom?"

"Zonder dat kan men niet trouwen."

"Ai, Ai!" riep Lewin uit, "denk eens: in negen jaren heb ik niet gebiecht! Ik heb er zelfs niet aan gedacht!"

"Dat is wat moois," zeide Stipan lachend; "en jij bejegent mij als een nihilist! Maar dat kan zoo niet gaan. Je moet je godsdienstplichten vervullen."

"Wanneer? Wij hebben maar vier dagen meer!"

Stipan schikte deze zaak gelijk de andere, en Lewin begon zijn godsdienstplichten te vervullen. Zelf ongeloovige, eerbiedigde hij toch de overtuiging van anderen, en vond het hard tegenwoordig te zijn bij en deel te nemen aan godsdienstplechtigheden, waaraan hij niet geloofde. In zijn teedere en sentimenteele gemoedsstemming, waarin hij nu verkeerde, was hem de dwang om te veinzen zeer hatelijk. Hoe! spelen met heilige dingen, liegen, nu zijn hart zich had geopend, nu hij zich te midden van zijn volle glorie gevoelde! was dit mogelijk? Maar wat hij deed om Stipan te dringen een middel te zoeken om een attest te bekomen zonder gedwongen biechten—deze bleef onverbiddelijk.

"Wat doet 't er toe? Twee dagen gaan spoedig voorbij en je hebt te doen met een goedigen grijsaard, die je dezen tand wel zal trekken zonder pijn."

Lewin deed onder de eerste mis, waarbij hij tegenwoordig was, zijn best om zich de godsdienstige indrukken van zijn jeugd te herinneren, die tusschen de zestien en zeventien jaar bij hem zeer levendig geweest waren, maar hij slaagde er niet in. Hij trachtte toen de godsdienstvormen te beschouwen als een oud gebruik, zonder zin, ongeveer als de gewoonte om visites te maken; dit gelukte hem evenmin, want, zooals de meesten zijner tijdgenooten, verkeerde hij in een vagen toestand ten opzichte van godsdienstige waarheden, en niet in staat om ze te gelooven, was hij het evenmin om ze geheel te onderwerpen. Deze verwarring van gevoelens veroorzaakte hem gedurende den tijd, die aan zijn devotie's gewijd was, eene beschamende verlegenheid; handelen zonder overtuigd te zijn, dit was—zoo riep hem zijn geweten toe—een slechte, leugenachtige daad.

Om niet in lijnrechten strijd te zijn met zijn overtuiging, trachtte hij eerst den een of anderen zin aan het kerkelijk ritueel toe te kennen, maar bespeurende, dat hij kritiseerde in plaats van te begrijpen, deed hij zich geweld aan om niet meer te hooren, ten einde zich over te geven aan de intieme gedachten, die zich gedurende zijn lange bezoeken in de kerk van hem meester maakten.—De mis, de vesper en de avondgebeden gingen op die wijze voorbij; den volgenden morgen stond hij vroeg op en kwam tegen acht uur nuchter in de kerk voor de morgengebeden en de biecht. De kerk was ledig; hij zag er niemand dan een soldaat, die bedelde, twee oude vrouwen en de hulpgeestelijken. Een jong diaken kwam hem te gemoet; zijn lange, magere rug teekende zich door zijn dunnen priesterrok heen in twee scherpe helften af, hij naderde een tafeltje bij den muur en begon de gebeden te lezen. Lewin bleef rechtop achter hem staan en hoorde hem op haastigen toon, met eentonige stem en afgebroken woorden lezen en telkens de woorden herhalen: «Ontferm U over ons!" die als een nagalm klonken; hij trachtte zich te verzetten tegen het luisteren en beoordeelen, om niet gestoord te worden in zijn eigen aangename gedachten.

"Welk een uitdrukking heeft zij in de handen," dacht hij, zich de soirée van den vorigen avond herinnerend, die hij met Kitty had doorgebracht in een hoek van het salon bij een tafel. Hun gesprek was niet van het minste belang; zij vermaakte zich met haar hand, die op de tafel leunde, te openen en te sluiten, terwijl zij lachte om deze kinderachtigheid. Hij herinnerde zich deze hand te hebben gekust en er de lijnen van te hebben beschouwd.

"Nog al ontferm U over ons," dacht Lewin het kruisteeken slaande en buigende tot op den grond, terwijl hij de lenige bewegingen van den voor hem staanden diaken gadesloeg, die zich ook nederboog.

"Vervolgens heeft zij mijn hand genomen en ze op haar beurt onderzocht. Je hebt een fameuse hand, heeft ze mij gezegd." Hij beschouwde zijn hand, vervolgens die van den diaken met stompe vingers.

"Nu zal 't spoedig uit zijn. Neen, hij begint weer te bidden. Ja toch, hij buigt tot op de steenen; dat is het einde."

De diaken ontving een billet van drie roebel, dat ongemerkt in zijn mouw gleed, en verwijderde zich haastig en deed zijn nieuwe schoenen klinken op de vloersteenen der ledige kerk; hij verdween achter het altaar, na Lewin te hebben beloofd hem in te schrijven voor de biecht. Een oogenblik daarna kwam hij terug en gaf hem een teeken. Lewin naderde het koor, beklom eenige treden, keerde rechts om en zag den priester voor zich, een grijsaard van kleine gestalte met een bijna witten baard, goedhartig en wat vermoeid van uitzicht, die bij den koorlessenaar stond en in het misboek bladerde. Na Lewin even gegroet te hebben, begon hij de gebeden te lezen, terwijl hij, aan het einde gekomen, zich tot aan den grond boog.

"Christus is onzichtbaar bij uw biecht tegenwoordig," zeide hij zich naar Lewin keerend en wees op het crucifix. "Gelooft gij in alles, wat de heilige apostolische kerk ons leert?" ging hij voort, zijn handen onder de stola kruisende.

"Ik heb getwijfeld, ik twijfel nog aan alles," zeide Lewin met een stem, die hem zelf onaangenaam in de ooren klonk, en toen zweeg bij.

De priester wachtte eenige seconden, sloot de oogen en zeide zeer snel:

"Twijfelen is aan de zwakke menschheid eigen, wij moeten den Almachtige bidden, u te versterken. Welke zijn uw voornaamste zonden?"

De priester sprak in een adem door, alsof hij vreesde tijd te verliezen.

"Mijn voornaamste zonde is de twijfel, die mij niet wil verlaten; ik twijfel aan alles en bijna altijd."

"Twijfelen is de zwakke menschheid eigen," herhaalde de priester; "waaraan twijfelt gij hoofdzakelijk?"

"Aan alles. Ik twijfel somtijds zelfs aan Gods bestaan," antwoordde Lewin bijna in weerwil van zich zelf verschrikt door de ongepastheid dezer woorden. Maar zij schenen op den priester niet den indruk te maken, dien hij vreesde.

"Welke gronden van twijfel aan het bestaan van God hebt gij dan?" vroeg de priester met een schier onmerkbaren glimlach.

Lewin zweeg.

"Welken twijfel kunt gij hebben omtrent den Schepper, als gij Zijn werken beschouwt? Wie heeft het hemelgewelf versierd met zijn sterren, de aarde getooid met al haar pracht. Hoe zouden al deze dingen bestaan zonder den Schepper?" En hij vestigde een ondervragenden blik op Lewin.

Lewin besefte de onmogelijkheid van een philosophische discussie met een priester en antwoordde op de laatste vraag:

"Ik weet het niet."

"Gij weet het niet? Maar waarom twijfelt gij dan, dat God alles heeft geschapen?"

"Ik begrijp er niets van," antwoordde Lewin blozend, en gevoelde de ongerijmdheid der antwoorden, die in het tegenwoordig geval niet anders dan ongerijmd zijn konden.

"Bid tot God, neem uw toevlucht tot Hem; de kerkvaders zelf hebben getwijfeld en God gesmeekt hun geloof te versterken. De duivel is machtig en wij moeten hem wederstaan. Bid tot God, bid tot God, bid tot God," herhaalde de priester zeer snel.

Toen bewaarde hij een oogenblik het zwijgen, alsof hij nadacht.

"Gij zijt voornemens, zooals men mij gezegd heeft, een huwelijk te sluiten met de dochter van mijn parochiaan en geestelijken zoon, vorst Tscherbatzky?" liet hij met een glimlach volgen. "Dat is een voortreffelijk meisje."

"Ja," antwoordde Lewin blozend. "Wat heeft hij noodig zulke vragen bij de biecht te doen?" vroeg hij zich zelf.

De priester ging voort:

"Gij denkt aan het huwelijk, en God zal u misschien nakomelingen geven. Welke opvoeding zult gij uw kleine kinderen geven, als gij er niet toe komt de verzoekingen des duivels te overwinnen, die u aanspoort tot ongeloof? Indien gij uw kinderen lief hebt, dan zult gij niet slechts wenschen hun rijkdom, weelde en aanzien na te laten, maar als een goed vader zorgen voor het heil hunner ziel door het licht der waarheid,—is dat niet zoo? Wat zult gij antwoorden, als het onschuldig kind u vraagt: Vader, wie heeft alles gemaakt, wat mij bekoort op de aarde: het water, de bergen, de zon, de bloemen en planten? Zult gij het antwoorden: Ik weet het niet? Kunt gij ontkennen, wat God in Zijn oneindige goedheid u heeft voor oogen gesteld? En indien het kind u vraagt: Wat staat mij te wachten na den dood? Wat zult gij het zeggen, als gij niets weet? Hoe zult gij het antwoorden? Zult gij het overgeven aan de verleiding der wereld en des duivels? Dat is niet goed," zeide hij het hoofd op zijde buigend om Lewin aan te zien met zijn goedige, zachte en bescheiden oogen.

"Gij gaat een phase van het leven in," vervolgde de priester, "waarin men zijn richting moet kiezen en er zich aan houden. Bid God, dat Hij u helpe en in Zijn barmhartigheid u ondersteune; en om te besluiten: Onze Heer en God, Jezus Christus, zal u in Zijn genade voor de menschheid vergeven, mijn zoon…." En de priester, de formulen der absolutie voltooiend, gaf hem zijn zegen en liet hem gaan.

Lewin kwam dien dag verheugd in huis terug bij de gedachte, dat hij uit een valschen toestand was bevrijd zonder dat hij had behoeven te liegen. Hij droeg bovendien van het korte gesprek van den grijsaard den vagen indruk mede, dat hij in plaats van ongerijmdheden dingen gehoord had, die de moeite waard waren overdacht te worden.

"Natuurlijk nu niet," dacht hij, "maar later."

Lewin gevoelde levendig, dat er in zijn ziel een nevelachtig, donker gebied was verborgen; en wat den godsdienst betrof, verkeerde hij geheel in het geval van Swijaschsky en eenige anderen, wier begrippen zonder samenhang hem steeds onaangenaam troffen.

De soirée, die Lewin met zijn bruid bij Dolly doorbracht, was zeer vroolijk; hij vergeleek zich in zijn discours met Stipan Arkadiewitsch met een hond, dien men africht om door een hoepel te springen, en die, verheugd dat hij eindelijk de les heeft begrepen, in zijn blijdschap kwispelstaartend op de tafel en op de vensterbank wil springen.

XX.

De vorstin en Dolly namen nauwkeurig de vastgestelde gebruiken in acht, ook stonden zij Lewin niet toe op den trouwdag zijn bruid te zien; hij dineerde in zijn hotel met drie ongehuwde heeren, met wie hij toevallig te zamen was: Kattawassow, een vroegere makker van de universiteit, thans professor in de natuurkundige wetenschappen, die Lewin ontmoet en hier heen gevoerd en uitgenoodigd had op het diner, Tschirikow, zijn bruidsjonker vrederechter te Moskou en zijn metgezel op de berenjacht, en eindelijk Sergej Iwanowitsch.

Het diner was zeer opgewekt. Sergej Iwanowitsch was in een goed humeur, en Katawassows originaliteit vermaakte hem buitengemeen; deze ziende, dat hij in den smaak viel, overtrof zich zelf en ook Tschirikow hielp vroolijk de conversatie onderhouden.

"Daar is nu onze vriend Constantin Dimitritsch," zeide Katawassow op den langzamen spreektoon van den professor, die gewoon is, dat men naar hem luistert, "de middeleeuwsche knaap van weleer! Ik spreek van hem in het verledene, want hij bestaat niet meer. Toen hij de universiteit verliet, beminde hij de wetenschap en stelde belang in de menschheid; thans besteedt hij een gedeelte van zijn vermogens om zich illusies te maken, en het andere om aan zijn hersenschimmen een schijn van grond te geven."

"Ik heb nimmer een beslister vijand van het huwelijk ontmoet dan u," zeide Sergej Iwanowitsch.

"Geenszins; ik ben eenvoudig deelgenoot in de vervulling van de algemeene taak. Zij, die nergens geschikt voor zijn, zijn goed om de soort te vermeerderen. De anderen moeten bijdragen tot de geestelijke ontwikkeling, tot het geluk van hun natuurgenooten. Dat is mijn gevoelen. Ik weet, dat een menigte lieden geneigd zijn deze beide takken van arbeid te verwarren; maar ik behoor niet tot dat getal."

""Wat zou ik dan blijde zijn, als ik hoorde, dat gij verliefd waart!" riep Lewin uit. "Ik bid je, verzoek mij op je bruiloft."

"Maar ik ben al verliefd."

"Ja op de mollusken. Gij weet," zeide Lewin zich naar zijn broeder keerende, "Michaël Seminitsch schrijft een werk over de voeding en …"

"Ik bid je, haspel de zaken niet dooreen! Het doet er weinig toe wat ik schrijf, maar het is waarheid, dat ik de mollusken bemin."

"Dat zal je niet beletten een vrouw te beminnen."

"Neen, maar mijn vrouw zou zich verzetten tegen mijn liefde voor de mollusken."

"Waarom dat?"

"Je zult het wel zien. Je houdt op dit oogenblik van de jacht, van de landbouwkunde; nu, wacht maar eens."

"Ik heb vandaag Archi ontmoet," zeide Tschirikow; "hij beweert, dat men te Prudnow een menigte eilanden, zelfs beren vindt."

"Je zult er jacht op maken zonder mij."

"Zie je wel," zeide Sergej Iwanowitsch. "Wat de berenjacht betreft, die kun je vaarwel zeggen; uw vrouw zal 't niet toestaan."

Lewin glimlachte. De gedachte, dat zijn vrouw hem de jacht zou verbieden, scheen hem zoo bekoorlijk, dat hij gaarne voor altijd zou afzien van het pleizier een beer te ontmoeten.

"Het gebruik om afscheid te nemen van zijn vrijgezelsleven is niet zinledig," zeide Sergej Iwanowitsch. "Hoe gelukkig men zich gevoelt, men betreurt altijd zijn vrijheid."

"Beken maar, dat zooals bij den bruidegom van Gogol het geval was, de lust bij u opkomt om uit het venster te springen."

"Zeker, maar hij zal het niet bekennen," zeide Katawassow luid lachende.

"Het venster is open … vertrekken we naar Twer! Wij kunnen den beer in zijn hol vinden. Inderdaad, we kunnen den trein van vijf uur nog halen," zeide Tschirikow glimlachende.

"Welnu," antwoordde Lewin eveneens lachende, met de hand op het hart: "ik kan in mijn ziel niet het minste spoor van berouw over het prijsgeven van mijn vrijheid ontdekken."

"Je ziel verkeert in zulk een chaos, dat je er in het eerste kwartier niets in onderscheiden kunt. Wacht tot 't er wat meer helder wordt en dan zul je eens zien. Je bent een sujet, dat weinig hoop overlaat! Laat ons drinken op je genezing."

Na het diner gingen de gasten uiteen, omdat zij zich moesten omkleeden voor de huwelijksplechtigheid.

Toen hij alleen was gebleven, vroeg Lewin zich zelf nog af, of hij werkelijk de vrijheid betreurde, waarvan zijn vrienden zooeven hadden gesproken, en dit denkbeeld deed hem glimlachen.

"De vrijheid? Waartoe de vrijheid? Het geluk bestaat voor mij in beminnen, in de gedachte aan haar, in het verlangen naar haar, zonder eenige vrijheid. Zie daar het geluk!"

"Maar kan ik haar gedachten kennen, haar wenschen, haar gevoelens?" De glimlach verdween van zijn lippen. Hij verzonk in een diepe droomerij en gevoelde zich aangegrepen door vrees en twijfel.

"En indien zij mij niet beminde? Indien zij mij enkel trouwde om te trouwen? Indien zij dat deed zonder zedelijk besef? Misschien zal zij haar dwaling inzien en, nadat zij met mij gehuwd is, begrijpen, dat zij mij niet bemint en mij niet kan beminnen?" En de voor Kitty meest kwetsende gedachten voeren hem door het hoofd; hij begon op nieuw, zooals een jaar vroeger, een geweldige jaloerschheid tegen Wronsky te gevoelen; zijn herinnering voerde hem terug naar dien avond, toen hij hen op de soiree te zamen had gezien, en verdacht haar, dat zij hem nog niet geheel had vergeten.

"Neen," dacht hij wanhopig van zijn stoel opstaande, "ik kan in dezen toestand niet blijven; ik ga naar haar toe, ik zal met haar spreken en tot haar zeggen: 'Wij zijn vrij, is het niet beter niet verder te gaan? Alles is beter dan het ongeluk van een geheel leven, dan de schande en de ontrouw!'" En buiten zich zelf, vol haat tegen de menschheid, tegen zich zelf, tegen Kitty, snelde hij naar haar woning.

Hij trof haar aan bij een groote kist, bezig om met de kamenier japonnen van allerlei kleuren uit te spreiden op de vloer en op de ruggen der stoelen.

"Hoe?" riep zij met een van blijdschap stralend gelaat uit, toen zij hem zag. "Jij hier, jij zelf? Dat had ik niet gedacht. Ik ben bezig mijn meisjescostumes te verdeelen."

"Ah, dat is goed!" antwoordde hij, de kamenier met een somberen blik aanziende.

"Ga nu maar, Douniascha, ik zal je roepen," zeide Kitty; en dadelijk toen zij was heengegaan, vroeg zij: "Wat is er?"—Zij was getroffen en verschrikt door het ontdaan uitzicht van haar bruidegom.

"Kitty, ik word gepijnigd!" zeide hij op wanhopigen toon en bleef met een smeekende houding om in haar oogen te lezen, voor haar staan.

Deze heldere oogen, vol liefde hem aanziende, bewezen hem dadelijk, hoe ongegrond zijn vrees was, maar hij gevoelde een onweerstaanbare behoefte om gerustgesteld te worden.

"Ik ben gekomen om u te zeggen, dat het nog niet te laat is, dat alles nog kan worden hersteld."

"Wat? Ik begrijp je niet. Wat bedoel je?"

"Ik … zooals ik honderdmaal dacht en zeide … ik ben u niet waardig. Ge hebt eerst niet kunnen toestemmen mij te trouwen. Bedenk dat wel. Gij bedriegt u misschien. Denk er goed over. Ge kunt mij niet beminnen … Indien … ge moet het liever bekennen …." ging hij voort, zonder haar aan te zien. "Ik zal ongelukkig zijn, maar dat komt er niet op aan; je moet zeggen wat je wenscht; alles is beter dan duurzame rampzaligheid! Nu, nu het nog tijd is…."

"Ik begrijp je niet," antwoordde zij hem verschrikt aanziende; "wat wilt ge? Terugtrekken, afbreken?"

"Ja, indien je me niet bemint."

"Je raaskalt!" riep zij uit, blozende van opkomende drift. Maar op het zien van zijn bedroefd gelaat verdween haar toorn, en de japonnen, die de stoelen bedekten, wegstootend, kwam zij dicht bij hem.

"Waar denk je aan? Zeg mij alles."

"Ik denk, dat je mij niet kunt beminnen. Waarom zoudt ge mij beminnen?"

"Mijn God! wat zal ik er aan doen?" zeide zij en brak in tranen uit.

"Wat heb ik gedaan!" riep hij dadelijk, en zich voor haar op de knieën werpend, bedekte hij haar handen met kussen.

Toen de vorstin vijf minuten later de kamer binnentrad, waren zij geheel verzoend. Kitty had haar bruidegom van haar liefde overtuigd. Zij had hem uitgelegd, dat zij hem beminde, omdat zij hem volkomen begreep, omdat zij wist, dat zij behoefte had om te beminnen, en dat al wat hij lief had goed en edel was.

Lewin vond de uitlegging volkomen afdoende. Toen de vorstin binnenkwam, waren zij naast elkander op den grooten koffer gezeten, de japonnen beschouwende en raadplegende over haar bestemming. Kitty wilde de bruine japon, die zij droeg toen Lewin haar hand vroeg, aan Douniascha geven, en hij stond er op, dat zij ze aan niemand zou geven en dat Douniascha de blauwe zou bekomen.

"Maar denk je er dan niet aan, dat, daar zij een brunette is, de blauwe haar misstaan zou? Ik heb aan dat alles gedacht."

Toen de vorstin vernam, waarom Lewin gekomen was, werd zij boos en lachte te gelijk; zij zond hem heen om zich te kleeden. want Charles zou dadelijk komen om Kitty te kappen.

"Zij is buitendien al opgewonden genoeg," zeide zij; "zij eet niets dezer dagen, ook valt zij zichtbaar af; je zult haar nog geheel in de war brengen met je dwaasheden! Kom maak je uit de voeten, mijn jongen."

Lewin kwam beschaamd en verlegen, maar gerustgesteld in het hotel terug. Zijn broeder, Darja Alexandrowna en Stipan wachtten hem reeds in groot toilet om hem te zegenen met de heiligenbeelden. Er was geen tijd te verliezen. Dolly moest naar huis om haar zoontje te halen, die voor deze gelegenheid zorgvuldig van pommade voorzien en gefriseerd was; het kind was belast om het heiligenbeeld voor bruid en bruidegom uit te dragen. Vervolgens moest er een rijtuig gezonden worden aan den bruidsjonker, terwijl de andere, die Sergej Iwanowitsch moest geleiden, aan het hotel zou terugkomen. Er waren dien dag de meest ingewikkelde combinaties in acht te nemen. Men moest zich haasten, want het was al halfzeven.

Aan de plechtigheid van den zegen ontbrak de ernst. Stipan Arkadiewitsch nam aan de zijde van zijn vrouw een plechtige en komieke houding aan, hief het beeld op, dwong Lewin om zich diep neder te buigen, terwijl hij hem zegende met een welwillenden en ondeugenden glimlach om de lippen; hij eindigde met hem driemaal te omhelzen, hetgeen ook Dolly haastig deed, daar zij moest vertrekken en vooral zorg had over de schikking met het rijtuig.

"Wij zullen zoo doen: gij gaat hem halen met ons rijtuig, en misschien zal Sergej Iwanowitsch de goedheid hebben dadelijk te komen en het zijne terug te zenden

"Best, met veel genoegen."

"Wij zullen te zamen komen. Is de bagage verzonden?" vroeg Stipan
Arkadiewitsch.

"Ja," antwoordde Lewin, en hij riep zijn bediende om hem te kleeden.