WeRead Powered by ReaderPub
Anna Karenina cover

Anna Karenina

Chapter 9: VIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel interweaves two principal narratives: one traces a married woman's passionate affair and the social, familial, and moral consequences that follow; the other follows a thoughtful man as he seeks purpose, wrestles with questions of work, faith, and the rhythms of rural life. Through detailed scenes of domestic routine and society, the book examines marriage, fidelity, isolation, public reputation versus inner life, and the search for meaning, contrasting urban social pressures with personal conscience and the restorative presence of the natural world.

VI.

Toen Oblonsky aan Lewin vroeg, waarom hij eigenlijk was gekomen, was hij rood geworden en had zich over zich zelf geërgerd, dat hij het werd, want hij kon toch niet antwoorden: "Ik ben gekomen om je schoonzuster Kitty ten huwelijk te vragen," hetgeen toch het doel zijner reis was. De Lewins en Tscherbatzky's behoorden tot oudadellijke familiën en hadden altijd in vriendschappelijke betrekking tot elkander gestaan.

Dit verkeer werd nog vertrouwelijker in den tijd, dat Lewin de hoogeschool bezocht, waar hij met den jongen vorst Tscherbatzky, den broeder van Dolly en Kitty, studeerde. In dien tijd kwam hij zeer dikwijls bij de familie Tscherbatzky en verliefde daarop; hoe zonderling het klinken moge, het was waar. Lewin was verliefd op het huis, op de familie, vooral op de vrouwelijke leden dezer familie Tscherbatzky. Hij had zijn moeder nooit gekend, zijn eenige zuster was veel ouder, zoodat hij sinds den vroegen dood zijner ouders zeer eenzelvig was opgegroeid. In het huis van vorst Tscherbatzky werd hij voor het eerst in een oudadellijk, beschaafd en hoogst achtenswaardig gezin opgenomen.

Alle leden dezer familie, vooral de vrouwelijke, waren voor hem als van een geheimzinnigen, poëtischen sluier omgeven, en hij zag niet alleen geen feilen, maar onder dien sluier vermoedde hij de edelste en uitstekendste beginselen en deugden.

Waarom de drie jonge meisjes altijd om den anderen dag Fransch en Engelsch spreken en om beurten op bepaalde uren piano spelen moesten; waarom op bepaalde tijden leeraars in de Fransche en Italiaansche letterkunde, in muziek, teekenen en dansen kwamen; waarom de drie jonge dames op bepaalden tijd met mademoiselle Linon in een kales naar den Twerskoyboulevard reden, allen in met atlas gevoerde pelzen gehuld, Dolly in een langen, Natalie in een halflange en Kitty in een korten, zoodat haar slanke voetjes in de strak getrokken kousen zichtbaar werden; waarom zij daar onder geleide van een met goud gegalloneerden bediende op en neder moesten wandelen; waarom zij allerlei verrassingen voor hun vader instudeeren moesten, zooals concertstukken op twee piano's of Fransche tooneelvoorstellingen; waarom men Dolly later een horloge schonk, haar een lang kleed naaide en naar het eerste bal geleide,—dat alles begreep hij niet, maar hij wist, dat het zoo behoorde en dat het noodig was en hij was betooverd door de geheimzinnige wijze, waarop dat alles gebeurde.

Het was hem, alsof hij noodzakelijk op een der dochters verlieven moest, hij wist maar niet op welke. Als student was Dolly zijn ideaal; die trouwde echter spoedig met Oblonsky. Nauwelijks was Natalie in de wereld gebracht, of zij trouwde met een diplomaat, Lwoff genaamd. Kitty was nog een kind, toen Lewin de universiteit verliet.

De jonge Tscherbatzky had bij de marine dienst genomen en verdronk kort daarop in de Oostzee. Na dien tijd verflauwden de relatie met de Tscherbatzky's.

Dit jaar was hij bij het begin van den winter om een veetentoonstelling naar Moskou gekomen, en nu hij Kitty in een lang kleed had weergezien, Kitty, die er als jong meisje oneindig bekoorlijker uitzag dan vroeger als kind, nu werd het hem helder, op welke van de drie het hem voorbeschikt was te verlieven.

Oogenschijnlijk was er voor hem, een twee-en-dertig-jarig man, die eer rijk dan arm was, niets eenvoudiger, dan de vorstin Tscherbatzky ten huwelijk te vragen, want naar alle omstandigheden te oordeelen was hij een goede partij. Maar Lewin was werkelijk verliefd en daarom kwam Kitty hem in alle opzichten als een zoo volmaakt, zoo boven al het aardsche verheven wezen voor en beschouwde hij zich zelf als zulk een nietswaardig schepsel, dat hij er in de verste verte niet aan denken durfde, dat anderen hem waardig achten zouden haar te bezitten.

Nadat hij als in een droom twee maanden te Moskou doorgebracht en Kitty bijna dagelijks gezien had, zeide hij plotseling tot zich zelf, dat er niets van komen kon, en ging naar zijn goederen terug. Hij zag in zich zelf twee groote gebreken, die hem het recht ontnamen aan haar te denken: ten eerste, dat hij slechts een eenvoudig grondbezitter en volgens zijn eigen meening alles behalve een knap man was. Dan zag hij een anderen hinderpaal in zijn vroegere betrekking tot Kitty, de verhouding van een volwassen man tot een kind.

Hij hield zich zelf voor een eenvoudig, lang niet innemend man, en zoo iemand, dacht hij, kon men wel als vriend beminnen, maar om bemind te worden met zulk een liefde, als hij Kitty toedroeg, moest men in alle opzichten boven velen uitblinken. Hij had er wel eens van gehoord, dat vrouwen dikwijls leelijke en alledaagsche menschen lief hadden, maar dit geloofde hij niet; hij beoordeelde anderen naar zich zelf, en hij kon slechts schoone, belangwekkende en schitterende vrouwen beminnen.

Na twee maanden alleen op het land doorgebracht te hebben, gevoelde hij echter, dat het geen voorbijgaande neiging was, zooals hem in zijn eerste jeugd wel voor korten tijd bedwelmd had, maar dat dit gevoel hem nu geen oogenblik rust liet, dat hij niet leven kon zonder de vraag beantwoord te weten, of zij zijn vrouw wilde worden ja of neen; daarom was hij naar Moskou gekomen met het vaste voornemen het aanzoek te doen en te trouwen, als hij aangenomen mogt worden, of…. Neen hij kon zich niet voorstellen, hoe het zijn zou, als zijn hoop onvervuld bleef.

Met den morgen trein te Moskou gekomen, begaf hij zich naar zijn oudsten broeder Kosnischeff, kleedde zich en trad diens kabinet binnen met het voornemen hem zijn plan mede te deelen en zijn raad in te winnen. Zijn broeder was echter niet alleen. Een bekend professor in de philosophie was zijn gast.

Sergei Iwanowitsch ontving zijn broeder met het zelfde vriendelijke, koele lachje, waarmede hij iedereen begroette, en zette na de wederzijdsche voorstelling zijn gesprek met den professor voort. Na verloop van een half uur vertrok de gast en wendde Sergei zich tot zijn broeder.

"Het verheugt mij zeer dat ge gekomen zijt! Hoe gaat het buiten met onze zaken?"

Lewin wist, dat zijn oudste broeder zich weinig om de bezittingen bekommerde en er alleen naar vroeg om hem genoegen te doen. Daarom sprak hij enkel over den tarweoogst en van hun geldzaken. Hij gaf het voornemen om zijn broeder zijn huwelijksplannen mede te deelen op, want nadat hij diens gesprek met den professor had gevolgd en daarna den beschermenden toon had opgemerkt, waarmede Sergei naar de oeconomische aangelegenheden vroeg (het vaderlijk erfgoed was niet verdeeld en Lewin beheerde het voor beide partijen), gevoelde hij, dat deze zijn plannen anders zou beoordeelen, dan hij het wenschte, en hij dus niet met hem daarover kon spreken.

VII.

Precies om vier uur steeg Lewin voor den zoölogischen tuin uit de droschke en sloeg met kloppend hart den weg in naar de ijsbergen en de rijbaan, ten volle gerustgesteld haar daar te zullen aantreffen, want hij zag het rijtuig der Tscherbatzky's voor de poort wachten. 't Was een helder vriezende dag, voor den ingang stond een langen rij droschken, sleden en gendarmen. Onder de menigte wandelaars kwam hem een bekende tegen, die hem iets toeriep, Lewin herkende hem in het geheel niet. Hij kwam in de nabijheid der sneeuwbergen en hoorde het rammelen der kettingen, waarmede de sleden de hoogten op- en afgetrokken werden, het stommelen der naar beneden glijdende sleden en vroolijke stemmen. Na nog enkele schreden gegaan te zijn, stond hij bij de ijsbaan en herkende terstond te midden van alle schaatsenrijders haar.

Zij stond aan de overzijde in gesprek met een andere dame. Oogenschijnlijk was er niets bizonders aan haar, noch in haar houding, noch in haar kleeding, maar voor Lewin was het even gemakkelijk haar onder die menigte uit te vinden als een roos onder brandnetels.

"Zou ik werkelijk op het ijs durven gaan en haar naderen?" dacht hij; de plaats, waar zij stond, scheen hem een ongenaakbaar heiligdom, en een oogenblik stond hij op het punt om weer heen te gaan. Hij moest zich alle geweld aandoen om het ijs te betreden en vermeed het haar lang aan te zien, als ware zij de zon, maar even als deze zag hij haar toch, zonder tot haar op te zien.

Op dezen tijd van den dag placht zich hier een clubje onder elkander bevriende menschen te vermaken; in Lewins oogen waren die allen hoogst gelukkig, daar ze in haar nabijheid waren; en toch reden ze haar allen zeer onverschillig voorbij, spraken eens met haar en schenen zich, zonder verder acht op haar te slaan, over het spiegelgladde ijs en het heerlijke weder te verheugen.

Nicolai Tscherbatzky, Kitty's neef, zat met korte jas en nauwe broek en schaatsen onder de voeten op een bank en riep, zoodra hij Lewin gewaar werd, dezen toe:

"Aha, de champion der schaatsenrijders! Sedert wanneer hier? Waar hebt ge de schaatsen?"

"Ik heb er geen meegebracht," antwoordde Lewin, zeer verwonderd over zich zelf, dat hij in haar tegenwoordigheid zoo onbevangen spreken kon. Hij gevoelde, dat de zon hem naderde.

Zij had juist een wending gemaakt en reed nu de kleine, hooggeschoeide voetjes eenigszins stijf houdende, voorzichtig op hem toe. Een jongen in Russisch kostuum, die geweldig met de armen zwaaide en wiens neus bijna den grond raakte, joeg haar voorbij.

Zij reed tamelijk onvast, nam de handen uit den mof, die aan een koord om haar hals hing, om er mede te balanceeren, en hield haar blik strak op Lewin, dien zij herkend had, gericht, terwijl zij, half verheugd over de ontmoeting en half verlegen over haar onbeholpenheid, hem toelachte.

Door een zwenking reed zij vlak tegen Tscherbatzky aan, hield zich aan dezen vast en knikte Lewin lachend toe. Zij was nog schooner, dan hij zich voorgesteld had.

"Zijt gij reeds lang hier?" vroeg zij en stak hem de hand toe.

"Ik dank u," voegde zij er bij, toen hij haar haar zakdoek, die gevallen was, weergaf.

"Ik—nog maar kort … gister—ik meen van daag—ben ik gekomen!" antwoordde Lewin, die in zijn opgewondenheid haar vraag niet dadelijk begreep. "Ik was bij u aan huis," voegde hij er bij. Bij de herinnering aan het doel van zijn bezoek werd hij verlegen en bloosde.

"Ik wist niet, dat gij zoo goed schaatsen reedt!"

Zij beschouwde hem oplettend, als wilde zij de reden van zijn verlegenheid uitvorschen. "Zulk een lof van u zegt veel, want uw goede naam als eerste schaatsenrijder is hier bewaard gebleven," hernam zij en klopte met de kleine gehandschoende hand de sneeuw van den mof.

"Ja, vroeger was ik een hartstochtelijk liefhebber en deed mijn best er een matador in te worden."

"Ik geloof, dat ge alles met hartstocht doet," sprak zij lachend. "Ik zou u gaarne eens zien rijden. Neem spoedig een paar schaatsen, dan zullen wij eens samen rijden."

"Samen, met haar te zamen?" dacht hij en sprak luide: "Ik zal ze terstond aandoen." Haastig verwijderde hij zich om er een paar machtig te worden.

"Wat zijt gij lang niet hier geweest," sprak de baanveger, terwijl hij hem de ijzers aangespte. "Er was na u geen zoo'n meester in 't rijden! Zitten ze zóó goed?"

"Ja goed, goed, alles goed," zeide Lewin, een gelukkig lachje, dat onwillekeurig zijn gelaat verhelderde, terug dringend. "Ja!" dacht hij, "dit is leven, dit is geluk! Zal ik het haar terstond zeggen? Neen, nu durf ik er haar niet van spreken, nu ik zoo gelukkig ben, gelukkig door de hoop, maar dan? Maar ik moet, ik wil het toch doen! Weg met alle zwakheid!"

Nu stond hij op zijn schaatsen, trok den overjas uit en gleed zonder de geringste inspanning over de gladde vlakte, alsof zijn wil alleen zijn bewegingen versnelde en vertraagde of er de richting aan gaf. Bevangen naderde hij haar, maar haar vriendelijk lachje schonk hem moed. Zij reikte hem de hand en zij gingen naast elkander, allengs hun vaart versnellend; maar hoe sneller zij reden, hoe vaster hij den druk harer hand in de zijne voelde.

"Met u had ik het gauwer geleerd," sprak zij, "met u voelt men zich zoo zeker."

"Ik gevoel mij ook zoo zeker, als gij op mij steunt," antwoordde hij en schrok tegelijkertijd over dat antwoord en bloosde. En inderdaad, nauwelijks waren die woorden gesproken, of even als de zon achter de wolken, verdween de vroolijkheid van haar gelaat en Lewin werd daarop die eigenaardige verandering gewaar, die een dieper nadenken er op te voorschijn placht te roepen. Op het anders zoo gladde voorhoofd vertoonden zich lichte rimpels.

"Hindert u iets? Maar ik heb geen recht daarnaar te vragen," sprak hij haastig.

"Waarom niet? Neen er is niets, dat mij drukt," antwoordde zij koel en liet er terstond op volgen: "Hebt ge mademoiselle Linon al begroet?"

"Neen, nog niet!"

"Och, ga dan naar haar toe; zij heeft zooveel met u op."

"Wat is dat? Ik heb haar beleedigd…. Mijn God, help mij!" dacht Lewin en begaf zich naar de Française met de grijze haren, die op een bank was gezeten.

Deze ontving hem als een oud vriend, terwijl ze lachend haar valsche tanden zien liet.

"Ja, kinderen worden groot!" sprak zij, met de oogen op Kitty duidend, "men wordt ouder! Rijd toch maar door, houd u niet op. Rijdt mijn Kitty niet goed?"

Lewin snelde weer naar Kitty toe. Haar gelaat was niet meer gestreng, haar oogen hadden een zachte en openhartige uitdrukking. Zij sprak vroolijk over haar oude gouvernante, over haar eigenaardigheden, en zeide hem zelfs, dat haar moeder mademoiselle niet genoeg waardeerde.

Dit oordeel over haar moeder tegenover hem uitgesproken gaf Lewin weer nieuwen moed. Zij sprak met hem over haar moeder; zij geloofde alzoo aan de mogelijkheid, dat zij bij hem meer instemming zou vinden dan bij haar eigen moeder.

"Hoe is het mogelijk, dat gij u in den winter niet op het land verveelt?" vroeg zij.

"Vervelend vind ik het er nooit, wel eenzaam!"

Zij zag hem aan.

"Zou het toch mogelijk zijn," dacht hij.

"Blijft gij lang hier?" vroeg Kitty.

"Dat weet ik nog niet."

"Weet ge dat niet?"

"Ik weet het niet. Het hangt van u af!" sprak hij.

Of zij zijn woorden gehoord had of niet, plotseling was het of zij struikelde; zij stiet tweemaal met haar schaatsen krachtig op het ijs en gleed van hem weg. Zij schoot op mademoiselle Linon toe, wisselde eenige woorden met haar en begaf zich toen naar het huisje, waarin de dames gewoonlijk haar schaatsen afdeden.

"Ach, dat had ik nu nog niet moeten zeggen!" dacht hij, "mijn God, help mij!" Behoefte gevoelend zijn gemoed eens lucht te geven, nam hij een aanloop en beschreef allerlei kringen en figuren, waardoor hij spoedig aller opmerkzaamheid tot zich trok.

Op dat oogenblik kwam er juist een jongmensch, de beste der jongere schaatsenrijders, uit een restauratie. Hij had de schaatsen onder de voeten en een sigaar in den mond, liep met veel beweging en allerlei sprongen de trappen af en gleed op het ijs in eens door vooruit, zonder de houding van lichaam en armen merkbaar te veranderen.

"Aha, dat is een nieuw kunststuk," zeide Lewin en ging tegelijkertijd naar boven om het na te doen.

"Bezeer je maar niet," riep Tscherbatzky hem toe, "dat gaat zoo maar niet zonder oefening!"

Lewin ging tot aan den drempel der restauratie, stiet met kracht af en vloog langs de trappen naar beneden. Bij de onderste trede struikelde hij even, maar nauwelijks den grond met de hand aanrakend, stond hij weer recht op en vloog verder.

"Die goede, beste vriend!" dacht Kitty, die juist met mademoiselle Linon uit het huisje te voorschijn kwam, en zag hem met een teeder, vriendelijk lachje, als een geliefden broeder na.

"Is het mogelijk, dat ik schuld heb? Heb ik waarlijk verkeerd gedaan? Men noemt dat coquetteeren. Maar ik weet, dat ik hem niet bemin, en toch ben ik zoo gaarne met hem samen. Hij is zoo goed! Waarom heeft hij dat ook gezegd?" dacht zij.

Toen Lewin zag, dat Kitty met haar moeder het ijs verliet, stond hij stil en overlegde, wat te doen. Hij bond de schaatsen los en haalde bij den uitgang van het park moeder en dochter in.

"Ik verheug mij zeer u te zien!" sprak de vorstin. "Donderdags wachten wij altijd bezoeken af."

"Heden dus?"

"Het zal ons veel genoegen doen u te zien!"

De vorstin ging door, Lewin merkte iets stroefs en koels in haar toon op. Dat deed hem pijn.

Kitty voelde dit misschien ook en kon niet nalaten de stroefheid harer moeder te verzachten. Zij wendde het hoofd om en zeide met een vriendelijk lachje: "Tot weerziens!"

Op dat oogenblik kwam Stipan Arkadiewitsch, den hoed eenigszins scheef op het hoofd, met vroolijk lachend gelaat, dat niet de minste onrust verried, den tuin binnen. Zoodra hij zijn schoonmoeder naderde, teekende zijn gelaat meer schuldgevoel. Hij beantwoordde de vragen naar Dolly's welstand met bedrukt gelaat, maar nadat hij eventjes zacht en neerslachtig met de vorstin gesproken had, richtte hij het hoofd weer vroolijk op en nam Lewin onder den arm. "Kom, zullen wij maar terstond wegrijden? Ik heb telkens aan je gedacht en verheug mij, dat ge gekomen zijt." Daarbij zag hij hem veelbeteekenend in de oogen, "Ja wij willen heengaan," sprak de gelukkige Lewin, die met zijn oogen Kitty tot in het rijtuig volgde.

"Naar het hotel Angleterre of de Hermitage?"

"'t Is mij om 't even."

"Nu dan maar naar Angleterre," zeide Stipan en koos Angleterre, omdat hij daar de meeste schuld had, en het om die reden voor beter hield, dit hotel niet te vermijden. "Hebt gij een droschke? Zoo, dat is goed, ik heb mijn rijtuig weggezonden."

Onderweg zwegen de beide vrienden. Lewin dacht er over na, wat toch de zoo dikwijls afwisselende uitdrukking op Kitty's gelaat zou kunnen beteekenen. Stipan Arkadiewitsch dacht inmiddels over het menu voor het diner.

"Houdt ge van tarbot?" vroeg hij Lewin, toen zij voor het hotel stil hielden.

"Wat?" vroeg Lewin, "tarbot? Ja! ik houd heel veel van tarbot."

VIII.

Toen Lewin met Oblonsky het hotel binnentrad, bemerkte hij op het gelaat en in de houding van den laatste iets heel bizonders, een onderdrukte levendigheid. Oblonsky ontdeed zich van zijn overjas, trad met den hoed een weinig scheef op het hoofd de eetzaal binnen en gaf den hem op den voet volgenden Tartaar zijn bevelen. Terwijl hij rechts en links de zich daar bevindende gasten groette, naderde hij het buffet, gebruikte een glaasje likeur en een stukje visch en had daarbij een schertsend woord ten beste voor de achter het buffet zittende, gepoederde en geheel met linten, kant en krulletjes bedekte Française.—Lewin echter dronk alleen daarom geen likeur, omdat die Française met de valsche haren, poudre de riz en vinaigre de toilette hem verschrikkelijk ergerde. Hij vermeed haar omgeving als een bezoedelde plaats. Zijn geheele ziel was met Kitty's beeld vervuld, en uit zijn oogen lachten hoop en geluk.

"Hier mijnheer, als ik u verzoeken mag, hier wordt mijnheer niet gestoord," zeide de oude, breedgeschouderde Tartaar, spreidde een sneeuwwit tafelkleed op de ronde, met bronzen candelabres versierde tafel en schoof er twee fauteuils bij. Daarna bleef hij met het servet over de arm voor Stipan staan en wachtte diens bevelen af.

"Indien mijnheer soms een afzonderlijk kabinet mocht verlangen, dan zal er terstond een vrij zijn…. Vorst Galizin met een dame…. Wij hebben versche oesters gekregen…."

"Aha! oesters." Stipan overlegde.

"Zouden wij ons plan niet wijzigen, Lewin?" zeide hij met den vinger de spijskaart doorloopend, terwijl zijn gelaat groote besluiteloosheid teekende.

"Ja, laten wij oesters bestellen!"

"Zeg, hoor eens, jij, zijn ze werkelijk goed?"

"Flensburgsche, mijnheer! geen van Ostende!"

"Flensburgsche, ja! maar zijn ze wel versch?"

"Gister pas aangekomen."

"Dan moeten wij maar met oesters beginnen en ons menu geheel veranderen."

"'t Is mij om 't even! Ik had het liefst tsji met gort! Maar zoo iets kan men hier toch niet krijgen."

"Wenscht u misschien gort à la Russe," vroeg de Tartaar en boog zich over Lewin heen als een voedster over een kind.

"Neen zonder gekheid! zoek uit, wat je bevalt; ik ben van het schaatsenrijden zeer hongerig geworden en geloof, dat ik je keus alle eer zal aandoen. Ik zal met genoegen van al dat heerlijks eten."

"Nu dat zou ik denken," antwoordde Oblonsky, "want ge zult moeten toestemmen, dat dit toch een van de hoofdzaken van het leven is!—Dus maatje, geef ons twee of liever drie dozijn oesters, soep met groente…."

"Printanière!" zeide de Tartaar.

Maar Stipan Arkadiewitsch gunde hem het genoegen niet de gerechten
Fransche namen te geven.

"Met groenten, versta je! Dan bot met dikke saus, dan—roastbeaf, maar pas op, dat die goed is! en dan misschien kapoen en ingelegde vruchten."

De Tartaar, die de eigenaardigheid van Stipan kende om de gerechten nooit Fransche namen te geven, sprak hem niet na, maar kon zich het genoegen niet ontzeggen de geheele bestelling volgens de Fransche spijskaart te herhalen.

"Soupe printanière, turbot sauce Beaumarchais, poularde à l'estragon, macedoine de fruits!"

Daarna overhandigde hij hem terstond de wijnkaart.

"Ja, wat zullen wij drinken?"

"Ik drink, wat je wilt, champagne," zeide Lewin.

De Tartaar vloog weg en verscheen eenige oogenblikken later met een schotel oesters en een flesch.

Lewin at van de oesters, hoewel hij liever brood met kaas zou gehad hebben; maar hij bewonderde Oblonsky, en zelfs de Tartaar, die een parelenden wijn in de fijngeslepen glazen schonk, zag met vergenoegden blik op Oblonsky neer.

"Gij schijnt niet veel om oesters te geven!" zeide Stipan Arkadiewitsch zijn glas ledigend, "of hebt ge misschien zorgen?"

Hij wenschte Lewin vroolijk te zien, maar deze gevoelde zich minder bekommerd dan beklemd. Hij vond het onaangenaam, zich met dat wat hem op het hart lag, in een hotel te bevinden, midden tusschen kabinetjes waar men met dames dineerde, te midden van al dat heen en weer geloop en die vreeselijke onrust; deze geheele omgeving van bronzen sieraden, spiegels, gas en Tartaren hinderde hem; hij vreesde, dat zij hetgeen zijn geheele ziel vervulde zou kunnen verontreinigen.

"Ik? Ja, ik heb zorg…. Bovendien hindert mij dit alles hier…. Gij kunt je ook niet voorstellen, hoe vreemd dit alles is voor iemand zooals ik, die pas van het land komt, zooals bij voorbeeld de nagels van dien heer, dien ik bij je aantrof."

"Ja, ik zag wel, dat je veel belangstelde in de nagels van den armen
Grinewitsch," sprak Stipan Arkadiewitsch lachend.

"Dat kan ik niet uitstaan," zeide Lewin. "Probeer je eens in mijn plaats, als buitenmensch, te stellen. Wij plattelandsbewoners zorgen er voor onze handen zoo te onderhouden, dat men er gemakkelijk mee kan werken; daarom houden wij onze nagels kort en stroopen zelfs dikwijls de mouwen op. Hier laten ze de nagels zoo lang mogelijk groeien."

Stipan Arkadiewitsch antwoordde met een vroolijken lach:

"Dit is juist een teeken, dat zij niets met grof werk te maken hebben. Zij werken met hun hoofd."

"Misschien wel! Maar het komt mij toch vreemd voor, even als dit, dat wij buitenmenschen ons best doen om zoo spoedig mogelijk verzadigd te worden en weer gauw aan het werk te kunnen gaan, terwijl wij hier juist moeite doen om zoo lang mogelijk niet verzadigd te worden en daarom oesters eten."

"Zeer natuurlijk!" hernam Stipan Arkadiewitsch, "want dit is juist het doel van alle beschaving, alles met bewustzijn te genieten."

"Als dat uw levensdoel is, dan zou ik nog liever een wilde zijn."

"Dat ben je toch al, alle Lewins zijn wilden."

Lewin zuchtte. Oblonsky roerde terstond de hoofdzaak aan.

"Nu? zijt ge van avond een der onzen, dat wil zeggen bij de Tscherbatzky's?" vroeg hij, terwijl hij de ledige oesterschalen van zich schoof en de kaas aansprak. Daarbij knipte hij veelbeteekenend met de oogen.

"Ja, ik zal daar stellig zijn," zeide Lewin blozend, "ofschoon het mij toescheen, dat de uitnoodiging van de vorstin niet recht hartelijk gemeend was."

"Onzin! Hoe kom je daaraan! Dat is zoo haar manier van doen!—Nu, maatje, breng soep!—Dat is zoo haar manier; groote dame! Ik zal ook komen, maar eerst moet ik naar de repetitie bij gravin Bonin. Wat, gij zoudt geen wilde zijn! Hoe is het dan te verklaren, dat ge zoo plotseling uit Moskou verdwenen waart? De Tscherbatzky's hebben er mij meermalen naar gevraagd, alsof ik dat weten moest! Een ding weet ik slechts en dat is, dat ge altijd doet, wat een ander niet doet."

"Ja," sprak Lewin langzaam en getroffen, "gij hebt gelijk, ik ben een wilde. Dat blijkt echter niet daaruit, dat ik toen weggegaan, maar dat ik nu teruggekomen ben. Nu ben ik gekomen…." en plotseling werd Lewin rood en zweeg.

"Och, wat zijt gij een gelukkig mensch!" riep Stipan Arkadiewitsch uit, terwijl hij Lewin in de oogen zag.

"Waarom?"

"Aan het brandmerk herken ik het moedige ros, een verliefden knaap aan zijn oogen," declameerde Stipan.

"Nu, juist geen knaap meer! Hoe oud zijt gij?"

"Vierendertig, twee jaar ouder dan gij. Maar aan de jaren ligt het niet, gij hebt een heele toekomst voor je."

"En hebt gij die misschien al achter je?"

"Neen, dat juist niet, maar gij hebt de toekomst voor je, ik slechts het tegenwoordige en dat is maar zoo, zoo!"

"Hoe dan?"

"Ach niet zoo heel mooi! Maar daar willen we het zwijgen toe doen, men kan toch ook niet alles vertellen," sprak Stipan. "Maar waarom ben je dan nu eigenlijk naar Moskou gekomen? Hei daar! afnemen!"

"Hebt gij het niet geraden?" vroeg Lewin en wendde zijn bezielden blik niet van Stipan af.

"Ik heb het misschien wel geraden, maar kan daar toch niet over beginnen te spreken. Daaraan kun je wel bemerken, of ik het mis heb of niet," zeide deze, Lewin met een fijn lachje fixeerend.

"En wat denkt ge daar wel van?" vroeg Lewin met een lichte trilling in zijn stem. "Ziet ge er licht in?"

Stipan Arkadiewitsch ledigde langzaam zijn glas chablis, zonder de oogen van Lewin af te wenden, die met inspanning zijn antwoord afwachtte.

"Ik?" vroeg hij toen. "Er is niets, dat ik zoozeer wensch als dit. Neen, waarlijk niets. Dat zou het beste zijn wat er gebeuren kon."

"Gij zijt toch niet op een dwaalspoor,—gij weet toch over wie wij spreken?" zeide Lewin en zijn gelaat werd nog rooder.—"En gij denkt, dat het mogelijk zou zijn?"

"Zeker houd ik het voor mogelijk. Waarom zou het niet mogelijk zijn?"

"Waarlijk? zou het kunnen zijn? Neen, zeg mij alles, wat ge denkt. En als ik afgewezen word? Ik ben daar eigenlijk van overtuigd…." sprak Lewin met bijna onhoorbare stem.

"Waarom, denk je dat?" vroeg Stipan en lachte om zijn opgewondenheid.

"Het komt mij dikwijls zoo voor.—Het zou verschrikkelijk zijn voor haar en voor mij!"

"Nu voor haar in elk geval niet. Jonge meisjes zijn trotsch op een aanzoek."

"Ja, elk meisje wel, maar zij niet!"

Stipan Arkadiewitsch glimlachte. Hij begreep dat gevoel van Lewin zoo goed; hij wist, dat voor hem alle meisjes in twee soorten verdeeld waren; de eene soort omvatte alle meisjes behalve haar, en die hadden allerlei menschelijke zwakheden en waren heel gewone meisjes, de andere soort was zij alleen, en die had geen enkel gebrek en was boven elke menschelijke zwakheid verheven.

"Neem toch van de saus," zeide Stipan tegen Lewin en hield diens hand, waarmede hij de sauskom van zich schuiven wilde, vast. Lewin nam ook gedwee van de saus, maar vergat, dat ook Stipan daarvan zijn deel moest hebben.

"Neen, luister!" sprak hij, "begrijp dan toch, dat het voor mij een levensvraag is. Ik heb er nog nooit met iemand anders over gesproken, ik kan dat ook niet doen. Gij en ik, wij verschillen zoo hemelsbreed van elkander in smaak en neigingen en beschouwingen, kortom in alles,—en toch weet ik, dat gij van mij houdt en mij begrijpt en daarom houd ik ook heel veel van u. Maar wees nu in godsnaam heel oprecht."

"Ik heb al gezegd hoe ik er over denk, en zal je nog meer zeggen," sprak Stipan glimlachend: "Mijn vrouw is een heel buitengewone vrouw…." "Zij heeft de gave, veel vooruit te kunnen zien; zij kent de menschen door en door. Vooral bij huwelijken weet ze precies, hoe het komen zal; zoo heeft ze b.v., vooruit gezegd, dat Schapowkaija met Brenteln zou trouwen; niemand wilde het gelooven en toch heeft zij gelijk gehad; en ze is geheel op je hand!"

"Hoe meen je dat?"

"Ja, zie je! ze houdt niet alleen van je, maar ze zegt heel bepaald, dat Kitty je vrouw zal worden."

Bij deze woorden verhelderde Lewins gelaat door een lachje, waaraan de tranen der ontroering grensden.

"Heeft zij dat gezegd?" riep hij uit. "Heb ik niet altijd beweerd, dat je vrouw een juweel is! Doch nu genoeg hiervan," sprak hij met vochtige oogen en stond op.

"Goed, dan, goed! maar blijf toch zitten."

Lewin kon echter niet zitten. Hij ging met vasten tred de kleine kamer op en neder, knipte met de oogen om de tranen te verwijderen en zette zich daarna eerst weer aan de tafel.

"Zie, dat is niet alleen liefde. Ik was wel eens meer verliefd, maar dat is heel wat anders; het nieuwe gevoel, dat mij doortintelt is een macht buiten mij, die mij gevangen houdt. Ik verliet Moskou, omdat ik mij zelf voorhield, dat er niets van komen kon, dat het een onbereikbaar geluk was, een geluk zoo groot, dat het op aarde voor mij ondenkbaar was. Maar ik heb gestreden en ben tot de overtuiging gekomen, dat het zoo voor mij geen leven is. Er moet een eind aan komen. Ach, wacht eens! Hoe dwarrelen mij de gedachten door het hoofd! Hoeveel zou ik niet willen vragen! Hoor eens! gij kunt niet begrijpen, hoe goed je woorden mij gedaan hebben. Ik ben zoo gelukkig, dat ik mij zelf bijna veracht. Ik vergeet er alles door. Maar één ding is toch verschrikkelijk…. Gij zijt getrouwd, gij moet het weten…. Het is verschrikkelijk, dat wij ouderen met een verleden juist niet van liefde, maar van zonden te rekenen hebben, en wij daarmee plotseling een rein onschuldig wezen nader treden. Dat is afschuwelijk, en daarom voelt men zich zelf onwaardig door haar bemind te worden."

"Nu gij hebt niet zooveel zonden op je geweten!"

"Ja wel, toch!" sprak Lewin:

 "Blader ik slechts oogenblikken
  In het oude levensboek,
 Sidd'rend ween ik over uren,
  Die mij werden tot een vloek."

"Ja, wat er aan te doen? Zoo is het leven nu eenmaal," sprak Stipan.

"Mijn eenige troost is, die vervat is in mijn lievelingsgebed: richt mij niet naar mijn verdienste, maar naar Uw barmhartigheid. Zoo moet ook zij mij vergeven."

Lewin ledigde zijn glas en beiden zwegen een tijd lang.

"Ik moet je toch nog iets vragen," zeide Stipan: "Kent gij Wronsky."

"Neen, ik ken hem niet, waarom vraag je dat?"

"Waarom? omdat hij een van je rivalen is."

"Wie is die Wronsky?" vroeg Lewin, en zijn nog pas door kinderlijke verrukking verhelderd gelaat, hetwelk Stipan niet genoeg kon bewonderen, nam terstond een stroeve en toornige uitdrukking aan.

"Wronsky is een zoon van graaf Wasili Iwanowitsch Wronsky en een der beste vertegenwoordigers van de Petersburger jeunesse dorée. Ik leerde hem te Twer kennen, toen ik daar in betrekking was en hij er voor de recrutenlichting was gekomen; zeer rijk, knap, goede vooruitzichten, vleugeladjudant en daarbij een flinke fideele kerel; neen, hij is meer dan dat, hij is zeer beschaafd en ontwikkeld; deze man kan het nog zeer ver brengen."

Lewins gelaat betrok al meer en meer.

"Hij kwam kort na je vertrek naar Moskou hierheen en zooveel als ik er van gezien heb, is hij tot over de ooren toe op Kitty verliefd, en ge begrijpt, dat haar moeder…."

"Neem mij niet kwalijk, maar ik begrijp volstrekt niet," zeide Lewin; "maar genoeg hiervan, laat ons over iets anders spreken."

Lewin voelde, dat hij plotseling door een vreeselijke koude werd aangegrepen, die zich loodzwaar op zijn borst legde.

"Neen, luister nog eens even!" zeide Stipan Arkadiewitsch en stiet hem aan den arm. "Ik heb je verteld, wat ik weet en verhaal dat volgens mijn inzicht alle kansen in deze teedere, delicate aangelegenheid op je zijde zijn!"

Lewin leunde achterover in zijn stoel, zijn gelaat was bleek geworden.

"Ik zou je echter raden de zaak zoo spoedig mogelijk in orde te brengen," ging Oblonsky voort, terwijl hij Lewins glas weer vullen wilde. Deze verhinderde dit door het op zijde te schuiven.

"Neen, dank je! ik kan niet meer drinken, ik zou dronken worden. En vertel me nu eens, wat gij op 't hart hebt, en wat ge tegenwoordig al zoo uitvoert," voegde hij er bij om het gesprek op een ander onderwerp te leiden.

"Eerst dit nog: ik raad je in elk geval de zaak zoo spoedig mogelijk in het reine te brengen. Rijd er morgen vroeg heen en doe dan heel deftig je aanzoek, Gods zegen zij met je!"

"Gij zoudt nog eens bij me komen jagen. Hoe denk je daar over tegen 't voorjaar?"

Lewin betreurde het reeds van ganscher harte dit gesprek met Stipan te zijn begonnen. Zijn gevoel van eigenwaarde was gekrenkt door het bericht, dat een Petersburger officier zijn mededinger zou zijn en ook door de gissingen en raadgevingen van Oblonsky. Hij werd steeds stroever en zweeg.

"Ja, ik zal eens komen!" sprak Stipan Arkadiewitsch. "Ja, broeder, de vrouwen zijn toch de spil, waar alles om draait. Met mij ziet het er ook slecht uit tegenwoordig, erg slecht. Dat komt ook al door de vrouwen! Zeg mij nu ook eens oprecht je oordeel, geef mij nu ook eens raad." Hij nam de sigaar uit den mond en bracht de hand aan het glas.

"Waarin moet ik je raad geven?"

"Hoor eens! Stel dat ge getrouwd waart, dat ge veel van je vrouw hieldt en je toch door een andere vrouw had laten meesleepen…."

"Neem mij niet kwalijk, dat kan ik niet begrijpen, evenmin als dat ik, nu ik verzadigd ben, nog eens naar een bakkerswinkel zou gaan om een kalatsch [2] te stelen."

Oblonsky's oogen glinsterden meer dan gewoonlijk.

"Waarom niet? de kalatsch geurt somtijds toch zoo bizonder lekker, dat men wel eens niet zou kunnen nalaten….

 Schoon is 't de natuur te dwingen
  Onder 's hemels strijdbanier;
 Maar mocht dit mij niet gelukken,
  'k Heb dan toch een groot plezier."

Lewin moest nu toch ook even glimlachen.

"Ja, maar zonder gekheid," ging Oblonsky voort. "Denk eens door! Een arm, zachtzinnig, liefhebbend wezen, dat eenzaam en verlaten is en alles opgeofferd heeft! Nu het eenmaal gebeurd is, begrijp je, kan ik haar toch onmogelijk verlaten? Wij willen aannemen, dat men, om het huiselijk geluk niet te storen, moet scheiden, maar zou het daarom mogelijk zijn, haar niet te betreuren? Moet men ten minste haar niet verzorgen, medelijden met haar hebben en haar lot trachten te verzachten?"

"Neen, neem mij niet kwalijk, voor mij bestaan er slechts twee soorten van vrouwen, of liever, er zijn vrouwen en er zijn…. Die bekoorlijke gevallen schepsels ken ik niet en wil ze ook niet kennen; zulke als die geblankette Française met haar krullen, daar aan het buffet, zijn in mijn oog monsters even als alle gevallen vrouwen."

"En die uit het evangelie."

"Och, laat dit rusten. Christus heeft die woorden niet voor hen, die ze verkeerd begrepen willen, gesproken; en uit het geheele evangelie kent gijlieden alleen die woorden! Bovendien is het voor mij geen zaak van redeneering, maar een gevoelskwestie. Even als gij bang zijt voor spinnen, ben ik het voor deze soort vrouwen."

"Inderdaad, gemakkelijk gezegd! Gij deet als die man bij Dickens, die alle moeielijke vraagpunten met den linkerhand over den rechterschouder werpt. De ontkenning van een daadzaak is geen antwoord. Gij moet mij zeggen, wat ik doen moet: Ja, wat te doen? De vrouw wordt ouder, men is vol levenslust en voor men er eigenlijk erg in heeft, bespeurt men, dat men haar niet meer zoo bemint als vroeger, hoewel men heel veel achting voor haar koestert. Dan komt plotseling een werkelijke liefde—en men is verloren!"

Lewin glimlachte.

"Ja, verloren!" ging Oblonsky voort. "Maar wat nu te doen?"

"Geen kalatsch stelen!"

Stipan Arkadiewitsch lachte luid.

"O, gij moralist! Maar begrijp het wel: er zijn twee vrouwen; de eene staat op haar recht en dat recht is uw liefde, die gij haar niet meer geven kunt; de andere heeft alles opgeofferd en eischt niets. Wat te doen? Hoe te handelen? Het is een verschrikkelijk drama!"

"Als gij mijn oprechte meening hooren wilt, verneem dan, dat ik niet zien kan, dat hier een drama voor de hand ligt. Maar 't is heel wel mogelijk, dat gij gelijk hebt; ik weet het niet."

"Zie je," sprak Oblonsky, "gij zijt een man uit één stuk, dat dient tot je lof gezegd; maar ge hebt, daar je zelf een afgerond karakter zijt, een groot gebrek; ge wilt namelijk, dat ook het leven uit louter afgeronde en voltooide dingen bestaan zal en dat is waarlijk het geval niet. Je ziet laag neer op elken ondergeschikten werkkring, en waarom? Omdat ge wilt, dat middel en doel met elkander zullen strooken, en dat gaat niet. Gij wilt, dat de werkzaamheid van elk individu op een bepaald doel gericht zij, dat liefde, huwelijk en huiselijk leven samengaan en dat is ook al weer niet het geval; de bekoorlijkheid van het leven bestaat juist in de wisseling van licht en donker."

Lewin zuchtte zonder te antwoorden. Hij dacht aan zijn eigen aangelegenheden en hoorde niet eens, wat Oblonsky sprak. Deze bespeurde dit. Beiden gevoelden dat, hoewel zij vrienden waren en te zamen gegeten hadden, wat hen nader tot elkander had moeten brengen, ieder toch slechts aan zijn eigen zorgen dacht en zich weinig om die van den ander bekommerde.

Het was niet de eerste keer, dat Oblonsky de ondervinding opdeed, dat somwijlen na geëindigden maaltijd lichter verwijdering in plaats van wederzijdsche toenadering plaats grijpt, en hij wist wat hem bij zulk een geval te doen stond.

"De rekening!" riep hij en trad de belendende zaal binnen, waar hij een bekend officier aantrof, met wien hij zich terstond in een gesprek over een bekende tooneelspeelster en haar minnaar verdiepte.

Dit gesprek was voor Stipan een verlichting en ontspanning na het onderhoud met Lewin, die hem altijd tot een te groote geestelijke inspanning uitlokte.

Toen de Tartaar met de rekening ten bedrage van acht en twintig roebels, zonder drinkgeld, verscheen, lette Lewin er niet op, hoezeer de landbewoner anders geschrokken zijn zou van een rekening, die voor zijn deel alleen veertien roebels beliep; maar hij betaalde en reed naar huis om zich te kleeden voor het bezoek bij de Tscherbatzky's, waar zijn lot beslist zou worden.

IX.

Prinses Kitty Tscherbatzky was achttien jaar oud en had dezen winter haar intrede in de wereld gedaan. Haar succes was grooter dan dat harer beide oudere zusters, zelfs grooter dan de vorstin-moeder verwacht had. Niet alleen, dat alle jonge heeren, die de Moskouer bals bezochten, haar het hof maakten, maar in dezen eersten winter deden zich reeds twee goede partijen op: Lewin en zeer kort na diens vertrek graaf Wronsky.

Lewins optreden bij het begin van den winter, zijn veelvoudige bezoeken en zijn kennelijke neiging voor Kitty gaven aanleiding tot de eerste ernstige gesprekken over Kitty's toekomst tusschen haar ouders, alsmede tot verschil van gevoelen tusschen vorst en vorstin. De vorst was geheel op Lewins hand en wenschte voor Kitty niets beters; de vorstin echter bracht, met de aan vrouwen eigen manier om de eigenlijke vraag te ontduiken, daar tegen in, dat Lewin nog door niets getoond had ernstige plannen te hebben, dat Kitty geen neiging voor hem toonde en zoo al meer. De hoofdzaak echter, dat zij voor haar dochter een betere partij verwachtte, roerde zij niet aan, ook niet dat Lewin haar niet bizonder aantrok en dat zij hem niet begreep.

Toen Lewin zoo plotseling vertrok, was de vorstin zeer verheugd en zeide zegevierend tot haar echtgenoot:

"Ziet ge nu wel, dat ik gelijk had?"

Toen Wronsky verscheen, was haar vreugde nog grooter, terwijl zij in haar meening versterkt werd, dat Kitty niet alleen een goede, maar een schitterende partij moest doen. Voor de moeder waren Lewin en Wronsky niet op een lijn te stellen.—Bij den eersten mishaagde haar de eigenaardige ruwheid, waarmede hij zijn meening uit kon spreken; zijn stijfheid in gezelschap, die ze aan trots toeschreef, en zijn, naar haar meening, onbeschaafde levenswijze op het land, waar hij zijn dagen sleet in den omgang met boeren en vee. Verder beviel het haar niet, dat hij, ofschoon hij Kitty beminde, twee maanden lang bij hen in- en uitgegaan was en zich gedragen had, alsof hij nog op iets wachtte, of hij steeds overwoog, of het niet een al te groote eer voor Kitty zijn zou als hij een aanzoek deed. Hij moest toch begrijpen, dat men niet in een huis, waar zich een volwassen jonge dame bevond, kon verkeeren, zonder zich te verklaren. En hij! zonder verklaring was hij plotseling vertrokken. "Gelukkig, dat hij zoo wenig aantrekkelijks heeft en dat hij Kitty onverschillig is," dacht de moeder.

Wronsky daarentegen beantwoordde aan al haar wenschen. Zeer rijk, beschaafd, voornaam, op het punt zich bij het hof een schitterende militaire carrière te veroveren; kortom een door en door beminnenswaardig man. Men zou hem niet beter kunnen wenschen. Op alle bals maakte hij Kitty in het oog loopend het hof, danste met haar en bezocht regelmatig haar huis, zoodat men niet aan den ernst van zijn plannen kon twijfelen. Maar met dat al leefde de moeder den geheelen winter in buitengewone onrust en opwinding.

De vorstin had voor dertig jaar door bemiddeling van een tante haar huwelijk gesloten. De bruidegom, van wien men vooraf haarfijn alles wist, kwam om zijn bruid te monsteren en zich door haar te laten monsteren. De bemiddelaarster bespeurde de wederzijds ontvangen indrukken en deelde ze aan beide partijen mede; die indrukken waren aan beide zijden gunstig geweest. Toen was op een daarvoor bepaalden dag het aanzoek bij de ouders gedaan en aangenomen geworden. Dit was alles heel eenvoudig en gemakkelijk in zijn werk gegaan; zoo kwam het de vorstin ten minste voor.

Maar bij haar dochters deed zij de ervaring op, dat de schijnbaar zoo eenvoudige zaak, haar uit te huwelijken, in het geheel niet zoo eenvoudig en gemakkelijk was. Wat al angsten had zij uitgestaan, wat al gedachten kwelden haar, wat een geld moest er uitgegeven en wat al zwarigheden moesten er bij haar echtgenoot uit den weg geruimd worden bij het huwelijk van haar beide oudste dochters Dar-a en Natalie! En nu bij de jongste moest al die angst, al die twijfel en nog grooter verschil met haar echtgenoot op nieuw doorgeworsteld worden.

De oude vorst was, even als alle vaders, zeer gevoelig ten opzichte van de eer en deugd zijner dochters. Hij was buitengewoon ijverzuchtig op haar en bovenal op zijn lieveling Kitty. Telkens hield hij de vorstin voor, dat zij haar dochter te veel compromitteerde. De vorstin was daaraan, sedert de oudste dochters dezelfde phase waren ingetreden, reeds gewoon, maar nu gevoelde zij, dat de prikkelbaarheid van de vorst op dit punt meer grond had. Zij zag in, dat er den laatsten tijd zeer veel in de maatschappelijke zeden was veranderd en dat de plichten eener moeder zwaarder waren geworden. Zij zag, dat de jonge meisjes van Kitty's leeftijd tot vereenigingen toetraden, aan allerlei leercursussen deel namen, zeer vrij met heeren omgingen, alleen uitreden, dat velen van haar geen buiging meer maakten, en wat het ergst van alles was, zij waren stellig overtuigd, dat de keuze van een echtgenoot haar zaak en niet die der ouders was. "Nu trouwt men niet meer zoo als vroeger," dachten en spraken al die jonge meisjes en zelfs de ouderen van dagen stemden daarmede in. Zij kon echter van niemand te weten komen, hoe men dan wel trouwde. Het Fransche gebruik, waarbij de ouders geheel over het lot der kinderen beslissen, werd niet aangenomen, maar zelfs afgekeurd. De absolute vrijheid der Engelsche jonge meisjes vond ook geen bijval en was in Russische kringen zelfs geheel onbestaanbaar. De Oud-russische huwelijksbemiddeling vond men afschuwelijk; ieder lachte er om en de vorstin lachte mede. Maar hoe er dan nu eigenlijk getrouwd worden moest, dat wist niemand te zeggen. Wanneer zij er met iemand over sprak, ontving zij slechts één antwoord: "Mijn lieve hemel! Men moet zich nu van den ouden tijd los maken! De jonge lieden moeten elkander trouwen en wij ouden niet, dus moeten wij het aan hen zelf overlaten het met elkander eens te worden."

Zij, die zelf geen dochters hadden, konden gemakkelijk zoo spreken. Maar de vorstin dacht er met bezorgdheid aan, dat haar dochter op iemand zou kunnen verlieven, die haar niet trouwen wilde of geen geschikt echtgenoot voor haar was, en hoe men haar ook aan het verstand zocht te brengen, dat de jongelui in onzen tijd zelf hun leven moeten inrichten, zij kon daaraan evenmin gelooven, als dat er een tijd kon komen, dat pistolen en revolvers als geschikt speelgoed voor vijfjarige kinderen beschouwd zouden worden.

Om die reden verontrustte de vorstin zich meer om Kitty dan om haar oudere zusters. Soms vreesde zij, dat Wronsky zich tevreden zou stellen met haar dochter het hof te maken. Zij bemerkte, dat deze hem beminde. Zij troostte zich met de gedachte, dat hij, als eerlijk man van goeden huize, zoo iets niet zou doen; maar tegelijkertijd achtte zij het, bij het tegenwoordige vrije verkeer, heel gemakkelijk een jong meisje het hoofd op hol te brengen, terwijl zij wist, dat de heeren buitendien zoo iets zeer licht plachten op te nemen. De laatste week had Kitty haar moeder een gesprek met Wronsky onder de mazurka medegedeeld en dat had haar gedeeltelijk, hoewel niet geheel, gerust gesteld. Wronsky had tot Kitty gezegd, dat hij en zijn broeder, beiden, zoozeer gewoon waren zich in alles naar hun moeder te schikken, dat zij nooit een belangrijk besluit zouden nemen zonder eerst haar te raadplegen….

"En nu zie ik, als een bizonder geluk, de komst mijner moeder uit
Petersburg te gemoet," had hij gezegd.

Kitty had dit verteld zonder eenige beteekenis aan die woorden te hechten. De moeder begreep dit echter anders. Zij wist nu, dat de oude dame van dag tot dag verwacht werd; zij wist, dat zij zich in de keus van haar zoon zou verheugen, maar het kwam haar zonderling voor, dat hij uit vrees van zijn moeder te beleedigen geen aanzoek durfde doen. Zij wenschte evenwel dit huwelijk, dat haar van al die zorgen zou ontheffen, al te zeer om er niet het beste van te gelooven.

Heden echter had Lewins komst haar onrust vermeerderd. Zij vreesde, dat haar dochter, die een tijdlang eenige neiging voor Lewin scheen gekoesterd te hebben, Wronsky door de groote nauwgezetheid van geweten mocht afwijzen. Lewins komst kon dus heel gemakkelijk de zaak in de war brengen of vertragen, die anders spoedig tot zulk een goed einde zou kunnen komen.

"Is hij reeds lang hier?" vroeg de vorstin, toen zij te huis waren.

"Eerst sinds vandaag, mama."

"Ik moet je dit nog eens zeggen," begon de vorstin, maar haar sterk bewogen gelaat verried Kitty, wat er zou volgen, en vol vuur haar moeder in de rede vallend zeide zij:

"Mama, mama, ach, spreek daar als het u blieft niet van!—ik weet, ik weet alles!"

Zij beminde Wronsky, beminde zooals zij nooit bemind had en nooit weer zou beminnen, en zij wist, dat haar moeder ten zijnen gunste zou spreken. Dat was haar juist onaangenaam. Ofschoon dezelfde wensch haar bezielde, krenkten haar de beweegredenen harer moeder.

"Ik wil maar zeggen, dat als men iemand hoop heeft gegeven…."

"Mama, mijn lieve, beste mama, ach, zeg toch in 's hemels naam niets meer!"

"Ik zal zwijgen." zeide de moeder, die de oogen harer dochter met tranen zag gevuld. "Een enkel woord slechts, mijn duifje; gij hebt mij beloofd voor mij geen geheimen te hebben, niet waar?"

"Ja, nooit mama!" antwoordde Kitty blozend en zag haar moeder recht in het gelaat. "Nu heb ik echter nog niets te zeggen. Ik … ik … al wilde ik het ook, ik zou waarlijk niet weten wat en hoe…. Ik weet niets…."

"Neen, deze oogen kunnen niet liegen," dacht de moeder en glimlachte over haar geluk en haar opgewondenheid.

Kitty had den ganschen middag tot den avond een gevoel als een jong soldaat voor den veldslag. Haar hart klopte heftig en zij kon haar gedachten nergens bij bepalen. Zij gevoelde, dat deze avond, waarop zij voor het eerst tegenover die beiden zou staan, beslissend voor haar zijn moest. Zij stelde zich die beiden telkens voor den geest, nu eens afzonderlijk, dan weer te zamen. Op het verleden terug blikkend, verwijlde zij met stil genoegen bij de herinnering aan haar omgang met Lewin; diens vriendschap voor haar gestorven broeder verleende aan die herinnering een dichterlijke bekoorlijkheid; het viel haar licht en zij vond het bovendien aangenaam aan Lewin te denken. Stelde zij zich Wronsky voor, dan lag in die voorstelling iets verstorends en verwards; maar dat lag aan haar zelf, meende zij, want hij was een geposeerd man van de wereld, eenvoudig en openhartig.—Bij de gedachte aan de toekomst stelde zij zich die met Wronsky bekoorlijk, schitterend, veelbelovend, als een leven rijk aan poëzie voor; met Lewin daarentegen als minder vroolijk, als nevelig en onbestemd.

Toen zij om acht uur het salon binnen trad, werd "Constantin Dimitrisch
Lewin" aangediend.

"Is het dan toch werkelijk zoo!" dacht Kitty en het bloed stroomde haar naar het hart. Zij schrok toen ze haar eigen bleek gelaat in den spiegel zag. Nu wist zij bepaald dat hij zoo vroeg was gekomen om haar alleen te treffen en zijn aanzoek te doen.

Voor het eerst beschouwde zij deze aangelegenheid in een ander licht. Nu eerst besefte zij, dat de vraag, met wien zij gelukkig kon zijn en wie ze zou beminnen, niet haar alleen aanging, en dat zij op het punt stond iemand, die zij werkelijk genegen was, te beleedigen. Waarom? Omdat hij, de goede man, haar beminde; maar wat was er aan te doen? Het was noodzakelijk, het moest zoo zijn.

"Mijn God, moet ik het hem dan zelf zeggen?" dacht zij. "Wat moet ik dan zeggen? Ik kan hem toch onmogelijk vertellen, dat ik niet van hem houd, dat zou een onwaarheid zijn! Of dat ik een ander bemin? Hoe zou ik dat kunnen doen? Ik ga weg."

Zij trad naar de deur, daar hoorde zij zijn schreden.

"Neen, dat is niet eerlijk! Waarvoor zou ik vreezen?—Er kome wat wil.—Ik zeg de waarheid.—Daar is hij!" sprak zij tot zich zelf en zag zijn krachtige gestalte en schitterende oogen. Zij zag hem met open, hartelijken blik aan en stak hem de hand toe.

"Ik kom zeker niet op den rechten tijd, zeker iets te vroeg!" sprak hij, terwijl hij zijn blik door het ledige salon liet gaan.

"O neen!" antwoordde Kitty en zette zich aan de tafel.

"Ik wenschte u juist alleen te treffen," begon hij, zonder plaats te nemen of haar aan te zien, om den moed niet te verliezen.

"Mama komt terstond. Zij was gisteren zeer moede…." Zij sprak zonder te weten wat en wendde haar om genade smeekende blikken niet van hem af.

Hij zag haar aan, bloosde en zweeg.

"Ik zeide u, dat ik niet wist, hoe lang ik hier zou blijven, dat het van u af zou hangen."

Zij liet het hoofd al dieper en dieper zinken en wist niet wat ze zou antwoorden op hetgeen nu zou komen.

"Dat het van u zou afhangen," herhaalde hij, "ik meen—ik wilde zeggen, ik ben daarom gekomen … om … mijn vrouw te worden!" stotterde hij en wist zelf niet wat hij sprak, maar gevoelde, dat het zwaarste nu was gesproken. Hij hield op en zag haar aan.

Haar boezem zwoegde, zij zag niet op, een gelukkig gevoel doorstroomde haar ziel; zij had niet verwacht, dat de bekentenis zijner liefde zulk een sterken indruk op haar zou kunnen maken. Dat duurde echter slechts een oogenblik, zij dacht aan Wronsky. Zij hief haar heldere, trouwhartige oogen tot hem op, en toen zij zijn wanhopig gelaat zag, zeide zij snel:

"Dat kan niet zijn … vergeef mij!"

Een oogenblik te voren … hoe na stond zij hem toen, zij was het lichtpunt van zijn leven, en nu plotseling zoo vreemd, zoo eindeloos ver van hem verwijderd!

"Het kon ook niet anders," zeide hij zonder haar aan te zien. Hij boog en wilde zich verwijderen.