WeRead Powered by ReaderPub
Anna Karenina cover

Anna Karenina

Chapter 98: XXVI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel interweaves two principal narratives: one traces a married woman's passionate affair and the social, familial, and moral consequences that follow; the other follows a thoughtful man as he seeks purpose, wrestles with questions of work, faith, and the rhythms of rural life. Through detailed scenes of domestic routine and society, the book examines marriage, fidelity, isolation, public reputation versus inner life, and the search for meaning, contrasting urban social pressures with personal conscience and the restorative presence of the natural world.

XXI.

De schitterend verlichte kerk was sterk bezet, vooral door vrouwen; zij, die niet tot het binnengedeelte konden doordringen, woelden dooreen bij de vensters, verdrongen elkander en twistten om de beste plaatsen.

Meer dan twintig rijtuigen stonden achter elkander in de straat onder toezicht van gendarmen. Een commissaris van politie, onverschillig voor de koude, bleef stand houden tusschen de colonnade, waar de eene equipage na de andere elk oogenblik nu dames in groot toilet afzette, die de slepen harer japons ophielden, dan heeren, die het hoofd ontblootten om de heilige plaats binnen te gaan. Het licht der aangestoken lusters en waskaarsen voor de beelden overstroomde het op rooden grond prijkend verguldsel, het snijwerk der heiligen, de groote zilveren kandelaars, de wierookvaten, de vaandels der zangers, de trappen van het koor, de verkleurde oude misboeken en het priestergewaad. Onder de elegante menigte aan de rechterzijde der kerk heerschte een halfluid gemompel; men sprak er met opgewektheid, en het dof gemurmel van deze gesprekken weerklonk zonderling onder het hooge gewelf. Telkens als de deur met een klagend geluid open ging, hield het gemurmel der stemmen op, en aller blikken richtten zich naar de deur, in de hoop het huwelijkspaar te zien verschijnen. Maar de deur was al meer dan tienmaal geopend om doorgang te verleenen, hetzij aan den een of ander, die te laat was gekomen en zich ging voegen bij de groep aan de rechter zijde, hetzij aan eenige toeschouwers, die het gelukt was den commissaris van politie te bedriegen of te vermurwen. Vrienden en publiek hadden reeds alle toestanden van het wachten verduurd; men had eerst geen gewicht gehecht aan de vertraging der gehuwden; daarop had men zich steeds vaker omgewend, vragende wat de oorzaak zijn kon; eindelijk namen bloedverwanten en genoodigden het onverschillig voorkomen aan van lieden, die geheel verdiept zijn in hun gesprekken, om zoo de onrust te ontveinzen, die zich van hen had meester gemaakt.

De aartsdeken, om te bewijzen, dat hij een kostbaren tijd verloor, deed nu en dan de glasruiten trillen door ongeduldig te hoesten; de zich vervelende zangers beproefden op het koor hun stemmen; de priester zond sacristijns en diakenen om te informeeren naar de komst van den stoet en verscheen zelf in zijn lila soutane met geborduurden gordel aan een der zijdeuren. Eindelijk zeide een dame, na op haar horloge te hebben gezien, tot een dame naast haar: "Dat wordt zonderling!" En dadelijk gaven alle genoodigden hun verwondering en ontevredenheid te kennen. Een der bruidsjonkers ging op tijding uit.

Gedurende dien tijd wachtte Kitty in haar witte japon, langen sluier en den krans van oranjebloemen op het hoofd en in gezelschap harer zuster Lwof en de assistent-moeder [11] in het salon te vergeefs, dat de bruidsjonker de aankomst van haar bruidegom kwam berichten.

Van zijn zijde wandelde Lewin in zwarte pantalon, maar zonder vest of jas de kamer van het hotel op en neder; telkens opende hij de deur om in den corridor te zien, dan keerde hij ontstemd terug en wendde zich met wanhopig gebaar tot Stipan Arkadiewitsch, die bedaard rookte.

"Heb je ooit iemand in ongerijmder toestand gezien?"

"Dat is waar," bevestigde Stipan Arkadiewitsch met zijn kalmen glimlach. "Maar wees gerust, men zal het dadelijk wel brengen."

"Ja wel" zeide Lewin met moeite zijn woede bedwingend. En men kan dan nog met die ellendige open vesten niets beginnen. Onmogelijk," ging hij voort, de geheel verkreukelde plooien van zijn overhemd beschouwende. En als nu mij koffers reeds naar het spoor verzonden zijn?" riep hij buiten zich zelf uit.

Toen de oude knecht Kosma op Lewins bevel al het goed van zijn meester ingepakt en naar de Tscherbatzky's gebracht had, vanwaar het met den spoortrein moest worden verzonden, had hij er niet aan gedacht een schoon overhemd ter zijde te leggen. Datgene, wat Lewin sedert den morgen droeg, was niet vertoonbaar; naar de Tscherbatzky's zenden zou te veel tijd vereischen; daar het Zondag was waren de magazijnen niet open. Nu liet men een overhemd van Stipan Arkadiewitsch halen; het was voor hem bespottelijk wijd en kort. Wanhopig door het ongeval, moest hij nu naar de Tscherbatzky's zenden om een koffer te openen. Derhalve liep de ongelukkige bruidegom, terwijl men hem in de kerk wachtte, door zijn kamer heen en weer, als een wild dier in zijn kooi.

Eindelijk stormde de schuldige Kosma buiten adem de kamer binnen met een overhemd in de hand.

"Ik ben juist nog bij tijds gekomen, men stond op het punt de bagage naar het spoor te brengen."

Drie minuten later liep Lewin met groote stappen door den corridor, zonder op het horloge te zien om niet zijn kwelling te vermeerderen.

"Je kunt er niets aan veranderen," troostte Stipan Arkadiewitsch, die hem langzaam en glimlachend volgde. "Ik zeg u, dat alles zich wel zal schikken."

XXII.

"Dat zijn ze. Kijk, daar. Welke? Is het de jongste? En zij, men zou denken, dat ze half dood is!" mompelde men onder de menigte, toen Lewin met zijn bruid binnentrad.

Stipan Arkadiewitsch verhaalde zijn vrouw de oorzaak der vertraging en een lachend gefluister ging door de geheele groep der genoodigden. Wat Lewin betreft, hij zag niets of niemand en wendde zijn oogen niet af van zijn bruid. Kitty was onder haar bruidskrans minder schoon dan gewoonlijk, en algemeen vond men haar minder bevallig; maar zoo was niet de meening van Lewin. Hij beschouwde haar hoog kapsel, haar bloemen, haar witten sluier, het garnituur van haar japon, dat zedig haar langen teederen hals omsloot en dien van voren een weinig onbedekt liet, haar buitengewoon fijne taille—en zij scheen hem schooner dan ooit. Het was echter niet de Parijsche japon, noch het geheel van haar tooi,—die niets aan haar schoonheid toevoegde; het was de uitdrukking van dit bekoorlijk gelaat, haar blik, haar lippen met haar uitdrukking van onschuld en oprechtheid, die onder al dien toestel was bewaard gebleven.

"Ik dacht, dat je de vlucht hadt genomen," zeide zij lachend tot hem.

"Wat mij overkomen is, is zoo dwaas, dat ik mij schaam er over te spreken!" antwoordde hij blozend en wendde zich tot Sergej Iwanowitsch.

"Ze is mooi, je geschiedenis van het overhemd!" zeide deze, het hoofd met een glimlach opheffend.

"Ja, ja," antwoordde Lewin, zonder een woord te begrijpen van hetgeen tot hem gezegd werd.

"Kostja, nu is het oogenblik gekomen om een zeer gewichtig besluit te nemen," kwam Stipan Arkadiewitsch hem zeggen, zich houdend of hij in groote verlegenheid verkeerde; "de vraag is ernstig en gij zult er al het gewicht van gevoelen. Men komt mij vragen, of de kaarsen nieuw of reeds gebruikt moeten zijn; het maakt een verschil van tien roebel," voegde hij er bij, op het punt van te lachen. "Ik heb het beslist, maar ik weet niet of je het zult goedkeuren."

Lewin begreep, dat het een grapje gold, maar kwam er niet toe om te lachen.

"Wat besluit je? nieuw of aangebrand? ziedaar de vraag."

"Ja, ja, nieuw."

"Best, de vraag is beslist," zeide Stipan. "Wat beteekent een mensch toch weinig in zulk een positie," mompelde hij tegen Tschirikow, terwijl Lewin na hem een verstrooiden blik te hebben toegeworpen, zijn bruid naderde.

"Geef acht, Kitty! zet het eerst uw voet op het tapijt," zeide gravin
Nordstone, terwijl ze bij haar kwam….

"Gij maakt het mooi!" liet zij zich tot Lewin wendend er op volgen.

"Zijt ge niet bevreesd?" vroeg Maria Dimitriewna, een oude tante.

"Ben je niet een weinig koud? Je bent bleek. Ga een oogenblik zitten!" zeide madame Lwof, haar schoone armen opheffend om een kleine afwijking, die in het kapsel harer zuster ontstaan was, te herstellen.

Dolly naderde haar op haar beurt en wilde spreken, maar de ontroering belette het haar, en zij begon zenuwachtig te lachen.

Kitty beschouwde hen, die haar omringden, met een even afgetrokken voorkomen als Lewin.

Intusschen hadden de hulpgeestelijken zich in hun kerkelijk gewaad gekleed, en de priester, vergezeld van den diaken, kwam zich voor den lessenaar plaatsen, die bij den ingang van het Allerheiligste stond; hij richtte eenige woorden tot Lewin, welke deze niet begreep.

"Neem uw bruid bij de hand en treed nader," fluisterde een bruidsjonker hem in.

Niet in staat te bevatten, wat men van hem verlangde, deed Lewin het tegenovergestelde. Eindelijk, op het oogenblik dat men, ontmoedigd, hem aan zijn eigen ingeving wilde overlaten, begreep hij, dat hij, zonder van houding te veranderen, met zijn rechterhand de hand zijner bruid moest nemen. De priester deed daarop een paar stappen en bleef voor den lessenaar staan. De aanverwanten en de genoodigden volgden het jonge paar; er verspreidde zich een gemurmel van stemmen en het geruisen van japonnen. Iemand boog zich om den sleep der bruid terecht te brengen, vervolgens ontstond er zulk een diepe stilte in de kerk, dat men de druppels was van de kaarsen kon hooren vallen.

De oude priester met een kapje op het witte haar, dat blonk als zilver, trok zijn kleine gerimpelde handen van onder den met zilverstof versierden breeden kasuifel, waarop een gouden kruis prijkte, naderde den lessenaar en bladerde in het misboek.

Stipan Arkadiewitsch kwam hem iets toefluisteren, gaf Lewin een teeken en trok zich terug.

De priester stak twee met bloemen versierde kaarsen aan, en ze in de rechterhand houdend, zonder zich er om te bekommeren, dat het was er afdroop, wendde hij zich tot het jonge paar. Het was dezelfde grijsaard, die Lewin de biecht had afgenomen. Nadat hij een oogenblik beide met zijn treurige en vermoeide oogen had aangezien, zegende hij met de rechterhand de bruid, daarop liet hij ze met een bijzondere teederheid een poos op Kitty's gebogen hoofd rusten, gaf de waskaars over, verwijderde zich langzaam en nam het wierookvat.

"Is dat alles wel werkelijkheid?" dacht Lewin, wierp van ter zijde een blik op zijn bruid en bemerkte aan de beweging harer lippen en aan haar oogwimpers, dat zij zijn blik gevoelde. Zij hief het hoofd niet op, maar hij hoorde een onderdrukten zucht en zag haar in een langen handschoen gestoken hand beven, terwijl zij de kaars vasthield.

Alles verdween plotseling uit zijn herinnering: zijn te late komst, de ontevredenheid zijner vrienden, de dwaze geschiedenis van het overhemd; hij gevoelde niets dan een aandoening van schrik en vreugde.

De aartsdiaken in dalmatica van zilverlaken, een schoon man, met het haar in tweeën gescheiden, naderde hen, nam met een vlugge, gemakkelijke beweging de stool op en bleef voor den priester staan.

"Heer, schenk ons Uwen zegen!" sprak hij langzaam, en de woorden klonken plechtig door de ruimte.

"Dat de Heer u zegene nu en in alle eeuwigheid," antwoordde de oude priester met een zachte en musicale stem, terwijl hij voortging in het boek te bladeren.

En het antwoord, door het onzichtbaar koor gezongen, vulde de kerk met een omvangrijken en vollen toon, die sterker werd, toen een oogenblik ophield en eindelijk zacht wegstierf.

Men bad, als gewoonlijk, voor de eeuwige rust en het heil der zielen, voor de synode en den czaar, vervolgens ook voor Gods dienstknecht en dienstmaagd, Constantijn en Catharina.

"Laat ons God bidden om hun Zijn liefde, Zijn vrede en Zijn hulp te schenken," scheen de geheele menigte door de stem van den aartsdiaken te zeggen.

Lewin hoorde deze woorden en was er door getroffen.

"Hoe hebben zij begrepen, dat datgene, waaraan ik juist behoefte heb, hulp is, ja hulp? Wat weet ik wat kan ik zonder hulp?" dacht hij en herinnerde zich zijn twijfelingen en de nog onlangs gevoelde onrust en ontroering.

Toen de diaken had geëindigd, wendde de priester zich tot het huwelijkspaar met een boek in de hand:

"Allerhoogste God, die door een onverbreekbaren band hen vereenigt, die gescheiden waren, zegen Uw dienstknecht Constantijn en Uw dienstmaagd Catharina en stort Uw weldaden over hen uit. In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, nu en altijd tot in alle eeuwigheid…."

"Amen," zong het onzichtbare koor.

"Die door een onverbreekbaren band hen vereenigt, die gescheiden waren!" Wat beantwoordden deze diepzinnige woorden aan hetgeen men op dit oogenblik gevoelt!—"Zou zij ze begrijpen zooals ik?" dacht Lewin.

Uit de beteekenis van Kitty's blik besloot hij, dat zij het begreep gelijk hij; maar hij bedroog zich: overstelpt door het gevoel, dat meer en meer haar hart veroverde en vervulde, had zij den kerkdienst nauwelijks gevolgd. Zij smaakte de groote vreugde eindelijk verkregen te hebben, wat sedert zes weken beurtelings haar gelukkig gemaakt en verontrust had. Sedert het oogenblik, waarin zij, gekleed in haar bruine japon, Lewin was genaderd om zich geheel aan hem te geven, was—zij gevoelde het—het verledene uit haar ziel gerukt en had plaats gemaakt voor een nieuw bestaan, zonder dat haar uitwendig leven was veranderd. Deze zes weken waren een tijdstip geweest, even gelukzalig als zwellend. Al haar hoop en verlangen vereenigde zich op een onbegrijpelijke wijze op dezen man, tot wien een gevoel haar dreef, dat zij nog minder begreep en die, haar bij afwisseling nu aantrekkende dan afstootende, haar een volkomen onverschilligheid voor haar verleden inboezemde. Haar gewoonten van weleer, de dingen, die zij had bemind, tot haar ouders toe, die haar ongevoeligheid bedroefde,—niets van haar vorig loven bestond nu meer; en hoewel verschrikt over deze verandering, verheugde zij zich over het gevoel, dat er de oorzaak van was. Maar kon zij zich nu van dat nieuwe leven, dat nog niet was aangevangen, een juist begrip vormen? Geenszins; het was een zachte en verschrikkende verwachting van het nieuwe, het onbekende, en deze verwachting, evenals het leedwezen van het verledene niet te kunnen betreuren, ging nu een einde nemen! Zij was bevreesd, dit was natuurlijk, maar het tegenwoordig oogenblik was toch slechts de wijding van het uur, dat reeds voor zes weken haar lot beslist had.

De priester, zich naar den lessenaar keerende, had moeite Kitty's kleinen ring aan het eerste lid van Lewins vinger te steken.

"Ik vereenig u, Constantijn, dienstknecht van God, met Catharina, dienstmaagd van God," en hij herhaalde dezelfde formule, terwijl hij een grooten ring aan Kitty's kleinen, fijnen vinger liet glijden.

De gehuwden trachtten te begrijpen, wat men van hen wilde, maar vergisten zich telkens, en de priester wees hen met zachte stem terecht. Men glimlachte en fluisterde rondom hen, maar zij bleven ernstig en eerbiedig.

"O God, die in het begin der wereld den man hebt geschapen," ging de priester voort, "en hem de vrouw hebt gegeven tot een onafscheidelijke hulpe, zegen Uw dienstknecht Constantijn en Uw dienstmaagd Catharina, vereenig de zielen dezer echtelieden en stort in hun hart het geloof, den vrede, de liefde."

Lewin voelde zijn borst zwellen, onwillekeurige tranen kwamen in zijn oogen, en al zijn voorstellingen van het huwelijk en van de toekomst verdwenen. Hetgeen nu vervuld werd, had voor hem een strekking, die hij tot hiertoe niet had begrepen en nu minder begreep dan ooit.

XXIII.

Bijna de geheele groote wereld van Moskou was by het huwelijk tegenwoordig. Onder deze menigte fraai gekleede dames en heeren met witte dassen werd veel gefluisterd, door de heeren vooral, want de dames waren verdiept in de beschouwing der honderd details dezer plechtigheid, waarin zij het hoogste belang stelden.

Een groep intiemen omringde de bruid, en daaronder bevonden zich haar beide zusters, Dolly en madame Lwof, die uit het buitenland was gekomen.

"Waarom is Maria bij een huwelijk in lila verschenen? Dit is bijna rouwkleeding," zeide madame Korsunsky.

"Bij haar teint staat dat goed," antwoordde mevrouw Drubetzky. Maar waarom kiest men den avond voor die plechtigheid. Daaruit spreekt de man van zaken."

"Dat maakt meer effect. Ik ben ook 's avonds getrouwd," zeide mevrouw Korsunsky met een zucht, en herinnerde zich, hoe schoon zij toen was en hoe bespottelijk verliefd haar man zich aanstelde. Dat alles was wel veranderd!

"Men beweert, dat zij, die meer dan tienmaal in hun leven bruidsjonkers geweest zijn, nimmer trouwen; ik heb me op die wijze tegen het huwelijk willen assureeren, maar de plaats was bezet," zeide graaf Senjawin tot de jonge prinses Tscharsky, de vues op hem had.

Deze antwoordde slechts door een lach. Zij beschouwde Kitty en dacht wat zij zou doen, als zij op haar beurt met Senjawin in denzelfden toestand verkeerde; wat zou zij zich dan wreken over zijn gekscheren!

Tscherbatzky vertrouwde aan een oude hofdame der keizerin zijn voornemen om den krans te plaatsen op Kitty's chignon ten einde haar geluk aan te brengen.

"Waartoe die chignon?" antwoordde zij, vast besloten, indien de weduwnaar, op wien zij het oog had, zich aan het huwelijk wilde onderwerpen, eenvoudig te trouwen. "Ik houd niet van die soort van opschik."

Sergej Iwanowitsch schertste met de dame naast hem en beweerde dat in de toegenomen gewoonte om na het huwelijk op reis te gaan lag opgesloten, dat de gehuwden zich in het algemeen over hun keus schaamden.

"Uw broeder kan evenwel trotsch zijn. Zij is wegsleepend. Ge moogt hem benijden!"

"Ik ben dien tijd voorbij, Darja Dimitriewna," antwoordde hij en zijn gelaat drukte een plotselinge droefheid uit.

Stipan Arkadiewitsch deelde zijn schoonzuster een woordspeling op de echtscheiding mede.

"Men moest haar krans terechtzetten," antwoordde zij zonder te luisteren.

"Hoe jammer, dat zij er minder goed dan anders uitziet, zeide mevrouw Lwof.

"Maar met dat al kan hij toch in haar schaduw niet staan, niet waar?"

"Ik ben het niet met u eens, hij bevalt mij zeer, en niet slechts als schoonbroeder," antwoordde mevrouw Lwof. "Wat heeft hij een goede houding! Het is in zulk een geval zoo moeielijk niet belachelijk te zijn. Hij is niet belachelijk en niet stijf, men ziet, dat hij bewogen is."

"Hadt je dat huwelijk verwacht?"

"Zoo wat. Hij heeft haar altijd bemind."

"Nu, wij zullen zien, wie van beiden het eerst den voet op het tapijt zet. Ik heb Kitty aangeraden het 't eerst te doen."

"Dat zou nutteloos zijn," antwoordde mevrouw Lwof, "in onze familie zijn wij onderworpen aan onze mannen."

"Ik heb er met voordacht den voet haastig opgezet en jij, Dolly?"

Dolly hoorde hem aan zonder te antwoorden; zij was bewogen, tranen vulden haar oogen en zij zou niet hebben kunnen spreken zonder te weenen. Zich verheugende in het geluk van Kitty en Lewin, keerde zij in haar gedachten terug naar haar eigen trouwdag en, een blik werpende op den schitterenden Stipan Arkadiewitsch, vergat zij de werkelijkheid en herinnerde zich slechts haar eerste, onschuldige liefde. Zij dacht ook aan andere vrouwen, haar vriendinnen, die zij zich in dat eenig en plechtig uur van haar leven herinnerde, waarin zij met blijdschap haar verleden leven vaarwel gezegd en met hoop en vrees in het hart een geheimzinnige toekomst aanvaard hadden. Onder het getal der gehuwden zag zij terug op haar geliefde Anna, wier plannen tot echtscheiding zij zooeven had vernomen; zij had ook haar gezien, bedekt met een witten sluier, rein en onschuldig, als Kitty onder haar krans van oranjebloemen. En nu? "Het is verschrikkelijk!" mompelde zij.

De zusters en de vriendinnen waren niet de eenigen, die met belangstelling de bizonderheden der plechtigheid volgden; er waren vreemde toeschouwsters, die den adem inhielden om geen enkele beweging van het huwelijkspaar te verliezen, en wrevelig antwoordden op de aardigheden en laffe gezegden der mannen en deze somwijlen zelfs niet eens hoorden.

"Waarom is zij zoo ontroerd? Trouwt zij tegen haar zin?"

"Tegen haar zin? Zulk een schoon man! Is hij vorst?"

"Die in wit satijn is de zuster. Hoor de diaken eens brullen: zij zal haar man gehoorzamen."

"Zijn de zangers van Tschoudow?" [12]

"Neen van de synode.

"Ik heb den knecht ondervraagd. Hij zegt, dat haar man haar medeneemt naar zijn landgoed. Hij is verschrikkelijk rijk, zegt men. Daarom heeft men haar uitgehuwelijkt."

"Het is een mooi paar."

"En jij hebt beweerd, Maria Wassiliewna, dat men geen crinolines draagt. En zie dan die dame in een donkerbruine japon eens—een ambassadrice, zegt men—hoe zij gekleed is! Zie je wel?"

"Wat een lief, onschuldig wezentje is die bruid. Men gevoelt zich onwillekeurig bewogen."

Op die wijze spraken de toeschouwsters, die slim genoeg geweest waren om binnen de kerk te komen.

XXIV.

Op dit oogenblik spreidde een der dienstdoende geestelijken een groot stuk rooskleurige stof op den vloer, terwijl het koor een moeielijk uit te voeren psalm aanhief, waarin de bas en tenor elkander antwoordden; de priester gaf het bruidspaar een teeken door naar het tapijt te wijzen.

Zij kenden beiden het vooroordeel, dat wil, dat diegene der echtgenooten, wiens voet het eerst het tapijt betreedt, de werkelijke heerschappij krijgt in het huisgezin, maar noch Lewin noch Kitty herinnerden zich deze omstandigheid. De vreemdsoortige opmerkingen rondom hen ontgingen evenzeer hun aandacht.

Een nieuwe handeling van den dienst begon. Kitty luisterde naar de gebeden en trachtte ze te begrijpen zonder dat haar dit gelukte. Hoe meer de ceremonie voortging, hoe meer haar hart overvloeide van blijdschap, die haar belette er haar aandacht op te vestigen.

Men bad God voor de gehuwden om de gaven der wijsheid en eener talrijke nakomelingschap, men herinnerde hen, "dat de eerste vrouw was geschapen uit een rib van Adam," "dat de vrouw vader en moeder moest verlaten om haar man aan te hangen"; men bad God "hen te zegenen als Izaak en Rebecca, als Mozes en Sippora, en hen kinderen te doen aanschouwen tot in het derde en vierde geslacht."

Toen de priester de kransen aanbood en Tscherbatzky dien van de jonge vrouw met zijn handschoen met drie knoopen bevende vasthield, beduidde men hem fluisterend van verschillende kanten, dat hij hem Kitty op het hoofd moest zetten.

"Zet hem mij op," fluisterde deze glimlachend.

Lewin zag naar haar zijde en getroffen door den blijden glans van haar gelaat, gevoelde hij zich, even als zij, gelukkig en verruimd.

Zij luisterden met blijdschap in het hart naar het lezen van het hoofdstuk en het rollen der stem van den diaken bij de laatste woorden, die zeer gewaardeerd werden door het vreemde publiek, dat ze met ongeduld verwachtte. Zij dronken met vreugde den wijn met water, die half warm in den beker was gegoten, en volgden bijna vroolijk den priester toen hij hen rondom den lessenaar voerde, hun handen in de zijne houdende. Tscherbatzky en Tschirikow volgden het paar, eveneens glimlachend en telkens struikelende over den sleep van Kitty's japon. De glans van vreugde, op Kitty's gelaat ontstaan, scheen zich aan de aanwezigen mede te deelen. Lewin was overtuigd, dat de priester en de diaken er evenzeer den indruk van ondergingen als hij.

Nadat de kransen waren afgenomen, las de priester de laatste gebeden en wenschte het jonge paar geluk. Lewin zag Kitty aan en meende haar nimmer zoo schoon gezien te hebben; het was de schoonheid van haar jubelend innerlijk wezen, die haar bestraalde; hij wilde spreken, maar hield zich stil, vreezende, dat de ceremonie nog niet was geëindigd. De priester zeide hem zacht met een goedigen lach:

"Omhels uw vrouw, en gij, omhels uw man," en nam hem de kaarsen uit de handen.

Lewin omhelsde zijn vrouw met omzichtigheid, nam haar arm en met den nieuwen en vreemden indruk van geheel met haar te zijn vereenigd, verliet hij de kerk. Hij had tot hiertoe niet gedacht aan de werkelijkheid van al wat nu gebeurd was, en begon er eerst geloof aan te slaan toen hun verwonderde en schuchtere blikken elkander ontmoetten; hij besefte nu, dat zij nu wel werkelijk slechts één geheel uitmaakten.

Denzelfden avond vertrokken de jonggehuwden naar het land.

XXV.

Wronsky en Anna reisden sedert drie maanden te zamen in het buitenland; zij hadden Venetië, Rome en Napels bezocht en waren nu in een kleine Italiaansche stad aangekomen, waar zij eenigen tijd dachten te vertoeven.

Een statige maître d'hôtel met het haar vol pommade en in het midden tot aan den nek toe gescheiden, met zwarten rok, breed voorhemd en breloques, die op den ronden buik bengelden, antwoordde onverschillig, met de handen in den zak, op de vragen, die een heer tot hem richtte.

Schreden op de trap aan den anderen kant van het perron deden den schitterenden majordomus omkeeren, en toen hij den Russischen graaf bemerkte, den huurder van het fraaiste appartement van het hotel, trok hij de handen uit zijn zakken en eerbiedig buigende deelde hij den graaf mede, dat de bode was komen berichten, dat de opzichter van het palazzo, waarover men in onderhandeling was, bereid was het huurcontract te teekenen.

"Zeer goed." zeide Wronsky. "Is madame te huis?"

"Madame is uit geweest, maar zij is juist te huis gekomen," antwoordde de maître d'hôtel.

Wronsky nam zijn slappen hoed met breeden rand af, wischte met zijn zakdoek langs zijn voorhoofd en over zijn haar, dat naar achter was gestreken om zijn kaalheid te verbergen, en wilde toen verder gaan, terwijl hij een verstrooiden blik wierp op een heer, die hem stond op te nemen.

"Mijnheer is een Rus en heeft naar u gevraagd," zeide de maître d'hôtel.

Wronsky keerde zich nog eens om, ontstemd omdat het hem maar niet gelukken wilde ontmoetingen te vermijden, maar aan den anderen kant verheugd een afleiding te vinden, welke die dan ook zijn mocht; zijn oogen en die van den vreemde begonnen op eens te stralen:

"Golinitschef!"

"Wronsky!"

Het was inderdaad Golinitschef, een kameraad van Wronsky uit het page-corps; hij behoorde er tot de liberale partij en had het met een civielen graad verlaten zonder het minste plan om in dienst te treden. Sedert hadden zij elkander slechts eenmaal ontmoet. Bij die enkele ontmoeting had Wronsky gemeend, dat zijn vroegere kameraad van de hoogte zijner uiterst liberale beginselen de militaire loopbaan verachtte; hij had hem daarom koel en uit de hoogte behandeld, hetgeen Golinitschef onverschillig had gelaten, maar hen niet had doen wenschen elkander weder te zien. En toch was het met een uitroep van vreugde, dat zij elkander herkenden. Misschien was Wronsky zich er van bewust, dat de oorzaak van zijn blijdschap bij het wederzien van Golinitschef gelegen was in de vreeselijke verveling, waaraan hij zich ten prooi gevoelde; maar het verleden vergetende, reikte hij hem de hand, en de ietwat beklemde uitdrukking in Golinitschefs gelaat maakte plaats voor die van blijkbare voldoening.

"'t Doet me bizonder genoegen je te zien!" zeide Wronsky met een gullen glimlach, die zijn fraaie tanden zichtbaar maakte.

"Men heeft mij je naam genoemd, ik wist niet, of gij het waart; het verheugt mij zeer."

"Maar kom binnen. Wat doe je hier?"

"Ik ben hier sedert een jaar. Ik werk."

"Waarlijk?" zeide Wronsky met belangstelling. "Laat ons toch binnen gaan."

En volgens de aan Russen eigen gewoonte Fransch te spreken als zij niet door de bedienden verstaan willen worden, zeide hij in het Fransch:

"Je kent Anna Karenina? Wij reizen te zamen, ik wilde juist naar haar toegaan." En terwijl hij sprak, gaf hij nauwkeurig acht op Golinitschefs gelaat.

"Ah zoo! dat wist ik niet," antwoordde hij onverschillig. (Hij wist het zeer goed.)

"Ben je al lang hier?"

"Drie dagen," antwoordde Wronsky, terwijl hij voortging zijn vriend gade te slaan.

"Hij is een man van opvoeding, die de dingen in het ware licht beschouwt; ik kan hem aan Anna presenteeren," zeide hij bij zich zelf, een gunstige uitlegging gevende aan de wijze, waarop Golinitschef het gesprek had afgeleid.

Sedert hij met Anna reisde, had zich bij elke nieuwe ontmoeting hetzelfde gevoel van aarzeling van Wronsky bemachtigd; meestal had men de situatie opgevat "zooals zij opgevat moest worden!" Hij zou verlegen gestaan hebben, als hij had moeten verklaren, wat hij daarmede bedoelde. Het eigenlijke was, dat men niets wilde begrijpen en zich tevreden stelde met een bescheiden terughouding zonder toespelingen te maken of vragen te doen, juist zooals het welopgevoede lieden tegenover een kieschen en ingewikkelden toestand betaamt.

Golinitschef behoorde bepaald tot deze beschaafde lieden, en toen Wronsky hem aan Anna had voorgesteld, deed het hem dubbel genoegen hem ontmoet te hebben, daar zijn houding zoo was, dat men die niet beter had kunnen wenschen en klaarblijkelijk zonder dat dit hem de minste inspanning kostte.

Golinitschef kende Anna niet, wier schoonheid en eenvoudigheid hem troffen. Zij bloosde toen zij de beide mannen zag binnentreden, en deze kinderlijke blos bekoorde haar gast uitermate. Hij was verrukt over de natuurlijke wijze, waarop zij haar positie deed blijken door Wronsky bij zijn verkleinnaam Alexei te noemen en te zeggen, dat zij zich gingen inrichten in een huis, dat men den weidschen naam van palazzo gaf, met de houding van iemand, die vermijden wil, dat een vreemdeling omtrent hem in dwaling verkeert.

Golinitschef, die Alexei Alexandrowitsch kende, kon niet nalaten, deze jonge, levendige vrouw, vol energie, gelijk te geven; hij was van oordeel, dat Anna nauwelijks zich zelf begreep, dat zij gelukkig en vroolijk kon zijn al had zij haar echtgenoot en haar zoon verlaten en haar goeden naam verloren.

"Dit palazzo staat in den gids," zeide Golinitschef. "Gij zult er een prachtigen Tintoret volgens zijn laatste manier zien."

"Ik weet wat: het weer is mooi, laten we terugkeeren om het te zien," zeide Wronsky zich tot Anna wendende.

"Zeer gaarne, ik ga mijn hoed halen. Je zegt, dat het warm is?" zeide zij op den drempel van de deur, terwijl zij zich tot Wronsky wendde en op nieuw bloosde.

Wronsky begreep, dat Anna, niet juist wetende wie Golinitschef was, zich zelf afvroeg, of zij wel den juisten toon jegens hem had getroffen.

Hij zag haar lang en teeder aan en antwoordde: "Neen niet te warm."

Anna begreep, dat hij over haar tevreden was, en hem met een glimlach antwoordende, verwijderde zij zich met haar vluggen en bevalligen tred.

De vrienden zagen elkander met een zekere verlegenheid aan; Golinitschef als iemand, die gaarne zijn bewondering zou willen uitdrukken, maar het niet durft, Wronsky als iemand, die een compliment verlangt, maar het toch vreest.

"Je hebt je dus hier gevestigd?" zeide Wronsky, om het een of andere gesprek te beginnen. "Houdt ge u altijd met dezelfde studiën bezig?"

"Ja, ik schrijf het tweede deel van Deux Origines," antwoordde hij bij deze vraag geheel oplevende, "of, om juister te spreken, ik verzamel de stof en maak die gereed. Het zal veel grooter worden dan het eerste deel. Men wil bij ons in Rusland maar niet begrijpen, dat wij de opvolgers zijn van Byzantium…." En hij begon een lange dissertatie.

Het maakte Wronsky verlegen van dit werk niets te weten, waarvan de schrijver sprak als van een bekend boek, maar naarmate Golinitschef zijn denkbeelden ontwikkelde, begon hij er belang in te stellen, hoewel hij met leedwezen de zenuwachtige opgewondenheid bemerkte, die zich van zijn vriend meester maakte. Zijn oogen begonnen vuur te stralen toen hij de argumenten van zijn tegenstanders weerlegde, en zijn gelaat nam een toornige en pijnlijke uitdrukking aan.

Wronsky herinnerde zich Golinitschef in het page-corps; hij was toen klein van gestalte, maar vol vuur en leven; een goede jongen, bezield door edele gevoelens en altijd de eerste in zijn klasse. Waarom was hij zoo prikkelbaar geworden? Wronsky kreeg bijna medelijden met hem.

Golinitschef, die vol was van zijn onderwerp, bemerkte niet eens, dat Anna was binnengekomen. Deze bleef in wandeltoilet en met een parasol in de hand bij de sprekenden staan, en Wronsky was blijde, dat hij het oog van den strakken en koortsachtigen blik van den spreker kon afwenden om het met welgevallen te doen rusten op de elegante gestalte van de vrouw, die hij liefhad.

Het kostte Golinitschef eenige moeite zich zelf weer meester te worden. Maar Anna wist hem spoedig afleiding te geven door haar vroolijk en beminnelijk onderhoud. Zij bracht het gesprek langzamerhand op de schilderkunst, waarover hij als een kenner sprak; aldus kwamen zij wandelende aan het palazzo en gingen het bezien.

"Een ding vind ik heerlijk in onze nieuwe woning," zeide Anna, toen men weer te huis kwam, "namelijk dat je een mooi atelier zult krijgen;—zij tutoijeerde Wronsky in het Russisch in tegenwoordigheid van Golinitschef, dien zij reeds beschouwde als toekomstig lid van den intiemen kring in de eenzaamheid, waarin zij leefden.

"Houdt ge u met schilderen bezig?" vroeg deze, zich levendig tot
Wronsky wendende.

"Ik heb er vroeger veel aan gedaan en wijd er mij nu weer zoo wat aan," zeide Wronsky blozende.

"Hij heeft een waar talent," verzekerde Anna met vuur; "ik ben geen bevoegde beoordeelaarster, maar ik weet het van deskundigen."

XXVI.

Dit eerste tijdperk van zedelijke bevrijding en van terugkeerende gezondheid was voor Anna een tijd van overvloeiende vreugd; de gedachte aan het kwaad, dat zij gesticht had, kon haar in dezen zwijmel het leven niet vergallen. Had zij aan dit ongeluk geen geluk te danken, groot genoeg om alle wroeging verwijderd te houden? Ook bepaalde zij haar gedachten daar niet bij. De gebeurtenissen, die op haar ziekte waren gevolgd, van haar verzoening met Karenin tot haar vertrek uit de echtelijke woning, schenen haar een nachtmerrie, waarvan haar reis alleen met Wronsky haar bevrijd had. Waarom op deze vreeselijke herinnering terug te komen? "Alles wel beschouwd," zeide zij bij zich zelf—en deze redeneering stelde haar geweten eenigszins gerust—"het onrecht, dat ik dezen man heb aangedaan, was vreeselijk, doch onvermijdelijk, maar ik zal ten minste van zijn ongeluk niet enkel voordeel trekken. Omdat ik hem doe lijden, lijd ik ook; ik sta alles af, wat ik bemin, wat mij het dierbaarst is op de wereld: mijn zoon en mijn goeden naam. Omdat ik gezondigd heb, verdien ik noch mijn geluk, noch de echtscheiding, en ik neem de schande aan, evenals de smart der scheiding."

Anna was oprecht, toen zij zoo redeneerde, maar inderdaad had zij tot nu toe noch dit lijden, noch deze schande gekend, die zij meende als boete te zullen kunnen dragen. Sedert zij in het buitenland waren, vermeden beiden alle ontmoetingen, die hen in een valsche positie hadden kunnen brengen; de weinige personen, met wie zij betrekkingen hadden aangeknoopt, hadden geveinsd hun positie beter te begrijpen dan zij zelf. Wat de scheiding van haar zoon betreft, Anna leed er nu nog niet erg door; hartstochtelijk gehecht aan haar dochtertje, een bekoorlijk kind, dacht zij niet dikwijls aan Serëscha.

Hoe langer zij met Wronsky leefde, des te dierbaarder werd hij haar; zijn voortdurende tegenwoordigheid was een altijd nieuwe bekoring. Iedere trek van zijn karakter scheen haar schoon toe; alles, tot zelfs de verandering in zijn kleeding, sedert hij de uniform had afgedankt, behaagde haar evenals een doodelijk verliefd jong meisje. Ieder zijner woorden, ieder zijner gedachten droeg den stempel van zielegrootheid en adeldom. Deze overmatige bewondering beangstigde haar soms en zij durfde hem die niet bekennen, uit vrees dat, indien zij hem op die wijze op haar eigen minderheid deed zien, hij zich van haar los zou maken, en niets scheen haar zoo verschrikkelijk, als de gedachte zijn liefde te verliezen. Deze vrees werd anders volstrekt niet gerechtvaardigd door Wronky's gedrag; nooit toonde hij de minste spijt aan zijn hartstocht een carrière te hebben opgeofferd, waarin hij zeker een aanzienlijke rol zou hebben gespeeld; ook had hij zich nooit zóó eerbiedig betoond en zoo vervuld van de vrees, dat Anna door haar positie zou lijden. Hij, deze man van karakter, had geen wil in haar tegenwoordigheid en trachtte slechts haar geringste wenschen te raden. Moest zij niet dankbaar zijn en moest zij zulk een voortdurende opmerkzaamheid niet op prijs stellen? Toch beving haar soms een onwillekeurig gevoel van weerzin, bij de gedachte het voorwerp van deze voortdurende opmerkzaamheid te zijn.

Wat Wronsky betreft, ondanks de verwezenlijking van zijn vurigste wenschen, was hij niet volkomen gelukkig. Eeuwige dwaling van hen, die bevrediging denken te vinden in de vervulling van al hun wenschen! Ook hij bezat slechts eenige deeltjes van die onuitsprekelijke zaligheid, waarvan hij gedroomd had. Een enkel oogenblik toen hij bevrijd meende te zijn van zijn daden en van zijn liefde, was zijn geluk volkomen geweest,—maar weldra had zich een zekere treurigheid van hem meester gemaakt. Hij zocht, bijna zonder zich er van bewust te zijn, een nieuw doel voor zijn wenschen en hield voorbijgaande grillen voor ernstig streven.

Zestien uren daags in den vreemde door te brengen, buiten den kring van maatschappelijke plichten, die zijn leven in Petersburg innamen, was niet gemakkelijk. Er viel niet meer te denken aan de verstrooiingen, waaraan hij zich op zijn vroegere reizen had overgegeven; een plan van een souper met zijn vrienden had bij Anna een aanval van vertwijfeling verwekt; hij kon geen betrekkingen aanknoopen met Russen en Italianen, en wat de merkwaardigheden van het land aangaat, behalve dat hij ze reeds kende, in zijn hoedanigheid van Rus en als man van geest hechtte hij er niet hetzelfde groote gewicht aan als een Engelschman.

Evenals een uitgehongerd dier op het voedsel aanvalt, dat hem wordt toegeworpen, eveneens wierp Wronsky zich op alles, wat hem tot voedsel voor zijn geest kon strekken: politiek, schilderkunst, nieuwe boeken enz. Hij had in zijn jeugd aanleg voor de schilderkunst getoond en, niet wetende wat met zijn geld aan te vangen, had hij zich een collectie gravures aangeschaft. Bij het idee van schilderen was hij gebleven om voedsel te geven aan zijn werkzaamheid. Het ontbrak hem niet aan smaak, en hiermede vereenigde hij de gave van nabootsing, hetgeen hij verwarde met talent. Alle genres waren hem hetzelfde: historische tafereelen, stukken van godsdienstigen aard, landschappen,—hij achtte zich in staat alles op zich te nemen. Hij zocht de inspiratie niet onmiddellijk in het leven, in de natuur; hij had slechts een vluchtigen blik geslagen op beide, zooals de kunst hen had weergegeven, maar hij maakte vrij gemakkelijk tamelijk goede schetsen. Daar de Fransche school met haar bevallige werken en decoraties een zekere bekoring voor hem had, begon hij een portret van Anna volgens haar methode. Zij droeg het costuum van een Italiaansche, en allen, die dit portret zagen schenen er even voldaan over als de maker zelf.

XXVII.

Het oude, eenigszins vervallen palazzo, dat zij betrokken, hield Wronsky in een aangename illusie; hij meende een gedaanteverwisseling ondergaan te hebben en van een Russisch grondbezitter en rustend kolonel een verlicht liefhebber der kunsten te zijn geworden, die met bescheidenheid schilderde en de wereld met al haar streven aan de liefde van een vrouw opofferde. Het oude paleis was in overeenstemming met deze hersenschimmen door zijn hooge beschilderde plafonds, zijn met fresco's en mozaïek bedekte muren, zijn groote vazen op de schoorsteenmantels en op de consoles, door zijn zware gele gordijnen voor de vensters, zijn uitgesneden deuren en zijn groote, sombere met schilderijen getooide zalen.

Zijn nieuwe rol schonk Wronsky eenigen tijd bevrediging; hij maakte kennis met een professor in de Italiaansche schilderkunst, waarmede hij studiën naar de natuur maakte. Te gelijkertijd begon hij zich te wijden aan nasporingen omtrent de middeleeuwen in Italië, en deze onderzoekingen boezemden hem zulk een levendige belangstelling in dit tijdperk in, dat hij eindigde met slappe hoeden uit dien tijd te dragen en zich op antieke wijze in zijn plaid te wikkelen, hetgeen hem trouwens zeer goed stond.

"Ken je de schilderij van Michaïlof?" zeide Wronsky op zekeren morgen tot Golinitschef, die bij hem binnentrad, en hij reikte hem een Russisch dagblad toe, dat een artikel bevatte over dezen kunstenaar, die juist een doek voltooid had, dat reeds vóór dien tijd beroemd en verkocht was. Hij woonde in deze zelfde stad, van allen steun en aanmoediging ontbloot. Het artikel laakte zeer het gouvernement en de Academie, omdat zij aldus een kunstenaar van talent aan zijn lot overlieten.

"Ik ken hem," antwoordde Golinitschef; "het ontbreekt hem zeker niet aan verdienste, maar zijn richting is bepaald verkeerd. Het zijn altijd die opvattingen van Christus en van het godsdienstig leven naar de begrippen van Iwanof, Strauss, Renan."

"Wat is het onderwerp van de schilderij?" vroeg Anna.

"Christus voor Pilatus. Christus is een Jood van de nieuwe, zuiver realistische school."

En daar deze kwestie op een van zijn geliefkoosde onderwerpen betrekking had, ging Golinitschef voort zijn denkbeelden te ontwikkelen.

"Ik begrijp niet hoe zij in zulk een grove dwaling kunnen vervallen. De oude meesters hebben in de kunst de type van Christus volkomen vastgesteld. Indien zij behoefte gevoelen een wijze, een oproerling weer te geven, waarom nemen zij dan niet Socrates, Franklin, Charlotte Corday,—of wien zij maar willen—maar Christus niet. Hij is de eenige, dien de kunst niet moet durven aantasten, en…."

"Is het waar, dat die Michaïlof in benarde omstandigheden verkeert?" vroeg Wronsky, die in zijn hoedanigheid van Maecenas verplicht meende te zijn den kunstenaar te helpen, zonder zich te veel om de waarde van zijn schilderij te bekommeren. "Zouden wij hem niet kunnen vragen het portret van Anna Arkadiewna te schilderen?"

""Waarom het mijne?" antwoordde deze. "Neen, het uwe wil ik, geen ander. Laat hij dan liever dat van Nanna vervaardigen (zoo noemde zij haar dochtertje), of van haar…" voegde zij er bij naar de mooie Italiaansche min wijzende, die juist met het kind in den tuin was gekomen. Deze Italiaansche, wier schoonheid en "middeleeuwsch type" Wronsky bewonderde en wier hoofd hij geschilderd had, was de eenige donkere vlek in Anna's leven. Zij vreesde jaloersch op haar te zijn en des te meer betoonde zij zich goed voor haar kleinen jongen. Wronsky keek ook door het venster, maar toen hij Anna's blik ontmoette, wendde hij zich tot Golinitschef.

"Ik heb hem ontmoet. Hij is een origineel zonder de minste opvoeding, een van die nieuwe wilden zooals men er tegenwoordig velen ziet,—gij begrijpt me,—die vrijdenkers, die zich met woede werpen op het atheïsme, het materialisme, de ontkenning van alles!—Eertijds," ging Golinitschef voort, zonder Wronsky en Anna aan het woord te laten komen, "eertijds was de vrijdenker een man, opgevoed in godsdienstige en zedelijke denkbeelden, bekend met de wetten, die de maatschappij besturen en die eerst na veel tweestrijd tot de vrijheid van denken geraakte; maar wij bezitten nu een nieuw type: de vrijdenkers, die opgroeien zonder ooit te hebben hooren spreken van de wetten van zedelijkheid en godsdienst, die niet weten, dat zekere autoriteiten bestaan kunnen, en die slechts het gevoel van ontkenning bezitten. Hiertoe behoort ook Michailof. Als de zoon van een opperhofmeester van een hotel te Moskou, heeft hij niet de geringste opvoeding ontvangen. Nadat hij de Academie had betreden, wilde hij zich ontwikkelen, want hij is niet dom, en met dat doel heeft hij zich gewend tot de bron van alle wetenschap: de dagbladen en de revues. Als in den ouden tijd iemand—laat ons maar eens zeggen een Franschman—zich wilde ontwikkelen, wat deed hij dan? Hij bestudeerde de klassieken, de kerkredenaars, de treurspeldichters, de geschiedschrijvers, de wijsgeeren,—en gij beseft wat al intellectueele arbeid daaruit voor hem volgde. Maar bij ons is het veel eenvoudiger: men wendt zich tot de ontkennende litteratuur en men eigent zich zeer gemakkelijk een uittreksel uit die wetenschap toe.—En wat meer is, twintig jaar geleden, droeg deze zelfde litteratuur sporen van de worsteling met de machten en de eeuwenoude overleveringen van het verledene, en deze sporen van strijd leerden ons nog het bestaan dier dingen. Maar nu geeft men zich zelfs de moeite niet meer het verledene te bestrijden, men stelt zich tevreden met de woorden: keuze, evolutie, strijd om het bestaan, vernietiging; dat is volkomen voldoende. In mijn artikel…."

"Weet u wat we doen moesten," zeide Anna, nadat zij een blik met Wronsky gewisseld had, op een besliste wijze Golinitschefs redeneering afbrekende, "laat ons een bezoek brengen bij uw schilder…."

Golinitschef stemde gaarne toe, en daar het atelier van den kunstenaar zich in een afgelegen wijk bevond, lieten zij zich er heen rijden.

Een uur later hielden Anna, Golinitschef en Wronsky in een kales voor een nieuw maar leelijk huis stil. De bezoekers lieten hun kaartjes aan Michailof geven met het verzoek te worden toegelaten om zijn schilderij te zien.