Besluit.
Het was Zaterdag de 20ste December, op school de laatste dag vóór de kerstvacantie en tevens de dag, waarop mijnheer Van Walen en zijn jonge vrouw Annie zouden komen halen.
„Wat zal het hier doodsch en stil zijn als je weg bent, Annie,” zeide haar tante aan het ontbijt. „Ik had je graag nog wat hier gehouden, kind.” Tante Dora’s stem klonk verdrietig, want zij was werkelijk veel van Annie gaan houden.
„Je zult zien, Annie,” voegde haar oom erbij, „voordat je een week thuis bent, krijg je een brief van oom en tante Stubbens of je toch als het je blieft gauw terug wilt komen, omdat de familie het niet langer zonder je kan uithouden.”
Annie begon te lachen. „Dat is goed,” antwoordde zij, „als u dat doet, dan kom ik.”
„Ik geloof, dat je het heelemaal niet akelig vindt, dat je van ons weggaat,” zeide Tom verwijtend.
„Jawel, Tom, heusch,” zeide Annie, „ik vind het akelig om van jullie en van Paula en Bertha weg te gaan en toch ben ik blij, dat ik weer naar Wilgenhorst ga, vindt u dat niet gek, oom?” [185]
„Dat is niets gek, kind,” merkte haar oom ernstig op, „het is heel natuurlijk dat je naar je papa en mama verlangt. Bij hen thuis is toch de aangewezen plaats voor je.”
Toen Annie Tom echter zoo bedrukt zag kijken, kreeg zij eensklaps een inval. „Tom,” riep zij, „wil jij Flok als aandenken hebben? hij houdt toch zooveel van je.”
Maar hier wilde de heer Stubbens niets van hooren. Voordat Tom kon antwoorden, zeide zijn vader: „Neen, hoor, daar komt niets van in, Thomas mag jou je hondje niet afnemen, dat zou wat moois zijn! Maar als hij een mooi maandrapport uit school meebrengt, dan krijgt hij zelf een hond van mij.”
„O, wat leuk! wat voor soort, pa?”
„Je mag zelf kiezen, maar denk erom, dat gebeurt alleen, wanneer je geen enkel onvoldoend cijfer hebt.”
Dit laatste scheen Tom niet eens te hooren. „Een boxer dan, pa? die zijn zoo komiek en een van de jongens heeft juist een nest met jonge boxers van zijn Leo.”
„Ja, dat is alles goed en wel, maar heb je niet gehoord, wat ik erbij zeide?”
„Nou ja, pa, maar als het er nu maar ééntje is?”
„Dan komt er niet eer een hond, voordat er een volgend rapport zonder een enkele onvoldoende is thuisgebracht.”
„Ik ben bang, dat ik voor Grieksch onvoldoende zal hebben,” zeide Tom bezorgd.
„Dan moet je de volgende maand maar zoo goed je best doen, dat je het ophaalt tot een heel hoog cijfer. Je vriend moet dien hond dan maar zoolang voor je bewaren.”
Toen Annie om twaalf uur uit school kwam, waar zij van iedereen afscheid had genomen, ging de huisdeur reeds open, voordat zij nog gescheld had en het volgende oogenblik stond zij tegenover haar nieuwe mama.
„Dag mama, lief mamaatje, wat heerlijk, dat u er bent!” riep het meisje, terwijl zij haar schooltasch wegwierp en Mary hartelijk omhelsde. „U weet niet half, hoe ik naar u verlangd heb.” [186]
„En wij naar onze kleine Annie,” antwoordde Mary, haar arm om het meisje heen slaande en haar meenemende naar de huiskamer, waar zij de heele familie en haar vader bijeen vond.
Men had den heer Van Walen alles meegedeeld, wat er met Annie was voorgevallen en toen het meisje nu binnenkwam, begroette haar vader haar nog inniger dan anders, wel wetende, hoe eenzaam het kind zich daar in Keulen gevoeld moest hebben, waar zij niemand kende en niemand kon verstaan dan haar grootmama en Mina Holst.
Aan de koffie zeide mevrouw Van Walen: „nu hebben wij Annie nog niets van onze plannen verteld. Zal ik het haar zeggen, Johan, of doe jij het liever zelf?”
„Jij bent nu haar mama, Mary, dus staat het aan jou, haar het nieuws te vertellen.”
„Nu, dan, Annie, wij gaan nu voor de Kerstvacantie naar Wilgenhorst en daarna komen wij hier wonen. Wij hebben al een mooi huis op het oog, oom Stubbens zal het voor ons huren en dan blijven wij verder tot de Paaschvacantie hier.”
„O, maatje, wat zalig!” riep Annie in verrukking, „dan zijn wij allemaal hier, Paula, Bertha en ik.”
„En dan gaan wij in de vacantie naar Wilgenhorst,” vervolgde haar mama, „en nemen dan voor gezelschap eenige vriendinnen mee; dat zal je wel lijken, hè?”
„Nou, dat geloof ik!” riep Annie opgetogen.
Nu men dus wist, dat het geen afscheid voor langen tijd zou wezen, maar dat men elkaar in het begin van Januari terug zou zien, was het afscheid niet zoo treurig als anders het geval geweest zou zijn.
„Zeg mij eens, kleine Annie,” vroeg mevrouw Stubbens schertsend, toen zij Annie goedendag kuste, „zou je het nu nog zoo vreeselijk vinden om bij die stijve, trotsche tante Dora te gaan logeeren?”
Annie bloosde. „U bent geen stijve, trotsche tante,” zeide zij verlegen, „ik dacht het toen maar, omdat ik u nog niet kende, [187]u bent een best tantetje en ik houd veel, heel veel van u.”
Zoo verliet Annie dan na een verblijf aldaar van bijna vier maanden het huis van de familie Stubbens, waar zij zich langzamerhand zoo gelukkig was gaan voelen.
Juist toen de auto, waarin zij met haar ouders weg zou rijden, voor de deur stilhield, kwam Tom met een jongen boxer aan een ketting aanstormen.
„Kijk eens, Annie!” riep hij, „wat een leuk dier, ik heb hem met opzet gauw gehaald, dat jij hem nog zou kunnen zien voor dat je weggaat. Wat ’n bof, hè, dat ik toch nog een goed cijfer voor Grieksch had, ik had het nooit gedacht.”
„Ik ben zoo blij voor je, Tom en wat ’n schat van een hond, breng je hem mee, als je op Wilgenhorst komt logeeren?”
„Dat beloof ik je.”
Annie stapte met haar ouders en Flok in den automobiel en juist wilde de heer Stubbens het portier dichtklappen, toen Tine’s schelle stemmetje riep: „Flik moet Flokje nog een zoentje geven!” en daar kwam de kleine met haar hond in haar armen aanloopen en klom in de auto.
Lachend kusten de inzittenden het aardige kleine meisje nog eens vaarwel, haar vader tilde haar weer uit het voertuig, klapte het portier dicht en het volgend oogenblik was Annie met haar ouders op weg naar Wilgenhorst. [189]