Zevende Hoofdstuk.
Grootmama Hermsen.
Mevrouw Hermsen, een vriendelijke oude dame van zeven en zestig jaar zat met een haakwerkje voor het venster van haar huiskamer, terwijl Mina Holst het koffiegoed wegruimde.
Zij woonde op een groot buiten, dat gelegen was nabij het dorp, waar zich het advocatenkantoor van de firma Hermsen bevond, vroeger had dit kantoor aan den heer Hermsen, den echtgenoot der oude dame behoord. Na diens dood was het in andere handen overgegaan, doch had men het den ouden firma naam laten houden.
De oude mevrouw had een zeer vriendelijk voorkomen en droeg een koket kanten mutsje op het grijze haar. Zij verafgoodde haar kleindochter en verwende het meisje op een hoogst onverstandige manier, wanneer het zomers bij haar logeerde.
„Mina,” merkte zij op, terwijl zij nadenkend met een wollen lapje de glazen van haar bril schoonveegde; „wie denk je dat straks hier komt?” [59]
„Gunst, mevrouw, hoe zou ik dat weten?”
„Nu, dan zal ik het je maar zeggen, Annie. Mijnheer Stokman is haar voor mij gaan halen.”
„Heeft zij vacantie, mevrouw?”
„Neen, maar zij mag wel een paar daagjes verzuimen, voor haar gezondheid moet zij wat rust hebben, begrijp je?”
„Heere mijn tijd, mevrouw, als u toch wist, hoe ik al dien tijd verlangd heb om het lieve kind terug te zien. Het is ook wel te begrijpen, hè, hoeveel jaren heb ik al niet voor haar gezorgd? Zal ik maar gauw haar kamer in orde gaan brengen? zij krijgt zeker de logeerkamer naast de uwe?”
„Ja, Mina, dat is goed, doe jij dat maar zelf; jij kent haar goed en je weet hoe zij alles graag heeft. Maar ik moet je nog wat zeggen, Mina, ik denk erover met Annie een klein reisje te gaan maken. Wij gaan morgen weg, maar dat moet een verrassing voor haar zijn; zeg het dus aan niemand, anders hoort zij het misschien van een van de bedienden en dat zou ik jammer vinden. Pak jij dus zelf, als je zoo goed wilt zijn, voor mij den grooten handkoffer met het hoog noodige.”
„Best, mevrouw,” antwoordde Mina en voegde er eensklaps bij:
„Mevrouw, mevrouw, daar komt mijnheer Stokman alleen aan!”
Willem Stokman was reeds bij het leven van den ouden heer Hermsen klerk geweest op diens kantoor, waarover wij zoo straks al spraken, en na den dood van Annie’s grootvader was hij bij diens opvolger in betrekking gebleven. Hij was een nog vrij jonge man en niemand zou in hem den deftigen heer met den langen baard en den gouden bril herkend hebben, want zoowel bril als baard waren verdwenen, toen hij bij mevrouw Hermsen aanschelde, en den hoogen hoed had hij verwisseld tegen een slap vilten. Men zou hem niet herkennen en toch was hij dezelfde als Tine’s nieuwe oom.
„Zoo, Willem, waar is het kind?” was het eerste wat mevrouw [60]Hermsen zeide, zoodra de jonge man de kamer inkwam.
„Ja, het is jammer,” hij keek even om zich heen om te zien of zij alleen in de kamer waren, „het is mislukt, maar ik zal u alles liever geregeld vertellen. Men zal ons toch niet kunnen hooren en wij zullen toch niet gestoord worden?”
„Neen, wij zijn alleen.”
„Nu, zooals wij hadden afgesproken, profiteerde ik van de gelegenheid, dat ik voor mijn patroon naar de stad moest. Ik deed eerst mijn zaken af, bracht toen een kleine, onschuldige verandering in mijn uiterlijk—een bril, een baard en een hoogen zijden deden wonderen—en drentelde zoo naar de Hoogstraat, waar de kleine school gaat. Dat had ik bij een vorige gelegenheid al uitgevonden. Het kwam zoo: toen ik de laatste maal, nu een veertien dagen geleden, langs het huis van de familie Stubbens liep, ging juist de deur open en kwam de kleine naar buiten. Ik volgde haar en zag toen, waar zij heen ging. Dat trof bijzonder goed, want in de Hoogstraat, tegenover haar school staat een café en daar heb ik gewacht om te zien hoe laat de kinderen weer naar huis gingen. Nu, om even vóór twaalf ging het schooltje uit.”
„Op de Hoogstraat, maar daar is toch geen meisjesschool.”
„Een meisjesschool, dat weet ik niet, maar ik zag er haar zelf ingaan en om twaalf uur weer naar buiten komen. Er waren ook nog drie kleine jongens bij.”
„Jongens! maar Annie gaat niet met jongens naar school.”
Nu was het Stokmans beurt om verbaasd te zijn. „Annie!” riep hij, „zij heet toch geen Annie? ik hoorde de kinderen duidelijk Tine tegen haar zeggen en zoo heb ik haar ook genoemd en zij luisterde naar dien naam,” voegde hij erbij, alsof hij van een jong hondje sprak.
„Man, wat heb je gedaan? weet je wie die Tine is? dat is het jongste dochtertje van mijnheer Stubbens. Mijn kleindochter heet Annie, dat heb ik je toch duidelijk gezegd, Annie heet zij.” [61]
„Hemel beware mij, hoe kon ik zoo dom wezen. Ik zal het u maar zeggen, ik was den naam, dien u mij genoemd had, vergeten en toen ik haar nu door die andere kinderen Tine hoorde noemen, dacht ik bij mezelf; „juist, dat was de naam, nu herinner ik het mij duidelijk.” Wel, mevrouw, Annie is het juist geweest, die haar van mij heeft afgetroggeld, zij en een jongen van een jaar of veertien, met wien zij liep. Had ik toch maar geweten, dat zij het meisje was, dat ik hebben moest, dan had ik haar nog wel met een zoet lijntje meegekregen. Annie dus en niet Tine,” besloot hij nadenkend.
„Ja, Annie en het is een zegen, dat Annie je belet heeft Tine mee te nemen. Wat had ik met dat kind moeten doen en wat had ik aan mijnheer en mevrouw Stubbens moeten zeggen?”
„Ja, wat u eigenlijk met dat kind wil doen is mij een raadsel.”
„Kan je je dan niet voorstellen, dat ik mijn kleinkind, het kind van mijn arme, vroeg gestorven dochter, bij mij wil hebben nu haar vader naar Engeland is om met zoo’n Engelsche te trouwen? Annie weet daar niets van; dat heb ik uit haar brieven wel gemerkt, zij denkt dat haar vader voor zaken op reis is en ik wil niet hebben dat het lieve kind door zoo’n vreemde en dan nog wel een Engelsche—een volk waar ik zoo’n hekel aan heb—opgevoed zal worden, dat wil ik liever zelf dan doen!”
„Ik dacht ook dat mijnheer Van Walen voor zaken op reis was.”
„Nu ja, gedeeltelijk is dat ook zoo, maar hij trouwt daar te gelijkertijd. Toen Annie verleden jaar en het jaar te voren hier logeerde, was haar vader ook in Engeland en toen heeft hij juffrouw Ackfield leeren kennen. Het is wel toevallig Willem,” voegde de oude dame erbij, „dat jij juist nooit thuis was, als Annie hier bij mij kwam, als dat niet het geval was geweest, zou die domme vergissing nooit hebben plaats gehad.”
„Ja, ze kwam ook altijd in den slappen tijd en dan ging ik zelf met vacantie uit.” [62]
„Maar hoe heeft Annie het ongeluk verhoed, dat je mij Tine Stubbens hier gebracht zoudt hebben!”
„Zij heeft het eigenlijk niet zoozeer gedaan als wel die jongen, van wien ik u vertelde. Frans noemde ze hem, welnu, toen ik goed en wel met Tine op weg was naar het station, kwamen er een paar kinderen aan en daar begon de kleine ineens „Annie, Annie!” te roepen en daar hadt je de poppen aan het dansen. Zij holden naar haar toe, ik noemde Tine bij ongeluk Annie’s zusje—ik wist toen natuurlijk ook niet wie die Annie was—en daar hadt je het gezanik! Toen begreep dat kleine nest, dat er iets niet in den haak was. Ik had haar ook nog beleedigd door haar „klein meisje” te noemen, maar dat „zusje” deed de deur dicht. En wat doet nu die jongen? Hij kijkt ineens vol oplettendheid de straat af en roept: „o, daar komt je pa aan!” Nu, u begrijpt, dat ik niet bleef wachten om te zien of het waar was of dat hij mij bij den neus nam, en ik weet nu nog niet of hij mij gefopt heeft of niet. Wel weet ik, dat ik het hazenpad koos en in het eerste beste rijtuig sprong, dat voorbij kwam.”
„Ik kan niet anders zeggen dan „goddank” dat die domheid van je mislukt is, Willem, en ik heb grooten lust je geen cent te betalen.”
„Maar mevrouw, ik heb toch mijn reiskosten gehad. De groote som hoeft u mij natuurlijk nog niet te geven, die betaalt u mij, als ik u het kind veilig en wel gebracht heb. U begrijpt dat ik het nog niet opgeef, maar wij zullen eerst wat moeten wachten, tot dat zaakje een beetje in het vergeetboek is geraakt.”
„Wij zullen nu in vredesnaam tot den winter moeten wachten, vóór dien tijd zou het te gevaarlijk zijn.”
„Maar ik moet u nog iets zeggen, mevrouw, nu ik die Annie gezien heb, ben ik voor mij overtuigd, dat het lang niet zoo gemakkelijk zal gaan haar mee te krijgen. Zij is niet zoo’n lammetje als die kleine en zij lijkt wel een jaar of twaalf. Als ik dat geweten had, zou ik het u dadelijk gezegd hebben, dat ik het niet voor vijf honderd gulden doen kon. Ik waag er te veel [63]mee, vooral omdat het meisje bij mijnheer Stubbens in huis is, wiens voorspraak ik eenmaal hoop te vragen voor die nieuwe betrekking. Zou u er geen zevenhonderd vijftig van willen maken?”
„Je bent een inhalig wezen. Ik zal erover denken.”
[64]