About This Book
Een systematische filosofische verhandeling over de ziel als het organiserende principe van levende wezens, waarin het begrip ziel wordt opgevat als de vorm of actualiteit van het lichaam. De tekst onderscheidt levensfuncties — voedings-, zintuiglijke en denkvermogens — en bespreekt waarneming, zintuigorganen, phantasia (voorstelling), geheugen, slaap en dromen, en de aard van het intellect. Methodisch combineert het empirische observatie met teleologische verklaring en richt kritiek op abstracte ideaalkoncepten. Centraal staat de relatie tussen materie en vorm, de voorwaarden van ervaring en kennis, en de vraag in hoeverre denkvermogen los van het lichaam kan bestaan.