WeRead Powered by ReaderPub
Begijnhof-sproken cover

Begijnhof-sproken

Chapter 15: III
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een bundel korte verhalen die het leven en de devotie rond een begijnhof schilderen, waar mystiek, volkslegende en alledaagse tedere observatie samensmelten. Verschillende episodes volgen bewoners en bezoekers: een schippersmeisje dat hunkert naar het water maar de kloosterse roeping overweegt, zusterlijke offers en wonderverhalen, en confrontaties tussen geloof en verleiding. De verhalen verankeren zich in seizoenen, rituelen, stille huiselijkheid en religieuze verbeelding, en wisselen sprookjesachtige elementen met realistische detailbeschrijvingen om zo een melancholische maar innemende atmosfeer op te roepen.

DE AANKONDIGING OF DE STRIJD TUSSCHEN ELIAS EN DEN ANTIKRIST

I

De dagen van verschrikking en beeldstormerij waren sedert onheuglijke tijden van het begijnhof verdwenen, en zij, die ze beleefd hadden, lagen in de kerk onder de kille steenen begraven.

Nu was er rust en vrede over het begijnhof en de goede lucht hing vatbaar in de straten.

De witte winters, waarin de lange gebeden doorvoeld werden, gingen zonder geluid voorbij en de zomerzonne was als een gat in den hemel waaruit alle de goedheid des Heeren leekte in deugddoende vlammen, die de simpele begijnen-hartjes met de hoop der zaligheid verwarmden. En ’s nachts, wijl alles in droom verdoezelde, stond de maneschijn als een groote zegen op de witte gevelen. En geen hart in die stilte vermoedde wat komen zou.

Slechts Menheer Pastoor, met zijn grijze hoofd voelde dat onder deze gedegen rust een onheil opgroeide, maar hij kon niet bepalen wat het zijn zou. Soms dacht hij dat Sodoma en Gommorha uit de hei zouden oprijzen en dan kneep hij zijn oogen dicht van benauwdheid en bad het Sint-Jansevangelie... dan weer peinsde hij op al de slechte driften die ópspoten in Babylon, en zoo aan alle zonden die ’t arme menschenhert komen tempteeren... maar bepaald en wist hij niets.

Op een dag dat men hem een nieuwen tikkenhaan thuis bracht vond hij in de doos een dier slechte gazetten, die al te veel gelezen werden! Hij had er nooit een in handen gehad, want hij leefde te veel in God en verlangde naar geen wereld... en hij, zoo zwak daarbij en de verleiding zóó sterk! Hij wilde de gazet wegwerpen maar de nieuwsgierigheid steeg... stéeg... wat gebeurde er daar buiten zooal?... en na een kruis geslagen te hebben, las hij aandachtig...

Hij schrok voor de godslasterende gedachten, die vóór zijn oogen, zwart op wit, te lezen stonden: „Kristus heeft het gezegd, eens zal de Antikrist komen!... Hewel! laat het ons vrijvrank zeggen, pogen wij het geslacht te zijn waaruit hij zal geboren worden, waaruit hij zal opstaan om de heerschappij van ál wat nu is omver te werpen!...”

Hij rilde! ’t was of de donder vóór zijn voeten neer sloeg! en bleek lei hij ’t vuile papier weg!...

Nu wist hij wat sinds zóólang in zijn brein aan ’t wroeten was, nu kende hij ’t onheil dat knaagde en groeide onder de schijnbare rust van ’t slapende begijnhof!... de Antikrist!...

En de goede man, die leefde voor de zaligheid van zijn begijntjes, kon er bijkans niet meer van slapen en als hij even sluimerde, spookten voor zijn oogen de gruwbare zonden die ’t goddelijk vuur uit den hemel riepen...

’t Was de Nethe die achter het Begijnhof naar den einder spoelde, die wies en stijgende over de dijken in ’t land bruiste, alles meesleurde, boomen en boschjes, die de poorten openklotste en de stille straten schuimend overwaterde, de huizen binnenspoot, de trappen op, altijd hooger en hooger, spijts het klagende bidden der geloovige zieltjes, die door het kolkende water werden opgezogen... Hijzelf, staande op den toren, zag dat... En plots werd het water rood als menschenbloed, en aan den einder kwam een zwart schip aangezeild... De Dood stond aan het roer en op het vóórsteven rees als een zwarte zuil de Antikrist in een ovaal van vuil geel... En vóór ’t Begijnhof gekomen zei hij tot den Dood: „Hier moet ik zijn”...

Hij schoot wakker en toen rilde de oude Pastoor van angst en aan elk haartje bibberde een droppel zweet... Hij bad en vastte opdat die droom nooit waarheid zou worden...

En hij las nog gazetten om het slecht te kennen en het beter te bekampen. Hij wist nu dat de zonde groot werd en zwol over de wereld en alle harten binnenspoelde, om te worden het groote water waarop de Antikrist de wereld zou binnenvaren... En hij voelde zich angstig, en kon zijn leed alleen niet opkroppen en hij vertelde over de nakende tijden aan de begijntjes, die sidderden en huiverden bij ’t vernemen dat de zwarte dagen, erger als de zwartste tooverij en beeldstormerij van vroeger, weer zouden aanbreken!...

Het teeken zou zijn een zonsverduistering. ’t Zou plots in den dag donker worden en de duivels zouden over de wereld loopen lijk driftige wolven om in de menschen te komen.... Men moest dan in een vat wij-water springen om al de hollekes van zijn lichaam dicht te houden en drie paternosters te bidden...

De rust week van ’t Begijnhof en door de huizen slierde een angstige adem... Vroeger baden de menschjes uit devotie, uit liefde voor hun Hemelschen Bruidegom, nu prevelden ze gebeden uit vrees en angst... En de pastoor maakte een litanie tegen het gevaar voor den helschen Antikrist:

God die zijt de fontein van het goed, doorspoel de harten der menschen opdat het kwaad er in verstikke.

Heilige Maria, Moeder Gods, leg uw tranen in de oogen der menschen, opdat ze zouden weenen en niet bekoord worden door de ijdelheden der wereld.

Heilige Hieronymus, zooals de steen waarmede gij uw borst besloegt u terug tot God voerde, maak alzoo al de steenen waarmede bedekt is de aarde.

Jesus Christus, Zoon Gods, die zijt het licht van de wereld, schut onze oogen door uw licht, en we zullen geen ergernis zien.

Heilige Petrus, sluit met den sleutel van den Hemel onze harten opdat de poorten der Hel tegen ons niets vermogen.

Doch dat hielp niets. De vloed werd sterker en zou weldra de dijken overspringen, om de wateren der zonde in het land te spoelen, waarop de Antikrist moest komen aangevaren.


Er leefden toen op het Begijnhof, drie begijntjes met schoone ongewone namen: Rodegunda, Hildegardis en Godelieve. Ze woonden saam in een wit huizeken achter den grooten Kalvarieberg, en ze leefden daar gerust in de gestadige aanwezigheid van Onzen-Lieven-Heer die gebroken in den schoot van Onze-Lieve-Vrouw, onder het lochte gewuif van zeven populieren op een aarden terpje, in witten steen gekapt stond. Sneeuw en regen, en zonneschijn en maneschijn tuimelden erover met wisselende krachten, maar het bleef wit als een bloem, en ’s avonds liet een rosse lantaarn er zijn droeve licht op lekken.

Een wegelken, tusschen twee rijen donkere cypressenkegels, leidde er naar toe, en er groeiden perkjes rouw-violen om het beeld. De wit-gekaleide huisgeveltjes blonken er rond boven hun welige hovekens en staken als de punten van een zilveren kroon tegen de blauwe lucht.

Rodegunda, Hildegardis en Godelieve leefden zeer gelukkig hier, met hun gedachten van ’s morgens tot ’s avonds gekeerd in heur herteschrijn, alwaar hun Heer Jezus woonde.

Ze kenden geen temptatie, en hun hert was licht als een zeepbelleken.

Ze waren tevreden en zuiver was hun huis met de witte gordijntjes voor de in lood gevatte ruitjes, nederig plooiend over purpere belbloemen. Door het lage venster zagen ze hun hofken, de andere huizen en den Kalvarieberg als in een witten nevel, als omhuld met den adem van hun Lieven-Heer. Boven de schouw onder het zwarte Kristusbeeld hingen hun drie heilige patronessen met hun symbool, gekonterfeit door een vromen monnik uit Achel, in een geribde zwarte lijst.

De drie begijntjes waren in de witte kamer als drie leliën die geurden naar den Hemel en in wier kelken ’s Heeren gratie dauwde. Ze zaten altijd nevens elkaar en werkten kant met hun doorschijnende, rappe vingeren. Terwijl hun lippen de gebeden prevelden uit Petrus Ab Ischa, vergroeide de ijle kant langzaam tot slankbuigende bloemenranken die den zoeten naam „Jezus” omkransten.

Het najaar kwam en de regen gieterde dwaas op het land, zoodat alles glom onder den triestigen hemel. De straten stonden beverig onder de rukken van een wervelenden wind en de linden slaakten bange kreten. De dagen gingen open en toe, grauw en kleurloos, en ’s avonds schoven de begijntjes hun kantkussen onder de wit-porceleinen lamp. Daarna vielen de barsche weeren in met straffe vorst en ’t kouwelijk volkje schoof dan bij de mechelsche stove die uit heur roode kaken warmte blies voor hun kille beenen en armen. Ze hadden er ’n bizondere deugd aan als ze bedachten hoe ’t buiten kraakte en hoe de grachten en zelfs de rappe Nethe lagen geklemd in ’t glanzende ijs. De sneeuw veranderde ’t heele begijnhof met zijn witte geveltjes in een leliedroom en alles was wit en licht, slechts de saterskoppen onder de daken grijnsden zwart onder hun witte muts... De Kalvarieberg was wonder met zijn cypressen in hun sneeuwen huive, de zeven linden waren als zilveren koralen rond het pietabeeld.

De musschen kloegen daarrond in de stilte en nu en dan scheerde een stoute kraai laag over die witte rust.

En de drie begijntjes verwachtten vredig Paschen en de open klare Lente-lucht en de stilte moffelde hun herteken in een gedegen rust...

Maar plots, twee dagen nadat Menheer Pastoor zijn vreeselijken droom had medegedeeld en den fellen schrik geplant had in ’t hert der drie begijntjes, was in de schemering, vóór hun huizeken een vent gekomen in zwarten mantel, met op den buik een marsmand vol linten en garen. Hij had een jodenneus, een felle kin als een wijwatervatje en onder de randen van zijn breeden hoed, puntten lange ooren omhoog. En hij stond vóór het open venster waarin de avond schaduwen lei, en hij vroeg of ze wat koopen wilden.

Maar zij, bedeesde kinderen Gods en dierven hun mond niet opendoen van schrik.

En in eens, deed hij zijn mond open en vloekte! Hij spuwde een muis uit zijn hol bakkes waar één tand in geelde en ging loopen; en waar hij gestaan had, rook het naar solfer en pek...

Zij hebben gehuild van ontsteltenis, hebben wijwater vóór hun huis gesprenkeld en de schoonste gebeden uit hun kerkboek gelezen...

Sindsdien hebben zij den vrede maar zelden meer gekend, want de schrik voor den duivel zat in hun hert als een scherpe doren. Maar zij zochten een geestelijken steun bij Onzen-Lieven-Heer.

In den avond, gebogen over hun kantkussen, baden ze voor den Hemelschen Nachtwaker die met zijn lantaren ’s nachts door het begijnhof wandelde en waakte over zijn bruiden; of ze droomden Hem hovenier, in een wit kleed, die ’t groene gestruik hunner hofkens bepinten kwam met roze bloemekens.

Soms zongen ze een communie-lied van Hem. Hun drie stemmen rankten samen als drie guirlanden van witte pioenen en muurrozen.

Heer Jezus in der bruiloft kwam,

Van water maakt hij wijn.

Omdat wij zouden vroolijk zijn.

Geloofd zoo moet den bruidegom zijn!

Wijnken en nu gaat in!

Omdat wij zouden vroolijk zijn,

Dat is ’t, dat hij begeert;

Heer Jezus is zoo’n milden weerd,

Hij betaalt wat gij begeert.

Wijnken en nu gaat in!

II

De winter was met al zijn boosheid uit het land gevochten, en na een pletsende regenvlaag straalde een opgepoetste zon in de teederblauwe lucht. De gewillige zwarte linden kregen genoegen in het lauwe weer en schoten dikke botten; en uit de zachte aarde der palm-omboorde tuintjes kwam het jonge kruid omhoog. De struiken en de wringende wijngaarden bedonsden zich met groene pluimkens, en onder donkere cypressen vonden de begijnen reeds violetten. In de vesteboomen sprenkelde het vogelenvolk zijn klare liedjes uit, dat men het hoorde tot op den Kalvarieberg. De klokkenklank kreeg een vollen toon in de frissche winden, en de harten der devote zielen joegen sneller als ze de goede lucht inademden. Nu kwam er licht en blij geluid.

De drie begijntjes lachten. De angst week. Paschen hing in de lucht, hun harten waren vol hoop en bereidden zich voor het feest der opstanding. Hun zielen werden gezuiverd van de kleine zonden en waren als een hofken na den regen.

Ze verhelderden als ze de klare zon door de open deuren op de witte muren zagen schijnen, en als ze opsnoven de frisschen geuren van het versch geboren groen. De boetetijd was meer een plezier dan een last, zoodat ze er zelfs den Antikrist bij vergaten.

Maar als alles weer effen en blank was als een teeder vlies, viel alles weer uiteen.

Op den avond van Sinte-Geertruide, als ze, nog half bedwelmd door ’t zalig mediteeren over de Passie van Ons-Heer, de lamp wilden aansteken, werd er gebeld.

Ze bezagen malkander vol schrik.

Godelieve verstoutte zich, ging het gangetje in met de lamp, en schoof het spioengat open om te zien wie daar was. Door de traliekens zag ze het grijnzend gezicht van den ouden duivel. Met een gil sloeg ze het schuifken toe, en liep naar binnen, waar ze bewusteloos in de armen van haar zuster neerzakte.

De vent stampte buiten tegen ’t deurken, al maar door schreeuwend: „Ik deel uw bedde! Ik deel uw bedde!”

O schrikkelijk was hun die nacht.

Ze dierven niet gaan slapen, maar bleven op hun knieën bidden in de keuken, waar ze bij ’t minste gekraak van een kast verbleekten en kreunden.

De morgen bracht de kalmte bij Rodegunda en Hildegardis, maar Godelieve was er zoodanig door geschokt dat ze naar bed moest. Ze dronk warme melk met fijne boterhammen en ’s avonds zachte lindenthee, om de zenuwen te stillen. Zoo bleef ze een heele week liggen, en kon den heiligen patroondag van Sint-Jozef niet vieren.

Den Maandag daarop ging ze voor ’t eerst tusschen haar twee zusters naar het lof. Uit al de straatjes kwamen de begijnen bij paren naar de kerk. Cecielken, het portiereske, vroeg belangstellend naar hare ziekte, en de weeskinderen, die tusschen de Marollen in rij uit hun klooster kwamen, zagen Godelieve glimlachend aan.

Al die aandacht maakte haar duizelig. Ze had willen in den grond zinken als ze meende dat men over hare ziekte zou kunnen spreken. In de kerk zette ze zich hijgend op haren eiken bidstoel, en nam evenals de andere begijnen den zwarten doek af, en plooide een wit laken over het hoofd, dat in stijve vouwen, als de mantel eener gothieke Lieve Vrouw, wijd om haar heen hong. Zoo zaten de zeven en veertig begijnen op twee roten.

Het lof zou beginnen. Ze bad den Heer om hem goed te mogen dienen, en verlost te mogen worden van al de perykelen.

De zon stak de gekleurde vensterramen van den linkerkant in laaien gloed, en verfde op de witte, roerlooze begijnen heele plakken rood, geel en groen. Er waren in de kerk zachte geluiden van sleffende voeten, voorzichtig verschoven stoelen en piepende deuren.

In de zijbeuken zaten de kwezeltjes met hunne zwarte kapmantels, terwijl in ’t midden van de kerk, vóór het koor, de weesmeisjes in rijen geplaatst waren; de kleinsten vooraan, zeer regelmatig, als een trap klimmend naar achter. De acht strenge masoeurs, wier witte kapvleugels bij de minste beweging heen en weer sloegen als vleugels van meeuwen, hielden er de orde onder.

Het koor was gehuld in een blauwen nevel, en op de witte kaarsen bloeide de roerlooze vlam, glanzend in de gladheid der koperen en zilveren ornamenten.

Een rinkelende belleklank rukte de suizelende stilte aan stukken. Het lof begon.

Het orgel spatte een storm van klanken los, en de pastoor in gouden koorkap kwam als een gulden kegel uit de sacristij. De koorknapen in wit en rood, roerden wierookvat en bel. Nadat er wat eentonig gezongen was, trok de pastoor zijn koorkleed uit, en stapte naar den preekstoel. De menschen draaiden hun stoelen en gaapten hem aan. Hij stond daar, de borst nauw boven de kuip; zijn linkerhand lag slak op den boord van ’t gestoelte, en zijn rechter, met de twee eerste vingeren vooruit, rees en daalde, naarmate de preek van toon veranderde.

„Ziet toe dat niemand u scheide! Beminde parochianen! Ik open heden mijnen mond om u te spreken van de komst van den Antikrist. Het lag me sedert lang als een steen op het hert, beminde Kristenen, maar ik dierf het u niet zeggen. Ik heb er al sommigen onder u persoonlijk over gesproken, maar nu zeg ik het aan iedereen die ooren heeft. Ja, hij komt, want de wereld is zoo slecht geworden, dat hij uiteen zal vallen. De menschen gelooven niet meer in God, en de duivel leeft onder hen, met een aangezicht zoo schoon, dat iedereen hem lief heeft. Mannen uit Ethiopië, die zwart zijn van koleur, komen de menschen hunnen godsdienst slecht maken, en de menschen gelooven er in.

Het vleesch wordt aanbeden, juist zooals het beschreven staat, en aardbevingen splijten den grond open en rukken de grootste en sterkste steden in ’t stof. Maan- en zonverduistering volgen elkaar op, en de sterren vallen met legioenen uit den hemel. Weldra zal er een groote komeet uit den hemel nederdalen, rood als bloed, en ze zal de helft van den aardbol afrukken, om deze te werpen in de diepte. De hel zal haren stank en haren smoor door de straten laten walmen, en velen zullen bevreesd worden en zich zelfmoorden van angst.

En dan, beminde parochianen, zal de Antikrist komen met een honigzoet figuur, want gij zult de slang niet zien die rond zijn hart gekronkeld is.

En hij zal tooverijen doen, geld van de boomen schudden, lammen doen gaan, blinden doen zien, en valsche engelen zullen rond zijn hoofd sterren komen doen te blinken.

Wee hem, die naar zijne woorden luistert, die in hem gelooft, want de aarde zal onder zijn voeten opengaan, en hij zal komen neder te tuimelen in het vuur van de hel.

Lieve Kinderen! past op voor de verleiding, want zelfs de steenen van de straten zullen u komen te tempteeren. Weest sterk, en aanbidt alleen den zoeten God Jezus-Christus.

Het zal van den Antikrist gezegd worden: Uit eene maagd is hij geboren, zonder den wille des mans. Doch, gelooft er niets van, want zij die hem baren zal, is bevrucht van den duivel. Weest sterk, weerstaat de bekoringen, want als alles volbracht zal zijn, zal Jezus-Christus op de aarde wandelen, en mildelijk loonen degenen die in hem geloofd hebben. Wee hem die in den Antikrist gelooft.

Bidt veel; beminde Kristenen, en doet veel goede werken, want dat alleen verdrijft toch maar den duivel.

Zooals een hovenier zijn bloemen en planten verzorgt en bemest, opdat de wormen er niet aan zouden knagen, zoo ook moet gij doen. Want uw ziel is een hofken waar de schoonste bloemen bloeien, en zoo gij ze niet verzorgt zullen ze verdorren en opgeknaagd worden door de wormen, en de wormen dat is de duivel.

Gij moet uwe zielekens ook bemesten, want geen ander mest kan die zielekens doen bloeien, zooals de goede werken en ’t gebed. Dan zal de worm verstikken en zullen uwe ooren gesloten blijven voor de valsche woorden van den Antikrist.

Neemt deze woorden in aandacht, en bidt steeds voort opdat gij allen Engelen zoudt worden in den Hemel bij God, die schoon van gezicht is. Amen!”

De pastoor sloeg een kruis, daalde de trappen af, en ging terug naar het altaar.

Het volk zat daar als geslagen door de vreeselijke waarheid van deze preek. De asem haperde in hun keel, en de schrik rilde door hun hert. De drie begijntjes Rodegunda, Hildegardis en Godelieve verstonden alles. ’t Was of de Pastoor voor hun alleen gepreekt had.

God! indien het dien duivelschen vent eens gelukte met al zijn geweld! Godelieve kneep de oogen toe bij dit akelig gedacht. Maar wat zou er dan toch gaan gebeuren?... Zij, moeder van den Antikrist!... Ze hoorde geen gezang en geen belgerinkel meer. Ze had willen dood en vergeten zijn geweest. Ze besloot te bidden, te bidden, altijd te bidden, veel te vasten en enkel te leven op roggebrood en water, zich te geeselen met een pinnekenskoord, en te slapen op een eiken plank. Ze zou alles doen, alles als dat verschrikkelijke maar niet gebeuren moest.

Hare zusters moesten haar steunen om haar naar huis te brengen. Er werd geen woord gesproken over het geval, maar hun oogen weenden samen bitterlijk om het zelfde. Ze hebben de lamp ontstoken en de avond ging voorbij, en droeg alleen het geluid van de ritselende rozenkransen.

Als ze heel laat slapen gingen, droomde Godelieve van een reusachtig geraamte met purperen mantel om, en een kronkelende slang tusschen zijn witte ribben. Zijn schedel droeg een ijzeren kroon en verborg zich half in de wolken, terwijl onder zijn holleblokken de grootste kerken en paleizen tot gruizelementen werden vertrapt. Hij krabde met zijn grooten klauw diepe putten in den grond, en vaagde er de miezerige menschjes in. Uit zijn mond lekte een slijmerig vocht dat stonk als de pest, en achter hem gloeide en braakte het openstaande bakkes van de hel zijn fellen brand op het heelal, en de wolken en de velden schalden van een rooden gloed.

Dat was de Antikrist.

En ineens boog hij langzaam zijn hoofd over haar heen, en uit zijn mond, groot als de Oosterpoort, vielen deze woorden: „Gij zult mijne moeder zijn!”

Met een kreet schoot ze wakker. Ze wilde opspringen, maar toen ze den morgen tegen de ruiten zag kloppen, bleef ze liggen, moe en uitgeput. En zij snikte om haar droevig lot. Zij, de moeder van den Antikrist! Wat een ongeluk, wat een ongeluk!

’t Was vandaag juist Onze Lieve Vrouwe Boodschap. Wat ging de dag brengen aan onheil? Zou op dezen schoonen dag het zaad van den Antikrist in haar getooverd worden zonder den wille des mans?

De droom rees op met al zijne akeligheden, zoo ontzettend dat ze ineenkromp van den schrik. De zusters waren nog droef dien morgen, en moesten veel koffie drinken om het paar boterhammekens binnen te krijgen.

Godelieve weende. Ze voelde zich flauw en ziek, en als ’t klokje klepte voor de negen-uurmis bleef ze thuis, heel alleen, daar zij te zwak was.

Ze zette zich in het zonneken. Ze zag hoe het blauw boven de roode daken diepte, en ze genoot van het simpel liedje dat uit het groen van den Kalvarieberg wuifde. Ze wou blij zijn, maar de ijselijke droom doorsolferde haar gedachten.

Maar kijk, plots bundelde er van onder de bolle lindenkruinen een zuil van zilveren licht naar haar lichaam toe, dweers door het venster, en op haar aangezicht, op haar handen en op haar witte nachtkleed, lag het zilver voor te pakken. Eer ze een kruis had kunnen slaan, bloeide uit de zuil, als een wondere bloem, een slanke witte engel met gouden haar en roze-roode vleugels. Zijn oogen waren blauwe sterren, en in de subtiele blanke hand bloemde de maagdelijke lelie, witter als sneeuw, en rond de bloem straalde een blanke reukwolk, die vulde de heele kamer met zoete geuren.

Godelieve kon niets denken; ze durfde den Engel niet bezien, maar ze werd stillekens aan als door een zoet wijntje bedwelmd; ze schoof uit den zetel op hare knieën, en boog het hoofd.

Uit den mond van den Engel, die open ging als een roode roos in den morgen, zong een stem, klaar als een zilveren klok:

„Ik ben Gabriël, de Gezondene des Heeren! Wees gegroet, Gij vol genade. De Heer is met U. Gezegend zijt Gij onder alle begijnen. De Heilige Geest zal u overlommeren, en U zal een zoon geschonken worden, wiens naam gij Elias zult noemen, opdat volbracht worde hetgeen geschreven staat in het Boek met de Zeven Sloten. Hij zal den Antikrist onder zijnen duim verpletten!”

Godelieve trilde van aandoening. Ze kneep de oogen dicht, want een zachte zaligheid overweldigde haar heele lijf, en eer ze bevend uitgesproken had: „Zie, ik ben het begijntje des Heeren, en ik zal u gehoorzaam zijn”, verzwond de Engel Gabriël als een lichtstraal, en weer glinsterde de zon in de bolle lindeboomen, die voort hun liedje lispelden over het witte beeld.

Had zij gedroomd? Neen, het was de waarheid, want de geur hing nog in de kamer. Maar het was alsof ze niet meer tot de wereld behoorde; ze was als opgezogen in een geneugte, waarvan de weelde niet te noemen is.

Wat stonden de patatten nu vreemd te dampen op de stoof en de varkensworst op de tafel. Hoe had ze willen blijven voortleven in die schittering van licht, in die geuren en in dit overweldigend, hemelsch gevoel! Ze weende van vreugde.

De zusters kwamen thuis, en haar bleek ziende, de oogen kletsnat van de tranen, begosten ze ook te weenen. Maar de tranen bleven in hun oogen staan als ze hoorden vertellen, met glimlachenden mond, van den Engel die haar bezocht had.

Plots scheurde buiten een rauwe lach de stilte vaneen, rauw als het raspend kraaien van een ouden haan.

De drie zusters keken verschrikt naar het venster.

„Heeregod!” voor het hekken stond de oude Jood en hij lachte dat het galmde. Zijn leelijke smoel gloeide van plezier onder zijn breeden hoed. Hij hield zijn buik vast van het danige lachen en uit zijn mond kletterde een rauwe vloek. De zusters kreten, en Godelieve brak ineen, machteloos en slap als een vod.

Zonder een woord te spreken begrepen Rodegunda en Hildegardis. Ze droegen Godelieve in haar bed en dopten hare slapen met azijn. Ze knielden voor het bed neer, en weenden en baden.

Ze wisten dat Godelieve bevrucht was van den duivel, die zich in een schoonen Engel had verkleed, en de Antikrist zou geboren worden uit een begijntje, de devote zuster Godelieve....

III

De zomer kwam langzamerhand in het land, en spreidde zijn overvloed van warmte op de velden en de daken. Het leven stootte zichtbaar in elk ding omhoog, en het land was als een hart dat zich ophief van levensgenot.

Maar Godelieve had willen dood zijn. Ze had steeds gewild dat ze in het water had geloopen, dat ze een geraaktheid had gekregen of op straat morsdood was gevallen. Haar oogen waren droog van ’t weenen. Haar mond was steeds kleverig van het bidden.

Ze had alles gepoogd om de wassende vrucht te verdrijven. Maar de Hemel bleef doof. Heete melk met safraan en brandewijn, afkooksel van rozemarijn met ruut, middelen die ze vond in een oud boek „Den nieuwen Esculaap”, niets werkte. Het groeide in haar als een water dat niet tegen te houden is.

Beschaamd voor haar eigen, haar zusters en de menschen, verborg ze zich in het hoogste kamerken van hun huis. Ze zag van uit het zoldervenster over de daken heen, de kruinen van de geweldige vesteboomen, en de Nethe als een zilveren lint door het land, en de menschen liepen door de straten, zwart en klein als vliegen.

Waarom moest dat nu toch gebeuren! Ze had uit het venster willen springen, ze trok van wanhoop aan haar haren, ze scheurde de kleeren van het lijf, en sloeg zichzelve, dat het bloed tegen de muren dreste. Ze bad niet meer, ze las niet meer in heur boeken, of aan haar paternoster, het baatte toch niets. Als ze maar den moed had gehad zich te zelfmoorden, ze zou er geen minuut mee gewacht hebben. Maar de hel, de schrik van de hel alleen, hield er haar van tegen zich te verdrinken, te vergiftigen of een strop te maken.

Rodegunda en Hildegardis baden des te meer om een uitkomst in dit droeve geval.

Ze spraken niet, en hunne gezichten droegen geheel de diepe smart, die hen folterde.

De menschen van het begijnhof wisten niet wat er gaande was. Godelieve liet zich niet zien, en de twee zusters zwegen als een graf. Eens nochtans hadden zij erover willen spreken met mijnheer Pastoor, maar ze schrikten terug voor de gevolgen. Hij zou hun aanzien voor duivelengebroed, hun de communie weigeren, wegjagen van het Hof en hen diep in de schande stooten. Daarom zwegen ze liever.

De menschen zagen Godelieve noch in Kerk, noch in Convent en de langtongen geraakten los.

Allerlei onrustige vragen stelde men zich, en het woordje „tooverij” bleef niet lang achterwege. Als ze ziek was, waarom werd ze dan niet bediend? Waarom ritsten de zusters er steeds overheen als men er van sprak? Waarom werd de Pastoor niet geroepen? Gelukkig dat Cecielken, het portieresken, Godelieve nog aan ’t zoldervensterken had gezien, anders was men nog gaan denken, dat zij er van onder getrokken was. En iemand die op zijn kamer wandelt, was ook in staat naar de Mis te komen. Zij moest betooverd zijn, door de kwade hand aangeraakt, het kon niet anders. De Pastoor vond het geraadzaam met al die geruchten, Godelieve eens te gaan bezoeken. De zusters schrikten toen hij binnenkwam, en terwijl zuster Rodegunda betetterd Mijnheer Pastoor groette, wipte Hildegardis naar boven om Godelieve te verwittigen van deze onverwachte komst.

En gauw, gauw, schudde ze hare rokken uit, sprong in het bed diep onder de lakens, ter zijde gekeerd. Ze wou alles verborgen houden.

De vent kwam in de kamer en hij verschoot toen hij haar wasbleek gezicht onder het witte nachtkappeken zag. Hij kwam nader tot de snikkende Godelieve. De andere zusters stonden tegen de deur met kloppend hart, en als mijnheer Pastoor vroeg wat haar toch scheelde, beefden zij. Ze stotterden dat ze ’t ook niet wisten, dat ze steeds door schrik bevangen was, leelijke droomen zag van zwarte duivelen en den Antikrist.

Rodegunda wees met den wijsvinger naar het hoofd, alsof ze den Pastoor wilde doen verstaan dat Godelieve zot was.

De man verstond er niets van. Hij schudde het hoofd, en kreeg op al zijn vragen onbeduidende antwoorden. „Ze valt altijd van haar zelve als ze eventjes rechtstaat, of ze is misschien betooverd, mijnheer Pastoor?” en dat dacht hij ten slotte ook.

Hij haalde zijn stool uit zijn zak, hing hem om den hals en sprak met hooge stem:

„In den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, helsche krachten en booze geesten die intrek genomen hebt in het lichaam van het begijntje Godelieve, bezweer ik u terug te trekken in de krochten van Satan!”

De tafel kraakte maar Godelieve en roerde niet.

De Pastoor ten einde raad ging heen met een „tot wederziens!” Dat laatste woord hield haar voor goed in bed want hij zou terug komen. En hij kwam terug, bleef lang bij haar maar kon er toch geen kop aan krijgen.

De herfst verslapte den zomer. Zwaarder en zwaarder werd de vrucht van Godelieve terwijl haar hoofdje van dag tot dag kleiner scheen te worden en zoo teeder dat men het met een keersken kon doorlichten, als een gezoden kievitsei.

Rodegunda en Hildegardis dachten aan het einde en ze gingen gebukt onder den angst van het onvermijdelijke: de geboorte. Ze spraken weinig. Ze kenden elkaars gepeinzen toch. Soms glinsterden er wondere vlammekens in hun oogen, alsof ze iets gevonden hadden dat hulpe bracht. Er groeide een gedacht in hun hoofd, en ze konden elkaar bezien heel lang, zonder roeren; dan bogen ze tevreden hun hoofd. Ze hadden in malkaars oogen hetzelfde voornemen gelezen; en ze waren gelukkig, en ze loechen van genot hun Heer alzoo van den Antikrist te verlossen.

De herfst was geel als een pruim. De winden stormden op de boomen en scheerde er de bladeren af. De Nethe zwol en stroomde over de beemden, en de koude blaasde over de velden. De hemel ging toe, en regende alles plat en rot. Als er dan een bolle wind alles weer droog had gewaaid, kwam de sneeuw als een goede vrede de wereld onderdekken.

Nu zou het Kerstmis worden en Godelieve’s vrucht die rijp woog, zou vandaag het daglicht zien. Op Kerstnacht, schooner dan de dagen, zou, volgens den natuurlijken gang der zaken, het duivelskind ter aarde komen.

Wat een gezonde vrucht zou het worden! Want Godelieve had heel de dracht geen pijn gevoeld; ze had nooit moeten braken, krijt knauwen, of andere grillen gehad.

Buiten was alles wit. De zusters baden dagelijks voor haar aanstaande verlossing en ook voor dat andere, waarvan ze niet spraken, maar waarvan hun gedachten opgepropt waren. Elken avond brandden ze een keerse klaar.

En op den nacht, dat het licht der wereld geboren werd, en in de vrieslucht de Engelen wiekten, vol geur en zoete muziek, ontstaken ze al de kaarsen, die zij in huis hadden. Het was een struik van licht. De maan stond als een zilveren schotel op het blauwe hemeltapeet, als moest daarin het Kerstkindeken gelegd worden, en de sterrekens leken de roomerkens te zijn, waaruit de Engelen en de Heiligen zouden drinken op de gezondheid van Jezus.

De drie begijntjes legden dien avond heel hun ziel in hun gebed, opdat Jezus zou zegepralen op het kind dat in hun huis moest geboren worden.

Terwijl ze baden brandden de kaarsen, en spon de vorst wondere bloemen op de ruiten.

En in den stillen nacht vol sneeuw, klonk er ineens door het huis een schreeuw, die galmde van op den zolder tot in den kelder. Rodegunda en Hildegardis liepen haastig naar hun zuster.

„Wat is er? Wat is er?!” riepen ze.

Godelieve toonde met een glimlach en lichte buiging van haar hoofd, naar iets dat nevens haar lag.

Rodegunda hief het laken op, en kijk! daar lag een kindeken!...

Ze brachten de keersepan nader, en verschoten door zijn schoonheid. Het lag daar roos als een bloemeken van den hagedoorn, en een kuifje van wit haar krulde op zijn koppeken. Het keek lachende rond en het had reeds al zijn tandjes, wit als schaapkens, die twee aan twee naar hunnen stal gaan. Het lachte; zijn oogen waren als vergeet-mij-nietjes. Het lachte en stak zijn armkens naar hun uit. Wat was het toch een zeer schoon jongeske!

En toen vergaten Rodegunda en Hildegardis, en bijzonder Godelieve, de wereld en God; de moederlijke liefde welde los; ze zouden het kind in het geniep opbrengen en er veel vreugde aan hebben.

Maar ze herinnerden zich de woorden: „Hij zal schoon van aangezicht zijn, en gij zult de slang niet zien, die rond zijn hart gekronkeld is”.

En dan ineens met verachting en boosheid, grepen ze de kleeren van Godelieve die op een stoel lagen, ploften die op het kindeken, dat niet schreide, en zij duwden er op met alle kracht, zooveel ze duwen konden, tot ze dachten dat het genoeg was.

Toen lag het dood met een geel koleurken over zijn lijf; de oogen waren toe, maar het mondje lachte nog, toonend de zilveren tandjes als een halve maan.

Haastig haalden de twee zusters een laken uit de kast en wikkelden het om het doode kindeken. Ze droegen het, geruischloos als spoken, naar beneden, en opende de deur die op het achterhofken uitgaf.

De nacht was schoon en wit in de maan. Dik lag de sneeuw in het hofken.

Rodegunda nam een schup en Hildegardis een kapmes, en ieverig begonnen zij te hakken en te graven in den harden grond. Weg moest het kind, weg vóór het schemerde. Ze werkten zwijgend, zwoegend, en na langen arbeid hadden ze een kuiltje van een halven meter diep, dat donker gaapte in de sneeuw. Ze ploften het nietig pakje er in, schopten er de aarde over, kuischten voorzichtig de sneeuw effen, en dan wierd alles weer stil.

Alle smart en angst was nu verdwenen. Ze hadden den Antikrist begraven, en ze loechen alle drie als kinderen, en ze verkneukelden zich aan het geluk het vredige leven van vroeger te kunnen herbeginnen.

Bij de brandende keersen baden zij lovend den Heer, die door zijn komste het booze geweld vernietigd had. En als de morgen kwam en de klokken luidden den grooten feestdag in de lucht, zaten zij daar nog.

Als zij het licht op hun handen zagen, toen gingen Rodegunda en Hildegardis nogmaals naar het hofken zien.

Ze meenden neer te stuiken van verwondering, en ze moesten mekaar vasthouden om niet te vallen: waar het kindeken begraven lag, daar stak een bundel ranke leliën naar omhoog. Seffens liepen ze het naar Godelieve vertellen, maar een groot gedruisch kwam hun te gemoet op de trap.—

Wat hebben ze toen gezien en beleefd!

Godelieve lag dood vóór haar bed, en de groote Engel Michaël in gouden harnas en vlammende vleugels en een kolk van zonnelicht rond zijn gezicht, kapte met een vlammend zwaard naar den ouden duivel, die kromp en vloekte onder de slagen. Hij hield in zijn linkerhand het zielken van Godelieve: een blauw wolksken met een zilveren sterreken daarin.

De duivel greep er naar met zijn vuile klauwen, ondanks het brandend zwaard, dat hem onbarmhartig op zijn bakkes kletste. Hij raasde en tierde. Plots schoot hij onder het zwaard naar Michaël, en greep met vlugge handen naar het beverige zieltje. Maar Michaël, vertoornd over deze driestheid, plofte zijn gouden puntschoen met zulke kracht in ’t achterste van den duivel dat deze openbarstte en verdween in een wolksken solferstank.

En toen richtte zich de Engel Michaël naar de twee begijntjes en hij kloeg met zeer droeve stem: „Ach, ach! Waarom hebt gij den profeet Elias vermoord? Hij was gekomen om den Antikrist te bestrijden, en gij hebt hem met uw eigen handen versmacht. En geen derde maal kan hij op aarde nederdalen.—Bidt voor het zieleken van uwe zuster, en weest sterk in de bekoring”.

Toen vloog Michaël door het open venster de lucht in, een reusachtigen vuurpijl gelijk, dragend het blauwe zieleken van Zuster Godelieve naar Gods guldene hemeltuinen.

Rodegunda en Hildegardis vielen toen gebroken op het lijk, en snikten dat er heel hun lijf bij schokte...

Godelieve werd begraven, en nooit heeft iemand de oorzaak van haren dood gekend, dan wij, die het nu vertellen in hinkende tale tot profijt ende jolijt van de menschen, die wonen langs de boorden van de Nethe.

„ECCE HOMO” EN HET BANGE PORTIERESKEN

Toen de wondere gebeurtenissen waarvan we in dees boekje verhalen, voorvielen, was Cicielken portieresken van ’t Begijnhof.

’t Was een gespraakzaam, oud juffrouwken, zeer zachtzinnig en hulpveerdig, dat op heur een-en-twintig jaar tot: „Begijntjen van Ons-Heere-Jesus-Kristus” was begenadigd.

Zij leefde door de dagen heel devotielijk, houdend heur zielken zeer zuiver van allen mogelijke smet, om bij heur verscheiden van deze aarde, door Gods schoone engelen recht naar den Hemel te worden gedragen. Nooit wist iemand wat te stribbelen op heur ambt van poorten open en toe doen en dat was een zoete voldoening voor ’t begijntje: immer wel heur plicht als portieresse gekweten te hebben. Want ze woonde reeds veertig jaar op het Hof, steeds in hetzelfde huizeken; ze sloot reeds veertig jaren, geregeld elken avend, om negen klokslag de groote poort, evenals de poort aan ’t klooster der Marollen en de deuren van ’t waschhuis aan den Grachtkant ook, en deed ze telken morgen, als de vroege zon achter het stedeken de wereld in piepte, weder open.

Daarbij, Cicielken had sedert heur veertig jaren woonste ten begijnhof, geen enkel woord te kibbelen gehad, met de een of andere twistzieke begijn.. en dat is geen geringe weldaad.

Heur huizeken, blekkend-gewit, met diepe, getraliede vensteren, lag in de schaduw van de groote poort die uitgaf in de Begijnenstraat en ’t zicht opende op de wereld waar de duivel en het vleesch regeerden.

Cicielken leefde in heur huizeken, heel alleen zonder poes of kanarievogel, op heur eigen zoo, en met heur kinderlijke gedachten. En heur dagelijksche werk was afgemeten en bepaald al naar gelang de wijzers van heur horlogie over de koperen wijzerplaat kropen. Alles had onder het groen-mossig, scherpe dak, zijn vastgesteld uur en ’t eene liep nooit voor het andere.

Als de blauwe dag triomfantelijk door de witte gordijnen van heur kamerken zeefde en heel het sante kamerboeltje in het jonge licht deed glimlachen, trapte ze met een: „Heer! ontferm u onzer,” uit heur witte beddekoets, zeeg op heur stijve knieën neer vóór het zwarte kruis met lans en spons dat tusschen de twee vensters vastgenageld was, en ze las neerstiglijk heur morgengebeden. En eer ’t een kwartierken later was, waren de poorten opengedaan en zat ze in heur keuken, achter de groene, getraliede ruitjes smakelijk in heur liefste boek: ’t Lijden van O. H. Jesus-Kristus, te lezen; of ze telde, zoetjes weg en met toeë oogen, de bollekens van heur beenen paternoster af, om alzoo wat aflaat te verdienen voor de geloovige zielen van het vagevuur. Daarna eerst profiteerde ze heur kommekens koffie met twee dunne boterhammen.

Na de mis deed ze heur huishoudelijk werk: keerde den tichelvloer schoon, strooide zand, begoot de bloempotten op de vensterrichels en neep met heur stijf-voorzichtige vingers de dorrende bladeren van fuchsia en geranium af. ’t Middageten klaarmaken kostte niet veel moeite want heur schraal lijveken vroeg niet veel voedsel, gewoon als het was aan lange vasten en vrijwillige ontberingen. Een worteltje en een aardappel en een vinger vleesch waren heur voldoende.

In den nanoen als het kerkkloksken zijn liedje van drie tonen uit het spitste torentje over het Begijnhof uit-zong, ging Cicielken ter vespers. Ze zette zich dan op een der witgeschuurde bidbankskens van de root, plooide een groot, wit, gesteven doek over heur zwart kappeken en begon, met geheven armen, den Heer te loven...

Na den dienst, als mijnheer Pastoor in gouden koorkleed gehuld, den „Grooten Meester” over de gebogen menschkens had doen kruisen en ’t altaar verliet terwijl de bellen rinkelden en de orgel een feestelijken marsch uitdreunde, als het kristelijk volk nog een kruisweg of een vaderonsken bidden bleef voor de arme zielkens of voor hun eigen belang, dan knielde Cicielken op de harde steenen, vóór Onzen-Lieven-Heer, die op blauwe marmertrappen, in een zijkapelleken, gedoornekroond zat.

„Ecce Homo!...”

’t Was een wonderlijk, diep-treffend beeld, met zijn grauwen, verganen mantel, vroeger purper, de beenderige, lange vingeren saamgesnoerd met een ruwe hennepzeel en den ijzeren riet-staf roestig... zijn naakt, paars dooraderde lijf, met vuil-rosse bloeddruppels bespetterd... zijn zware kroon, ruw en onhandig dooreengevlochten, met lange, dreigende doornen, drukkend op de bestofte haren...

Vroeger, moest het een schoon beeld geweest zijn. „Ecce Homo!...”

Maar de luie dagen die er met hun licht en donker waren overheengekropen, hadden een bijterige stof op die kleuren laten lekken en ’t zag nu, van danigen ouderdom, grauw en grijs...

Zijn diepe oogen, alhoewel hun blauwe kleur verwaterd was, keken nog even droevig en schenen, in de schemerende klaarte der kerk, bij poozen open en toe te gaan.

En als Cicielken daar geknield zat, het hoofd gezonken op de magere, holle borst en de handen saamgevingerd, scheen heur zielken op te leven, ver boven de weeën der aarde. Het ging hoog op, in een ouden, blauw en gouden hemel, bij een ouden God en bij Engelen, die tokkelden op wit-ivoren harpen en wondere kantieken kweelden met fijne stemmen. Ze voelde de harde plaveien niet onder heur knieën en ze bad innig en kinderlijk, tot de zonbol, als een bloedend hart, op den horizon woog en roodig den gemartelden Jezus omlijnde. Dan was heur vroom bidden en het diepe mediteeren ’t ende en ze richtte heur oogen naar de oogen van het beeld, om te zien of ze niet open en toe zouden gaan. Daarna keerde ze blijzaam naar heur wit huizeken, diepte heur gedachten in gulden legenden en sloot vast in heur hert die voorbeeldige daden van standheid in ’t geloof.

De dag vervloot zoo ademloos in den donkeren en de heilige nacht drukte over de lage huizen en noodigde het simpele volk uit hun sante doening, op hun zachtmild bed.


Nadat de vuurblakende zon, met gulzige, verzengende vlammentongen, het zomersap uit de blaren en de kruiden had gezogen, en al wat leefde in heur daverende hitte had doen krimpen, was ze verkoperend dieper den blauwen hemel ingetrokken en ze hong nu, met verbleekten lach, uitgeput van haar al te hevig werk.

Dan kwam de losse wind, met zijn ongebreidelde peerden in de boomen stormen, en in ’t voorbijgaan scheurde hij de bladeren van de schuddende takken, dat ze door de lucht opwervelden en op de kale velden dood liggen bleven.

De regen kwam, lijk speldekoppen, uit den grijzen, gesloten hemel zeeveren en vulde de puttekens en de karsporen die op de velden en de wegen gediept waren.

Het was herfst. De fluitende vogels waren naar overzee en de bloemen en de schoone kruiden lagen te rotten in de natte aarde.

’t Begijnhof lag triestig en huiverig en de daken glommen van de nattigheid. De begijntjes zaten achter de bedoomde ruiten, met een lollepot onder de voeten tegen elkander te brommen over het slechte weer en over de rumatiek in hun ontsmeerde gewrichten.


’t Was avend.

Cicielken zat in heur warm keukensken, bij een tweecenten-vetkeersken in hoogen, koperen kandelaar, en ze las de: „Bekoring van Sint-Antonius”.

Buiten joelde de zotte wind en hij raasde in de schouwpijp, dreunde tegen de ruitjes en viel bij poozen met zulk geweld tegen de deur aan, dat ze rammelde en krijschte in haar hengsels.

Cicielken heur voeten zaten boven ’t gat van den vunzenden lollepot en ze voelde een deugdelike hitte aan heur beenen. Lip-roerend, smakkend aan ieder woordeken, doorspelde ze de vettige, krakende bladen. Het rosse keersvlammeken wiegelwaggelde om het gloeiende wieksken. Plots viel het stil en kromp tot een klein ovaal lichtje, om daarna weer bibberend op te spiralen, lang en puntig, met een pluimpken zwarten rook bovenaan. Dan kwam het weer naar omlaag en dreef op het gloeiend vet, als een bootje op een meer.

Cicielken liet heur lippen hangen, loerde over heur bril-glazen naar het vlammeken, blikte rond en luisterde met bange ooren naar den eendigen waai...

Het licht geleek een zielken van ’t vagevier, dat bij ’t devotielijke begijntje eenige weesgegroetjes en vaderonzen om lafenis voor zijn pijnlijk branden vragen kwam.

Er dreven stomme schaduwen op de witte wanden en bij elk tochtje dansten ze heenentweer. Cicielken had al lang in heur bed moeten liggen, want de kleine wijzer der droog-tikkende horlogie, was met zijn donkere schaduw, achter de Andries-kruisige tien gekropen. Ze hoefde niet bang te zijn nochtans, de poorten waren gegrendeld en gesleuteld van vóór negen.

Maar ach!... ze zat zóó moedermensch alleen en er kwam iets aan heur hert, iets nijpends, zoodat het plots aan ’t jagen ging... Er rolden al met eens, zoo’n akelige dingen onder heur kappeken, zoo’n schrikkelijke beelden, dat ze erbij vergriezelde... Ze loerde naar het zwarte venster en pierde in de duisternis, en daar zag ze een tweede keerse-vlammetje vóór een ander begijntje dat naar heur keek. En dan boog ze dieper het hoofd over heur sante legenden, neep de oogen toe, peinsde aan Sint-Antonius en aan alle heiligen, maar heur hert joeg feller en feller onder de banden van schrik die immer dichter toe getrokken werden. Ze keek voorzichtig rond, naar de dansende, wegzwartende plekken die over de wanden grilden, naar het groote, muilige trapgat, naar heur eigen flikkerende schaduw.

Maar ei! ineens kreeg ze een stoot door het lijf. Heur bloed verijsde in de aders en stil stond heur hert...

De duivelzwarte, verwrongen letters van heur boek wipten als sprinkhanen door mekaar, groeiden, namen wonderlijke vormen aan, sprongen uit het boek met lange spillebeenen, buitelden door de keuken, groeiden nog, menschengroot, en verwerkelijkten de wondere verhalen, die op de perkamenten bladeren vermeld stonden.

Zonderlinge wezens, mannen met horens en bokspooten, vrouwen te peerd op bezemstelen, vierden te gare een zotten dans terwijl witte geraamten op dikbuikige cornemuzen pijpten... Achter die wemeling van helsche furiën kwam de Vrouw, de geile Vrouw, zekerlijk om heur, Cicielken, de bruid Christi, ook te bekoren! en ze zag heur malsche, poezele naaktheid en de dikke boezems, en den ronden buik. Ze voelde heur gloeienden asem over heur gezicht vegen. God! God!!... God!... en er kwamen vele dikke, waggelende deernen en kwabbige jongelingen die blonken van ’t vet en hoog de beenen sloegen bij den dans, dien ze met de geraamten om en om het arme portieresken uitvoerden.

„Bonk! bonk!! bonk!!!”

Drie slagen donderden buiten op de poort.

Al de furiën en naakte deernen krompen ineen tot zwarte vormkens en zaten bliksemsnel op ’t gele boek, lijk te voren, in oude, vette gothische letters.

Cicielken, verlost van dat helsche gespuis, ademde weer gelukkig! Maar op den zelfden stond, dacht ze aan de drie slagen, buiten, op de poort!! De schrik schroefde zich vast in heur boezem en ze rilde.

„Heere-Jezus-Christus! ging heur tong, „wat zou dat zijn!... wat moet ik doen... Heer Jezus... Christus!...” en ze sloeg drie kruisen.

Ze sukkelde recht, bibberend lijk een riethalm in den herfstwind. De lollepot kantelde onder heur voeten om en brak, zoodat ze midden in de smeulende houtskool stond. Ze trippelde er uit en de scherven rinkelden over de kareelen. Het lijvige boek gleed heur uit de handen en viel met een smak op den grond.

Weerom donderde een machtige bonk op het poortje, dreunde de gang binnen en galmde door het huis.

Heere God! wat mocht dat allemaal beteekenen!

Ze nam den killen reesel sleutels van de kram, stesselde voorovergebogen door de gang en draaide de lage huisdeur open.

Roef! de zotte wind woei binnen en blies de keersevlam dood. Nu stond ze in den donkeren en schoorvoetend trad ze buiten, waar fijne regendruppels prikkend in heur gezicht gezweept werden. De wind flapte in heur kleedsel, dat al met eens, fel wapperend, naar achteren waaide als een vlag. Met de linkerhand scharrelde ze heur rok tusschen de knieën vast.

Ze hoorde niets achter het zijpoortje, dat ze in den hoek tegen heur huis wist en dat na den achten geopend werd, als er geen gerij meer binnenkwam en de groote poort toe moest.

Voorzichtig teende ze vooruit en schoof het judasvensterken open. Ze blikte door de dichte traliekens de Begijnenstraat in. De rosse lanteeren vóór de poort wiegde heenentweer in den wind.

Ai mij! ’t mensch en liet een kres die tegen de slapende huizen kapot gilde.

Wat ze nu had gezien! God! Ze kneep er de oogen van dicht en moest zich vasthouden om niet neer te stuiken!

Veel, heel veel zwarte venten, stonden opeengedrumd, tegen de poort, en ze hielden groote messen die blonken in de rosse kleerte, boven hun zwarte koppen.

En die zou ze binnen laten? Om ’t heele begijnhof ’t onderst boven te stampen? om alleman kapot te maken? en alles te stelen? ’t Was om er kiksdood bij neer te stuiken!!

„Cicielken! als ge sakkerdomme niet open doet en daar nog blijft lanterfanten, stampen wij, sakkerdomme, de deur in!...”

Zoo grolde het uit een mond vóór het judasvensterken en meteen botste een zwaarbenagelde schoen op het poortje dat de planken kraakten. Cicielken meende te sterven van schrik!...

Ze voelde al wat leefde in heur, uit heur herteken zijpelen en ’t werd heur overal zoo koud! zoo koud!...

Nogmaals was het een grommelen en vloeken daarachter en ’t stompen van ongeduldige voeten.

„Sakkersche heks! ga-de opendoen? Of moeten we het spel toch instampen? Sakkerdomme! gare dan zulle! dan rijten we uw lijf open en hangen u, met uw eigen beulingen, aan den eersten den besten lanteern op!”

En vele stemmen, door mekaar, grolden akelige bedreigingen uit.

Doch boven dat rumoer weerklonk het plots:

„Doe-de sebiet open? Allée dan! we roeren geen haarken van uw lijf... Nie-waar mannen?”

’t Lawijd verpeisde en ze herhaalden al ondereen:

„Neeë, geen haarken, dat zweren wij!”

’t Arme menschken roerde haast niet. Heur knieën knikten en schokten tegen elkaar en heur voeten waren als aan den grond gelijmd. Ze kon van heure plaats niet weg. Heur lippen waren als bevroren en ze kon geen enkel schietgebedeken uiten!...

God en Heere! wat zou ze doen? wat zou ze doen?...

Openen? en dat moorders-gepeupel binnenlaten? Zoo maar gemakkelijk en van de hand, het godsvredige begijnhof laten uitplunderen en alleman laten vermoorden?

Neen! van heur leven niet! heur zusters en de goede kwezelkens laten doodsteken door heur eigen fout! Nooit! nooit!

Ze kreeg stilaan vaste gedachten.

’t Lawijd buiten groeide en steeg. ’t Was er een gevloek en getier van alle duivels. Men hoorde ijzer rammelen en ’t geklop van zware smidshamers tegen den muur. Er werden steenklompen uit den muur gekapt...

Cicielken hoorde dat en ze schrok! Wat ging er nu gebeuren?

Ze hadden het gezworen;! ai mij! ze zouden toch binnenkomen en heur oud lijf mishandelen en besmeuren met hun smerige moordenaarspooten! Heur wit, wit zieleken zou besmet worden! heur zieleken dat nooit zonde kende, zuiver om de liefde van Jezus!

Radeloos stond ze daar nu. Ze wilde aan ’t bidden gaan om een resolutie. Maar lijk de krakende donder botsten de staalbenagelde schoenen op het poortje dat het kreunde en piepte in zijn armdikke hengsels.

Dat ze maar open dee!

Onze-Lieve-Heer zou het heur wel vergeven!

Ze was zóó oud en sukkelend!

En dan gebeurde het.

Ze wroetelde den grootsten sleutel in het slotgat. De andere sleutels rezen den ring af en kletterden te zaam.

Ze draaide met beide handen uit al heur macht ... God! de veer kreste.

De mannen buiten, die bezig waren met hunne breekijzers in de steenen te drijven om de hengsels los te peuteren, hoorden dat kressen. Ze staakten hun arbeid en ’t werd één duwen tegen ’t poortje. Cicielken schoof de ronde grendels uit hun oogen, haakte den ketting los en liet hem op de steenen neerrinkelen. De klink werd omhoog gestooten en ’t poortje vloog open.

Lijk een gulp wrongen de zwarte mannen het Begijnhof binnen. Ze stampten het schrale begijntje in een hoek en klavetterden met wijde beenen, door de stille straten.

Het kromme mes tusschen de tanden, klauterden ze als katten over de hofmuren, de druivelaars op, tot bij de vensters. Ze sloegen hun vuisten door de ruiten en kropen de kamers binnen om er het bloed te vergieten der rustig-slapende kwezelkens, begijntjes en oude pekens.

En ze zouden opgraven van onder de blauwe steenen in de kelders, groote steinen potten, met Carolussen gevuld; ze zouden die gouden weelde meesleuren buiten het Begijnhof om het alles op te zuipen en op te brassen met het slechte vrouwvolk van de stad!

Daaraan had het devote Cicielken geholpen. ’t Menschken lag daar op de natte straat, roerloos, met de armen wijdopen als een gekruiste Lieven-Heer.

Zoo lag ze een poos.

Maar op het einde gingen heur oogen open en ze werd het gebeurde bewust.

Ze sukkelde op heur beenen, zocht met tastende handen heur sleutels te gaar en liep zoo goed als ’t ging, langs ’t Marollenklooster, over het eenzame kerkhof, naar het sakristijpoortje van de kerk om de hosties en de gewijde vaten te verbergen. Ze hoorde het vloeken der venten en hun grijnzen, boven het kreunen en klagen der doorstoken zusters. O! dat geschrei en geroep, dat was heur werk!...

Ze draaide de sakristij-deur open, ging binnen en liet het met een daverenden bons weer in zijn klinken vallen.

De kerkstilte woei heur tegen. Het was er zeer donker. Ze stond gansch bepakt en moederziel alleen in de sakristij, zuchtend als een blaasbalg. En heur herte klopte, klopte alsof het niet in heur borst wou blijven.

Hier kon ze rustig heur onwederroepelijke daad bepeinzen! Ze werd heure grove, groote fout bewust! zij! zij! had het poortje geopend! ze zou gevloekt zijn! gevloekt voor eeuwig!!! O! was het t’ herbeginnen! was het t’ herbeginnen! Ze zou zich eerder laten doodslaan en vermorzelen! Ze zou niet opendoen!

Het was te laat nu en het kwaad bedreven! en ze ging aan het schreien, de tranen leekten uit heur brandende oogen, en ze snikte dat heur lijf er van schokte... Ze schudde het hoofd, balde de vuisten tegen de slapen en weende door, weende snottebellen!

Met eens schoot er een reddende gedachte door heur hoofd: de klokken luiden en laten weten aan de stad dat er onheil was!

Met een wip was ze in de nacht-donkere kerk. De stilte woog er. Vóór het altaar brandde het lichtje in roodglazen potteken.

Cicielken voelde dat het Godslichtje heur bezag en ze bleef staan, roerloos als een heiligenbeeld. Zij liep verder naar het portaal waar ze het klokzeel te hangen wist.

Zij was het, die voor jaren, toen ze nog vlug te been was, de klokken luidde voor mis en vespers en de gewoonte zat heur nog zóó in de armen dat ze het zeel zonder tasten of scharrelen vond. Ze greep er naar met beide handen, draaide het om heur polsen en ze snokte aan het zeel, feller en feller. Allengskens begon er in het torenken wat te hommelen. ’t Wierd duidelijker en ging over in een zware gelui dat het wel tot aan ’t Hofken van Ringen klinken moest. De kerk was gevuld met een vreemd gezoem dat de ruiten ervan singelden.

Cicielken trok maar, kromp ineen en rechtte zich, dan op de teenen, met langgerokken armen boven het hoofd, trok weer omlaag en zoo voorts, alsof er geen einde aan komen mocht.

Stilaan begon heur rug zeer te doen en het zeel neep dieper en dieper in heur vleesch. Ze wilde loslaten, maar heur handen zaten gestropt. Met een snok werd ze naar omhoog getrokken en ze hing een poosje boven de eerde te draaien om daarna tusschen de opeengestapelde stoelen neergesmakt te worden, dat heur beenderen er van kraakten. En eer ze een gil kon uitstooten ging ze weer omhoog en zwierde door de ruimte. Ze werd rondgedraaid, neergesmeten, omhooggetrokken, gedaverd en geschud dat ze er van haar zelve bij viel. En de klok klepte maar voort in den zwarten nacht.

Ineens gleden heur polsen uit den zeelstrop en ze rolde tusschen de stoelen. De klokkeklank stierf uit en weer vleugelde de geheimzinnige stilte om de lijnige pileeren.

Lang, heel lang duurde het, eer Cicielken’s bloed weer in de aderen begon te borrelen en te leven. Ze opende de oogen en voelde overal een felle pijn. Ze keek rond en ze zag het roode vlammeken vóór ’t altaar als een bloedend oog, dat heur verwijtend aankeek. Ze wendde het hoofd van het lichtje en zocht door de dikke donkerte van de kerk, naar de plek waar de steenen Jezus, lijdzaam gebonden zat sedert vele eeuwen en hare zonden uitboette!

„Ecce Homo!”

En zie, dáár, begon het op te klaren en de duisternis smolt er: eerst een grijze nevel, maar stilaan een cirkel van zilveren licht om het heilige beeld zoodat de doornenkroon en de rietstaf te bloeien schenen als van levend goud.

Buiten op de poort krabden zwakke handen en heesche stemmen steunden luid: „Jezus, ontferm u onzer! Jezus! een droppelken drinken als ’t u blieft!”

Cicielken wist dat het heur zusters waren. Ze richtte zich op, om de poort te ontsluiten.

Maar de moorders? met hun messen! die alles zouden onteeren!

Ze wist niet wat te doen en kroop, op handen en voeten naar den schoonen Jezus, die blonk als de jonge zon. Ze wierp zich plat ter aarde en bad om vergiffenis voor heur grove fout. Ze had zoo’n spijt! zoo’n groot spijt! Ze vroeg een zware straf om heur boosheid, ze zou alles doen, alles verdragen! als hij haar maar ’n klein beetje troost kon geven, vergiffenis, vergiffenis!!

Ze snikte het uit, om hare leelijke zonde, en ze hoorde de menschen niet, die voor de poort om hulp schreeuwden, en hun leven uit-rochelden.

En ze dierf het, het hoofd op te heffen, en Hem aan te zien, naar zijn oogen te kijken, die nu blauw waren als de lente-hemel en blonken.

En „Ecce Homo” kreeg leven in de hoekige vormen, en zijn lichaam werd rozerood en lelieblank. Hij rechtte het gelaat ten hemel en glimlachte medelijdend. De bijeengebonden handen ontdeden zich van de hennepen koord en de rietstaf viel op de steenen. Hij stond recht van zijn arduinen banksken en lei met zijn subtiele handen de plooikens van zijn purperen mantel fijn. Hij raapte den staf op en tikte er driemaal mede op den kop van het begijntje en hij zei dan met een stem die zoo zoet was als nachtegaal-gegorgel bij zomeravond:

„Wat moet dat bedieden? Ze roepen daar buiten om mij!”

Cicielken kroop aarzelend recht en vette zweetdruppels leekten over heur vertrokken aangezicht. Ze snakte naar asem van schrik en wou zich weer laten vallen. Maar de oogen van Jezus waren in de heure gericht en ze blonken zóó zacht en medelijdend dat het menschken weer moed vatte.

En hij hernam:

„Cicielken, wat moet dat bedieden. Ze roepen daarbuiten om mij”.

Nu moest ze ’t gaan zeggen, heur grove fout belijden! en God zou heur zekerlijk doodslaan met zijn staf van vuur, het kon niet anders.

En ze begon te snikken en ze stamelde het uit:

„Niets, Mijnheerken lief! niets! ik weet dat niet!”

Jezus deed zijn schoone oogen toe en vroeg ten derdemaal:

„Cicielken! wat moet dat bedieden? Ze roepen daar buiten om mij!”

En zij dan:

„O! niets, Mijnheerken-lief! ’t was mijne schuld niet! ’t Waren zoovele zwarte venten! met messen! met messen!”

De woorden versmoorden in ’t felle gesnik.

In de verte kraaide een haan en Jezus hief de rechterhand omhoog en berispte:

„Dat deed Petrus ook!”...

En hij nam heur bij de hand, en hij leidde haar naar de poort, door ’t portaaltje, alwaar de stoelen holderdebolder gesmeten lagen. Vanzelf ging de groote poort open.

In den nacht huilde en tierde de herfstwind.

Stilaan werden de dingen en de huizen opgelicht door de klaarte die straalde uit Jezus’ lichaam.

En Cicielken zag op de kerktrappen de doorstoken lichamen heurer zusters in nachtgewaad en ze hoorde het laatste reutelen van hun adem in de bebloede kelen. Ze lagen er al overhoop en door malkaar gewrongen dat het ijselijk was om te zien.

Dat waren de slachtoffers der woeste venten met hun witte, groote messen, en zij, Cicielken, ’t portieresken, die de poorten bewaken moest, had dat volk binnengelaten!

De menschen waren hun huizen ontloopen, zoo goed als het ging, de wonden toenijpend met hun stramme vingeren, om ten minste tot aan de kerk te geraken en er te sterven, dicht bij hun heerken Jezus. Maar de armen! ze en konden niet binnen, de poorten waren toe. De sterksten waren de trappen op gekropen, hadden rusteloos op de poort geklopt.

De moorders hadden gemakkelijk werk gehad met de verschrompelde menschkens van ’t Begijnhof. Ze hadden de zakken zwaar gevuld met gouden keldergeld. Toen er niets meer te vinden was beproefden ze wel de kerk in te geraken, maar het plotse luiden der klok in den nacht had hen met schrik geslagen zoodat ze ’t allen op een loopen gezet hadden, alsof de duivel op hun hielen zat.

De arme vrouwkens op de trappen jammerden en kloegen en vroegen vergiffenis van hunne zonden aan God den Vader en God den Zoon en God den H. Geest goedertieren, om toch maar niet in het vagevuur te moeten!...

En toen was Hij buiten gekomen... „Ecce Homo!”...

Dat verheugde de stervende lieden danig, en ze lieten hun wonden weer openbloeden, om zoetekensaan te sterven in den glans die Hem omstraalde. Ze zouden niet in het vagevuur gaan, want ze hadden Hem gezien en dat was een zoete spijs geweest, en een schoone vergiffenis! Ze dachten niet langer aan hun gestolen goud, aan hunne wonden, maar verblijdden zich uitermate in de aanschouwing van Hem, die het Lam Gods is. Zoo gingen ze een voor een dood en hun zielkens voeren ten hoogen hemel op.

Toen is Jezus weerom binnen getreden met het angstige begijntje bij de hand. De poort ging toe en de duisternis dekte alles buiten en de herfstwind hernam zijn dolle buitelvlucht.

In de kerk echter was het alles licht.

En Jezus zette zich op ’t steenen banksken en zijn schoon gelaat boog voorover en hij keek zeer droef. Hij zei weer met gedempte stemme:

„Cicielken! Wat moet dat bedieden? Daar buiten riep men mij!”

En het hijgende Portieresken drukte heur handen op den boezem als om den wilden slag van heur hert te bedwingen, ze zonk op heur knieën en de verzwegen waarheid hokte in verwarde, rauwe kreten over heur dunne, bloedlooze lippen:

„Ja! ja! ’t is mijne schuld! Heer, ’t is mijne schuld! Ik heb de mannen binnengelaten! en ik heb groote straf verdiend! Ik zal het boeten! ik zal het uit boeten! álles! álles! wil ik doen! maar geef me toch vergiffenis! geef me toch vergiffenis!! Ik zal naar Jeruzalem gaan! op mijn bloote knieën zal ik er henen kruipen en putten kussen in uw heilig graf!...”

De woorden gutsten uit heur mond, ratelden in heur keel en ze snikte er tusschendoor, zag den schoonen Jezus smeekend aan, om een uitkomst aan heur bitter leed.

En hij roerde de handen, zegende heur.

„Ga dan, Vrouwken! die zonde is u vergeven!”

Daarop stortte Cicielken neer, plat ter aarde, de armen wijd open en ze kuste de kille steenen waar hij gestaan had. Ze weende en loech tegelijk van groote vreugde.

En als ze ’t hoofd weer geheven heeft was de kerk in ’t duister verdwenen en ’t beeld onzichtbaar in het donkere zij-kapelleken. Vóór het altaar danste het godslichtje in het roode glas.

Cicielken klom de trappen op, sloeg heur armen om het beeld, streelde den ruigharigen kop, streelde de doornenkroon en kuste het op de koude bestofte lippen.

Maar het beeld roerde niet. ’t Was steen, beschilderde steen, waar de moe-luie dagen waren overheen gekropen en het ontverfd hadden. „Ecce Homo!”

Dan is Cicielken op het Godslampeken afgegaan, dat ze, door de bibbeling heurer vele tranen, van verre pinken zag. Ze heeft voor het altaar lang geknield en langs het sakristijpoortje kwam ze buiten.

De morgen hing in de lucht en hier en daar, in de goot, in een deurgat of dwars over de straat lagen er lijken. De vensters der huizen stonden haast alle open en de gordijnen flapten als vaantjes in den wind.

En toen viel er een vinnigrood sterreken, uit den hemel tusschen de grijze wolkenrompen door, en het was percies als het lampeken in de kerk.

’t Bleef al meteens hangen, vlak boven heur hoofd en schoof zoet voort, met een roode sprankelstreep achter zich, die schoon recht liep, als de staart eener komeet, trots al de zotte herfstwinden.

Cicielken zag die ster, ze verschoot en ze lachte, want dat was het teeken, en ze heeft haar gevolgd met heilige vreugde.

Zoo, zoo ging ze naar het Heilig land van Christus... naar Jeruzalem.