WeRead Powered by ReaderPub
Beknopte geschiedenis van het vaderland cover

Beknopte geschiedenis van het vaderland

Chapter 10: § 9.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Het werk biedt een beknopt chronologisch overzicht van het gebied dat nu Nederland heet, begint bij geografische kenmerken, prehistorische bewoning en Romeinse overheersing, en behandelt vervolgens de vroege middeleeuwse vestiging van Germaanse stammen, de ontwikkeling van feodale verhoudingen en de opkomst van regionale graven en hertogen. Het volgt Bourgondische en Habsburgse bestuurlijke perioden, de religieuze en politieke spanningen die tot een opstand en de vorming van een republiek leidden, en beschrijft de republikeinse staatsinrichting, maritieme macht, commerciële expansie via compagnieën en de grote Europese conflicten. De tekst sluit af met de neergang van de Republiek, Franse overheersing en de totstandkoming van een moderne monarchie in de 19de eeuw.

Jan van Beieren liet zijn rechten op de drie graafschappen bij testament na aan zijn neef Philips den goede van Bourgondië. Maar Holland en Zeeland verklaarden Jan van Brabant getrouw te blijven; Henegouwen huldigde den hertog van Glocester en Jakoba. Op nieuw begon alzoo de oorlog tusschen Jan van Brabant en Philips aan de ééne en Jakoba aan de andere zijde. Jakoba’s troepen gelukte het, in 1425 Schoonhoven te vermeesteren. Aan alle manschappen der bezetting werd het leven gelaten, slechts niet aan één man, Allaert Beilink, vroeger schout te Gouda, die mede had gestreden ter verdediging van het slot der stad. Op last van een Hoeksch edelman werd hij—dit is althans het waarschijnlijkste der uiteenloopende gevoelens over het lot van dezen man—levend begraven. Inmiddels verliet Humphrey, uit hoofde van geschillen in Engeland, waarin hij was betrokken, deze landen. Terzelfder tijd benoemde Jan van Brabant zijn neef tot ruwaard van Holland en Zeeland. Slechts te Schoonhoven, Gouda en Oudewater werd Jakoba als gravin erkend. Gedurende het vervolg van den strijd, die steeds slepend bleef, overleed Jan van Brabant in 1427, terwijl een geestelijk gerechtshof te Rome in 1428 de echtverbintenis met Glocester voor onwettig verklaarde. Zóó ook van dezen man verlaten, dien de in Engeland heerschende verdeeldheid tot dusver had verhinderd hier krachtdadig op te treden en die nu zonder tegenzin in de uitspraak der kerk berustte, werd Jakoba meer en meer in ’t nauw gebracht. Daar haar gezag tot de drie genoemde steden beperkt was, zag zij geen anderen uitweg dan het sluiten van een verdrag, dat in 1428 te Delft tot stand kwam. De hoofdpunten waren: Jakoba wordt erkend als gravin van Holland, Zeeland, Friesland en Henegouwen, Philips van Bourgondië als ruwaard en erfgenaam dezer gewesten; in die hoedanigheid zal Philips het bewind voeren, totdat Jakoba een nieuw huwelijk aangaat; Jakoba zal niet hertrouwen dan met toestemming van hare moeder, van Philips en van de drie stenden der landen, tenzij zij wil geacht worden, haar onderdanen van den eed van gehoorzaamheid te hebben ontslagen; Jakoba zal een gedeelte trekken van de inkomsten der graafschappen.

Philips benoemde tot stadhouder van Holland en Zeeland Frank van Borselen, die door de diensten, met groote kieschheid aan Jakoba bewezen, weldra zoozeer haar genegenheid verwierf, dat zij met hem in den echt trad. Frank van Borselen verloor nu het stadhouderschap, doch werd door Philips tot graaf van Oostervant verheven. Deze daad van Jakoba, als strijdende met het verdrag van Delft, had in 1433 het verlies der grafelijke waardigheid ten gevolge. Daarentegen verkreeg zij van Philips vele heerlijkheden, waarvan zij de inkomsten bleef trekken tot haren dood in 1436.

 


§ 6.

Holland en Zeeland onder de graven uit het Bourgondische huis.

Jan zonder vrees werd in 1419 op de Yonnebrug gedood (Overzicht, 9de druk, blz. 91). Zijn zoon philips de goede (1433-1467) volgde hem onmiddellijk in Bourgondië, Vlaanderen, Mechelen, Franche-Comté, Artois en Salins op. In 1421 kocht hij het graafschap Namen van graaf Jan III, die zich het vruchtgebruik gedurende zijn leven voorbehield en na wiens dood, in 1429, Philips het land in bezit nam. In 1430 erfde hij van een neef Brabant, Limburg en Antwerpen. In 1433 stond Jakoba hem Henegouwen, Holland, Zeeland en Friesland af. Eindelijk kocht hij nog het hertogdom Luxemburg en nam het in 1451 in bezit.

Philips de goede is de eerste hertog uit het huis van Bourgondië, die onder de Nederlandsche vorsten een plaats bekleedt. Langzamerhand was de omvang van het grafelijk gezag in de staten, die het tegenwoordige Nederland en België uitmaken, grooter geworden. Allengs waren vele beletselen tegen de uitbreiding van dat gezag uit den weg geruimd. Niet langer was de grond van Holland en Zeeland, om van deze maar alleen te spreken, met tal van kasteelen overdekt, waarin evenveel edelen met hun in ’t staal gedoste manschappen lagen, steeds ten aanval tegen den graaf gerust. De macht des adels was voor die van den landsheer geen struikelblok meer. Een andere was ervoor in de plaats gekomen. Als een loopend vuur was het streven der ingezetenen om zich tot gemeenten te vereenigen van den een tot den anderen staat overgegaan. Door de behoefte aan geld gedrongen, hadden de vorsten geen perken gesteld aan de begeerte der steden naar privilegiën, maar ze met ruime hand gegeven aan wie ze verlangde. Doch van lieverlede begonnen die vorsten, de gevolgen hunner milddadigheid inziende, te trachten ze op allerlei wijze te voorkomen. Zij schrikten voor den vorm van gemeenebest, die aan de gemeenten eigen was. Zij vingen aan de overeenstemming te duchten, die meer en meer ontstond tusschen de burgers en de door hen gekozen overheidspersonen. Hiertegen richtte zich dus hun streven. Niet langer riep nu de graaf, zooals weleer, het gansche lichaam der gemeene poorters bij klokkeslag op, doch alleen een zeker aantal der meest gegoeden van hen, (naar het woord vroed = wijs) doorgaans de vroedschap en rijkheid geheeten, om, na hem te hebben gehoord, zijn besluit te nemen. Alzoo werden zij, die men opriep, telken male als de vertegenwoordigers der poorters in ’t algemeen aangemerkt.

Bij de graven uit het Henegouwsche en het Beiersche huis was evenwel het beperkte gezag nog een oorzaak van beperkte heerschzucht. Anders werd dit sedert het optreden van het Bourgondische huis, dat, zoovele staten onder zijn macht vereenigende, ze zooveel mogelijk tot één lichaam wenschte te doen samensmelten. Dit huis toonde in al zijn daden, welk zijn doelwit was, eenheid, overwicht der grafelijke macht over den adel en over de steden beide. En toen later het Oostenrijksche huis voor het Bourgondische in de plaats kwam, hield ook dit vast aan een stelsel, dat den vorst het regeeren zoo gemakkelijk maakte, en, hoewel het ook ten nutte der ingezetenen verstrekte, toch geheel in ’t belang van den landsheer was uitgedacht. De Hoeksche en Kabeljauwsche verdeeldheden werkten het doel des graven in de hand.

Ter bevordering nu van het groote doel, zoo even aangeduid, deed Philips de goede verschillende stappen. Hij is de oprichter van dien vasten raad, die het hof van Holland wordt genoemd en in 1428 tot stand kwam. Hij had zitting te ’s Gravenhage en zat in hooger beroep terecht over alle vonnissen, in burgerlijke zaken door andere rechtbanken gewezen. Het spreekt vanzelf, dat hierdoor aan de oude vierscharen veel van haar kracht werd ontnomen. De leden van ’t hof werden door den graaf aangesteld en waren dus alleen van hem afhankelijk. Een andere stap was deze. Aan vele steden van Holland vergunde Philips, op de wijze boven omschreven, vaste vroedschappen of stedelijke raden op te richten, die zichzelven mochten aanvullen. Intusschen hoede men zich, deze vroedschappen voor de „regeering” der steden te houden. Zij waren niets anders dan de vertegenwoordigers van ’t lichaam der burgerij. De regeering berustte bij schout, schepenen en burgemeesters, ’s graven ambtenaren.

Er is nog meer. In 1455 stelde Philips een hoog gerechtshof in, dat hij den naam geheime of groote raad gaf, waarop alle inwoners zijner gewesten zich, bij rechtsgeschillen, in appèl konden beroepen. De geheime raad hield zijn zittingen in de plaats, waar de vorst vertoefde, en kreeg later een vasten zetel.

Philips de goede is ook de eerste graaf, die een paar malen een vergadering der Algemeene Staten bijeenriep. Reeds is in dit werk gewag gemaakt van het raadplegen der edelen, of der steden, of der edelen en steden tezamengenomen door de graven. Dergelijke bijeenkomsten, die voor ieder gewest in ’t bijzonder werden gehouden, noemde men sedert Albrechts tijd dagvaarten, later staten, vermits de edelen en de steden, waaruit zij bestonden, de staten, d. i. standen des lands, vertegenwoordigden. Voor ’t eerst komt die naam, wat Holland betreft, in 1428 voor. Het getal der steden, die doorgaans opkwamen, was zes, n.l. Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam en Gouda. Voorzitter dier staten was aldáár hij, die het ambt van ’s lands advocaat bekleedde. In Zeeland bestond het lichaam der staten uit drie leden, n.l. uit den abt van Middelburg, de edelen en vijf steden. In plaats nu van, gelijk tot dusver, de staten van elke provincie in ’t bijzonder, riep Philips eenige keeren die van alle gewesten gezamenlijk ter vergadering op, hierdoor den grond leggende tot het latere lichaam der Staten-Generaal. Zeer bekend is b. v. de vergadering der Algemeene Staten, die den 25sten April 1465 te Brussel plaats had.

De jaren van Philips’ regeering zijn een van de merkwaardigste tijdperken der geschiedenis, zoowel wat zijn eigen daden betreft, als ten opzichte van de wereldgeschiedenis in ’t algemeen. Tot die daden des vorsten behoort nog de instelling in 1430 van de orde van het gulden vlies. Het doel der instelling was, de edelen, wier ridderlijke dapperheid hij hoog waardeerde, ter bescherming van de kerk, nader onder elkander en aan zijn persoon te verbinden. Hijzelf was er het hoofd van. Geen der leden kon voor een andere rechtbank, dan voor die der orde, worden gedaagd. Het zinnebeeld der orde was het „lam Gods”, dat de ridders aan een keten om den hals droegen.

Merkwaardig is de tijd van Philips’ regeering. Immers in die jaren vallen de verovering van Constantinopel door de Turken, de invoering der vuurwapens bij de legers, waardoor aan het overwicht der edelen weder een gevoelige schok werd toegebracht, en de uitvinding der boekdrukkunst. De eer dezer uitvinding komt òf aan Laurens Janszoon Coster van Haarlem, òf, wat met meer recht schijnt te worden beweerd, aan Johan Guttenberg toe, die ongeveer 1455 te Maints leefde. De Nederlandsche gewesten dreven veel handel; hun zeevaart was belangrijk. Vlaanderen en Brabant waren beroemd door hun lakenfabrieken. De zetel van den handel in hout, vee, paarden en koren met de Oostzee en het Noorden van Europa was in Holland. Vele steden waren leden van het hanzeverbond. Een andere en rijke tak van bestaan was de haringvisscherij, die evenwel haar toppunt nog niet had bereikt. Willem Beukelszoon van Biervliet (in Staats-Vlaanderen), overleden in 1397, had het kaken en zouten van dien visch, die eertijds alleen versch werd gegeten, uitgevonden. De schepen, waarmede men ter haringvangst voer, heetten en heeten nog buizen. Aan ’s volks tevredenheid over dien bloei is Philips’ bijnaam toe te schrijven. Het volk noemde den vorst „den goede”, die hun, in plaats van de lange regeeringloosheid en den burgeroorlog, wederom de weldaden van den vrede, de veiligheid en het recht deed kennen. Op die wijze betoonde het zijn dankbaarheid aan Philips, die, zijn eigen belang met dat zijner staten vereenzelvigende, de goede dagen van Willem III deed terugkeeren. Intusschen valt het niet te ontkennen, dat die bijnaam hem geenszins wegens overgroote goedheid van aard toekomt, daar menige harde daad tegen hem getuigt.

Philips liet, bij zijn dood in 1467, een welvoorziene schatkist aan zijn zoon, karel den stoute (1467-1477), na. Deze graaf nam, met het oog op het stelsel van zijn huis, twee gewichtige maatregelen. Vooreerst vestigde hij in 1474 den grooten raad te Mechelen (zooals hij van nu af doorgaans heet). Verder richtte hij in 1471, op het voorbeeld van Karel VII, koning van Frankrijk (Overzicht, 9de druk, blz. 91), een staand leger ruiterij op. Tot de vermeerdering der erflanden van zijn huis legde hij den grond door in 1471 een verdrag te sluiten met Arnoud van Egmond, hertog van Gelderland. Bij dit verdrag verpandde Arnoud hem zijn hertogdom voor een som van 300,000 gl., hem tevens tot erfgenaam benoemende. Maar de Gelderschen wilden Karel niet tot hertog hebben. Zóó brak er een oorlog uit, die meer dan een halve eeuw duurde. Gedurende zijn gansche regeering was er één hoofddenkbeeld, dat Karel beheerschte: de hoed, dien hij als hertog droeg, moest met een koningskroon worden verwisseld; de landen, die tusschen de Middellandsche Zee en de Noordzee, tusschen Frankrijk en Duitschland lagen, moesten onder zijn schepter worden vereenigd. Toen zijn plan om in overleg met keizer Frederik III dit doel te bereiken was mislukt, doordien de keizer in 1473 de stad Trier, waar men ter beraadslaging was bijeengekomen, snel weder verliet, besloot hij met geweld op te treden. Maar hij sneuvelde in 1477 bij Nancy (aan de Moezel, ten z. van Metz) in een slag tegen Réné, hertog van Lotharingen.

Zonder één zijner ontwerpen verwezenlijkt te zien, scheidde Karel uit het leven, al zijn landen in een ongelukkigen toestand aan zijn dochter maria (1477-1482) nalatende. Lodewijk XI verklaarde al wat leen was der Fransche kroon voor vervallen: Bourgondië werd vermeesterd, Artois en Picardië, zelfs Franche-Comté, aangetast, Vlaanderen bedreigd. In de Nederlanden zelven wilde men vóór alles waarborgen voor ’t behoud der nationaliteit tegen Fransche overheersching, vóór alles herstel der geschonden privilegiën. Het gevolg was het groot-privilegie, dat Holland en Zeeland bedongen, aleer zij zich tot eenige opoffering ten behoeve van Maria verplichtten. In dit stuk stond de gravin een deel harer macht aan de staten af. Soortgelijke handvesten, als het groot-privilegie, werden ook aan andere gewesten, inzonderheid aan Vlaanderen, toegestaan. Terstond trad Maximiliaan, een zoon van Frederik III, die nog in 1477 Maria’s echtgenoot werd, tegen Lodewijk XI in het strijdperk. Doch eerst in 1493 gaf de koning van Frankrijk Franche-Comté en Artois, op eenige steden na, terug. Zich gedurende den strijd tegen Frankrijk van den bijstand zijner onderdanen willende verzekeren, sloot Maximiliaan zich nauwer bij de Kabeljauwschen aan. In 1482 overleed Maria, en Maximiliaan aanvaardde de voogdij voor zijn minderjarigen zoon Philips II of den schoone.

 


§ 7.

Holland en Zeeland onder de eerste graven uit het Oostenrijksche huis.

De tijd van ’t regentschap was zeer onstuimig en baarde Maximiliaan vele zorgen. In 1488 stonden de bewoners van Gent en Brugge op, rekenschap eischende van de opgebrachte gelden. Maximiliaan zelf, op dat tijdstip te Brugge vertoevende, werd met vele heeren van zijn gevolg gevangen genomen en in de woning van een bijzonder persoon in hechtenis gehouden. Sommige dier heeren werden gepijnigd, andere gedood, en Maximiliaan eerst na maanden ontslagen. Andere moeielijkheden had hij in Holland te bestrijden. De gunsten, door hem aan de Kabeljauwschen bewezen, riepen de partijschappen weder in ’t leven. Onder de veelvuldige voorvallen van den vernieuwden strijd blijft bovenal de belegering van den toren te Barneveld (op de Veluwe) in 1482 in aller herinnering leven, niet zoozeer uit hoofde van het gewicht der zaak zelve, als wel om de wreedheid der Hoekschen en de zelfopoffering van den held van ’t verhaal, Jan van Schaffelaar, die erbij omkwam. In 1492 eindigde zoowel het oproer van het kaas- en broodvolk, d. i. van hen, die, wegens den druk der belastingen, in Noord-Holland waren opgestaan, als de strijd der Hoekschen en Kabeljauwschen. De zege viel de laatstgenoemde partij ten deel.

In 1493 werd Maximiliaan koning van Duitschland. In ’t volgende jaar aanvaardde philips II, de schoone (1494-1506)—aldus om zijn lichamelijke schoonheid geheeten—het hertogelijk, grafelijk en heerlijk bewind over de verschillende Zuid- en Noord-Nederlandsche staten. Zijn eerste daad, als vorst dier landen, was gericht tegen het groot-privilegie. Bij zijn huldiging verklaarde hij de privilegiën, geschonken na den dood van Karel den stoute, met goedvinden der staten zelven, plotseling vernietigd. In 1496 trouwde Philips met Johanna, tweede dochter van Ferdinand II den katholieke, koning van Arragon, en van Isabella, koningin van Castilië. Dit huwelijk opende hem het uitzicht, eens den Spaanschen troon te zullen beklimmen. In 1504 ging hij naar Spanje, omdat Isabella was overleden en de krankzinnigheid zijner gemalin haar belette, de kroon van Castilië te dragen. Weldra aanvaardde hij het bewind over dit rijk; maar nog in ’t zelfde jaar, 1506, stierf hij plotseling. Alzoo moest Maximiliaan voor de tweede maal het regentschap over de Nederlandsche staten op zich nemen. Hij, voor wien Maximiliaan de teugels der regeering in handen nam, was de zoon van Philips en van Johanna, Karel, in 1500 te Gent geboren.

In 1515 aanvaardde Karel, die in Duitschland de vijfde, in Spanje de eerste, in Holland en elders de tweede, enz. vorst van dien naam is en steeds karel V wordt genoemd, het bewind over de Nederlandsche staten. Weldra zag hij het aantal der landen, waarover hij den schepter voerde, toenemen. In 1516 volgde hij zijn grootvader Ferdinand in Arragon op en werd aldus koning van geheel Spanje. In 1519 werd hij keizer van Duitschland. Wat de Nederlanden betreft, in 1515 verkocht George van Saksen, een zoon van Albrecht (zie blz. 41), hem zijn rechten op Friesland voor 350,000 gl., terwijl de Friezen zelven hem in 1524 als heer erkenden. In 1528 stond de bisschop van Utrecht, Hendrik van Beieren, hem de wereldlijke macht af over Utrecht en Overijsel. In 1536 erkende Groningen Karel als heer des lands en stond Karel van Gelder hem de heerschappij over Drente af. De laatste der Nederlandsche staten, waarmede dit voorbeeld werd gevolgd, was Gelderland, dat Willem van Gulik en Kleef, een neef en opvolger van Karel van Gelder, door wapengeweld gedwongen, in 1543 aan Karel V moest afstaan. Zoo werd eerst Karel heer van de zeventien gewesten. Het waren vier hertogdommen: Brabant, Limburg, Luxemburg en Gelder; zeven graafschappen: Vlaanderen, Artois, Henegouwen, Holland, Zeeland, Namen en Zutfen; het markgraafschap Antwerpen; vijf heerlijkheden: Friesland, Mechelen, Utrecht, Overijsel, Groningen met de Ommelanden.

 


§ 8.

Overzicht der geschiedenis van Gelderland gedurende de Middeleeuwen.

Thans moet, ten opzichte van Gelderland, Utrecht en de overige gewesten, eenigszins in bijzonderheden worden aangetoond, wat boven (blz. 13 vlg.) in algemeene trekken is ternedergesteld. Met de samensmelting van verschillende kleine heerschappijen tot één samenhangend geheel ging het ook hier langzaam. Buiten de streken, die hij reeds bezat, trok de graaf van Gelderland allengs verschillende alodiën van edelen aan zich, om ze als leenen weder te geven. Gelijk de macht van den graaf van Holland, groeide die van den graaf van Gelderland met de jaren aan: de afhankelijkheid van den keizer werd steeds minder. Had de graaf zich reeds in de 13de eeuw eenige rechten der kroon toegeëigend, het volle gezag als landsheer verwierf hij in al zijn uitgestrektheid in 1339. Toen immers benoemde Lodewijk van Beieren reinald II of den zwarte (zie blz. 12) tot hertog, destijds een zeldzame verheffing. Insgelijks nam de macht des graven tegenover de edelen voortdurend toe. Van onafhankelijke en met hem gelijkstaande edelen werden zij langzamerhand zijn leenmannen, traden in zijn dienst en stonden hem bij het beheer des lands ter zijde. Later moesten zij een gelijke mate rechten, als zij genoten, zien toekennen aan de steden, sinds zij als gemeenten optraden. Invloed op den gang der zaken, in den eigenlijken zin, oefenden de steden, vereenigd met de edelen, eerst sedert 1418, toen zij met hen een verbond sloten, ten einde bij ’s lands hachelijken toestand maatregelen van voorziening te nemen. Van nu af waren ridderschap en steden tot één lichaam van landsstenden—de naam staten kwam eerst in 1477 in zwang—samengegroeid. Op eigen gezag bijeenkomsten houdende, verwierven en behielden alzoo de staten van Gelderland een voorrecht, dat elders de landsheer zich placht voor te behouden. Inzonderheid woog de stem der hoofdsteden zwaar.

Dit waren Nijmegen, Roermond, Zutfen en Arnhem, hoofdsteden der vier eveneens genoemde kwartieren, waarin Gelderland was verdeeld. Ieder kwartier had zijn bijzonderen landdag en werd in vele opzichten als een afzonderlijke staat aangemerkt. Maar een enkele maal werd er een vergadering van de staten der vier kwartieren gehouden. Die staten werden vertegenwoordigd door de bannerheeren, de ridderschap of edelen en de steden. De bannerheeren, die alle in het graafschap Zutfen woonden, droegen dien naam, dewijl zij of hun voorvaderen van den keizer het recht hadden verworven, onder hun eigen banier te dienen.

De stamhuizen, die over Gelderland het bewind hebben gevoerd, zijn Gelder, Gulik en Egmond. Een der graven van het eerste huis is Reinald II de zwarte, die in 1339 de hertogelijke waardigheid verwierf. Na zijn dood in 1343 volgde zijn oudste zoon reinald III hem op. Welhaast geraakte hij in geschil met zijn jongeren broeder Eduard, die een deel eischte van de goederen, door hun vader nagelaten. Te dier tijd bestond er tevens vijandschap tusschen twee machtige geslachten, dat van Bronkhorst (tusschen Zutfen en Doesburg) en dat van de Eese of van Hekeren. De heeren van het laatstgenoemde geslacht droegen hun naam naar de ridderhofstede de Eese (bij de Berkel, ten w. van Lochem) of naar een andere aanzienlijke bezitting, wellicht naar Heker (nabij Doesburg gelegen).

De geschillen tusschen deze beide huizen ontaardden allengs in partijschappen, die der Hekerens en der Bronkhorsten, waarin ook de steden deelden, vooral sedert Reinald de zijde der eersten koos, waarop de Bronkhorsten zich bij Eduard aansloten. De strijd werd met wisselende kans gevoerd tot 1361, toen Eduard den slag bij Tiel won en zijn broeder gevangen nam. Nu eischte Eduard de waardigheid van hertog voor zich. Reinald, aan die vordering voldoende, deed afstand van zijn titel en rechten ten behoeve van Eduard. Tien jaren lang regeerde eduard als hertog. Toen werd Reinald III weder op den hertogelijken zetel geplaatst. Bij zijn langdurige gevangenschap, in de laatste jaren op het huis Nijenbeek (tusschen Deventer en Zutfen, ten o. van Apeldoorn), werd hij, naar de overlevering luidt, zoo dik, dat hij zonder slot of grendel kon worden bewaard en men, bij zijn bevrijding, den muur van zijn vertrek moest doorbreken, om hem er uit te krijgen. Niet bestand tegen de veranderde levenswijze, welke de plotselinge omkeering in ’s hertogen lot medebracht, stierf hij nog in ’t zelfde jaar kinderloos.

In 1372 kwam het huis Gulik in ’t bezit der heerschappij. De eerste hertog hieruit was willem I, later tevens hertog van Gulik; de laatste zijn broeder reinald IV. Evenals zijn broeder liet hij, bij zijn dood in 1423, geen wettig kroost na. Het vooruitzicht op dit kinderloos overlijden, gevoegd bij de uitputting des lands, gaf aanleiding tot de bijeenkomst der landsstenden in 1418, waarvan boven is gewaagd. Weldra erkenden zij in 1423 arnold, een zusters kleinzoon van Reinald IV, uit het huis Egmond (nabij Alkmaar), als hertog van Gelderland. Nog niet lang had hij de teugels van ’t bewind in handen, of zijn onderdanen brachten allerlei grieven tegen hem in. Zij betroffen de nuttelooze oorlogen, door hem gevoerd, en de zware kosten zijner hofhouding. Groot was de last der schulden, waaronder de hertog steeds dieper gebukt ging. Ten laatste stelde ’s hertogs zoon, adolf, gesteund door ’s hertogen gemalin, Katharina van Kleef, zich aan ’t hoofd der misnoegden. Den 9den Januari 1465 liet hij, te midden van den nacht, gedurende den fellen winter van dat jaar, zijn vader van het slot te Grave oplichten, naar Buren (ten n.w. van Tiel) overbrengen en dáár nauw bewaken. Terstond hierop matigde hij zich den titel en de rechten van hertog aan.

Niet lang duurde het, of Karel de stoute wierp zich als middelaar tusschen vader en zoon op. Hij liet Adolf in 1471 gevangen zetten en nam Gelder en Zutfen voor 300,000 gl. van Arnold in pand, die kort hierop, in 1473, stierf. De Gelderschen beschouwden deze verpanding van den beginne aan als onrechtmatig en krachteloos. Daarom gaf die verpanding het sein tot een oorlog van de Gelderschen tegen het huis van Bourgondië en dat van Oostenrijk, die, met korte tusschenpoozen, gedurende meer dan een halve eeuw werd gevoerd. Het begin van den oorlog was gunstig voor Karel. Reeds op ’t einde van 1473 was hij meester van het hertogdom. Zwaar drukte de last der Bourgondische heerschappij op de Gelderschen. De stenden verloren het recht, zichzelven ter dagvaart te beschrijven. In 1477 gaf ook aan Gelderland de val van Karel den stoute eenige verademing. Doch ook Adolf stierf in ’t zelfde jaar.

In 1492 plaatste Adolfs zoon karel zich aan ’t hoofd der Gelderschen, ten einde den kamp tegen het Oostenrijksche huis te hervatten. De fortuin was hem, hoewel niet in den aanvang, gunstig. In 1513 had hij schier zijn gansche hertogdom heroverd. Doch nieuwe moeilijkheden baarde hem de komst aan ’t bewind van Karel V. Overal, waar Karel zijn heerschappij trachtte te vestigen, niet alleen in Engeland, maar ook in Utrecht, Friesland, Groningen, Drente en Overijsel stiet hij op den hertog van Gelder (zie beneden blz. 41, 42). Karel van Gelder vond een krachtigen steun in Maarten van Rossum (ten o. van Zalt-Bommel, nabij de Waal), een veldheer, die tot zinspreuk had, „branden en blaken is het sieraad van den oorlog.” Hem was het niet te wijten, dat zijn heer meer en meer in ’t nauw werd gebracht door Karel V. Trapsgewijze moest de hertog van Gelderland voor den keizer wijken. Toen hij in 1538 stierf, kon hij vooruitzien, dat zijn opvolger, Willem van Gulik en Kleef, binnen kort zou worden gedrongen, Gelderland aan Karel V af te staan. Dit geschiedde in 1543.

 


§ 9.

Overzicht der geschiedenis van Utrecht, Overijsel, Drente, Friesland en Groningen gedurende de Middeleeuwen.

De vroomheid der vorsten en heeren, die zich in de Middeleeuwen niet zelden openbaarde in ’t schenken van goederen of gronden aan kerken, kloosters, abdijen, enz., kwam vooral, gelijk boven (zie blz. 12) is opgemerkt, te goede aan het bisdom Utrecht. Langzamerhand groeide de omvang van het Sticht en daarmede de wereldlijke macht van den bisschop aan. Die wereldlijke macht des bisschops werd zeer beperkt door de kanoniken der vijf kapittels, van welke boven (zie blz. 12) is gesproken. Zonder de toestemming dier kanoniken mocht de bisschop geen gebied van ’t Sticht vervreemden, noch oorlog voeren of vrede sluiten, gelijk hij ook in het kerkelijke aan hun gevoelen gebonden was. Sedert hij in zijn oorlogen hoe langer hoe meer den bijstand der edelen en steden behoefde, begonnen ook zij invloed op ’s lands regeering te krijgen. Zoo werd de grond gelegd tot de vergadering der staten van Utrecht, die sinds het laatst der 15de eeuw werden beschreven. Het eerste lid dier staten waren de geëligeerden, d. i. zij, die uit de vijf kapittels werden gekozen; het tweede de edelen, die ridderhofsteden bezaten; het derde de stad Utrecht, en wellicht mede de kleinere steden.

De naam Overijsel kwam eerst in de laatste helft der 15de eeuw op. Vóór dien tijd werd dit gewest niet als één staat aangemerkt, maar als een aantal van elkander onafhankelijke heerlijkheden. Reeds vroeg, immers sedert de 14de eeuw, werd de macht van den bisschop beperkt door den landdag, d. i. door de ridders en de groote steden Deventer, Kampen en Zwol. In Drente oefende de kastelein (kasteelman) of burggraaf van Koevorden, in naam van den bisschop, het oppergezag. Hetgeen elders dagvaart of vergadering der staten werd genoemd heette hier de landdag. Op dien landdag verschenen de ridders, die elk een der achttien havezaten (kasteelen) moesten bezitten, en de eigenerfden.

Groot was de macht, die de bisschop hier te lande in de Middeleeuwen bezat. Hij had de geestelijke rechtspraak en kon boetedoeningen van vernederenden aard opleggen. De streek lands, waarover hij wereldlijk gezag had, was veel grooter dan het graafschap Holland of Gelderland. Maar dewijl het bisdom gelegen was tusschen Holland en Gelderland (zie ook boven blz. 16), was de bisschop onophoudelijk in geschillen gewikkeld met een dezer staten. Dit verzwakte zijn macht zoozeer, dat hendrik van beieren zich verplicht zag, zijn wereldlijke macht over Utrecht in 1528 aan Karel V af te staan. In ’t zelfde jaar erkenden de staten van Overijsel Karel V als heer. De bisschop hechtte zijn zegel aan deze overdracht van het Oversticht. Eveneens kwam Drente in 1536 aan Karel V.

Boven (zie blz. 15, 16) is den lezer medegedeeld, dat de koningen van Duitschland Friesland nu eens aan den graaf van Holland, dan weder aan den bisschop van Utrecht of den hertog van Gelderland schonken. Maar de Friezen bekommerden zich, gelijk wij nu en dan gelegenheid hadden te bespeuren, weinig om dit weggeven van hun land. Moesten de West-Friezen zich aan Floris V onderwerpen, de overigen schikten zich slechts tijdelijk in dit lot en wierpen het juk van den graaf van Holland af, zoodra hij met het meerendeel zijner troepen uit hun land was geweken. Twee eeuwen lang sproten voor de Friezen vele onheilen voort uit de geschillen der Schieringers en Vetkoopers. Zij namen tegen het einde der 13de eeuw een begin. De Vetkoopers (d. i. handelaars in vette waren) ontleenden, naar men wil, hun naam hieraan, dat zij, de beste weilanden bezittende, den grootsten handel dreven in vette koeien, terwijl de Schieringers, waarschijnlijk (van schier, kaal) aldus werden genoemd uit hoofde van hun armoede en hun berooiden toestand, die zoo schril afstaken bij den rijkdom en de overdaad der Vetkoopers. Eindeloos waren hun verdeeldheden, en slechts dan, wanneer er gevaar van buiten dreigde, stonden zij als één man pal tegenover de vijand. Met de verwoestingen van den burgeroorlog paarden zich die van de overstroomingen. Het is schier ongelooflijk, hoevele watervloeden in de Friesche gedenkschriften zijn geboekt.

Door zoo velerlei onheilen overmand, moesten ook de Friezen ten laatste voor vreemd geweld bukken. Maximiliaans krijgsoverste, Albrecht, regeerend hertog van Saksen-Meiszen, was in 1498 zijn schuldeischer voor groote geldsommen wegens achterstallige soldij van ’t krijgsvolk. Hij verpandde hem alzoo Friesland voor 300,000 gl. en bevestigde hem in het erfpotestaatschap over dat land, hem door de Schieringers aangeboden. Hij mocht dan zien, hoe hij het vermeesterde. Albrecht slaagde in die taak. Hij stierf in 1500. Spoedig werden de Friezen zijn zonen, Hendrik en George, die elkander in ’t bestuur opvolgden, moede en riepen in 1509 Karel, hertog van Gelderland, in het land. Daarom sloot George in 1515 een overeenkomst met Karel V, van wiens voorzaat zijn vader Friesland in pand had gekregen, waarbij hij hem dit land voor 350,000 gl. overgaf. Zoo stond ook hier Karel V tegenover Karel van Egmond. Groote diensten bewees den hertog van Gelderland de onversaagde Friesche zeeroover Groote Pier, die, sedert de Saksische krijgslieden zijn huis te Kimswerd (ten z. van Harlingen) in de asch hadden gelegd, zonder mededoogen elken buitenlandschen bespringer van zijn land in zee wierp, om „hem de voeten te spoelen.” Eerst in 1524 kon Karel V zich „heer van Friesland” noemen.

Groningen was bestemd om in het lot van Friesland te deelen. Hoe langer hoe minder gold in dit gewest, als ’t verst verwijderd zijnde van zijn zetel, het gezag van den bisschop van Utrecht. Eensdeels door den strijd hierover, anderdeels door dien met de Ommelanden en vermits de verdeeldheden der Schieringers en Vetkoopers ook hier haar werking deden gevoelen, verzwakte Groningens kracht. Dus kon Albrecht van Saksen-Meiszen, in 1499 door Maximiliaan tot heer van dit gewest benoemd, een poging wagen om het te vermeesteren. Doch de heerschappij der Saksen was hier van even korten duur als die van Karel van Egmond, die er eveneens zijn gezag trachtte te vestigen. Eindelijk ziende, dat ook Karel van Egmond hen niet op voldoende wijze tegen Karel V konde beschermen, boden de Groningers dezen vorst in 1536 de opperheerschappij aan. Karel V nam het aanbod aan.

Tusschen de landdagen in Friesland en die van andere gewesten bestond een groot verschil. De landsvergadering van Friesland berustte niet, gelijk elders, op een vertegenwoordiging der standen, maar van landschappen. Zij was samengesteld uit de afgevaardigden van Oostergo, Westergo en Zevenwouden. Deze algemeene landdag besliste over ’s lands hoogste belangen, over vrede en oorlog, enz. Bij zware onlusten echter, hoedanige Friesland zoovele beleefde, verliepen er dikwijls jaren, dat geen algemeene landdag werd gehouden en dat er slechts afzonderlijke vergaderingen bijeenkwamen der vertegenwoordigers van het eene of andere gedeelte van Friesland. Aan het hoofd der gemeenten in Friesland stonden grietmannen, welke naam wordt afgeleid van een oud-Friesch werkwoord, dat „aanklagen, in rechten vervolgen” beteekent.

De Ommelanden van Groningen bestonden uit drie kwartieren, Hunsingo, Fivelingo en het Westerkwartier. Westerwolde (zie boven blz. 13) is tot 1795 een afzonderlijke heerlijkheid geweest. Sedert 1594 merkten de Staten-Generaal zich als leenheeren van Westerwolde aan. De stad Groningen kocht die heerlijkheid in 1619 voor ruim 140,000 gl. en bezat ze als zoodanig tot de omwenteling van 1795. De eigenerfden en andere afgevaardigden uit die drie kwartieren stelden de vergadering der staten samen. Later kwam er de stad bij. De eigenerfden waren diegenen, die, krachtens hun eigendommen, zonder volmacht of verkiezing ten landdage verschenen.

 


§ 10.

De Nederlanden onder het bewind van Karel V.

Zóó waren dan de zeventien onder één heerschappij, die van karel V (1543-1555), vereenigd. Het waren bloeiende staten met een krachtige bevolking. Vischvangst, handel en zeevaart waren de rijke bronnen, die het bestaan der Nederlanders verzekerden, daarbij landbouw en veeteelt. Vooral was de groote visscherij, de haringvangst, vermaard, een ware goudmijn, daar zij aan meer dan 20,000 huisgezinnen het onderhoud verschafte. De haring werd jaarlijks van den 24sten Juni tot den 25sten November op de kusten van Engeland en Schotland gevangen. Er waren jaren, dat er tot 1500 haringbuizen uit de Nederlandsche havens in zee liepen, alleen uit Enkhuizen 140. Geen volk wist den haring zoo goed te bereiden als de Nederlanders, weshalve de Hollandsche haring, als zijnde de beste van smaak en de duurzaamste, op de vreemde markten het meest gewild was. De haring werd (zie blz. 32) òf als pekelharing, òf, gerookt zijnde, als bokking gegeten. Van groot gewicht was mede de walvischvangst, waarmede men in de 17de eeuw een begin maakte en waarvoor de Staten-Generaal in 1614 uitsluitend octrooi of vergunning gaven aan de Noordsche compagnie. Ten behoeve dezer visscherij werden in die eeuw jaarlijks omstreeks 250 schepen uitgerust, die, met het oog op het doel, de koude van Groenland, Spitsbergen, enz. trotseerden.

Vele zijn de oorzaken, die Nederland tot een land van handel en zeevaart bij uitnemendheid hebben gemaakt: de ligging aan de Noordzee; de menigte van bevaarbare rivieren en kanalen; de persoonlijke vrijheid, die, hoe ook beperkt, hier meer dan elders werd geëerbiedigd en velen noopte zich er metterwoon te vestigen. Sedert het einde der 15de eeuw was Antwerpen de hoofdzetel van den handel. Er waren meer dan 1000 vreemde handelshuizen gevestigd. De beurs, elken dag tweemaal gehouden, telde telkens meer dan 5000 bezoekers. Den handel op de Oostzee, in hout en graan, had hoofdzakelijk Amsterdam, toen reeds bij Venetië vergeleken en de korenmarkt van Europa genoemd. Nog is niet gewezen op de vrachtvaart, die zeer aanmerkelijke voordeelen opleverde, en geen gewag gemaakt van de velerlei fabrieken, waarmede de nijvere en dichte bevolking zich bezig hield.

Van wetenschappelijke beschaving kan nog maar weinig sprake zijn. Toch ontbrak het niet aan de beginselen. Reeds had Jakob van Maerlant zijn spiegel Historiael in ’t licht gegeven. Wat de fraaie letteren in engeren zin aangaat, van lieverlede was een Nederlandsche letterkunde ontstaan, waarvan het begin in het laatste vierendeel der 12de en het eerste der 13de eeuw is te zoeken. Vóór dien tijd waren onze voorouders in taal, zeden en gewoonten nog Duitschers. In de 12de eeuw kwam de Nederlandsche taal uit het Nederduitsch voort. Zij heette gedurende de Middeleeuwen het Vlaamsch. Onder de werken, die tezamen uitmaken hetgeen men onze Middeleeuwsche letterkunde noemt, vindt men weinig of geen oorspronkelijke gedichten. Aan Frankrijk ontleend is het vermaarde gedicht Reinaert de vos, dat in zijn Vlaamschen vorm zoozeer de aandacht trok, dat het uit die taal in vele andere werd overgebracht en als voortreffelijker wordt aangemerkt, dan het oorspronkelijke Fransche stuk. Tegen het einde der Middeleeuwen namen, naarmate de opkomst der poorters den invloed der edelen deed afnemen, de tooneeldichten op het gebied der letterkunde de voornaamste plaats in. Het waren de vele Rederijkerskamers, met het Bourgondische huis (zie blz. 30 vlg.) opgekomen, welke aan die gedichten het aanzijn gaven.

Om die bloeiende zeventien landen was nu de band der eenheid geslingerd. Maar het was slechts een persoonlijke band. Ook van Karel V was het het streven, de staatseenheid der zeventien te bevorderen. Te dien einde bedong hij in 1548, bij het verdrag van Augsburg, ten behoeve van het Oostenrijksche huis, dat alle Nederlandsche gewesten geheel onafhankelijk van Duitschland zijn, doch onder de hoede van dit rijk staan zouden, mits zij een zeker aandeel in de rijkslasten droegen. In de wijze, waarop Karel de regeering inrichtte, valt hetzelfde beginsel der eenheid op te merken: één landvoogdes met drie raden, haar toegevoegd. Landvoogdes of gouvernante, zooals men destijds zeide, was sedert 1530 ’s keizers zuster Maria, koningin-weduwe van Hongarije. De drie raden, die hij in 1531 in ’t leven riep, waren de raad van state, de geheime raad en de raad van financiën, van welke de eerste slechts werd geraadpleegd, maar de beide andere uitvoerende macht hadden. Ook stond met Karels hoofdoogmerk in verband het bij herhaling bijeenroepen der Algemeene Staten, dat gedurende zijn regeering meer dan vijftig maal plaats had.

Karel V is een der grootste figuren op het tooneel der wereldgeschiedenis. De kennis van de rol, die hij vervulde, moet dáár worden gezocht. Zijn geschiedenis is, voor een deel, die der Nederlanden gedurende de jaren zijner regeering. Onder de bijzondere gebeurtenissen, alhier in dien tijd voorgevallen, is een der merkwaardigste het dempen van het oproer te Gent, een der machtigste steden van Europa. Karel vorderde van Vlaanderen een bede van 400,000 gl., als derde deel eener som, hem door de Algemeene Staten toegestaan. De overige leden der staten van dit gewest stemden toe; alleen Gent weigerde. Vreeselijk was de wraak, die op het hoofd der Gentenaars neerkwam. Karel trok in 1540 in persoon naar de stad en velde het vonnis.

Doch één grootsche gebeurtenis uit Europa’s geschiedenis is er bovenal, die mede op Nederland in ’t bijzonder betrekking heeft. Toen in Duitschland Luther den stoot aan de hervorming der kerk had gegeven, werd ook in dit land het zaad gestrooid. De kiem kwam op en werd een krachtige boom. De ergernis, die de handel in aflaten alom in Europa verwekte, deelden insgelijks de Nederlanders. Zij waren er niet blind voor, dat het leven, hetwelk de meerderheid der geestelijken leidde, in vele opzichten in lijnrechte tegenspraak was met hun roeping en dat de kennis, welke de meesten hunner van ’t Evangelie hadden, uiterst gering was. Menig Nederlander bevond zich dan ook onder de edele en verlichte mannen, de voorloopers der hervorming, die tegen de heerschende gebreken optraden en ze des te vrijmoediger bestreden, hoe meer hun geest door de op nieuw ontwaakte studie der oudheid aan onderzoek en nadenken was gewoon geworden. Men denke aan Wessel Gansfort, geboren te Groningen; aan Rudolf Agricŏla, aan Gerrit Gerritsz, meer bekend onder den naam Desiderius Erasmus, afkomstig uit Rotterdam, die in 1536 stierf.

Hoe meer de leerstellingen van Luther en van Zwingli in de Nederlanden doordrongen, des te meer aanhangers vonden zij er. Grenzende aan Duitschland, moest Nederland spoedig bekend worden met de nieuwe begrippen, die dáár zoo welig wortel schoten Bovendien bevorderde de handel door de vele vreemdelingen, die hij naar dit land lokte, de kennis van de leer der hervorming. Doch meer dan Luthers of Zwingli’s stelsel verbreidde zich dat van Calvijn over een aanmerkelijk deel van het land. Een groot aantal van de eerste predikers van den hervormden godsdienst, die ons land binnenstroomden, kwam, door de Zuidelijke Nederlanden heen, uit Frankrijk. Het zaad, zoo welig uitgestrooid, viel in een vruchtbaren bodem en schoot wortel.

Bij alle hervormingen treft men veelal een partij aan, die zich aan overdrijving schuldig maakt. Bij de hervorming, die thans plaats greep, waren dit de Wederdoopers. Met die Wederdoopers behooren, gelijk dikwerf is geschied, de Doopsgezinden niet te worden verward. Vaak worden de laatsten ook Mennonieten genoemd, naar Menno Simons, die, tot 1536 Roomsch priester zijnde te Witmaarsum (ten n.w. van Bolsward), een tijdlang een leerling was van een prediker der Wederdoopers in Friesland, Ubbo Philips geheeten. In ’t genoemde jaar ging hij tot een der talrijke en onderlinge zeer uiteenloopende vereenigingen der Doopsgezinden over en verzette zich weldra sterk tegen de buitensporigheden der Wederdoopers.

Maar Karel V is vast besloten, al moet hij in Duitschland veel toegeven en met de omstandigheden te rade gaan, in zijn erflanden ten minste de hervorming uit te roeien. Elf plakkaten vaardigde hij achtereenvolgens tegen haar uit, het eene harder dan het andere. In 1522 werden er inquisiteurs, bij verzachting „geestelijke rechters” geheeten, benoemd. Was de inrichting dier inquisitie, in wreedheid en ergerlijke wijze van rechtspleging, in ’t geheel niet gelijk aan de Spaansche, zij werkte, naar de opvatting der landzaten, veel te krachtig. Dit moet waar zijn, wanneer er—gelijk te boek staat—onder Karels regeering 50,000 menschen om des geloofs wille ter dood zijn gebracht. Intusschen is het zeker, dat, hoevele duizenden het getal offers der onverdraagzaamheid ook moge hebben beloopen, wederom het bloed der martelaars het zaad der kerk werd.

Dit is een schaduwzijde in het anders vrij heldere tafereel van Karels regeering. Het is niet de eenige. Op velerlei wijze werd het handvest „de non evocando” geschonden, doordat men de staten buiten hun gewest riep en, b. v. in gevallen van majesteitsschennis en bij vergrijpen tegen den godsdienst, de beschuldigden voor andere dan voor hun natuurlijke rechters daagde. Verder werden aan vreemdelingen ambten gegeven. Vaak verzetteden zich de staten tegen zulke gewelddadigheden, doch meestal zonder vrucht. Want Karels grondbeginsel was, dat het grootste voorrecht van een volk was, geen voorrechten te bezitten. Ook aan zware beden, die eerder belastingen mochten heeten, ontbrak het niet en, wat het ergste is, bij weigering werd vaak dwang gebezigd. „Hier,” zegt een Venetiaansch gezant, „waren de eigenlijke schatten van den koning van Spanje; hier waren zijn bergwerken, zijn Indië.”

Wil men echter billijk zijn, dan behoort men niet te vergeten, dat de Nederlanden gedurende het bewind van Karel V tot een trap van aanzien stegen, gelijk zij dien nimmer hadden gekend, en dat de vorst den grondslag legde van een geregeld bestuur en van een geordende administratie. Hoe men ook jammerde over het verlies der oude zelfstandigheid, de slotsom was verademing en voorspoed. Daarom, dewijl hij gaarne in het land vertoefde, waar zijn wieg had gestaan, en uit hoofde van zijn minzaamheid was het Nederlandsche volk hem getrouw en aan hem gehecht. Daarom was het leedwezen des volks oprecht gemeend, toen Karel afstand deed van het bewind en het aan zijn zoon Philips opdroeg.

Het voornemen om zijn kronen neer te leggen was sinds lang bij Karel opgekomen. Geheel ontstemd door het mislukken zijner grootsche ontwerpen, teleurgesteld in zijn plannen om in al zijn landen een onbeperkt vorstelijk gezag te vestigen en de eenheid in de Christelijke kerk te herstellen, terneergebogen onder lichamelijke zwakheid en wegens de uitputting zijner schatkist de toekomst met zorg te gemoet ziende, ging hij thans tot de volvoering van het lang gekoesterde voornemen over. De afstand en de overdracht hadden den 25sten October 1555 te Brussel in een luisterrijke vergadering plaats. Ook Maria (zie blz. 45) legde haar waardigheid neder. In ’t volgende jaar ging Karel onder zeil naar Spanje, waar hij in 1558 in het klooster Yuste (in ’t n.o. van Estremadūra) overleed. Karel liet maar één zoon na, Philips II (III in Holland en andere Nederlandsche gewesten), en een paar dochters. Van zijn natuurlijke kinderen zijn één zoon en één dochter zeer vermaard geworden. De dochter was Margareta, de zoon Don Jan van Oostenrijk. Onder de vele edelen zijner hofhouding was er niemand, dien hij meer vertrouwde, dan Willem van Oranje, hoe jong deze prins destijds ook was (zie beneden, blz. 49).

 


§ 11.

De Nederlanden onder Philips II tot de komst van Alva.

Karels opvolger philips II (1555-1581), gelijk hij doorgaans wordt genoemd, was in de Nederlanden geen vreemdeling. Reeds in 1549 had zijn vader hem hierheen ontboden, om hem aan zijn toekomstige onderdanen voor te stellen. Die eerste ontmoeting had bij de Nederlanders geen gunstigen indruk achtergelaten. En de tweede ontmoeting, bij en na Karels plechtigen afstand, bracht hierin geen verandering teweeg. Philips was geheelenal een Spanjaard, koel, afgemeten en trotsch. Hij had een afkeer van het land en van den aard der Nederlanders, en zij van hem, die geen gemeenzaamheid duldde en geen afdalen kende. Hij verstond noch de taal des lands, noch sprak een der talen, waarmede de natie vertrouwd was. Hij achtte de handhaving van den katholieken godsdienst zijn hoofdplicht. Hiervoor had hij alle krachten van lichaam en ziel veil; hieraan was een goed deel zijner verbazende, maar kleingeestige werkzaamheid gewijd. Even onwrikbaar als hij aan de instandhouding van ’t koninklijk gezag de hand hield, bleef hij aan den grondregel van al zijn zeggen en doen getrouw. Die blinde en bijgeloovige gehechtheid aan de kerk herschiep hem in een dwingeland.

Tot 1559 bleef Philips in de Nederlanden. Toen ging hij. Doch aleer hij vertrok, regelde hij het bestuur dezer landen. Margareta van Parma (zie blz. 48) werd landvoogdes. Zij was getrouwd met Octavius Farnese, hertog van Parma, die evenwel in Italië bleef. De drie boven genoemde (zie blz. 45) regeeringslichamen stonden haar ter zijde. President van den raad van financiën, was Karel, baron van Barlaimont (in ’t n. van Frankrijk, nabij Avennes), van den geheimen raad Viglius of Wigele van Aytta van Zuichem (ten z. van Leeuwarden), een Fries van afkomst en een groot rechtsgeleerde, doch die aan groote rechtskennis veel hebzucht paarde. In den raad van state hadden o. a. zitting: Antonius Perenot, bisschop van Atrecht, de prins van Oranje, Lamoraal, graaf van Egmond, later ook de Montmorency, graaf van Hoorne (ten n. van Loon, zie blz. 17). Voor Brabant, waar de landvoogdes haar verblijf hield, werd geen stadhouder benoemd. De stadhouders der overige staten waren o. a.: Willem van Oranje van Holland, Zeeland en Utrecht; de graaf van Egmond van Vlaanderen en Artois; Johan van Ligne, graaf van Aremberg (ten z. van Keulen), van Friesland, Groningen, Drente en Overijsel; de baron van Barlaimont van Namen. Elke stadhouder was tevens bevelhebber der krijgsmacht van zijn gewest.

Een enkel woord over Willem van Oranje, weldra den hoofdpersoon van den tegenstand tegen Philips, en dan over Perenot. In het huis van Nassau onderscheidde men sedert het midden der 13de eeuw twee liniën. De oudste bleef in Duitschland. De jongste is die van Nassau-Dillenburg. Deze tak verwierf al vroeg verscheidene bezittingen in de Nederlanden. Willem, de grondlegger der onafhankelijkheid van Nederland, was een zoon van Willem den rijke, graaf van Nassau-Dillenburg, geboren in 1533. Rijk was zijn vader, althans in kinderen. Hij had vijf zonen: Willem, Jan den oude, Lodewijk, Adolf en Hendrik. Talrijk waren de bezittingen van zijn zoon Willem op Nederlandschen bodem. Bovendien erfde hij van zijn neef Réné het prinsdom Oranje.

Antonius Perenot was een schrander en werkzaam staatsman, die zijn opkomst aan zichzelf had te danken. Hij was in Franche-Comté geboren, dat een deel had uitgemaakt van de erfgoederen van Maria, de dochter van Karel den stoute. Reeds dit nam de edelen tegen hem in, die, trotsch op hun geboorte, op hem, den vreemdeling, neerzagen. Doch voor een vreemdeling kon men hem eigenlijk moeilijk laten doorgaan. Was hij het, dan moest ook Willem als zoodanig worden aangemerkt, en in allen gevalle kon men dit bezwaar niet met recht aanvoeren tegen leden van den raad van state. Weldra verweet men hem met meer grond zijn heerschzucht, alsmede de minachting, die hij jegens zijn medeleden in den raad van state aan den dag legde. Tegen hem wendden zich toen allen, die een afkeer hadden van de regeering in Spaanschen zin, die Philips aan de natie wilde opdringen.

Ternauwernood was Philips in zee gestoken, of de Nederlandsche onderdanen hadden reeds menige grieve tegen hun heer. Zonder op den geest des tijds te letten, schreef hij een gestrenge uitvoering der plakkaten voor. Bij den afkeer, dien de Nederlanders en de Spanjaarden wederkeerig van elkander hadden, was het verlies van den hoogen rang, dien de Nederlandsche adel onder de beide vorige regeeringen had bekleed, dubbel onverdragelijk. Hierbij kwam de verbittering over de voortdurende aanwezigheid van 3 à 4000 man vreemde troepen, die, zooals het heette, ter bescherming van de grenzen moesten strekken. Bovenal vreesde men de verwezenlijking van een van Philips’ geliefkoosde plannen, van dat der bisdommen. Tot dusverre was in Nederland geen aartsbisschoppelijke stoel geweest, doordien het geringe en onregelmatig verdeelde getal bisdommen onder vreemde aartsbisschoppen stond. Het ligt voor de hand, dat hieruit groote ongelegenheden ontstonden. De overwegende reden echter, waarom Philips de zaak der bisdommen wenschte te regelen, was de vermenigvuldiging der ketters. Voortdurend won de afkeer veld van een kerk, die, hoewel zelve geen bloed begeerende, duizenden door den wereldlijken armen liet ombrengen. Wellicht—meende Philips—kon nauw toezicht, leering en vermaning de zielen voor afval van de kerk behoeden of van den afval terugbrengen.

In 1559 vaardigde paus Paulus IV de bul, houdende de bepalingen omtrent de bisdommen, uit. De zaak zelve begon evenwel niet vóór 1561 werkelijkheid te worden, en met sommige zetels duurde het tot 1570, eer zij werden bezet. In ’t geheel werden er 18 bisschopszetels opgericht, n.l. 3 aartsbisdommen (elke aartsbisschop was tevens bisschop van die streek, waarin zijn hoofdkerk lag,) en 15 bisdommen. Perenot of Granvelle, tevens tot kardinaal benoemd, werd aartsbisschop van Mechelen. Onder hen, die zich tegen de nieuwe bisdommen verzetteden, waren ook de prins van Oranje en Egmond, die met vele anderen de dwaling deelden, dat Granvelle een van hen was, die den maatregel bevorderden. Thans weet men zeker, dat deze meening onjuist was. Maar ook andere bezwaren hadden Willem en vele edelen tegen den bisschop. Hij was de ziel van de regeering. Gelijk er veel buiten hen omging, zoo geschiedde er niets zonder hem, en Viglius liet zich geheel door hem leiden. Dit mishaagde hun zoozeer, dat, hoewel de vreemde troepen in 1560 werden verwijderd, er geen betere verstandhouding tusschen Granvelle en de genoemde edelen ontstond. Weldra weigerden Willem, Egmond en Hoorne in den raad van state zitting te nemen, zoolang Granvelle er kwam, die alle belangrijke aangelegenheden aan de kennis van dien raad onttrok. Van jaar tot jaar werd het standpunt van den kardinaal onhoudbaarder. Het regende schotschriften tegen hem, en de edelen vervolgden hem met bitteren spot. Ook Margareta, die ten laatste begon in te zien, hoe weinig gezag zijzelve in vergelijking met hem had, wilde wel van hem worden ontslagen. Zoo kwam in 1564 tot Granvelle een bevel van Philips, om het land te verlaten, waaraan hij onmiddellijk voldeed.

Na Granvelle’s vertrek namen Willem, Egmond en Hoorne weder zitting in den raad van state. Wegens de overige moeielijkheden werd Egmond in 1565 naar Spanje gezonden. Die zending bracht geen verandering of wijziging teweeg. Egmond werd luisterrijk ontvangen; doch Philips’ voorschriften bleven dezelfde. Langzamerhand ging intusschen de geest van tegenstand van de eerste edelen op die van den tweeden rang over, om later door het volk te worden gedeeld. Zoo ontstond in 1565 het compromissum (gemeenschappelijke belofte) of het verbond der edelen, aan ’t hoofd waarvan Lodewijk van Nassau, Willems broeder, stond met Hendrik van Brederode, een onstuimig man, die een woest leven leidde en slechts naar opwellingen, niet naar beginselen handelde. Het doel was, de invoering der inquisitie op elke wijze tegen te gaan. Niet alleen edelen, maar ook burgers teekenden het; niet alleen Lutherschen en Calvinisten, maar ook Roomsch-katholieken traden toe.

Schier de eenige daad van deze eedgenooten was de stap, dien zij den 5den April 1566 te Brussel deden. Toen boden zij in plechtigen optocht, ten getale van drie of vier honderd, de landvoogdes een verzoekschrift aan ter matiging van de plakkaten. Naar alle waarschijnlijkheid deed het woord van Barlaimont (zie blz. 49), toen tot de landvoogdes gericht, hun den naam geuzen (gueux, bedelaars) geven. Niet zonder grond—men kan het niet verbloemen—werd die benaming op vele dier edelen toegepast. De schulden, waaronder zij ten gevolge hunner verkwistende levenswijze en van hun veelvuldige drinkgelagen gebukt gingen, rechtvaardigden ze maar al te zeer. Zelven namen de edelen dien naam volgaarne aan en droegen tevens de zinnebeelden der bedelaars. Margareta antwoordde weldra. Zij beloofde, een gezant naar Spanje te zullen zenden en eenige moderatie of matiging in de uitvoering der plakkaten te zullen brengen, die evenwel zoo weinig in ’t oog viel, dat het volk ze weldra moorderatie noemde. Terwijl Jan van Glimes, markies van Bergen (d. i. Bergen op Zoom), en Hoorne’s broeder, Floris van Montmorency, baron van Montigny, nu als gezanten naar Philips vertrokken, kwam het prediken van ’t Evangelie in ’t open veld, niet meer des nachts, maar bij helder daglicht alom in zwang. Duizenden, op de beloofde matiging vertrouwende of hun overtuiging niet langer willende bedwingen, woonden de predikatiën, hagepreeken genoemd, bij.

Op het houden van openbare godsdienstoefeningen volgde in 1566 de kortstondige razernij, bekend onder den naam van beeldenstorm. Zooals men het veelal heeft opgevat, was hij een uitbarsting van de dweepzucht der hervormden, die niet aan een wèl beraamd plan, doch aan plotseling opkomende hartstochtelijkheid was toe te schrijven. Vele kerken van Antwerpen, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Groningen, enz. werden erdoor verwoest en van al haar schatten beroofd. Philips ontstak, op het hooren der mare, zoozeer in drift, dat hij een duren eed zwoer, het misdrijf niet ongewroken te zullen laten. Het drietal Oranje, Egmond en Hoorne, baatte het niet, gelijk weldra zal blijken, dat zij de landvoogdes in deze moeielijke dagen getrouw ter zijde stonden en hen, die schuldig of medeplichtig waren aan den beeldenstorm, ijverig vervolgden.

Nadat de eerste schrik was geweken, begon Margareta krachtdadig door te tasten. Zij bewerkte, dat het compromissum werd ontbonden, en wierf troepen. Overal moest het prediken der hervormden worden gestaakt. Van dat oogenblik af scheidde Egmond zich van zijn vrienden, den eed van trouw aan den koning opnieuw afleggende, terwijl Hoorne zich tegelijk aan ’s konings dienst en aan de bevordering van Oranje’s plannen onttrok. Van zijn kant nam Willem, inziende dat er vooreerst aan geen verzet viel te denken, in ’t zelfde jaar zijn ontslag als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht en ging naar Duitschland. Hij werd door een overgroot aantal lieden, op meer dan honderd duizend begroot, gevolgd. Onder hen was Willems vertrouwde vriend, de beroemde godgeleerde en staatsman Philips van Marnix, heer van St. Aldegonde (een heerlijkheid in Henegouwen, terwijl een kasteel nabij Middelburg, waar Marnix een tijdlang woonde, naar hem ook wel zoo werd genoemd, doch eigenlijk West-Souburg heette). In Willems plaats werd Maximiliaan Hennin, graaf van Boussu (ten w. van Bergen, in Henegouwen), bij voorraad over Holland als stadhouder aangesteld. Intusschen was Philips tot een vast besluit gekomen. Na lang te hebben voorgegeven, dat hijzelf een reis naar de Nederlanden in den zin had, zond hij in 1567 Alvārez de Tolēdo, hertog van Alva (d. i. Alva de Tormes, in ’t n.w. van Spanje, ten z.o. van Salamanca), als kapitein-generaal aan ’t hoofd van een leger van ongeveer 17,000 man, grootendeels oudgediende en geharde mannen.

 


§ 12.

De Nederlanden onder ’t bestuur van Philips’ landvoogd Alva.

De komst van Alva was Margareta een doorn in ’t oog. Sedert zij bovendien bespeurde, dat hij, behalve de aanstelling tot kapitein-generaal, nog buitengewone volmacht had, drong zij met zooveel nadruk op haar ontslag aan, dat zij het op ’t einde van 1567 verwierf en onverwijld naar Italië vertrok. Terstond werd Alva in haar plaats algemeen landvoogd. Thans namen de wreedheden een aanvang. De raad van beroerte, door het volk weldra met juist inzicht bloedraad geheeten, werd opgericht. Onder de beroemdste offers van dien raad waren Egmond en Hoorne, wien het niet baatte, dat zij ridders van ’t gulden vlies waren (zie blz. 31). De 5de Juni 1568 was de noodlottige dag hunner terechtstelling of liever van den gerechtelijken moord. Hun namen blijven door de standbeelden, in ’t jaar 1864 te Brussel opgericht, in aller herinnering leven.

Hierbij berustte de raad van beroerte niet. De prins van Oranje en andere uitgeweken edelen werden insgelijks, op zware beschuldigingen, voor hem gedaagd. Zij verschenen niet, en met reden. Maar aan offers was geen gebrek, hoewel het niet is bewezen, dat de Spaansche inquisitie in een plechtig geschrift alle Nederlanders, op zeer weinigen na, als ketters, des doods schuldig heeft verklaard. In 1570 werd Montigny, na in Spanje een paar jaren in den kerker te hebben gezucht, insgelijks op een vonnis van den bloedraad, in ’t geheim geworgd, wat hem nog als een weldaad werd toegerekend. Zijn reisgenoot Bergen was reeds in 1567 òf aan een ziekte, òf aan vergif bezweken. Desniettegenstaande werd zijn nagedachtenis met een vonnis bezoedeld, opdat zijn bezittingen den koning niet ontgingen. Ook andere gewelddadigheden beging Alva. Hij liet in 1568, tegen de voorrechten der hoogeschool te Leuven, den oudsten zoon van prins Willem, Philips Willem, graaf van Buren (zie blz. 38), vandaar oplichten en naar Spanje voeren, waar hij, als gijzelaar voor de trouw des vaders, onder nauw toezicht werd opgevoed.

Treurig was, te midden van al die tooneelen van diepen rouw, de toestand van het land. Doch welhaast daagde er bijstand van buiten op. Veelzins getergd, door den roof van zijn zoon en door de verbeurdverklaring van ’t geen hij bezat, greep Willem eindelijk naar de wapens. Een kortstondig geluk begunstigde de kloeke onderneming. Lodewijk van Nassau zegevierde bij Heiligerlee (ten w. van Winschoten). Aremberg sneuvelde er, maar ook Willems broeder Adolf. Doch nog in ’t zelfde jaar, 1568, versloeg Alva zelf Lodewijk bij Jemmingen (Jemgum, nabij Leer in Oost-Friesland). Zoo was de tachtigjarige oorlog begonnen. Door den uitslag van zijn krijgstocht overmoedig geworden, beraamde Alva het plan, de grafelijke bede door vaste, algemeene belastingen te vervangen. Drie belastingen waren het, welke de landvoogd uitschreef: 1) een heffing voor eens van het honderdste der waarde of 1 p.c. van alle roerende en onroerende eigendommen (de honderdste penning), en dan, bij verkoop, 2) een heffing van tien ten honderd van de roerende (de tiende penning), en 3) van vijf ten honderd (de twintigste penning) van de onroerende goederen. Hij begon met de heffing te Brussel, waar zijn eigen tegenwoordigheid, gelijk hij meende, den tegenstand zou breken. De overheid gaf toe; maar de gilden, bovenal de slagers en de brouwers, tartten den toorn van den landvoogd en sloten hun winkels. Juist toen Alva het tot een punt van overweging zou hebben moeten maken, wat hem bij dat algemeen verzet stond te doen, weerklonk de mare van de verrassing van Brielle.

Duurzame gevolgen had de aanslag, op den 1sten April 1572 tegen deze veste ondernomen. Hij was het werk van de Watergeuzen, vrijbuiters, die onder de driekleurige vlag—rood of oranje, wit en blauw—, de vlag van Willem van Oranje, voeren. Tot dusver waren zij op hun tochten vaak de Engelsche havens binnengeloopen, om zich van levensmiddelen te voorzien; doch eensklaps verbood koningin Elizabeth, beducht voor een oorlog met Spanje, haar onderdanen, den Watergeuzen verder te verstrekken, wat zij behoefden. Zoo werd hun vloot, staande onder ’t bevel van Lumey, graaf van der Marck, als admiraal, gedwongen zee te kiezen. Nu besloten zij deze of gene stad van Noord-Holland te vermeesteren. Maar tegenwind belette dit en dreef hen voor den mond van de Maas. Daarom eischten zij Brielle (op Voorne) in naam van den prins op. Eer de regeering een bepaald antwoord had gegeven, veroverden de Watergeuzen de stad zonder moeite. Zij werd voor den prins in bezit gehouden. De inneming of verrassing van Brielle werd de grondslag van de vestiging van de onafhankelijkheid der Vereenigde Nederlanden.

Vruchteloos beproefde Boussu, zelfs nog eer Alva hem het bevel hiertoe kon geven, tegen Brielle opgerukt, de stad te heroveren. Integendeel, de afval plantte zich voort. Vijf dagen na den 1sten April stond Vlissingen uit eigen beweging tegen de Spaansche benden op en sloot de versterking, die Alva in allerijl had afgezonden, buiten haar wallen. Ook Veere werd voor de vrijheid gewonnen. Enkhuizen, Dordrecht en andere steden van Noord- en Zuid-Holland volgden. Hierop namen ook vele steden van Gelderland, Utrecht, Overijsel en Friesland bezettingen van den prins in. In al die steden werd de regeering veranderd en de nieuwe overheid verplicht, trouw te zweren aan den koning van Spanje en aan den prins van Oranje. De strijd toch werd niet gevoerd tegen den koning, maar tegen Alva en de dienaren van Philips. Nog in den zomer van ’t zelfde jaar, den 19den Juli en volgende dagen, hielden een groot aantal leden der staten van Holland een vergadering te Dordrecht, de eerste, die in Holland met terzijdestelling van Alva’s gezag werd gehouden. Hier werd besloten, prins Willem te erkennen als generaal-gouverneur en luitenant des konings, d. i. als plaatsvervanger van Alva, en als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht.

Slechts ten deele gelukte het aan Alva, het Noorden te herwinnen. Zutfen, Naarden en Haarlem, de beide eersten in 1572, Haarlem in 1573, moesten achtereenvolgens haar poorten openen voor de Spanjaarden, door Alva’s zoon Frederik aangevoerd. Vreeselijk werden al die plaatsen geteisterd. Van de steden, te dier tijde door Alva’s zoon aangevallen, hield alleen Alkmaar zich staande. Na Alkmaar was Leiden aan de beurt. Het bevel tot de insluiting dezer stad gaf Alva nog: de uitkomst zag eerst zijn opvolger. Reeds sinds lang had hij bij den koning op zijn ontslag aangedrongen. In ’t laatst van 1573 werd de wensch van den dwingeland voor goed vervuld. Hij ging met schulden overladen en den vloek medenemende van al wat Nederlander was. Bij zijn vertrek moet hij zich hebben beroemd, 18,600 ingezetenen dezer landen door de hand des scherprechters te hebben laten ter dood brengen.