§ 35.
Nederland bij het keizerrijk ingelijfd.—Het herkrijgt zijn onafhankelijkheid.
Het koninkrijk Holland verkreeg de regeering niet, die Lodewijk het had toegedacht. Volgens besluit van den 9den Juli 1810 werd het bij Frankrijk ingelijfd. Charles François Lebrun, hertog van Plaisance (d. i. Piacenza, het oude Placentia, in ’t n. van Italië), kwam als luitenant-generaal of algemeen stedehouder in de Nederlanden. Amsterdam werd, na Parijs en Rome, verklaard de derde stad van het keizerrijk te zijn. Het code Napoleon, d. i. wetboek Napoleon, werd ingevoerd. Een der artikels van ’t besluit stelde een staatsbankroet vast. De renten der publieke schuld zouden niet verder onder de lasten worden gebracht, dan voor een derde; zij werden getierceerd. De vroegere departementen werden nu Fransche departementen met prefecten tot bestuurders. Hunne namen waren b. v.: Zuiderzee (d. i. ongeveer het voormalige Noorderkwartier van Holland en Utrecht), Bouches de l’ Escaut, d. i. Monden van de Schelde (Zeeland), Ems-Occidental, d. i. Wester-Eems (Groningen en Drente). De burgemeesters werden van nu aan maires.
In 1811 werd de conscriptie of gedwongen krijgsdienst ingevoerd. Elk jongeling, den ouderdom van twintig jaren hebbende bereikt, moest zich laten inschrijven. De regeering stelde het aantal vast, hetwelk telkens werd vereischt, en hierop gingen de ingeschrevenen tot de loting over. Ontslagen werd geen soldaat, tenzij ongeschikt voor den dienst. Al dadelijk werd de conscriptie hierdoor verzwaard, dat, bij wijze van terugwerking, het besluit ook werd uitgestrekt tot de laatste drie jaren, en zij, die reeds drie-en-twintig jaren telden, eveneens werden opgeroepen. Op de harde besluiten nopens de conscriptie volgde een harde uitvoering. Vooral maakte zich de prefect van het departement der Zuiderzee, de Celles, door dergelijke handelwijze berucht. Tegen het misbruik der drukpers meende het Fransche bewind met een bijzonderen ijver te moeten waken. De censuur, die nauwlettend toezag, verbande alle vrijheid van schrijven. Het spreekt vanzelf, dat ten aanzien van het continentaal-stelsel alle oogluiking nu ophield. Te Rotterdam, te Groningen en elders zag men, gelijk te Venetië en te Leipzig, dat plechtig en in ’t openbaar verbranden van al wat Engelsch fabriekgoed was, somtijds voor een waarde van een half millioen gl. Geen Oost-Indiëvaarders vielen onze havens meer binnen. Ongehoord werd de prijs der koloniale voortbrengselen. Rijtuigen en dienstboden werden bijna alom afgeschaft, buitengoederen voor spotprijzen verkocht. De bevolking van Amsterdam nam bij duizenden af.
Er is meer. De belastingen drukten den landzaat, die geenszins, gelijk tevoren, in ruime verdiensten de middelen vond om ze te betalen. De handel in tabak werd een alleenhandel of monopolie van den staat. Een argwanende en strenge politie beperkte zeer de vrijheid van spreken, want ook in besloten kringen was het zaak, nauwkeurig rond te zien, of zij er ook haar verspieders had. Het openbare onderwijs werd naar dat der Franschen verwrongen. Predikanten en onderwijzers ontvingen een tijdlang geen bezoldiging. Taal en letterkunde dreigde een volkomen verval. Ook de hoogescholen moesten het ontgelden. Slechts Leiden en Groningen bleven in wezen; de overige, zoo zij niet werden opgeheven, werden hoogescholen van den tweeden rang en geraakten aan ’t kwijnen. Bij dit alles kwam eindelijk het geheele verlies der koloniën. Nog in 1811 veroverden de Engelschen Java en de overige volkplantingen. Alleen op Desima (zie blz. 99) bleef de Nederlandsche vlag waaien. Zóó was ’s lands toestand in de jaren der Fransche overheersching. Na den rampspoedigen overtocht over de Berezīna (Overzicht, negende druk, blz. 184) kwam er bij de vele plagen nog een nieuwe. Napoleon stelde de garde d’honneur of eerewacht te paard in. Zij moest strekken, om, bij verzet of opstand, den keizer een genoegzaam aantal gijzelaars in handen te stellen. Het werd als een gunst voorgesteld, in deze lijfwacht te worden opgenomen. Daar ieder de kosten zijner eigen uitrusting moest dragen, trof de maatregel de aanzienlijkste ingezetenen het meest.
Het kwade, dat de inlijving in Frankrijk aan Nederland heeft gebracht, is vaak opgeteekend. Naar evenredigheid is niet zoozeer gewezen op de, hoewel minder in ’t oog vallende, lichtzijde dier inlijving, die echter niet geheel ontbreekt. De inlijving leverde dit groote voordeel op, dat zij Nederland op eens een stelsel van algemeene wetgeving deed deelachtig worden, hetwelk het uit zichzelf niet zoo spoedig, wellicht nimmer, had verkregen. De staatkundige en rechts-organisatie, toen ons land geschonken, oefende een beslissenden en duurzamen invloed op den later herboren staat.
Intusschen deed de tocht naar Rusland eenige uitstekende Nederlanders denken, dat het niet meer tot het gebied der onmogelijkheden behoefde te behooren, het vaderland eens van de overheersching der Franschen te bevrijden. Zóó dachten Johan Melchior Kemper, hoogleeraar in de rechten te Leiden, en Anton Reinhard Falck. Zij kwamen met elkander overeen, naar vermogen partij te trekken van de veranderde tijdsomstandigheden ter herstelling van de nationale onafhankelijkheid. Terzelfdertijd begonnen Gijsbert Karel van Hogendorp, een kleinzoon van O. Z. van Haren (zie blz. 167), van der Duyn van Maasdam, de graaf van Limburg-Stirum en drie andere mannen te ’s Gravenhage veelvuldige geheime bijeenkomsten te houden. De staatkundige beginselen, die èn de eerstgenoemden èn de laatsten zich voornamen als richtsnoer te volgen en bij anderen zooveel mogelijk aan te kweeken, waren: een getemperde oppermacht van het huis van Oranje-Nassau en vernietiging der oude partijschappen. Hoewel in geen onmiddellijke betrekking tot het Haagsche zestal staande, waren Kemper en Falck toch niet onbekend met hetgeen dat zestal wilde.
Middelerwijl schreed Napoleon op zijn loopbaan voort. Op de rampen van den tocht naar Rusland volgde de slag bij Leipzig. Nu meenden de Haagsche bondgenooten een stap verder te kunnen gaan en zich van de medewerking van een aantal lieden uit de gezeten standen der maatschappij te moeten verzekeren. Tot dergelijke voorbereidende maatregelen beperkte men zich vooreerst: het uur om te handelen scheen nog niet aangebroken. Anders dacht er het volk te Amsterdam over. Op de nadering der Pruisen en der Russen verlieten de Fransche ambtenaren inderhaast de steden, in ’t n.o. van ons land gelegen. Den 14den November 1813 ontruimden de Fransche troepen Amsterdam, om weldra door den gouverneur-generaal te worden gevolgd, en begaven zich naar Utrecht. Op den avond van den 15den geraakte de bevolking van Amsterdam op de been en stak de wachthuizen der Fransche tolbeambten in brand. De rust werd eerst hersteld, toen, op verzoek van de officieren der schutterij, een zeker aantal der aanzienlijkste ingezetenen het bestuur der stad voorloopig op zich nam. De ziel van alles, wat hier gebeurde, was A. R. Falck.
Nu begrepen de Haagsche heeren, om te voorkomen, dat wellicht het volk ook tot oproer en geweld mocht overslaan, te moeten optreden. Op den morgen van den 17den November vertoonden zich de graaf van Stirum en de zonen van van Hogendorp in ’t openbaar met de oranjekokarde op den hoed. Het voorbeeld vond weldra bij ieder navolging. Op denzelfden dag aanvaardde de graaf van Stirum, in naam van den prins van Oranje, de betrekking van gouverneur van den Haag. Den 21sten November aanvaardden van Hogendorp en van der Duyn van Maasdam het hoog bewind of Algemeen Bestuur tot de komst van den prins van Oranje. Men kan niet zeggen, dat zij, die thans als voorgangers bij den opstand optraden, in ’t begin veel medewerking bij het Nederlandsche volk vonden. Amsterdam, van de eene zijde uit Utrecht, van de andere uit Naarden bedreigd, bleef bij de onzijdige houding volharden, die het van den beginne af had aangenomen en die hierop neerkwam, dat men zich noch voor den prins, noch tegen den keizer verklaarde. Den 24sten November kwam hierin een verandering en werd ook hier de leus „Nederland en Oranj” gehuldigd. Na langer of korter aarzeling traden Rotterdam en andere steden van Holland toe. Terzelfdertijd werd Woerden door een deel van het Fransche krijgsvolk, dat te Utrecht in bezetting lag, overvallen en strekte gedurende eenige uren ter prooi aan een roof- en moordzucht, die velen aan de tooneelen van het jaar 1672 (zie blz. 130) herinnerde.
Den 30sten November landde de prins van Oranje, de oudste zoon van Willem V (zie blz. 172), die toen in Engeland vertoefde, hiertoe uitgenoodigd, op den vaderlandschen bodem, te Scheveningen. Den 2den December nam hij, te Amsterdam gekomen, de souvereiniteit over deze landen, hem aangeboden, aan, onder voorbehoud eener grondwet, zoodra mogelijk uit te vaardigen. Middelerwijl volgden de andere gewesten, naarmate de Franschen ze ontruimden, het sein, door Holland gegeven. Voorzoover Zeeland zichzelf niet had bevrijd, deden de Engelschen het in 1814. In Gelderland, Overijsel, Groningen en Friesland deden het Bülow (Overzicht, negende druk, blz. 185) en de kozakken vóór of na dit tijdstip. Maanden duurde het intusschen, eer het geheele land door de Franschen werd ontruimd. In ’t begin van 1814 waren nog een aantal sterke punten in handen van den vijand. In Mei werd de kroon op het werk der bevrijding gezet. Den 4den dier maand had de ontruiming van het sterke den Helder plaats. Verhuell (zie blz. 176), onverzettelijk vasthoudende aan den eed, eenmaal aan Napoleon gezworen, weigerde standvastig het over te geven en week eerst op een bevel van Lodewijk XVIII (Overzicht, negende druk, blz. 186). Het laatste punt, dat de Nederlanders herwonnen, was Delfzijl. Toen het den 23sten Mei in naam van den souvereinen vorst in bezit werd genomen, was de gansche bodem van Nederland aan de Franschen ontrukt.
Aleer die gelukkige uitkomst was verkregen, had de prins het bewind, hem door de natie opgedragen, aanvaard met het nemen dier maatregelen, welke de tijdsomstandigheden in de eerste plaats vorderden. Zij betroffen de krijgsmacht en de financiëele aangelegenheden, want er was noch geld, noch leger. Hierop maakte de vorst een begin met het vervullen der voorwaarde, waaronder hij de oppermacht had aanvaard. Den 21sten December benoemde hij een commissie ter samenstelling eener grondwet. Haar werd aanbevolen, de schets, door van Hogendorp in de dagen der verdrukking, nog vóór den tocht naar Rusland, opgesteld, tot leiddraad harer beraadslagingen te nemen. De commissie achtte dit geraden en verkoos van Hogendorp tot voorzitter. Het hoofddoel dezer schets was, zonder onnoodige veranderingen de gebreken van den voormaligen toestand der Republiek te verbeteren. Door sommige zijner medeleden in de commissie werd van Hogendorp evenwel genoopt, ook met veel, dat geheel nieuw was, in te stemmen. Den 2den Maart 1814 was het ontwerp der grondwet gereed. Nu moest het aan het oordeel van het Nederlandsche volk worden onderworpen. Te dien einde werd een lijst van 600 notabelen opgemaakt, d. i. van mannen, zich onderscheidende door deugd, bekwaamheden, geboorte, vermogen of ambtsbetrekkingen. Van de 600 verschenen den 29sten Maart 474 in de Nieuwe kerk te Amsterdam. Een overgroote meerderheid verklaarde zich ten gunste van de grondwet, zoodat zij binnen het tijdbestek van eenige uren verbindende kracht verkreeg. Den 30sten Maart was dezelfde Nieuwe kerk getuige van ’s vorsten inhuldiging.
De nieuwe grondwet,—een naam, die den vroegeren van „staatsregelin” of „constituti” verving, de vijfde regeling na 1795, erkende, als hoofdbeginselen, vrijheid van godsdienst, aller gelijkheid voor de wet en de onafhankelijkheid der rechterlijke macht. De verdere inhoud komt hoofdzakelijk hierop neer. Er zijn negen provinciën: Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijsel, Drente, Groningen, Friesland en Brabant. Tot Holland behooren de eilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Wieringen, Urk en Marken; tot Overijsel Schokland; tot Friesland Ameland en Schiermonnikoog; tot Groningen Rottum. Er is één kamer van volksvertegenwoordigers, bestaande uit 55 leden, door de staten der provinciën te benoemen en drie jaren zitting hebbende. De leden der Staten-Generaal stemmen zonder last van de provinciale staten, die hen kiezen, en zonder eenige ruggespraak met hen. De provinciale staten zullen worden samengesteld uit leden der ridderschap en van de stedelijke raden. Deze leden worden gekozen door kiezers, te nemen uit hen, die de hoogste belastingen betalen. De provinciale staten hebben geen deel aan de oppermacht en beheeren de aangelegenheden van hun gewest. Voorzitters dier staten zijn, als ’s vorsten commissarissen, de gouverneurs in de verschillende gewesten. Aan alle godsdiensten wordt gelijke bescherming toegezegd. Die van den vorst is de hervormde. In elke provincie is een gerechtshof, en bovendien, is er één hooge raad voor ’t geheele rijk.
In Augustus 1814 herkreeg Nederland bij een verdrag, met Engeland gesloten, de volkplantingen, welke het op den 1sten Januari 1803 had bezeten, met uitzondering van de Kaap de goede hoop, Demerary, Essequībo en Berbice. Terwijl intusschen het congres van Weenen (Overzicht, negende druk, blz. 186) zoo over andere punten, als over de vereeniging van Nederland met België beraadslaagde, landde Napoleon den 1sten Maart 1815 bij Cannes, en het tijdperk van de regeering der honderd dagen nam een aanvang. Den 16den Maart maakte de souvereine vorst aan de Staten-Generaal en aan het gansche volk bekend, dat hij de koninklijke waardigheid over Noord- en Zuid-Nederland, alsmede over Luik aanvaardde. Willems verklaring werd weldra door het congres bekrachtigd. Vier van de hoofdmogendheden van dit congres, Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen, sloten met den koning verdragen, waarbij het nieuwe koninkrijk der Nederlanden werd opgericht. Omtrent Luxemburg stelden deze verdragen vast, dat het, als groothertogdom, aan Willem werd afgestaan, die van zijn kant afstand deed van de Nassausche vorstendommen (zie blz. 49 en 147), alsmede van hetgeen men in 1803 aan zijn huis had toegekend (zie blz. 172). Luxemburg bleef tevens een der staten van den Duitschen bond uitmaken.
Intusschen waren de Zuidelijke Nederlanden bestemd om het tooneel te zijn, waar Napoleons lot en dat van Europa zouden worden beslist. Ongeveer 160,000 man had de keizer onder de wapens. Tegenover hem stonden twee hoofdlegers der bondgenooten: het eene uit Engelschen en Nederlanders bestaande, onder den hertog van Wellington, en het Pruisische, door den grijzen Blücher aangevoerd, tesamen groot nagenoeg 230,000 man. Op denzelfden 16den Juni, waarop Blücher den slag van Ligny verloor, had de ontmoeting bij Quatre-Bras (een klein gehucht bij een kruisweg) plaats, waar de prins van Oranje den maarschalk Ney zegevierend terugdrong. Eindelijk werd den 18den Juni de groote veldslag bij Waterloo, een tweede Cannae, geleverd, waarin de plotselinge verschijning eerst van het korps van Bülow en later van de overige afdeelingen van ’t leger der Pruisen onder Blücher de zege aan de bondgenooten verzekerde. Hier bekwam de erfprins een wonde, waarvan hij evenwel spoedig genas. Reeds vier dagen daarna was de overwonnene geen keizer meer en sedert den 16den October een bewoner van St. Helĕna, wat hij tot zijn dood bleef.
Te midden van de voorbereidselen, allerwege voor den oorlog gemaakt, benoemde koning willem I (1815-1840, overl. 1843) een commissie, om de grondwet van 1814 te wijzigen. Terzelfdertijd verleende hij aan zijn oudsten zoon, den kroonprins, den titel „prins van Oranj”, gelijk hij zooeven is genoemd, hetgeen weldra de grondwet van 1815 bekrachtigde. Het gekletter der wapenen belette de commissie niet, in Juli 1815 met haar werk gereed zijn. Nu moest dit ontwerp aan de beide afdeelingen van ’t koninkrijk ter goed- of afkeuring worden onderworpen. Voor het Noorden was de weg hiertoe gewezen door de grondwet van 1814. Het moest gebeuren door de Staten-Generaal, in dubbelen getale te ’s Hage beschreven. De 110 leden namen het ontwerp in Augustus bij eenparigheid aan. In het Zuiden werd het aan een getal van 1603 notabelen ter stemming voorgelegd. Eer deze stemming plaats had, verklaarde zich reeds de invloedrijke Belgische geestelijkheid openlijk en sterk tegen het ontwerp. Zij beweerde, vooral bij monde van Maurice Jean Magdeleine de Broglio, bisschop van Gent, dat geen waar katholiek een grondwet kon bezweren, waarin het beginsel van gelijkstelling van godsdienst was opgenomen. ’t Gevolg was, dat de meerderheid van hen, die opkwamen, het ontwerp verwierp. In weerwil van die afkeurende meerderheid in België verklaarde de koning, welke dien uitslag had voorzien, op verschillende gronden, dat de natie de grondwet had aangenomen.
De wijzigingen, bij deze nieuwe grondwet, de zesde, in die van 1814 gemaakt, kwamen hoofdzakelijk op de volgende punten neer: op de opheffing van ’t artikel, waarin was bepaald, dat de koning den hervormden godsdienst moest belijden; op de instelling eener Eerste kamer van 40 tot 60 leden, door den koning voor hun leven te benoemen; op de bepaling, dat de Tweede kamer uit 110 leden zou bestaan en in ’t openbaar beraadslagen; op de bepaling, dat de landelijke stand van nu aan werd vertegenwoordigd in de staten, der provinciën; op de toezegging van vrijheid van drukpers; op de bepaling, dat het koninkrijk der Nederlanden uit zeventien gewesten zou bestaan; op het artikel, houdende dat deze grondwet ook op Luxemburg zou toepasselijk zijn, behoudens zijn betrekking tot den bond, weshalve Luxemburg insgelijks zijn vertegenwoordigers zond naar de Staten-Generaal. De zeventien gewesten waren Zuid-Brabant, Limburg, Luik, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Henegouwen, Namen, Antwerpen, gevoegd bij de boven (zie blz. 182) opgetelde negen. Het dáár genoemde Brabant werd thans Noord-Brabant.
§ 36.
Het koninkrijk der Nederlanden tot den opstand van België.
Tot de vereeniging van Nederland met België had men besloten in ’t belang van ’t evenwicht van Europa. Verschillende omstandigheden, bovenal de vrees voor Frankrijk, deden, toen men dit besluit nam, over alle bedenkingen heenstappen. Anders zou men waarschijnlijk de tegenwerping van het ongelijksoortige der bevolkingen, die men aan elkander hechtte, zwaarder hebben doen wegen. Twee natiën toch werden bijeengevoegd, van elkander verschillende in karakter, zeden en neigingen, in godsdienst en lotgevallen, ten deele ook in taal en belangen. Hoe uiteenloopend evenwel de beide bestanddeelen van ’t koninkrijk der Nederlanden in menig opzicht mochten zijn, dit uiteenloopen schijnt de bewering niet te wettigen, dat de stichting van dit koninkrijk een ondoordacht werk was. Het was niet voor de eerste maal dat de beide volkeren onder één bewind werden vereenigd. Tegen de bijeenvoeging van Nederland en België valt niet meer in te brengen, dan tegen de samenstelling van alle of van de meeste van Europa’s staten.
Dat onder de deugden van Willem I werkzaamheid een eerste plaats bekleedde, toonde deze vorst in de vele jaren zijner regeering over het koninkrijk der Nederlanden. Een der eerste wetsontwerpen, door de Staten-Generaal aangenomen, was dat van den 29sten September 1815, waarbij de ridderorde van den Nederlandschen Leeuw werd ingesteld. Reeds vroeger, in April van ’t zelfde jaar, had de Militaire Willemsorde het aanzijn gekregen. In 1816 trad de prins van Oranje in het huwelijk met Anna Paulowna, de jongste zuster van Alexander, keizer van Rusland. Uit dit huwelijk sproten o. a.: Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk, geboren in 1817; Willem Frederik Hendrik, doorgaans prins Hendrik der Nederlanden geheeten, geboren in 1820, tijdens zijn leven luitenant-admiraal van de vloot en ’s konings stedehouder in Luxemburg; Wilhelmina Maria Sophia Louise of prinses Sophia, geboren in 1824, in 1842 getrouwd met Karel Alexander Augustus Jan, sinds 1853 groothertog van Saksen-Weimar-Eisenach. Eenige jaren na zijn broeder, 1825, trouwde ’s konings tweede zoon (zie blz. 163), prins Frederik der Nederlanden, met Louise Augusta Wilhelmina Amalia, een dochter van Frederik Willem III, koning van Pruisen.
Intusschen kon de herboren staat, ook na den val van Napoleon, de wapens nog niet geheel laten rusten. De dey van Algiers had zijn zeerooverijen, waardoor de handel in de vorige eeuw reeds zooveel had geleden, hervat. Daarom bombardeerden de Engelsche admiraal, lord Exmouth, en de Nederlandsche vice-admiraal, Theodoor Frederik baron van der Capellen, in Augustus 1816 de stad Algiers. De uitkomst beantwoordde aan het doel. Toen Algiers voor de helft in puin lag en de vloot van den dey was verbrand, ging hij op den dag na het bombardement een verdrag aan, hetwelk de veiligheid der Middellandsche Zee herstelde en waaraan meer dan 1000 Christenslaven hun vrijheid hadden te danken. Terzelfdertijd geraakte het nieuwe koninkrijk in ’t bezit zijner Oost- en West-Indische koloniën, die het tot dusverre, door den oorlog op het vasteland verhinderd, niet had kunnen overnemen.
Er verliepen, sedert 1815, weinige jaren, of de onderdanen van Willem I hadden redenen om met hun toestand tevreden te zijn. De akkerbouw geraakte weldra tot aanmerkelijken bloei. Vele handen bleven voor dezen tak van bestaan beschikbaar door de bepalingen der grondwet, die onderscheid maakten tusschen het staande leger en de nationale militie. Het eerste bestond slechts uit vrijwilligers, de laatste deels uit vrijwilligers, deels uit hen, welke de loting hiertoe verplichtte. De militie evenwel kwam maar één maand in ’t jaar onder de wapens. Evenals de landbouw, deed de bergbouw belangrijke schreden voorwaarts. Niet zoo gunstig stond het met de fabrieken en manufacturen. Hoe nadeelig de invloed van het continentaal-stelsel in ’t algemeen ook was geweest, op ’t vasteland had menige fabriek er haar opkomst of meer vertier harer voortbrengselen aan te danken gehad. Deze betrekkelijke voorspoed verdween thans weder met de oorzaak, die hem had doen geboren worden. Intusschen was die tijd van overgang kort. De koophandel en de zeevaart van het koninkrijk der Nederlanden verschaften mettertijd aan de voortbrengselen der fabrieken, welke den kwaden dag verduurden, in een deel van Europa, en bovenal in ’s lands koloniën een marktplaats. Behalve de genoemde bedrijven, herleefden die, welke van ouds de bronnen van Nederlands welvaart waren geweest, de handel en de zeevaart. Naast het rijke Amsterdam en zijn mededinger Rotterdam begon Antwerpen, niet langer door sluiting der Schelde of oorlog met Engeland belemmerd, allengs op te komen.
Was dit alles het werk der regeering? Geenszins. Doch deze verdienste had de regeering, dat zij de pogingen der natie in de hand zocht te werken en zich inmiddels zelve van de plichten poogde te kwijten, welke hare roeping haar oplegde. Aan Utrecht schonk zij een veeartsenijschool, aan Seraing (nabij Luik, aan de Maas) een zeer groote fabriek voor machines, die met de beste van dien aard kon wedijveren, welke Engeland bezat. Van haar menschlievendheid gaf de regeering een in ’t oog vallend blijk door in 1818, op ’t voorbeeld van Engeland, den slavenhandel af te schaffen. Ter bevordering van de gemeenschap, die het vervoer van de voortbrengselen der nijverheid zoozeer vereenvoudigt, liet koning Willem I zich inzonderheid veel gelegen liggen aan de verbetering der groote wegen. Het waren meestal straatwegen, die door zijn toedoen werden aangelegd; maar onder zijn bewind werd ook de eerste spoorweg in Nederland, die van Haarlem naar Amsterdam, den 24sten September 1839 voor het publiek geopend.
Vooral hield Willem zich ijverig bezig met het scheppen of bevorderen van binnenlandsche waterwegen. In dergelijke ondernemingen stelde hij zooveel belang, dat hij er persoonlijk uit eigen middelen deel aan nam. Kort na zijn komst in het vaderland liet hij de haven „het Nieuwe Die” (ten o. van den Helder) aanleggen. Met die haven stond in verband het groote Noord-Hollandsche Kanaal, hetwelk van het Nieuwe Diep tot Amsterdam loopt en voor groote zeeschepen bevaarbaar is. Dit reusachtige werk werd in 1825 voltooid. In 1830 kwam het Apeldoornsche Kanaal, van Apeldoorn naar Hattem in den Ysel loopende, tot stand. Reeds vroeger, in 1822, had men een begin gemaakt met het graven van de Zuid-Willemsvaart tusschen ’s Hertogenbosch en Maastricht, een even grootsch gewrocht, als het Noord-Hollandsche kanaal, hetwelk mede binnen eenige jaren voor de vaart werd opengesteld. Hierdoor bekwam men een waterweg van Maastricht tot den Helder. Onder de bijzondere personen, die met Willem het aanleggen van kanalen als een hoofdtaak van hun leven beschouwden, moet in de eerste plaats baron van Dedem worden genoemd (overleden in 1851), de schepper van de Dedemsvaart, welke, van Hasselt uit, het geheele Noorden van Overijsel, van ’t W. naar ’t O., doorsnijdt en met een tak in de Nieuwe Vecht loopt. Naast de vaarten en kanalen waren de indijkingen en inpolderingen een der onderwerpen, waarbij Willem gaarne zijn aandacht bepaalde en welke hij zeer bevorderde. Vooral was het droogmaken van ’t Haarlemmermeer een zijner lievelingsplannen. De zaak, reeds zeer vaak (zie b. v. blz. 97) overwogen, kwam in 1838 zoo ver, dat de koning een ontwerp van wet tot droogmaking van dat meer bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal liet indienen; maar het werd met een groote meerderheid van stemmen verworpen.
Het waren evenwel niet alleen de dingen van stoffelijken aard, waarin de koning belang stelde. Terecht begreep hij, dat de natie hoogere belangen had, waarvoor hij in de eerste plaats had te waken. Van die belangen achtte hij het onderwijs het gewichtigste. Veel heeft hij voor deze maatschappelijke instelling gedaan. Men overdrijft niet, wanneer men beweert, dat in België, ten tijde der samenvoeging, het lager onderwijs zoo goed als niet bestond. Volvaardig nam Willem de taak op zich, in dit gemis te voorzien. Hij richtte een paar normaalscholen ter opleiding van onderwijzers en een groot aantal modelscholen op, alles ten koste van de staatskas. Wat de koning voor het hooger-onderwijs deed, toont alleen de vermelding, dat hij het voor het Noorden regelde bij een besluit van den 2den Augustus 1815 en voor het Zuiden bij een besluit van den 25sten September 1816. Nu werden de Hoogescholen van Leiden, Utrecht, Groningen en Leuven tot een nieuw leven geroepen. Te Gent en te Luik verrezen thans voor ’t eerst academiën. De hoogescholen van Harderwijk en Franeker, thans rijks-athenaeën geworden, bleven in stand, om later, in 1817 en in 1843, te worden opgeheven. Ten behoeve van het leger en de zeemacht schiep de koning de militaire academie te Breda en het instituut voor de marine te Medemblik (thans te Nieuwe Diep). Een andere van ’s konings daden is de regeling der protestantsche kerkgenootschappen sedert in 1816. Meer moeite dan met deze regeling had de regeering van Willem I met de wetgeving. Het duurde tot den 1sten October 1838, eer de Fransche wetten verdrongen en de nieuwe Nederlandsche wetgeving werd ingevoerd.
Nog is niet alles aangeroerd. Willem, die steeds van oordeel was, dat, zoolang er nog iets overbleef te verrichten, niets was verricht, was steeds ijverig in de weer, om armoede te weren en tot werkzaamheid op te wekken. Te dien einde riep hij in 1821 de Maatschappij van weldadigheid in ’t leven, die de landbouwende koloniën Frederiksoord en Willemsoord (in ’t z.w. van Drente, ten z.w. van Vledder), benevens de bedelaarsgestichten Veenhuizen (in ’t n.w. van Drente, ten z.w. van Norg) en Ommerschans (in ’t n. van Overijsel, ten n.o. van Zwol) stichtte. De oprichting der eerste was meer in ’t bijzonder het werk van den luitenant-generaal Johannes van den Bosch, die zich vele jaren aan de leiding dezer kolonie geheel toewijdde. Den naam „Frederiksoor” draagt zij naar prins Frederik, ’s konings tweeden zoon (zie blz. 186), aan wiens krachtige bescherming zij haar opkomst mede had te danken. Om den handel en die vaart op ’s lands buitenlandsche bezittingen aan te moedigen werd in 1824 de Nederlandsche Handelsmaatschappij opgericht. Zoozeer kwijnden toen de handel, de fabrieken, de reederijen en de scheepsbouw, dat de regeering meende te moeten voorgaan, ten einde bij bijzondere personen den uitgedoofden zin door groote ondernemingen te wekken. Nog steeds verkeert deze maatschappij in een zeer bloeienden toestand.
Zooals boven (zie blz. 187) terloops is opgemerkt, duurde het tot 1816, eer de Oost-Indische bezittingen metterdaad uit de handen van Engeland in die van Nederland overgingen. Zij bestonden toen, behalve uit de factorij op Desima, uit Java, de kleine Soenda-eilanden, Sumātra ten deele, Bornēo ten deele, Celēbes, de Molukken, het tinrijke Banka (ten o. van Sumātra) en de Riouwsche eilanden (tusschen Malakka en Banka gelegen). Ook behoorde destijds nog tot het gebied van Nederland Malakka (zie blz. 99), hetwelk echter in 1824 bij verdrag aan Engeland kwam tegen den afstand van al hetgeen dit rijk op Sumātra bezat, alsmede van Billiton, dat, evenals Banka, veel tin voortbrengt en in de nabijheid van dit eiland ligt. Terwijl Daendels (zie blz. 177) werd afgezonden, om als gouverneur-generaal het bewind over de kust van Guinēa op zich te nemen, waar hij weldra stierf, benoemde de koning tot eersten gouverneur-generaal der Oost-Indische bezittingen van het koninkrijk Godard Alexander Gerard Philips baron van der Capellen. Vele waren de moeielijkheden, waarmede hij had te worstelen. Bovenal gevaarlijk voor het Nederlandsche gezag was de opstand van Diepo Negoro, voogd van den minderjarigen sultan van Djokjokarta (zie blz. 143), in 1826, wien het Nederlands krijgsmacht eerst in 1830 gelukte machtig te worden en alzoo den oorlog te eindigen.
In 1830 werd, na een kort tusschenbestuur, Johannes van den Bosch de opvolger van van der Capellen, die reeds eenigen tijd tevoren was teruggeroepen. Het was van der Capellen niet gelukt, aan het moederland rijke baten uit Oost-Indië te verschaffen, en toch behoefden ’s lands financiën dringend een dusdanigen steun. Naar de meening van den nieuwen gouverneur-generaal moesten deze bezittingen veel meer opbrengen. Daarom voerde hij, aanvankelijk alleen op Java, een nieuw cultuurstelsel in, hetwelk de regeering in staat stelde, spoedig en vele Indische voortbrengselen te ontvangen en te gelde te maken. Het mocht van den Bosch gebeuren te ervaren, dat het cultuurstelsel voldeed aan de verwachting, die hij ervan had gekoesterd. Tot 1833 bleef hij aan ’t hoofd van ’t bestuur in Oost-Indië. Toen keerde hij naar het vaderland terug en stierf er later, door den koning tot den gravenstand verheven, als graaf van den Bosch in 1844. Zijn opvolgers hielden wel de hand aan het cultuurstelsel, maar wijzigden het in menig opzicht.
Groot waren de moeilijkheden, waarmede Willem I uit den aard der zaak had te worstelen, als vorst van een rijk, waarin alle takken van bestuur geheel moesten worden geregeld. Doch de grootste zwarigheden berokkende den koning, van het begin af, de samenvoeging der beide, in ’t oog der Belgische geestelijkheid onvereenigbare bestanddeelen des rijks. Deze geestelijkheid, oordeelende, dat de Roomsch katholieke kerk slechts gedoogd, in plaats van, zooals het behoorde, heerschende kerk werd, poogde eerst de grondwet te doen verwerpen en, toen dit haar invoering niet belette, den eed op die grondwet te verbieden. Hierin slaagde zij, zoo niet geheel, althans inzoover, dat de koning er wellicht door werd genoopt, aan de leden der Staten-Generaal te veroorloven, bij den eed zoodanig voorbehoud te nemen, als het geweten hun voorschreef. Van dit oogenblik af was zij voortdurend in de weer, om de regeering van Willem I hinderpalen in den weg te leggen, en aan stof en gelegenheid tot tegenkanting ontbrak het niet. Een zeer gevaarlijk en aanzienlijk tegenstander der regeering was de Broglio (zie blz. 184). Met de overige Belgische bisschoppen gaf hij een geschrift in ’t licht over den eed op de grondwet, waarin (zie t. a. p.) de katholieken tegen het afleggen van dien eed werden gewaarschuwd. Hierom, alsmede uit hoofde van ongeoorloofde briefwisseling met den paus veroordeelde het gerechtshof te Brussel hem in 1817 tot deportatie, d. i. tot gedwongen verblijf in een oord van ballingschap. De bisschop was gevlucht. Alzoo werd het vonnis bij verstek gewezen en moest op onteerende wijze ter kennis van het volk worden gebracht. Hoe rechtvaardig ook dit vonnis moge zijn, het was een ongelukkige greep, dat men voor die kennisgeving een dag uitkoos, waarop twee zware misdadigers, tot dwangarbeid voor hun leven veroordeeld, te pronk stonden. Zóó werd de naam van den bisschop, in groote letters aan een paal op het schavot gehecht, tegelijk met de beide booswichten tentoongesteld.
Veel aanstoot gaf een koninklijk besluit van het jaar 1819, houdende dat, te beginnen met 1823, in de provinciën Limburg, Oost- en West-Vlaanderen, Antwerpen en Zuid-Brabant de Nederlandsche taal voor de bij uitsluiting geldende in openbare aangelegenheden werd verklaard. Ofschoon in de genoemde gewesten het Nederduitsch de taal des volks was, maakte het besluit daarom een ongunstigen indruk, omdat de hoogere standen zich dagelijks van het Fransch bedienden. Een andere grieve der Belgen was, dat nog geen vijfde deel van de officieren van het leger tot hun natie behoorde. Zij bedachten evenwel niet, dat dit ten deele hieruit voortkwam, dat in de eerste jaren van ’t bestaan van ’t rijk het getal der Nederlandsche officieren, die hun diensten aan den koning aanboden, veel grooter was, dan dat der Belgen, en dat deze verhouding langen tijd ongeveer dezelfde moest blijven. Eindelijk beklaagden de Belgen zich erover, dat de schuldenlast van Noord-Nederland voor de helft op het Zuiden was overgebracht. Geenszins overwogen zij, dat tegenover den schuldenlast groote voordeelen stonden, die zij krachtens de vereeniging deelachtig, werden, als de zeemacht en de rijke koloniën.
Doch geen dezer grieven woog in ’t oog der Belgen zelven zwaarder, geen maatregel der regeering wekte meer hun verbittering, dan ’s konings besluiten aangaande het onderwijs, bij hen vooral zoo nauw verwant aan den godsdienst, en inzonderheid dat nopens het collegium philosophicum. Ten einde het voorbereidend onderwijs, inzonderheid van de jonge lieden, die zich aan den geestelijken stand wijdden, aan de kleine seminariën of kweekscholen der over ’t geheel niet zeer verlichte geestelijken te onttrekken, riep de koning, bij besluit van den 14den Juni 1825, ter vervanging dier scholen, het collegium philosophicum in ’t leven. Het werd te Leuven gevestigd. Twee jaren na de opening mochten geen anderen, dan die hun voorbereidende studiën in het collegium hadden volbracht, als priester worden gewijd. Gelijk een donderslag klonk de mare van dit besluit den geestelijken in de ooren. Vele ouders trachtten het te ontwijken door hun kinderen buiten ’s lands te laten onderwijzen; maar ook dit werd tegengegaan. Hevig was de afkeer, dien de meerderheid der inwoners uit het Zuiden tegen het collegium bleef koesteren.
Een van de onmiddellijke gevolgen van ’s konings besluit was de aaneensluiting en verbroedering van twee partijen in België, welke tot dusverre tegenover elkander hadden gestaan. Behalve die der geestelijken, waartoe ook vele adellijken behoorden, was n.l. langzamerhand, van een geheel ander standpunt uitgaande, een tweede gekomen, die in vele opzichten Franschgezind was en zich „de liberal” of „vrijzinnig” noemde. Zij wenschte geheele vrijheid van onderwijs en drukpers. Om in haar streven des te beter te slagen, vereenigde zij zich met de partij der ijverige katholieken. Van dit oogenblik af, d. i. sedert het einde van 1828, begonnen zich de voorboden te vertoonen van een geregeld verzet tegen de regeering, blijkbaar in het indienen van een groote menigte verzoekschriften, welke in sterke bewoordingen om opheffing der talrijke bezwaren vroegen. Van denzelfden tijd af stonden in de Tweede Kamer de afgevaardigden uit het Noorden en die van het Zuiden als twee vijandelijke legerbenden in volle wapenrusting tegenover elkander geschaard. Netelig was ’s konings toestand. Van den aanvang af was het zijn streven geweest, de samensmelting tusschen de beide deelen des rijks hoe langer hoe meer te bevorderen. Doch bij het nemen van doortastende maatregelen schijnt hij den volksgeest niet genoeg te hebben in ’t oog gehouden en ontzien. Hoezeer de besluiten omtrent het onderwijs en de taal in staat waren, de inniger vereeniging in de hand te werken, zij kunnen niet worden vrijgepleit van de blaam, eenigszins voorbarig te zijn en te zeer indruisende tegen de in België heerschende zienswijze. Niet genoeg, meende men, hield Willem I ook in ’t oog, dat, uit den aard der zaak het tegengaan van allen invloed der Franschen op het zuidelijke gedeelte van zijn rijk een hoofdzaak voor hem was. Het omgekeerde had plaats, want elke tegenstander der met de richting der katholieke geestelijkheid instemmende Bourbons (Overzicht, 9de druk, blz. 234), die uit Frankrijk kwam vlieden, vond in België een toevluchtoord en vaak hulp en steun bij het hof. Zoo stemde de koning de regeering van Frankrijk ongunstig en werkte de unie tusschen de Belgische geestelijken en de liberalen in de hand.
Deze unie had in 1828 plaatst. Zij bestond hierin, dat de beide partijen, op een voorstel, in de dagbladen der geestelijkheid gedaan, zonder voorshands op haar bijzonder belangen te letten, zich tot een gemeenschappelijken strijd tegen de regeering vereenigden. Zoodra die vereeniging was tot stand gekomen, nam de koning een weifelende houding aan tusschen gestrengheid en toegeven. Hiervan gaf hij over ’t geheel, ook reeds vroeger, menig bewijs. Zoo sloot hij, om de katholieken tegemoet te komen, die sinds lang een geregeld kerkbestuur wenschen, in 1827 met paus Leo XII een concordaat (d. i. een verdrag tusschen het hof te Rome en een wereldlijke regeering, waarbij deze haar toestemming geeft tot de regeling der kerkelijke aangelegenheden harer Roomsche onderdanen). Den verzoenenden zin, die hem bezielde, openbaarde Willem I verder door in 1829 de verplichting van ’t bijwonen der lessen van ’t collegium op te heffen, waardoor het weldra teniet ging. Eveneens trok hij de beperkende bepalingen nopens het gebruik der landstaal in. Dat de koning van den anderen kant volstrekt niet van zins was, zich door de losbandigheid der drukpers te laten overvleugelen, toonden de rechtsgedingen, tegen de Potter en anderen gevoerd wegens pogingen, door hen gedaan om in hun geschriften hun medeburgers op te hitsen ter omverwerping der bestaande regeering. Zij werden veroordeeld tot een zeker aantal jaren ballingschap. Maar de veroordeelingen waren doelloos, want de overtreders der wetten op de pers beschouwde men als slachtoffers.
Den 27-29sten Juli 1830 had in Frankrijk de omwenteling plaats (Overzicht, 9de druk, blz. 234), waardoor Karel X van den troon werd gestooten. De tijding werd in België met de grootste opgewondenheid aangehoord. Koning Willem I, in zijn binnenlandsche staatkunde juist het tegendeel van Karel X, werd met hem op één lijn gesteld. Geen maand later, en ook de Belgen toonden, hoe spoedig zij de kunst hadden geleerd, zich te ontslaan van een koning, over wien zij misnoegd waren.
§ 37.
De opstand van België en het koninkrijk der Nederlanden sedert 1830.
De ontevredenheid, van 1815 dagteekenende, was voortdurend in kracht toegenomen en diep in de gemoederen doorgedrongen. De mijn was geladen, slechts een kleine vonk noodig, om ze te doen springen. Sinds een paar jaren zag men in België reeds naar de uitbarsting uit en werd de aanstaande omwenteling openlijk in de straten van Brussel aangekondigd. Dat er hoofden der beweging waren, lieden van aanzienlijken rang, die de volksmenigte bestuurden, spreekt vanzelf. Doch deze personen hebben niet veel anders gedaan, dan de mijn aansteken. De mijn, die ontvlamde, was het volk zelf. Den 25sten Augustus gaf men in den schouwburg der stad de „Muette de Portic” (Overzicht, 9de druk, blz. 141), d. i. den opstand op het tooneel. Van den schouwburg tot de straat was een overgang van een paar uren. Te tien uur des avonds schoolden talrijke volkshoopen samen, die weldra verschillende huizen plunderden en verwoestten en zelfs de woning van den minister van justitie van Maanen in brand staken. Daar het opgeruide grauw toonde smaak in het plunderen te hebben gekregen, begonnen de gezeten lieden voor de openbare veiligheid beducht te worden. Uit deze overweging kwam den 27sten Augustus de oprichting eener gewapende burgermacht voort, die de Brabantsche kleuren aannam en in wier handen ’s konings troepen de teugels van ’t krijgsgezag over de oproerige stad terstond stelden. Te Luik en in de overige steden van België beleefde men dadelijk een herhaling van dezelfde tooneelen.
De Belgische opstand verraste de regeering van koning Willem I. De gewapende macht, die zich te Brussel bevond, had geen orders, hoe te handelen, en was niet krachtig genoeg. Eerst den 28sten Augustus nam de koning eenige besluiten. Hij begon met de Staten-Generaal buitengewoon te ’s Gravenhage bijeen te roepen tegen den 13den September. Een legercorps werd bijeengebracht en kreeg bevel naar Brussel op te trekken. Aan ’t hoofd dezer troepen werden ’s konings beide zonen geplaatst, de prins van Oranje en prins Frederik, destijds admiraal en generaal over ’s rijks krijgsmacht te water en te land. Groot was, bij de nadering van dit leger, de ontsteltenis onder de bevolking der stad. Binnen weinige uren was Brussel als een verschanste legerplaats. Vermits men zich desniettemin niet sterk genoeg achtte, om zich tegen geweld van wapenen te verdedigen, vaardigde men een bezending naar ’s prinsen hoofdkwartier af. Deze bezending schilderde in zulke sterke kleuren de bedenkelijke stemming van Brussels bevolking, inzonderheid van het gemeen, dat de prins van Oranje beloofde, den 31sten Augustus, slechts begeleid door zijn staf, te zullen komen.
Op het vastgestelde uur had, dien 31sten Augustus de intocht van den prins van Oranje binnen Brussel plaats. Het moet een indrukwekkend schouwspel zijn geweest, den prins, bijna onverzeld, de straten te zien doorrijden, opgevuld met duizenden manschappen der burgermacht en met een gewapende menigte, die nu eens een doodsch stilzwijgen bewaarde, dan weer in woeste kreten of bedreigingen haar gewaarwordingen lucht gaf. Bij het stadhuis, waarheen de hoofden van den opstand hem geleidden, sloeg de Arabische schimmel, dien de prins bereed, achteruit en kwetste plotseling een der omstanders. De prins, die terstond een ander paard had bestegen, aan het gewoel en getier ziende, dat de volksschare tot dadelijkheden dreigde over te gaan, zette het dier in den galop en baande zich door zijn koene sprongen over de barricaden en versperringen heen een weg naar zijn paleis.
Kort hierna keerde de prins naar ’s Gravenhage terug. Tegen de meening van den kroonprins, die op milde beloften en op het herstel der grieven aandrong, gaf de koning aan prins Frederik bevel, om de gehoorzaamheid aan het wettig gezag gewapenderhand te doen terugkeeren en een aanval op Brussel te doen. Doch het gunstige oogenblik was voorbij. Het vuur van den opstand had zich wijd en zijd verbreid. Te lang had de regeering, weifelende tusschen vredelievende gezindheid en de zucht om geweld te gebruiken, gedobberd. Hierbij kwam, dat de aanval op Brussel niet met dat beleid en die doortastende kracht geschiedde, welke de waarborgen zijn van een goeden uitslag. Men wilde de stad vermeesteren; doch men wilde ze tevens zooveel mogelijk sparen en de burgerij geen geweld aandoen. Na een vierdaagsche worsteling, die aan vele wakkere soldaten het leven kostte, trokken de koninklijke troepen den 26sten September uit de stad terug. Het oproer zegevierde.
Weinige dagen na den terugtocht van ’s konings troepen uit Brussel werd, den 29sten September, in de Tweede Kamer der Staten-Generaal het besluit genomen, het staatsbestuur te splitsen zonder scheuring van het rijk en de grondwet te herzien. Aan de voornaamste eischen der Belgen had de koning niet willen tegemoet komen. Intusschen nam de strijd meer en meer het karakter aan van een oorlog, niet tegen de kroon, maar tusschen Noord- en Zuid-Nederland. De Belgen konden niet sterker naar een geheele scheiding verlangen, dan de Noord-Nederlanders zelven. Ook in het leger vertoonde zich die verdeeldheid. Geheele afdeelingen, uit Belgen bestaande, vielen af. Terwijl de wettige vertegenwoordigers van het Belgische volk in den Haag ter Staten-Generaal beraadslaagden, bestuurden eenige volksleiders den gang der gebeurtenissen in ’t Zuiden. De Potter (zie blz. 194) kwam uit de ballingschap terug, werd met uitbundige toejuiching ontvangen en mede aan ’t hoofd van ’t voorloopig bestuur te Brussel gesteld. Maar zes weken later was men hem reeds moede en verliet hij, zich er niet veilig rekenende, zijn vaderland voor de tweede maal. Ten einde, zoo mogelijk, de regeeringloosheid tegen te gaan, welke uit dezen staat van zaken dreigde voort te komen, zond Willem I, op verzoek van vele aanzienlijke Belgen, den prins van Oranje voor de tweede maal naar de kampplaats. Hij had in last, het bestuur over de getrouw gebleven gewesten op zich te nemen en de opgestane streken naar vermogen tot rust te brengen. Terstond beloofde de prins aan de Belgen de opheffing van vele hunner grieven. En toen het voorloopig bestuur, te Brussel gevestigd, de natie had opgeroepen om een congres te doen bijeenkomen en Antwerpen er ook deel aan wilde nemen, gaf de prins aan dit verlangen toe. Zoo doende ging hij verder, dan de koning had bedoeld, en werd teruggeroepen.
Terzelfder tijd, in ’t midden van October 1830, wendde Willem I zich tot de vijf groote Europeesche mogendheden, Oostenrijk, Frankrijk, Engeland, Pruisen, Rusland, als leden van ’t Weener-congres, die zich tot de handhaving van het koninkrijk der Nederlanden hadden verbonden. De gezanten dezer mogendheden openden in ’t begin van November hun eerste conferentie (bijeenkomst) te Londen. Inmiddels was de prins van Oranje naar het vaderland teruggekeerd en er met groote koelheid ontvangen. De toegevendheid, door hem jegens de Belgen aan den dag gelegd, werd hem in ’t Noorden zeer euvel geduid. Na zijn vertrek uit Antwerpen vertoonden zich ook hier en te Maastricht, tot dusver de eenige plaatsen, waar ’s konings bewind nog werd geëerbiedigd, meer en meer onrustwekkende verschijnsels. Te Maastricht handhaafde echter de generaal Dibbets het gezag der Nederlandsche regeering. Te Antwerpen daarentegen brak de opstand openlijk uit en viel menig Nederlandsch krijgsman onder de kogels der muitende menigte. David Hendrik baron Chassé, die er het bevel voerde, had de stad wel in staat van beleg verklaard, maar verzette zich in ’t eerst niet krachtig tegen de buitensporigheden van ’t gemeen. Doch eindelijk, den 27sten October, bedwong hij, ondersteund door de vloot, die onder ’t bevel van den schout-bij-nacht Koopman op de Schelde lag, door een uren lang aangehouden bombardement der stad den overmoed des vijands. Op uitnoodiging der conferentie te Londen stuitte inmiddels een wapenstilstand den verderen gang der vijandelijkheden.
Op deze conferentie bleek het weldra, dat geen der vijf mogendheden genegen was, ten behoeve van het stamhuis van Oranje-Nassau den vrede van Europa op het spel te zetten. Alsof de koning dit had kunnen vermoeden, had hij, niet alleen op die conferentie bouwende, het volk van Noord-Nederland ter verdediging van de onafhankelijkheid des lands te wapen geroepen. De oproeping vond overvloedigen weerklank bij alle standen van ’t volk. Langzamerhand stroomden duizenden manschappen naar de zuidelijke grenzen van Noord-Nederland en wachtten er geduldig ’s konings bevelen af. Intusschen maakte de conferentie de protocollen van den 20sten en den 27sten Januari 1831 bekend, waarin de geheele scheiding van Nederland en België werd uitgesproken en vastgesteld, dat 16⁄31 der gemeenschappelijke schuld ten laste van België zou komen. Middelerwijl was het nationaal congres den 10den November 1830 te Brussel bijeengekomen en had, hoewel het zich voor ’t behoud van den constitutioneel-monarchalen regeeringsvorm verklaarde, het huis van Oranje-Nassau van den troon uitgesloten. Dit congres verwierp de protocollen van Januari, terwijl Willem I verklaarde ermede in te stemmen.
De Belgen vonden niet spoedig een koning voor den door hen ledig verklaarden troon. Daarom droeg het congres het oppergezag voorloopig op aan een regent, den baron Surlet de Chokier, een rijk grondbezitter, tot dusver president dier vergadering. Eindelijk, den 4den Juni 1831, benoemde het met groote meerderheid van stemmen prins Leopold van Saksen-Koburg-Gotha, een broeder van den regeerenden hertog van Saksen-Koburg-Gotha, tot koning der Belgen. Leopold aanvaardde de regeering den 21sten Juli van dat jaar, beloofde de zeer vrijzinnige grondwet, een van de eerste vruchten der werkzaamheid van ’t congres, te zullen eerbiedigen en sloot in 1832 een tweede huwelijk met Louise, de oudste dochter van Lodewijk Philips, koning der Franschen. Inmiddels stelde de conferentie in Juni 1831 eene nieuwe protocol, de achttien artikels, op, veel gunstiger voor België dan de vorige, waarin zij de rechten van het huis van Oranje-Nassau op Luxemburg voor twijfelachtig verklaarde, België uitzichten op het bezit van Maastricht opende en vaststelde, dat het niet verplicht was, een deel der schuld van het oude Nederland over te nemen. Èn deze wijzigingen, èn het optreden van Leopold als koning brachten Willem I, reeds lang ongeduldig over den langwijligen gang van de beraadslagingen der conferentie, tot het besluit, zijn recht met het zwaard te handhaven. Marschvaardig lag de Nederlandsche krijgsmacht op de grenzen, van geestdrift gloeiende en begeerig om, was het noodig, den heldendood voor het vaderland te sterven. Zij gedacht het voorbeeld van den wakkeren Johan Karel Jozef van Speyk, die in Februari 1831, gedurende den wapenstilstand, met zijn kanonneerboot, welke de wind bij Antwerpen naar ’s vijands wal had gedreven, in de lucht vloog, liever dan de vlag te strijken voor hen, die hij als muiters tegen hun wettigen koning aanmerkte, of, wat nog erger was, ze hun prijs te geven.
Was op het eind van 1830 Nederlands leger niet bestand geweest tegen dat van België, thans, in den zomer van 1831, was die verhouding omgekeerd. Het leger van Willem I werd aangevoerd door den prins van Oranje, wien prins Frederik ter zijde stond, en telde nog geen 36,000 man. De Belgische legers, dat van de Schelde en dat van de Maas, waren omtrent 30,000 man groot. Aan ’t hoofd van ’t eerste stond de generaal de Ticken de Terhove, het bevel over het tweede voerde Daine. Het leger van de Schelde was in de nabijheid van Antwerpen geplaatst, het andere stond in het Limburgsche. Terstond besloot de prins van Oranje tusschen de beide legers door te breken, om daarna elk van hen afzonderlijk aan te vallen. Een goed deel van dit plan werd volvoerd door den tiendaagschen veldtocht, 2-12 Augustus 1831. Den 5den Augustus was de doorbreking reeds geschied. Elke dag van dien veldtocht werd door gevechten gekenmerkt. De meestbeteekenende feiten zijn, wat men de slagen bij Hasselt (den 8sten Augustus) en bij Leuven (den 12den Augustus) noemt. De eerste dezer ontmoetingen was eigenlijk niets dan één krachtige aanval op het op Hasselt terugtrekkkende leger van Daine, dat dadelijk als een kudde schapen uiteenstoof en geheel werd verstrooid. Het had een slag in den waren zin des woords kunnen worden, indien Daine minder onbekwaam en lafhartig was geweest, en zoo niet de prins van Oranje, hoogstwaarschijnlijk België liever willende winnen dan overwinnen, zich ertoe had bepaald, den vijand van zijn minderheid te overtuigen, in plaats van hem te vernietigen. In den slag van Leuven, die van meer beteekenis was, voerde koning Leopold in persoon zijn troepen aan. De Belgen werden er geheel verslagen, weken naar Leuven en hadden zonder eenigen twijfel, wilden zij niet tot den laatsten man toe gedood of gevangen genomen worden, op smadelijke wijze de wapenen moeten nederleggen. Maar nu rukte, op verzoek van Leopold, een Fransch leger onder maarschalk Gérard België binnen en was de prins verplicht, voor de meerderheid te zwichten. Hij stond eindelijk, op herhaald verzoek van den Britschen gezant te Brussel, een wapenstilstand toe, en de veldtocht nam een einde.
Wederom hervatte de conferentie op ’t einde van Augustus 1831 hare beraadslagingen, die in ’t midden van October tot een nieuwe schikking, de vier-en-twintig artikels, voerden. Bij deze artikelen werd aan België een deel van Luxemburg toegekend, waarvoor het een deel van Limburg moest afstaan. Maastricht bleef aan Nederland voorbehouden. Ten aanzien van de schuld bepaalden zij, dat België met een jaarlijksche rente van 8,400,000 gl. zou worden belast. Reeds den 15den November onderteekende Leopold, door de nederlagen van den tiendaagschen veldtocht ontmoedigd, dit ontwerp-verdrag, hoewel minder gunstig voor de Belgen dan de achttien artikels. Daarentegen weigerde Willem I de onderteekening. Hij was van oordeel, dat nagenoeg geheel Limburg een bestanddeel van Nederland behoorde te blijven en dat, voor ’t geval dat hij afstand deed van een gedeelte van Luxemburg, hij hiervoor nog verdere schadeloosstelling moest bekomen. Ook omtrent de schikking nopens de schuld kon hij niet met de conferentie instemmen. Deze verklaring van den koning van Nederland verdroot de conferentie. Twee der vijf mogendheden, Frankrijk en Engeland, sloten den 22sten October 1832 een overeenkomst, ten einde de noodige stappen te doen, om het grondgebied van België door den vijand te doen ontruimen. Ten einde dit doel te bereiken, legden zij, terwijl Willem I daarentegen gebood, de vaartuigen der Engelsche en der Fransche natie te ontzien, embargo op de Nederlandsche schepen en trok een Fransch leger van 90,000 man onder maarschalk Gérard België ten tweeden male binnen. Het rukte tegen de citadel van Antwerpen op, welker puinhoopen Chassé, na een roemrijke verdediging van negentien dagen, bij verdrag aan den vijand overgaf. De schout-bij-nacht Koopman (zie blz. 198), van oordeel zijnde, dat zijn vloot niet in het verdrag was begrepen, haastte zich, ze te vernielen en stelde zich toen met zijn manschappen ter beschikking van Gérard. Evenals de bezetting van de citadel werd de bemanning der vloot als krijgsgevangenen naar Frankrijk gevoerd.
Ook na dit wapenfeit der Franschen bleef de eindschikking met België nog steeds hangende. Willem I volhardde in zijn verzet tegen den voorslag der overmacht. Dit veroorzaakte een langdurig en zeer kostbaar bestand (status quo), daar Nederland voortdurend een zeer talrijk leger op de been moest hebben en de onzekerheid der toekomst, ofschoon het embargo in Mei 1833 werd opgeheven, den handel van groote ondernemingen afschrikte. Eindelijk noodzaakte de uitputting des lands den koning toe te geven. Den 14den Maart 1838 gaf hij te kennen, dat hij de voorwaarden der vier-en-twintig artikels inwilligde. Maar nu beweerden de Belgen weder, vermits Nederland zoo laat toetrad en zij zelven, uit hoofde der dreigende houding van hun tegenpartij, kosten hadden gemaakt, niet gehouden te zijn tot betaling van een deel der renten van de schuld. Dit verwekte nieuwe moeilijkheden, die ten laatste door het eindverdrag van den 19den April 1839 uit den weg werden geruimd. Dit verdrag, hetwelk de vier-en-twintig artikels eenigszins wijzigde, bepaalde, dat België een afzonderlijk rijk werd; dat het aandeel van België in de rente der staatsschuld, jaarlijks van den 1sten Januari 1839 af te betalen, 5,000,000 gl. zou zijn; dat het Duitsche verbond en de groothertog de westelijke helft van Luxemburg aan België afstonden; dat België hiervoor afzag van een gedeelte van Limburg, zoodat aan Nederland dat deel bleef, hetwelk aan den rechteroever der Maas ligt, alsmede de stad Maastricht met het omliggend land en het gebied ten n. van een lijn, getrokken van de zuidelijke punt van Noord-Brabant naar de Maas, ten n. van Stevensweert. Deze streek van Limburg heette „hertogdo” en maakte—behoudens Maastricht en Venlo, die alleen tot Nederland bleven behooren,—van nu aan een deel uit, zoowel van het koninkrijk der Nederlanden, als van het Duitsche verbond.
In vele opzichten bleef de verhouding van Limburg tot Duitschland zeer vreemd. Het zond afgevaardigden naar de Staten-Generaal, maar was verplicht troepen voor het Duitsche verbond op de been te houden en werd ten deele door verordeningen van dat verbond geregeerd. Eerst in 1866 is de betrekking van Limburg met Duitschland geheel verbroken. In ’t jaar 1840 werd bepaald, dat Holland van nu aan in Zuid- en Noord-Holland zou worden gesplitst, zoodat het koninkrijk der Nederlanden thans uit tien provinciën en uit het hertogdom Limburg bestond. Één jaar vroeger was de oudste zoon van den kroonprins (zie blz. 186) getrouwd met prinses Sophia Frederika Mathilde, de jongste dochter van Willem I, koning van Wurtemberg, als koningin der Nederlanden overleden in Juni 1877. Uit dit huwelijk sproot in 1840 prins Willem, overleden Juni 1879, in 1851 prins Alexander.
Toen koning Willem I in de eerste jaren van den Belgischen opstand met moed en volharding wederstand bood zoowel aan de eischen van België, als aan die der conferentie te Londen, was er niemand, die hem meer steunde en deze houding meer toejuichte, dan de Nederlandsche natie zelve. Langzamerhand echter veranderde die stemming, toen de koning, na aan de roepstem der eer ruimschoots te hebben voldaan, steeds hopende op eenige wijziging in de staatkunde der groote mogendheden of op een omkeering van zaken in Europa, er volstrekt niet toe was te bewegen, van zijn stelsel van volharding af te wijken. En nadat het eindelijk bekend was geworden, dat een verbazend hoog cijfer van staatsschuld de uitkomst was der volhardende staatkunde, maakte de gehechtheid van ’t volk aan zijn vorst plaats voor wantrouwen en verkoeling. Thans deed het Noord-Nederlandsche volk ten deele dezelfde klachten hooren, die vroeger alleen in ’t Zuiden waren geuit. Het verlangde een duidelijke openlegging van den toestand van ’s lands financiën, waarborgen tegen misbruik van gezag, verantwoordelijkheid van ’s konings ministers, in ’t kort gewichtige hervormingen in het staatsbestuur. Bij de overige redenen van ontevredenheid kwam weldra een andere, die het misnoegen tot den hoogsten graad deed stijgen. Men vernam, dat de koning, die sinds 1837 zijn echtgenoot (zie blz. 163) door den dood had verloren, het voornemen koesterde, tot een tweede huwelijk over te gaan met de gravin d’Oultremont de Wigimont, een der dames van het huis van wijlen de koningin. Doch de gravin was een Belgische en Roomsch-katholiek. Dit was genoeg, om de meerderheid der Nederlanders tegen het huwelijk in te nemen.
Zooveel tegenstand verdroot den koning. Afgemat door den negenjarigen kamp, had hij geen geneigdheid, ook zijn laatste levensjaren in een eindelooze worsteling door te brengen. Onverwachts begaf hij zich in den herfst van ’t jaar 1840 uit ’s Gravenhage naar het Loo en ontbood er zijn zonen en kleinzonen, alsmede zijn ministers. Hun deelde hij den 7den October mede, dat hij van dat oogenblik af afstand deed van de kroon en ze overdroeg aan den zoon, hiertoe door de grondwet aangewezen. De daad, schier zonder eenige plechtigheid volbracht, werd nog denzelfden dag ter kennis van ’t volk gebracht. In ’t volgende jaar huwde Willem I, nu „graaf van Nassa” geheeten, de gravin d’Oultremont en leefde vervolgens bij afwisseling te Berlijn, op zijn goederen in Silezië en op het Loo, totdat hij den 12den December 1843 te Berlijn overleed.
Den 28sten November 1840 werd willem II in de Nieuwe kerk te Amsterdam met groote plechtigheid ingehuldigd. Het was geen gunstige tijd, om de regeering over Nederland te aanvaarden. De natie en de schatkist beide waren uitgeput, en de leiders der volksmeening wezen op een doortastende herziening der grondwet, als op het eenige middel om tot welvaart en nationale kracht te geraken. Deze meening deelde Willem II geenszins. Hetgeen echter de meeste moeielijkheden baarde was de toestand van ’s rijks financiën. Nadat de pogingen van een paar ministers van financiën ter herstelling van een geregelden toestand der geldmiddelen schipbreuk hadden geleden, droeg Willem II in September 1843 het tijdelijk bestuur van het departement van financiën aan den minister van justitie, Floris Adriaan van Hall, op. Ten einde in alles, wat voorziening behoefde, te voorzien, was het volstrekt noodzakelijk, zware offers van de natie te vergen. Hiertoe toonde het volk zich in 1844 bereid door, volgens een ontwerp van van Hall, een leening tot een bedrag van 127,000,000 gl., naar 3 pct. ’s jaars, zoo goed als vol te teekenen. Aan het verlangen naar een herziening der grondwet in vrijzinnigen geest werd voldaan in ’t jaar 1848 te midden der volksbewegingen, die de meeste staten van Europa op hun grondvesten deden schudden. Luxemburg kreeg in ’t zelfde jaar een nieuwe grondwet, waarbij het zijn afzonderlijke vertegenwoordiging, die het in 1841 had bekomen, behield.
De hoofdtrekken der Nederlandsche grondwet van 1848 zijn: De kroon is erfelijk, zoowel in de mannelijke als in de vrouwelijke linie van het huis van Oranje. De koning heeft de uitvoerende macht en deelt de wetgevende macht met de Staten-Generaal. Hij heeft het opperbevel over de land- en de zeemacht en het opperbestuur der koloniën. Hij benoemt de ministers, die voor de daden der regeering verantwoording zijn verschuldigd aan de natie. De Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele volk. Zij bestaan uit een Eerste en een Tweede Kamer, voor welker leden de ouderdom van dertig jaren een vereischte is. De leden der Eerste Kamer, ten getale van negen-en-dertig, worden door de provinciale staten benoemd uit de hoogst aangeslagenen in de directe belastingen. Zij hebben zitting voor negen jaren. De leden der Tweede Kamer worden rechtstreeks door de burgers gekozen, welke meerderjarig zijn en een zekere som in de directe belastingen betalen. Het aantal der leden, die voor vier jaren zitting hebben, is thans vijf-en-zeventig. Voorzitter der provinciale staten is de commissaris des konings.
Het was Willem II niet gegeven, de vruchten te aanschouwen van het werk, waartoe hij den grond had gelegd. Reeds den 17den Maart 1849 stierf hij te Tilburg, aan welke plaats hij gedurende zijn leven zeer gehecht was geweest. Het volk van Nederland betreurt hem als een held, die aan de grootsche gestalten zijner voorvaderen uit het huis van Oranje herinnerde, en als een welwillend koning, die in moeielijke dagen met beleid voor zijn belangen had gewaakt.
Een paar woorden over de regeering van ’s konings zoon en opvolger willem III mogen tot slot van dit hoofdstuk verstrekken. Onder zijn bewind werd eindelijk in 1853 het droogmaken van ’t Haarlemmermeer (zie blz. 188), een in Juni 1848 aangevangen reuzenwerk, voltooid. In 1853 werd tevens weder een bisschoppelijk bestuur der Roomsch-katholieke kerk ingevoerd, waarvan Utrecht als aartsbisdom de hoofdzetel is. Onder de vele wetten, die, als uitvloeisel van de in 1848 uitgevaardigde grondwet, zijn tot stand gekomen, verdienen de kies-, de gemeente- en de provinciale wet te worden genoemd. In 1857 verving een wet op het lager-onderwijs die van 1806. Zij werd in 1863 gevolgd door een wet op het middelbaar onderwijs, in 1876 door een op het Hooger-Onderwijs.
Zooveel wat aangaat het binnenlandsch bewind. Ten aanzien van de buitenlandsche betrekkingen behoort het verdrag van Februari 1871 te worden vermeld, bij hetwelk de Nederlandsche bezittingen op de Kust van Guinēa (in ’t w. van Afrika) voor de som van 24,000 sterling aan Groot-Britannië werden afgestaan. Twee jaar daarna, in Maart 1873, brak, ter zake van zeerooverij, een oorlog los van Nederland tegen den sultan van Atjeh (op de westkust van Sumātra), die nog steeds voortduurt. In Juni 1877 overleed de koningin (zie blz. 202), in Januari 1879 prins Hendrik, ’s konings broeder (zie blz. 186).