HET BEZOEK VAN DE DRIE WIJZEN.
Elf dagen na de geboorte van het kindeke vinden wij de drie wijzen in de nabijheid van Jeruzalem. Na de beek Kedron te zijn overgegaan ontmoetten zij tal van lieden, die hen zonder uitzondering met nieuwsgierigen blikken nazagen. Hoewel de handelsweg van het oosten naar het zuiden over Judea voerde, en men bijgevolg, behalve in Rome, nergens zoovele vreemdelingen van allerlei natiën aantrof als in Jeruzalem, trokken deze drie mannen toch aller aandacht.
Tegenover de graven der koningen zaten eenige vrouwen aan den weg. Zij hadden een kind bij zich, en zoodra het de reizigers zag, klapte het in de handjes en riep: Kijk, kijk, wat mooie belletjes! Wat groote kameelen!
De belletjes waren van zilver, de kameelen, zooals wij weten, buitengewoon groot en wit. Aan het tuig kon men zien, dat het gezelschap een verre reis achter zich had, maar ook dat de eigenaars mannen van aanzien waren. Bij de vrouwen gekomen hield het drietal stil, en vraagde Balthasar, zich een weinig voorover buigende: Zeg mij, zijn wij nog ver van Jeruzalem?
—Neen, antwoordde eene der vrouwen, als de boomen op gindschen heuvel wat lager waren zoudt gij de torens op de markt kunnen zien.
De Egyptenaar zag zijne tochtgenooten veelbeteekend aan, en wendde zich toen weder tot de vrouw met de vraag: Kunt gij mij ook zeggen waar de geboren Koning der Joden is?
De vrouwen keken elkander verwonderd aan, maar gaven geen antwoord.
—Weet gij dat niet? herhaalde de Egyptenaar.
—Neen, heer.
—Nu, vertel dan maar aan iedereen, dat wij zijne ster gezien hebben in het Oosten en gekomen zijn om hem te aanbidden.
Dit gezegd hebbende reden zij verder.
Anderen, die zij tegenkwamen, deden zij dezelfde vraag, maar met gelijke uitkomst. Zoo vervuld waren zij van het doel hunner reis, dat zij geen oog hadden voor het heerlijk panorama, dat zich voor hen ontplooide, toen zij Jeruzalem naderden. Eindelijk waren zij bij de Damascuspoort, die door een Romeinschen schildwacht bewaakt werd. Langzamerhand hadden zich eenige nieuwsgierigen bij hen aangesloten, zoodat toen de Egyptenaar stilhield, om bij den schildwacht inlichtingen te vragen, onze reizigers het middelpunt werden van eene steeds aangroeiende menigte.
—Vrede zij u! zeide de Egyptenaar den schildwacht groetende, die den groet onbeantwoord liet.
—Wij zijn van verre gekomen om den geboren Koning der Joden te zien. Kunt gij ons ook zeggen waar hij is?
De soldaat lichtte zijn helmvizier op en riep iemand uit het wachthuis. Uit de gang trad een hoofdman te voorschijn.—Uit den weg! riep hij de menigte toe, die hem den weg versperde, en toen zij niet gauw genoeg gehoorzaamde, maakte hij zich, links en rechts met zijn speer zwaaiende, ruim baan.
—Wat is er van uw verlangen? vraagde hij aan Balthasar.
—Ik wilde weten waar de geboren Koning der Joden is.
—Herodes? vraagde de hoofdman verwonderd.
—Herodes werd door den Keizer tot Koning aangesteld, hem moeten wij dus niet hebben.
—Er is geen andere Koning der Joden.
—Jawel, want wij hebben zijne ster gezien en zijn gekomen om hem te aanbidden.
De Romein begreep er niets van.—Ik ben geen Jood en kan u dus niet helpen. Gaat naar de schriftgeleerden in den tempel, of naar Annas den Hoogepriester, of beter nog naar Herodes zelf, en vraag het hem. Als er een andere Koning der Joden is zal hij hem wel weten te vinden.
Daarop joeg hij de omstanders uiteen, opdat de vreemdelingen door de poort konden trekken. Zoodra zij echter in de stad waren zeide Balthasar: Wij zullen goed doen met naar de herberg te gaan; het doel onzer komst is bekend en vóór middernacht zal de geheele stad over ons spreken.
Dienzelfden avond waren eenige vrouwen bezig met wasschen op de breede trap, die naar den vijver Siloam voerde. Ieder had een aarden bak voor zich. Op de onderste trede stond een meisje, dat onder het zingen van een vroolijk liedje de vrouwen beurtelings van water voorzag.
Terwijl zij daarmee bezig waren kwamen twee andere vrouwen naderbij, beiden een ledigen waterkruik op den schouder dragende.
—Vrede zij u! zeide eene van haar.
De waschvrouwen staakten even den arbeid, sloegen hare handen droog en beantwoordden den groet.
—Het is reeds laat in den avond, het wordt tijd om uit te scheiden, zeide een der laatst gekomenen.
—Er is nog werk genoeg, was het antwoord.
—Ja, maar er is een tijd om te rusten, en....
—Om nieuwtjes te hooren vertellen.
—Wat voor nieuwtjes hebt gij?
—Weet gij het dan nog niet?
—Wat?
—Zij zeggen, dat de Messias geboren is.
—De Messias?! riepen de wasschende vrouwen in de hoogste verbazing.
De beide anderen zetten hare watervaten neder en gingen er op zitten. Ja, zeiden zij, dat wordt ten minste verteld.
—Door wie?
—Door iedereen. De geheele stad spreekt er van.
—En wordt het geloofd?
—Van middag zijn drie vreemde mannen gekomen over de beek Kedron. Zij reden alle drie op witte kameelen, zoo groot als wij ze hier in Jeruzalem nog nooit gezien hebben. Men kon wel zien dat het rijke menschen zijn, want hun tentjes zijn van zijde, en de gespen en franje aan de zadels en hoofdstellen van goud. De schelletjes zijn van zilver en maken echte muziek. Niemand kent ze; zij zien er uit alsof zij van het einde der wereld komen. Een van de drie deed telkens het woord en vroeg aan iedereen onderweg, zelfs aan vrouwen en kinderen: Waar is de geboren Koning der Joden? Niemand kon hem daarom antwoord geven; niemand begreep wat zij bedoelden. Maar zij hielden vol: Wij hebben zijne ster gezien in het Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Bij de poort hebben zij het gevraagd aan den schildwacht, maar die wist het evenmin, en heeft hun gezegd, dat zij het best deden met het aan Herodes te gaan vragen.
—Waar zijn zij nu?
—In de herberg. Ieder gaat er naar toe om hen te zien.
—Waar komen zij vandaan?
—Dat weet niemand. Ik denk dat het Perzen zijn. Het zijn in ieder geval wijze mannen, die met de sterren praten, zoo iets als profeten, misschien wel als Elia of Jeremia.
—Maar gij zegt, dat zij naar den Koning der Joden vragen, wien zouden zij daarmee bedoelen?
—Den Messias natuurlijk, die pas geboren moet zijn.
Een van de vrouwen lachte en hervatte haar werk met de woorden: Komaan, ik zal 't gelooven als ik hem zie.
Een tweede volgde haar voorbeeld en zeide: Ik—ja, ik zal 't gelooven, als ik hem dooden weer levend zie maken.
Een derde zeide nadenkend: Men heeft hem lang verwacht. Voor mij zal het genoeg zijn als ik hem een melaatsche zie genezen.
TIENDE HOOFDSTUK.
HERODES EN DE WIJZEN.
Eenige uren later in den avond, tegen den tijd der eerste nachtwake, vinden wij in het paleis op den berg Sion een vijftigtal mannen, bijeengeroepen door Koning Herodes: hoogepriesters, schriftgeleerden, de hoofden der verschillende godsdienstige partijen: Farizeën, Sadduceën en Esseën. De zaal, waar de vergadering plaats had, was zeer ruim, en volgens Romeinsche gewoonte ingericht. De vloer bestond uit marmerblokken van verschillende kleur, de wanden, niet door vensters onderbroken, waren saffraangeel beschilderd; een divan, in den vorm van de letter U en van gele kussens voorzien, stond in het midden, de opening naar de deur gekeerd. Aan het boveneinde van dien divan, dus in de buiging, stond een bronzen drievoet. Daarboven hing een luchter met zeven armen, die ieder een brandende lamp droegen. De divan en de luchter waren zuiver Joodsch.
De vergadering bestond hoofdzakelijk uit mannen van leeftijd, mannen met lange baarden, vurige oogen, zware wenkbrauwen. Hunne kleeding was behalve wat de kleur betreft volmaakt dezelfde. Hun uiterlijk was ernstig, deftig, bijna patriarchaal. Aan het hoofdeneinde, achter den drievoet, zat de voorzitter, rechts en links zijne medegenooten.
In zijne jeugd groot en forsch van statuur, was de thans 106-jarige Hillel, de Babyloniër, de eerwaardige voorzitter van den Grooten Raad, uitwendig niet meer dan de schim van hetgeen hij vroeger was; maar zijn helderheid van hoofd liet niets te wenschen over. Op den drievoet vóór hem lag een met Hebreeuwsche letters beschreven perkamenten rol, achter hem stond een rijkgekleede knaap op zijne bevelen te wachten. Het geleerde gezelschap heeft een levendige woordenwisseling gevoerd, maar is zooëven tot een besluit gekomen. Hunnen houding is rustig en de eerwaardige Hillel roept den knaap tot zich. Eerbiedig treedt hij voor zijnen meester.
Ga den Koning melden, dat wij gereed zijn om op zijne vraag te antwoorden, beveelt de grijsaard.
De jongen snelt heen.
Weinige oogenblikken later traden twee hoofdmannen binnen en plaatsten zich naast de beide deurposten. Hen volgde op den voet een merkwaardige persoonlijkheid: een oud man, bekleed met een purperen kleed, om het middel bevestigd door een fijnbewerkten gouden gordel; een diadeem omgaf het hoofd, de sandalen waren met kostbare edelsteenen versierd, in den gordel stak een fraaie dolk. Zijn gang was moeilijk en hij leunde zwaar op zijn staf. Niet voordat hij den divan bereikt had stond hij stil en overzag de vergadering met hooghartigen blik, donker en dreigend, alsof hij zich onder vijanden bevond. Het was Herodes de Groote—het lichaam ondermijnd door kwalen, het geweten bezwaard door misdaden. Een waardig gezel der Romeinsche Cesars, was hij op 67-jarigen leeftijd een ijverzuchtig despoot, altijd vreezende dat iemand hem in zijne rechten wilde treden.
Nadat alle aanwezigen hem begroet hadden, ging Herodes rechtstreeks op Hillel toe en zeide op meesterachtigen toon: Het antwoord!
De patriarch hief het hoofd op, zag hem welwillend aan en zeide: De vrede van den God Abrahams, Izaäks en Jakobs zij met u, o Koning!—Gij hebt ons gevraagd waar de Messias geboren moet worden. (De Koning boog toestemmend, de oogen onafgewend op den spreker gevestigd.) Nu dan, o Koning, naar ons aller meening te Bethlehem in Judea.
Hillel liet den blik rusten op de rol en las: Te Bethlehem in Judea; want alzoo zegt de profeet: En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, die een Heerscher zal zijn in Israël.
Herodes' gelaat betrok. Nadenkend staarde hij op de rol. Ademlooze stilte heerschte in de zaal, niemand waagde te spreken. Eindelijk keerde de Koning zich om en ging heen.
—Broeders, zeide Hillel, de vergadering is gesloten.
Allen stonden op en verwijderden zich in groepen.
—Simeon! riep Hillel.
Een vijftigjarige man, nog krachtig en sterk, voegde zich dadelijk bij hem.
—Neem de heilige rol tot u, mijn zoon, en geleid mij naar den draagstoel.
Liefdevol en eerbiedig voldeed Simeon aan het verzoek zijns vaders, wiens waardige opvolger hij eenmaal zijn zou.
Nog weder later op dienzelfden avond legden de drie wijzen zich in de herberg ter ruste. Door een opening in het dak konden zij de lucht bespieden, en bij het heerlijk stergeflonker dachten zij na over Gods wonderlijke leiding. Maar hoe nu verder? Op welke wijze zou Hij zich thans openbaren? Eindelijk waren zij dan in Jeruzalem; aan de poort hadden zij naar hem gevraagd, dien zij zochten; zij hadden zijne geboorte aangezegd, hun bleef niets over dan hem te vinden, en ook daarin rekenden zij vast op de leiding des Geestes. Die Gods stem beluisteren, of op een teeken des hemels wachten, kunnen niet slapen.
Daar trad iemand op hen toe. Wordt wakker! riep hij, ik heb u iets te zeggen daar haast bij is.
Aanstonds sprongen zij overeind.—Van wien? vraagde de Egyptenaar.
—Van Koning Herodes.
—Zijt gij niet de deurwachter van deze herberg?
—Die ben ik.
—Wat verlangt de Koning van ons?
—Zijn bode wacht buiten. Hij zal u antwoorden.
—Zeg hem dat wij dadelijk zullen komen.
—Gij hadt gelijk, broeder, zeide de Griek, toen de wachter zich verwijderd had.—De vraag tot het volk op den weg en tot den schildwacht aan de poort heeft ons bekend gemaakt. Ik ben vol ongeduld, laat ons gaan.
Haastig bonden zij hunne sandalen aan, sloegen hunne mantels om en gingen naar buiten.
—Weest gegroet, en vergeeft mij zoo ik ongeleegen kom; maar mijn meester, de Koning, zendt mij om u ten paleize te noodigen, waar hij een mondgesprek met u voeren wil, zeide de bode.
Boven den ingang der herberg hing een brandende lamp; en bij haar licht zagen de drie vrienden aan elkanders gelaat, dat de Geest op hen rustte. Toen wenkte de Egyptenaar den deurwachter tot zich en fluisterde hem toe: Gij weet waar onze goederen geborgen zijn op het voorplein en waar onze kameelen rusten. Maak alles gereed terwijl wij weg zijn, opdat wij, zoo het noodig mocht wezen, bij onze terugkomst dadelijk kunnen afreizen.
Ik zal er voor zorgen, ga gerust, antwoordde de wachter.
—Wij zijn gereed, zeide de Egyptenaar daarop tot den bode, breng ons bij den Koning.
De straten van de Heilige stad waren toen even nauw als in onze dagen, maar lang niet zoo vuil en hobbelig; want de vorstelijke bouwheer was zeer gesteld op reinheid en gemak. Zwijgend volgden de drie vrienden hunnen leidsman, totdat zij aan een poort kwamen, waar bij een hoog opvlammend vuur een paar schildwachten op post stonden. Door booggangen en voorhoven, langs hooge trappen en tal van vertrekken bereikten zij eindelijk een hoogen toren. Boven gekomen bleef hun gids staan, wees op een open deur en zeide: Treedt binnen, de Koning wacht u.
Een geur van sandelhout vervulde het koninklijk vertrek, dat met groote weelde was ingericht. Vergulde en gebeeldhouwde zetels, muziekinstrumenten, kostbaar vaatwerk, gouden kandelaars schitterden van licht, in Griekschen stijl beschilderde muren—en te midden van dat alles zat de Koning op zijn troon, gereed om hen te ontvangen.
De drie mannen traden naderbij en bogen eerbiedig. De Koning schelde, waarop een dienaar binnenkwam en drie zetels aanschoof.
—Neem plaats, beval de Koning minzaam.
Toen zij gezeten waren vervolgde hij: Hedenmiddag werd mij van de Noordpoort bericht gezonden, dat drie vreemdelingen waren aangekomen, en naar hun uiterlijk te oordeelen van verre kwamen. Zijt gijlieden dat?
De Egyptenaar boog en antwoordde: Indien wij het niet waren zou de machtige Herodes niet om ons gezonden hebben. Wij zijn die mannen.
—Wie zijt gij? Vanwaar komt gij? vraagde de Koning, en voegde er op veelbeteekenden toon bij: Dat ieder voor zichzelven spreke.
In weinig woorden deelden zij hem beurtelings hun naam en afkomst mede en langs welken weg zij de reis naar Jeruzalem genomen hadden. Eenigszins teleurgesteld vraagde Herodes: Welke vraag hebt gij tot den hoofdman aan de poort gericht?
—Wij vraagden hem: Waar is de geboren koning der Joden?
—Nu begrijp ik waarom het volk zoo opgewonden was. Is er dan een tweede Koning der Joden?
Onbevangen antwoordde de Egyptenaar: Er is een jonggeboren Koning.
Een uitdrukking van smart kwam over het gelaat van den monarch, alsof een pijnlijke herinnering hem kwelde. Dacht hij misschien aan zijne onschuldige, vermoorde kinderen?—Niet hier! Niet bij mij! riep hij.
Een oogenblik later, toen hij zich genoegzaam hersteld had, vraagde hij met vaste stem: Waar is de nieuwe Koning?
—Dat is het juist, o Koning, wat wij wenschen te vernemen.
—Wat gij mij vertelt heeft veel van een sprookje. Op mijn leeftijd is men al even nieuwsgierig als de kinderen. Het zou wreed zijn mij te lang in spanning te laten. Vertelt mij daarom alles en ik zal u eeren, zooals vorsten elkander eeren. Deelt mij alles mede wat gij van den jonggeborene weet, en ik zal u naar hem helpen zoeken. Zoodra wij hem gevonden hebben, zal ik voor hem doen wat ik kan; ik zal hem naar Jeruzalem laten komen en hem een vorstelijke opvoeding geven. Ik zal van mijn invloed bij den Keizer gebruik maken, om hem tot eer en aanzien te brengen. Van ijverzucht zal tusschen ons geen sprake zijn, dat zweer ik u. Maar vertelt mij eerst hoe gijlieden, door zeeën en woestijnen van elkander gescheiden, van zijne geboorte gehoord hebt.
—Dat zal ik u naar waarheid zeggen, o Koning.
—Spreek, zeide Herodes.
Balthasar stond op en sprak: Er is een almachtig God.
Herodes ontstelde zichtbaar.
—Die almachtige God beval ons hierheen te reizen en beloofde ons, dat wij den Verlosser der wereld zouden zien, dat wij hem zouden zien en aanbidden, en van zijne komst getuigen. Tot teeken zagen wij ieder op de plaats waar wij ons bevonden eene ster. Gods Geest geleidde ons; o Koning, Gods Geest op dit oogenblik met ons!
Een wonderlijk gevoel doorstroomde de drie vrienden. De Griek bedwong zich slechts met moeite. Herodes zag van den een naar den ander. Achterdocht en onwil maakten zich van hem meester. Gij wilt mij wat wijsmaken, zeide hij. Wat moet er volgen op de komst van den nieuwen Koning?
De verlossing der menschen.
—Van wat?
—Van zonde.
—Hoe?
—Door Geloof, Liefde en Goede Werken.
—Dan—maar hier zweeg Herodes even, zonder dat één trek op zijn gelaat verried wat in zijne ziel omging—zij gijlieden de herauten van den Messias. Is dat alles?
Balthasar boog toestemmend.
Herodes drukte weder op den schelknop. Een dienaar verscheen.—Breng de geschenken, beval de vorst.
De dienaar ging, maar kwam weldra terug, en bood ieder der bezoekers knielende een prachtig overkleed en een gouden gordel aan, welke geschenken zij met Oostersche plichtplegingen aanvaardden.
—Nog een woord, zeide Herodes, gij hebt gezegd dat gij een ster in het Oosten hebt gezien.
—Ja, antwoordde Balthasar, zijne ster, de ster van den jonggeborene.
—Wanneer ongeveer?
—Toen ons bevolen werd hierheen te gaan.
Herodes stond op, ten teeken dat de audiëntie was afgeloopen. Van zijnen troon dalende zeide hij vriendelijk: Indien gij, hooggeschatte mannen, hetgeen ik gaarne geloof, werkelijk de herauten zijt van den jonggeboren Messias, zoo weet dan, dat ik hedenavond de schriftgeleerden ondervraagd heb over deze dingen. Eenparig getuigen zij, dat hij te Bethlehem in Judea moest geboren worden. Daarom raad ik u: Gaat naar Bethlehem en zoekt naarstiglijk totdat gij hem vindt. En als gij hem gevonden hebt, komt dan weder, opdat ook ik moge gaan en hem aanbidden. Gaat in vrede en niemand zal u overlast aandoen. Dit gezegd hebbende liet de Koning hen alleen.
Onmiddellijk daarop kwam 's Konings boodschapper binnen en geleidde de drie mannen weder naar de herberg terug. Daar gekomen riep de Griek vol geestdrift: Laat ons naar Bethlehem gaan, broeders, zooals de Koning ons geraden heeft.
—Ja, riep de Hindoe, de Geest getuigt binnen in mij.
—Het geschiede, zeide Balthasar opgewekt. Onze kameelen staan gereed.
Na den deurwachter voor zijne moeite rijkelijk beloond te hebben stegen zij op, lieten zich den weg wijzen naar de Joppe-poort en vertrokken. Toen zij in het open veld gekomen waren en langs denzelfden weg gingen, dien Jozef en Maria zoo kort geleden begaan hadden, verscheen aan den hemel een licht, in het begin zwak en onduidelijk. Hun hart klopte hoorbaar. Het licht nam toe in kracht, zij sloten de oogen voor dien glans; toen zij ze weer openden,—zie, daar was de ster weder, maar niet onbewegelijk en hoog verheven als de andere sterren, neen, laag aan het firmament en zich zachtkens voortbewegende. Toen vouwden zij de handen en verheugden zich met groote vreugde. God is met ons! riepen zij herhaaldelijk, totdat ten laatste de ster zich verhief en stil bleef staan boven een afdak, gebouwd tegen de helling van een heuvel in de nabijheid der stad.
ELFDE HOOFDSTUK.
HET KINDEKE.
Het was de derde nachtwake. De bergtoppen in het oosten werden reeds flauw verlicht door de opgaande zon; maar in de vallei heerschte nog nachtelijk donker. De wachter op het dak der oude herberg van Bethlehem luisterde huiverend van kou naar de eerste teekenen van ontwakend leven, toen hij eensklaps een licht op den heuvel achter het huis ontwaarde. Eerst meende hij dat het een toorts was, die iemand in de hand droeg, daarna zag hij het voor een meteoor aan; het werd helderder en helderder, en eindelijk zag hij dat het een ster was. Beangst door dat vreemde verschijnsel wekte hij allen die in huis waren. De meesten ijlden naar het platte dak. Het licht kwam steeds nader en wierp zijn schijnsel over rotsen, boomen en wegen; zijn glans werd zoo sterk dat de lieden de oogen moesten afwenden. De vreesachtigen vielen op hun aangezicht ter aarde en baden, de meer stoutmoedigen bedekten wel hunne oogen, maar beproefden toch gedurig naar het licht te kijken.
Het duurde niet lang, of de herberg en hare geheele omgeving werden er door verlicht. Zij, die durfden opzien, bemerkten, dat de ster stil bleef staan boven den ingang der spelonk, waar het kind geboren was. Te midden van de heerschenden onrust kwamen de drie wijzen bij de herberg, stegen van hunne kameelen en begeerden binnengelaten te worden. Toen de deurwachter in zoover van den schrik bekomen was, dat hij aan hun verlangen kon voldoen, trok hij de grendels weg en opende de deur. In dat ongewone licht zagen de kameelen er waarlijk spookachtig uit en het vreemde, opgewonden voorkomen der drie reizigers was niet geschikt om den man gerust te stellen. In plaats van naar buiten te komen trok hij zich schuw terug en kon gedurende eenige minuten niet antwoorden op de hem gedane vraag: Is dit niet Bethlehem in Judea?
Eerst toen de anderen er bij kwamen schepte hij moed en zeide: Neen, dit is slechts de herberg, de stad ligt verder.
—Is hier niet een pasgeboren kind?
De omstanders zagen elkander verbaasd aan; maar sommigen antwoordden toch: Ja, ja.
—Breng ons bij hem, riep de Griek ongeduldig.
—Ja, breng ons bij hem, herhaalde Balthasar, want wij hebben zijne ster gezien, dezelfde die gij daar boven het huis ziet, en zijn gekomen om hem te aanbidden.
De Hindoe vouwde de handen en zeide: Waarlijk God leeft! Haast u, haast u! Wij hebben den Verlosser gevonden! Gezegend zijn wij boven alle menschen!
De lieden, die nog op het dak waren, kwamen ook beneden en volgden de vreemdelingen, die door den wachter langs den ons bekenden weg gebracht werden naar de spelonk. Toen zij echter zagen dat het regelrecht op de ster afging, keerden sommigen uit angst terug, maar de overigen gingen mede. Zoodra de drie vreemdelingen de spelonk naderden rees de ster omhoog, al hooger en hooger in de lucht, om toen zij binnentraden uit het gezicht te verdwijnen.
Zij, die getuige waren van wat nu plaats had, moesten weldra erkennen, dat tusschen de vreemdelingen en de ster een goddelijk verband bestond, waar ook de bewoners van den stal in betrokken waren. Die maar eenigszins kon drong mede naar binnen. In de spelonk brandde een lantaarn, die licht genoeg verspreidde, om de drie reizigers den weg te wijzen naar de moeder, die het kind in de armen hield.
—Is dat uw kind? vraagde Balthasar aan Maria.
En zij, die alles wat het kindeke betrof in haar hart bewaarde en overlegde, hief het omhoog zoodat het licht op zijn gelaat viel en zeide: Dat is mijn zoon.
En zij vielen op de knieën en aanbaden hem.
Zij zagen dat het kind volkomen gelijk was aan andere kinderen. Geen stralenkrans of aardsche kroon sierde zijn hoofd. Zijn lippen openden zich niet om te spreken. Hoorde het hunne vreugdebetuigingen, hunne gebeden, het gaf geen teeken hoegenaamd, dat het die begreep; integendeel, het deed wat andere kinderen zouden gedaan hebben—het staarde met alle aandacht naar de vlam.
Toen zij het kindeke hunne hulde gebracht hadden, stonden zij op, gingen naar buiten naar hunne kameelen, en brachten hunne geschenken: goud en wierook en myrrhe, die zij voor het kind nederlegden. Dit was dus de Verlosser, om wien te zien zij van zooverre gekomen waren. Zonder te twijfelen aanbaden zij hem. Waarom? Hun geloof berustte op de teekenen, gegeven door Hem, dien wij als Vader hebben leeren kennen, en zij behoorden tot dezulken voor wie zijne beloften zoo algenoegzaam zijn, dat naar niets anders gevraagd wordt. Er waren slechts weinigen, die het teeken gezien en de belofte vernomen hadden—de Moeder en Jozef, de herders en zijzelven,—en die alle geloofden met een volkomen hart.
BOEK II.
EERSTE HOOFDSTUK.
ROME EN JUDEA.
Wij willen thans over een tijdruimte van 21 jaren heenstappen en staan in het begin der regeering van Valerius Gratus, den vierden keizerlijken gouverneur van Judea; een tijdvak, waarin Jeruzalem verdeeld werd door velerlei staatkundige twisten.
Herodes de Groote was een jaar na de geboorte van het kindeke gestorven—een uiteinde zoo vreeselijk, dat de Christenwereld het misschien niet ten onrechte als een straf der Goddelijke Gerechtigheid beschouwt. Als alle eerzuchtige heerschers droomde hij van een dynastie te grondvesten. Daarom bepaalde hij in zijn testament, dat het rijk verdeeld zou worden onder zijne drie zonen, Antipas, Philippus en Archelaüs, welke laatste tevens den koningstitel moest erven. Dat testament moest natuurlijk door keizer Augustus bekrachtigd worden, die dan ook alle bepalingen goedkeurde, uitgenomen ééne—hij weigerde Archelaüs den titel van koning te verleenen, voordat deze van zijne bekwaamheid en trouw bewijzen zou hebben gegeven. In plaats daarvan gaf hij hem den titel van ethnarch. Als zoodanig heeft hij negen jaar geregeerd en werd toen wegens wangedrag en onbekwaamheid afgezet en naar Gallië verbannen.
De keizer liet het daar niet bij. Hij trof de bewoners van Jeruzalem op een wijze, die hun hoogmoed pijnlijk kwetste. Judea werd namelijk een Romeinsche provincie verklaard en bij prefectuur van Syrië gevoegd. In plaats dus dat een koning met vorstelijke praal in het paleis op den berg Sion troonde, werd de stad bestuurd door een beambte van den tweeden rang, onder den titel van procurator, die, om de vernedering nog grievender te maken, niet eens te Jeruzalem mocht wonen, maar te Cesarea verblijf moest houden. Maar wat hun het meest van alles moest krenken was dat Samaria, het zoo diep verachte Samaria, aan Judea werd toegevoegd om te zamen ééne provincie te vormen.
Eén troost bleef het volk echter nog over en wel deze, dat de hoogepriester het koninklijke paleis bewonen mocht en in schijn althans de vierschaar spande. Veel te beteekenen had het niet, want de uitspraak van een vonnis, de beslissing over leven en dood, berustten bij den procurator. Het recht werd uitgeoefend in den naam en volgens de wetten van Rome, en het paleis zelf werd behalve door den hoogepriester bewoond door den Romeinschen beambte met al zijne trawanten. Toch was voor het volk, dat van betere tijden droomde, eene zekere voldoening in het feit, dat de hoogst aanwezige in het paleis een Jood was. Zijne tegenwoordigheid herinnerde hun de beloften der profeten en den tijd, toen Jehova de stammen regeerde door de zonen van Aäron; het strekte hun ten teeken dat God hen niet verlaten had, en leerde hen met geduld wachten op de komst van den zoon uit Judea's stam, die over Israël heerschen zou.
Ruim tachtig jaren was Judea een provincie geweest van het Romeinsche rijk, lang genoeg voor de keizers om te weten, dat de Jood met al zijn trots gemakkelijk kon geregeerd worden, zoo men zijn godsdienst maar eerbiedigde. Hierop acht gevende hadden Gratus' voorgangers zich zorgvuldig onthouden van eenige bemoeiing met de heilige gebruiken hunner onderdanen. Gratus sloeg echter een anderen weg in. Een van zijn eerste openbare handelingen was de ontzetting van den hoogepriester Annas, en de verheffing van Ismaël, den zoon van Fabus. Deze daad, hetzij op bevel van Augustus gepleegd, of uit eigen beweging, wekte groote ontevredenheid. Wij zullen den lezer niet vermoeien met een uitvoerig verslag van de Joodsche politiek dier tijden, maar moeten er toch tot beter begrip van ons verhaal met een enkel woord van gewagen.
In die dagen waren in Judea twee partijen, die der aanzienlijken en die des volks. Na Herodes' dood vereenigden die beide zich tegen Archelaüs, en bestreden hem nu eens door list, dan door geweld van wapenen. Meer dan eens weerklonken de heilige hallen op Moria van krijgsgeschreeuw. Schoon uiterlijk vereenigd hielden de bondgenooten ieder hun eigen belangen in het oog. De edelen haatten Joazar den hoogepriester, het volk daarentegen hing hem van harte aan. Toen Archelaüs viel sleepte hij Joazar mede in zijnen val. Annas werd door de edelen tot hoogepriester gekozen. Dat gaf het sein tot scheiding, en van nu stonden de vroegere bondgenoten vijandig tegenover elkander. Gedurende den strijd met den ongelukkigen Archelaüs had de partij der edelen raadzaam geacht zich met Rome te verbroederen, en van hen ging het plan uit om Judea tot een Romeinsche provincie te maken. Nieuwe reden tot haat voor de volkspartij, en toen Samaria aan Judea werd toegevoegd, geraakte de partij der edelen verre in de minderheid en bleven zij zonder anderen steun dan het keizerlijke hof en het prestige van hun rang en rijkdom.
In weerwil daarvan wisten zij zich toch nog vijftien jaren lang, tot aan de komst van Valerius Gratus, te handhaven in het paleis en in den tempel. Annas, de door hen verkozen hoogepriester, had zijne macht trouw gebruikt ten voordeele van zijn keizerlijken heer. Een Romeinsch garnizoen bezette den burcht Antonia, een Romeinsche wacht bewaakte de poorten van het paleis, een Romeinsch rechter deed uitspraak in de beide rechten, een Romeinsch belastingssysteem, met groote gestrengheid toegepast, drukte stad en land. Dagelijks werd het volk op duizenderlei wijze gekweld en moest het zijne afhankelijkheid gevoelen.
Toch vermocht Annas hen betrekkelijk rustig te houden. Rome bezat géén trouwer vriend, en bij zijn aftreden werd zijn gemis diep gevoeld. Zoodra Ismaël in zijne plaats het hoogepriesterlijk kleed had aangedaan, verruilde Annas de tempelhoven met de raadzaal der volkspartij en wijdde zich voortaan aan hare belangen. Het vuur, dat vijftien jaren gesmeuld had, dreigde met vernieuwde kracht op te vlammen. Een maand na Ismaëls verheffing tot hoogepriester achtte Gratus, de procurator, noodig hem te Jeruzalem te bezoeken. Toen de Joden, die hem van de wallen uitfloten, zagen, dat zijne wacht door de Noordpoort Jeruzalem binnentrok en naar den burcht Antonis marcheerde, begrepen zij het ware doel zijner komst: een gansche cohorte van Romeinsche legioenen werd aan het reeds aanwezige garnizoen toegevoegd, en de strop om hun hals nauwer aangehaald. Wee den overtreder, als de procurator soms noodig mocht achter een voorbeeld te stellen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
MESSALA EN JUDA.
Op de hoogte van den stand van zaken, kunnen wij thans den lezer verzoeken, ons in den geest te volgen naar een der tuinen van het paleis op den berg Sion. Het is een warme namiddag in de maand Juli. De tuin is aan alle zijden omgeven door gebouwen, van veranda's en galerijen voorzien, en door open kolonnaden met elkander verbonden, zoodat de wandelaar, indien er een windje waait, in de gelegenheid wordt gesteld er zijn voordeel mede te doen.
De aanleg van den hof is streelend voor het oog. Lanen, grasperken, sierlijke heesters, enkele hooge boomen, bieden rijke afwisseling. In het midden een springfontein, wier heldere waterstraal de naaste omgeving koel houdt.
Niet ver van die fontein zaten twee knapen van negentien en zeventien jaar in ernstige gesprekken verdiept. Bij den eersten aanblik zou men hen voor broeders gehouden hebben. Beiden waren zwart van haar en oogen, beider gelaat was door de zon verbrand. De oudste zat blootshoofds. Een ruime tunica, tot aan de knie reikend, was zijn eenig bekleedsel, zijn lichtblauwe mantel strekte hem tot zitkussen. De tunica van fijne, grijze wollen stof, met rood omboord en om het midden bevestigd met een zilveren koord, maakt den Romein kenbaar, en, indien hij onder het spreken wel eens uit de hoogte neerziet op zijn makker en hem als zijn mindere behandelt, wie, die weet dat hij tot een der voornaamste geslachten van Rome, het geslacht Messala, behoort, zal het hem euvel duiden?
In de bloedige oorlogen tusschen den eersten keizer en zijn groote tegenstanders was een Messala de vriend geweest van Brutus. Later, toen Octavianus om de kroon streed, ondersteunde Messala hem. Octavianus, keizer Augustus geworden zijnde, gedacht zijne diensten en overlaadde zijn geslacht met eerbewijzen. Toen Judea een provincie van het Romeinsche rijk geworden was, zond hij den zoon van zijn ouden vriend als ontvanger der belasting naar Jeruzalem, in welke hoedanigheid hij met den hoogepriester het paleis bewoonde. De jongeling met wien wij zooeven kennis maakten was zijn zoon, en die jeugdige Messala was er niet weinig trotsch op, dat zijn grootvader in zoo nauwe betrekking gestaan had tot de edelsten onder de Romeinen.
De andere knaap was tengerder van gestalte. Zijn kleeding was van fijn wit linnen, zooals men ze gewoonlijk in Jeruzalem droeg, en een laag in den nek neerhangende doek beschermde zijn hoofd tegen de zonnestralen. Zijn gelaat was van het zuiver Joodsche type. Was de schoonheid van den Romein streng en klassiek, die van de Joodschen knaap was weelderig en aanvallig.
—Zeidet gij niet dat de nieuwe procurator morgen komt? vraagde de jongste der knapen in het Grieksch, de taal die toen, vreemd genoeg, in Judea overal gebruikelijk was onder het beschaafd publiek.
—Ja, morgen, antwoordde Messala.
—Wie heeft het u verteld?
—Ik heb het Ismaël, den nieuwen gouverneur van het paleis, gij noemt hem den hoogepriester, gisterenavond aan mijn vader hooren vertellen. Ik geef toe, dat het meer geloofwaardig zou zijn, als een Egyptenaar, of zelfs een Idumeër het gezegd had; daarom heb ik het van morgen aan een hoofdman van den burcht gevraagd. Hij zeide dat alles voor de ontvangst in gereedheid werd gebracht, dat de wapenknechten helmen en schilden oppoetsten en de arenden verguldden; dat ongebruikte vertrekken schoon gemaakt en gelucht werden, alsof men eene vermeerdering van garnizoen wachtte; de lijfwacht misschien van den grooten heer.
Een schaduw vloog over Juda's gelaat; hij staarde op den grond.
—Herinnert gij u nog, vraagde Messala, dat wij hier in den tuin afscheid van elkander namen, toen ik naar Rome ging? De vrede Gods vergezelle u! dat waren uw laatste woorden, en ik zeide: Mogen de goden u bewaren. Hoe lang is dat nu al geleden?
—Vijf jaar, antwoordde de ander.
—Nu, gij hebt alle reden van dankbaarheid jegens—ja, jegens wie? De goden?... Wel, het doet er niet toe. Gij zijt flink opgegroeid, de Grieken zouden u mooi noemen. Was Jupiter maar tevreden met één Ganymedes, wat een kostelijke schenker zoudt gij dan niet voor den keizer zijn. Maar zeg mij, Juda, waarom stelt gij zooveel belang in de komst van den procurator?
Juda sloeg de groote ogen op en zag zijnen vriend ernstig aan.—Ja, vijf jaren, zeide hij. Ik herinner het mij nog heel goed. Gij gingt naar Rome. Ik zag u wegrijden en weende, want ik had u lief. De jaren zijn voorbijgegaan en gij zijt tot mij teruggekeerd, goed onderwezen, en vorstelijk in uw voorkomen—neen, ik scherts niet; maar toch, toch wilde ik dat gij dezelfde Messala waart van vroeger.
—Neen, neen, geen Ganymedes, een orakel is mijn vriend Juda. Enkele lessen bij mijn ouden leermeester in de rhetorica, vlak bij het Forum, een weinig oefening in de kunst der mysteriën, en Delphi zal in u Apollo zelven zien. Maar alle gekheid ter zijde, in welk opzicht ben ik niet de Messala, die ik was bij mijn vertrek? Ik heb eenmaal onder het gehoor gezeten van den grootsten philosoof onder de zon. Eén gezegde herinner ik mij nog: Tracht uw tegenstander te begrijpen voordat gij hem antwoordt.—Stel mij in de gelegenheid u te begrijpen.
Een donkere blos steeg Juda naar 't gelaat onder Messala's spottenden blik; toch antwoordde hij op vasten toon: Ik bemerk dat gij uw tijd goed gebruikt hebt. Gij hebt veel kennis opgedaan, gij spreekt met groote gemakkelijkheid, maar in uwe woorden ligt een angel verborgen. Toen mijn vriend Messala wegging was zijne natuur giftvrij. Voor niets ter wereld zou hij zijn vriend gegriefd hebben.
De Romein glimlachte, alsof hij zich gestreeld voelde en hief het hoofd trotsch omhoog. O, plechtstatige Juda, wij zijn niet te Dodona. Laat dien orakeltoon varen, druk u duidelijk uit. Waarmede heb ik u gegriefd?
De ander haalde diep adem, trok de koorden van zijn kleed wat stijver aan en zeide: In die vijf jaren heb ik ook wel wat geleerd. Hillel moge niet gelijk staan met uw onderwijzer in de logica, en Simeon en Shammai niet in één adem te noemen zijn met uw leeraar bij het Forum; maar hunne leer gaat niet op verboden wegen. Die aan hunne voeten zit, gaat heen vervuld met de kennisse Gods, met de kennis der wet en van Israël; en de vrucht daarvan is liefde en eerbied voor alles wat daarop betrekking heeft. Door het bijwonen der vergaderingen van den Grooten Raad en het bestudeeren van hetgeen ik daar vernam, ben ik tot het inzicht gekomen, dat Judea niet is wat het vroeger was. Ik ken het onderscheid tusschen een onafhankelijk koninkrijk en de weinig beteekende provincie, die Judea thans is, en zou een nietswaardige zijn, ellendiger nog dan een Samaritaan, indien de vernedering van mijn land mij niet diep ter harte ging. Ismaël is niet de rechtmatige hoogepriester, en kan dat niet zijn, zoolang de edele Annas leeft; maar toch is hij een Leviet, een van de Godgewijden, die duizenden van jaren den Heer onzen God gediend hebben naar onze wetten. Zijn—
Messala viel hem spotachtig lachend in de rede en zeide: O, nu begrijp ik u. Ismaël is, zegt gij, een indringer; maar dat ik een Idumeër eer gelooven zou dan hem steekt u,—bij alle goden van den Olympus, wat zijt gij, Joden, toch zeldzame wezens! Menschen en dingen, hemel en aarde veranderen, maar een Jood verandert nooit. Voor hem bestaat geen voor- of achterwaarts; hij is wat zijne voorvaders in het begin waren. Kijk, ik trek een cirkel in het zand—zoo! en toon mij nu eens aan, waarin het leven van een Jood verschilt. In de rondte, in de rondte, Abram hier, Izaäk en Jakob daar, God in het midden. En de cirkel,—bij den dondergod! de cirkel is nóg te groot. Ik zal een nieuwen trekken.
Hij zweeg, zette zijn duim op den grond en draaide er met de uitgestrekte vingers omheen. Kijk, mijn duim wijst de plaats aan waar de tempel staat, met de vingertoppen trek ik de grenzen van Judea. Is er buiten die grenzen iets, dat ulieden belang inboezemt? De kunsten misschien? Herodes was een bouwmeester, daarom is hij vervloekt. Schilder- of beeldhouwkunst? Het beschouwen van hare voortbrengselen is zonde. De dichtkunst hebt gij gebonden aan uwe altaren. Wie van u waagt het als redenaar op te treden, behalve in de synagoge? In den oorlog verliest gij op de zevenden dag alles wat gij op de zes voorafgaande gewonnen hebt. Zoo is uw leven, uw gezichtskring. Wie zal mij ten kwade duiden als ik daarover lach? Wat is uw God, tevreden met de aanbidding van zulk een volk, vergeleken met onzen Jupiter, die ons zijne adelaars afstaat, om er de gansche wereld mee te veroveren? Hillel, Simeon, Shammai, wat zijn die allen, vergeleken met de meesters, die ons leeren dat alles wat geweten kan worden wetenswaard is?
De Jood stond op, zijne oogen schoten vuur.
—Neen, neen, blijf zitten, Juda, blijf zitten, riep Messala, de hand naar hem uitstrekkende.
—Gij bespot mij.
—Luister nog even, zeide Messala lachend. Ik ben u werkelijk dankbaar, dat gij het oude huis uwer vaderen verlaten hebt om mij hier te komen verwelkomen en onze vroegere vriendschap weder aan te knoopen, indien ons dat mogelijk is. Ga, zeide mijn leermeester bij zijn laatste les, ga, en zoo gij beroemd wilt worden, bedenk dan dat Mars regeert en Eros zijne oogen gevonden heeft. Hij bedoelde: liefde is niets, oorlog alles. Zoo is het in Rome. Het huwelijk is de eerste stap tot echtscheiding. Eros is gevallen, Mars regeert. Ik word soldaat; maar u, Juda, beklaag ik, want wat kunt gij worden?
Juda zweeg.
—Ja, ik beklaag u, arme Juda. Van de school in de synagoge, dan naar den tempel, en dan, o heerlijkheid, een zetel in het Sanhedrin. Een leven zonder vooruitzichten! Maar ik—en Juda zag hem in het van overmoed stralend gelaat,—maar ik—nog is de wereld niet veroverd. De zee bergt onbekende eilanden. In het noorden leven nog volken, waarmede wij een lans kunnen breken. Alexanders tocht naar het verre oosten te voleindigen blijft nog voor den een of ander over. Hoevele gelegenheden heeft een Romein dus om zich te onderscheiden.
Na een korte pauze hervatte hij: een veldtocht naar Afrika, een veldtocht naar Scythië, dan—een legioen! De meesten eindigen hunne loopbaan daarmede, niet alzoo ik. Ik, bij Jupiter, welk een vooruitzicht, ik zal mijn legioen opgeven voor een prefectuur. En wat wil dat niet zeggen! een leven in Rome met geld—geld, wijn, vrouwen, spelen, dichters bij het feestmaal, intriges aan het hof, dobbelspel het gansche jaar door. Ziedaar het leven dat ik verlang—een voordeelige prefectuur, en ik heb alles wat ik begeer. O Juda! hier is Syrië! Judea is rijk; Antiochië een hoofdstad voor de goden. Ik word de opvolger van Cyrenius, en gij—zult mijn geluk met mij deelen.
Romeinsche sophisten en rederijkers zouden Messala waarschijnlijk toegejuicht hebben; maar den jongen Jood klonken deze dingen vreemd in de ooren. Het was zoo geheel anders dan hij gewoon was. De wetten en zeden van zijn volk lieten satire noch humor toe, geen wonder dus dat hij met gemengde gewaarwordingen naar zijn vriend luisterde, het eene oogenblik verontwaardigd, het andere niet wetende wat er van te maken. Messala's hooghartige houding had hem dadelijk onaangenaam getroffen, weldra werd zij hem zeer hinderlijk, ten slotte onverdragelijk. In zulke gevallen is men licht geneigd tot toorn, en niet dan met de grootste moeite bedwong Juda zich, om met een stijf lachje te kunnen zeggen: Ik heb wel eens hooren beweren, dat er menschen zijn, die met hunne toekomst kunnen spotten; ik bemerk dat ik niet tot hun getal behoor.
De Romein zag hem onderzoekend aan en zeide: Waarom zou men de waarheid niet even goed in schertsenden vorm mogen voorstellen, als in een parabel? Onlangs ging de groote Fulvia visschen; zij ving meer dan het geheele overige gezelschap te samen. De reden daarvan was, zeide men, dat zij een gouden haak aan haar hengel had.
—Dan was wat gij daar straks zeidet niet alles in scherts gezegd?
—Vriend Juda, ik zie dat ik u niet genoeg geboden heb. Zoodra ik prefect ben, met Juda om mij te verrijken, maak ik u tot hoogepriester.
Juda wendde zich toornig af.
—Ga niet heen, bad Messala.
De ander bleef besluiteloos staan.
—Groote goden, Juda, wat wordt het warm! riep de Romein, om een wending aan het gesprek te geven. Laat ons een plekje in de schaduw zoeken.
Maar Juda antwoordde koel: Het is beter als wij van elkander gaan. Ik wilde dat ik niet gekomen was. Ik zocht een vriend en vond—
—Een Romein, vulde Messala aan.
Juda balde de vuisten krampachtig; maar zich nogmaals bedwingende ging hij heen. Messala stond op, nam zijn mantel, wierp dien over zijn schouder en volgde zijn vriend. Toen hij hem ingehaald had legde hij zijn hand op Juda's schouder en liep naast hem voort. Weet gij nog wel, zeide hij, dat wij als kinderen altijd zoo liepen, ik met mijn hand op uw schouder? Laat ons zoo voortgaan tot aan de poort?
Messala deed klaarblijkelijk zijn best om ernstig en vriendelijk te zijn; maar zijn gelaat behield de gewone spotachtige uitdrukking. Juda onttrok zich niet aan dat bewijs van toenadering.
—Gij zijt een knaap, ik ben een man; sta mij toe als man tot u te spreken.
Het zelfbehagen, waarmede de Romein dit zeide, was werkelijk eenig. Mentor, den jongen Telemachus wijze lessen gevende, had het hem niet kunnen verbeteren.
—Gelooft gij aan de Parcen? Maar 't is waar, ik vergat dat gij een Sadduceër zijt. De Esseërs, dat zijn bij u de verstandige lieden; zij gelooven aan de zusters. Ik ook. Wat zit dat drietal ons altijd in de weg bij het plannen maken! Ik ben bezig een plan te maken. Ik baken mijn weg af, hierheen en daarheen, bij Apollo, op het oogenblik dat ik de hand uitstrek om mijn doel te bereiken, hoor ik achter mij haar schaar knarsen. Ik zie om, en daar is zij!—Maar Juda, waarom werdt gij half razend toen ik van de mogelijkheid sprak, dat ik Cyrenius zou opvolgen? Dacht gij dat ik mijzelven wilde verrijken door uw Judea te plunderen? En gesteld dat het zoo was, op een goeden dag zal de eene of andere Romein dat zeker doen—waarom ik dan niet?
Juda vertraagde zijnen stap.
—Vreemde overheerschers hebben Judea onderdrukt, voordat de Romeinen het onderwierpen, zeide hij op plechtigen toon. Waar zijn zij gebleven, Messala? Judea heeft ze allen overleefd. Wat eenmaal was zal wederom zijn.
Op luchthartigen toon antwoordde Messala: De Parcen hebben nog meer aanhangers behalve de Esseërs. Welkom, Juda, gij zijt een van de haren.
—Neen, Messala, reken mij daar niet toe. Mijn geloof rust op de rots, die de grondslag was van het geloof mijner vaderen—op het verbond van den God van Israël.
—Veel te hartstochtelijk, Juda! Wat zou mijn leermeester zich geërgerd hebben, als ik mij in zijne tegenwoordigheid zoo had durven opwinden! Er waren nog andere dingen, die ik u had willen vertellen; maar nu durf ik niet.
Zwijgend gingen zij een eind verder, toen begon Messala weer: Ik geloof dat gij thans wel weder in staat zijt om naar mij te luisteren, vooral omdat wat ik te zeggen heb uzelven betreft. Ik zou u, mijn schoone Ganymedes, gaarne van dienst zijn. Ik houd van u, zooveel als ik maar kan. Ik zeide u, dat ik van plan ben soldaat te worden. Waarom zoudt gij mijn voorbeeld niet volgen? Waarom zoudt gij niet uit den engen cirkel stappen, waarin uw leven besloten moet zijn, wanneer gij hier blijft?
Juda gaf geen antwoord.
—Wie zijn in onze dagen de wijzen? vervolgde Messala. Niet zij die hun leven doorbrengen in twisten over doode zaken, over Baäls, Jupiters en Jehova's, over wijsbegeerten en godsdiensten. Noem mij één grooten naam, onverschillig waar gij hem vandaan haalt—uit Rome, Egypte, het Oosten, of hier uit Jeruzalem, en Pluto moge mij hebben, als die naam niet toebehoort aan een man, die zijn roem schiep uit het materiaal, dat het tegenwoordige hem verschafte, die iets heilig achtte, dat hem niet diende, en iets verachtte, dat hem zijn doelwit kon helpen bereiken. Hoe was het met Herodes? Hoe met de Makkabeën? Hoe met den eersten en tweeden keizer? Volg hen na. Begin vandaag nog. Rome is even bereidwillig om u te helpen, als den Idumeër Antipater.
De Joodschen knaap trilde van toorn, en daar de poort openstond versnelde hij zijnen stap, om zoo spoedig mogelijk vrij te zijn. O Rome, Rome, mompelde hij.
—Wees wijs! zeide Messala. Geef de dwaasheden van Mozes en de overleveringen op. Beschouw de werkelijkheid zooals zij is. Heb den moed om de Parcen in de oogen te zien en zij zullen u zeggen: Judea is wat Rome wil, dat het zijn zal.
Thans waren zij aan de poort gekomen. Juda stond stil en zag Messala aan, de oogen vol tranen. Ik begrijp u, zeide hij, omdat gij een Romein zijt; gij kunt mij niet begrijpen, omdat ik een Israëliet ben. Gij hebt mij pijn gedaan door mij te doen gevoelen, dat wij nooit meer de vrienden kunnen zijn, die wij vroeger waren—nooit meer. Hier scheiden wij. De vrede van den God mijner vaderen zij met u!
Messala bood hem de hand, maar Juda ging de poort door en verdween. De Romein bleef een oogwenk peinzend staan, toen ging ook hij verder met de woorden: Het zij zoo. Eros is dood, Mars regeert!
DERDE HOOFDSTUK.
JUDA THUIS.
Juda stapte intusschen haastig voort, verscheidene straten door, totdat hij een hecht, vierkant gebouw bereikte, waar hij aanklopte. Toen hem was opengedaan, trad hij een smalle gang in, aan beide zijden van steenen banken voorzien, zwart van ouderdom. Aan het einde van die gang voerde een trap van vijftien treden naar een binnenplaats, aan drie zijden door het huis ingesloten, hetwelk beneden verdeeld was in vakken, terwijl de bovenverdieping van terrassen voorzien was. De bedienden, die af en aan gingen, het geluid van malende molensteenen, de kleedingstukken, die aan de drooglijnen hingen, de kippen en duiven, de geiten, koeien, ezels en paarden in de vakken gestald, een groote waterbak—alles toonde duidelijk aan, dat deze binnenplaats voor huishoudelijke doeleinden gebruikt werd. Aan de oostzijde was een tusschenmuur, waardoor een poort toegang verleende tot een tweede plaats, ruim en vierkant, in een hof herschapen door heesters en klimplanten, bloeiend en frisch gehouden door een fontein in het midden. Hier waren de vakken tot vertrekjes ingericht, hoog, luchtig, en van wit- en roodgestreepte voorhangsels voorzien. Uit dezen hof voerde een trap naar de terrassen op de bovenverdieping, vanwaar een tweede trap naar het platte dak leidde, dat rondom door een borstwering omgeven was. Uit de geheele inrichting van deze woning kon men zien, dat de bewoners lieden van aanzien waren.
In den hof gekomen begaf Juda zich tusschen het bloeiend struikgewas door naar de trap, om het terras te bereiken en zijn eigen kamer op te zoeken. Het zware gordijn oplichtende, dat den toegang afsloot, trad hij binnen en wierp zich voorover op den divan. Zoo bleef hij uren liggen, totdat tegen den avond een vrouw op den drempel verscheen en zijn naam noemde. Op zijn toestemming trad zij binnen. Het avondeten is gebruikt, zeide zij, het is geheel donker. Heeft mijn zoon geen honger?
—Neen.
—Zijt gij ziek?
—Ik heb slaap.
—Uwe moeder heeft naar u gevraagd.
—Waar is zij?
—In het zomerhuisje op het dak.
Juda richtte zich op en zat overeind. Heel goed, breng mij iets te eten.
—Wat zal ik u brengen?
—Wat gij wilt, Amrah. Ik en niet ziek; maar het is mij alles onverschillig. Het leven lacht mij niet meer zoo vriendelijk toe als van morgen. 't Is een nieuwe ziekte, Amrah; en gij, die mij zoo goed kent en mij altijd in alles geholpen hebt, moet nu maar eens iets bedenken, dat te gelijk tot voedsel en medicijn kan dienen. Breng mij dus wat gij noodig oordeelt.
Amrah's vragen en haar zachte sympathieke toon spraken van een innige verhouding tusschen die beiden. Zij legde hare hand op zijn voorhoofd, en verwijderde zich toen zeggende: Ik zal er voor zorgen. Een poosje later kwam zij terug en bracht op een houten blad een beker wijn, een kom melk, een paar sneedjes wittebrood, een stuk gebraden kip, honing en zout, en een bronzen lamp. Nu schoof Amrah een tafeltje aan, zette het blad daar op en knielde naast den divan neder om den knaap te bedienen.
Oogenschijnlijk was zij een vrouw van vijftig jaren, donker van uitzicht, donker van oogen. Een witte tulband bedekte haar hoofd, de oorlapjes echter vrij latende, die het merkteeken droegen van haren stand in de maatschappij.
Zij was een Egyptische slavin, aan wie zelfs het heilige vijftigste jaar niet de vrijheid zou hebben kunnen hergeven, wat zij overigens ook niet begeerde, want de knaap, dien zij verzorgde, was haar lief als haar leven. Zij had hem van zijn vroegste jeugd verpleegd en vond daarin haar geluk.
Hij sprak slechts eenmaal gedurende den maaltijd. Amrah, herinnert gij u Messala nog, die vroeger soms heele dagen bij mij kwam?
—Zeker.
—Hij ging eenige jaren geleden naar Rome en is nu teruggekomen. Ik ben van middag bij hem geweest.
Een beweging van onwil maakte Amrah alles duidelijk. Ik begreep dadelijk dat u iets onaangenaams was overkomen, zeide zij hartelijk. Ik heb nooit van dien Messala gehouden. Vertel mij alles.
Juda verviel echter in een mijmering en antwoordde op haar dringend vragen alleen dit: Hij is zeer veranderd en ik wil niets meer met hem te doen hebben.
Toen Amrah het blad wegnam stond ook Juda op en begaf zich naar het platte dak.
In het oosten wordt het dak van het huis tot allerlei doeleinden gebruikt. De hitte drijft gedurende de middaguren den gemaklievende in de koele, donker gemaakte vertrekken. Zoodra echter de zon ten ondergang neigt, komt hij naar buiten en begeeft zich op het platte dak zijner woning, dat hem en de zijnen tot huiskamer, salon, speelplaats, bidvertrek dient. Worden in kouder klimaat geen kosten gespaard om het inwendige van een huis te verfraaien, in het oosten besteedt men de meeste moeite om het platte dak geriefelijk, zelfs weelderig in te richten. De hangende tuinen van Babylon kunnen ons een denkbeeld geven hoever dat streven eindelijk ging.
Juda stak het dak over naar de torenkamer in den noordwestelijken hoek van het huis. Den voorhang ter zijde schuivende trad hij binnen. Het was er donker; maar daar aan vier zijden boogvormige openingen waren aangebracht, kon men de sterren aan den hemel zien schitteren. In een van die openingen rustte een vrouw in halfliggende houding op een divan. Toen zij hem hoorde naderen liet zij haren waaier op de knie zinken en riep: Juda, mijn zoon!
—Hier ben ik, moeder, antwoordde hij, en knielde voor haar neder, terwijl zij beide armen om zijn hals sloeg en hem teederlijk kuste.
VIERDE HOOFDSTUK.
JUDA'S MOEDER.
De moeder hernam hare gemakkelijke houding en de zoon zette zich op den grond, het hoofd tegen hare knie geleund. Beiden staarden door de opening over de lagere huizen naar de bergen in het westen. Rondom hen heerschte diepe stilte, alleen een zacht windje ruischte door de lucht.
—Amrah heeft mij verteld dat u iets onaangenaams is overkomen, zeide zij zacht.—Toen mijn Juda nog een kind was, mocht hij zich door kleinigheden laten ontstemmen; maar nu hij een man geworden is moet hij niet vergeten, dat hij eenmaal mijn held zal zijn.
Zij sprak in de taal, waarvan men zich slechts zelden meer bediende; maar die bij enkele aanzienlijke familiën in eere gehouden werd, om het onderscheid tusschen Joden en Heidenen scherp af te teekenen, de taal, waarin Rebekka en Rachel hare kinderen in slaap zongen.
Die woorden stemden Juda weder tot nadenken. Na een poosje echter greep hij de hand, waarmede zij hem koelte aanbracht, en zeide: Ja moeder, vandaag is mij allerlei door het hoofd gegaan, waaraan ik nog nooit gedacht heb. Zeg mij allereerst: wat moet ik worden?
—Heb ik het u niet reeds gezegd? Gij moet mijn held worden.
Hij kon haar gelaat niet zien, maar hij wist dat zij scherste. Op ernstigen toon zeide hij: Wat zijt gij toch lief en goed, moeder. Niemand kan ooit zooveel van mij houden als u.
Hij kuste herhaaldelijk hare hand.—Ik begrijp wel waarom u mijne vraag niet dadelijk wilt beantwoorden. Tot nu heeft mijn leven u behoord. Hoe zacht, hoe liefelijk was uwe leiding. Ik wilde dat het altijd zoo kon blijven; maar dat is onmogelijk. Het is des Heeren wil, dat ik eenmaal mijzelven zal toebehooren—een droevige dag, een dag van scheiding wacht ons. Laat ons moedig en ernstig zijn. Ik wil uw held worden; maar u moet mij helpen. U kent de wet—ieder Israëliet moet een bepaalden werkkring hebben. Ik zoo goed als een ander, en daarom vraag ik: Wat zal ik worden? Zal ik de kudden verzorgen? of den akker bebouwen? of de zaag ter hand nemen? of zal ik schrijver of schriftgeleerde worden? Wat zal het zijn? Lieve, goede moeder, help mij het antwoord vinden.
—Gamaliël heeft zeker vandaag een voordracht gehouden, zeide zij op peinzenden toon.
—'t Is mogelijk; maar ik was niet onder zijn gehoor.
—Dan hebt gij gewandeld met Simeon, die, naar men zegt, het talent van zijne familie geërfd heeft.
—Neen, ik heb hem niet gezien. Ik ben in het paleis geweest, niet in den tempel. Ik heb den jongen Messala een bezoek gebracht.
Een zekere verandering in zijn toon trok de aandacht der moeder. Een angstig voorgevoel versnelde haar harteklop. De waaier bleef weder rusten.
—Messala? Wat kon die zeggen om u onrustig te maken?
—Hij is zeer veranderd, moeder.
—Gij bedoelt, dat hij als Romein terugkwam?
—Ja.
—Romein, herhaalde zij half tot zichzelve, dat wil overal zeggen: heerscher. Hoe lang is hij weg geweest?
—Vijf jaar.
Zij hief het hoofd een weinig op en staarde naar buiten.
—Wat Messala zeide, moeder, was op zichzelf scherp genoeg; maar de manier waarop hij het deed was soms overdragelijk.
Ik geloof dat ik u begrijp. Rome, haar dichters, redenaars senatoren, hovelingen, zij zijn allen evenzeer verzot op satire.
—Ik geloof dat alle machtige volken trotsch zijn, zeide Juda, maar de trots van dat volk lijkt nergens naar. Het is tegenwoordig zoo erg, dat hunne goden ternauwernood aan hunnen spot ontkomen.
—De goden! zeide de moeder levendig, meer dan één Romein heeft goddelijke eerbewijzen als zijn recht geëischt.
—Zie, moeder, Messala is altijd min of meer behept geweest met die onaangename eigenschap. Toen hij nog een kind was heb ik hem meermalen vreemdelingen zien bespotten, die toch door Herodes met eerbewijzen worden ontvangen; maar mij liet hij altijd ongemoeid. Vandaag heeft hij voor het eerst op gekscherenden toon gesproken over onze gebruiken en onzen God. Ik heb voorgoed met hem gebroken. Maar nu, lieve moeder, wilde ik gaarne met zekerheid weten, of er werkelijk een grond bestaat voor de minachting, waarmede de Romein ons behandelt. In welk opzicht ben ik zijn mindere? Waarom zou ik mij ooit, zelfs in tegenwoordigheid des keizers, als een slaaf gevoelen? Zeg mij bovenal waarom ik niet, als ik er den lust toe had, wereldsche eer in al haren omvang mag najagen? Waarom mag ik het zwaard niet dragen en ten strijde trekken? Waarom mag ik niet als dichter alle onderwerpen bezingen? Ik mag de edele metalen bewerken, de kudden weiden, een koopman zijn, maar waarom niet een kunstenaar, zooals de Grieken? Zeg mij dat, moeder, en dat is eigenlijk wat mij kwelt: waarom mag een zoon van Israël niet alles doen wat een Romein doet?
De moeder richtte zich op en antwoordde: Mijn zoon, Messala was als kind door zijnen omgang met u en uwe vriendjes bijna zelf een Jood; was hij hier gebleven, dan zou hij mogelijk een jodengenoot geworden zijn; maar de jaren in Rome doorgebracht hebben hunnen invloed doen gelden. Ik verwonder mij niet over de verandering, maar—hare stem beefde—hij had zich tegenover u althans in acht moeten nemen. Slechts een harde, wreede natuur kan de eerste liefde vergeten.
Zachtkens liet zij de hand op het hoofd haars zoons rusten. Zij wilde hem antwoorden naar zijne behoeften; maar dat antwoord moest volkomen bevredigend zijn. Zou zij daartoe in staat wezen?
—Wat gij mij vraagt, mijn kind, is eigenlijk niet door eene vrouw te beantwoorden. Geef mij tijd tot morgen, dan zal ik den wijzen Simeon—
—Neen, moeder, zend mij niet naar hem.
—Wees gerust. Ik zal hem vragen bij ons te komen.
—Neen, moeder, want ik heb iets anders noodig dan een onderwijzing. Hij kan mij niet geven waar ik behoefte aan heb, dat kunt u echter wel. Ik moet een besluit kunnen nemen, en daaraan kunt u alleen mij helpen.
Zij zag smeekend op naar den hemel, alsof zij om wijsheid bad, en zeide: Als wij voor onszelven recht begeeren gaat het niet aan onbillijk te zijn jegens anderen. Door af te dingen op den moed van eenen overwonnen vijand verkleinen wij onze eigene overwinning, en als de vijand sterk genoeg is om ons den terugtocht af te snijden en tot onderwerping te brengen, dan eischt de achting voor onszelven, dat wij naar een andere oorzaak van ons ongeluk zoeken, liever dan zijne verdienste te verdonkeren. Schep moed, mijn zoon. Messala stamt, zooals gij weet, uit een oud aanzienlijk geslacht. Reeds ten tijde der Romeinsche republiek, en hoe lang is dat al niet geleden, was het beroemd, en waren niet weinigen in aanzienlijke betrekkingen geplaatst. Ik herinner mij slechts één consul van dien naam; maar zij hadden allen den rang van Senatoren, en hun patronaat was zeer gezocht, omdat zij altijd rijk zijn geweest.
Als uw vriend vandaag gepocht had op zijne voorvaderen, dan had gij hem echter, door op uw voorgeslacht te wijzen, beschaamd kunnen doen staan. Had hij u, om zijne meerderheid te toonen, op de daden, den rang, den rijkdom van zijne familie gewezen, hoewel dergelijke zinspelingen, behalve wanneer het volstrekt noodig is, van kleingeestigheid getuigen, dan hadt gij u ook daarin punt voor punt onbevreesd met hem kunnen meten.
Hier zweeg zij en dacht een oogenblik na. Toen vervolgde zij: Waarnaar wordt de adeldom van een geslacht of familie berekend? Naar den duur van hun bestaan, zou ik denken. Welnu, in dat opzicht moet een Romein tegenover een Israëliet steeds het onderspit delven. Hij kan niet verder terugrekenen, dan tot aan de stichting van Rome. Messala ook niet. Maar wij? Hoe staat het met ons?
Als er wat meer licht geweest was had Juda kunnen zien hoe de oogen zijner moeder fonkelden. Stel voor een oogenblik, hernam zij, dat de Romein ons den handschoen toewierp, ik zou hem vastberaden te gemoet treden. Hare stem trilde, een liefelijke herinnering bracht een wijziging in den vorm harer redeneering.—Uw vader, mijn zoon, is ter ruste gelegd bij zijne vaderen; maar ik herinner mij als den dag van gisteren het oogenblik, waarop hij en ik met tal van vrienden opgingen naar den tempel, om u den Heer voor te stellen. Wij offerden de duiven, ik gaf den priester uw naam op. In mijne tegenwoordigheid schreef hij dien in het boek der geslachten van Israël: Juda, zoon van Ithamar, uit het huis van Hur. Ik zou u niet kunnen zeggen wanneer men met die inschrijvingen begonnen is. Wij weten echter dat die gewoonte reeds bestond vóór den uittocht uit Egypte. Ik heb Hillel hooren zeggen, dat Abraham het register met zijn eigen naam en de namen zijner zonen geopend heeft, toen God hem riep om zich af te zonderen van de andere volken, om hem tot den stamvader van zijn eigen uitverkoren volk te maken.
Ons volk heeft in menig opzicht de wet overtreden, maar op het geslachtsregister heeft het altijd zeer nauwkeurig toegezien. Hillel heeft zelf de boeken bestudeerd. Zij loopen over drie perioden: van de belofte tot aan den tempelbouw, van den tempelbouw tot aan de ballingschap, van de ballingschap tot op den huidigen dag. Eenmaal slechts werd het onderbroken en wel op het einde der tweede periode; maar toen het volk uit de ballingschap was teruggekeerd, heeft Zerubbabel als een heilige plicht de Boeken in orde gebracht, en ons in staat gesteld de lijn onzer afkomst gedurende volle twee duizend jaren rugwaarts te volgen.
Wat blijft nu over, denkt gij, van de Romeinsche pocherij op oud bloed? Naar dien maatstaf gemeten zijn de zonen Israëls, die op gindsche bergen de kudden weiden, edeler dan de edelsten onder de Romeinen.
—En ik, moeder, wie ben ik volgens de Boeken?
—Wat ik gezegd heb, mijn zoon, was een inleiding op uwe vraag. Als Messala hier was zou hij kunnen zeggen, dat wij met zekerheid niet verder kunnen terugrekenen dan tot den tijd, toen de Assyriërs Jeruzalem innamen en den tempel van zijne kostbaarheden beroofden; maar dan zou ik hem op Zerubbabels werk wijzen. Neen, onze registers zijn trouw en waarachtig, en als gij zo naslaat in omgekeerde orde, eerst tot de ballingschap, dan tot aan den bouw van den eersten tempel, terug tot aan den uittocht uit Egypte, dan kunt gij met den vinger aantoonen, dat gij lijnrecht afstamt van Hur, den tijdgenoot van Jozua. En is u dat niet genoeg, neem de Torah en doorzoek het boek Numeri, en onder de tweeënzeventig generaties na Adam kunt gij uw eigen stamvader vinden.
Diepe stilte heerschte een tijdlang in het vertrek, toen zeide Juda: Dank, lieve moeder, dank. Ziet u wel, dat ik gelijk had, toen ik er den eerwaarden Hillel niet bij begeerde? Hij kon mij niet zoo goed helpen, als u. Maar is om een geslacht waarlijk te adelen niets meer noodig dan tijd?
—O, nu vergeet gij, dat wij nog op iets anders dan op den tijd alleen bogen. Wij beroemen ons voornamelijk daarop, dat wij door God zijn uitverkoren.
—U spreekt van het geheele volk, moeder, en ik van een enkel geslacht, van onze familie. Wat heeft mijne familie gewrocht in de jaren na vader Abraham, welke groote daden verheffen hen boven anderen?
De moeder was niet dadelijk met een antwoord gereed. Zou zij zijne bedoeling verkeerd begrepen hebben? De grootste voorzichtigheid werd hier geëischt, dat voelde zij. Daarom zeide zij: Ik vermoed, mijn zoon, dat ik met een werkelijken en niet met een denkbeeldigen vijand te doen heb. Als Messala die vijand is, zeg het dan en laat mij niet in het duister strijden. Vertel mij alles wat hij gezegd heeft.