Kamer voor het vuur te Udvada. Priester met den sluier of padam vóór den mond.
Naast de eenvoudige parsische dorpelingen staan een zeker aantal rijke grondbezitters, zoo als de heer Ardeshir Deviarwalla, die een mooi landgoed bezit, waaruit hij een inkomen trekt van 60 000 francs. Met hem hebben wij rijtoeren gemaakt in wagens, die door de beste ossen uit het district werden getrokken. Hij bewoonde Deviar, bij een aardig portugeesch dorp van dien naam, overschaduwd door eeuwenoude manggaboomen en waar de straten door een heerlijk park schenen aangelegd.
Vrouwen te Udvada bij den put.
Hij leidde er een patriarchaal leven met zijn bedienden, wier hutten rondom zijn huis stonden, een stevig steenen gebouw met uitzicht op de zee. Om bij zijn landgoed Deviar te komen, sloegen we rechts van de markt een wegje in, dat door cactusheggen was omzoomd; daarna begonnen de bergen en dalen der duinen, die hier en daar waren gekroond met aanplantingen van dennen. Dikwijls zakten onze raderen weg in diepe modderkuilen; dan weer verpletterden ze jonge planten van palmen of sleepten ons in de rotsachtige bedding van een beek, wat altijd tot hevige schokken voor den reiziger aanleiding gaf. Er werd en famille gegeten, en het was een liefelijk slot van den dag. Wat was het prettig, de vroolijke tinten te zien van de toiletten der dames, het rose en het groen, die weldra samensmolten in de schemering met de kleuren der duinen. Den dag vóór Kerstmis was het, als ik mij niet vergis, toen we na een goeden maaltijd, waaraan de vrouwen des huizes deelnamen, besloten over een kleine baai een tochtje te maken en langs het strand terug te keeren; maar de Indiërs komen altijd te laat en eb en vloed wachten niet. De vloed verraste ons; de zee rees en won zoozeer op ons, dat onze ossen van de voet raakten. De rij wagens reed door een zilveren waterplas in de stralen van de volle maan; Bladzijde 365wij wisten niet wat te doen. Onze kleine voerman zag eruit als een doodsbang aapje, wat niet geruststellend was; maar onze dieren redden ons uit de verlegenheid, door zich te wenden naar de eenige doorwaadbare plaats, en eindelijk konden wij aan land gaan.
Het duurde niet lang, of ik maakte nog beter kennis met de Parsi’s der naburige dorpen. Het eerste wat mij trof, was, hoe weinig ze geleken op hun geloofsgenooten uit Bombay; de bevolking in de buitendistricten is sterker en gezonder, zonder twijfel door het voedsel en het leven in de buitenlucht. Aan den anderen kant is er ontwijfelbaar ook meer welvaart bij de Parsi’s van het platteland dan bij de Hindoes. Zoo komen bij voorbeeld op de tafels der nederigste Parsi’s vleesch, toddy en zelfs wijn voor, terwijl er onder de Hindoes velen zijn, die slechts een enkelen maaltijd per dag gebruiken. De Parsi onderscheidt zich ook van den Hindoe door de kleeding. In plaats van de dhoti, een lap stof, die nauwelijks de beenen van den Hindoe bedekt, draagt de Parsi een broek en trekt over zijn gewijd hemd nog een jas aan, als hij naar het veld gaat. De vrouw, wier hoofd met een witten doek bedekt is, draagt ook een pyjama of broek en legt zich niet den last van den sluier op, wanneer ze aan haar bezigheden is. Op feestdagen is de kleeding gelijk aan die der arbeidende klasse in Bombay.
|
Insnijdingen maken in een palm ter verkrijging van den palmwijn. |
Wat de feestelijke plechtigheden aangaat, de bekleeding met de kenteekenen, huwelijken en begrafenissen, het ritueel is gelijk aan dat te Bombay, maar met nog enkele gebruiken, die oudtijds in de geheele gemeenschap werden gevolgd, doch die nu als verouderd worden beschouwd. Bij verlovingen en huwelijken worden er bezoeken en geschenken gewisseld. Wat het huwelijk betreft, moet nog melding gemaakt van de manier, waarop dat wordt gevierd van een jongen man met een weduwe. De jongeling wordt eerst uitgehuwelijkt aan een tak van een boompje en daarna trouwt hij met de weduwe. Die gewoonte is ontleend aan de Hindoes, die daardoor de schim van den eersten man denken te bevredigen. Wat de begrafenissen aangaat, als de toren te ver is verwijderd van de plaats van het sterfgeval, wordt het lijk in een ossenkar erheen gebracht, en de kar daarna vernietigd en begraven dichtbij den verbrandingstoren.
De godsdienstplichten van den Parsi van het platteland verschillen niet van die van den stedeling. Elken morgen vraagt hij aan Ormoezd, den geest van het goede, om de vernietiging van Ahriman, den geest van het kwaad. Hij weet, dat Zoroaster zijn profeet is en dat de eerbied, dien hij koestert voor het vuur, niet tot aanbidding reikt; maar hij ontleent aan de Hindoes en aan de Mohammedanen enkele van hun bijgeloovige gebruiken. Hij brengt even graag zijn offers van geiten en gevogelte aan de hindoe-godheid van de kinderpokken, als hij pelgrimstochten doet naar de heiligdommen van mohammedaansche heiligen.
De Parsi’s wonen in deze streek in een twaalftal Bladzijde 366dorpen; sommige tellen slechts weinig huizen, andere zijn van meer beteekenis. Het grootste dorp is Nargol, aan den overkant van de rivier; om ons erheen te begeven, moesten we het estuarium oversteken, waar de stroom zoo snel is, dat er soms ongelukken plaats hebben, zooals nog verleden jaar met een engelsch officier, wiens boot omsloeg. Wagens wachtten ons op den anderen oever; op den top van een kleine hoogte had men rechts het uitzicht over de vlakte met eenige bergen aan den horizon en links op de zee, effen als een meer; vóór ons strekte zich, zoo ver het oog reikte, de hoogvlakte uit. Nargol is gebouwd in een bekoorlijke en boschrijke streek en heeft een mooien vijver. Wij werden er ontvangen door een beminnelijken gastheer, die geen Engelsch sprak; maar zijn zoon, die aan de universiteit te Bombay was geweest, diende ons tot tolk. Zijn huis is van steen opgetrokken en bevat verscheiden verdiepingen; de dames zagen er niet tegen op, voor de toebereidselen van onzen maaltijd te zorgen; in een der vertrekken liet men mij een koffer zien, waarin de horoscopen en andere familiepapieren waren geborgen.
In een andere zaal werd ons een soort van altaar getoond van ouden stijl, dat dienst moet doen bij de plechtigheid van den Moektad, aan het eind van het persisch jaar, dat is in September ter nagedachtenis van de voorouders. Volgens een passage uit de heilige boeken van Zoroaster worden de zielen der gestorvenen geacht in dien tijd het huis van hun nakomelingen te bezoeken tien dagen en tien nachten lang, waarbij zij de woorden spreken: “Wie zal ons prijzen, wie zal ons een offer brengen?” Die dagen gaan in gebed voorbij vóór het bedoelde altaar, waarop koperen vaatwerk is geplaatst of zilveren vazen met water en bloemen. Het vuur brandt in een urn, en de door den priester gezegende gerechten worden aangeboden, om de schimmen te onderhouden gedurende hun aardsche wandeling.
Nargol ziet er aardig uit en heeft een school, goede watervoorziening enz.; de huizen hebben in het algemeen twee verdiepingen en zijn van steen gebouwd, maar enkele hebben gewone muren van leem, versierd met geometrische krijtteekeningen. De straten zijn goed onderhouden en loopen tusschen heggen door, als in onze dorpen. De kleine tempel van het vuur, gelegen achter in een tuintje, onderscheidde zich niet van de andere huizen.
De priesters kwamen ons begroeten. Ze klaagden erover, dat sedert het bezoek van Anquetil Duperron er geen enkel geleerde uit Europa bij hen was geweest. Inderdaad was Anquetil Duperron, toen hij zich van Surate naar het eiland Salsette begaf, om de grotten van Keneri te bezoeken, ziek geworden en was genoodzaakt geweest, zich op te houden bij een Parsi uit Nargol, die hem gastvrijheid had bewezen. Het gesprek zou belangwekkend hebben kunnen zijn, als het gemompel van het volk er niet tusschen door had geklonken; ik merkte, dat de aanwezigheid van vrouwen, die geen geloofsgenooten waren, op de plaats des gebeds de brave lieden stoorde en hinderde en ik wilde mij terugtrekken; maar de priesters verhieven hun stemmen en verklaarden dat de ongeloovigen, de vrouw en de dochter van een europeesch geleerde, die de wet van hun profeet had bestudeerd, meer waardig waren tot de heiligdommen te naderen dan enkele aanhangers van de leer, die hun godsdienst niet in praktijk brachten en hun geestelijke overheden niet eerbiedigden.
Die woorden hadden ten gevolge, dat de menigte kalm werd, hoe dicht en woelig ze ook was geweest; en naarmate wij ons geneigd toonden weg te gaan, maakte de vijandigheid plaats voor welwillendheid, en een grijsaard, een bijna honderdjarige, die vernam, dat mijn vader de vriend was geweest van de priesters, ging op een hoogte staan, waar zijn kinderen hem ondersteunden, en breidde zijn lange, magere armen uit, om ons te zegenen.
Na het bezoek aan den kleinen tempel restte ons nog dat aan den Toren van het Zwijgen, die tegelijk dient voor het naburige plaatsje Saronda. Onze voerlieden dreven de beesten aan, want het werd reeds laat, en wij hadden een geleide van de dorpelingen te midden van aanplantingen van jonge palmen. Het was niettemin stil om ons heen; men hoorde slechts het verwijderd ruischen der zee aan den voet der rotsen, waar Nargol op ligt; kleine gouden wolkjes dreven in een zachtblauwe lucht. Weldra verscheen de toren, massief en donker. De gewoonte wil, dat men stilstaat bij de gebouwen, die voor de reiniging dienen; maar de priester, die gewaarschuwd was, wachtte ons aan de deur van een kapelletje, dat open was gebleven.
De drempel was met witte bloemen versierd, en om den boog hingen geurige bloemslingers; in de diepte van het heiligdom schitterde de vlam in een metalen vaas, een roerende aanblik, want die heilige vlam, die in de tempels brandende werd gehouden, wekte vrome, troostrijke gedachte.
... En nu staan we tegenover het lugubere gebouw, waar de Parsi’s het stoffelijk overblijfsel neerleggen van diegenen, die ze hebben verloren. De sombere toren teekent zich plotseling af op de roodgekleurde lucht in het Oosten, een tweede toren, met vervallen en half ingestorte muren verdwijnt in den nevel. Het was reeds laat; langzamerhand verschenen de sterren, en de nacht overviel ons, toen we de rivier overstaken. In het dorp werden deuren gesloten; geen levende ziel op straat; enkele buffels, die zich verlaat hadden, kwamen traag terug van de velden, en de eenige geluiden, die men hoort, zijn die van de tamtams uit de wijk der Brahmanen.
Op den avond vóór Kerstmis kwam de heer Malabari de belofte vervullen, die hij mijn vader had gedaan, om ons te geleiden naar Sanjan, de eerste vestiging der Parsi’s op indischen grond, en naar het groote naburige heiligdom van Udvada, het hoogst vereerde, en dat terecht, voor de aanhangers van Zoroaster in Indië. Inderdaad brandt in dat heiligdom tegenwoordig het vuur “Behram”, dat is om zoo te zeggen het officiëele vuur, omdat het in Gudsjerat reeds brandt sinds de achtste eeuw onzer jaartelling en door de Parsi’s werd ontstoken, nadat ze uit hun land waren verjaagd door de mohammedaansche verovering. Het is sedert dien tijd nooit uitgegaan; oorspronkelijk was het te Sanjan geplaatst, maar later werd het, zooals we zullen zien, naar den tempel van Udvada gebracht. Bladzijde 367
Het moderne dorp Sanjan, dat de oude stad van dien naam heeft vervangen, ligt vijf mijlen ten noorden van Umbargaon; we gingen er per boot heen. De wind was koel; er werd zeil opgezet, en onze kleine booten, een heele vloot, want er zaten in ieder slechts drie personen en de schipper, een tweetal bijna naakte inboorlingen, voeren snel door de rivier.
De rivier van Sanjan of van Umbargaon, zooals men haar mag noemen, wordt omzoomd door rieten boomgroepen, waar mooie zwanen uit te voorschijn kwamen; in de verte zag men in den nevel bergen van onbepaalden vorm. We bereikten nog al vlug de kleine aanlegplaats, waar de schepen aanleggen die uit Umbargaon komen.
Ossenkarren wachtten ons, om ons te brengen naar de plek van het oude Sanjan, waar men komt langs een schaduwrijken weg. Helaas, van de oude stad, die vroeger zoo bevolkt en zoo beroemd was, is niets meer overgebleven. Volgens oude schrijvers besloeg ze verscheiden vierkante mijlen, en de overlevering weet nog de plaatsen te noemen die voorsteden waren, Deviar onder andere. De stad werd door de Mohammedanen ingenomen in de 15de eeuw en in de 16de door de Portugeezen; in de 17de eeuw gaf Sir T. Herbert er den naam aan van Saint John de Vacas. Thans is het een dorre vlakte, waar men nog sporen vindt van fundamenten en enkele steenen; hier en daar verschuilen zich dorpjes van inboorlingen onder groepen boomen.
Van het verblijf der Parsi’s op die plek is er niet anders over dan de veronderstelde plaats van een der negen Torens des Zwijgens, die te Sanjan waren opgericht, een plek, aangewezen door een palmboom en eenige andere boomen; de centrale put is volgestort. Zestig jaren geleden bestonden de muren nog; sinds dien tijd heeft ieder jaar aan de instorting meegewerkt, tot eindelijk de totale ondergang is gekomen.
Het aantal bezoekers is altijd gering. Anquetil Duperron ging niet naar Sanjan; hij stelde zich tevreden met wat zijn gastheer uit Nargol hem ervan vertelde, en hij teekende alleen op, dat er niet meer dan enkele Parsi’s in het moderne dorp wonen, daar de overigen naar Nargol waren gegaan; later gevoelden de geleerden volstrekt niet den wensch, dat uitstapje te maken.
Het was het werk van een vrouw, den sentimenteelen pelgrimstocht te doen, en mijn voorbeeld werd nagevolgd, twee maanden later, door professor Jackson, den schrijver van een geleerd werk over Zoroaster.
In den tijd der mohammedaansche verovering vluchtten de Parsi’s, na den Hindoevorst te hebben geholpen bij de verdediging van zijn hoofdstad Sanjan, in de bergen van Bahroet en namen het heilige vuur mee. De bedoelde bergen, gewoonlijk Sanjan Peak genoemd, konden wij in de verte in den nevel onderscheiden. Men vertoont er u nog de grotten, waar men gelooft, dat het heilige vuur twaalf jaren lang verborgen bleef. Het is een tocht met veel bezwaren, waartoe ik den lezer niet kan animeeren.
Wat het nieuwe dorp betreft, beschaduwd door manggaboomen en vijgen en bananen, het is nog al uitgestrekt; de bevolking is bijna geheel mohammedaansch. Niet ver verwijderd zijn de ruïnen van het oude kasteel, waarvan de muren en zes bouwvallige torens nog in wezen zijn; men vindt binnen de omheining ook nog terug de woningen van de officieren en de troepen, de kapel Nossa Senhora da Porto, de magazijnen, enz. Het was een portugeesch fort van hetzelfde type als alle andere, die dienden, om de waterleidingen en de belangrijke punten aan de kust te verdedigen.
Op den terugweg gingen we te voet langs den boschrijken weg, dien we eerst hadden gevolgd, en bij een open plek hielden we stil vóór een groote hut van riet, waar maharattsche boschwachters ons vriendelijk thee presenteerden. Het inwendige van die hut met de afscheidingen in kleiwerk, de heerlijke geur van gemaaid hooi en reukgras, dien men er genoot, hebben bij mij de aangenaamste herinneringen achtergelaten. We keerden allen per boot terug, nu met een roeiboot in verrukkelijk zacht en helder weer.
Twee dagen later bestegen we alweer in de vroegte onze karretjes in gezelschap van onzen gastheer en onze gastvrouw, die hun pelgrimage gingen volbrengen naar den vereerden tempel van Udvada. Dien dag maakte ik kennis met de beroemde palankijnen van ouderwetsch model in den vorm van een scheepje, met een dakje erboven, dat met touwen is vastgebonden, het vervoermiddel, waar de vrome aanhangsters van de leer van Zoroaster, die in deze buurt een bezoek brengen, zooveel van houden. Wij hadden haar aangetroffen aan het station van Udvada Road, want onderweg hadden wij moeten afzien van het gebruik der karretjes, daar we nooit op de plaats van bestemming zouden zijn aangekomen, en we hadden den trein genomen aan een tusschenstation. De weg, die van het station naar het dorp geleidt, is mooi en goed onderhouden; ze is een geschenk van Bai Motlibai Wadie, een der eminentste vrouwen uit de parsische gemeenschap; wij zullen haar weldra aan den lezer voorstellen. Onze dragers zetten ons na een loop in dien gecadanceerden draf, die mij zoo hinderlijk is om den last dien hij aan de menschen oplegt, af tegenover het hotel, waar we den nacht zouden doorbrengen.
Het was een groot gebouw zonder eenigen stijl, opgericht op kosten van een Parsi, die even edelmoedig als rijk was, den betreurden Sir Dinshaw Petit. De voorgevel wordt verborgen door een groote veranda vóór de hall. Verscheiden vertrekken rondom een binnenplein zijn bestemd voor de reizigers, en een kamer links, voorzien van een dozijn bedden met muskietennetten moet de dames herbergen. Daarnaast zijn er nog een paar aparte bungalows; een daarvan was te onzer beschikking gesteld, maar wij hadden ons niet willen scheiden van onze vrienden.
Terwijl de bedevaartgangers zich door gebeden en wasschingen voorbereidden voor het binnengaan in het heiligdom, gingen wij een bezoek brengen aan het dorp. De bevolking is er uitsluitend parsisch en behoort tot de priesterklasse. De vrouwen weven de heilige gordels en bakken de koeken, die gewijd zijn en bij den dienst worden gebruikt. De wandeling door de stoffige straatjes was niet bijzonder aangenaam, en ik verlangde in den tempel te komen, toen we bij een bocht van een pleintje onze vrienden bespeurden, die behoorlijk voorbereid, zich erheen begaven. Wij gingen een langeren weg, om hen niet te storen. Bladzijde 368
Alle belangrijkheid van Udvada en de levendigheid van het dagelijksch bedrijf aldaar hangen samen met het heiligdom. Daar brandt, zooals we hebben gezien, het vuur, dat werd ontstoken door de uit hun land verdreven Parsi’s, die te Sanjan een toevlucht zochten; dat verder verborgen werd in de grotten van Bahroet op het oogenblik dat de stad werd ingenomen, en dat daarna achtereenvolgens naar verschillende plaatsen werd gebracht, tot het voor vast werd getransporteerd naar Udvada in de 18de eeuw met de priesters uit het geslacht, dat met het onderhoud werd belast.
De tempel trekt de aandacht door een gevel, versierd met elegante zuilen, die eindigen in kapiteelen van ruggelings staande dragende stieren. Trappen leiden naar een hall met mozaïekplaveisel; men vindt rechts de zaal, bestemd voor de viering van de godsdienstige plechtigheden, links die, waar de gebeden worden opgezegd. In de diepte brandt in een kamer het vuur, dat voortdurend nacht en dag met santalhout wordt gevoed en in een groote metalen vaas wordt onderhouden. De kamer is omringd door koperen traliën; een deur geeft toegang; alleen de priester, in staat van zuiverheid met een sluier vóór het gelaat, heeft het recht er binnen te treden, om het vuur te voeden en de gebeden van de liturgie te zingen.
Wat den leek aangaat, hij blijft op den drempel staan, zegt de lofliederen op ter eere van het vuur en stelt vervolgens zijn offerande en eenig santalhout aan den priester ter hand, die in ruil hem een lepel asch aanbiedt uit de heilige vaas; hij neemt uit den metalen lepel een klein weinig en wrijft er zich het voorhoofd, de oogen en den palm der handen mee in, waarna hij zich terugtrekt.
Er zijn drie graden van tempels, naar de hoedanigheid van het vuur, dat er wordt onderhouden. Het vuur is werkelijk geen gewoon vuur. Om de zuiverheid te bereiken, die het waardig maakt de eerbewijzen te ontvangen, moet het velerlei ceremoniën passeeren. Het vuur Behram wordt van alle het hoogst vereerd. De heiliging daarvan vereischt groote onkosten en een reeks van zuiveringen, die soms een vol jaar duren. Het bestaat uit de vereeniging van de meest uiteenloopende vuren, waaronder dat van den bliksem. Op het eind worden ze alle bijeengevoegd en gesteld onder de hoede van de priesters. Het dooven van het vuur Behram zou beschouwd worden als de grootste ramp, die de Parsi’s zou kunnen treffen. Vijfmaal per dag gaan de priesters het voeden volgens een nauwkeurig vastgesteld ritueel met santalhout en onder het zingen van kerkgezangen.
Groot of klein, de tempels zijn alle gebouwd naar ongeveer hetzelfde plan, namelijk een rechthoek, tweemaal langer van het Westen naar het Oosten dan breed van het Noorden naar het Zuiden. In het Westen is er een ledige ruimte voor het binnenplein en de dependances, met een put en een aanplanting van boomen, die de plantaardige benoodigdheden leveren; in het midden de adaran of kamer voor het vuur, een overwelfd vertrek, gesloten naar het Westen, breed geopend door een deur naar het Oosten, en voorzien van een venster aan de noord- en de zuidzijde. Het vuur brandt er in een vaas op een steenen voetstuk. De oosthoek van de beide lange zijden wordt ingenomen door een rechthoekig vertrek in tegenovergestelde richting, veel langer van het Noorden naar het Zuiden dan het breed is van het Oosten naar het Westen en op zijn beurt verdeeld in verschillende compartimenten, zoodat men er tegelijkertijd verschillende diensten kan doen plaats hebben. Dit is de urvis-gah.
In het vertrek waar de godsdienstplechtigheden plaats hebben, brandt ook een vuur in een op steenen voetstuk staande vaas; maar het verschilt van dat uit het adaran, waarvan het maar een tijdelijke vertegenwoordiger is. Dat vuur brandt niet voortdurend; het wordt enkel ontstoken op het oogenblik dat de plechtigheid zal beginnen, en men laat het uitgaan, als ze is afgeloopen.
Ossenkarretje uit Gudsjerat.
Afscheidingen geven de plaats aan, waar ieder priester moet staan, als hij den dienst waarneemt. Het heeft alles veel minder pracht en uiterlijk vertoon dan in oude tijden. Het aantal dienstdoende priesters is minder groot dan het vroeger was; twee zijn tegenwoordig voldoende, de officiant en zijn helper.
Telkens als een priester het vuur nadert, trekt hij handschoenen aan en dekt zich het gezicht met een kleinen sluier of padam, dat zijn adem moet beletten, het heilig element te bezoedelen. In het algemeen gesproken, voltrekt hij geen enkele godsdienstige ceremonie zonder den sluier. Hij moet dien geregeld dragen, zelfs onder het eten; maar dat gebruik is langzamerhand vergeten geworden. Bladzijde 369
Parsi’s op een bruiloftsfeest te Nausari.
De zorg, waarmee de aanhangers van Zoroaster’s leer angstvallig den ingang van hun tempels bewaken is te Udvada nog grooter dan overal elders; met de grootste moeite kregen we het gedaan, dat de priesters ons binnenlieten op het buitenplein; maar ze wilden ons wel de gereedschappen van den eeredienst laten zien. Wij gingen daarna een bezoek brengen aan den hoogepriester, een eerbiedwaardigen grijsaard, die ons onder zijn veranda ontving, waar hij omringd was door jeugdige priesterleerlingen. Hij was zeer trotsch op zijn tempel en zegende de nagedachtenis van de edelmoedige schenkster, die hem had doen bouwen. Het vuur Behram was niet altijd zoo goed gehuisvest geweest! Toen Anquetil Duperron door Udvada was gereisd, was het gebouw een gewoon huis, met een dubbel dak en een afdak erbij, zich in niets onderscheidend van de andere woningen. Drie gebouwen waren achtereenvolgens opgericht vóór het tegenwoordige, dat ze te danken hebben aan de milddadigheid van Bai Motlibai Wadia. Die vrouw behoorde tot een rijken tak van het geslacht Wadia, de groote scheepsbouwers van Surate en Bombay. Haar voorvaderen waren bankiers en kooplieden. Toen ze al zeer vroeg weduwe was geworden, wist ze haar fortuin met zeldzaam overleg en helder inzicht te besturen, en daar ze een vurig aanhangster was van de leer van Zoroaster, hield ze zich met liefdadigheid en vrome werken bezig. De tempel van Udvada was haar laatste liefdewerk en het verdienstelijkste in de oogen van haar geloofsgenooten. Bij haar dood wilde men haar naam voegen bij die van de beroemde dooden, die zich voor den dienst verdienstelijk hadden gemaakt.
De dag verliep; de vrouwen kwamen als naar gewoonte des avonds aan den put om water te scheppen. Wij kwamen thuis toen het nacht was, en het was ijzig koud geworden. Reeds om vier uur, toen het pas dag was geworden, moesten wij, nog rillend van kou, in onze palankijns stappen, maar als vergoeding genoten we van het altijd wonderschoone schouwspel der opgaande zon over het indische land, en op den middag kwamen we in onze bungalow te Umbargaon. Ons eerstvolgend doel was Nausari, het Rome van het Parsisme.
III.
Aankomst te Nausari; onze intrek bij den heer J. N. Tata, in het park van Lunsikui.—Bezoek aan de stad. Enkele woorden over haar oorsprong en over de organisatie van haar geestelijken stand.—Wij wonen de processie van de navar bij, dat is, een der stadia van de inwijding tot priester.—Bezoek aan den Dastoer, den afstammeling van Meherji Rana.—Eenige inlichtingen over het weven van de kufti of heiligen gordel.—De torens van het Zwijgen te Nausari.—Plechtigheid van het Afergan en de groote reiniging van het Barashnum.
Men moet twee uren sporen, om van Vevji naar Nausari te komen, waar we zooveel te zien hadden omdat we daar het best het godsdienstig leven der Parsi’s konden bestudeeren.
Zeer vermoeid van het rijden in de ossenkarren, in draagstoelen en booten, hadden we prozaïsch den trein gekozen. In het begin gingen we enkele stations voorbij, die we reeds gezien hadden op weg naar Udvada; op het perron van den spoorweg der kleine portugeesche stad Daman kregen we enkele groepen katholieke priesters in het oog, omringd door hun geloovigen, kleurlingen van geringen stand en armoedig gekleed, wier aanblik op ons trouwens denzelfden triesten indruk maakte als de ruïnen van hun stad. Een kader van groen past beter bij gescheurde muren en instortende klokketorens dan de Bladzijde 370teekenen van armoede en verwaarloozing, die Daman te zien geeft.
Nadat we de Damagunga langs een mooie brug waren overgegaan, loopt het tracé van den spoorweg, dat de beide helften van het kleine stukje portugeesch grondgebied scheidt, langs de kust verder door dat deel van het district Surata, dat uit duinen en zoutmoerassen bestaat; de bebouwde vlakte begint eerst daarachter.
Tusschen de Damagunga en de Poerna, waaraan Nausari is gebouwd, storten kleine waterloopen zich in zee en vormen evenveel estuaria, waarin eb en vloed zich doen gevoelen, hetgeen het aan de schepen mogelijk maakt, er zich als in veilige havens te verschuilen, geschikt voor den uitvoer van de producten des lands. De spoorwegstations dienen daardoor voor sommige belangrijke plaatsen, bij voorbeeld Bulsar, een uitmuntende haven, waar we een Parsi-bevolking aantreffen van een duizendtal zielen, bestaande uit handelaars in spiritualia, winkeliers en landbouwers. Zoo is het ook te Billimora, waar ongeveer 700 Parsi’s wonen. In laatstgenoemde stad drijven ze vooral handel in een soort van bloemen, plaatselijk mowra genoemd, waaruit door gisting een likeur wordt bereid.
Toen wij te Nausari aankwamen, was het station vol Parsi-priesters in witte gewaden, die afscheid namen en elkaar de gebruikelijke kransen om den hals hingen. Ik herken velen van onze vrienden uit Bombay, die zich in de Kerstvacantie gingen ontspannen in de buurt van de oude stad, waar hun godsdienstige overleveringen en hun familietradities bewaard waren gebleven. Met een geleerden en beminnelijken priester stapten wij in een shigram, een rijtuig, dat daardoor van onze ossenkarretjes verschilde, dat men, hoewel beschut door een dak van zeildoek, niet op kussens lag uitgestrekt, maar op banken was gezeten. Zoo kwamen wij aan de deur van den heer J. N. Tata, onzen gastheer, in de wijk waar de Parsi-bevolking woont. Het huis is in modernen stijl opgetrokken, heeft één verdieping met een groote galerij beneden; het staat op dezelfde plaats als de oude familiewoning met leemen muren en een rustieke veranda, ondersteund door ruwe houten pilaren. In plaats van ons in de stad te doen blijven, bracht men ons in een bijgebouw naast dat, ’t welk de heer Tata had laten bouwen in de boschrijke streek van Lunsikui, bij de poort van Nausari. Het einde van den dag verliep in het zoetste nietsdoen in de schaduw, die gevormd werd door kokospalmen, manggaboomen, tamarinden, palmen en eenige buitenlandsche boomen, die de kweekers trachten te acclimatizeeren.
Nausari heeft den naam van vruchtbaarheid, dien de reizigers eraan hebben gegeven, wel verdiend, een vruchtbaarheid, die aan de stad den bijnaam heeft bezorgd van den tuin van Gudsjerat. Volgens een gewoon gezegde brengt een steen, dien men te Nausari plant, vruchten voort. De grond levert in overvloed rijst, graansoorten, katoen, vlas en tabak; een tijdlang leefden veel boeren alleen van de opbrengst van den verkoop hunner mangga’s, die mooie gouden vruchten! Anquetil spreekt van boomgaarden vol boosaardige apen, die Nausari omringden; die boomgaarden bestaan nog, maar de apen zijn handelbaarder geworden. Het voor ons bestemde paviljoen was zeer aardig, met palmen op zij en een laan van kokospalmen ervoor; rechts is er in het groen een eetzaal in zoogenaamd perzischen stijl met een zoldering, gedragen door sierlijke zuilen. Op mooie zomerdagen komt men er en familie samen, om toddy te drinken en te babbelen; die toddy is een der groote aantrekkingspunten van de plaats. De hier bereide likeur gaat voor de beste door en heeft enkele geneeskrachtige eigenschappen. De smaak is lekker, en er volgt op het te veelvuldig gebruik een vrij onschuldige dronkenschap. De temperatuur was onder de boomen aangenaam koel; het jaargetijde in aanmerking genomen, was dat niet verwonderlijk; maar het klimaat van Nausari is gezond en versterkend, zelfs in de zomermaanden, omdat de zeewind er de zonnehitte tempert op die breedte van 20 graden.
Den volgenden morgen kwamen vrienden ons reeds bij zonsopgang halen, om de stad te bezoeken, een bescheiden hoofdplaats van een afdeeling der staten, die onder den inlandschen vorst van Baroda staan; er wonen bijna 22.000 inwoners, waaronder 4766 Parsi’s. De straten zijn smal en bochtig; de huizen van twee verdiepingen zijn bouwvallig; de moskeeën en de Hindoetempels hebben geen stijl. Vroeger waren er lakenfabrieken; er wonen nu nog wevers, die voor het meerendeel Parsi’s zijn. Onder de mongoolsche heerschappij werd er een beroemde geparfumeerde olie bereid.
De gouverneur bewoont de gebouwen met blauw geverfde muren rondom het paleis. Daar werd in 1874 het huwelijk gevierd van den Maharadja, den regeerenden vorst van Baroda, en zijn concubine Laxshmibai, die hij aan haar echtgenoot had ontstolen. Aan dat huwelijk ging vooraf een zonderlinge plechtigheid, waarbij de Maharadja plechtig een boompje trouwde, een katoenboompje, dat, geloof ik, dadelijk werd gekapt. Daar de vorst tweemaal gehuwd was geweest zonder kinderen te hebben, meende men, dat de vernietiging van den katoenboom, die beschouwd werd als zijn derde vrouw, de kwade kansen zou doen keeren en zijn nieuwe verbintenis met kinderen zou zegenen.
Mijn belangstelling bij dit bezoek richtte zich voornamelijk op de Parsi’s. Nausari is door de reizigers beschouwd als hun voornaamste vestiging. Ze kwamen er reeds in de twaalfde eeuw, zoo meldt een oud document, dat ons leert, hoe op dat tijdstip een priester van Sanjan er werd uitgenoodigd, om de plechtigheden van den eeredienst te leiden voor de aanhangers van Zoroaster, in de plaats gevestigd. De overlevering wil, dat de Parsi’s aan Nausari den naam hebben gegeven. Daar zij namelijk het klimaat er even prettig vonden als dat van een hunner perzische steden, noemden ze de plaats Nausari of Nieuw Sari, ter herinnering aan het verre vaderland. Sari in Mazenderan is werkelijk omringd door tuinen en bebouwde velden, en in den omtrek groeien veel moerbeiboomen en veel katoenplanten. Te Nausari is ook de omgeving zoo vriendelijk, men treft er dezelfde vruchtbaarheid aan, maar kokos- en andere palmen komen in de plaats van de perzische boomen.
Wij hebben te Bombay kennis gemaakt met de groote kooplieden en aan de kust met de parsische dorpelingen; hier zijn we in de tegenwoordigheid van den geestelijken stand, in het centrum van het traditioneele Bladzijde 371godsdienstige leven van het Parsisme. Men moet zich herinneren, dat de Parsi’s in twee groepen verdeeld zijn, die der leeken en die der priesters. Men wordt priester geboren, maar men kan het niet worden; men kan intusschen wel ophouden het te zijn en in de groep der leeken treden. De geestelijke klasse, die eerst weinig talrijk was, groeide aan na de inneming van Sanjan met een groot aantal uitgewekenen, en te Nausari begonnen de Parsi’s in de 16de eeuw aan het licht te treden uit de duisternis en onbekendheid, waarin ze te voren hadden verkeerd.
Op het oogenblik dat de Mohammedanen Grudsjerat veroverden, werd aan de overleveringen niet meer de hand gehouden, en er zou vergetelheid gevolgd zijn, als niet een leekenhoofd met name Sjanga Asa was opgetreden, die op het eind der 15de en het begin der 16de eeuw de godsdienstige gevoelens bij zijn geloofsgenooten wist te verlevendigen, gordels en heilige hemden aan de behoeftigen uitdeelde, en weer betrekkingen aanknoopte met de broeders in Perzië; ten slotte liet hij het heilige vuur naar Nausari overbrengen, dat na de inneming van Sanjan naar verschillende plaatsen was vervoerd. Op dat tijdstip was Nausari een soort van leengoed der Parsi’s; het hoofd had er een groot grondgebied verworven, dat hij bestuurde in naam der mohammedaansche regeering. Die functie werd erfelijk in zijn familie tot het eind der 16de eeuw, het tijdstip, waarop ze overging in de handen van den Dastoer Meherji Rana. We komen met hem bij den tweeden persoon uit Nausari, die beroemd is geworden; zijn naam is zeer populair in de gemeenschap, en de kinderen zingen nog den roem van hun priester, die de groote eer genoot, den grooten Mongolenkeizer Akbar in de geheimen van den godsdienst van Zoroaster in te wijden.
Thans is Nausari een kleine geestelijke republiek. Het geslacht van Meherji Rana heeft de waardigheid van dastoer behouden, die aan den voorvader op het eind der 16de eeuw was verleend door zijn geloofsgenooten, en de vergadering der priesters en notabelen heeft enkele van zijn betrekkingen en prerogatieven bewaard, als het oppertoezicht over de geestelijken en het handhaven van de goede zeden in de gemeenschap; maar de invloed van het geslacht neemt af met dien van alle plaatselijke raden. De geestelijke klasse vermindert; velen harer leden treden het burgerlijke leven binnen, waar ze dikwijls een zeer goed figuur maken. De beroemde Dadahhai Naorozji, die tweemaal tot president van het Nationale Congres werd verkozen, is het beroemdste voorbeeld van een kind van Nausari, dat den hoogsten trap heeft bereikt van de eerzucht van den Indiër, die engelsch onderdaan is geworden, dat is: een afdeeling te mogen vertegenwoordigen in de Volksvertegenwoordiging.
Als de Parsi in de geestelijke klasse blijft, is zijn toekomst niet bijzonder schitterend, of hij moet behooren tot bepaalde families, waar de tradities van studie zijn in eere gehouden en waarin de hooge waardigheden duurzaam gehandhaafd blijven. Voor de minder bevoorrechten is het bestaan nog al onzeker. De tijd is ver, waarin de priesters van de Parsi’s geheel en al leefden op kosten van de leeken en waarin ze bij menigten, onverschillig of ze genoodigd waren of niet, verschenen bij de plechtige feesten, die in de families werden gevierd, waarbij ieder van hen ook nog een meer of minder groote gift in geld eischte. De voorschriften hebben langzamerhand aan de priesters verboden, zich bij hun geloofsgenooten te vertoonen, als ze niet genoodigd waren. De leden der geestelijkheid hebben dus naar andere werkzaamheden uitgezien, en velen van hen zijn thans genoodzaakt de rol te vervullen van den kleinen ondernemer en boekdrukker te worden of zelfs koopman in palmwijn.
Te Nausari heeft die groep van priesters haar dagen van strijd gekend; laat ons er dadelijk bijvoegen, dat de theologie geen aanleiding heeft gegeven tot den strijd. De twisten hadden enkel plaats naar aanleiding van de verdeeling der baten, voortvloeiend uit het werk in de tempels, en stelden tegenover elkander de beide corpsen van priesters, dat van degenen, die zich het eerst te Nausari vestigden en dat van diegenen, die uit Sanjan waren uitgeweken.
Het was een heftige en tegelijk bloedige strijd; in de 17de eeuw vermoordden de priesters van Nausari zes leeken, die zich aan den kant hadden geschaard van de priesters van Sanjan, en in de 18de, toen er nieuwe troebelen waren uitgebroken, omdat de leeken de Sanjana’s gebruikten als familiegeestelijken, namen die laatsten achtereenvolgens hun vuur naar verschillende plaatsen mee en brachten het ten slotte naar Udvada, waar wij het hebben gezien.
De Parsi-geestelijkheid is er nooit op gesteld geweest, nieuwe dogma’s in de wereld te brengen; al zijn er te Nausari geoefende schrijvers geweest, men treft er geen spoor van een school aan, zooals bij de Brahmanen steeds het geval is. Wanneer de geestelijke klasse onderricht verlangde, wendde ze zich tot de broeders in Perzië. De inrichting der burgerlijke regeering was al niet beter geregeld; er was wel een verdeeling in districten en sferen van invloed, maar de hoofden hadden, voor zoo ver ze er waren, slechts weinig gezag over hun ondergeschikten.
Het leven der priesters heeft altijd iets aparts gehad en hield hen afgezonderd van de rest der gemeenschap. Naar den graad, dien ze bekleedden in de hiërarchie, waren er, die niet mochten eten dan wat klaargemaakt was door een vrouw uit de geestelijke klasse. Bovendien was de ritueele reinheid iets zoo onmisbaars voor een priester en ze werd zoo gemakkelijk verloren, bij voorbeeld reeds door een eenvoudige reis, dat een geestelijke onophoudelijk, om haar terug te erlangen, de reeks der lange en moeilijke zuiveringen weer moest doorloopen, waardoor hij haar deelachtig was geworden. Een van die zuiveringen duurt niet minder dan negen dagen, gedurende welken tijd de priester zich in zijn huis moet opsluiten, zonder iemand te spreken. Van daar die volkomen afzondering en de schrik voor eenige aanraking met niet-geloofsgenooten, een schroom, waarvan de anderen niet altijd de aanleiding hebben begrepen. De kleeding van den priester is volkomen wit, alsook zijn tulband; hij draagt een vollen baard. De woning is eenvoudig, en de kaalheid der vertrekken geeft er iets rustigs ouderwetsch aan; er zijn slechts enkele voorwerpen, die aan het Westen herinneren.
In het gedeelte van de stad, dat Motafalla heette, Bladzijde 372bracht ik mijn belangrijkste bezoeken. Er wordt gezegd, dat deze wijk ongeveer de plek is, waar de eerste parsische kolonisten zich vestigden. Op het oogenblik van hun aankomst was er niet anders dan een dorp van inboorlingen. De tegenwoordige indeelingen, aangeduid met de namen van sommige geslachten, werden ingenomen door de Koli’s en de Dubla’s. De straten bleven langen tijd steil en bergachtig, en rondom waren er in het geaccidenteerde land geen wegen. In de 18de eeuw maakte Anquetil Dupperron die opmerking, en de apen, die in de boomgaarden stoeiden, kwamen soms kinderen weghalen uit de straten, terwijl vijftig of zestig jaren geleden de tijgers nog Nausari bezochten. Men heeft zelfs den naam bewaard van diegenen, die er jacht op maakten, en men spreekt over hen met eerbied en dankbaarheid.
Plechtigheid van het “afergan” ter herinnering aan overledenen of ter aanroeping van beschermengelen.
De tempels en de bibliotheken zijn vereenigd in Motafalla. De tempels zijn geen meesterstukken van bouwkunst; de grootste klimt op tot de 18de eeuw en werd gebouwd door de geloovigen, om zich te troosten over het verlies van het heilige vuur en de verplaatsing naar Udvada. De jonge priesters worden gewijd in een kleineren, zeer ouden tempel. Een andere wordt onderhouden door een afvallige secte. Wat de bibliotheken aangaat, ze bevatten documenten van groote waarde voor de plaatselijke geschiedenis; maar het zijn vooral de archieven, die hetzij in de tempels, hetzij in sommige families van geestelijken worden bewaard, die een werkelijke waarde hebben uit historisch en godsdienstig oogpunt. Enkele documenten, die tot den dag van mijn komst angstvallig waren onttrokken aan het oog van vreemdelingen, hebben eindelijk door mijn smeekingen en mijn eerbiedige en belangelooze belangstelling het licht gezien. Ik heb allen grond te hopen, dat mijn vriend, de heer J.J. Modi de inderdaad zoo nuttige uitgave wel zal willen voortzetten.
De Parsi-bevolking verdient onze volle aandacht. Alle reizigers, Mandalslo, la Boullaye le Gouz, Fryer, Stavarinus, hebben van het perzische volk in Indië een zeer gunstige voorstelling gegeven. Ze leggen in het algemeen sterk den nadruk op de blankheid der gelaatskleur en op de zorg der Parsi’s, om vooral hun vrouwen te kiezen uit de vrouwen van hun volk.
In de geestelijke klasse, waar men trouwde en nog veelal trouwt in dezelfde familie en waar men dus met voorliefde het oude gebruik volgt van het huwelijk tusschen bloedverwanten, is het type zuiver en edel, een zeer geprononceerd arisch type, ofschoon ietwat gewijzigd door een langdurig verblijf in Indië. Het type is dikker geworden, als men het vergelijkt met de figuren uit het Noorden met fijner besneden gelaatstrekken. Toch herkent men wel duidelijk de trekken, die men het recht heeft te verwachten van een afkomst, die oorspronkelijk perzisch is. Wij hebben reeds gezegd, dat de plattelandbewoners forscher zijn dan de stedelingen; te Nausari treft dat onderscheid bijzonder sterk, vooral bij de vrouwen. Die zijn zeer vlijtig en hebben in haar gebruiken en haar kleeding het ouderwetsche behouden, dat Bladzijde 373men nergens zoo uitgesproken terugvindt. Er is te Nausari geen sprake van onze westersche modes; de balladen of garba’s, die men er zingt, drijven den spot met de elegantjes uit Bombay. Die garba’s zijn een der eigenaardigheden van Gudsjerat. Bij de Hindoes vieren ze den god Krishna en worden gezongen bij de feesten ter eere van dien god; maar de Parsi’s hebben ze aangenomen voor eigen gebruik, o. a. bij huwelijken en andere plechtigheden. De balladen worden gereciteerd in een nog al eentonig rhythme, waarbij men een rondgang doet om de een of andere lichtbron; de maat wordt geslagen met handenklappen, en uren lang kunnen vrouwen en jonge meisjes zoo al zingend zich bewegen. Dat zijn eeuwen aaneen de onschuldige genoegens geweest van de voorouders onzer Parsi’s, die modern doen, geleerd zijn en van sport houden.
Wijding van een aanstaand priester. De hond mag er niet bij ontbreken.
Na drie uren te hebben doorgebracht met het bekijken der stad Nausari, konden we een plechtigheid bijwonen, die zeer eigenaardig was, namelijk de processie van de navar, een der afdeelingen van de inwijding tot priester, de eenige, waarbij een niet-geloofsgenoot wordt toegelaten. Veertien dagen lang was de jongeling onderworpen geworden aan een reeks reinigingen en was verplicht geweest, zich teruggetrokken te houden in een bijgebouw van den tempel; in den schoot van zijn familie teruggekeerd, was hij daarna nog vijf dagen in nadenken en gebed verzonken gebleven, en op dien morgen zou hij naar den tempel worden teruggeleid, om er de laatste ceremoniën te verrichten. Wij begaven ons naar zijn woning; enkele genoodigden waren volgens het gebruik, dat ook bij trouwpartijen en begrafenissen geldt, reeds gezeten op de banken aan weerszijden van het marktplein; men verzocht ons plaats te nemen op een rustbank onder de veranda van een tegenoverliggend huis.
Een tapijt van witte stof was over de straat uitgespreid; langzamerhand verschenen mannen en vrouwen, kinderen en priesters; de laatsten gingen op oostersche wijze zitten op het tapijt, terwijl rijkelijk bouquetten werden rondgedeeld en rozewater en kleine driehoekige pakjes van een betelblad om te kauwen en een stukje noot, gewikkeld in een stukje bladgoud. Het was zeer geanimeerd, maar alles stijf en voorgeschreven. Geen enkel europeesch costuum kon ons den tijd te binnen brengen, waarin wij leefden, en ons dus de illusie ontnemen; we woonden inderdaad geen plechtigheid uit de 20ste eeuw bij, maar eene, die juist zoo door alle vroegere eeuwen in de stille straten van Nausarie was gevierd.
Eindelijk verscheen de hoogepriester Darabji Mahiarji, zeer indrukwekkend in zijn wit gewaad, met doek, het teeken van zijn waardigheid, over den schouder geworpen; de candidaat, ook in het wit gekleed, trad naar buiten in gezelschap van zijn ouders, zijn broeders en zusters, allen met op het voorhoofd het roode teeken, dat aangeeft dat men deel neemt aan een kerkelijke ceremonie. Nieuwsgierige gezichten verschenen aan de kleine vensters der naburige huizen; de gekleurde sluiers der vrouwen Bladzijde 374staken mooi af tegen de witte mousselinen gewaden der mannen. De processie werd gevormd op een wenk van den hoogepriester; naast dezen ging de navar of nieuw aangenomene voorop. Wij volgden, en de stoet ging door den doolhof van nauwe straatjes, waar we geiten en schapen en guitige kinderen tegenkwamen.
We kwamen spoedig aan den tempel, waarvan de deur achter den navar werd gesloten. Als hij er over vier dagen weer uit te voorschijn zal komen, is hij gerechtigd de vormen van den eeredienst te vervullen, en zijn naam zal worden ingeschreven onderaan de lijst, die sinds eeuwen de namen geeft van de priesters van Nausari.
De menigte verspreidde zich in vrome aandacht, en in de nu verlaten straten hoorden we in de verte nu en dan een bescheiden psalmgezang, de onvergetelijke tonen van de liturgie der leer van Zoroaster; het waren de gebeden, die in de gezinnen werden gezegd om treurige herinneringsdagen te vieren. Nausari is bekend om den eerbied voor de dooden, dien men er aan den dag legt en om de manier, waarop de begrafenisplechtigheden er worden gehouden. Vandaar het spreekwoord: “Te Bombay leven en te Nausari sterven!”
Eer we naar huis gingen, brachten we een bezoek aan onzen buurman, den hoogepriester Darabji Mahiarji. Dat was toen een man van 45 jaar; hij is verleden winter gestorven. Hij was wat dik, maar had een zeer zuiver type. Hij ontving ons in een lage zaal van zijn antiek huis en was omringd door zijn zoon, de bruid van zijn zoon en eenige jonge priesters. Volgens de etiquette sloeg hij ons om den hals die mooie bloemkransen, die zoo sterk geuren en waar dunne goud- en zilverdraden uit afhangen, besproeide ons met rozewater uit een fijn fleschje in oud-perzischen stijl.
Hij was de afstammeling van den dastoer Meherji Rana, wiens nagedachtenis in het bijzonder wordt vereerd, omdat hij de eer had het hoofd te zijn van de priesters, die indertijd keizer Akbar inwijdden in de geheimen der leer van Zoroaster. Mijn groote belangstelling had mij doen besluiten, mij met hem in betrekking te stellen. Ofschoon de overlevering van de gesprekken, die de keizer met den dastoer had gevoerd, levend was gebleven in de gemeenschap, toch werd ze betwist door sommigen, die de aanwezigheid van Meherji Rana bij het geleerde onderhoud, waarin Akbar tegelijk Brahmanen, mohammedaansche geestelijken en christen-zendelingen liet spreken, in twijfel trokken. De omstandigheden hebben het mij mogelijk gemaakt, door mijn geleerden vriend, den heer J. J. Modi uit Bombay, tegelijk te doen uitgeven de perzische firmans van de keizerlijke kanselarij, die bewijzen, dat de giften in grond aan Meherji Rana en daarna aan diens zoons, wel degelijk de belooning waren voor diensten, den Dastoer toegekend door zijn collega’s uit Nausari.
Aan den anderen kant heb ik bij mijn terugkomst in de aanteekeningen van Anquetil gevonden, dat te Surate de eerste samenkomst plaats had van den Keizer en den Dastoer, een overlevering, bevestigd door onuitgegeven gedichten van den zoon van den laatste. De 31ste December 1900 is dus voor mij een gedenkwaardige datum gebleven, want ik vervulde een der wenschen van mijn vader, die door de aandachtige bestudeering van eenige oostersche schrijvers de aanwijzing van een historisch feit had voorgevoeld, dat ik op de plaats zelve volkomen bevestigd vond.
Na het ontbijt liet mevrouw Tata het weefgetouw binnenbrengen, waarop de heilige gordels of kusti’s gemaakt werden, en jonge meisjes kwamen ten onzen aanschouwe werken. Het weven van de kusti is het voornaamste werk van de gezinnen der priesters, en bijna alle kusti’s, die in de gemeenschap worden verkocht, zijn te Nausari vervaardigd. Er wordt de beste wol uit Kathiawar voor gebruikt, een witte, zijdeachtige soort. De lengte van een kusti wisselt tusschen zes en twaalf voeten; als er nog maar een enkele voet is te weven, neemt men het werk van het weefgetouw en geeft het aan een priester, die na het uitspreken van de woorden van den ritus de niet geweven draden uit het midden wegknipt. Dan wordt de kusti met een groote naald weer op het getouw gebracht; men breidt de niet geweven draden te zamen, en er worden drie kleine eikeltjes aan iedere punt bevestigd. De koord wordt nog gewasschen, opdat hij mooi wit worde.
Het overige van den dag werd besteed aan het bezoek der lagere scholen; het onderwijs wordt trouw bevorderd in den staat Baroda, vooral bij Parsi’s, waar het aantal ontwikkelde vrouwen niet veel verschilt van dat der mannen, iets eenigs in Indië. Wat de priesters aangaat, men kan in de school, die de heer N. R. Tata heeft gesticht, de groote vorderingen waarnemen, die er worden gemaakt sedert de europeesche methoden het verouderde onderwijs hebben vervangen, dat daarin bestond, eenige leerlingen te groepeeren rondom een ouden onderwijzer.
Dien avond gebruikten allen het middagmaal in de groote bungalow van Lunsikui met de vrienden uit Bombay gekomen, en ik zal mij hier de vrijheid veroorloven, den heer Jamshedji Tata voor te stellen, onzen gastheer, een der merkwaardigste mannen van de gemeenschap der Parsi’s, wiens geheele leven gewijd was aan den arbeid en aan het in werking brengen van de edelmoedigste ingevingen.
Nausari verheft er zich terecht op, het leven te hebben geschonken aan den eersten Parsi, die baronet is geworden, den philanthroop Jamshedji Jijibhai. De geestelijke klasse kan trotsch wezen op Dadabhai Naorozji en Jamshedji Tata. De laatste is een zeer representatief man geweest in den echten zin des woords. Hij behoorde tot de schitterende generatie der Parsi’s uit de tweede helft der 19de eeuw, die gebruik had gemaakt van de engelsche scholen. Reeds zeer jong in zaken gekomen, nam hij daarin spoedig een gewichtige positie in, vooral in de katoenindustrie. Zijn activiteit, die zich in verschillende takken van bedrijf openbaarde, liet hem voortdurend reizen ondernemen van Azië naar Europa en Amerika, om zijn plannen goed te doen gelukken, plannen, die altijd de belangen van Indië en de Indiërs dienden. In Duitschland gebeurde het, dat dit heldere verstand, dit groote hart ontijdig aan hun eind kwamen. Hem was ik de vriendelijke ontvangst schuldig, die mij te Nausari te beurt viel, Nausari, dat zijn vaderstad was, ik had bijna gezegd, zijn koninkrijk! Bladzijde 375
De morgen van den eersten Januari was zeer gevuld. Terwijl onze gastheer en gastvrouw bezoeken ontvingen, gingen wij naar de Torens van het Zwijgen, gelegen op korten afstand van de stad, te midden van een aanplanting van acacia’s. Ik heb al zoo dikwijls in den loop van dit verhaal gesproken van de Torens des Zwijgens, die door ons op onze verschillende uitstapjes waren bezocht, dat ik niet langer mag wachten met eenige bijzonderheden mee te deelen omtrent de behandeling, die de Parsi’s hun dooden doen ondergaan.
Die behandeling, welke ons, laat ons het woord maar uitspreken, weerzinwekkend lijkt, omdat ze de lijken overlevert aan roofvogels, is gegrond op de leer van Zoroaster, die leert, “dat het zonde is, een dood lichaam aan het water toe te vertrouwen, zonde, het aan den grond over te geven, onherstelbare zonde, het over te leveren aan het vuur.” De Parsi’s hechten eraan, vinden hun manier verkieslijk boven de verbranding en houden vol, dat hun profeet Zoroaster een uitstekend ambtenaar voor de volksgezondheid is geweest; ze houden ook van den eenvoud hunner begrafenisplechtigheden, die gelijk zijn voor den bezitter van millioenen en voor den behoeftige, namelijk een ijzeren draagbaar en vier dragers, en ze roemen de vereeniging van allen te zamen verbleken tot aan den dag der opstanding.
De oprichting van een Toren van het Zwijgen wordt beschouwd als een daad van hooge vroomheid. Plechtige ceremoniën gaan samen met den bouw en worden voltrokken op het oogenblik van het steken van de eerste spade, als de fondamenten gereed zijn en op den dag der inwijding. Die laatste plechtigheid duurt drie dagen en eindigt met het houden van een dienst in tegenwoordigheid van de geheele gemeenschap. De naam wordt vermeld van den weldoener op wiens kosten de Toren is gebouwd, en men roept zegeningen over zijn hoofd in. Indien het gebeurde ter herinnering aan een overleden bloedverwant, wordt ook dat erbij uitgesproken.
De aanwezigen gaan den Toren binnen en werpen in den centralen put goud- en zilvergeld, soms ook ringen en juweelen. Vóór de inwijding mogen allen er binnentreden, christenen zoowel als leden van andere secten. Dank zij dat gebruik, heb ik een nieuw gebouwden Toren kunnen bezoeken op een eiland ter reede van Bombay en heb ik alle merkwaardige bijzonderheden kunnen waarnemen, die men gewoonlijk niet anders te zien krijgt dan in de modellen, welke de Parsi’s hebben laten maken, opdat de niet-geloofsgenooten zich rekenschap konden geven van de wijze van bouwen.
De Parsi’s hebben niets gespaard, opdat hun Torens gebouwd worden van de beste, soliedste materialen; ze hebben gewild, dat die bouwwerken eeuwen zouden duren, en dat de mogelijkheid werd uitgesloten, de aarde te verontreinigen of levende wezens te besmetten. Ze zijn altijd naar een gelijk plan ontworpen, maar verschillen in de afmetingen; de grootste Toren van Bombay bijvoorbeeld heeft een middellijn van 30 meter en is 10 meter hoog; de ringmuur is gebouwd van harde steenen met pleister bestreken. Een deur gaat open op een zekeren afstand van den grond; daardoor worden de lijken binnengebracht na vele plechtige handelingen door dragers van beroep, die, in het wit gekleed, en met het heele lichaam bedekt, ook de handen, alleen het voorrecht hebben, de dooden in de Torens neer te zetten. Geen ander mag er binnentreden.
Binnenin is een rond platform, verdeeld in drie concentrische cirkels en geheel geplaveid met groote steenen, waar de lijken op komen te liggen. Daar er in elk der concentrische cirkels hetzelfde aantal groote steenen zijn, verminderen die in afmeting, naarmate de kringen kleiner worden meer naar het midden.
De buitenste cirkel, waar de grootste steenen, die ook wel bedden of kesh worden genoemd, liggen, is bestemd voor lijken van mannen; de tweede voor die der vrouwen en de derde voor die der kinderen. De steenen worden van elkander gescheiden door randen van twee of drie centimeters hoogte. Goten loopen erdoor aan de oppervlakte, om weg te laten vloeien, wat uit de lijken komt en het te voeren naar een kuil, een soort van put, geboord in het midden van den Toren, waarvan de diepte zorgvuldig waterdicht is gemaakt.
Als het lijk volkomen van het vleesch is ontdaan door de gieren, wat ongeveer een uur duurt, en als het geraamte gansch en al droog is geworden door de brandende zon der tropen of ontbonden door hevige regens, wordt het in dien put geworpen, waarin eveneens de kleederen, die de doode bij de begrafenis droeg, verdwijnen.
Vier grachten gaan van de diepte van den put uit in vier verschillende richtingen, bereiken den buitensten muur, passeeren dien en komen bij vier zinkputten, in den grond uitgegraven op gelijke afstanden van elkander. Bij de uitmonding van elk kanaal heeft men hoopen kool en zandsteen neergelegd, om de organische vochten te zuiveren, eer ze in den grond dringen, want volgens een der voorschriften van Zoroaster, is het noodzakelijk, dat onze moeder de aarde niet verontreinigd worde. De zinkputten hebben een doordringbaren bodem, met een dikke laag zand bedekt.
Men schat te Bombay op ongeveer honderd het aantal gieren, die op de hooge palmen in de buurt zetelen; ze wisselen elkaar geregeld af; als een troep gedaan heeft, komt een andere. Bij de nadering van een stoet laten ze zich zwaar neervallen, en bij hun werk behoeven ze geen stoornis te vreezen; niemand komt nabij of tracht hen te hinderen. Men zegt, en Parsi’s hebben het waargenomen, dat ze de muren van den Toren niet kunnen verlaten met het een of ander in hun klauwen; die laatste zijn te zwak en te weinig ombuigbaar om een prooi te omvatten.
Het zijn enorme vogels. Hun kop is kaal evenals hun hals; hun bek groot, sterk en omgebogen; de pooten zijn sterk en dik. Ze leven in troepen, vliegen langzaam, zijn gulzig en voeden zich bij voorkeur met lijken. Als men bedenkt, dat alle lijken der Parsi’s, welke ook de doodsoorzaak moge geweest zijn, pest, besmettelijke koortsen, kinderpokken, cholera, zoo worden neergelegd in de Torens, moet men zich erover verbazen, dat de dieren nooit, voor zoo ver men heeft kunnen nagaan, een epidemische ziekte hebben verspreid. Bladzijde 376
Hoe groot ook de afstand moge zijn van het huis van den overledene, of deze rijk zij of arm, van hoogen maatschappelijken rang of van lagen, hij heeft altijd denzelfden lijkstoet. Zijn lijk wordt gevolgd door een optocht van lieden in de rouw, bloedverwanten, vrienden en betrekkingen van het sterke geslacht, gekleed in lange witte kleederen. Ze loopen twee aan twee, elkander bij de hand vasthoudend met een witten zakdoek, om de sympathie voor te stellen, die hen in een zelfde verdriet heeft gedompeld.
Voor het overige wendt de Parsi zich wijselijk af van die materiëele voorwerpen, om slechts het oog te vestigen op de verwachtingen van het toekomstig leven. Hij is een bewonderenswaardig spiritualist en gelooft vast aan een hiernamaals. Zijn philosofie leert hem, dat de strijd, dien hij zijn leven lang tegen het kwaad heeft gestreden, hem de eeuwige zaligheid zal verzekeren. De goede gedachten, de goede woorden, de goede daden, die hij heeft gedacht, gezegd of gedaan, zullen de maatstaf wezen, wanneer hij zal worden geoordeeld door den hoogsten rechter.
Aan den anderen kant, al hecht hij aan die manier van begraven, die hem door zijn heilige boeken wordt voorgeschreven, hij weet zich toch aan de omstandigheden te onderwerpen, als hij in den vreemde of zelfs in Indië onmogelijk kan gehoorzamen aan de voorschriften van godsdienst.
|
De vrouwen uit Nausari zijn krachtig gebouwd |
Vandaar het kerkhof voor de dooden van de leer van Zoroaster te Sjanghaf in China, het kerkhof van Woking, dat van Londen en de andere rustplaatsen, die wij tot in Kaschmir aantreffen. Een spreuk uit de oude boeken troost den geloovige voor de verzuimen die hij begaat, door te zeggen: “Volg de gebruiken; maar als ge dat niet kunt doen, maak er u dan niet bezorgd over!”
Laat ons naar de Torens van Nausari terugkeeren, die zeer interessant zijn, omdat een paar ervan zeer oud zijn en eigenaardigheden vertoonen, die daarbij passen. Zoo hebben de oudste, die uit de 16de eeuw, geen trappen. Men bereikte de deur langs een ladder of tijdelijke trap, om ontheiliging te voorkomen.
Trouwens in Perzië hijscht men nog de lijken met touwen omhoog. Ook heeft de opening van een der Torens, die niet meer gebruikt werd, aangetoond, dat er geen afdeelingen waren en dat men de mannen aan de eene en de vrouwen aan de andere zijde legde.
Nog woonde ik de plechtigheid van het Afergan bij, die in den huiselijken kring kan geschieden en die soms dient ter herinnering aan gestorvenen, soms voor het aanroepen van beschermgoden. Op een tapijt op den grond worden bloemen en vruchten neergezet bij bekers met water, wijn en melk. Twee priesters met gesluierd gelaat spreken teksten uit, waarbij de woorden “rein denken, rein spreken, rein handelen” worden vernomen.
Ook zag ik een priesterwijding of barashnum en de hond, die erbij tegenwoordig was, wordt door den priester genoemd in zijn regel: “De onzuiverheid is te niet gedaan; het lichaam is gereinigd, de ziel gezuiverd, de hond is rein, de priester heilig!”
Zoo als ik het hier heb beschreven, verliep in groote lijnen mijn kort verblijf te Nausari, geschetst naar de aanteekeningen van mijn reisdagboek. Ik gevoel, dat ik nog geen flauw denkbeeld heb gegeven van de plaats en de menschen, maar waar en echt blijft het woord van J. Darmesteter over Nausari, als hij zegt, wat ik volkomen juist heb bevonden: “Men krijgt daar een gevoel van leven en werkelijkheid, als nooit door doode teksten kan worden verkregen.” Bladzijde 113