WeRead Powered by ReaderPub
Bij de Parsi's van Bombay en Gudsjerat / De Aarde en haar Volken, 1909-1910 cover

Bij de Parsi's van Bombay en Gudsjerat / De Aarde en haar Volken, 1909-1910

Chapter 6: V.
Open in WeRead

About This Book

Een etnografische studie van de Parsi-gemeenschappen in Bombay en Gujarat beschrijft hun Perzische oorsprong, de kernbegrippen van het zoroastrisme — waaronder het onderscheid tussen de machten van goed en kwaad maar een uiteindelijk monotheïstische grondgedachte — en de rituelen en voorschriften uit de Zend-Avesta. Het werk behandelt maatschappelijke organisatie, gezinsleven en politieke opvattingen, plus de economische positie, welvaart en filantropie van de Parsis. Gedetailleerde verslagen van religieuze ceremonies zoals de initiatie met heilige tekens en huwelijksriten worden gecombineerd met observaties van dagelijks leven en regionale gewoonten. Aandacht gaat ook uit naar de relatie van de gemeenschap met westerse invloeden en hun culturele continuïteit binnen een grotere religieuze omgeving.

Straat in Baroda.

IV.

Beschrijving van de stad Broach.—De heiligheid van de Nerbudda.—De kolonie van de Parsi’s.—Aankomst te Baroda en hoe wij onzen intrek namen in den Kaniati Bagh.—Een paar woorden plaatselijke geschiedenis en een blik op de regeering van Zijne Hoogheid den Gikwar.—De vorderingen van het onderwijs in den staat Baroda.—Bezoek aan de paleizen en de schatkisten.

Nadat wij Nausari, het Rome van het Parsisme, hadden verlaten, leidde onze weg ons naar Broach, waar we merkwaardige herinneringen zouden vinden aan de Parsi’s van vroeger; maar eer ik tot ons eigenlijk onderwerp overga, moet er iets gezegd van die interessante haven.

Van Nausari moet men twee uur sporen, om naar Broach te komen. De spoorweg verwijdert zich op dien weg van de kust en rijdt door de bebouwde landstreek. Dezen keer gaan we Surate voorbij, waar we nog zullen terug keeren, en Ankleswar, een belangrijk middelpunt voor den handel, waar elkaar ontmoeten het hout, dat voor het bouwen en als brandstof wordt gebruikt, was en honig, en ook de producten van de jungle. De katoenindustrie heeft er een zeker aantal werkplaatsen, die door een Parsi worden bestuurd. De plaats telt inderdaad een groot aantal Parsi’s onder haar bewoners; het is een hunner oudste kolonies. Hun torens des Zwijgens geven er blijk van, en naar authentieke documenten zou een afschrift van hun godsdienstige geschriften er in de 13de eeuw gemaakt zijn.

Wij gingen over de brug over de Nerbudda, een merkwaardig kunstwerk, dat men slechts met groote moeite heeft kunnen tot stand brengen, daar de hevige stroomingen de pijlers wegsleurden, en aan het station van Broach werden wij ontvangen door een notabelen Parsi, die ons naar zijn landhuis meenam, toen nog onbewoond en gelegen in de voorstad Vejalpoer buiten de stad. We gingen tegen het vallen van den avond door de smalle en stijgende straten van Broach, waaraan huizen stonden van armoedig voorkomen, de meeste met steenen muren en pannen daken, en zoo kwamen we buiten aan een breeden, goed onderhouden en met boomen beplanten weg. Dit was de wijk, waar vroeger de Europeanen woonden van de factorijen; het moest de onze wezen... Helaas! het was gedaan met de mooie wegen van Umbargaon en onze boomgaarden van Nausari!

Onze woning was een reuzengroote bungalow, een modern huis met veranda en bijgebouwen, opgericht in het midden van een pas ontgonnen terrein, waar ploegen inlandsche werklieden het ruwe werk verrichtten aan andere nieuwe bungalows. Er heerschte overal in het rond grove verwaarloozing, die het mij deed betreuren, dat ik er niet aan gedacht had, den nacht in de stad door te brengen, al was het maar in de wachtkamer van het station.

Niettemin ging de avond prettig voorbij met het maken van plannetjes voor den volgenden dag en met belangwekkende gesprekken over de katoenindustrie, Bladzijde 114waar Broach een der groote middelpunten van is. Oudtijds beroemd om de bekwaamheid van zijn wevers, die volgens het zeggen der reizigers de fraaiste weefsels ter wereld fabriceerden, verdiende Broach later wel den naam van het indische Manchester. De plaats heeft in dat opzicht tot in de voorgaande eeuw een belangrijkheid gekregen, die ze nog niet geheel heeft verloren, dank zij haar nog bestaande fabrieken.

Hoewel zeer vervallen, voornamelijk ten gevolge van den achteruitgang harer industrie, die niet kan opwerken tegen de engelsche mededinging, telt de plaats nog met de volkrijke voorsteden meer dan 30.000 inwoners, van wie 13.000 in de eigenlijke stad.

De katoen, die er wordt verbouwd en in de fabrieken bewerkt, de katoen uit Gudsjerat, is niet zoo goed als die uit Centraal-Indië, van de Berars o.a.; toch heeft ze haar waarde, en de cultuur is vrij winstgevend.

Reeds sedert 1829 heeft de regeering een reeks proeven gedaan, die bewezen hebben, dat het niet gemakkelijk is, de vreemde variëteiten van katoen er te acclimatiseeren, en dat wel door de groote hitte en het gebrek aan water, waaronder het land lijdt als de regentijd voorbij is; wat de verbetering aangaat van de oude cultuurmethoden, het is wel uitgemaakt, dat hoewel in enkele streken het amerikaansche stelsel van cultuur betere resultaten heeft geleverd dan het inlandsche systeem, de planters van Broach niets behoefden te leeren van de eerste kweekers.

De nacht, dien wij doorbrachten in het te onzer beschikking gestelde huis, heeft geen prettige herinnering bij mij achter gelaten. De koude had zich plotseling doen gevoelen; ik riep Frans, onzen bediende, en wilde hem de opdracht geven, onze dekens te halen, die wij onder de veranda hadden laten liggen. Geen antwoord. Ik liep naar de trap; de tusschendeur was gegrendeld. In dien tijd gingen onze lampen uit, en weldra bleef ons geen andere verlichting over dan de maneschijn, getemperd door de blauwe ruiten der vensters. Wij wachtten den dag af in begrijpelijke onrust. Zoodra het dag was, vond ik na een hernieuwd onderzoek Frans met dichte vuisten slapende onder de trap, en eindelijk tegen zes uur kwam onze gastheer ons verlossen. Op onze angstige vragen antwoordde hij lachend, dat het land niet veilig was, en dat hij het daarom voorzichtig had geoordeeld, eer hij met zijn personeel naar de stad terug ging, ons stevig op te sluiten. Het schijnt, dat er werkelijk veel boosdoeners rondzwerven en dat de criminaliteit in het district groot is, zoodat, alles in aanmerking genomen, de genomen voorzorg goed was.

We gingen de stad bekijken; het was een koude morgen; de lucht was somber grijs, en wij gevoelden maar al te goed het verschil tusschen het lauwe klimaat van Nausari en dat van Broach. Deze stad beslaat met de voorsteden een oppervlakte van bijna drie mijlen in de lengte en driekwart mijl in de breedte; de aanblik van den zuidelijken oever der Nerbudda is zeer schilderachtig. De gebouwen liggen op de hellingen van een hoogen heuvel, waarop de ruïnen van de citadel zijn gelegen; van de ten deele vernielde vesting werken is er alleen in goeden staat overgebleven een muur langs de rivier. Reeds in de 16de eeuw wekte de ligging de bewondering van de Portugeezen, die er een verre herinnering aan Lissabon in terugvonden.

Als men thans van de hooge wallen een blik rondom zich slaat, mist het panorama noch grootschheid, noch schoonheid. De blik omvat den loop der Nerbudda, die al breeder wordt, tot zij zich in zee stort; in het Westen geven boschjes een aanwijzing, waar de voorstad Vejalpoer is gelegen; in het Noorden sluiten bergen den horizon af; in het Oosten wijzen lange rijen tamarindeboomen de plaats aan van de tuinen van den Nabab, tuinen, die eertijds beroemd waren om hun prachtige kiosken, hun fonteinen en kanalen. Op den anderen oever verheft zich het heiligdom van den wijze uit den Vedatijd, Bhragoe, die aan de stad den naam van Bhragoepor heeft gegeven. Hij moet het geweest zijn, die de Nerbudda in haar tegenwoordige bedding heeft geleid en die daardoor de dankbaarheid van de volgende geslachten zou hebben verdiend.

Al in de eerste eeuw van onze jaartelling was die stad van den wijze beroemd; in de derde werd ze de zetel van een rajpoetisch rijk en nog later een belangrijke havenstad. Als de heele streek, kon ze echter niet ontkomen aan de mohammedaansche overheersching, noch aan de invallen der Portugeezen of aan de strooptochten der Mahratten. Na een tijdelijke bezetting door de Engelschen en een wederverovering door de Mahratten kwam ze in 1803 voor goed aan Engeland.

In de 17de en 18de eeuw bloeide de plaats; de reizigers roemen de dichtheid der bevolking, de talrijke weefgetouwen en de beweging in de haven; maar weldra kwam het verval. De handel van Broach verplaatste zich naar Surate, daarna naar Bombay; de er gekweekte katoen werd door die beide havens uitgevoerd naar China en Bengalen, en de spoorweg benadeelde het vervoer langs den zeeweg.

Thans ziet de stad er doodsch uit buiten de plaatselijke levendigheid in de industriëele werkplaatsen, en wat de andere gebouwen betreft, als ik gezegd heb, dat men er een hospitaal, een apotheek, scholen en een bibliotheek heeft, geloof ik, dat we het erbij kunnen laten en ons bezighouden met de dingen van het verleden.

Er is als herinnering aan het Hindoetijdperk niet anders over dan de tempel van Bhragoe en die, welke de plek aanwijst van de offerande der tien paarden. Die offerande of asva medha was een oude plechtigheid uit den Vedatijd, de plechtigste der offeranden van dieren, en in latere tijden werd de kracht ervan zoo overdreven, dat een offer van honderd paarden, naar het schijnt, aan diengene, die het brengen zou, de mogelijkheid zou hebben gegeven, het koninkrijk der hemelen aan god Indra zelven te ontrukken. Maar als de bouwwerken uit dien tijd schaarsch zijn, het godsdienstig gevoel van den Hindoe is niet in vurigheid verminderd en uit zich in Broach in den treffendsten natuurvorm, namelijk in de vereering die hij bewijst aan zijn mooie rivier. Uit Midden-Indië gekomen, doorloopt de Nerbudda 1300 kilometers, eer ze aan haar monding in de Cambaye-golf Bladzijde 115komt, waar ze 20 kilometer breed is. Of men haar beschouwt als een maagd, door de zee begeerd, of als de echtgenoote van een zoon van Agni, afstammeling van Brahma, of liever nog als de moeder van den kampioen der goden in hun oorlog tegen de demonen, ze heeft ontegenzeggelijk een heilig karakter en gaat in heiligheid alle andere rivieren te boven. Haar getrouwen vereeren haar hoog en zeggen, dat als hun zonden worden vergeven aan diegenen, die zich zevenmaal in de Jumna baden, driemaal in de Sarasvati, eenmaal in de Ganges, dat dan de aanblik der Nerbudda alleen voldoende is, om van alle kwaad te zuiveren; bovendien zou de heiligheid van de Ganges in 1895 zijn afgeloopen, welke datum ongemerkt is voorbijgegaan, terwijl die van de Nerbudda het voordeel heeft van onbegrensd te zijn.

Bij een voortzetting van de vergelijking zullen we zien, dat de deugden van de Ganges beperkt blijven tot den noordelijken oever en dat die van de Nerbudda zich uitstrekken over de beide oevers en nog verder tot meer dan 50 kilometer naar het Noorden en 20 kilometer naar het Zuiden, zoodat een eenvoudige wassching in onverschillig welken vijver binnen dien afstand gelegen, even verdienstelijk is als een bad in de Nerbudda. De herinnering aan het offer van de tien paarden verhoogt de heiligheid van de plaats en de grootste genade, die een kluizenaar kan te beurt vallen, is te sterven aan de oevers der rivier en zich daar tot asch te laten verbranden; men brengt er zelfs de asch heen van vrienden, die verweg gestorven zijn.

De feesten ter eere der Nerbudda zijn talrijk en trekken een menigte pelgrims; een heele voorstad is voor hen bestemd. De vrome geloovigen geven, na zich gebaad te hebben en meer dan vijf-en-twintig heilige plaatsen te hebben bezocht, groote giften aan de Brahmanen en vertrekken met een schat van troostgronden. De Nerbudda bezit ook, schijnt het, eigenschappen van zeer bijzonderen aard; weinig Hindoes zouden durven vloeken, als ze hun geloofseed hebben afgelegd in de nabijheid der rivier met een krans van roode bloemen om den hals en met de rechterband vol heilig water.

Wat den mohammedaanschen tijd aangaat, de groote moskee in de vesting is een prachtig voorbeeld van een muzelmanschen tempel, gebouwd met de pilaren van een hindoesch heiligdom, hetzelfde kerkgebouw, dat op die plek stond. Buiten de stad merkt men ook het graf op van den heilige, die het land tot den Islam bekeerde, alsook veel andere kleine bedehuizen.

Te Broach hebben de Hindoes en de Mohammedanen nog al vreedzaam naast elkander gewoond. Een klasse van Mohammedanen is er zeer belangwekkend, dat is die der Bohora’s uit de dorpen, die intelligent en vlijtig zijn. De andere elementen, Jaïna’s en christenen, zijn te verwaarloozen quantiteiten. De inlandsche stammen, Bhils en Talavia’s, zijn tuchteloos en gevaarlijk; vandaar de onveiligheid op het platteland.

Wij vinden hier in het district een sterk contingent Parsi’s, die onze aandacht ten volle verdienen. Broach is een hunner vestingen; ze waren er al vóór de 13de eeuw, en ze hebben er altijd een afzonderlijk district bewoond, het Parsivad. Zoolang Broach een belangrijke handelshaven is geweest, waren zij reeders en makelaars. Zoodra de nijverheid opkwam, werden ze industriëelen; enkelen waren uitstekende wevers; maar ze hebben bijna allen de plaats verlaten. De dorpelingen doen aan landbouw, en de handel in sterken drank is, om zoo te zeggen, een monopolie geworden in hun handen. Ze gaan tot op het grondgebied van den inboorlingenstaat Rajpipla en in de wouden der Bhils de mowrahbloemen koopen, het manna uit de jungle. Sedert den achteruitgang der stad zijn veel Parsi’s verhuisd naar Bombay; in het algemeen genieten diegenen, die gebleven zijn, welstand; maar ze hebben den naam wantrouwig en zuinig te zijn.

De geestelijke klasse stamt af van een priester uit Nausari; ongelukkig zijn de jaarboeken niet goed bewaard gebleven, en de waardigheid van den dastoer, die vroeger erfelijk was in een familie, bekend om haar geleerdheid en vroomheid, is niet opgevorderd door den laatsten afstammeling, die er zich toe heeft bepaald, zijn stamboom in orde te laten brengen.

De belangwekkendste herinneringen zijn aan Broach verbonden. Uit deze haven vertrok de eerste afgezant naar Perzië in de 15de eeuw, die gezonden was door het leekenhoofd van Nausari, om opnieuw de betrekkingen aan te knoopen met de broeders in Iran; later was het weer te Broach, dat zich de meest tragische tooneelen afspeelden van den grooten strijd, die er uitbrak naar aanleiding van een eenvoudige verandering in den kalender: de eenen hielden zich aan de manier van tellen, die ze hadden gevolgd sinds hun komst in Indië, de anderen wilden terugkeeren tot die, welke gevolgd was door hun geloofsgenooten, die in Perzië waren gebleven. Niemand wilde toegeven; er kwam een groote storing uit voort in de data waarop de godsdienstige feesten werden gevierd, en zoo werd de gemeenschap in twee secten verdeeld.

Er werden toen moorden bedreven, en het liep af met het ophangen van een Parsi, door de leden van zijn secte als een heilige beschouwd. Eindelijk barstten in 1857 de beroemde opstanden uit. De Mohammedanen vielen, nadat het gerucht was verspreid, dat een Parsi hun moskee had ontwijd, de wijk aan, waar hij woonde, en een oude, onschadelijke priester werd gedood op den drempel van de kamer van het Vuur met den veronderstelden dader van de ontheiliging. De troepen maakten een charge en de orde werd met moeite hersteld. In de 18de eeuw had men reeds een droevig geval kunnen constateeren, een echt martelaarschap van een aanhanger van de leer van Zoroaster. Een wever, Kamaji geheeten, beschuldigd een Mohammedaan te hebben behandeld als een kafir of ongeloovige, werd door den Nabab opgeroepen, om den Islam te omhelzen, en op zijn weigering werd hij aan den degen geregen. Zijn naam is opgenomen in de gebeden van den eeredienst.

De tempels liggen in de eigenlijke stad, wat de Torens des Zwijgens betreft, de oude, van steenen opgetrokken, die nog van vóór het jaar 1300 dagteekent, waaruit men zoowat bij benadering kan vaststellen wanneer de Parsi’s zich te Broach hebben gevestigd, ligt in de voorstad Vejalpoer, niet ver Bladzijde 116van onze bungalow. De muren vertoonen groote spleten, en het inwendige is gevuld met den plantengroei, die er in het wild is opgeschoten. De andere moderne Torens, die nog in gebruik zijn, liggen verder, midden tusschen de katoenvelden. Die velden zien er een weinig somber uit. Ofschoon de katoenstruik een mooi boompje is met dicht gebladerte, levert een vlakte, met katoenboompjes beplant, geen aangenamen aanblik op. De bloem, die zwavelgeel is met donkerroode vlekken, heeft een vijfkleppige doosvrucht en scherp getande kelkbladeren. Als de vrucht rijp is, springt ze open en laat het zachte zaadpluis vrij, dat de zaden omgeeft en dat de zoo gezochte katoen levert. Toen wij er vertoefden, ging men juist oogsten.

In Vejalpoer zochten wij ook op groote onbebouwde terreinen naar overblijfselen der oude factorijen, die te Broach gevestigd waren. De Hollanders hebben er voor hun agenten graven gesticht; maar die kunnen de vergelijking niet doorstaan met de groote monumenten, die wij weldra zullen ontmoeten op het europeesche kerkhof te Surate.

Het paleis van Makarpura, landhuis van den Gikwar.

Na een dag, te Broach doorgebracht, zetten wij onze reis voort tot Baroda, een van die steden, die aanleiding hebben gegeven tot den roep van pracht en rijkdom en weelde, alleen door den naam van Indië opgeroepen, en die dezen naam terecht droegen. Baroda is de hoofdstad van de staten van een maharadja, dat is van een dier inlandsche vorsten, die onder de suzereiniteit van Engeland regeeren over volken, soms even talrijk als de bewoners van sommige europeesche landen.

Baroda wekte, zooals men zal begrijpen, in hooge mate mijn nieuwsgierigheid, en ik verlangde, mij erheen te begeven. Ik bracht er de herinneringen mee heen van het werk van Louis Rousselet “l’Inde des Rajahs”, en mij stond nog voor den geest, welke wonderen hij had gezien te Baroda veertig jaar geleden, toen hij ontvangen was door den Gikwar Khandi Rao.

Van Broach af is het land vruchtbaar en verdient evenals Nausari den bijnaam van den “Tuin van Gudsjerat”. Te Baroda zouden wij de gasten zijn van den vorst, en dadelijk op den avond van onze aankomst werden we geïnstalleerd in den Kamati Bagh, een mooi paviljoen, gelegen in een heerlijk park buiten de stad. Niet ver van onze woning was het Kamp, waar de engelsche regimenten zich ophielden en waar de engelsche Resident woonde, de hooge ambtenaar, die bij den Maharadja de britsche heerschappij en haar toezicht vertegenwoordigt.

De woning van den Resident is een groote, onder boomen verborgen villa, door hagen omsloten en omringd door een gracht, terwijl het huis bewaakt wordt door een detachement inlandsche soldaten. In de buurt zijn andere villa’s, die men haast niet kan vinden onder den dichten plantengroei. Ons paviljoen daarentegen was omringd door bloemperken en grasvelden. Het was een licht gebouwd, vroolijk huisje, wit geverfd en weelderig gemeubeld, met mooie roode tapijten op de trappen, zooals behoorde, want rood is de officiëele kleur. Bij onze aankomst waren de vertrekken schitterend verlicht, en het geheel was treffend en bekoorlijk in dat park, waar de donkere boomen zich afteekenden tegen den met sterren bezaaiden hemel.

De staat Baroda is een van die, welke de Mahrattenhoofden, uit Dekan gekomen, zich in de 18de eeuw afperkten vanaf de vlakten aan de Ganges tot het uiterste Zuiden, geholpen door de anarchie, die in het meer en meer achteruitgaande rijk der Groote Mogols heerschte. De Mahratten vormden een federatie, door Engeland na vier groote oorlogen tusschen 1780 en 1813 vernietigd. Velen der overwonnen vorsten werden van hun bezittingen beroofd, die bij het Presidentschap Bombay werden gevoegd. Anderen, als die van Baroda, van Indore en Gwalior, hebben hun staten behouden, maar verminderd in grondgebied en van elkander afgezonderd.

Het grondgebied van Baroda telt twee-en-een half millioen inwoners; de geboren Mahratten vormen een kleine aaneengesloten groep rondom den souverein; men kan ze herkennen aan hun driehoekigen tulband. De vorst toont geen partijdigheid in de keuze van zijn ambtenaren, en zoo treft men onder de diwans of ministers, die aan het hoofd der zaken hebben Bladzijde 117gestaan, personen aan van zeer verschillend ras en zeer uiteenloopende klassen. Op het oogenblik van ons bezoek werd de rang van diwan bekleed door een Brahmaan uit Madras; verleden jaar was het een Parsi.

Sedert den tijd, toen de heer Rousselet er reisde, is Baroda van aanzien veranderd en heeft in sommige opzichten zijn locale kleur verloren; maar de stad is er niet minder belangwekkend om, juist om die transformatie, die men niet kan begrijpen, als men de geschiedenis van het land niet kent. Na aan rajpoetische vorsten te hebben behoord, kwam Baroda aan de Mohammedanen, daarna, als gezegd, aan de Mahratten, de woeste bewoners van de bergen van Dekan. Als de meeste belangrijke plaatsen in Gudsjerat om dezen tijd, was de stad omringd door velden, waarin men verspreid putten, tempels en moskeeën aantrof. Wegen waren er niet; gedurende acht maanden waren wat er voor doorging, niets anders dan modderpoelen, of zandkuilen in den drogen tijd. Het hoofd kende zich den naam van Gikwar toe, wat wil zeggen “veehoeder”. De Gikwars stammen inderdaad af van een geslacht van boeren, die na de regeering van keizer Aurengzeb zich schaarden onder de banier van de peichwahs, hun vorsten uit Poenah, en Pilaji Rao werd de grondvester der dynastie. In 1817 kregen de Engelschen op handige manier vasten voet in Baroda, stelden er een resident aan, die door een garnizoen werd beschermd, en sedert dien tijd hebben ze er standgehouden. Toen ik te Baroda was, was er in het Kamp een batterij artillerie, twee compagnieën engelsche infanterie en een regiment indische troepen.

Vrouwentype uit den stam der Bhils.

De langdurige regeering van Khandi Rao, die in 1870 eindigde, geeft den bloeitijd van de Gikwar-periode aan en is voor de bevolking een glorierijke herinnering gebleven. Men heeft nog niet de weelde van zijn hof vergeten en zijn oostersche neigingen. Hij hield van schouwspelen van allerlei aard en noodigde er zijn onderdanen bij. Er werden worstelstrijden van athleten gehouden, die elkaar met stalen klauwen verscheurden en aan zijn voeten den geest gaven, gevechten van olifanten en rhinocerossen, vooraf dol gemaakt met bedwelmende dranken. Van jacht was hij een groot liefhebber, vooral die met den cheeta, een klein katachtig roofdier, dat gedresseerd was en zich op antilopen en klein wild stortte.

Het is waar, dat hij nu en dan ook zachtzinniger vermaken najaagde, maar die waren toch excentriek; zoo wordt verteld, dat hij met buitengewonen luister het huwelijk liet vieren van twee zijner uitverkoren Bladzijde 118duiven. De koninklijke schatkist wist wat al dergelijke liefhebberijen een geld verslonden.

Uit physiek oogpunt was Khandi Rao een prachtmensch, krachtig gebouwd, met regelmatige trekken; hij had een korten baard, geknipt op de wijze der Mahratten. Als hij voor de oogen zijner onderdanen verscheen op zijn kolossalen olifant, met den enormen diamant, die de “Ster van het Zuiden” heette, op het voorhoofd, moest hij wel indruk maken op de groote menigte; binnen zijn paleis droeg hij op gemakkelijke manier het europeesch costuum, wanneer hij niet geheel op zijn Mahratsch gekleed, ging met een eenvoudige draperie om de heupen en naakt bovenlijf.

Hij was aan de Engelschen trouw gebleven tijdens den opstand van 1857, en men was hem daar ter hoogster plaatse dankbaar voor, waar men zijn scherp verstand waardeerde en zijn wilskracht op prijs wist te stellen. Een geestig schrijver heeft hem genoemd “even dapper als Roestam, prachtlievend als Jamsbed, maar misschien niet zoo wijs als Salomo!”

Laat ons niet trachten, in de moderne stad de kenmerkende trekken terug te vinden van de hoofdstad van Khandi Rao; er worden geen duivenbruiloften meer gevierd, en de arena’s zijn ledig, maar men ziet overal nieuwe gebouwen, scholen, musea en hospitalen. De veertig jaren, die verloopen zijn, hebben die verandering aangebracht. Toen Khandi Rao gestorven was, volgde hem bij ontstentenis van een mannelijken erfgenaam zijn broeder Mulhar Rao op. Die vorst, die zwak en losbandig was, werd betrokken in een complot tegen het leven van den Resident, en, door zijn pairs geoordeeld, werd hij veroordeeld en verbannen naar Madras, zoodat de troon weer ledig was. Toen stonden de Engelschen aan de weduwe van Khandi Rao, Maharani Jumnabai, toe, een twaalfjarigen knaap te adopteeren, Gopal Rao, den afstammeling van een fatsoenlijken, maar verarmden tak van het geslacht der Gikwars, die sedert lang op zijn bezittingen, in een dorp van het district Khandesh, teruggetrokken woonde.

Het moet volgens ooggetuigen een allermerkwaardigst schouwspel zijn geweest, toen eenige maanden na zijn troonsbestijging Gopal, Sayaji Rao III geworden, als heerscher optrad bij de feesten, ter eere van den prins van Wales gegeven. Men bewonderde algemeen de waardigheid en de kalmte van het kind, dat zoo plotseling tot de hoogste waardigheid was verheven. Terwijl een eminent minister, de Brahmaan Madhav Rao, hem steunde bij het reorganiseeren van den staat, gaf een engelsch leeraar den jeugdigen Gikwar een degelijk onderwijs en bereidde hem voor op zijn rol van souverein. Men heeft verleden jaar het jubilé gevierd van Sayaji Rao, en bij het overzien van zijn geheele loopbaan heeft men den afgelegden weg kunnen beoordeelen en kunnen constateeren, hoe groot de vooruitgang is in administratief en financieel opzicht.

De vorst is een ijverig hervormer gebleken; op het oogenblik van de beroemde discussie, naar aanleiding van het gebruik der huwelijken van kinderen en van de uitvaardiging door lord Lansdowne van de wet, die op twaalf in plaats van op negen jaren den door de wet voor meisjes gevorderden leeftijd vaststelde, schreef hij aan den heer Malabari, die zich aan het hoofd van die beweging had gesteld, een brief, die beroemd is geworden, waarin de vorst zijn volkomen instemming betuigde, en in 1904 had hij den moed, die wet in werking te doen treden.

Hij gaf blijk van een helder inzicht in de opvoeding, en breidde het onderwijs tot de lagere klassen uit, terwijl hij het in enkele deelen van zijn rijk verplicht stelde. Zijn reizen naar den vreemde hebben hem een zeldzame ruimte van blik geschonken. Hij sprak het openlijk uit in de sociale conferentie van 1904, dat het voor hem niet genoeg zou zijn, het kastenonderscheid te doen vervallen als maatschappelijke instelling, maar dat ook de geest ervan uit de harten moest verdwijnen. Hij werd trouwens bewonderenswaardig gesteund door Maharani, de uitstekende vorstin, die hem op al zijn reizen vergezelt. Hare hoogheid ontziet zich niet, het woord te nemen in het publiek en haar zusters in Indië op te wekken, het land te verheffen door den invloed der vrouw.

Op het oogenblik, dat ik te Baroda was, stond de heer J.A. Dalal, een Parsi, aan het hoofd van den dienst van het openbaar onderwijs. Hij diende mij als gids. Men wordt sterk getroffen door de sommen, die voor de schoolgebouwen zijn uitgegeven. Zoo heeft het groote Gymnasium, gebouwd aan den weg, die naar het station voert, bijna een millioen gekost. Het is een mooi gebouw met koepels, dat zich verheft in het midden van een wijde ruimte, waar zich de woningen der leerlingen, een botanische tuin en een gymnastiekzaal bevinden. Wat het onderwijs aangaat, dat er wordt gegeven, het brengt de studenten zoo ver, dat ze zich kunnen aanmelden bij alle examens van de universiteit te Bombay en dat ze veelal slagen. De middelbare school is in hetzelfde gebouw ondergebracht. Ook voor de klasse der werklieden heeft de vorst gezorgd, en hij heeft een vakschool gesticht om handswerklieden te vormen. Er werden reisbeurzen ingesteld voor jonge lieden, die in Europa en Amerika bepaalde onderwerpen willen gaan bestudeeren, van rechtsgeleerdheid af tot horlogemaken toe, met daartusschen de medicijnen, de scheikunde, de muziek en de hygiëne.

De normaalschool voor meisjes ligt aan de oevers van een vijver, omringd door boomen, en verdient dat we er afzonderlijk van gewagen, want het is een der belangwekkendste instellingen van den staat, en ze is geroepen, de belangrijkste diensten te bewijzen. Wij hebben gezegd, dat het onderwijs zich uitstrekt over alle klassen; het lager onderwijs heeft behoefte aan onderwijzers, die gevormd zijn in een zeer goede normaalschool en deze bestaat in de hoofdstad. Wat de onderwijzeressen betreft, die volgen in dit mooie gebouw drie jaren lang bepaalde cursussen. Er zijn reeds 97 scholen van lager onderwijs voor meisjes, bezocht door meer dan tienduizend kinderen; dus is er een kweekplaats noodig van vrouwen, die toewijding bezitten en genegen zijn zich naar dorpen te laten verbannen en daar een bij uitstek nuttig maar onbekend werk te verrichten. De cursussen worden gegeven in de inlandsche taal; de meeste der kweekelingen hebben beurzen; naar de laatste volkstelling, die plaats had toen ik te Baroda vertoefde, leverde de school reeds 56 onderwijzeressen, Bladzijde 119die gediplomeerd waren en een plaatsing vonden. Een groot aantal van haar waren hindoesche weduwen; het onderwijs is inderdaad met de studie der medicijnen een vak, dat haar een eervolle onafhankelijkheid kan bezorgen.

De recruteering geschiedt ook nog op andere manier; veel onderwijzers zenden hun jonge vrouwen naar de normaalschool van Baroda, om haar te doen benoemen in het dorp, waar ze zijn gevestigd, een uitstekende wijze om de inkomsten van het gezin te vermeerderen en aan de landelijke bevolking vertrouwen in te boezemen, wat wel noodig is, want deze is meestal weinig geneigd, de dochters onderwijs te doen ontvangen.

Het behoeft niet gezegd, dat dit stelsel van opvoeding niet passen zou voor alle deelen van Indië, niet voor die bijvoorbeeld, waar de vrouwen streng teruggetrokken leven. Maar daar de mohammedaansche vrouwen uit Baroda toch veel van haar gewoonten hebben behouden, moest men om haar te lokken, speciale klassen openen, die door dames werden geleid en geopend waren op die uren van den dag, als de leerlingen, velen van rijperen leeftijd, vrij zijn van de huiselijke zorgen en zich aan de studie kunnen wijden. Nu we van de Parsi-dames hebben gesproken, kunnen we haar Hindoezusters niet met stilzwijgen voorbijgaan, de vrouwelijke onderdanen van Zijne Hoogheid den Gikwar. Ze zijn zeer ernstig en ijverig, die jonge vrouwen, die sinds eeuwen aan tucht en zwijgen gewend zijn. Allen wenschen te leeren; de school trekt haar aan, en het indische spreekwoord, dat onvriendelijk genoeg is, om de meisjes naar den haard te verwijzen, dat wil zeggen, naar de keuken, zal weldra uitgediend hebben. Men moet nu echter niet gelooven, dat de Hindoesche een opstandelinge is; in Indië gaat het initiatief tot de vrouwelijke eischen altijd uit van het hoofd der familie, den vader of den echtgenoot. Laat ons niet vergeten melding te maken van het mooie hospitaal voor vrouwen, aan het hoofd waarvan een dame-dokter staat, een Hindoesche; het aantal zieken vermeerdert ieder jaar, en de medische hulp is goed georganiseerd.

Misschien heb ik mij hier te veel verdiept in deze bijzonderheden, maar het was onmogelijk, over Baroda te spreken zonder ook te doen kennen dengene, die de nieuwe geschiedenis van het land heeft gemaakt en de resultaten, verkregen gedurende zijn dertigjarige regeering, te vermelden.

Baroda is, als veel indische steden, verdeeld in twee verschillende wijken; het kamp, dat, naar wij al hebben gezien, door de Engelschen is bezet, en de eigenlijke stad. Die beide gedeelten zijn van elkander gescheiden door de rivier Vishwamitri. Het park, waar wij logeerden, is nog pas aangelegd en wordt prachtig onderhouden door europeesche tuinlieden; men gebruikt er de gevangenen, die er met de ketenen aan de beenen, harken, schoffelen, gieten en nog al ingenomen schijnen met deze halve vrijheid. Naast den Kamati Bagh is er een menagerie en een museum voor natuurlijke historie. Aan de rivier strekken zich tuinen uit en paleizen, en bruggen verbinden de beide oevers.

De stad, die meer dan honderd duizend inwoners telt, is omringd door een vijftien tot achttien voeten hoogen muur. Er zijn zeventien wijken en twaalf voorsteden; het zag er alles wat oud en stoffig uit, vooral door de tegenstelling met de nieuwe gebouwen, zooals de gevangenissen, de scholen en de hospitalen. De Bhadar of citadel uit den mohammedaanschen tijd, gelegen ten noorden van de stad, steunt met twee harer zijden tegen den ringmuur, en in het Noorden zijn in het oudste fort van Baroda of de Juni Kothi de diensten der regeering onder gebracht. Daar het gebouw vroeger door de Gikwars werd bewoond, ziet het uit op de arena’s, die bij de wallen lagen. Een der wijken trok mij bijna even sterk aan als de paleizen, namelijk die der goudsmeden. De opeenhooping van straten, die deze wijk vormden, is bij uitstek schilderachtig en bovendien hebben de goudsmeden een gilde tot stand gebracht, dat de moeite der bestudeering loont.

Als men naar de voorstad Fatehpur gaat door de poort van Champanir, vindt men een groep groote gebouwen; een daarvan is het paleis van Khandi Rao met een doolhof van kamertjes, veel trappen, door valluiken verborgen, en eenige terrassen boven elkander. Onmiddellijk erachter verrijst het Nazarbagh, gebouwd door Mulhar Rao, een reuzengebouw zonder stijl opgetrokken. Daar worden de juweelen en edelgesteenten der kroon bewaard. De schatten vullen groote vertrekken met dikke muren, gesloten door ijzeren deuren, door talrijke schildwachten bewaakt. Deze verzameling is het mooiste, wat men zich in het genre kan voorstellen; rivières van diamanten, diademen, halskettingen, ringen, armbanden, parelen enz. enz... van ongehoorden rijkdom en waarvan de waarde alleen bij millioenen zich laat schatten. De schat is beroemd door geheel Indië, en er wordt beweerd, dat geen enkele andere vorst zich hierin kan meten met den Gikwar van Baroda.

Op een naburig plein worden de gouden en zilveren kanonnen bewaard, de trots van den staat Baroda. De zilveren kanonnen werden gegoten op bevel van Khandi Rao; maar Mulhar Rao, die altijd ijverzuchtig was op den roem van zijn broeder, liet nog twee van goud gieten. Die laatste hebben zilveren affuiten, en de zilveren hebben gouden affuiten. Ze worden getrokken door reuzenossen, onder prachtige dekkleeden van damast, wier horens zijn gevat in scheeden van kostbaar metaal.

De beide door den Gikwar bewoonde paleizen liggen buiten de stad; dat van Makarpura zeven kilometer ten zuiden, dient als landhuis. Het was door Khandi Rao gebouwd, die door de nabijheid der bosschen was verleid, met het oog op de jacht; later werd het verwaarloosd door Mulhar Rao, die alles verfoeiend wat hem aan zijn voorganger herinnerde, het massieve maar onsierlijke gebouw van Nazar Bagh had laten oprichten. Makarpura is bewonderenswaardig gerestaureerd en ligt in een omlijsting van groen midden in tuinen, die vervroolijkt worden door fonteinen en beelden. Het verblijf moet er heerlijk wezen, zelfs voor een vorst, die geen zin heeft voor sport. De gewone verblijfplaats van den Gikwar is Laxmivilla voor de poort van Baroda. De eerste steen ervan is gelegd in 1880 op het oogenblik van het huwelijk van den vorst met prinses Tanjore, die al vroeg stierf. Het heeft bijna zestig lakh roepijen gekost, dat is meer dan vier millioen gulden. Uit architectonisch oogpunt is het een gelukkige vereeniging Bladzijde 120van verschillende bouwstijlen; de gothische stijl gaat er met den moorschen samen en met den Hindoestijl, en het geheel voldoet ten volle. In het inwendige is er veel te zien; binnenpleinen, met palmen beplant en met fonteinen versierd, kleine vertrekjes met afsluitingen van opengewerkten steen, herinneringen aan het paleis van Grenada. De zaal van den Durbar, dat is van de officiëele recepties, is zeer groot, zeer hoog, en als ze gevuld is met de hoogwaardigheidsbekleders en ambtenaren in costuum, moet de aanblik indrukwekkend zijn.

De marmeren trappen, de lange gangen en de salons waren ingenomen door ploegen werklieden, die wreven en boenden en stoften met het oog op de komst des meesters. Ons bezoek werd een oogenblik vervroolijkt door den schrik van een troepje mohammedaansche prinsessen, die, als wij, door de zalen wandelden en zonder sluiers verrast waren door de werklieden! De ayahs of volgvrouwen stieten kreten uit als papegaaien en beleedigden de arbeiders, die haar antwoordden met grapjes van twijfelachtig allooi. Dat geloof ik ten minste, want zonder het Mahrattisch te begrijpen, kon ik het wel raden uit de houding der dames, die gevraagd hadden ons te mogen begroeten. Haar bekoorlijkheden waren niet van dien aard, dat ze de bescherming van de muren van een harem noodig hadden; noch de leeftijd, noch de schoonheid vereischten de pardrah, het gordijn. Vandaar de opmerkingen der Mahratten, wier vrouwen veel vrijheid genieten.

Het ameublement is opmerkelijk door den overvloed van europeesche voorwerpen, vooral italiaansche, schilderijen, beelden enz. Ik zou er de voorkeur aan hebben gegeven, daar voortbrengselen van indische kunst te hebben gezien, en met een waar genoegen bemerkte ik in een der zalen het mooie schilderwerk van den inlandschen schilder Ravi Varma, onlangs overleden. Uit Travancore geboortig, dat gezegende hoekje, waar zooveel kostbare herinneringen worden bewaard, en bloedverwant van de regeerende familie, was hij beroemd geworden door de voorstelling van tooneelen uit het oude leven van Indië. Een episode uit het beroemde drama van Sakuntala trof mij bijzonder door de getrouwe weergave van het vrouwelijke Hindoetype, waarvan men altijd geneigd schijnt de trekken te veel europeesch te schilderen.

Laxmivilla, residentie van den vorst van Baroda.

Wij keerden tegen zonsondergang naar de stad terug, maar eer we den Kamati Bagh weer bereikten, drong ik erop aan, dat we een bezoek zouden brengen aan de olifanten van den Gikwar. Hun stal, dicht bij het kamp voor de manoeuvres gelegen, is een onmetelijk groot plein, waaromheen overdekte hokken zijn aangebracht met betonzoldering, waar het dier, bewaakt door zijn cornac, met den poot is geketend. Vroeger waren er een honderdtal, een dure weelde, want het voedsel van een enkelen olifant kost 2000 roepijen per jaar, dat is meer dan 1600 gulden. Tegenwoordig is hun aantal veel verminderd; er waren ongeveer een dertigtal te zien. Het was het uur, waarop ze gewoon waren te gaan drinken; de olifant van den Gikwar met de met goud versierde snijtanden, een kolossus, waardig den draagstoel van den vorst te torsen, was reeds weer in zijn hok gebracht; de anderen waren stevig geketend, en terecht! Ze betreurden hun bosschen en haakten ernaar, een wijfje te vinden, in welk geval men alles te vreezen heeft van het dier, dat razend wordt door de gevangenschap. Als het zijn vrijheid herkrijgt, sticht het onherstelbaar kwaad. Het vorig jaar had een der dieren, toen het ontsnapt was, zestig personen gedood in de straten van Baroda.

Rustig en vol majesteit gingen de olifanten ons voorbij en bewogen hun slurf, terwijl ze tersluiks naar ons keken; jonge dieren plasten in een vijver of dronken met lange teugen uit groote emmers. Dat was niet geruststellend voor ons, want het gaat bij dat spel zeer onhandig toe, en wij hadden licht plassen of spatten op ons kunnen krijgen, die niet voor ons bestemd waren. Ik vroeg mijzelve af hoe het toch mogelijk was, dat die zware dikhuiden, die ik daar bij het vallen van den avond in die strenge omgeving hun lompe bewegingen zag maken, in Indië hun naam hebben geschonken aan een uitdrukking van teederheid, een liefdewoord, en hoe de vergelijking van de démarche van dat dier, de minst elegante van de heele wereld, een vleierij is kunnen worden voor een vrouw, die men bemint. Bladzijde 121

Nakomelingen van den dastoer Darab. Duperron’s leermeester.

V.

Vertrek naar Surate.—Een hindoesch hospitaal.—Beschrijving van Surate.—Een kijkje op de parsische gemeenschap in de 18de eeuw.—Bezoek aan het geslacht van den dastoer Darab, den leermeester van Anquetil Duperron.—Ruïnen van de fransche factorij en hollandsche en engelsche graven.—Een paar woorden over Mohammedanen en Hindoes.—Toekomst van de gemeenschap der Parsi’s.

Op Maandagmorgen in de vroegte liet ik mijn moeder in den Kamati Bagh achter en vertrok, om een bezoek te brengen aan Baroda in gezelschap van een jongen Parsipriester, dien men zoo beleefd was geweest, mij als gids mee te geven. De Parsi-kolonie is niet uitgebreid te Baroda; ze bestaat uit hoogstens 600 individuen; ook zijn er maar twee kleine tempeltjes, eenvoudige bedehuizen, die in het minst niet gelijken op de groote heiligdommen van Udvada en Nausari. Een ervan ligt in de wijk Anandpura, en ik vond er een oud huishouden van de geestelijke klasse, brave lieden, die niet rijk waren en zich verheugden over mijn komst en, om mij hun dank te betuigen, mij bloemen aanboden en gebeden beloofden.

Van daar gingen wij naar de Torens des Zwijgens. Toen we terugkeerden, gebeurde er een ongeluk; het lichte rijtuigje, tonga geheeten, bespannen met ossen, waarin ik met den jongen priester had plaats genomen, kantelde en ik viel op mijn zijde met het gevolg, dat ik ernstig gekwetst werd. Ik haastte mij dus, om na twee dagen van rust naar Surate te komen, waar mij vrienden wachtten, die mij konden ontvangen en mij de zorgen konden wijden, waaraan ik behoefte had.

Toen wij te Surate waren aangekomen, vertrouwde ik mijn moeder aan den collector, den heer Weir toe, en aan zijn vrouw, en om mij te laten verplegen wegens het rijtuigongeluk, dat te Baroda had plaats gehad, bracht ik drie weken door in een hospitaal, dat de eigenaardigheid had van te worden bestuurd door een Hindoe-dame, de vrouwelijke dokter Rukhmabai, een der meest geziene persoonlijkheden in het moderne Indië.

Mevrouw Rukhmabai is een slachtoffer van die zonderlinge gewoonte, waarover wij hierboven reeds spraken. Als kind reeds uitgehuwelijkt aan een ander kind, dat nooit voor haar een echtgenoot werd, had ze den moed haar verontwaardigd protest te doen hooren voor de engelsche rechtbanken. Eindelijk bevrijd van dat huwelijk, ging ze in Engeland in de medicijnen studeeren en keerde terug, om zich te wijden aan de medische hulp voor haar geloofsgenooten. Ik stond al lang met haar in betrekking; ik vermoedde toen niet, dat ik nog eenmaal haar gastvrijheid en haar zorgen zou inroepen! Ze was toen pas 35 jaar, en nadat ze de inlandsche en de engelsche pers een oogenblik had beziggehouden, was ze uit eigen vrijen wil weer in het duister teruggeweken, terwijl ze geheel opging in haar ambtelijke plichten.

Wat het hospitaal betreft, dat was onlangs gebouwd door een mild en edelmoedig Hindoe ten gebruike voor indische vrouwen en kinderen. Het is een groot steenen gebouw, met schuin dak, staande midden in een omheinde ruimte. In den rechtervleugel voert een trap naar de particuliere vertrekken van mevrouw Rukhmabai, waar ze zoo vriendelijk was geweest, mij te installeeren; beneden is de apotheek, het vertrek voor de consulten en een kleine kliniek. Daar maken de vrouwelijke dokter en de pleegzuster, die gediplomeerd en aan het hospitaal verbonden is, met helpsters en een intelligent personeel de geneesmiddelen gereed, doen de operaties en leiden pleegzusters op. Er liep langs het geheele gebouw een open veranda, die zich herhaalde op de bovenverdieping langs onze vensters.

Eiken morgen brachten de gratisconsulten heel wat leven en beweging. Het overige van den tijd werd de stilte niet verbroken dan door de doordringende Bladzijde 122stem van onzen muezzin, een buurman, die de geloovigen moest oproepen ten gebede. Er stond namelijk tegenover ons een witte moskee, om welker minarets op enkele uren mooie vluchten groene papegaaien rondvlogen.

Als herstellende nog mengde ik mij in het actieve leven te Surate.

Onze wijk Bagha Talad, bewoond door een bevolking van Hindoes en Mohammedanen, grensde aan die van het slot, dat het eigenlijke centrum van de stad is. Op de oevers van de Tapti gebouwd door de mohammedaansche vorsten van Ahmedabad, doet de oila of het kasteel zich voor als een onregelmatig vierkant, geflankeerd door dikke torens van veertig voet hoog. Na de inneming van Surate plaatste keizer Akbar er een gouverneur en gaf ook een aan de stad. Twee lijnen van vestingwerken sluiten de eene de wijken der stad, en de andere de voorsteden in. De binnenmuur is lang verdwenen; de buitenmuur is op vele plaatsen nog in zeer goeden staat; hij dagteekent uit de 17de eeuw. Surate is trouwens geen oude stad, ofschoon ze reeds genoemd wordt in legendarische tijden en voorkomt op de kaarten van Ptolemaeus. Wij willen van de Hindoe-kunst er alleen noemen het prachtige meer of groote waterbekken, aangelegd midden in de stad door een rijken Brahmaan, Gopi geheeten. Het bekken wekte nog in de 17de eeuw de bewondering der reizigers; maar langzamerhand werd het verwaarloosd; het raakte in verval en thans, nu het is volgespoeld, heeft men er tuinen van gemaakt; op de vroegere oevers groeien broodboomen en tamarinden, waaronder enkele mohammedaansche graven liggen.

De bloei van Surate begint eerst met de Mogols, en de welvaart werd buitengemeen groot onder Aurang Zeb, ondanks de strooptochten der Mahratten. Het was een handelsbloei, want Surate is eigenlijk nooit iets anders geweest dan een groot kantoor, beschermd door het kasteel, een opeenhooping van slecht onderhouden straten en groote markten. Wat de bevolking aangaat, het was een samenraapsel van lieden uit allerlei streken; maar er was leven en beweging; de rivier was met schepen bedekt en op de kaden woeien de vlaggen van vreemde naties.

Op het eind van de 18de eeuw leidden de verplaatsing van den handel en de toenemende bloei van Bombay tot het verval van Surate; van 800 000 verminderde het aantal inwoners tot 250 000 in 1815, daarna tot 80 000 in 1847; thans telt de stad meer dan 100 000; er is dus weer een begin van vooruitgang. Twee oorzaken hebben tot den achteruitgang bijgedragen, namelijk de overstroomingen en de branden van 1837; binnen den tijd van zes weken lieten die beide rampen betreurenswaardige sporen achter. Er is niets somberders dan de aanblik van die verlaten wijken, die slechts hoopen puin zijn; in de nauwe stoffige straten bladderen de muren af, de huizen verliezen hun versieringen van houtsnijwerk, dat, hetzij tusschen haakjes gezegd, op niet onvoordeelige wijze aan den man wordt gebracht. De eigenaars zijn te arm of te gierig om hun huizen te onderhouden, en de gemeente bekommert er zich niet om! Hier en daar treft men intusschen toch bewijzen van eenigen welstand, maar de indruk is triest, vooral op de oevers van de Tapti, waar geen schepen zich meer vertoonen en waarboven zich het slot verheft, thans in gebruik genomen voor de kantoren van de administratie van het district. In den maneschijn neemt dit landschap grootsche allures aan; ik kan aan droomers een wandeling aanbevelen langs de kaden, vooral als toevallig op dien avond de jakhalzen hun klagend gejank laten hooren in de bosschen van Bander.

Een brug, de Hope Bridge, verbindt de beide oevers dichtbij het slot; ze heeft bijna 1 200 000 francs gekost en is een zeer mooi kunstwerk geworden, waar de gemeenschap terecht trotsch op is. De Tapti is met de Nerbudda de grootste rivier, die zich in de Cambaye-golf stort; oudtijds lieten schepen van een grooten tonneninhoud het anker vallen in de monding in de haven Swally; de andere gingen verder tot Surate. Tegenwoordig is alle scheepvaart opgehouden, en de rivier stroomt langzaam te midden der met dorpen bezaaide velden. Evenals de Nerbudda heeft ze haar roep van heiligheid, een roep, die, naar het mij scheen, zuiver plaatselijk is.

We spraken over huizen. Men vindt er in verschillende stijlen; die uit de mohammedaansche periode, van 1600 tot 1759, zijn gebouwd om een binnenplein, waarvan het midden door een fontein wordt ingenomen, met de ontvangkamers of divan Khana beneden. Van 1759 af, toen de Engelschen het bestuur met de Mohammedanen deelden, veroorloofde de veiligheid de Hindoes meer in het openbaar te leven, en van dien tijd dagteekenen de aardige huizen met fijn houtsnijwerk aan de gevels; er is nu ongelukkig weinig van over sedert den brand van 1837.

Om enkele bijzonderheden te noemen, eerst de kelders, soms eenvoudige verscholen bergplaatsen voor de schatten, vaak ook enorme onderaardsche verblijven, waar men kon wonen in tijden van belegering; dan waren er de waterleidingen binnenshuis, waar men nog het regenwater bewaart, om het te drinken, als dat uit de Tapti ongezond wordt; daarna de trappen, die opengewerkt waren en op echte ladders geleken, lastig om te beklimmen ondanks het touw, dat erop berekend is u te helpen bij het stijgen. Maar die ongemakkelijkheid had haar reden van bestaan; in geval van een aanval trok men de ladder in en was veilig, en als bewijs voor de onrust der voorbijgegane tijden kan dienen, dat men iets dergelijks in heel Gudsjerat terug vindt. Sedert enkele jaren zijn echter tal van huizen op engelsch-indische manier gebouwd.

Buiten het kasteel, dat een model is van mohammedaanschen stijl, heeft Surate geen oude gebouwen. De moskeeën, de tempels, de hospitalen en de rechtbanken zijn òf stijlloos òf modern. Het paleis van den Nabab, gelegen in Asurbeg Sjaklo, bestaat niet meer. De echte bezienswaardigheden van Surate zijn de ruïnen van de factorijen en de europeesche graven. We zullen er later op terugkomen.

Hoewel de elementen van de bevolking minder verscheidenheid vertoonen dan vroeger, is ze toch nog een mengeling van kasten en nationaliteiten, waardoor de straten en markten een eigenaardig aanzien hebben. De vrouw speelt hier een belangrijke rol; ze gaat vrij haarsweegs, en de rijke Banyanen-vrouwen Bladzijde 123gaan uit met onbedekt gelaat; alleen de Mohammedaanschen, behalve de arme, sluiten zich in haar vertrekken op of verbergen zich onder een wijden mantel, boerqa geheeten, en achter het traliewerk van haar palankijnen. De Hindoes en Mohammedanen wisselen op straat af met de Parsi’s, waarvan Surate een groot contingent levert; hun verblijf aldaar is belangrijk in hun geschiedenis. Ze vestigden er zich tegen de 15de eeuw, toen de stad nog maar een gewoon dorp was, en verspreidden zich in de dorpjes uit den omtrek.

De reizigers uit de 17de eeuw leeren ons, dat ze de beroepen van wevers, timmerlieden en scheepsbouwers uitoefenden, en dat ze zelfs bankiers waren. Ze stonden weldra in betrekking tot het hof van Delhi en waren bij de Groot-Mogols in de gunst, maar hun verheffing dateert vooral van de komst der Europeanen, toen Surate het groote emporium was geworden van het Oosten. Ze vervingen langzamerhand de Banyanen, die in de factorijen waren aangesteld, als makelaars en werden de vertrouwensmannen der Engelschen, die ze in 1759 hielpen, zich van het kasteel meester te maken en het bestuur uit te oefenen samen met de Mogols. De vreemdelingen herkennen hen altijd aan hun begrafenisplechtigheden en aan hun eeredienst van het vuur. Ze woonden in afzonderlijke wijken, zooals Rustumpura, naar den naam Rustum, den makelaar van de engelsche factorij. In het midden van de 18de eeuw bezaten ze de mooiste huizen, de prachtigste tuinen en verscheiden woningen in mohammedaanschen stijl geven blijk van den rijkdom en de weelde van de eigenaars.

De achteruitgang van Surate leidde tot hun uittocht naar Bombay; er zijn nu nog maar 5754 Parsi’s in de stad en 12516 in het district; er zijn eenige notabelen, ambtenaren, handelaars, reizigers, meubelmakers te Nanpura, en wevers in Rustumpura; maar de raad van notabelen vervult er tegenwoordig de bescheiden rol van het uitdeelen van liefdegaven en behoort onder Bombay. De misdaden en overtredingen worden voor engelsche rechtbanken gebracht.

Langen tijd hadden de Parsi’s geweigerd, hun twisten te brengen voor de rechters van het land, waar ze zich hadden gevestigd; ze willen er zich alleen mee wenden tot hun burgerlijke en godsdienstige overheden. Vooral te Surate had degene, die het ambt van rechter vervulde, geen denkbeeldige macht. Hij was voorzitter van den raad der Ouden en der Notabelen en sprak recht over meer dan 20 000 gezinnen. Men stelde mij den afstammeling van dien rechter voor, davar genoemd; de Engelschen hebben hem een eererang geschonken. De uitoefening der rechtspraak werd meestal beperkt tot het inachtnemen van de inwendige voorschriften der gemeenschap, en slechts zelden strekte ze zich uit tot misdaden als overspel en losbandigheid, die met den dood werden gestraft. Die straffen werden voltrokken door den schuldige te verdrinken of door hem met stokslagen te dooden, terwijl het soms geschiedde door hem vergif te geven. De terechtstellingen mochten alleen plaats hebben met verlof der mohammedaansche autoriteiten.

Het bezoek aan de parsische wijken gaf mij een inzicht in die summiere rechtspleging, die met gesloten deuren door dweepzieke secteleden werd uitgeoefend, opgesloten in hun wijken, waar geen vreemdeling onder hen mocht wonen, en gebarricadeerd in straten, door poorten afgesloten, zooals nog hier en daar over zijn. De ingang tot de ruime kelders in enkele huizen bracht sombere gedachten over mij; ik daalde erin af, en ik begreep dat het echte gevangenissen waren, waar vonnissen gemakkelijk en zonder gerucht te maken, konden worden voltrokken. Gebleven is de herinnering aan de afschuwelijke marteling van een jong meisje, waarbij de moeder der schuldige tegenwoordig was. De Parsi spotte inderdaad niet met de eer der vrouwen van zijn volk; het gebeurde volgens veel reizigers zeer zelden, dat ze werden verleid, zoozeer vreesden ze een wissen dood.

Ook waren ze nooit alleen, gingen altijd onder geleide naar de bron en mochten er niet heengaan na zonsondergang; bovendien was het haar verboden, als het laat was, in de straten zich op te houden zonder een bediende met fakkels. Als een der ambtenaren van de Torens des Zwijgens of een Parsi van aanzien haar alleen ontmoette, hadden ze het recht, ze op te sluiten in de doodenhuisjes. Die voorzorgen waren, als gezegd moet worden, noodzakelijk in mohammedaansche landen, waar de zeden vaak zoo ruw zijn.

Hier wil ik in herinnering brengen, dat onze landgenoot Anquetil Duperron te Surate drie jaren doorbracht, van 1758 tot 1761, om de boeken van Zoroaster te krijgen en de heilige taal der Perzen te leeren van zijn meester, den dastoer Darab. Een van mijn eerste bezoeken was aan de afstammelingen van dezen. Het hoofd der familie, de dastoer Borabji D. Coomana, bewoont de plaats, waar het huis van zijn voorvader stond in Kampith, een verlaten wijk, waar veel onbebouwde terreinen liggen, die nog de sporen aantoonen van den brand van 1837. De vernieling van veel belangrijke papieren en kostbare manuscripten dateert van dien tijd. Daarnaast zijn de ruïnen van den kleinen tempel, waarin Anquetil Duperron, vergezeld door zijn meester, gebracht moet zijn in de tegenwoordigheid van het heilige vuur. De familie loochent dat bezoek, dat een soort van profanatie zou wezen, waaraan hun vereerde voorvader zou hebben deelgenomen, maar de overleveringen en enkele met juistheid vastgestelde feiten schijnen het beweren te bevestigen van een reiziger, wiens waarheidsliefde door niemand in twijfel wordt getrokken.

Door de aanbevelingsbrieven, die ik bezat, ontving de parsische geestelijkheid mij met welwillendheid; en het is aan hun vriendelijkheid te danken, dat ik veel verklaringen heb te hooren gekregen over de liturgie en onvergetelijke herinneringen heb gewonnen. Er zijn te Surate twee groote tempels, en een massa kleine heiligdommen; enkele daarvan zijn zeer oud, maar ze onderscheiden zich overigens niet van de andere huizen. Ik moet intusschen met nadruk zeggen, om niemand onaangenaamheden te bezorgen, dat ik nergens ben binnen getreden; ik werd ontvangen onder de veranda, en als ik een plechtigen dienst bijwoonde, was dat alleen om mij voor te lichten. Nu dit gezegd Bladzijde 124is, kan ik eerst melding maken van de plechtigheid van het onderhoud van het heilige vuur; het had plaats in een bijgebouw van den grooten tempel van de secte, die het ritueel van Iran had aangenomen, een bijgebouw, dat was ingericht op de ontvangst van het vuur, in geval een overstrooming van de Tapti plaats mocht hebben.

Jonge Mohammedaansche uit Surate.

Laat mij eraan herinneren, dat het vertrek van het vuur altijd in den vorm van een koepel moet zijn gebouwd; het vuur brandt in het midden in een metalen vaas, geplaatst op een steenen voetstuk; vijfmaal per dag treedt een priester, met het benedengedeelte van het gelaat door een sluier bedekt, om te beletten, dat zijn adem de vlam zou verontreinigen, en met handschoenen aan, het heiligdom binnen. Hij begint met het wasschen van de steenen van het voetstuk, en legt dan op het vuur stukken santalhout onder het opzeggen van gezangen ter eere van Adar, het vuur, zoon van Ormoezd.

De kleine zaal onder den grond had een gewelf. Toen ik er binnentrad, wierp de vlam op de kleederen der priesters en de met kalk gewitte muren een roodachtig schijnsel. De dienstdoende priester, jong, vol geestdrift, had een sympathiek orgaan, en de golvingen van zijn stem bij de gebeden wisselden af met de half verstikte geluiden, die baj worden genoemd en die door de liturgie worden vereischt. Het geheel maakte grooten indruk.

In den tempel van de secte, die is voortgegaan met het volgen van de gebruiken, door de uitgewekenen aangenomen op het tijdstip van hun komst in Indië, de rasmis, liet de dastoer Rastamji op een kleine binnenplaats den Yasnadienst uitvoeren. Die dienst bestaat uit het opzeggen van sommige gezangen onder begeleiding van bijzondere vormen door twee priesters, den leider van den dienst en een helper.

Het eigenaardigste oogenblik, dat ik heb bijgewoond, is de bereiding van het sap van de plant, die haoma wordt genoemd, een soort van mimosa, begiftigd met mystieke eigenschappen en bij de opstanding de onsterfelijkheid waarborgend. Men krijgt, als men de plant met een takje van den granaatboom schilt, water en melk, en het doel van den dienst is de wijding van het vocht of parahom, dat in zich de deugden vereenigt van water en planten en dierlijk leven en dat dus groote waarde heeft.

Het was spoedig avond; ik werd zoo bezig gehouden door de belangrijkeid van dit tooneel, dat ik niet bespeurde, hoe langzamerhand fakkels waren opgestoken en dat de lustres aan de veranda lichten droegen. Toen ik de trappen van den geheel verlichten tempel afdaalde, wachtte een menigte menschen den eerwaardigen dastoer, vergezeld als hij was door den afstammeling der hoofden van de gemeenschap van Surate, om te zien hoe hij die beleefdheidsdaad verrichtte, die zoo dikwijls in Indië wordt herhaald, het hangen van een krans van geurige bloemen om den hals van den bezoeker.

In den tijd, toen Anquetil Duperron erin slaagde, naar Europa het kostbare handschrift mee te brengen van de Zend Avesta, dat hij te Surate was gaan halen, bezat die stad een belangrijke factorij, waar de broeder van Anquetil, de heer de Briancourt, het hoofd van was.

De vrouwelijke dokter, mevr. Rukhmabai.

De plaats kan nog worden aangewezen in de wijk Mylla Sjaklo, waar toen de kantoren der vreemdelingen te vinden waren. Zij lag achter de oude factorij van de Portugeezen, die nu vernield is, niet ver van het fransche Capucijnerklooster, dat ook verdwenen is, en in de buurt van de armenische kerk, die altijd in goeden staat is; op den oever der rivier stond de engelsche factorij, thans particuliere woning, en in het midden der stad hadden de Hollanders een prachtig gebouw, waarvan nu enkel maar een fontein over is. Hoe zal ik den staat van Bladzijde 125verwaarloozing beschrijven van Saudagarvar, anders gezegd de straat der kooplieden? Het kost moeite, die droevige wijk leven in te blazen, er den stoet van de presidenten der Compagnieën te laten passeeren, waarvan de luister bestemd was de verbeelding der Oosterlingen in gloed te zetten; die woningen en winkels te bevolken met een wereld van ambtenaren, tolken en koopers, en zoo dit leven van rijkdom en weelde te doen herleven, dat altijd zich voordeed, waar Europeanen door Aziaten zijn omringd en willen wedijveren met mohammedaansche potentaten. De hoofden der factorijen hadden, evenals de laatsten, tuinen met paviljoens, fonteinen en volières. De tuin der Franschen behoort ons nog toe, een onbebouwde lap gronds, begroeid met acacia’s, begrensd door de Tapti, het manoeuvreveld en den grooten weg. Een vervallen bungalow staat in een hoek.

Als wij nog eens weer opnieuw, voor het geval we haar mochten hebben vergeten, de groote les willen leeren van de onbestendigheid van de glorie dezer wereld, behoeven we haar maar te overdenken bij de graven van die machtige factorijhoofden. Ze liggen bij de poort van Katergaun in de voorstad Gastipura, vroeger vol tuinen, nu herschapen in scheepstimmerwerven en velden, waar men te vergeefs naar straten zou zoeken. De woningen, eenvoudige hutten, soms tot gehuchtjes vereenigd, zijn grillig verspreid te midden van dadelboschjes, manggaboomen en tamarinden.

Zoodra men het hollandsche kerkhof betreedt, wordt men getroffen door de rijke pracht. De reizigers hebben er altijd op gewezen, als op iets eenigs in zijn soort. De eeuwen zijn voorbijgegaan en in hun loop hebben ze geen verandering kunnen brengen aan den stempel, dien de Hollanders hebben gezet op al hun werk, de behoefte, die ze hadden, om voor de oogen van andere volken hun koloniale macht en hun rijkdom te doen schitteren.

De stijl is een nog al onhandige nabootsing van de moorsche bouwwijze; maar het gebrek aan smaak wordt vergoed door den grootschen aanblik van het geheel. Zoo bij voorbeeld het grafmonument van baron Van Rede, een zware vereeniging van koepels en galerijen, alles door zuilen gedragen. Het inwendige was vroeger versierd met fresco’s, wapenschilden en aanhalingen uit de Heilige Schrift, en de vensters werden gesloten met paneelen, die het fijnste houtsnijwerk vertoonden.