O VECHTER.
met scherpgeschuurden tee en tand,
door vodde[1] en vilte[2] en voren vecht,
en ’t taaie terwland ommelegt!
uw’ diepe en duistere wegen gaan,
van al dat vreeze is vrank en vrij!
—Mijn doen is dat, zoo dunk ’et mij!
en roestend daar uw tanden bot,
dan zal wellicht een edel graan
alwaar gij vocht te golven staan.
[1] Zode.
[2] Wortelvezelnet.
[3] Geraakt.
[4] Betalen, opbrengen.
MET KLOEKEN ARME.
Exiit qui seminat.
aanschouwt, hoe hij zijn’ stappen gaat
en zaait, vol zorgen
de man, wiens hope en troost en al,
met ’t stervend zaad, nu zitten zal
in ’t land geborgen.
den winter en de dood bevecht:
de zonnestralen
verwachten al, met menigvoud
geverwde pracht en levend goud,
uw zegepralen.
des lands, uw zacht-, uw zoetsten wind;
o dauwrijk dagen
des morgenstonds, o wolkenvloed,
verleent het koorn, dat kenen[1] doet,
uw welbehagen.
het bloeie en ’t blijve buigend staan,
vol zaad geladen;
vol zegen, die geen’ nijd en baart,
geen’ zucht, geen’ zoek omleegewaard,
geen’ euveldaden!
die de akkerzaaite omverrevelt,
en bleeke ellenden
verspreidt alom: houdt af uw’ hand;
wilt verre weg van ’t dragend land
uw’ geesels wenden!
van dankbaarheid, om ’t daaglijksch brood
dat hij mocht winnen,
den ouden arbeid, zwart en zwaar,
zoo dit, zoo ’t naaste en ’t naaste jaar
weêr herbeginnen.
[1] Kiemen.
SLAAPT GIJ NOG.
van de onzochte[2] doorentuinen?
slaapt gij nog, en weet gij niet
dat de ontwekte zonne u ziet?
zichtbaar, en de stralen strangen[3]
van de lente? Ontwekt, welaan,
doornen, en wilt wakker staan!
hebt gij, naast uw’ stamgenoten,
weken lang den tijd verbeid,
vaste in uwe onroerbaarheid.
’t Oosten blinkt, en wakker moeten
al die zonne- en zomerglans
schuldig zijn hun’ liefde, thans.
los, uw dichte looverknopen;
los, uw zilveren reukallaam[4];
los, uw sneeuwwit blommenkraam!
naalden deur de toppen schijnen
heen te bersten, hier en daar,
van uw doornig streuvelhaar[5]!
zwellende uit van vruchtbaarheden,
drinken ’t zog der aarde, en bloot
laten heuren moederschoot!
vol de vaten ommegieten
uwer zalven, en voortaan,
hagedoornen, bloeien gaan!
langende om uw zeem te lekken;
’t vogelken zoekt, nestgezind,
waar ’t uw vrije daken vindt!
zullende uwen lof verkonden
zoo gij wakker wordt, ze slaan
reeds hun liefste leisen[6] aan!
droevig, dorre doorenhagen,
het geheugen, lang verbeid,
van uw’ zomerschoonigheid!
de aarde deunt[7], vol minnetochten:
alles, alles wenscht om... och,
doorenhagen, slaapt gij nog?
[1] Bedaagd, oud.
[2] Onzacht.
[3] Strang = streng.
[4] Alm, allaam = handwerktuig.
[5] Verwarreld opstaand haar.
[6] Liederen.
[7] Deunen = 1. dreunen, daveren, schudden, trillen tengevolge van een hevig gedruisch, maar ook van blijdschap, voldoening, genot; 2. zingen, weerklinken van geluid.
HOE SCHITTERT MIJ DIE SPA TOCH.
gij, landman, uwen taaien hals
gebogen, langzaam eerselt[1], end’
nu hier nu daar Gods akker wendt!
en velt op uw geglimde spa,
terwijl gij zucht en arrebeidt,
den blik van heur’ hoogmogendheid.
zoo keert uw werkzaam akkerstaal
med een den grond, en zendt den schicht
terug naar mij, van ’t zonnelicht.
der aarde, zoo veel stralen rond
uw’ delfspa, dat ’t een beeltenis
van Gods gevreesden bliksem is.
dat ’t spawerk is en zonnenspel,
dit bliksemen, en hun vrije vlerk
vervolgt u, op uw akkerwerk.
u nagaande, in zijn’ stouteschoen,
en vreest, alwaar hij wormen ziet,
uw’ spa noch heur geflikker niet.
’k, van ’s morgens vroeg, den delver na,
hem dichtende, als hij lam en moe
van werken is, mijn deuntjen toe.
en, zoo ’t gebed u helpen kan
van een, die geerne uw’ weêrga ziet,
de spa en delve uw graf nog niet!
den blijden oest[3] zien binnengaan,
en zuchten: Die den arrebeid
mij zoet maakt, U zij dank gezeid!
[1] Aarzelen = achteruitgaan.
[2] Spatten.
[3] Oogst.
O LEYE LIEF.
wat ’s hemels kom, den vlekkeloozen,
weêrspiegeld in uw’ schoot, dat blauw
verliezen doen? Dat blauw, och armen,
dat donkert in de ontstelde barmen[1]
van uw geweldig watergrauw?
en ’t was als of ze in slape lagen,
één glimmend glas, uw’ baren; daar ’t
nu brieschen is en woedend grimmen,
van breedgerugde waterkimmen,
die beurtlings berschen[2] boordewaard.
gelederen rijen, den helm ten hoofde,
met zulk een daverend rukgeweld,
o Leye, als de ongetelde toppen
der witgekamde barenkoppen,
die rennen in uw waterveld!
het hooge schip, de smalle booten:
het danst, het deunt[5], het roert, het maalt
alom, van ’t vlugge schuim, dat vedert;
van ’t zwalpend zop, dat weg- end- wedert;
en van den wind, die zegepraalt.
besnijdt dien boozen zoon zijn’ vlerken:
laat af, genoeg, genade! Hij
is koning, heere en baas gebleken:
laat licht en zonne u schoone spreken,
dat ’t windloos weêr en vrede zij!
als ’t zomer is, en zwijgt in ’t Noorden
de felle reus, u volgend gaan;
dan zal ik weêr mijn hert vermeiden,
langs uw’ gegroende en stille weiden,
en in uw’ grond hun beeld zien staan.
[1] Golven, watersprongen.
[2] Met kracht en spoed gaan.
[3] Koove = vrouwenmuts (fr. coiffe).
[4] Slaan, kloppen.
[5] Daverend schokken, schudden, trillen.
HEMELLAWERKE HEET GIJ.
snelgewiekte strale, die
’k, uit het zaailand opgestegen,
lijk nen vierpijl rijzen zie.
’t vluchtend vierwerk; en zoo hoort
me u ook vluchtend henentieren,
als gij deur de wolken boort.
sprake zijt gij, maar uw kleed,
’t valt te grauw toch: is ’t de reden
dat men grijslawerke u heet?
en van, altijd reisgezind,
zoo de grauwgedoekte schepen,
heen te varen, vóór den wind.
luchtleeuwerke, hemelwaard,
weg met u, ja, leeuwerkt helder,
op uw’ hooge hemelvaart!
hoore en zie ’k u, lieve; ’t gaat
beter hem, die, vroeg en spade
hoort u, ende gadeslaat.
’t gaat hem beter, achter ’t land,
die u naziet, te elker stonde,
daar hij zaait en zeeuwt[1] en plant.
dat gij dankend opwaarts stijgt,
daar geen mensch en is dien ’t aangaat,
of gij, schamele, zingt of zwijgt.
wilt ge, in ’t droevig tranendal,
mij vertroosten, hemellawerke; en
ziet ons niemand, God ziet ’t al!
hij, die vlerke en tale u gaf,
en die mij, in stad begraven,
wekken eens zal uit dit graf.
zette ik zeil en vaar getroost
naar de hoogten, daar gij schouwend
eert den dagraad en den oost.
is uw’ vlerke en uw geschal,
en van waar ik, vrij en veilig,
niet meer, niet meer neêr en zal.
[1] Het gezaaide graan dekken met de uitgespitte aarde.
DE BOOMEN ZIEN ZWART.
o zonne, wanneer zal uw’ macht, onbevaên[1],
weêr ’t springende blad, en de banden ontknotten,
waarin ’t twee drie maanden heeft houtvast gestaan?
houdt af uwen vuist, in de botten begint er
weer vreugdiger pulsslag en leven te slaan.
zij striemen, dóór ’t blauwe geluchte, onbekleed;
doch staan ze al bewust schier en blij dat zij leven,
lijk machtige reuzen, ten strijde bereed.
uw rijk heeft een einde, in de boomen begint er
weêr hope te rijzen, weêr hulpe aan ons leed.
staan veerdig en vrij, als de spere in de vuist
eens ridders, het teeken ten storme te wachten:
het klinke, en daar loopen zij henengedruischt!
de boomen slaan uit, en zoo zaan[2] herbegint er
weêr blijdag gevierd te zijn. Wreede, verhuist!
[1] Onbevangen, ongehinderd, vrij.
[2] Weldra, spoedig.
GELUWGROENE LEGERSCHAREN.
honderdduizend, waar vandaan
zijt gij, vastgevoette blâren,
komen op de boomen staan?
’s werelds blijde onthaal begroet,
of... wie zal ’t getellen konnen,
’t leger dat gij porren doet?
van des morgens windgeweld,
op de berken, op de abeelen
zie ’k u, in ’t gelid gesteld.
’t ruischt alom; en ’t krijgsgebaar,
stortende in de diepe dalen,
dooft alle andere stemmen daar.
doek gekleed, gij krijgeren dan?
Wie, die zulk een wereldwijde
legervastheid voeden kan?
zijt gij zonnestralen teer,
schielijk en van licht geweven,
duizendwendig bladerenheer?
’t boomzijn zelve, of anders iet
onbekend, dat uit wil stroomen,
al zoo zaan[1] ’t de zonne ziet?
staan het stormend volk gelijk,
strijdbaar in ’t bezit getreden
van des Winters koninkrijk!
heeft het land om hulp gewacht:
komt en stoort des vijands benden,
velt hem voor uw’ legermacht.
scheurt zijn’ vanen: roept en tiert,
dat de verste velden zidderen
van ’t geruchte: zegeviert!
wapenloos en wepel[2], gaan
zitten waar, in ’t ijs geronnen,
onbewoond, zijn’ steden staan.
zingt en trommelt overluid,
zegevolle zomerblâren:
morgen is de winter uit!
[1] Dra.
[2] Eenzaam, alleen, zonder maag of vriend.
GEKAMDE KONING CANTECLAAR.
hoe geren zie ’k u komen daar;
gestapt zoo edeldrachtig
als Alexander, Atilla,
of Karloman zijn’ wederga:
heel keizerlijk almachtig!
en ’t stemgeluid dat henengaat,
uit uwen hals gedreven,
herwekt het slapend menschendom,
het boodschapt hem den dag weêrom,
den dag, het licht, en ’t leven.
een laaiend beeld van vier en vlam,
uw’ zwakken steert, uw’ spooren,
uwe om end om geglimde borst,
uw’ strijdbaarheid, uw’ zegedorst,
uw’ stem, zoo schoon om hooren...
die, heel in woord en taal gelijfd,
doet leven u en waken?
Wie is er? Anders geen als gij,
heer Canteclaar, die machtig zij
uw evenbeeld te maken.
’k wil weten dat ik verre ben
bij u voortaan ten onderen;
gij hebt, o haan, den prijs behaald,
kraait koning nu, en zegepraalt,
en laat mij zwijgend wonderen!
O WILDE EN ONVERVALSCHTE PRACHT.
Alre creature sake ende yersticheit.
Ruusbrouck.
der blommen, langs den watergracht!
zoo ’t God geliefde, in ’t water staan!
daar God u eens te willen koos,
al dat gij doet is blomme zijn!
’t is waarheid, en ge’n dobbelt niet;
is enkel, zoo gij enkel zijt!
geen bladtje, dat ons stooren zal;
des waters, dat vol blommen staat;
al schaduwe, al stilzwijgendheid!
half groen geblest[1], de hemelvaut;
een langgesponnen zonnedraad.
kan toch eene enkele blomme zijn,
de hand van heuren Schepper spruit!
lag hier een nederig zaad geplant;
ontlook het, en dien troost heb ik,
en wezen zoo ik wezen moet:
elk uiterste einde ’t oorbegin,
maar nog niet al: Gods eerstigheid.
[1] Gevlekt.
WAAR ZIT DIE HELDERE ZANGER.
ik hooren kan en zelden zien,
in ’t loof geborgen,
dees blijden Meidagmorgen?
bij zijnder kelen wondergroot’
en felle slagen,
in bosschen en in hagen.
maar ’k hoore, ’k hoore, ’k hoore een lied
hem lustig weven:
het kettert in de dreven.
vroegmorgens op ’t getouwe, om, van
goên drom[1], te maken
langlijdend[2] lijwaadlaken.
de la klabakt, ’t getouwe dreunt;
en lijzig varen
de spoelen heen, in ’t garen.
een, werpende, op den weverstoel
van groene blâren,
zijn duizendverwig garen.
Vol zoetheid, is ’t een wierookvat,
daar Engelenhanden,
onzichtbaar, reuke in branden?
vol tanden fijn, vol snaren fel,
vol wakkere monden
van sprekend goud, gebonden.
een’ sparke viers, een’ boodschap van
veel hooger’ daken
als waarder menschen waken.
hoe diep’ hij lust en leven haalt,
als uit de gronden
van duizend orgelmonden!
en ’t zijpzapt hem ter kelen uit,
lijk waterbellen,
die van de daken rellen.
als ware ’t op een marbelstik[4],
dat perelkransen,
van ’t snoer gevallen, dansen.
zijn’ leise[5] en al zijn stemgebied,
bij zijnder talen,
nauwkeurig af te malen.
dat hij den zangprijs henendraagt,
en, vogel schoone,
mij rooft de dichterkroone!
noch al uw’ rijkdom recht gedaan,
o wondere tale
van koning Nachtegale!
[1] Schering.
[2] Langmeegaand, duurzaam. Lijden = gaan.
[3] Schudt, trilt.
[4] Stik = stuk.
[5] Lied.
DE NAVOND KOMT ZOO STIL.
zoo traagzaam aangetreden,
dat geen en weet, wanneer de dag
of waar hij is geleden[1].
’t Is avond, stille... en, mij omtrent,
is iets, of iemand, onbekend,
die, zachtjes mij beroerend, zegt:
„’t Is avond en ’t is rustens recht.”
vol groen, nog onbestoven;
en ’k zie, zoo dicht hun’ blaren staan,
nog nauwlijks door de hoven;
’k en hoore niets, al om end om,
van ’t zoetgekeelde vogelendom,
’t en zij, het donker loof beneên,
den nachtegaal zijne avondbeên.
hij zingt! Het is onwetend,
dat zingend hij mijne ooren boeit,
en aan zijn’ kele ketent.
Ach, wist hij ’t gene ik wetend ben:
dat dankbaar ik toch wete en ken
wie hem zijn’ tale, en mij daaraf
’t genoegen en ’t genieten, gaf!
eensgangs ik ginder gekken?
Wat is ’t, dat her en weder her
verergerend gerrebekken?
Och, vorschenvolk, in ’t waterwied,
houdt op! En stoort de stilte niet:
laat hooren mij dat leutig slaan...
en, kwelgediert, houdt op voortaan!
en, uitgestrekter schenen,
zijn al de vorschen, diepe in ’t goor,
in ’t zwijgend goor verdwenen!...
Eilaas, de nacht en ’t donker zijn
bezitten nu den zanger mijn:
noch nachtegaal, noch ruit, noch muit[2],
en hoore ik meer... ’t is uit, ’t is uit!
[1] Voorbijgegaan.
[2] Niet het minste stemgerucht.