’T GROEIT.
tot op de blauwe schorren[1],
maalt, onbemerkt, het mos,
bij kleene kleene porren[2],
zijn platte penningen,
die, groene en grauw gedaan,
of geluw, op ’t gelent[3]
van de oude bruggen staan.
de regen valt daaroppe;
ze groeien zijwaards uit,
ze zetten, doppe, doppe,
een dopken hier en daar,
dat, zoo en zus geleid,
aan elke schorre geeft
heur’ schoone uitwendigheid.
die oogen heeft, en staat er
een stonde wijlend bij,
daar zunne valt en water;
en toogt mij dan tapijt,
of legwerk, of ’t zij wat,
dat kunstiger gewrocht,
en schoonder, is als dat!
daarin, daaroverhenen,
of muggen reppen hun’
’t zij hooge of leege schenen;
laat vlerken, hel als glas,
vol regenboogsch gepraal,
daarbij zijn, ach, hoe schoon,
hoe lief is ’t altemaal!
’t zij op, ’t zij onder ’t vloeien
der waters; op de veurst[5]
gezaaide blommen bloeien;
de pannen, levenloos
’n zijn zij; noch in ’t stroo
van ’t schamel dak en weunt
het schamel blomke noo.
’t zijn gerren[6] in de pelen[7]
der boomen, daar hun spel
de varentjes in spelen,
die, boom- en wortelvast,
nog tieren in den schoot,
die, jaren leên, is hout-
en stam- en worteldood.
geen veite[9], entwaar, bedorven,
of ’t leven kruipt erin
terug, al is ’t gestorven;
geen hout en is zoo voos,
geen mesch[10], of, stap aan stee,
zit wulvenkaas[11] erop,
met paddenstoelen meê.
aan Schelde, aan zee, in zande,
op huis, op stake, entwaar
een plekke, in onzen lande,
daar niemendalle en leeft,
van blommen of van blad,
dat lief is? Overal,
’t groeit overal entwat.
[1] Arduinen vloersteen.
[2] Wrat.
[3] Borstwering.
[4] Iemand.
[5] Dakvorst.
[6] Spleet.
[7] Pel, schors.
[8] Van overrijpe, rottende vruchten.
[9] Het een of ander dat verrot is of vergaan, waaruit nieuw welig leven kan opschieten; vei = vet, sappig, groeizaam, vruchtbaar.
[10] Mest.
[11] Slijmzwam.
NAJAARSVERWEN.
van de blâren, die, aan ’t sterven,
’s najaars, op de boomen staan,
schouwt de lieve zonne ze aan.
lichts in uwer lenden dragen,
dat gij, tanende ende ontaard,
toch zoo schoone verwen baart!
als ge, op de aarde wijd ontvouwen,
leven biedt aan volk en vee,
zegen giet op wald en wee!
doen mij locht, de groene linden;
maar, uw bloeloos bont gerief
is mij, ’s najaars, nóg zoo lief.
al te menig, al te machtig
groen, te oneindig luide een lied:
maar het groen dat weggaat niet.
harpt en zingezangt en vedelt
mij dat henenstervend... neen,
henenlevend—loofgeween!
NIEMANDSVRIEND.
te wonen, maar Gods koorne en kent,
wanneer het, brood bedegen[1],
en voedzaam, u wordt voorgeleid,
hoe heerlijk is de uitwendigheid
van ’t groene, langs de wegen.
van ’t groen, dat in de weiden bloeit;
van vogelvitse[2] en krokke;
van wegbree, murke en roozewied;
van onderhave en retse[2] en riet,
van distel en van dokke[3].
van zeggenswege uw streuvelhaar[4];
ik liet mij, van die ’t zeiden,
verwittigd zijn, in ’t akkerland,
dat ge overal de kroone spant,
om onraad uit te breiden.
’k en zocht u van nabij te zien,
voorwaar, noch aan te roeren,
zoodanig is de rake[5] omtrent
uw kwaadheid, overal bekend
en ruchtbaar, bij de boeren.
tot voedsel van den ezel dient;
men schuwt uw’ scherpe bladen;
doch, hij en scheldt onnut u niet,
die ’t schoone in al Gods werken ziet,
en ’t goede zoekt te raden.
van wetswege, en bij koningswoord,
gebannen en geboden,
dat ’t distelvolk men, een en al,
te zeisene en te spade, zal
verdoen, en de eerde uit roden.
eilaas, dat ge al te ongeren ziet:
aanschouwt hoe ’t, ja, de steenen,
de vuile brokken, daar ’t geweld
der steêlie’n meê den buiten kwelt,
komt zedig groen verleenen.
elk distel hoofd zijn’ blommen hief,
geheel of half maar open;
hoe net, van niemand aangeraakt,
een’ krage om elke blomme blaakt,
vol verschen dauw gedropen.
omspannen hangt, vol Godssamaar[6],
vol kobbenetsche[7] kanten;
die roeren in den zonnenlaai,
die blinken in elk windgewaai,
vol stof van diamanten.
alhier, aldaar, verlekkerlipt
om ’t zijne, uit al de bloeien,
te ontsnoepen aan de krabben[8] bie’n,
die ’t, nijdig, elken distel zien
bezoekend henenspoeien.
van zalvende olie toebereidt,
geen’ aangenamer’ roken
als die, des zomers, vroeg en laat,
daar ’t distelt en vol blommen staat,
de distelblommen stoken.
gevlugde zaad omhooge woedt,
en waait voor alle winden,
om ievers, daar ’t geen ziele en zag,
den vrijen hergeboortedag,
onsterflijk, weêr te vinden.
van wetswege en bij koningswoord
verboden en gebannen;
en, schoon zij, om uw schamel zaad
te worgen daar ’t gewonnen staat,
zoo lange al samenspannen.
’t en zal u, distel, niemandsvriend,
minachtend ooit versmaden,
dit Vlamingshert, dat, ’t baten niet,
maar ’t schoone in al Gods werken ziet,
en ’t goede zoekt te raden.
[1] Geworden.
[2] Vogelwikke, ruige wikke, weegbree, gewone muur, klaproos, hondsdraf, perzikkruid.
[3] Wilde zuring.
[4] Verwarreld opstaand haar.
[5] Roep.
[6] Zomerdraad.
[7] Kobbe = spin.
[8] Zwerm.
CASSELKOEIEN.
die bende Casselkoeien;
die, louter bruin van haar,
als zooveel blommen bloeien,
in ’t gers[1] en in de zon, die, zinkend henentiet[2]:
die, rood, het roode veld vol roode vonken giet.
’t is prachtig, hoe de huiden
dier koeien liefgetal[3]
van vouwe en verwen luiden;
’t is prachtig hoe ze staan, gebeiteld en gesneên,
lijk beelden, over heel die wijde weide heen.
castanjebruin geboende[4];
naar donkerbaaide[5] bier,
naar bijkans zwart bier doende:
beglinsterd en beglansd; van vel en verwigheid,
gelijk en ongelijk,—terwijl de zonne beidt.
dwersdeur de weidegronden,
’t zij welker koe een beeld
van schaduw bijgebonden;
en, wangedrochtig groot, in ’t donker gers, voortaan,
zie ’k zwarte spoken van gevlerkte koeien staan.
ten neste neêr: tot morgen
is al dat verwe heet,
en oogen aast, verborgen:
de koeien zijn voorbij, gedelgd en uitgedoofd,
en... morgen weêr, ontwekt ze ’t blinkend zonnehoofd.
[1] Gras.
[2] Henentijgt.
[3] Lieftallig.
[4] Gevlekt.
[5] Roodbruin.
[6] Daalt.
TRANEN.
en, ’s halfvoornoens, nog
duister in de lanen;
de boomen, die ’k
nog nauwlijks zien kan,
weenen dikke tranen.
maar ’t zeevert[1]... van die
fijngezichte[2], natte
schiervatbaarheid,
die stof gelijkt, en
wolke en wulle en watte.
beneên, omhooge, in
’t veld en langs de lanen:
de boomen, die ’k
nog nauwlijks zien kan,
weenen dikke tranen.
[1] Zeeveren = kwijlen, motregenen.
[2] Fijngezift.
SCHOONE NACHT.
uitgespreid, alhier aldaar,
staan, ten oosten heen, de zoomen
vol, van ’s menschen woonsteê. ’t Jaar
wendt te zomerwaard zijn schreden,
nacht aan ’t worden is ’t, en heden
helder was ’t een dag, voorwaar.
’t donkerzwarte, zie ’k het zwerk
duisterblauw nog, hier end weder,
ieder stonde minder sterk:
ieder stonde, en, dóór den donker,
scherper wordt het scherp geflonker
van één sterre, in ’t wolkgevlerk.
die, elkander nagespoed,
tusschen hier en daar een stresse[1],
gaandeweg, mijne ooge ontmoet
in de wolken; die maar droomen
meer en zijn van sperreboomen:
nacht en donker is ’t voor goed.
woonsteê, van geen’ menschen, neen
maar van God, die in den throone
zijner hoogheid heerscht alleen:
schoone nacht, die ’t menschdom duistert,
die van God en sterren fluistert...
zoeter zicht en zag ik—geen!
[1] IJle wolkstreep. Stresse = ’n bosje draden, halmen of haren.
AVONDROOD.
der boomen groene, en even
zijn, toppewaards, alleen
de takken groen gebleven;
al ’t ander zwarter wordt
en zwarter: boomen net,
van zwarte zijde zijn ’t,
op blauw satijn gezet.
dat verwe is: henen dalen
de laatste en langste van
de lieve zonnestralen;
’t wordt watergroene, omhooge;
omleege, brandt en broeit
de groote zonne nog,
die zinkt en grooter groeit.
beneên des werelds neggen[1],
die, eindloos, slinks en rechts,
hun lange lijsten leggen;
die ’k opwaardstriemen, die ’k
een’ wolke twee of drie
den zonnezienden kant
geheel vergulden zie.
dat donker wordt omhooge,
en langzaam donkerder
en dieper, staan ten tooge[2],
geschreven, zwart op goud,
een bende reuzen groot:
het eindloos boomenvolk,
in ’t eindloos avondrood.
die schoonheid! Neder nijgen
de duisternissen: ’t veld,
het vee, de vogels zwijgen;
het nauwt, in ’t westen; nog
een tijdtje, en, doodgedaan,
zal al die heerlijkheid
gedekt en donker staan.
[1] Boord, kim.
[2] Ten toon.
FIAT LUX[1].
allentheen! Waar zijn ze thans,
waar de boomen, waar de huizen,
waar de wereld, heel en gansch?
er, genoot, dien ’k niet en zie;
die „goendag!” mij, uit den nevel,
roept, van hier nen stap of drie?
speur! Wat uur, hoe late is ’t wel,
aan den tijd? De zonne en zie ’k niet:
slaapt of waakt het wekkerspel?
zit de zonne in ’t duister veld;
rood, gelijk een oud versleten
stuk ongangbaar kopergeld.
Ligt ge, of ievers doodgekeid,
neêrgevallen, plat ter aarde?
Wind, waar is uw’ roerbaarheid?
vaagt des werelds wegen vrij
van die vale en vuile dompen:
dat het dage en daglicht zij!
hoopen: ruimt uw ridderspeur:
slaat er dwers en nogmaals dwers uw’
scherpe, sterke hoeven deur!
vluchten doet ze, en verre voort
zij de smoor van hier gedreven:
nevel, ’s Heeren stemme aanhoort!
zegepraalt; de nevel zwicht:
onverwinlijk is de Waarheid,
onverheerbaar is het Licht!
[1] Het worde licht!
[2] Het mist.
DE WINDEN.
zoo zeer niet als de boomen,
daar, wild, de winden deure rijen,
te peerde, en zonder toomen.
tienduizenden van blâren,
alsof ’t zooveel tienduizenden
van dolle menschen waren.
gegeeseld, allenthenen,
de natte boomen buigen doen,
en bulderen en stenen.
hertuiten en hertieren
de wilde winden: wederom
is ’t zeegeruchte aan ’t gieren.
gevlucht, de takken breken;
verloren is de stemme mij
gegaan!—De winden spreken.
DAT WILDE IK WETEN.
of verst, dat wilde ik weten:
wanneer ik mij, in ’t donker kot,
vernibbele[1], aan de keten;
of dan, wanneer ik henentie[2]
en vliege, schier vermeten,
naar ’t licht, dat ik zoo geren zie?
o God, dat wilde ik weten.
omhooge en aan de keten!
Die los mij van mij zelven deê,
diens woonsteê wilde ik weten;
diens hulpe hiete ik duizendvoud
mij wilkom, onvermeten!
Wat is ’t nu, dat mij tegenhoudt?
o God, dat wilde ik weten!
uw menschelijk vermeten,
die levende, altijd, overal,
gevangen in de keten,
zult zoeken, om ’t geheeme van
Gods wetenschap te weten...
Wie, buiten U, die ’t wijzen kan?
o God, dat wilde ik weten.
[1] Hevig verlangend begeer.
[2] Tiën = tijgen.
SPAMAN.
die haast hem hebben zal,
traag-traagskens met zijn’ spade spoeit
en delft, in ’t diepe dal,
de moegemoeide, ontmergde man,
die schaars zijn hoofd nog heffen kan.
zijn beste, tot der dood,
die wacht naar hem en elders spoedt,
totdat in heuren schoot
hij vallen zal, en willekom
bij God zijn, recht en sterk weerom.
de dood, op God betrouwt;
die stadig ook dien slavenhals
zijne eigen woonsteê bouwt,
daar, vrij en blij hij wezen zal
bij U, o hope en troost van al!
HET HAZEGRAUWT.
een stonde of twee,
is ’t zonnevier beneden
de kimme alree.
het licht en is;
noch teenemaal geboren
de duisternis.
de boomen nu:
die roerden en die speelden,
ze droomen nu.
de boomen, nu,
ze doen alsof ze sliepen:
ze droomen nu.
de stammen zijn,
die menigwendig waren,
nu eens, in schijn.
uit de eerde, vaart
de wadem, op en open,
omhoogewaard.
beneên gespreid;
gesponnen en geweven,
vol duisterheid.
nu roe’ en rust:
de lijkdienst is gezongen,
en ’t licht gebluscht.
[1] Wegel = Z. Ned. verkleinwoord van weg.
[2] Gestalte.
[3] Pelder = lijkkleed.
[4] Damp, nevel.
HOE ZEERE[1] VALLEN ZE AF.
de zieke zomerblâren;
hoe zinken ze, altemaal,
die eer zoo groene waren,
te grondewaard!
Hoe deerlijk zijt gij ook
nu, boomen al, bedegen[2];
hoe schamel, die weleer
des aardrijks, allerwegen,
de schoonste waart!
het wentelt, onder ’t vallen,
den alderlaatsten keer,
en ’t gaat de duizendtallen
vervoegen[3] thans:
zoo zullen ze, een voor een,
daarin de winden bliezen
vol luider blijdzaamheid,
nu tonge en taal verliezen,
en zwijgen gansch.
onhoorbaar in de lochten,
en schier onzichtbaar, in
de natte nevelvochten
der droeve maand,
die, ’t ijzervaste speur,
ontembaar ingetreden,
die al de onvruchtbaarheid,
die al de onvriendlijkheden
des Winters baant!
daar nog een, uit de bogen
der hooge boomenhalle,
en ’t dwerscht den onbewogen
octobermist:
’t en roert geen wind, geen een,
maar ’t leken, ’t leken tranen,
die men gevallen zou
uit weenende oogen wanen:
één kerkhof is ’t!
’t en zal geen een verloren,
geen een te kwiste gaan
voor altijd: hergeboren,
die dood nu zijt,
zal elk van u, dat viel,
de zonne weêr ontwekken,
zal met uw’ groenen dracht
de groene boomen dekken,
te zomertijd.
ook Adams zonde boeten,
gevallen en verdord
in ’s winters grafsteê, moeten;
maar, ’s levens geest,
dien Gij gesteken hebt
in mijn gestorven longen,
dien zult gij mij voor goed
niet laten afgedwongen,
die ’t graf ontreest!
[1] Spoedig, snel.
[2] Geworden.
[3] Zich voegen bij.