HEBT MEÊLIJEN.
den bast hun ongeschonden;
bewaart ze voor de nijdigheid
der kwade nagelwonden;
geen onbermhertig menschenkind
ze dood en kwelle: geeft
de vrijheid aan des scheppers hand,
die in hun lenden leeft.
ontmooit gij mij de vrome,
de vrije en blije boomen, die ’k
zoo geren tegenkome
omtrent uw huis en hof, o gij,
dien God met herte en oog
heeft toegerust, om hem te zien
in ’t heerlijk boomvertoog.
van kappen en van kerven,
gehamerd om den esschenboom,
den esschenboom bederven,
daaraan het hekken vastgehaakt
de bilken[1] sluit, en ’t vee
belemmert, dat zijn vulte zoekt
en voedsel, in de wee.
in ’s dwingers booze handen,
die nooit geen duimbreed af en laat
zijn ijzervaste banden,
maar spannende en onroerbaar, al
dat leeft en roert in ’t lijf
der boomen doet misdragen tot
een eerloos wanbeklijf[2].
doorhakkeld en dooreten,
vol krammen en vol haken staan
gespijkerd en gesmeten[3];
die werken zoo Gods wet hun wijst,
die tranen en die bloên,
o mensche, om eenmaal vrij te zijn
van al uw dertel doen.
de wortelvaste boomen?
En vreest gij dat zij henengaan
en meê met ’t water stroomen;
of vliegen in de lucht, omdat
gij scherpe draden spint,
en lange reken[4] boomen al
in snijdend garen windt?
dat, schier nog ongeboren,
het hout alreê geknipt moet zijn,
geschonden en geschoren;
dat ’t, galoos[5] en tot alles dat
het niet en is gepraamd,
wordt „gloriette” en „pyramide”,
en „espalier” genaamd!
hun schoonheid ongeschonden,
die schoonder is, onaangeroerd,
onvast en ongebonden,
zoo God ze liet gewassen zijn,
gewonnen en gebaard,
als al hetgene gij, o mensch,
verzint en hebt vergaard.
[1] Omsloten weide.
[2] Wangewas.
[3] Geslagen.
[4] Rij.
[5] Weergaloos.
DE DAGERAAD.
een kleene, witte wolke
de zonne mij;
en ’t witte van die wolke en komt
geen vlekkelooze molke[1],
geen wolle bij;
geen snee die, versch gevallen,
te gronde ligt;
zoo wit is, op de boorden van
die witte wolke, ’t brallen
van ’t zonnelicht.
mijne oogen willen dolen;
’t is vermiljoen,
dat, zwart in mijnen boek gedrukt,
zoo zwart is als de kolen,
en ’t rood is groen.
het water in de beken,
is rood voortaan;
terwijl, van top tot tee’n mij als
van ’t morgenrood ontsteken
de boomen staan.
en diepe in ’s hemels gronden,
vandage staat,
beneên dien witten zonnedoek,
in ’s middags hooge stonden,
de dageraad!
[1] Zuivel.
NEVELDUISTERNIS.
der kimme en allenthenen
vol damp en duisternis;
de boomen, half verdwenen,
half zichtbaar, hebben, daar
ze stille staan en stom,
van wolkenweefsel elk
een grauwen tabbaard om.
’t en wilt geen dag meer dagen:
daar moet iets ongesteld
of los zijn aan den wagen
der zonnehingsten, dat
ze in toom gehouden staan
en, immer nippend, nooit
een schreê vooruit en gaan.
dier zoete zonnestralen,
die alles leven doen,
daar ooit zij nederdalen;
die ’t schoone schoon doen en
die ’t goede goed doen zijn:
die God verbeelden in
Gods beeld, den zonneschijn.
ze treurt en, langs de lanen,
daar ’t eenmaal blommen droop
en druipen nu maar tranen;
daar ’k eenmaal stemmen hoorde
en vogelzang, en ziet
mijne ooge onschoonheid maar
en sprakeloos verdriet.
en wolken, daar de winden,
zoo in een schapentrop
de honden, weg in vinden,
en bleve een plekske vrij,
dat blauw is, hier of daar!
Och, neen, ’t is nevel, al
omtrent me, en nevel maar.
bij nachte zien mijne oogen
de duizend teekens nog,
die ’t ommegaan vertoogen
des sterrenhemels! Gij,
o nevelduisternis,
en toogt mij niets van al
daar hope of troost in is.
en droefheid in mij, zonder
uw droef afwezig zijn,
o ’t weergalooste wonder
van al dat wonder is
in ’s werelds heerlijkheid!
o Zonne, en zij mij nooit
te lange uw licht ontzeid.
WINDTOCHT.
en warmer als twee dagen
of drie geleên, de locht
die ’k aseme is voortaan[1]
zoo licht en onbelaân,
dat door mijn longen ik
hem lustig late jagen.
hij speelt me vóór de voeten;
mijn haar omwentelt, en
mijn kaken kust hij koel;
in lijf en leên gevoel
ik weer den jongen dag
den ouden dag verzoeten.
mijne ooren vol! Ze tuiten,
ze tieren allerhand
geruchten in mij, recht
een stamerend gevecht
van stemmen is’t, die ’k slaan
en bermen[2] hoore, buiten.
en wil de borst hem bieden;
’k ga stevig, stap voor stap,
en ’k leune, lijf sta bij;
wie zalder, ik of gij
nu zege halen, wind,
of ’t zegeveld ontvlieden?
mij eeuwen lang geleden,
door hem die „Israël”
nadien voor name droeg,
bij nachte en ’s morgens vroeg,
op een die, na den strijd,
hem zegen gaf, gestreden.
uit uwen mond, verwachten,
o sterke vechter, Wind,
die, loopende achter ’t veld,
mij schier omverrevelt
en worstelt tegen mij,
en wijgt[3] uit al uw krachten.
niet eer en wille ik wapen
omleege leggen, u
ontwijkende, eer gij doet
ontwaken mij dat bloed,
dat al te langen tijd,
gerust heeft en geslapen.
[1] Nu.
[2] Golven.
[3] Strijdt.
AKSTERNESTEN.
de blauwe lucht, en blaren
en zie ’k ze hebben, meer als of
ze dood en duister waren
voor goed nu. Lang is alles zwart
en zonder zap gebleven,
dat wijleneer zoo groene stond
in ’t zoete zomerleven.
’t Is zwart nu al, tot boven in
de hooge abeelensprangen,
daar zwarte en zware bonken in
van aksternesten hangen.
’t Zijn teekens in de lucht, en wel
bekende hemelbaken,
dat wederom de zonne zit
aan ’t lieve zomermaken.
Toch bladerloos is al ’t geboomte
en, verre heen, in ’t westen,
in ’t noorden, ’t zuiden, ’t oosten zie ’k
alom vol aksternesten
de abeelen staan.—Verdappert uw
bezoek en wilt de bronne
des aksterslevens duiken al
in ’t groen, o lieve zonne!
LENTEGROEN.
der zwangergaande wolken,
die donderpijlen dreigen dra,
het lieve lentegroen,
daar schielijk, uit de zuiderlucht,
de middendaagsche dolken
der zonne, ’et lustig meievier
een deuntje op dansen doen.
zoo hel en zoo doorschijnend,
of eerst het uit den regenboog
geboren ware; en blauw,
dat dieper nog als hemelsch blauw
des avonds is, verdwijnend
in ’t zwangergaande duister van
de wolken, gram en grauw.
heur middendaagsche dolken,
die speiten[1] zoo geweldig op
het lieve lentegroen,
dat ’t pinkelt en dat ’t pierelt op
de blauwheid van de wolken,
die, zwangergaande, dreigen dra
nen donderdeun te doen.
[1] Spatten.
CINXEN.
van waar ik henenzie en schouwen kan, daarboven,
de hemelsblauwe lucht, en hoore ik niemendal,
’t en zij, voorbij geschoven,
een langzaam bellen, dat, herhalende, eens en nog
zegt: „komt te kerkewaard, met mij den Heere loven!”
vervoere ik heel en al mijn innewaardste wezen,
tot vóór uw voeten, God, die uit het duister graf
zijt heerlijk opgerezen;
die in uw kerke rust en dáár, in ’t hoogste blauw,
terwijl het klokske luidt, mij uwen naam laat lezen.
het minste mensch van al, bij nachten of bij dagen,
U in de sterren kan aanschouwen, groote God,
zoo ver zijne oogen dragen,
en in de blauwe lucht des hemels!.... kerke Gods,
gewijde kerke, wie zal u te schenden wagen?
OCH WARE IK...
mijn herte een steen bedegen[1],
wanneer de boosheid bijten komt
van die mij toegenegen
en dankbaar wezen moesten! ach!
’t en is geen een verschenen,
of, was er een, hij verre weg
van hier is en verdwenen.
ik tranen zie en lijden,
bereid om al dat doenlijk is
te doen en hen te blijden
die troostloos zijnde, zeggen: „Helpt:
u wille ik al mijn leven,
bedanken!” Neen: beloven is
een ander ding als geven!
voor u, moet zijn, o Vader,
die meer mij als ik immer mocht
verdienen, altegader
ontvangen liet; die vroolijk zijn
mij doet, mijn herte pramend;
en al te menig keeren mijne
ondankbaarheid beschamend!
[1] Geworden.
AAN DEN LINDEBOOM.
duizendvoud
van verwen, langzaam afgesleten
guldengoud.
zonneglans:
’t is vochtig en de hemelkomme is
duister gansch.
’t nedergaan,
die najaarsche, ei, die bolgekruinde
linde staan.
zwart en zwaar
getakte boomen, naast die lieve
linde daar.
donker groen
gewelf zij om het wezen van die
linde doen.
morgendoom
erkenbaar Lieve-Vrouwken, aan den
lindeboom!
[1] Doom = damp, nevel.
EGO FLOS...
(Cant. II: 1).
en bloeie vóór uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in ’t leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
en doe des morgens open,
des avonds toe mijn blad,
om beurtelings, nadien,
wanneer gij, zonne, zult,
heropgestaan, mij nopen,
te ontwaken nog eens of
mijn hoofd den slaap te biên.
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn’ hope, mijn geluk,
mijn eenigste en mijn al,
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
ofschoon gij, zoete bronne
van al dat leven is
of immer leven doet,
mij naast van al genaakt
en zendt, o lieve zonne,
tot in mijn diepste diep
uw aldoorgaanden gloed.
ontbindt mijn aardsche boeien;
ontwortelt mij, ontdelft
mij!... Henen laat mij,... laat
daar ’t altijd zomer is
en zonnelicht mij spoeien
en daar gij, eeuwige, ééne,
alschoone blomme, staat.
voorbij, gedaan, verleden,
dat afscheid tusschen ons
en diepe kloven spant;
laat morgen, avond, al
dat heenmoet, henentreden,
laat uw oneindig licht
mij zien, in ’t Vaderland!
o neen, niet vóór uwe oogen,
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan[1];
zoo gij mij, schepselken,
in ’t leven wilt gedoogen,
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan.
[1] Dra.