WeRead Powered by ReaderPub
Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten cover

Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten

Chapter 85: CINXEN.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A curated selection of lyrical poems that weave intimate religious feeling, reverence for the natural world, and affection for the vernacular into short, image-rich vignettes. The pieces range from meditative reflections on light, wind, and shadow to playful notices of birds, insects, and domestic scenes, often addressing language, faith, and humble objects with devotional tenderness. Rhythm and sound are foregrounded in compact stanzas that alternate quiet contemplation, pastoral observation, and occasional moral or spiritual assertion, producing a mosaic of small moments that emphasize feeling, musicality, and the sanctity of ordinary life.

HEBT MEÊLIJEN.

Hebt meêlijen met de boomen, laat
den bast hun ongeschonden;
bewaart ze voor de nijdigheid
der kwade nagelwonden;
geen onbermhertig menschenkind
ze dood en kwelle: geeft
de vrijheid aan des scheppers hand,
die in hun lenden leeft.
Hoe schandelijk ontmaakselt en
ontmooit gij mij de vrome,
de vrije en blije boomen, die ’k
zoo geren tegenkome
omtrent uw huis en hof, o gij,
dien God met herte en oog
heeft toegerust, om hem te zien
in ’t heerlijk boomvertoog.
’k Zie opgeroeste pikken, moe
van kappen en van kerven,
gehamerd om den esschenboom,
den esschenboom bederven,
daaraan het hekken vastgehaakt
de bilken[1] sluit, en ’t vee
belemmert, dat zijn vulte zoekt
en voedsel, in de wee.
’k Zie boomen, die gebonden staan,
in ’s dwingers booze handen,
die nooit geen duimbreed af en laat
zijn ijzervaste banden,
maar spannende en onroerbaar, al
dat leeft en roert in ’t lijf
der boomen doet misdragen tot
een eerloos wanbeklijf[2].
Gebulte boomen zie’k, en die,
doorhakkeld en dooreten,
vol krammen en vol haken staan
gespijkerd en gesmeten[3];
die werken zoo Gods wet hun wijst,
die tranen en die bloên,
o mensche, om eenmaal vrij te zijn
van al uw dertel doen.
Of staan ze meer niet vast genoeg,
de wortelvaste boomen?
En vreest gij dat zij henengaan
en meê met ’t water stroomen;
of vliegen in de lucht, omdat
gij scherpe draden spint,
en lange reken[4] boomen al
in snijdend garen windt?
Och arme, en is ’t genoeg u niet
dat, schier nog ongeboren,
het hout alreê geknipt moet zijn,
geschonden en geschoren;
dat ’t, galoos[5] en tot alles dat
het niet en is gepraamd,
wordt „gloriette” en „pyramide”,
en „espalier” genaamd!
Hebt meêlijen met de boomen, laat
hun schoonheid ongeschonden,
die schoonder is, onaangeroerd,
onvast en ongebonden,
zoo God ze liet gewassen zijn,
gewonnen en gebaard,
als al hetgene gij, o mensch,
verzint en hebt vergaard.

[1] Omsloten weide.

[2] Wangewas.

[3] Geslagen.

[4] Rij.

[5] Weergaloos.


DE DAGERAAD.

geen witgewasschen wolle, noch
geen snee die, versch gevallen,
te gronde ligt;
zoo wit is, op de boorden van
die witte wolke, ’t brallen
van ’t zonnelicht.
’k En kan ’t niet meer bezien bijkans,
mijne oogen willen dolen;
’t is vermiljoen,
dat, zwart in mijnen boek gedrukt,
zoo zwart is als de kolen,
en ’t rood is groen.
De Leye, die daar stille ligt,
het water in de beken,
is rood voortaan;
terwijl, van top tot tee’n mij als
van ’t morgenrood ontsteken
de boomen staan.
Het schemert hooge en leege nu,
en diepe in ’s hemels gronden,
vandage staat,
beneên dien witten zonnedoek,
in ’s middags hooge stonden,
de dageraad!

[1] Zuivel.


NEVELDUISTERNIS.

Gegrauwdoekt is de grond
der kimme en allenthenen
vol damp en duisternis;
de boomen, half verdwenen,
half zichtbaar, hebben, daar
ze stille staan en stom,
van wolkenweefsel elk
een grauwen tabbaard om.
’t Hoogmorgent en, zoo ’t schijnt,
’t en wilt geen dag meer dagen:
daar moet iets ongesteld
of los zijn aan den wagen
der zonnehingsten, dat
ze in toom gehouden staan
en, immer nippend, nooit
een schreê vooruit en gaan.
De wereld mist den troost
dier zoete zonnestralen,
die alles leven doen,
daar ooit zij nederdalen;
die ’t schoone schoon doen en
die ’t goede goed doen zijn:
die God verbeelden in
Gods beeld, den zonneschijn.
De wereld mist dat nu:
ze treurt en, langs de lanen,
daar ’t eenmaal blommen droop
en druipen nu maar tranen;
daar ’k eenmaal stemmen hoorde
en vogelzang, en ziet
mijne ooge onschoonheid maar
en sprakeloos verdriet.
Dat ’t schaduw nu nog ware
en wolken, daar de winden,
zoo in een schapentrop
de honden, weg in vinden,
en bleve een plekske vrij,
dat blauw is, hier of daar!
Och, neen, ’t is nevel, al
omtrent me, en nevel maar.
O nevelduisternis,
bij nachte zien mijne oogen
de duizend teekens nog,
die ’t ommegaan vertoogen
des sterrenhemels! Gij,
o nevelduisternis,
en toogt mij niets van al
daar hope of troost in is.
’t Is meer als leed genoeg,
en droefheid in mij, zonder
uw droef afwezig zijn,
o ’t weergalooste wonder
van al dat wonder is
in ’s werelds heerlijkheid!
o Zonne, en zij mij nooit
te lange uw licht ontzeid.

WINDTOCHT.

Hij loopt omtrent me heen,
hij speelt me vóór de voeten;
mijn haar omwentelt, en
mijn kaken kust hij koel;
in lijf en leên gevoel
ik weer den jongen dag
den ouden dag verzoeten.
Hoe raast die wilde wind
mijne ooren vol! Ze tuiten,
ze tieren allerhand
geruchten in mij, recht
een stamerend gevecht
van stemmen is’t, die ’k slaan
en bermen[2] hoore, buiten.
Dan buige ik mij vooruit
en wil de borst hem bieden;
’k ga stevig, stap voor stap,
en ’k leune, lijf sta bij;
wie zalder, ik of gij
nu zege halen, wind,
of ’t zegeveld ontvlieden?
Zoo wierd er vroeger, ’t is
mij eeuwen lang geleden,
door hem die „Israël
nadien voor name droeg,
bij nachte en ’s morgens vroeg,
op een die, na den strijd,
hem zegen gaf, gestreden.
Dan, laat mij zegen ook,
uit uwen mond, verwachten,
o sterke vechter, Wind,
die, loopende achter ’t veld,
mij schier omverrevelt
en worstelt tegen mij,
en wijgt[3] uit al uw krachten.
Ik bidde u, zegent mij:
niet eer en wille ik wapen
omleege leggen, u
ontwijkende, eer gij doet
ontwaken mij dat bloed,
dat al te langen tijd,
gerust heeft en geslapen.

[1] Nu.

[2] Golven.

[3] Strijdt.




[1] Spatten.



OCH WARE IK...

Och, ware ik ongevoelig en
mijn herte een steen bedegen
[1],
wanneer de boosheid bijten komt
van die mij toegenegen
en dankbaar wezen moesten! ach!
’t en is geen een verschenen,
of, was er een, hij verre weg
van hier is en verdwenen.
’n Ware ik maar gevoelig als
ik tranen zie en lijden,
bereid om al dat doenlijk is
te doen en hen te blijden
die troostloos zijnde, zeggen: „Helpt:
u wille ik al mijn leven,
bedanken!” Neen: beloven is
een ander ding als geven!
Ach, weze dan mijn herte zoo’t
voor u, moet zijn, o Vader,
die meer mij als ik immer mocht
verdienen, altegader
ontvangen liet; die vroolijk zijn
mij doet, mijn herte pramend;
en al te menig keeren mijne
ondankbaarheid beschamend!

[1] Geworden.


AAN DEN LINDEBOOM.

Heel is hij gewelkerd al en
duizendvoud
van verwen, langzaam afgesleten
guldengoud.
Dag en schijnt erop noch noensche
zonneglans:
’t is vochtig en de hemelkomme is
duister gansch.
Doch, ik zie mij, zonnewijs in
’t nedergaan,
die najaarsche, ei, die bolgekruinde
linde staan.
Ringsom rijzen hooge en groote
zwart en zwaar
getakte boomen, naast die lieve
linde daar.
Diepe schaduw schieten ze en een
donker groen
gewelf zij om het wezen van die
linde doen.
Wees gegroet mij, nauwlijks uit den
morgendoom
erkenbaar Lieve-Vrouwken, aan den
lindeboom!

[1] Doom = damp, nevel.


EGO FLOS...

(Cant. II: 1).

Ik ben een blomme
en bloeie vóór uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in ’t leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Ik ben een blomme
en doe des morgens open,
des avonds toe mijn blad,
om beurtelings, nadien,
wanneer gij, zonne, zult,
heropgestaan, mij nopen,
te ontwaken nog eens of
mijn hoofd den slaap te biên.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn’ hope, mijn geluk,
mijn eenigste en mijn al,
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
’k Ben ver van u,
ofschoon gij, zoete bronne
van al dat leven is
of immer leven doet,
mij naast van al genaakt
en zendt, o lieve zonne,
tot in mijn diepste diep
uw aldoorgaanden gloed.
Haalt op, haalt af!...
ontbindt mijn aardsche boeien;
ontwortelt mij, ontdelft
mij!... Henen laat mij,... laat
daar ’t altijd zomer is
en zonnelicht mij spoeien
en daar gij, eeuwige, ééne,
alschoone blomme, staat.
Laat alles zijn
voorbij, gedaan, verleden,
dat afscheid tusschen ons
en diepe kloven spant;
laat morgen, avond, al
dat heenmoet, henentreden,
laat uw oneindig licht
mij zien, in ’t Vaderland!
Dan zal ik vóór...
o neen, niet vóór uwe oogen,
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan[1];
zoo gij mij, schepselken,
in ’t leven wilt gedoogen,
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan.

[1] Dra.