JUNIMIDDAG IN ’T DUIN.
Zoo heet straalt de zon op ’t zand, dat de kleine glasheldere korreltjes blinken als edelsteentjes tusschen het dof witte schelpengruis. ’t Is nu geen weer, om groote zwerftochten te maken, daarom zoeken we maar een bloemrijk boschkantje, om daar de heetste uren van den middag door te brengen. We behoeven niet te lezen en ook niet te slapen, dat kunnen we altijd ’s winters en ’s nachts nog genoeg doen. Laat ons nu genieten van de zomerdrukte.
Alles staat in vollen bloei: de heesterrand om het boschje is één bloemenmassa: bleekroode egelantier, groote witte tuilen van Meidoorn en Geldersche roos (100) en groene bloempjes van het kardinaalshoedje (62), die je eerst niet ziet, maar die door hun honigrijkdom nog meer insecten tot zich lokken, dan de bontbloemige struiken.
Het zit vol op die bloemen van vliegen, wespen en van kniptorren, de aardige kevertjes, die een half el in de lucht opwippen, als je ze op hun rug op je hand legt. We zullen ze later nog wel eens weer tegenkomen.
De Geldersche roos krijgt meer bezoek dan de echte egelantierroos en dat komt misschien wel, doordat zijn witte tuilen met de groote randbloemen al van heel verre in ’t oog vallen [46]en doordat er op die bloemen voor de insecten ook meer te halen is. De egelantierroos brengt zoo goed als geen honig voort en het mooie duinroosje (117) in ’t geheel geen. Daar staat tegenover, dat de bladeren en de meeldraden tamelijk dik en sappig zijn en daarom zeer begeerd worden door het kleine Junikevertje met zijn glimmend lichaam en bruine dekschilden. ’t Is aardig, om te zien hoe die letterlijk zitten te grazen in de talrijke meeldraden van de wijd geopende rozen. Je kunt ook zien, hoe ze met hun zwarte kaken heele stukken knagen in het malsche rozenblad. Maar meteen valt toch ook in ’t oog, dat ze met hun harig lijf heele vrachten stuifmeel versleepen van bloem tot bloem.
Soms komen hommels voor die rozen gonzen en ze strijken er ook wel op neer, om dan vlug in ’t rond te draaien, zoekend naar honig of stuifmeel vergarend. Als er al Junikevertjes in de bloemen zitten, staan ze even brommend stil in de lucht, alsof ze eventjes uitrekenen, of het nu wel de moeite waard is, om zoo’n bloem te bewerken. Er zijn er dan ook wel onder, die maar rechtsomkeert maken.
Nu, bloemen genoeg, bloemen van allerlei grootte en kleur: hier heele plakkaten roode thijm, daar hooge bloempyramiden van wilde reseda (109), witte akkerhoornbloempjes (139), moeilijke cypres-wolfsmelk (113), schuimachtige massa’s van gele walstroobloemen (120), daartusschen een paar stijve stengels van walstroobremraap (17) met groote grijnzende bloemen, aardige kleine roode bloempjes met dikke kelken van de kegelsilene, en dan nog weer purperen bloempjes van hondstong (80) en van de heggerank (99), graspluimen van allerlei soort, en op een open plek een groote reuzenplant van ’t slangenkruid (104) vol blauw gebloemte. En achteraf langs het pad staan een paar vreemdelingen, die zich al meer en meer in de duinen gaan vertoonen: een ruw, stekelig plantje met kleine, gele bloempjes, de Amsinckia, die meegekomen is met ’t fazantenvoer, en een laag, glad plantje met dik, sappig groen blad en een trosje van witte bloemen omgeven door een groen schoteltje, dat is de Russische postelein (66) of winterpostelein, die hier stellig beland is tegelijk met een partijtje Canadeesche popels, door den boschbaas op een stuifhellinkje geplant.
Een enkele vreemdeling raakt hier zoo goed thuis, dat hij haast als inlander beschouwd mag worden en ook door de insecten als zoodanig wordt behandeld.
|
73 GROENE CHAMPIGNON. |
74 GROOTE SPINRAGZWAM. |
75 KLEINE BROODZWAM. |
|
76 GRIJZE BEURSZWAM. |
77 STEEL-STUIFBAL. |
78 GIFTIGE KNOLZWAM. |
|
79 KRUIPEND ZENEGROEN. |
80 HONDSTONG. |
81 STEENTHIJM. |
|
82 KATTESTAART LANGSTIJLIG. |
83 KLEINE PIMPERNEL. |
84 KATTESTAART KORTSTIJLIG. |
[46]
Hier en daar in Holland staan gele pijpbloemen (93) in de boschjes, heel merkwaardige bloemen. Als ze pas open zijn kunnen kleine vliegjes wel erin kruipen, maar niet [47]eruit komen, doordat de lange hals van de bloem bezet is met naar binnen gerichte haren. Eerst wanneer die verwelkt zijn, kunnen de diertjes eruit. Inmiddels zijn ze bestrooid met stuifmeel en dat brengen ze nu weer in andere pijpbloemen, waar ze weer getroost een halve dag gevangen gaan zitten. Soms vindt je wel vijftig vliegjes in één bloem.
Gaan we nu even wat verder rondsnuffelen, dan vinden we weer allerlei andere planten. Kijk maar eens uit naar het prachtige kleine maanvarentje (50) dat heelemaal niet op een gewone varen lijkt met zijn mooi groepje van sporendoosjes. Die kleine zwavelgele bloemen, net paardebloemen, zijn van het langharig havikskruid (115), zoo genoemd om de lange haren aan zijn bladeren.
Een andere gele composiet waar we op willen letten is het Bitterkruid (143), dat bloeit tot laat in ’t najaar en vaak vergezeld is van zijn parasiet, de bitterkruidbremraap (140), die ik ook nog wel in October bloeiende gevonden heb.
In jong berkenbosch, dat tegen ’t vraatzuchtig konijn beschermd wordt door een omheining van ijzergaas, vinden we de mooie Fijnstraal (134) die als hij bloeit, er al haast net uitziet, alsof hij uitgebloeid is, heelemaal grijs en harig. De geleerden hebben daarom aan deze plant den naam gegeven van Erigeron, wat beteekent „grijsaard in de lente”. Die geleerden hebben soms aardige invallen.
De insecten worden door die fijnstraal niet bijzonder aangelokt. Ze schenken meer aandacht aan de kleurige en geurige bloemen, waar wat te halen valt. De thijm (56) en de steenthijm (81) krijgen wel het leeuwendeel.
Wie goed uitkijkt, bespeurt ook, dat er van thijm tweeërlei bloemvormen voorkomen: groote, sterkgekleurde bloempjes, waarin zoowel stampers als meeldraden aanwezig zijn, en kleinere, alleen met stampers. De planten met de kleine bloempjes schieten doorgaans wat hooger op dan de andere.
Op de thijm komen meest hommels en honigbijen, op ’t geel walstroo vooral vliegen en op het slangenkruid komen kleine bijtjes, die met hun buik juist strijken langs de vijf blauwe helmknoppen.
Ze doen dat zoo netjes, dat ’t blauwe stuifmeel blijft vastzitten tusschen het dichte bosch van gele haren, die ze achter aan hun lijf hebben en waarin zoodoende een heele voorraad stuifmeel wordt verzameld. Hebben ze genoeg, dan vliegen ze ermee blijmoedig naar huis. [48]
Dat huis is weer een van de meest interessante dingen, die je in de vrije natuur kunt vinden. ’t Is meestal een diep gat, dat door ’t vlijtig diertje zelf in den grond is gedolven. Daarin bouwt hij dan van langwerpig ronde en cirkelronde stukjes blad, die hij zelf uit de rozen of berken knipt, een rij van vingerhoedvormige kamertjes en in elk kamertje komt dan een eitje met een voldoenden voorraad honig en stuifmeel. Is de heele rij vol, dan stopt hij ’t eind dicht met een zandprop en ’t volgend jaar komen dan op die plek de nieuwe behangersbijtjes uit den grond.
Niet alleen op slangenkruid haalt dat behangersbijtje zijn stuifmeel, maar ook op de groene bloemen van de Heggerank of Bryonia.
De Heggerank moet eigenlijk ook een uitheemsche plant zijn, maar is al sedert zoo langen tijd in onze duinen verwilderd, dat hij er volkomen thuis is en door allerlei insecten overvloedig wordt bezocht. Er schijnt zelfs één soort van kleine graaf bij te wezen, die geen andere honig belieft te eten, dan die van de groene Bryonia-bloemen.
’t Is een klimplant, en er bestaat voor een luien, heeten Junimiddag haast geen beter bezigheid, dan languit bij zoo’n plant te gaan liggen, om te zien, hoe aan den top van de takken de spiraalvormige ranken zich uitrollen tot lange, rechte slierten, hoe die in ’t rond zwieren, tot ze een steuntje vinden en hoe ze dan om dat steuntje heen krullen. Zit zoo’n rank aan zijn eind goed vast, dan krult hij zelf langzaam ineen en zoo trekt hij dan zijn tak een eind vooruit of de hoogte in. Al die bewegingen gaan voor plantenbewegingen zeer snel, zoo snel, dat je in drie kwartier tijds heel wat kunt zien gebeuren.
Onderdehand kun je opmerken, dat onze bloem alleen maar een stamper heeft met een bolvormig vruchtbeginsel onder de bloembekleedsels; en als ’t niet zoo warm was, zou ik wel een eindje willen rondscharrelen, om te zoeken naar een andere heggerankplant met meeldraadbloemen.
Maar ik heb heelemaal geen zin om op te stappen, want ik zie hier rondom ons een massa aardige dingen.
Een klein rood met zwart vlindertje, een oude kennis, de St. Jacobs vlinder (27), vliegt zoekend rond. Hij vindt al spoedig een plant van het Sint Jacobs kruiskruid en aardig is het om te zien hoe hij nu aan de onderzijde van de bladeren een heele plak gele eitjes legt. Daar komen de zebrarupsen uit, die oranje met zwarte rupsen, die geen enkele vogel wil eten.
|
85 PAAPJE (MAN). |
86 ROODBORSTTAPUIT. |
|
87 GRAUWE KLAUWIER (BROEDEND WIJFJE). |
88 GRAUWE KLAUWIER (MANNETJE). |
|
89 GRAUWE KIEKENDIEF. |
90 SCHOLEKSTERS. |
|
91 KONIJN OP DEN UITKIJK. |
92 PEEN (SLAPEND). |
|
93 PIJPBLOEM. |
94 WATERNAVEL. |
|
95 HERMELIJN OP JACHT. |
96 DOODGRAVERS. |
[49]
Vlak daarnaast staat een plant van de toorts, nog niet in bloei, maar de wollige bladeren vol gaten. Die worden daarin gevreten door rupsen van den grauwen monnik (20 en 21), die al evenmin bang zijn om zich te vertoonen als de zebrarupsen. Ze zijn blauwachtig met veel gele en zwarte heel aardig geschikte vlekken; mooie dieren, maar ze smaken zeker ook afschuwelijk, want er zitten er wel een dozijn op die toortsplant, heel duidelijk te zien en geen vogel taalt er naar.
Toch zijn hier in de vallei vogels genoeg. Ieder oogenblik stijgt een boompieper (40) zingend omhoog, schetterend als een kanarie. Als hij heel hoog gekomen is, houdt hij op met klapwieken en dan daalt hij met uitgespreide vleugels en hangende pootjes langzaam neer, altijd zoet fluitend. Zoo bereikt hij een boomtop en als hij daar vasten voet heeft gekregen, ratelt hij weer een krachtigen kanarieslag. Hij heeft zijn nest ergens op den grond tusschen het gras, heel goed verborgen.
Daar huizen ook de mooie vlugge paapjes (85), kleine vogeltjes met spitse bekken. Het mannetje heeft een mooi rood borstje en een duidelijke witte wenkbrauwstreep boven ’t oog. Het wijfje is wat stiller van kleur.
Ze vliegen voortdurend af en aan met voedsel, gaan altijd eerst even zitten in den top van een kardinaalshoedje en duiken dan daarachter neer in ’t gras. Daar moet het nest liggen. We stappen er even heen en hebben het spoedig ontdekt. Er zit éen jong in, maar dat dier is veel grooter dan de paapjes zelf: ’t is een jonge koekoek (39), nog bijna heelemaal zwart. Hij is zoo kwaad als een spin en blaast en bijt woedend in ’t rond. De oude paapjes zitten angstig in de struiken te piepen en zijn even bang voor hem, alsof hij hun eigen kind was. En dan moet je weten, dat dit zwarte beest zijn leven begonnen is met de heusche eigen kleintjes van de paapjes over boord te werpen uit het nest, zoodat ze door honger en kou zijn omgekomen.
Zoo’n koekoek groeit dus altijd op ten koste van het leven van vier of soms meer andere vogeltjes. Als hij groot is, mag hij wel zijn best doen, om veel rupsen te verslinden en zoo het gemis van die insectenetertjes te vergoeden.
Nu, het moet gezegd worden, dat hij zijn best doet. Ik heb er tenminste dikwijls met plezier naar zitten kijken, hoe de koekoeken in de duindoorns kwamen en daar onvermoeid bezig waren met het opeten van de rupsen van bastaardsatijnvlinders (31 en 32), de bonte lange rupsjes, die bij honderden samen wonen in dichte spinsels in de doornstruiken. [50]Er komen mooie witte vlindertjes van met een goudkleurig bruine punt aan ’t achterlijf maar ze zijn uiterst schadelijk voor de houtteelt, want ze lusten niet alleen duindoornblad, maar loof van alle heesters en boomen.
Intusschen hebben de kleine vogeltjes dikwijls van de koekoeken erg te lijden. Ik heb het wel gezien, dat in een enkele duinvallei drie nesten bezet waren met een koekoek en een van die nesten was nog al van dat heel mooie en tamelijk zeldzaam duinvogeltje, de roodborst-tapuit (86), een verwant van ’t paapje.
Dit mooie diertje kun je ook weer het best te zien krijgen door stil te liggen en te wachten, want hij heeft evenals de klauwieren en paapjes de gewoonte van heel graag boven op ’t uiterste topje van de heesters te gaan zitten om daar te zingen, of uit te kijken. Als je dan een klein diertje ziet verschijnen met rooden borst, pikzwarten kop en een paar witte vlekken in de nekstreek, dan is dat een roodborsttapuit.
Maar voor we ons druk maken over die zeldzaamheden willen we nog eens wat letten op gewone dingen. Als ik ’s zomers in de duinen ben, denk ik altijd aan de mogelijkheid van hagedissen (60) te ontmoeten. Meestal merk je ze pas, als ze verschrikt wegritselen tusschen gras en kruid en als je heel vlug bent van handen en voeten, dan kun je zoo’n dier ook nog wel pakken. En zeer zeker is ’t aardig, om het dan mee te nemen en in een terrarium te verzorgen, desnoods in een groote zuurtjesflesch of in een houten kistje met een glazen deksel. Doch zorg er trouw voor, dat het diertje altijd naar verkiezing zomerwarmte en schaduw kan genieten en behoorlijk voorzien wordt van voedsel en drinken.
Maar ik houd er nog meer van, om te zien wat die dieren in de vrije natuur uitvoeren en daarom kijk ik onder ’t wandelen liefst een eindje verder dan mijn neus lang is en zoo slaag ik er heel dikwijls in, om de hagedissen te zien eer zij erg in mij hebben. Dan gaat het makkelijk genoeg, om ze zoo nabij te komen, dat ik hun oogjes kan zien glinsteren en hoe hun zijden op en neer gaan bij de ademhalingsbewegingen.
Soms doen ze niet anders dan maar uit den treuren stil zitten in ’t zonnetje, net als wij doen. Of ze dan ook met genoegen uitzien en luisteren naar alles, wat er in hun omgeving gebeurt, zou ik niet durven beweren. In elk geval kunnen ze heel goed zien en hooren ook, al is hun oor ook anders ingericht dan het onze, zoodat het trommelvlies gelijk met de huid komt te liggen en duidelijk zichtbaar is. [51]
Eens heb ik een hagedis heel aardig bezig gezien. Er lag een dood konijntje tusschen de duinrozen, half vergaan, en een vijftigtal aasvliegen, blauwe en groene, waren in ’t zonnetje bezig op het kadaver. Ik lag boven den wind op de loer, want een dierkundige kan van een dood konijn altijd een heele boel leeren.
Het duurde dan ook niet lang, of er kwam werk aan den winkel. Eens kwam een hagedis aanschuiven, een mooie groene, een mannetje. Bliksemsnel kronkelde hij een eindje verder en zat dan opeens doodstil. Dat vooruitschuiven ging zoo snel in zijn werk, dat de vliegen het eigenlijk niet eens merken, want voor ze er besef van kregen, dat daar iets bewogen had, zat de hagedis weer onbeweeglijk stil. Zoo bereikt hij goed en wel ’t konijn en had in minder dan geen tijd een dikke bromvlieg te pakken. De vliegen, die daar vlak bij hadden gezeten, sprongen wel eventjes op, maar keerden toch weer gauw terug naar ’t doode konijntje.
Zoo snapte die hagedis drie vliegen achter elkander, maar toen gebeurde er iets dat hem vrees aanjoeg en hij verdween tusschen de struiken. Er gleed een schaduw over ’t duin, een klein roofvogeltje zeilde door de lucht, een torenvalkje. Die lust even graag hagedissen als muizen, maar de ergste vijand van de hagedis is nog een andere roofvogel, de grauwe kiekendief (89). Die kun je dikwijls bezig zien, reepje voor reepje de hei of het duin afzoekend naar hagedissen. Opeens schiet hij neer en als hij dan de hagedis bij zijn staart te pakken krijgt, dan is ’t nog niet erg, want dan breekt die eenvoudig af en ’t ontstaarte hagedisje vindt nog een veilig heenkomen. ’t Wondje bloedt niet erg en ’t geneest zoo, dat er op stuk van zaken nog weer een nieuwe staart ontstaat, die maar een klein eindje korter is dan de oorspronkelijke.
Ik kreeg bij dat konijntje nog meer te zien. Een witte kwikstaart kwam er haast op dezelfde manier jacht maken als de hagedis. Hij kwam heel slim dichtbij. Sprong dan even op, zoodat de vliegen opvlogen en hapte er dan gauw een of twee op.
Maar ’t meest hadden de vliegen te lijden van de graafwespen. Zoo’n zwart met gele wesp kwam heel onschuldig aanvliegen, net of hij ook zijn deel wou hebben van ’t konijn en ging dan midden tusschen de vliegen in zitten. Een oogenblikje zat hij stil, maar dan schoot hij ineens op een vlieg af en pakte die met bek en pooten beet. Samen rolden ze van ’t konijn af in ’t zand en dan krulde de wesp zijn achterlijf om, stak de vlieg met zijn gif-angel in ’t borststuk. Dadelijk was de vlieg verlamd of dood, de wesp [52]pakte zijn prooi tusschen midden- en achterpooten en vloog er mee heen. Binnen een half uur tijd zag ik zoo vier vliegen wegdragen. Die wespen gingen alle denzelfden kant op en later heb ik hun nesten gevonden op de zandhelling van een duintop, wel honderd bij elkander.
Iedere wesp graaft zijn eigen nest en deze soort van vliegendooder (7) heeft de gewoonte het uitgegraven zand rondom de opening opeengehoopt te laten, zoodat deze wespenkolonie er uitzag als een verzameling van kleine vulkaantjes.
Het was er bijzonder druk. Onophoudelijk kwamen wespen aanvliegen met prooi. Ze legden hun doode of lamme vlieg dan even neer bij den ingang van ’t nest, kropen dan even naar binnen, zeker om te zien, of daar wel alles in orde was en haalden dan de vlieg in ’t hol. Andere groeven nieuwe holen, dat leek dan net, of daar miniatuur-molletjes aan ’t werk waren.
Er slenterden ook tusschen de nesten vreemden klaploopers rond: prachtige wespjes met blinkend rood achterlijf en groenachtig blauw glinsterend borststuk en kop, robijn en smaragd. Dit zijn de zoogenaamde goudwespen en als ze de kans schoon zien, dan glippen ze gauw in het graafwespennest, om hun eieren te leggen op de vliegenvoorraad die voor de jonge graafwespenlarven bestemd is. Ze handelen hier dus ongeveer op dezelfde manier als de koekoeken bij de paapjes.
[54]
[55]