Borneo van Zuid Naar Noord.
BORNEO VAN ZUID NAAR NOORD. Ethnografische roman, door M. T. H. Perelaer, gep. hoofdofficier van het Ned.-Ind. leger, gewezen gezaghebber in de Dajaklanden. Rotterdam, Uitgevers-Maatschappij „Elzevier”, 1881. 2 deelen. Prijs ƒ 8,25.
Ieder die bekend is met de vroegere geschriften van den Heer Perelaer, zal met genoegen hebben vernomen dat er weder een nieuw werk van hem ter perse lag, en met verlangen hebben uitgezien naar het oogenblik waarin het zou verschijnen. Ook ons is het zóó gegaan. Reeds voor jaren hadden wij in De Militaire Spectator hulde gebracht aan des Schrijvers letterkundige verdiensten en niet zonder ingenomenheid namen wij zijn Borneo van Zuid naar Noord ter hand. Wij moesten al dadelijk erkennen dat zijn talent intusschen nog was gerezen en dat hij nog meer dan weleer er aanspraak op mocht maken te behooren tot de uitstekende stilisten, tot de opgewekte, boeiende en vloeiende schrijvers. Maar wij kwamen ook tot een opmerking die ons de taak die wij hier volbrengen—en die op verzoek der redactie van De Militaire Spectator werd aanvaard—minder welgevallig maakte. De Heer P., vroeger steeds welwillend oordeelende en bezadigd gispende, is, tot ons leedwezen bitter geworden, en hartstocht schijnt nu en dan zijne pen te hebben bestuurd. Hij is daardoor niet immer onpartijdig en, maar al te vaak, historisch onnauwkeurig. Wij betreuren dit, dewijl het niet aangenaam is een schrijver te moeten weerleggen, die overigens in onze sympathie deelt, maar vooral dewijl dwalingen, verkondigd in voortreffelijk geschreven boeken, nog meer dan anders ingang vinden.
De Heer P. was geruimen tijd gezaghebber in de Dajak-streken en heeft zich de gelegenheid hem geschonken, uitnemend ten nutte gemaakt tot het verkrijgen eener breede kennis van land en volk. Zijne Ethnographische beschrijving der Dajaks en zijne Wandeling door de benting Kwala Kapoeas, [370](zie Mil. Spect. 1864) getuigen daarvan. Hij is alles behalve een oppervlakkig waarnemer geweest. Hij vergenoegde zich niet met het onthouden of opteekenen van wat hij zag en vernam, maar hij deed ook onderzoek naar oorzaak en gevolg, en naar het verband dat kon bestaan tusschen verschillende handelingen of gebruiken. Hij verzekert u niet alleen dat iets zóó is, maar zegt u ook doorgaans waarom het zóó is en niet anders. Het land is even goed door hem bestudeerd als het volk; hij heeft het beschouwd met een open oog voor zijne schoonheden en met een kennersblik voor zijne rijkdommen. De werken van den Heer P. zijn naar onze meening nog altijd de beste bronnen ter verkrijging van kennis aangaande de Dajaks en hun land. De veel besproken reis van Carl Bock door Oost- en Zuid-Borneo moge onze aardrijkskundige kennis van die oorden eenigszins hebben vermeerderd maar, in hetgeen er tot nog toe van bekend werd, vonden wij weinig voedsel voor onze ethnografische weetlust. Carl Bock heeft veel gezien, maar Perelaer heeft veel gezien en veel onderzocht.
Dat zulk een Schr. ten volle bevoegd is zijne landgenooten, op een andere dan de gestreng beschrijvende wijze, bekend te maken met het schoone, rijke en uitgestrekte Borneo, een land dat voor zoo velen hunner nog een terra ignota is, zal men geredelijk toegeven. Hij heeft het gedaan door het verhalen van een verdichte gebeurtenis die zoodanig is ingekleed dat zij hem gelegenheid schonk op onderhoudenden en vaak wegslependen toon, aan zijne lezers mede te deelen wat hij meende hen te moeten doen weten. Wij gelooven dat hij uitstekend is geslaagd. De dajaksche toestanden waarmede hij ons bekend maakt, zijn fiksch geteekend en levendig, natuurlijk gekleurd; de overtuiging waarmede de Schr. spreekt en de consequentie waarmede hij, over het algemeen, zijne opvatting van het dajaksche karakter volhoudt, pleiten voor de typische echtheid van hetgeen zijne tafereelen ons geven te zien. Hoe geweldig, hoe gruwelijk die tafereelen soms wezen mogen, zij trekken ons aan want men gevoelt dat zij waar kunnen zijn.
Hij die bekend wil worden met den veelzijdigen en onschatbaren rijkdom van het reusachtige eiland Borneo, kan hier zijn weetlust evenzeer ten volle bevredigen. Wij hopen dat Perelaer’s boek er toe zal bijdragen, de aandacht der Nederlanders meer op die onwaardeerbare bezitting te vestigen. Wakkere, ondernemende mannen kunnen daar grootsche dingen tot stand brengen, niet alleen in hun eigen belang maar ook in het belang van het vaderland en van de menschheid in ’t algemeen. De gruwelen waarvan de binnenlanden van Borneo nog maar al te zeer het tooneel zijn, zullen moeilijk door geweld alléén kunnen worden onderdrukt. De wel langzame maar toch zekere hand der beschaving zal hier krachtig moeten helpen. Nederland is begiftigd met schier onmetelijke overzeesche bezittingen, met bezittingen veel te uitgebreid dan dat ze naar eisch kunnen worden geëxploiteerd—in den goeden zin—door een volk dat nauw vier millioen zielen telt. Maar een vorig geslacht heeft, door het aanvaarden en zich doen waarborgen dier bezittingen, [371]tegenover het politieke statenverband der beschaafde wereld, nu eenmaal verplichtingen aangegaan die het tegenwoordige zoo maar niet van zich kan afschudden, zonder groote ongelegenheden en internationale verwikkelingen in het leven te roepen. Men zou de stelling kunnen verdedigen dat Nederland niet minder gelukkig en welvarend zou wezen, zonder het bezit van een eiland waar het niet bij machte is te doen wat stipt genomen zou behooren, en wat het zelf ook zoo gaarne zou doen. Men zou nog daarenboven kunnen betoogen dat het onredelijk is, aan een dergelijk bezit te blijven hechten, dewijl men daardoor aan anderen belet het goede te doen, waartoe men zelf niet in staat is. Maar men komt met dit alles geen schrede verder als men niet tevens onweerlegbaar aanwijst, hoe men van zijn bezitting ontslagen kan geraken, op eervolle wijze en zonder zich tal van moeilijkheden op den hals te halen met andere zeevarende en koloniale natiën. Bij eenig nadenken zal men geredelijk inzien dat het weinig baat over kruideniers-wangunst te jammeren, want Nederland kan geen enkele noemenswaardige zijner overzeesche bezittingen eenvoudig van zijne balans afschrijven en ter beschikking laten van het een of ander volk dat er zich mocht willen vestigen. Het zegt dus weinig dat men, gelijk de Heer P. bij herhaling, en vaak niet zonder heftigheid doet, den steen werpt op Nederland dewijl het, naar zijne meening, op Borneo niet genoeg heeft gedaan en niettemin aan anderen wil beletten er misschien meer te doen. Dáárin heeft hij nochtans gelijk dat Nederland niet stil mag zitten en niet mag berusten in den heerschenden toestand. Kloeke en welberaamde ondernemingen van handel, landbouw of nijverheid, te besturen door eerlijke en kundige mannen, moeten worden aangemoedigd en ondersteund, overal waar hun de veiligheid kan worden verzekerd die zij noodig hebben voor hun bedrijf. Hun streven zal heilzaam en krachtig werken, niet alleen ter bevordering van welvaart ginds en in Nederland, maar vooral tot verzachting der zeden en tot het doen ontluiken van beschaving te midden van thans nog woeste horden. Men vergete niet dat ontwikkeling en veredeling der overheerschten het groote zoo niet het eenige doel is, waarmede een beschaafd volk zich in bezittingen als waarvan hier sprake is, mag verheugen.
Alvorens het standpunt te verlaten waarvan wij tot dusverre het boek van den Heer P. hebben beschouwd, rust op ons nog de verplichting des lezers aandacht te vestigen op de vele litterarische schoonheden die het bevat. Des Schrs. meesterschap over de pen openbaart zich vooral bij het bespreken van het verhevene; daarnaast blinkt hij uit in den deftig historischen en den ernstig beschrijvenden stijl, maar wij zouden haast wenschen dat hij niet dan spaarzaam tot den gemeenzamen afdaalde. Het is aan zoo weinigen gegeven den gemeenzamen toon aan te slaan, zonder plat, soms triviaal te worden. Multatuli, wiens geschriften zoo vaak met voorliefde door den Schr. worden genoemd, behoort er toe; hij blijft altijd gekuischt, wie [372]hij ook laat spreken of met wien hij zich ook onderhoudt. Ons hinderde het o.a. dat de commandant der benting Kwala Kapoeas, waar de roman begint, zijn duitschen officier van gezondheid, zoo dikwerf hij vertrouwelijk met hem spreekt, „mijn waarde mof” noemt. Deze aanmerking moest ons van het hart; als wij ons gedrongen zien te bewonderen, doen wij het zoo gaarne onverdeeld, en of hier stof tot bewondering is, moge de lezer beoordeelen uit de volgende beschrijving van een bandjer.
„.….een gerommel liet zich hooren als van een verwijderden donder, dat al nader en nader kwam. De Europeanen meenden dat het werkelijk het geluid van een onweder was, hetwelk ras naderde, en werden in die meening versterkt, daar het zwerk al meer en meer betrok, de zon reeds achter een dikken wolkensluier verscholen was en eenige groote regendroppels begonnen te vallen, die in het dichte loof van het woud een tikkend geluid gaven, alsof hier en daar een hagelsteen op de bladeren viel.… Alles was doodstil in de natuur, geen blad dat bewoog, geen grashalm die slingerde, geen krekel die kriekte, geen vogel die sjilpte, geen vlinder die fladderde. De wolken drukten zwaar op het aardrijk en veroorzaakten, behalve een ontzaglijke hitte, die de zweetdruppels op de voorhoofden deed parelen, ook nog een spanning van aderen en spieren en een angstige neerslachtigheid, die niet te overwinnen was, en waaronder de geheele organische schepping zwoegde. Alleen het loeien van den nog steeds verwijderden donder deed zich hooren, maar steeds nader en nader, steeds onafgebroken. Die stem beheerschte alles, geweldig, machtig als de stemme Gods, die zij ook was.
„Daar naderde, terwijl het gedonder al dichter bij kwam en nu den heuvel met het woud en de reizigers, die er zich op bevonden, scheen te omgeven, in de rivier een muur van water van twaalf tot vijftien voeten hoog. Als loodrecht opgetrokken in die gedeelten van den stroom, waar de bedding effen was en geen of slechts luttele hinderpalen daarstelde, schreed die muur met de snelheid van een exprestrein voort. Wanneer machtige rotsen den voortgang stuitten, dan steigerde en krulde de ontzaglijk baar met haar geel drabbig water in een halven boog, alsof zij den hinderpaal, die haar in den weg stond, in een woeste omhelzing omklemmen en uit de voegen die hem geketend hielden, dringen wilde, om hem met zich voort te sleuren. Zij overdekte zich dan met een kruin van wit schuim, brak, spatte uiteen bij die ontzaglijke inspanning en donderde, en schuimde, en kookte, alsof het onderaardsche vuur onder een monsterketel aangeblazen werd. Was zij den hinderpaal te boven, dan, als verzamelde de baar zich weder, steigerde en boomde zij zich, om weer aan aan machtigen wand gelijk voort te ijlen. Aan het geloei der wateren paarde zich het geknars der rotsen, die uit hare voegen verwrikt werden, en slagen, alsof zwaar geschut losgebrand werd, wanneer die rotsblokken door den machtigen stroom medegesleept, tegen anderen aanbonsden. Boomen werden ontworteld en door het geweld des [373]waters medegevoerd; groote steenmassa’s werden uit hunne omlijsting van klei in de taluds der rivier uitgespoeld en ploften in het water, waarop zij een poos schenen te drijven alvorens te zinken, zoo groot was de kracht en de snelheid van den stroom.
„Opgetogen hadden onze Europeanen naar dit natuurtooneel staan staren; maar nog voor dat de voortrollende watermuur uit hun oog verdwenen was werd hun bewondering afgeleid. Want alsof die voortijlende watermassa het sein gegeven had, brak het onweder op eens in al zijn majesteit los. Het vuur werd figuurlijk en letterlijk door een verblindende bliksemflits geopend; waarop een ratelende donderslag volgde, die de voorbode was van een menigte andere, die van verscheidene punten van het zwerk zich onophoudelijk lieten hooren. Tegelijkertijd verhief zich een stormwind, die zware boomen ontwortelde, de prachtigste kruinen ter aarde boog, takken afscheurde en als vederen wegslingerde en, beladen met het aan zoovele woudreuzen ontwrongen loof, zich verder spoedde om zijne verwoestingen voort te zetten. Een oogenblik was er alsof alle geluiden der aarde ontketend waren. Aan het geloei van den voorthollenden stroom, paarden zich het rollen van den donder, het gekraak der afbrekende takken, het gebons en geplof van de vallende boomen, het gehuil van den stormwind, het angstig getjilp der vogelen, het klagend geschreeuw der apen, en vormde hoe wanluidend iedere toon op zich zelven ook weerklonk, een verheven harmonisch geheel, dat zich wild en woest verhief maar het hart met ontzetting vervulde en tot bewondering voor de ontboeide natuurkrachten stemde.
„Al dikker en zwarter werden de wolken; al lager daalden zij tot het aardrijk, tot dat zij de watermassa, die zij inhielden, niet meer konden houden en haar begonnen te ontlasten. Het was toen geen regen die viel, geen droppels die nederdaalden, maar waterstralen, die door den wind gezweept, als een golvende watergordijn vormden, welke den gezichtskring beperkte en de voorwerpen belette te zien, die op weinig passen afstands verwijderd waren, waterstralen die vereenigd als beken en stortvloeden, springende, vallende en wild schuimende, de helling van het terrein volgden, om zich in de rivier te storten.”
Natuurtooneelen worden door den Schr. even meesterlijk geschilderd als natuurverschijnselen. Wij kunnen de verzoeking niet weerstaan ook hiervan het bewijs te leveren.
„Ja woest was hier het terrein in den volsten zin des woords. Door torenhoog op elkander gestapelde rotsen was de geheele helling gevormd, werd het afdalende pad soms versperd, waren poorten, kloven en huiveringwekkende doorgangen geopend, waardoor men somtijds niet dan gebogen of kruipend heendringen kon. Hier gaapten gevaarlijke rotsspleten met niet te peilen afgronden, op welker bodem het oor den bergstroom hoorde bruischen, maar dien het oog niet kon ontwaren. Elders verhieven zich rotskammen, steil, loodrecht, veelal somber overhellend en met dood en verderf dreigend. [374]
„Toch troffen de reizigers te midden van dien chaos, door ontzettende natuurkrachten bij het vormen van den bodem teweeggebracht, soms oasen aan, welker bodem in zachte hellingen, met kort fijn gras bekleed, hier en daar gestoffeerd met een fraai gepluimden ceder, den reizigers een Alpenweide met hare dennen voor oogen tooverde en hun den uitroep ontlokte: „Een park aangelegd in den verheven scheppingstijl!”
„Bij het betreden van een dier oasen ontwaarden de reizigers een waterval, die op geringen afstand van hen langs een hoogen rotswand nederstortte. Met niet te verzadigen verrukking keken zij naar den hoogen zwartblauwen diorietrand, scherp afgeteekend op het zachte hemelazuur, waar de waternimf haar fladderend gewaad in het ijle liet zweven. De Soengei Oendoep—zoo heette die beek—in haar loop door een paar rotsblokken gestremd, stortte haar wateren ongeveer 400 voet naar beneden. Prachtig groenblauw genuanceerd, zou de voornaamste stroomarm langs den loodrechten rotswand den dalbodem bereikt hebben; maar halverwege ontmoette die straal een vooruitstekende steenmassa, waarop zij met donderend geweld in schuine en fijne stofdeeltjes uiteenspatte, om verder als melk zoo wit en luchtig als een zwevende wolk in het dal neer te dalen. De andere takken van de Oendoep sprongen onstuimig van den bovenrand af, maar ontmoetten al dadelijk steenspitsen en rotsnaalden, waaraan zij zich schenen vast te klemmen, toch echter in millioenen en millioenen schuimblaasjes uiteen spatten, haar saamgeperste zuilen in tal van wolkjes zagen overgaan, die, aan seinvuurpijlen gelijk, hun baan afteekenden om als watervonken een oogenblik onder de keerkringszon te schitteren en langzamerhand en onmerkbaar voor den blik te verdwijnen. De vier vrienden naderden met Hamadoe den val zoo dicht mogelijk en kozen instinktmatig tot plek van beschouwing het punt, waar zij de prachtige regenbogen, allerwege door de breking der zonnestralen gevormd, konden waarnemen. Nog meer naderende, waren zij weldra door een dubbelen regenboog omringd, die als een stralenkrans zoo geheel met ieder hunner samenvloeide, dat hij, zoolang zij zich in die nabijheid bevonden, met hen voor- of achterwaarts schreed, in een woord al hun bewegingen volgde. Aan hunne haren, op hun huid, op de schamele kleeding die hen bedekte, hechtten zich waterdroppels en schitterden daar, ieder op zich zelf aan een diamant gelijk, met onvergelijkelijke pracht in prismatische kleuren.”
De Heer P. heeft zijn boek een ethnografische roman genoemd, juister evenwel ware geweest het een ethnografische historische roman te heeten want er komen vrij wat geschiedkundige bijzonderheden in ter sprake en de verdichte gebeurtenissen worden voorgesteld als in verband te staan met de geschiedenis.
Romanschrijvers hebben zich te allen tijde zoogenaamde dichterlijke vrijheden veroorloofd en ook de Heer P. heeft zich ten deze gansch niet onbetuigd [375]gelaten. Daar het hier een recht geldt door het gebruik gewettigd, vergeven wij hem gaarne tal van onwaarschijnlijkheden en zelfs van onmogelijkheden. Zoodra het nochtans de geschiedenis aangaat mogen wij niet al te toegevend zijn. Wij erkennen dat het weinig schaadt wanneer sommige onbeduidende feiten of toestanden ietwat scheef worden voorgesteld, maar zoodra men uit de geschiedenis ernstige beschuldigingen afleidt tegen nog levende personen of nog bestaande regeeringen dan mag die geschiedenis niet tot een verdichtsel worden vervormd.
Ook mag men eischen dat de individus die de Schr. doet optreden, niet slechts het kleed dragen van den tijd en van het menschenras waartoe zij gezegd worden te behooren, maar ook dat zij daarvan den graad van beschaving en ontwikkeling, den geest, de begrippen en de zienswijzen hebben.
Dit laatste geldt vooral voor een ethnografischen historischen roman. Zulk een roman toch moet dienen om ons op aangename, onderhoudende wijze bekend te maken met een of meer menschenrassen die in een zeker tijdperk leefden, maar het doel wordt niet volkomen bereikt, wanneer men in die rassen moeilijk aan te nemen uitzonderingen laat optreden, zoo niet als verklaarde typen, dan toch als hoofdpersonen. Een Engelschman moet ons in een dergelijken roman doen denken aan het Anglo-Saksische ras in ’t algemeen, een Dajak aan het Dajaksche, en een Sienjoe aan het gemengde Indo-Europeesche. Maar men moet niet van den lezer eischen dat hij, alleen op gezag van den Schr., b.v. uit het beeld van een winderigen franschen kapper een degelijken Brit zal herkennen.
Zoo ontmoeten wij hier een Dajak—Dalim—die genoeg ontwikkeld is om wetenschappelijke verklaringen van natuurverschijnselen, hem door Christen-zendelingen gegeven, te begrijpen, te onthouden en met duidelijkheid weder aan daarmede nog onbekende Europeanen mede te deelen: een Dajak die, zonder dat men van zijn standpunt recht vat waarom en tegen zijn dajak-natuur in, de schoone gelegenheid laat voorbijgaan om vier Europeesche koppen te snellen, of te helpen snellen, die hem en zijne makkers toch, gezwegen van den roem door het feit verworven, ieder ƒ 4000 zouden hebben opgebracht
Ook maken wij te midden der vuile, soms dierlijk barbaarsche Poenan-dajaks, kennis met een schoone aan wie dien naam niet slechts bij wijze van spreken, maar in den volsten, ruimsten, meest aesthetischen zin des woords toekomt; een parel van schoonheid die verstandig is en „wier hart, wier gemoed een diamant van het zuiverste water is, waarvan de weerga in de donkerste ingewanden van het eiland Borneo niet gevonden werd,” een edelgesteente eindelijk dat slechts weinig behoeft te worden geslepen en gepolijst om al dadelijk een waardige plaats te kunnen innemen te midden der europeesche beschaving.
Het is waar dat de Schr. een inlander gelijk Dalim, moeilijk in zijn verhaal had kunnen ontbeeren en .… ultra posse nemo obligatur; het is ook [376]waar dat andere romanschrijvers even goed vrouwelijke juweelen weten te ontdekken in het stinkende slijk onzer groote steden, als de Heer P. onder „menschen eensdeels slechts behebt met den dierlijken lust tot moorden, alleen om te moorden, voor wie het hooren van angstgegil en doodgerochel de grootste streeling, het verhevenste genot daarstelt; en voor wie anderdeels het najagen van zingenot de eenige prikkel in het leven is, de eenige zweepslag die ten arbeid voert.” (bladz. 281, 1ste Dl.). Bovendien worden de schaduwzijden van den dajakschen volksaard, zooals men ziet, voldoende onder de aandacht gebracht om vrees voor onjuiste gevolgtrekkingen ijdel te mogen heeten; maar wij hebben nog meer bedenkingen van denzelfden aard aan te voeren.
Het is niet tegen te spreken dat zich in onze Oost-Indische bezittingen langzamerhand heeft gevormd een gemengd Indo-Europeesch ras, een ras van kleurlingen, van Sienjoe’s en Nonna’s dat in Nederland nog weinig meer dan door uiterlijke aanschouwing bekend is. Dit ras heeft zijne eigenaardige hoedanigheden, zijne kenmerkende goede en kwade eigenschappen. Tot nog toe heeft het in Nederland weinig, misschien niet genoeg de aandacht getrokken. Wel leverde het, in roman of novelle nu en dan een zoogenaamd type, doorgaans een caricatuur, maar daarbij bleef alles. Intusschen heeft het vooral van de zijde van ethnografen en anthropologen, meer en beter verdiend. Het als ras te blijven ignoreeren gaat, dunkt ons, niet aan, het belachelijk te blijven maken zou onedel zijn en onverdiend, en het op te hemelen zou onzin wezen. Al zijne eigenaardigheden, ook de goede in een of meer fiksen bewerkte standmodellen te vereenigen en aan het volk van Nederland voor te stellen, zou een verdienstelijke arbeid zijn. Wij zullen niet beweren dat een dergelijke arbeid in het kader van den roman des Hn. P. zou hebben gepast, maar wij gelooven toch, dat als zulk een Schr. ons een Sienjoe te zien geeft, het dan ten minste een ware, een wezenlijke Sienjoe behoort te zijn. Doet hij dat niet, dan brengt hij zijne met Indië onbekende landgenooten, die hem gewis met graagte zullen lezen, schromelijk in de war, en soms loopt hij gevaar de meening te doen ontstaan dat die voortreffelijke Sienjoe’s ergerlijk worden verongelijkt.
In een der eerste jaren na 1860 deserteerden vier nederlandsche soldaten uit het fort Kwala Kapoeas, gelegen aan de samenvloeiing van de Kleine-Dajakrivier en de Kapoeas-Moeroeng. Zij waren het die de belangwekkende reis volbrachten door Borneo van zuid naar noord. Onder hen bevond zich een Sienjoe, Sienjoe Johannes, geboren te Padang, vader onbekend, moeder de Niassche vrouw Ma Troeni. De Schr. begint van hem te zeggen dat hij is „een van die Indische producten van dierlijken hartstocht, voor wien het een ongeluk moet genoemd worden geboren te zijn.” Na zulk een zwartgallige inleiding zou men het optreden verwachten van een beklagenswaardig wezen, een soort van stompzinnig misgewas, dat zoo geen afkeer dan toch medelijden moet opwekken; maar neen, in Sienjoe Johannes vinden wij een schrander, vrolijk, [377]nu en dan zelfs geestig man, dien het gansch niet hapert aan wetenschappelijke ontwikkeling. Hij is het hoofd, de ziel der moeilijke onderneming en dit komt hem toe want hij weet veel en velerlei; de aardrijkskunde van den Nederlandsch-Indischen archipel kent hij op zijn duimpje; hij herinnert zich, zonder boeken of kaarten, precies op hoeveel graden lengte en breedte sommige punten zijn gelegen, hij berekent daarna, altijd uit het hoofd, hoeveel geografische mijlen ze van elkander zijn verwijderd en hoeveel water en proviand derhalve moet worden medegenomen voor de reis; in de binnenlanden van Borneo is hij als te huis; hij kent den mineralen rijkdom van die gewesten zooals weinig volbloed Europeanen; hij is geen vreemdeling in geologie, zelfs niet in het stoomwezen; hij heeft een zeldzame kennis van de zeden, de gebruiken en den godsdienst der Dajaks zonder ooit onder hen te hebben geleefd; schier alles wat wij aangaande Borneo en zijne bewoners vernemen, hooren wij uit zijn mond. Sienjoe Johannes is een klein wonder; hij weet even goed de eigenaardigheden die een vroom muzelman kenmerken als die welke het deel zijn van een geloovig maar bekrompen belgisch katholiek; hij heeft de gedichten van Schiller gelezen en kende de tegenwoordige theoriën van Darwin en Russel Wallace reeds eer ze waren verkondigd; hij is daarbij matig en heeft uitstekende militaire hoedanigheden.
Men begrijpt moeilijk waarom het voor zulk een man een ongeluk zou wezen te zijn geboren, maar men begrijpt des te beter dat hij de Nederlanders, onder wier vaandels hij het nimmer tot korporaal kon brengen, verafschuwde en van hen deserteerde. Dit is ten minste zeer natuurlijk, en natuurlijker dan dat wij een Sinjoe als Johannes te zien krijgen.
Wij durven niet beslissen of in een ethnografischen roman juist alle volksrassen die er in ter sprake komen, met dezelfde juistheid en onpartijdigheid behooren te worden geschetst. Moet de vraag toestemmend worden beantwoord dan hebben wij nog meer bedenkingen in het midden te brengen. Het Kaukasische ras, hoofdzakelijk door ons Nederlanders vertegenwoordigd, komt er b.v. al zeer slecht af. Van slechts weinigen wordt iets goeds gezegd. Dat daaronder een voorname plaats wordt ingenomen door den wakkeren, kundigen en humanen luitenant die in de benting Kwala Kapoeas commandeerde is weder zeer natuurlijk, want voor een zoo goeden bekende kon de Schr. al niet meer doen. Wij hebben er dan ook vrede mede, maar zelf Nederlander zijnde, kunnen wij geen vrede hebben met het onrecht den Nederlanders in massa aangedaan. Gestrenge consequentie mag men in de eerste plaats eischen bij gestrenge beoordeelingen en het is niet consequent wanneer men, op bladz. 31, 1ste Dl., verhaalt dat de Nederlanders zich jegens de Bandjareezen hebben schuldig gemaakt aan euveldaden als: „ontmanning, afsnijden van neuzen en ooren” en hen daarna op bladz. 160, te verwijten dat zij „ziekelijk menschlievend” zijn. Ook is het niet consequent aan de Nederlanders, op bladz. 58, ten laste te leggen dat hunne soldaten op de [378]buitenbezittingen waren voorzien van geweren „met uitgeschoten loopen.…. in een woord, die als een oud roestwinkel rammelden, wanneer men een geweer aanvatte en die voor eigen handen gevaarlijker waren dan voor den vijand” en reeds op de volgende bladz. den vijand door een levendig vuur uit diezelfde geweren zoodanig te laten teisteren dat hij genoodzaakt wordt het hazenpad te kiezen. Waarlijk het schijnt ons toe dat de Heer P. zoowel bij lof als bij blaam, hier en daar in uitersten vervalt. In romantische en dichterlijke verhalen is dit niet zeldzaam, maar beschuldigingen tegen tijdgenooten blijven beschuldigingen. Misschien zijn de Nederlanders nóch zoo wreedaardig, nóch zoo ziekelijk menschlievend als hij ze voorstelt, en misschien waren hunne geweren nóch zoo slecht, nóch zoo verschrikkelijk van uitwerking als hij ze afschildert.
Reeds vroeger werden de aangelegenheden der Zuid- en Ooster-Afdeeling van Borneo door den Heer P. besproken. In 1863 schreef hij, ter plaatse, zijne wandeling door de benting te Kwala Kapoeas, waarvan hij de commandant was, en in 1870, gaf hij zijne Ethnographische beschrijving der Dajaks uit. Beide deze pennevruchten werden, de eene geheel en de andere voor het minst gedeeltelijk, saamgesteld onder den verschen indruk hetzij der gebeurtenissen, hetzij der waargenomen toestanden; in geen van beiden treedt de Schr. op als laudator temporis acti; hij laakt waar hij meent dat gelaakt moet worden, maar hij doet het kalm, ernstig en veelal met welwillendheid. Hij heeft, als wij ons niet vergissen, Borneo sedert dien tijd niet teruggezien; hij heeft dus aangaande het eenmaal beschrevene geen nieuwe indrukken kunnen opdoen; hoe komt het nu dat hij thans, nu hij veel, zeer veel van dat vroeger beschrevene, in een ander meer aanlokkelijk kleed voor het publiek brengt, oordeelt met een hardheid, een scherpte en een overdrijving die hem weleer zoo geheel vreemd waren? Misschien waant hij dat de wel wat bedorven en verstompte smaak van het nederlandsche lezend publiek, geprikkeld moet worden door sterk gekruide spijzen en heeft hij het dààrom de tjabé rawi niet willen onthouden; maar wij verzekeren hem dat de letterkundige schotels, die hij aan het publiek weet voor te zetten, dergelijke scherpe sausen niet behoeven om met gretigheid te worden genuttigd, en dat het zijne ware vrienden leed zal doen, de altijd welgekozen bestanddeelen dier schotels, gekruid te zien met iets anders, dan het oude attische zout, dat condimentum litterarium bij uitnemendheid.
Het is vooral de wijze waarop het nederlandsche leger in Oost-Indië voltallig wordt gehouden die den Schr. aanleiding geeft tot het toedienen van tjabé rawi. Wij zullen de laatste zijn om staande te houden dat in deze alles toegaat zoo als men het zou mogen wenschen; maar als men er zelf meermalen toe geroepen is geweest een stand van zaken daar te stellen, of te helpen daarstellen, die misbruiken uitsloot, dan weet men ook welke onoverkomelijke hinderpalen zich daartegen verzetten. Van de misbruiken geeft [379]de Heer P. breed, veel te breed, op doch van de middelen om het euvel te voorkomen of uit den weg te ruimen vinden wij bij hem geen woord, en dààrop komt het toch vooral aan. Ja! er bestaan misbruiken; Schr. dezes heeft zelf weleer een paar vreemdelingen aangenomen op bescheiden die vervalscht, maar zóó behendig vervalscht waren, dat het misdrijf slechts door een toeval aan het licht kwam. Intusschen zijn zij, die zich van die bescheiden hadden bediend, nimmer in de gelederen van het Oost-Indisch leger maar wel in het tuchthuis te recht gekomen, en dit feit gevoegd bij een reeks van soortgelijke, die zouden kunnen worden aangevoerd, bewijst voldoende dat de nederlandsche regeering volstrekt geen smaak heeft in dergelijke praktijken.
Nog een ander bewijs kan daarvoor worden geleverd. Talrijk zijn reeds de processen voor nederlandsche rechtbanken gevoerd tegen personen die zich van valsche papieren hadden bediend om in nederlandschen kolonialen dienst te treden. Onder de rechtbanken die van de zaak hadden kennis te nemen zijn er die leden van de Staten-Generaal onder hun personeel tellen. Wanneer nu bij de instructiën ook maar iets ware gebleken van rechtstreeksche of zijdelingsche medeplichtigheid der regeering, of zelfs maar van toelating of oogluiking in deze, zouden dan die leden der Staten-Generaal, als zoodanig, niet voor de eer der natie zijn opgekomen? En heeft er immer iets van dien aard plaats gehad?
Eigenlijke wervers heeft de regeering, reeds sedert een groot, zeer groot aantal jaren, niet meer in het veld gehad, zoomin op eigen grondgebied als in den vreemde, en het zou dan ook moeilijk zijn een enkelen door haar gequalificeerden werver bij name aan te wijzen, tenzij in een lang vervlogen tijdvak.
Het Departement van Oorlog staat aan het hoofd der werving zoowel voor de overzeesche bezittingen als voor het moederland, en wie daarmede, onder zijn bevel en toezicht, hier te lande, verder zijn belast is algemeen bekend.
In het buitenland had het weleer, hier en daar, zoogenaamde werfbureaux waarvan de Chefs tot opdracht hadden de recruten die zich aanboden aan een voorloopig onderzoek te onderwerpen en, bij goedkeuring, naar Nederland te zenden. Dergelijke werfbureaux heeft Nederland tot voor korten tijd ook nog gehad in eenige zijner consulaten b.v. in dat te Altona voor het aannemen van Nooren. De instructiën aan de chefs der eigenlijke werfbureaux en die van de consulaten, met betrekking tot de werving, zijn nog voorhanden in de archieven van het Departement van Oorlog, en het hoofd van dat Departement zal—wij zijn er van overtuigd—gaarne inzage van die documenten geven aan wien dit mocht verlangen. Men zal er niets in vinden dan eerlijkheid. Wij durven dan ook staande houden dat Nederland nimmer gewenscht, begeerd of toegelaten heeft dat men het door slinksche middelen of langs oneerlijke wegen, recruten bezorgde voor zijn Oost-Indisch leger. [380]
De regeering staat echter een premie toe—van ƒ 10—aan een ieder die een goedgekeurd recruut heeft aangebracht. Dit aanbrenggeld is het groote, het voorname lokaas tot het verstrekken van valsche papieren aan hen die geen goede kunnen vertoonen, en dus tot het plegen van ergerlijke knoeierijen. Hij die het middel wist aan de hand te doen om de werving, ook in zeer moeilijke tijden en bij dringende behoefte, voldoende vruchtbaar te doen blijven, zonder het uitbetalen van eenig aanbrenggeld, zou aan Nederland een onschatbaren dienst bewijzen. Wij bevelen den Heer P. ernstig aan daarover eens na te denken.
De aanbrengers, die misschien feitelijk, maar nimmer rechtens, als wervers mogen worden beschouwd, kunnen voor hunne bemoeiingen, op niets rekenen dan op de aanbrengpremie, en als sommigen hunner de door hen aangebrachte recruten wellicht nog afzetten, nadat zij hun handgeld hebben ontvangen, dan begrijpt men dat de regeering daartegen niets vermag1.
Hoe men de zaak ook beschouwe, mits van een onpartijdig standpunt, en met voldoende kennis van zaken, altijd zal men tot het besluit moeten komen, dat de nederlandsche regeering steeds gedaan heeft en doet wat zij vermocht en vermag, tot het bekomen van gezonde recruten van onbesproken handel en wandel. Dat zij daarin niet altijd is geslaagd moet worden erkend, maar niemand heeft dit ooit meer betreurd dan zij zelf.
Een ander kwaad dat aan de wervers (aanbrengers) wordt ten laste gelegd is het schromelijk misleiden der recruten met betrekking tot hetgeen hen in Indië staat te wachten. Die lieden gaan zelfs zóóver, naar de Heer P. beweert, van hen daar te belooven „sambal naar genoegen” en aangezien sambal een lekkernij is, even goed bekend in de dalen van Zwitserland als aan de fiorden van Noorwegen en in de mijnen van België, is dit natuurlijk een zeer gevaarlijke verlokking. Dat ook in deze verkeerdheden plaats hadden en misschien nog plaats hebben zullen wij weder niet ontkennen, maar wel dat de nederlandsche regeering dat ooit heeft verlangd of zelfs maar goedgekeurd. Wij zelf hebben er in der tijd het onze toe bijgedragen om, op tusschenkomst van bevoegden, vaak met eenige schade voor de schatkist, recruten van hunne verbintenis te ontslaan die niet eens konden bewijzen, doch slechts stellig beweerden, dat zij waren misleid.
Zij die het edele bedrijf van werver tot het hunne maakten, blonken nimmer uit door belangloosheid en goede trouw. De behendige wervers van Frederik de Groote en nog meer die van zijn vader, hebben zich op dat stuk een geschiedkundige vermaardheid verworven; de engelsche wervers doen het gild, in onze dagen, nog altijd eer aan, en de fransche van [381]weleer? Hoor lezer wat Alfred de Vigny er, in zijn Grandeur et Servitude Militaire van verhaalt, doch zonder zich boos te maken, en zonder de fransche regeering van dien tijd er hard over te vallen.
De jonge Mathurin, een boerenzoon, wil soldaat worden en begeeft zich naar een herberg aan de avenue de Versailles waar hij weet dat zijn verlangen bevrediging kan vinden. „Dans ce petit carbaret”—vertelt hij later—„je trouvai trois braves dont les chapeaux étaient galonnés d’or, l’uniforme blanc, les revers roses, les moustaches cirées de noir, les cheveux poudrés à frimas et qui parlaient aussi vite qui des vendeurs d’orviétan. Ces trois braves étaient d’honnêtes racoleurs. Ils me dirent que je n’avais qu’à m’asseoir à table avec eux, pour avoir une juste idée du bonheur parfait que l’on goutait éternellement dans le Royal-Auvergne. Ils me firent manger du poulet, du chevreuil et des perdreaux, boire du vin de Bordeaux et de Champagne, et du café excellent; ils me jurèrent sur leur honneur que, dans le Royal-Auvergne, je n’en aurais jamais d’autre.
„Je vis bien depuis qu’ils avaient dit vrai.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
„Le lendemain j’avais donc l’honneur d’être soldat au Royal-Auvergne.…. Je demandai du poulet à diner, et l’on me donna à manger cet agréable mélange de pommes de terre, de mouton et de pain, qui se nommait, se nomme et sans doute se nommera toujours: la ratatouille.….…”
Hier werd helaas niet eens voldaan aan de belofte van „sambal naar genoegen”.
Tusschenpersonen, wervers, aanbrengers of hoe ze heten mogen, zijn altijd noodig geweest en zullen altijd noodig blijven, waar een betrekkelijk sterke krijgsmacht door vrijwilligers voltallig moet worden gehouden. Volmaakt eerlijke en belanglooze aanbrengers of wervers te vinden, zou al even gemakkelijk zijn, als het vinden van volmaakt eerlijke kooplieden, en misschien nog niet eens gelukken wanneer men er Christen-zendelingen toe kan bezigen.
Het vraagstuk is veel te gewichtig dan dat men er zich van kan af maken door oppervlakkigheden, door groote woorden of door beschuldigingen die meer op schijn dan op waarheid rusten. Zeker zou het voor Nederland wenschelijk zijn een stand van zaken in het leven te roepen die iedere immoreele handeling, bij het bijeenbrengen en bijeenhouden eener voldoende krijgsmacht, volkomen uitsloot, en de mogelijkheid daartoe bestaat voor het nederlandsche volk ook alleszins. Dat het eenvoudig het 185ste artikel schrappe uit zijne Grondwet en het is gereed. Wij twijfelen echter zeer of het immer zal besluiten de lotelingen bij de nationale militie naar Indië te zenden, maar is die twijfel gegrond dan moet het ook berusten in den tegenwoordigen toestand, en dankbaar zijn dat het een regeering heeft die doet wat zij vermag om de misbruiken, daaraan onafscheidelijk verbonden, zooveel mogelijk tegen te gaan. [382]
Laten wij thans des Schrs. grieven tegen de koloniale werving wat meer in bijzonderheden nagaan. Wij maken in zijn boek geen kennis met schelmen die met valsche papieren zijn in dienst getreden; hij heeft er de voorkeur aangegeven, zijn personen te kiezen in de categorie der onnoozele misleidden. De onnoozele misleidden die hij (bladz. 3 en 12, 1ste Dl.) laat optreden zijn een duitschen doctor in de medicijnen, en drie der vier gedeserteerden van Kwala Kapoeas, als: een Zwitser die candidaat is in de rechten; een dito die de reaalschule heeft doorloopen en het testimonium bezit voor de natuur- en scheikunde, en een dronken Belg. Den Belg, de lustige persoon van den roman, zullen wij aan zijn lot overlaten, maar wat de anderen betreft moet men bekennen dat onze aanbrengers eer hebben gehad van hun werk. Een doctor in de medicijnen, een candidaat in de rechten en een docent in de natuur- en scheikunde in de fuik te laten loopen, was een waar meesterstuk. Wij nemen nochtans aan dat het is volbracht want die geleerden zijn soms erg dwaas en onhandig in de zaken van het practisch leven; alleen voor den doctor moeten wij een uitzondering maken. Tot heden wisten wij niet dat de nederlandsche regeering ooit tusschenpersonen had gebezigd tot het bekomen van officieren van gezondheid; wij wisten slechts van oproepingen in de Staats-Courant overgenomen door andere binnen- en buitenlandsche dagbladen. Ook wisten wij dat door sommige onzer diplomatieke of consulaire agenten—sedert 1878—ter bekoming van tijdelijke officieren van gezondheid, voor vijf jaren, zooveel noodig worden afgegeven en verspreid, gedrukte stukken die de voorwaarden inhouden waarop men zich kan verbinden. Deze gedrukte stukken bestaan nog en zijn voor Nederlanders zonder moeite bij het Departement van Koloniën te bekomen. Zoowel de genoemde oproepingen als de gedrukten zijn zóó dor en droog van inhoud en van stijl, als een regeeringsstuk maar zijn kan; zij bevatten stellige, duidelijke en volkomen ondubbelzinnige voorwaarden, maar hoegenaamd geen fraaie voorstellingen of beloften.
Niettemin is er, als men wil, één tusschenpersoon werkzaam geweest, maar deze handelde geheel belangloos en uit eigen beweging. Het was Dr. Wittelshöfer, Hoogleeraar in de medicijnen aan de Universiteit te Weenen en redacteur van het voornaamste geneeskundige tijdschrift aldaar. Door hem hebben wij er ten minste een dozijn bekomen en hij achtte den stap alleszins aanbevelenswaardig voor zijne jeugdige landgenooten. Als zij zich niet voor goed aan den nederlandsch-indischen militairen dienst wilden verbinden zagen zij zich, enkel door de niet onaanzienlijke gratificatie van ƒ 6000, die in vijf jaren tijd kon worden verdiend, in staat gesteld een kapitaaltje te verzamelen waarmede zij zich later in hun vaderland konden vestigen. Vele dier tijdelijken hebben evenwel in Indië, en dus met volkomen kennis van zaken, verzocht en verkregen bij het vaste kader van den geneeskundigen dienst over te gaan.
De beste wervers van vreemde officieren van gezondheid voor Indië zijn [383]geweest, zeer velen hunner die zich reeds eenigen tijd daar bevonden en die, dus weder met volkomen kennis van zaken, hunne vrienden in „die Heimath” aanspoorden hun voorbeeld te volgen.
Op bladz. 53, 1ste Dl., vinden wij gewag gemaakt van „de verfoeielijke kunstgrepen, die gedurende den Java-oorlog van 1825–1830 gebezigd waren, om dajaksche soldaten in nederlandsche gelederen te verkrijgen tot bekamping van den Javaan. In 1863 waren die kunstgrepen nog niet vergeten enz.” ’t Is sterk! Maar als men, gelijk Schr. dezes, zelf een geschiedenis van den Oorlog op Java heeft geschreven, en als men daarbij, onder meer, ter zijner beschikking heeft gehad het geheele archief van den nederlandschen Opperbevelhebber in dien oorlog, dan heeft men eenig recht te beweren zoo goed als iemand ingelicht te zijn, aangaande de verschillende pogingen in het werk gesteld ter aanvulling en versterking van de krijgsmacht, in dien tijd tegen de opstandelingen aangevoerd. Wij weten dan ook en hebben melding gemaakt van welgeslaagde wervingen te Menado, Gorontale, Boeton, Tidor en Ternate, zelfs van niet geslaagde zooals te Bali,2 maar wij verklaren van al dan niet geslaagde wervingen onder de Dajaks, niets te weten.
Op bladz. 74, 1ste Dl. lezen wij: „Het Nederlandsche volk weet niet, of.…. wil niet weten op wat wijze de soldaten voor het koloniale leger worden geworven. In der tijd heeft men de tuchthuizen geledigd om de gelederen van dat leger te vullen; schurken van de ergste soort heeft men in den soldatenrok gestoken.” Men moet bekennen dat wij, in den Heer P., te doen hebben met een romanschrijver die het recht tot het bezigen van dichterlijke vrijheden uitstekend weet te gebruiken.
Er zijn in Nederland nimmer tuchthuizen geledigd met welk militair doel dan ook;
Er is daar één enkel tuchthuis—de militaire strafgevangenis te Leiden—waaruit weleer veroordeelden van zekere categoriën, als soldaat naar Indië konden gaan;
Maar die veroordeelden waren geen schurken van de ergste soort;
Het waren zelfs niet eens schurken maar gestraften wegens desertie of misdaden tegen den dienst en de subordinatie.
Het is bovendien billijk steeds iederen maatregel te beschouwen in het licht van zijn tijd.
Er is een generaal geweest, Opperbevelhebber van het leger in Oost-Indië die de militaire eer zóó hoog stelde dat hij een officier, die, zonder daartoe door lichaamsgebreken verplicht te zijn, zijn pensioen begeerde op het oogenblik dat hij te velde zou worden gezonden, eenvoudig en niet eervol uit den militairen dienst liet ontslaan. Diezelfde Opperbevelhebber—de luitenant-generaal Merkus de Kock—zag zich niettemin in 1826, door het dringen van den nood, verplicht, een dertigtal militaire veroordeelden, van het fort Oranje, alle Europeanen, weder in de gelederen op te nemen.3 [384]
Het komt ons voor dat anderen, sprekende over een lang verleden, wel kunnen berusten in hetgeen een naar verstand en hart zoo voortreffelijk man als de generaal de Kock, toen vermijdelijk achtte.
Tot de geschiedenis der beide hierboven genoemde Zwitsers behoort dat zij betrokken waren geweest in de militaire samenzweringen die in 1850 en 1860 Midden-Java hebben verontrust. Aangaande die samenzweringen zegt de Schr. bladz. 81, 1ste Dl.:
„Toen het gevaar daar was, werd er flink en doortastend gehandeld. Daaraan is het te wijten, dat er geen grootere onheilen gebeurd zijn. Wat minder te prijzen valt, is de geheimzinnige sluier, die over het gebeurde werd geworpen.…… Waren de verhooren door de krijgsraden afgenomen publiek gemaakt; ware openbaar gemaakt, wat in die verhooren op den voorgrond getreden is, de afzichtelijke wijze, waarop het Indische leger aangevuld wordt, dan, O!—er valt niet aan te twijfelen—zou het Nederlandsche volk.….. enz.” En verder:
„Waren ook destijds de stukken, tusschen de nederlandsche regeering en den heer von Bismarck gewisseld waarop het ontslag van een Staats-beambte en de gerechtelijke vervolging van een nederlandsch Hoofdofficier door de duitsche autoriteiten volgde, openbaar gemaakt, dan.…… enz.”
Over het laatste willen wij het eerst een kort woord zeggen. Het gebeurde met den bedoelden hoofdofficier is aan Schr. dezer regelen volkomen bekend, maar hij is niet bevoegd den sluier op te heffen waarmede die aangelegenheid nog altijd is bedekt. Hij vertrouwt echter, het met den Heer P. nog te zullen beleven, dat zij niet meer tot de geheimen behoort. Intusschen vertrouwt hij evenzeer dat de Heer P. hem wel zal willen gelooven wanneer hij hem verzekert dat, door het wegnemen van den sluier, misschien kleine onregelmatigheden zullen aan den dag komen, maar zeker niets verfoeielijks, niets waarover het nederlandsche volk of zijne regeering zich zullen hebben te schamen.
Aangaande de verhooren door de krijgsraden afgenomen diene het navolgende.
Het ligt niet op den weg der regeering van een welgeordenden Staat om de bescheiden openbaar te maken die betrekking hebben op gedingen voor rechtbanken of gerechtshoven gevoerd. De wet bepaalt wat in deze moet geschieden of moet worden nagelaten, en een onafhankelijke rechterlijke macht, gelijk wij hier en in Indië bezitten, zou iedere inmenging der regeering afwijzen wanneer deze daartoe, ter kwader ure, mocht overgaan. Volgens onze Rechtspleging bij de Landmagt zijn de aanteekeningen der gehouden verhooren nu eenmaal geheime stukken, hoe hadden ze dan zonder wetschennis, wij zeggen niet eens door de regeering, maar door de rechterlijke macht zelf, kunnen worden openbaar gemaakt?
Maar daarom zijn de handelingen onzer militaire justitie nog geen werken [385]der duisternis. De vonnissen worden met de overwegingen die er toe hebben geleid in het openbaar uitgesproken, en die overwegingen, door een onafhankelijk rechterlijk ambtenaar gesteld, bevatten—het is overbekend—tevens alles wat tot verlichting en tot verschooning van den beschuldigde kan strekken.
Doch er is nog meer. Wordt er appel van het vonnis aangeteekend—gelijk in casu waar het kon gebeurd is—en komt het geding zoodoende voor het Hoog Militair Gerechtshof dan wordt aan den beschuldigde een practizijn, als verdediger, toegevoegd en zijne zaak verder geheel in het openbaar behandeld. De verdediger in zijn pleidooi, en het openbaar ministerie in zijne repliek, putten dan beide, naar hartelust en zooveel zij nuttig en noodig oordeelen, uit al de stukken van het proces in eerste instantie, en dus ook uit de afgenomen verhooren.
Nu meenen wij te mogen vragen wat de Heer P. die dit alles even goed weet als wij, nog meer kan verlangen.
Misschien zal hij ons antwoorden dat het uitspreken van vonnissen door krijgsraden, en de procedures voor het Hoog Militair Gerechtshof doorgaans slechts door weinigen wordt bijgewoond, zoodat de openbaarheid van een en ander feitelijk niet zeer groot is. Wij zullen hem hierin niet eens tegenspreken, maar hij mag er geen beschuldigingen op gronden tegen wien dan ook.
Maar wij moeten—speciaal in de zaak die het hier betreft—zijne aandacht nog op iets anders vestigen. Alles wat men van die verhooren en vonnissen in billijkheid zou kunnen verlangen te weten, is door onafhankelijke Indische rechterlijke ambtenaren, afzonderlijk en opzettelijk door den druk openbaar gemaakt. Het is verspreid, zoowel in Nederland als in Indië, en het nederlandsche volk heeft er geen aanleiding in gevonden, zijn stem te verheffen tegen zijne regeering.
De HH. Mrs. C. J. Keiser, C. G. Hultman en T. H. der Kinderen, hebben, in het tijdschrift Het recht in Nederlandsch Indië, overzichten geleverd van de strafgedingen gevoerd ter zake van: Het complot tot een militairen opstand te Djocjakarta; De Gewapende opstand te Samarang; Het complot tot desertie te Weltevreden, en Het complot tot militairen opstand alsmede tot desertie te Willem I. Die relazen zijn overgenomen in De Militaire Spectator, jaargang 1861. Men kan nog mag aannemen dat de genoemde H.H. de beschuldigden en veroordeelden, nog na het ten uitvoer leggen der tegen hen geslagen vonnissen, in de publieke opinie hebben willen benadeelen door het opzettelijk verzwijgen van hetgeen ter hunner verschooning had kunnen dienen.
En wat leeren ons nu hunne mededeelingen?
De sergeant Borgeaud, hoofd van het eerstgenoemd complot, was in Zwitserland uit patricische ouders geboren, had een geletterde opvoeding genoten en in zijn vaderland een eervolle betrekking bekleed; hij was reeds [386]in napelschen dienst geweest eer hij zich voor den nederlandsch-indischen verbond; de vurig gewenschte épaulet mocht hij door een samenloop van omstandigheden, veelal aan eigen schuld te wijten, niet deelachtig worden.
Van zijn medeplichtigen wordt gezegd: „Naar de oorzaak hunner ontevredenheid en zucht tot complotmaken gevraagd, gaven zij te kennen, dat het eentoonige garnizoensleven hen verveelde; dat bovenal de corveën hen tegen de borst stuitten, en dat zij verlangd hadden op expeditie te gaan.”
Geen blijk dus van het misleiden door beweerde wervers, geen blijk van afzichtelijke handelingen bij het aanvullen van het Indisch leger.
Van de betrokkenen in den gewapenden opstand te Samarang wordt gezegd: „Onvoldane eerzucht en onbillijke wenschen van eenige woelzieke vreemdelingen, wien het eentoonige garnizoensleven en de onderwerping aan een strenge discipline tegen de borst stuitten, voorts teleurgestelde verwachtingen bij hunne aankomst in Indië schijnen de voornaamste oorzaken geweest te zijn”. Vooral hoorde men klagen door de Zwitsers die vroeger hadden gediend bij de 2de en 4de regimenten, indertijd door den Koning der Beide Siciliën, van hunne wettige verbintenissen ontslagen wegens veelvuldige desertiën en zich telkens herhalende muiterijen.
Van opzettelijke misleidingen of afzichtelijke handelingen andermaal geen woord.
De vijf Zwitsers die te Weltevreden het complot tot desertie vormden en er een begin van uitvoering aan gaven, waren allen weleer in siciliaanschen dienst geweest. Ook zij hadden derhalve behoord tot de beruchte regimenten hierboven genoemd. Wij vinden niets ter hunner verschooning.
Aangaande de deelnemers aan het complot te Willem I lezen wij: „dat de zaamgezworenen meest allen mannen waren, die veldtochten, hetzij in Afrika, hetzij in de Krim hadden medegemaakt of deelgenooten waren geweest in het bekende soldatenoproer te Napels”. Hier had men dus waarlijk niet te doen met onnoozele halzen die in staat waren zich door zwetsende wervers te laten ronselen. Zij klaagden over de handeling die de vreemdelingen ondergingen, maar toen hun door den krijgsraad werd gevraagd wat zij met deze behandeling bedoelden, antwoordden sommigen dat hun op de theorie steeds werd toegevoegd: „Gij eet hollandsch brood, gij moet ook Hollandsch spreken”. Dit is alles wat men ter hunner verschooning aantreft.
Men ziet dus dat er ten aanzien der militaire strafgedingen door den Heer P. bedoeld, inderdaad een zeldzaam groote mate van openbaarheid heeft plaats gehad, maar.….. dat zij niets leeren ten nadeele der wijze waarop onze krijgsmacht in Oost-Indië wordt voltallig gehouden.
Wij zullen hier onzen arbeid staken en afscheid nemen van het boek des Heeren Perelaer, dat wij, in weerwil onzer bedenkingen, een schoon boek blijven noemen. Moge de Schr. zich spoedig aangespoord gevoelen zijn landgenooten [387]weder een vrucht aan te bieden van zijn welversneden pen, maar moge het ons dan ook gegeven zijn den altijd levendigen, altijd opgewekten maar ook altijd kalmen en bezadigden Perelaer van weleer, terug te vinden.
15 Februari 1882.
A. W. P. Weitzel.
1 Bij het ter perse zenden dezes vernemen wij dat de aanbrengpremie, sedert eenige dagen, voor vreemdelingen niet meer wordt betaald. Dit kan geschieden dewijl de behoefte thans noch groot, noch dringend is en men er in hoopt te kunnen voorzien, behalve met Nederlanders, met vreemdelingen die zich zonder iemands tusschenkomst, bij de bevoegde autoriteiten zullen komen aanbieden. ↑
Colofon
Beschikbaarheid
Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.
Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op www.pgdp.net.
Metadata
| Titel: | Borneo van Zuid naar Noord: Ethnografische Roman | |
| Auteur: | Michaël Théophile Hubert Perelaer (1831–1901) | Info |
| Commentator: | August Wilhelm Philip Weitzel (1816–1896) | Info |
| Taal: | Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel) | |
| Oorspronkelijke uitgiftedatum: | 1881 |
Codering
Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.
De beide delen van dit werk zijn samengevoegd. De inhoudsopgave van het tweede deel is gelijk na de inhoudsopgave van het eerste geplaatst. Woorden in de verschillende inheemse talen van Borneo zijn gemarkeerd als ‘Maleis’. Hierbij is niet gepoogd een onderscheid te maken tussen de verschillende talen.
Documentgeschiedenis
- 2021-12-27 Begonnen.
Externe Referenties
Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.
Verbeteringen
De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
| Bladzijde | Bron | Verbetering | Bewerkingsafstand |
|---|---|---|---|
| IX | tangirang’s | tanggirangs | 2 |
| IX, 259, 334 | „ | [Verwijderd] | 1 |
| IX, 115 | bijën | bijen | 1 / 0 |
| X, 20, 246 | [Niet in bron] | . | 1 |
| X | Johannis | Johannes | 1 |
| V | officiëele | officieele | 1 / 0 |
| VII | Kotta | kotta | 1 |
| VIII, 130, 312, 321, 359 | Muller | Müller | 1 / 0 |
| VIII, 346, 351 | Koetshin | Koetshing | 1 |
| 3, 118, 118, 325, 120 | [Niet in bron] | , | 1 |
| 12 | Stuttgard | Stuttgart | 1 |
| 20 | Doussoensche | Doessonsche | 2 |
| 26, 27, 70, 88, 88 | raoung | raoeng | 1 |
| 30 | Dehli | Delhi | 2 |
| 40 | handteerden | hanteerden | 1 |
| 41 | wapenrak | wapenrek | 1 |
| 42 | geverwd | geverfd | 1 |
| 43 | En | Een | 1 |
| 43 | [Niet in bron] | ( | 1 |
| 43 | [Niet in bron] | ) | 1 |
| 45 | gesteen | gesteun | 1 |
| 54 | Pembekal | Pembekel | 1 |
| 57 | ’ | ” | 1 |
| 57, 144, 170, 176, 138, 230, 241, 318 | [Niet in bron] | ” | 1 |
| 70 | Schilkeisen | Schlickeisen | 2 |
| 91, 155, 314 | , | [Verwijderd] | 1 |
| 92 | jou | jouw | 1 |
| 103 | slimmert | slimmerd | 1 |
| 108 | krabjes | krapjes | 1 |
| 118 | Poetjeng | Poetjieng | 1 |
| 125 | . | ? | 1 |
| 129 | muskietenvestje | muskieten-vestje | 1 |
| 137 | spekuleeren | speculeeren | 1 |
| 141 | djoekongs | djoekoengs | 1 |
| 148 | toon | teen | 2 |
| 148 | l | lā | 1 |
| 150 | Kajahanstreken | Kahajanstreken | 2 |
| 153 | veai | oeai | 1 |
| 154 | Kapoens | Kapoeas | 1 |
| 157 | negerij | negorij | 1 |
| 162 | XI | IX | 2 |
| 166 | ”? | ?” | 2 |
| 170 | we zijn | zijn we | 6 |
| 173 | toewak | toeak | 1 |
| 184 | djoekong’s | djoekoeng’s | 1 |
| 205 | Mentangei | Mantangei | 1 |
| 205 | Menkatip | Mengkatip | 1 |
| 211 | djoekong | djoekoeng | 1 |
| 226 | huwelije | huwelijk | 1 |
| 226 | ” | [Verwijderd] | 1 |
| 227, 317, 321, 329, 68, 148, 230, 320, 374, 381 | [Niet in bron] | „ | 1 |
| 231 | Cueile | Cueille | 1 |
| 245 | tangirangs | tanggirangs | 1 |
| 249 | Doessoen | Doesson | 1 |
| 259, 272 | tanggirang’s | tanggirangs | 1 |
| 265, 265 | Haramaoung | Harimaoung | 1 |
| 269 | kortgeleden | kort geleden | 1 |
| 277 | Poetjing | Poetjieng | 1 |
| 286 | boschprodukten | boschproducten | 1 |
| 297 | bovenKapoeas | boven-Kapoeas | 1 |
| 299 | Ybiang | Ybang | 1 |
| 308 | ? | . | 1 |
| 333 | doodvonnis | doodsvonnis | 1 |
| 334 | maudauws | mandauws | 1 |
| 339 | [Niet in bron] | : | 1 |
| 7 | Poenan-hoofd | Poenanhoofd | 1 |
| 59 | ”, | ,” | 2 |
| 65 | bezettting | bezetting | 1 |
| 81 | niets | niet | 1 |
| 82 | Pangawar | Pengawar | 1 |
| 107 | rantep’s | rantèp’s | 1 / 0 |
| 108, 110 | rantep | rantèp | 1 / 0 |
| 128 | al al | al | 3 |
| 132 | Samboeng | Sambong | 1 |
| 133 | [Niet in bron] | der | 4 |
| 144 | Doessounsch | Doessonsch | 1 |
| 157 | krasa | krassa | 1 |
| 182, 188, 258, 287 | flottille | flotille | 1 |
| 188 | Boehis | Boehies | 1 |
| 192 | Europanen | Europeanen | 1 |
| 210 | doodvijanden | doodsvijanden | 1 |
| 216 | [Niet in bron] | - | 1 |
| 220 | ontzachelijken | ontzaglijken | 3 |
| 224 | lēēeē | lēēēē | 1 / 0 |
| 226, 240 | Mahiak | Hamiak | 2 |
| 228 | Mahiakkers | Hamiakkers | 2 |
| 251 | takekak | takakak | 1 |
| 291 | rijën | rijen | 1 / 0 |
| 292 | patient | patiënt | 1 / 0 |
| 292 | onverdragelijke | onverdraaglijke | 2 |
| 293 | flotilje | flotille | 1 |
| 294 | flottilje | flotille | 2 |
| 295 | neerwreef | neer wreef | 1 |
| 297 | finantiëele | financiëele | 1 |
| 304, 304 | KG. | K.G. | 1 |
| 326 | drole | drôle | 1 / 0 |
| 335 | ongeveeer | ongeveer | 1 |
| 336 | produkt | product | 1 |
| 337 | plekzoo | plek zoo | 1 |
| 342 | zij | zijn | 1 |
| 350 | Benie | Bénie | 1 / 0 |
| 354 | Fireflij | Firefly | 2 |
| 372 | rotsbokken | rotsblokken | 1 |
| 374, 374 | etnografische | ethnografische | 1 |
| 375 | etnografischen | ethnografischen | 1 |
| 376 | Sienjoes | Sienjoe’s | 1 |
| 377 | etheografischen | ethnografischen | 1 |
| 378 | wreedrardig | wreedaardig | 1 |
| 379 | practijken | praktijken | 1 |
| 382 | cathegorie | categorie | 1 |
| 382 | Staats-Couraut | Staats-Courant | 1 |
| 383 | tuschthuis | tuchthuis | 1 |
| 384 | Indie | Indië | 1 / 0 |
Afkortingen
Overzicht van gebruikte afkortingen.
| Afkorting | Uitgeschreven |
|---|---|
| b.v. | bijvoorbeeld |
| c.m. | centimeter |
| c.M. | centimeter |
| d.m. | decimeter |
| d.M. | decimeter |
| d.w.z. | dat wil zeggen |
| H.G. | hectogram |
| H.H. | heeren |
| K.G. | kilogram |
| M.… | Merde |
| m.m. | millimeter |
| N.I. | Nederlandsch-Indië |
| o.a. | onder andere |
| O.L. | oosterlengte |
| w.g. | was geteekend |
| Z.B. | zuiderbreedte |
| z.br. | zuiderbreedte |