The Project Gutenberg eBook of Carmen
Title: Carmen
Author: Prosper Mérimée
Translator: Jacob de Jong
Release date: December 13, 2010 [eBook #34643]
Language: Dutch
Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net
Opmerkingen van de bewerker
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.
Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.
Dit boek is ook in de engelse vertaling als e-boek beschikbaar via Project Gutenberg (e-boek no. 2465).
Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.
WERELD-BIBLIOTHEEK
Onder leiding van L. Simons.
BOEKEN ZIJN DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN.
UITGEGEVEN DOOR:
DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN
GOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM
De eene in het bruidsvertrek, de andere in het graf.
I.
Ik had altijd vermoed, dat de geografen niet weten wat zij zeggen wanneer zij het slagveld van Munda een plaats aanwijzen in het land der Bastuli-Poeni, bij het moderne Monda, ongeveer twee mijl ten noorden van Marbella. Naar mijn eigen conjecturen op den tekst van den anoniemen schrijver van Bellum Hispaniense, en sommige inlichtingen opgedaan in de voortreffelijke bibliotheek van den hertog van Ossuna, meende ik in den omtrek van Montilla de gedenkwaardige plaats te moeten zoeken, waar Caesar, voor de laatste maal, alles op éen kaart zette tegen de aanhangers van de republiek. Toen ik mij in het begin van den herfst van 1830 in Andalusië bevond, maakte ik een vrij lange excursie om den twijfel die nog bij mij bestond op te helderen. Een verhandeling, eerlang door mij uit te geven, zal, naar ik hoop, geen onzekerheid meer laten bij alle archaeologen die te goeder trouw zijn. In afwachting dat daardoor het aardrijkskundig probleem zal worden opgelost dat geheel geleerd Euroop' in spanning houdt, wil ik u een korte geschiedenis vertellen: zij staat geheel buiten de interessante quaestie van de ligging van Munda.
Ik had te Cordova een gids en twee paarden gehuurd en was er op uit getrokken met Caesar's Commentaren en een paar hemden als eenige bagage. Op zekeren dag dwalend in het hoogere gedeelte van de vlakte van Cachena, uitgeput van vermoeidheid, versmachtend van den dorst, geblakerd door een looden zon, verwenschte ik hartgrondig Caesar en de zonen van Pompejus, toen ik, vrij ver van het pad dat ik volgde, een kleine groene plek gewaar werd, hier en daar met biezen en riet. Dat wees op de nabijheid van een beek. Inderdaad, toen ik naderbij kwam, zag ik dat hetgeen een grasveldje leek, een stuk moerasland was, waarin een beek uitliep, die, naar het scheen, kwam uit een engte tusschen twee hooge rotsen van de Sierra de Cabra. Ik maakte hieruit de gevolgtrekking, dat ik een beetje verderop frisscher water zou vinden, minder bloedzuigers en kikkers, en misschien een beetje schaduw te midden der rotsen. Aan den ingang der engte begon mijn paard te hinniken en een ander paard, voor mij onzichtbaar, beantwoordde dat aanstonds. Ik had nauwelijks honderd schreden gedaan, of de engte verbreedde zich eensklaps en ik zag een soort van natuurlijk circus, volkomen beschaduwd door de hoogte der omringende steile hellingen. Onmogelijk een plek te vinden die den reiziger een aangenamer pleisterplaats beloofde. Aan den voet van loodrechte rotsen snelde de beek bruisend voort en stortte zich in 'n kleinen vijver met sneeuwwit zand op den bodem. Vijf of zes mooie groene eiken, steeds tegen den wind beschut en door het water verfrischt, rezen aan de oevers op en wierpen er hun dichte schaduw over; en zacht, glanzend gras beloofde een beter bed, dan men in eenige herberg op tien mijlen in den omtrek had kunnen vinden.
Niet aan mij kwam de eer toe zulk een mooie plek te hebben ontdekt. Toen ik daar kwam, lag er reeds een man te rusten en vermoedelijk sliep hij. Gewekt door het gehinnik, was hij opgestaan en zijn paard genaderd, dat van den slaap van zijn meester gebruik had gemaakt om zich te goed te doen aan het gras in de nabijheid. Het was een jonge man, van middelbare lengte maar die er stevig uitzag, met een somberen, trotschen blik. Zijn gelaatskleur was misschien mooi geweest, maar door de zon donkerder geworden dan zijn haren. In de eene hand hield hij den halster van zijn paard, in de andere 'n koperen karabijn*). Ik wil wel bekennen, dat dit vuurwapen en het woest voorkomen van hem die het droeg mij aanvankelijk een beetje deden ontstellen; maar ik geloofde niet meer aan roovers, omdat ik er altijd van had hooren spreken en er nooit een ontmoet had. Bovendien had ik zoovele eerzame pachters zich tot de tanden zien wapenen om naar de markt te gaan, dat het zien van een vuurwapen mij geen recht gaf aan het fatsoen van den onbekende te twijfelen. Bovendien, zeide ik bij me zelf, wat zou hij hebben aan mijn hemden en mijn Elzevier-uitgave der Commentaren? Ik knikte dus den man met het vuurwapen gemeenzaam toe en vroeg hem glimlachend of ik hem in zijn slaap had gestoord. Zonder te antwoorden nam hij mij van top tot teen op; toen, als scheen hij voldaan met zijn onderzoek, bekeek hij even aandachtig mijn gids, die naderbij kwam. Ik zag dezen verbleeken en staan blijven, blijkbaar was hij verschrikt. Een ongewenschte ontmoeting, dacht ik. Voorzichtigheid echter ried mij aanstonds geen ongerustheid te toonen. Ik steeg van mijn paard, gelastte den gids af te tuigen en, aan den rand van den vijver knielend, dompelde ik hoofd en handen daarin; toen dronk ik een fiksche teug, plat op mijn buik liggend evenals de slechte soldaten van Gideon.
Maar inmiddels hield ik mijn gids en den onbekende in het oog. Eerstgenoemde kwam zeer schoorvoetend nader, de ander scheen niets kwaads in den zin tegen ons te hebben, want hij had zijn paard weer vrij gelaten en het vuurwapen, dat hij eerst horizontaal had gehouden, was nu naar den grond gericht.
Daar ik niet meende mij te moeten ergeren over de weinige attentie mij betoond, ging ik op het gras liggen en ik vroeg op ongedwongen toon den man met het geweer of hij niet een tondeldoos bij zich had. Tegelijkertijd bracht ik mijn sigarenkoker te voorschijn. Nog altijd zonder te spreken, tastte de onbekende in zijn zak, nam zijn tondeldoos en haastte zich vuur voor mij te maken. Blijkbaar werd hij toeschietelijker, want hij ging tegenover mij zitten, zonder evenwel zijn wapen weg te leggen. Toen mijn sigaar was aangestoken, koos ik de beste van de mij nog overblijvende sigaren en vroeg hem of hij rookte.
—Ja, mijnheer, antwoordde hij. Dat waren de eerste woorden die hij deed hooren en ik merkte op, dat hij de s niet op zijn andalusisch uitsprak*), waaruit ik opmaakte, dat hij een reiziger was evenals ik, maar minder archaeoloog.
—Deze zal u zeker wel bevallen, zeide ik, hem een echte regalia van Havana aanbiedend.
Hij maakte een lichte buiging met het hoofd, stak zijn sigaar aan de mijne aan, bedankte mij andermaal met een knik, en begon toen te rooken, blijkbaar met groot genot.
—Ha! riep hij, terwijl hij de eerste rookwolk langzaam door mond en neus liet glijden, wat is het lang geleden, dat ik rookte!
In Spanje legt het geven en aannemen van een sigaar een band van gastvrijheid, zooals in het Oosten het deelen van brood en zout. De onbekende bleek spraakzamer dan ik had gehoopt. Voor het overige scheen hij, hoewel hij zeide te wonen in het district Montilla, de streek vrij slecht te kennen. Hij kende den naam niet van het bekoorlijke dal waarin wij ons bevonden; hij kon geen naam noemen van een der dorpen in den omtrek, en toen ik hem ten slotte vroeg of hij niet in de buurt verwoeste muren, groote gebogen dakpannen, gebeeldhouwde steenen had gezien, bekende hij nooit op zulke dingen te hebben gelet. Daarentegen toonde hij zich ervaren op het stuk van paarden. Hij critiseerde het mijne, wat niet moeilijk was, en vertelde toen de afstamming van het zijne, dat uit de beroemde stoeterij van Cordova kwam: inderdaad een nobel beest, zoo onvermoeid, volgens het zeggen van zijn meester, dat hij eens dertig mijlen op één dag had afgelegd, in galop of in sterken draf. Midden in zijn verhaal bleef de onbekende plotseling steken, als verbaasd en geërgerd dat hij zich had verpraat.
—Ziet u, ik had veel haast te Cordova te komen, hernam hij een beetje verlegen. Ik moest de rechters voor een proces bewerken.... Onder het spreken keek hij naar mijn gids Antonio, die de oogen neersloeg.
De schaduw en de beek deden mij zoo aangenaam aan, dat ik mij herinnerde, dat mijn vrienden van Montilla in den knapzak van mijn gids eenige sneden voortreffelijke ham hadden meegegeven. Ik liet die brengen en noodigde den vreemdeling mee te doen aan het haastig aangelegde maal. Zoo hij sinds lang niet had gerookt, het leek wel, alsof hij in minstens acht en veertig uren niets had gebruikt. Hij at haastig als een uitgehongerde wolf. Ik dacht, dat de voorzienigheid den armen drommel had willen helpen door mij op zijn weg te brengen. Mijn gids intusschen at weinig, dronk nog minder en praatte heelemaal niet, hoewel hij zich van het begin van onze reis af had doen kennen als een babbelkous van den eersten rang. De aanwezigheid van den gast scheen hem te drukken en een zeker wantrouwen scheidde hen van elkander, zonder dat ik met stelligheid de reden kon gissen.
Reeds was het laatste van het brood en de ham verdwenen; wij hadden elk een tweede sigaar gerookt; ik gelastte den gids onze paarden te zadelen en ik wilde van mijn nieuwen kennis afscheid nemen, toen hij mij vroeg waar ik dacht den nacht door te brengen.
Nog vóor ik een teeken van mijn gids had opgemerkt, had ik geantwoord, dat ik naar de herberg del Cuervo ging.
—Een slecht verblijf voor iemand als u, meneer..... Ik ga er heen en als u het mij veroorlooft zullen wij samen gaan.
—Zeer gaarne, zeide ik te paard stijgend. Mijn gids, die den stijgbeugel vast hield, gaf mij opnieuw een teeken met de oogen. Ik antwoordde met een schouderophalen, als om hem te verzekeren, dat ik volkomen gerust was en wij begaven ons op weg.
Antonio's geheimzinnige teekenen, zijn ongerustheid, sommige woorden die den onbekende waren ontvallen, zijn rit van dertig mijlen vooral en de weinig aannemelijke verklaring die hij daarvan had gegeven, hadden mijn meening omtrent mijn reisgenoot reeds gevestigd. Ik twijfelde er niet aan, dat ik te doen had met een smokkelaar, misschien wel een dief; wat kon 't mij schelen? Ik kende het Spaansche karakter genoeg om er volkomen zeker van te zijn, dat ik niets te vreezen had van een man, die met mij had gerookt en gegeten. Zijn tegenwoordigheid was zelfs een stellige bescherming tegen iedere slechte ontmoeting. Bovendien vond ik het heel prettig te weten wat een roover is. Men ziet dien niet dagelijks en er is een zekere bekoring in de nabijheid te zijn van een gevaarlijk wezen, vooral als men merkt dat hij zacht en getemd is.
Ik hoopte mijn onbekende gaandeweg tot vertrouwelijke mededeelingen te brengen, en, ondanks de knipoogen van mijn gids, bracht ik het gesprek op struikroovers. Er was destijds in Andalusië een berucht bandiet José-Maria, van wiens bedrijven iedereen den mond vol had.—Als ik eens José-Maria naast mij had? zeide ik bij mezelf.... Ik vertelde de verhalen die ik van dezen held kende, trouwens alle tot zijn lof, en gaf luide mijn bewondering te kennen voor zijn dapperheid en edelmoedigheid.
—José-Maria is maar een schavuit, zeide de vreemdeling koeltjes.
—Laat hij zichzelf recht wedervaren, of is het overmaat van bescheidenheid van zijn kant? vroeg ik mijzelf af; want door mijn metgezel goed op te nemen, was ik er toe gekomen op hem het signalement van José-Maria toe te passen, dat ik had gelezen op aanplakbiljetten aan de poorten van menige stad in Andalusië.—Ja, zeker, hij is het... Blond haar, blauwe oogen, groote mond, mooie tanden, kleine handen; een fijn hemd, een fluweel wambuis met zilveren knoopen, witleeren slobkousen, een bruin paard.... Er viel niet meer aan te twijfelen. Maar laat ons zijn incognito eerbiedigen.
Wij kwamen in de herberg aan. Zij was zooals hij die mij had beschreven, d. w. z. een van de armoedigste die ik nog had aangetroffen. Een groot vertrek diende tot keuken, tot eetzaal en tot slaapkamer. Op een platten steen brandde een vuur midden in de kamer en de rook ging door een gat, in het dak aangebracht; of liever hij bleef hangen, een wolk vormend eenige voeten boven den grond. Langs de muren zag men vijf of zes oude dekken van muilezels op den grond liggen: dat waren de bedden voor de reizigers. Op twintig pas van het huis of liever van het eenige vertrek dat ik zooeven beschreef, stond een soort schuur, die tot stal diende. In dit bekoorlijk verblijf waren geen andere menschelijke wezens, althans voor het oogenblik, dan een oude vrouw en een klein meisje van tien tot twaalf jaar, beiden roetkleurig en in afschuwelijke lompen gekleed.—Ziedaar alles wat over is, zeide ik tot mezelf, van de bevolking van het oude Munda Bœtica! O, Caesar! O, Sextus Pompejus! hoe verbaasd zoudt ge zijn als gij weer op de wereld kwaamt!
Toen de oude vrouw mijn metgezel zag, liet zij zich een uitroep van verbazing ontvallen.
—Ha, senor don José! riep zij uit.
Don José fronste het voorhoofd en hief met een gebaar van gezag de hand op, wat de oude onmiddellijk tot zwijgen bracht. Ik keerde mij tot mijn gids en bracht hem met een onmerkbaar teeken aan het verstand, dat hij mij niets behoefde te vertellen over den man, met wien ik den nacht zou doorbrengen. Het avondeten was beter dan ik had verwacht. Op een kleine tafel, een voet hoog, zette men ons een ouden haan voor, met rijst en veel specerijen gestoofd, vervolgens Spaansche peper met olie toebereid, en ten slotte een gekruide sla: gaspacho. Drie aldus gekruide gerechten noodzaakten ons vaak te grijpen naar een leeren zak met Montilla-wijn, die heerlijk bleek te zijn. Na te hebben gegeten, een mandoline ziende, die aan den muur hing—men vindt in Spanje overal mandolines—vroeg ik het kleine meisje, dat ons bediende, of zij er op kon spelen.
—Neen, antwoordde zij; maar don José speelt er zoo mooi op!
—Wees zoo goed, zeide ik tot hem, mij iets voor te zingen; ik ben verzot op uw nationale muziek.
—Ik kan niets weigeren aan een zoo beleefd heer, die mij zulke heerlijke sigaren geeft, riep don José goedgeluimd uit; hij liet zich de mandoline brengen en begon te zingen, zich zelf begeleidend. Zijn stem was grof maar toch aangenaam, wat hij zong melancholiek en vreemd; wat den tekst aangaat, ik begreep er geen woord van.
—Als ik mij niet vergis, zeide ik hem, is het geen Spaansche wijs, die u daar gezongen hebt. Ze lijkt op de zorzicos,*) die ik heb gehoord in de Provincies*), en de tekst moet Baskisch zijn.
—Ja, antwoordde don José somber. Hij legde de mandoline neer en met de armen over elkaar, begon hij naar het uitdoovend vuur te kijken, met een wonderlijke uitdrukking van treurigheid op het gelaat, dat, beschenen door een lamp op de kleine tafel gezet, nobel en woest tegelijk, mij deed denken aan den Satan van Milton. Misschien dacht mijn metgezel evenals deze aan het verblijf, dat hij had verlaten, aan de ballingschap het gevolg van een misstap. Ik trachtte het gesprek weer aan den gang te brengen, maar verdiept als hij was in zijn treurige gedachten, antwoordde hij niet. De oude had zich reeds ter ruste begeven in een hoek van het vertrek, afgeschoten door een deken met gaten, die over een touw gespannen was. Het kleine meisje was haar gevolgd in deze voor de schoone sekse bestemde wijkplaats. Mijn gids stond nu op en verzocht mij hem naar den stal te volgen; maar dit hoorend, vroeg don José als iemand die wakker is geschrikt, hem norsch waar hij heen ging.
—Naar den stal, antwoordde de gids.
—Waartoe? De paarden hebben voeder. Slaap hier, meneer zal dat wel goed vinden.
—Ik vrees dat het paard van meneer ziek is; ik zou wel willen dat meneer het zag; misschien weet hij, wat er aan gedaan moet worden.
Blijkbaar wilde Antonio mij onder vier oogen spreken; maar ik had niet veel lust bij don José argwaan te wekken, en zooals de zaken tusschen ons stonden leek het mij het verstandigst het grootst vertrouwen te toonen. Ik zeide dan ook tot Antonio, dat ik heelemaal geen verstand had van paarden en dat ik lust had te slapen. Don José volgde hem naar den stal, waaruit hij weldra alleen terug kwam. Hij zeide mij, dat het paard niets mankeerde, maar dat mijn gids het zulk een kostbaar beest vond, dat hij het met zijn buis wreef om het aan het zweeten te krijgen, en dat hij den nacht met deze aangename bezigheid dacht door te brengen. Ik had mij inmiddels uitgestrekt op de muilezeldekken, na mij met zorg in mijn mantel te hebben gewikkeld om er niet mee in aanraking te komen. Nadat hij mij verschooning had gevraagd voor de vrijheid die hij nam, naast mij te gaan rusten, legde don José zich voor de deur neer; te voren had hij de lont vernieuwd op zijn geweer, dat hij onder den knapzak stak, die hem tot oorkussen diende. Vijf minuten nadat wij elkander goeden nacht hadden gewenscht, waren wij beiden in diepe rust.
Ik meende vermoeid genoeg te zijn om in zulk een verblijf te kunnen slapen; maar na een uur werd ik door zeer onaangename jeukingen uit mijn eersten slaap gewekt. Zoodra ik begreep waarmee ik te doen had, stond ik op, overtuigd dat het beter was het overige van den nacht onder den blooten hemel door te brengen dan onder dit ongastvrij dak. Op mijn teenen loopend, bereikte ik de deur, stapte over de rustplaats van don José, die den slaap des rechtvaardigen sliep, en ik slaagde er in uit het huis te komen, zonder dat hij wakker werd. Bij de deur was een groote houten bank; ik strekte mij daarop uit en richtte mij zoo goed het ging in om den nacht verder door te brengen. Ik was op het punt voor den tweeden keer de oogen te sluiten, toen ik voor mij meende te zien voorbijgaan de schaduw van een man en die van een paard, die beiden liepen zonder het minste gedruisch te maken. Ik ging rechtop zitten en meende Antonio te herkennen. Verbaasd hem op zulk een uur buiten den stal te zien, stond ik op en ging hem tegemoet. Hij was stil blijven staan, daar hij mij aanstonds had opgemerkt.
—Waar is hij? vroeg mij Antonio met zachte stem.
—In de herberg; hij slaapt; hij is niet bang voor luizen. Waarom neem je dit paard mee?
Ik merkte toen, dat om geen gedruisch te maken bij het verlaten van de schuur, Antonio de pooten van het paard zorgvuldig met stukken van een oud dek had omwikkeld.
—Spreek zachter, zeide Antonio, in 's hemelsnaam. U weet niet wie die man is. Het is José Navarro, de bekendste bandiet van Andalusië. Den heelen dag gaf ik u teekens, die u niet wilde begrijpen.
—Bandiet of niet, wat doet het er toe? antwoordde ik. Hij heeft ons niet bestolen en ik wil wedden dat hij daaraan niet denkt.
—Dat kan wel; maar er zijn tweehonderd dukaten uitgeloofd voor hem die den man aangeeft. Ik weet dat er een wachtpost is anderhalve mijl van hier, en vóor het dag is, zal ik eenige flinke kerels meebrengen. Ik zou zijn paard wel hebben genomen, maar dat is zoo lastig, dat alleen Navarro het naderen kan.
—De duivel hale je! zeide ik. Wat voor kwaad heeft die arme kerel je gedaan, om hem aan te geven? En dan, ben je wel zeker, dat hij de roover is, van wien je spreekt?
—Volkomen zeker; straks was hij mij in den stal gevolgd en toen zei hij: „Je schijnt mij te kennen; als je dien goejen heer zegt wie ik ben, jaag ik je een kogel door het hoofd.” Blijft u bij hem, meneer; u heeft niets te vreezen. Zoolang hij weet dat u er is, zal hij geen wantrouwen koesteren.
Al sprekend waren wij al zoo ver van de herberg gekomen, dat men de hoefslagen van het paard niet had kunnen hooren. Antonio had in een oogwenk de pooten uit de vodden losgewikkeld; hij maakte zich gereed op te stijgen. Ik trachtte hem tegen te houden met verzoeken en bedreigingen.
—Ik ben een arme drommel, meneer, zeide hij; tweehonderd dukaten zijn niet te versmaden, vooral wanneer het geldt het land van zulk gespuis te bevrijden. Maar wees op uw hoede; als Navarro wakker wordt zal hij naar zijn wapen grijpen en pas dan op! Ik ben te ver gegaan om terug te keeren, u moet maar zien wat u doet.
De rekel was in het zadel, hij gaf zijn paard de sporen en weldra had ik hem in de duisternis uit het oog verloren.
Ik was zeer boos op mijn gids en tamelijk bezorgd. Na een oogenblik te hebben nagedacht, nam ik een besluit en ging terug naar de herberg. Don José sliep nog, zeker aldus bekomend van de vermoeienissen en nachtwaken van verscheidene gevaarvolle etmalen. Ik was genoodzaakt hem met kracht te schudden om hem wakker te krijgen. Nooit zal ik zijn woesten blik vergeten en de beweging die hij maakte om naar zijn wapen te grijpen, dat ik, bij wijze van voorzorg, op eenigen afstand van zijn rustplaats had gelegd.
—Meneer, zeide ik, ik vraag u verschooning, dat ik u wakker maakte; maar ik heb u een dwaze vraag te doen: Zoudt u het heel prettig vinden als een half dozijn lansiers hier kwamen?
Hij sprong op en vroeg met een geweldige stem:
—Wie heeft u dat gezegd?
—Het doet er weinig toe van wien de waarschuwing komt, als ze maar goed is.
—Uw gids heeft mij verraden. Ik zal het hem betaald zetten. Waar is hij?
—Dat weet ik niet.... Ik denk in den stal.... maar iemand heeft mij gezegd....
—Wie heeft u gezegd?.... Het kan niet de oude vrouw zijn....
—Iemand dien ik niet ken.... Maar genoeg gepraat: heeft u al dan niet redenen om de soldaten liever niet af te wachten? Zoo ja, verlies dan geen tijd; zoo neen, dan goeden nacht en neem het mij niet kwalijk u in uw slaap te hebben gestoord.
—O, die gids van u, die gids van u! Ik had hem al dadelijk niet vertrouwd.... maar.... ik zal hem wel krijgen!.... Vaarwel, meneer, God vergelde u den dienst dien u mij bewijst. Ik ben niet zoo slecht als waarvoor u me houdt.... ja, er is nog iets in mij dat het medelijden van een fatsoenlijk man verdient..... Vaarwel, meneer,.... het spijt me maar, dat ik het u niet kan vergelden.
—Beloof mij, don José, als belooning voor den dienst dien ik u bewezen heb, niemand te verdenken en niet op wraak te zinnen. Ziehier sigaren voor onderweg; goede reis! En ik reikte hem de hand.
Hij drukte die zonder te antwoorden, nam wapen en knapzak en na in een taaltje dat ik niet kon verstaan eenige woorden tot de oude vrouw te hebben gesproken, liep hij naar de schuur. Eenige oogenblikken later hoorde ik hem buiten galoppeeren.
Wat mij aangaat, ik ging weer op mijn bank liggen, maar ik sliep niet weer in. Ik vroeg mijzelf af, of ik wel had gedaan met een dief, misschien wel een moordenaar van de galg te redden, en alleen omdat ik ham en rijst „à la valencienne” met hem had gegeten. Had ik niet mijn gids verraden die voor de wet opkwam, had ik hem niet blootgesteld aan de wraak van een booswicht? Maar de plichten der gastvrijheid!.... Vooroordeel van een wilde, zeide ik tot mezelf; ik zal de verantwoording dragen voor alle misdrijven die de bandiet zal begaan.... Maar is 't wel een vooroordeel, dat instinct van het geweten, dat met alle redeneering spot? Misschien was de moeilijke toestand waarin ik mij bevond wel een, waaruit ik me niet zonder wroeging kon redden. Nog verkeerde ik in de grootste onzekerheid aangaande het rechtmatige van hetgeen ik had gedaan, toen ik een half dozijn ruiters zag verschijnen met Antonio, die zich voorzichtig op den achtergrond hield. Ik ging hun tegemoet en verwittigde hen, dat de bandiet al meer dan twee uur op de vlucht was gegaan. De oude vrouw antwoordde op de vragen van den brigadier, dat zij Navarro kende, maar dat zij, alleen wonend, nooit haar leven had durven wagen door hem aan te geven. Zij voegde er bij, dat, als hij bij haar kwam, het zijn gewoonte was midden in den nacht te vertrekken. Wat mij betreft, ik moest eenige mijlen verder mijn pas laten zien en een verklaring teekenen voor een schout, waarna men mij toestond mijn archaeologische nasporingen voort te zetten. Antonio bleef mokken tegen me; hij verdacht mij hem te hebben belet de tweehonderd dukaten op te strijken. We gingen intusschen te Cordova in goede verstandhouding van elkaar; daar gaf ik hem een fooi zoo groot als de staat mijner financiën het maar toeliet.
.. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
II.
Ik bracht eenige dagen te Cordova door. Men had mij gewezen op een manuscript in de bibliotheek der Dominikaners, waarin ik belangwekkende inlichtingen zou vinden over het oude Munda. Zeer heusch ontvangen door de goede paters, bracht ik de dagen in hun klooster door en 's avonds wandelde ik door de stad. Tegen zonsondergang zijn er te Cordova tal van leegloopers op de kade langs den rechteroever der Guadalquivir. Daar ademt men de geuren in, opstijgend uit een looierij, die de oude faam van de streek voor leerbereiding ophoudt; daarentegen geniet men er een schouwspel, dat stellig niet zonder waarde is. Eenige minuten vóór het angelus komt een groot aantal vrouwen bijeen aan den oever der rivier onder aan de kade, die vrij hoog is. Geen man zou het wagen zich bij haar te voegen. Zoodra het angelus klinkt, wordt het geacht avond te zijn. Bij den laatsten klokslag ontkleeden zich al die vrouwen en gaan zij te water. Dan is 't een geschreeuw, een gelach, een helsch lawaai. Boven, van de kade kijken de mannen naar de badenden, zetten groote oogen op en zien niet veel. Intusschen brengen die blanke, onbestemde vormen, afstekend tegen het donkerblauw van den stroom, de poëtische gemoederen aan het werken, en met een beetje verbeelding is het niet moeilijk zich Diana en haar nimfen badend voor te stellen, zonder dat men het lot van Acteon behoeft te duchten. Men heeft mij verteld, dat eenige ondeugende rakkers op zekeren dag overeenkwamen den klokkeluider van de Kathedraal om te koopen, zoodat hij het angelus twintig minuten vóor den wettigen tijd liet slaan. Hoewel het nog klaar dag was aarzelden de nimfen van de Guadalquivir niet, en meer vertrouwende op het angelus dan op de zon, maakten zij in alle gerustheid haar bad-toilet dat altijd hoogst eenvoudig is. Ik was daar niet bij. In mijn tijd was de klokkenluider onomkoopbaar, de schemering weinig licht en een kat alleen zou de oudste koopvrouw in sinaasappels hebben kunnen onderscheiden van de mooiste grisette van Cordova.
Op zekeren avond, op een uur dat men niets meer ziet, rookte ik geleund tegen de borstwering van de kade, toen een vrouw, de trap die naar de rivier leidt opkomend, dicht bij mij kwam zitten. Zij had een grooten ruiker jasmijnen in het haar, waarvan de bloembladen 's avonds een bedwelmenden geur verspreiden. Zij was eenvoudig, ja bijna armoedig gekleed, heelemaal in het zwart, zooals de meeste grisettes des avonds. De fatsoenlijke vrouwen dragen alleen 's morgens zwart, 's avonds kleeden zij zich à la francesa. Toen zij bij mij kwam, liet mijn baadster de mantille die haar hoofd bedekte op haar schouders glijden en à l'obscure clarté qui tombe des étoiles,*) zag ik, dat zij klein was, jong, welgemaakt en dat zij zeer groote oogen had. Ik wierp dadelijk mijn sigaar weg. Zij begreep deze echt Fransche beleefdheid en haastte zich mij te zeggen, dat zij veel hield van den reuk van tabak en dat zij zelfs rookte, wanneer zij heel zachte papelitos kon vinden. Bij geluk had ik die in mijn koker en ik haastte mij haar die aan te bieden. Zij verwaardigde zich er een te nemen en stak die met een stuk brandend touw aan, dat een kind ons voor een stuiver bracht. Terwijl onze rookwolken zich vermengden, praatten wij zóo lang, de schoone baadster en ik, dat wij nagenoeg alleen bleven op de kade. Ik meende niet opdringerig te zijn met haar aan te bieden ijs te gaan gebruiken in de neveria*). Na een lichte aarzeling nam zij aan; maar alvorens een besluit te nemen, wenschte zij te weten hoe laat het was. Ik liet mijn horloge slaan en dat scheen haar zeer te verbazen.
—Wat vindt men niet al uit bij u, heeren vreemdelingen! Van welk land is u, meneer? U is zeker een Engelschman?*)
—Franschman en uw onderdanige dienaar. En u mademoiselle of madame, u is zeker van Cordova?
—Neen.
—U is toch een Andalusische. Aan uw zachte spraak zou ik dat zoo zeggen.
—Indien u zoo goed let op het accent, moet u wel raden wat ik ben.
—U is, denk ik, van het land van Jezus, op twee pas van het paradijs.
(Ik had deze overdrachtelijke uitdrukking, waarmede Andalusië bedoeld is, geleerd van mijn vriend Francisco Sevilla, een welbekend picador.)
—Kom, kom! Het paradijs.... de menschen hier zeggen, dat het voor ons niet bestaat.
—Maar dan zoudt u een Moorsche zijn, of.... ik bleef steken, niet durvend zeggen jodin.
—Kom, kom, u ziet wel dat ik een zigeunerin ben; zal ik u la baji*) zeggen? Heeft u wel eens hooren spreken van la Carmencita? Die ben ik.
Ik was destijds zulk een onverlaat, dat is vijftien jaar geleden, dat ik niet van schrik terugdeinsde omdat een tooveres naast mij zat.—Komaan! zeide ik bij mezelf: verleden week soupeerde ik met een struikroover, laat ons nu ijs gaan gebruiken met een dienares van den duivel. Op reis moet men alles zien. Ik had nog een andere beweegreden om deze kennismaking voort te zetten. Toen ik van de hoogeschool kwam, ik beken het tot mijn schande, had ik eenigen tijd zoek gemaakt met de studie der geheime wetenschappen en ik had zelfs meermalen beproefd den geest der duisternis op te roepen. Sedert lang genezen van den lust in dergelijke nasporingen, was er bij mij niettemin een zekere nieuwsgierigheidsattractie overgebleven voor alle bijgeloof, en ik maakte er mij een feest van te weten te komen hoever de tooverkunst het gebracht had onder de zigeuners.
Al pratend waren wij de neveria binnengegaan en we zetten ons aan een kleine tafel, verlicht door een kandelaar, die in een glazen ballon stak. Ik had toen al den tijd mijn gitana op te nemen, terwijl eenige brave menschen zich, onder het gebruiken van hun ijs, verbaasden, mij in zulk goed gezelschap te zien.
Ik betwijfel sterk of mademoiselle Carmen van zuiver ras was; zij was althans oneindig mooier dan alle vrouwen van haar natie, die ik ooit heb ontmoet. Opdat een vrouw schoon zij, zeggen de Spanjaarden, moet zij dertig als in zich vereenigen, of, zoo men wil, moet men haar kunnen beschrijven door tien bijvoegelijke naamwoorden voor telkens drie deelen van haar persoon. Bijv. drie dingen aan haar moeten zwart zijn: oogen, wenkbrauwen, oogharen; drie fijn: vingers, lippen, haren, enz. Zie Brantôme over de rest. Mijn zigeunerin kon niet bogen op zooveel volmaaktheden. Haar huid, wel is waar volkomen glad, was bijkans koperkleurig. Haar oogen waren schuin, maar mooi en groot; de lippen een beetje dik, maar wel besneden, lieten tanden zien witter dan gepelde amandelen; de haren, een beetje grof misschien, waren zwart met blauwen weerschijn als de vleugels van een raaf, lang en glanzig. Om u niet met een al te uitvoerige beschrijving te vermoeien, zal ik, om kort te gaan, zeggen, dat bij haar tegenover elk gebrek een eigenschap stond, die misschien door het contrast te sterker uitkwam. Het was een vreemde en woeste schoonheid, een gelaat dat aanvankelijk verwondering wekte, maar dat men niet kon vergeten. De oogen vooral hadden een uitdrukking, tegelijk wulpsch en schuw, zooals ik die sedert dien in geen menschelijken blik gevonden heb. Zigeuneroog, wolvenoog: dat is een Spaansch gezegde, dat van scherp opmerken getuigt. Indien ge geen tijd hebt naar den Plantentuin te gaan om den blik van een wolf te bestudeeren, zie dan naar uw kat als hij op een musch loert.
Het zou natuurlijk belachelijk zijn geweest mij in een koffiehuis te laten waarzeggen. Ik vroeg dan ook de mooie tooveres verlof haar naar huis te vergezellen; zij stemde gereedelijk toe, maar wilde nogeens weten, hoe laat het was, en zij vroeg mij nog eens mijn horloge te laten slaan.
Is het heusch van goud? zeide zij, het met bijzondere aandacht bekijkend.
Toen wij weer op weg gingen, was het stikdonkere nacht; de meeste winkels waren gesloten en de straten bijna verlaten. Wij gingen over de brug van de Guadalquivir en aan het eind van de buitenwijk hielden wij stil voor een huis, dat er alles behalve als een paleis uitzag. Een kind deed de deur open. De zigeunerin sprak het eenige woorden toe in een mij onbekende taal, waarvan ik later wist, dat het de rommani of chipe calli, de taal der gitanos was. Onmiddellijk daarop verdween het kind en we bleven achter in een vrij ruime kamer, waarin zich een kleine tafel, twee stoeltjes zonder leuning en een koffer bevonden. Laat ik niet vergeten een waterkruik, een hoop sinaasappels en een bos uien.
Zoodra we alleen waren, haalde de zigeunerin uit den koffer kaarten, die al veel schenen te zijn gebruikt, een magneet, een uitgedroogd kameleon en eenige andere voorwerpen, die ze voor haar kunst noodig had. Toen heette zij mij in mijn linkerhand het teeken van het kruis te maken met een geldstuk en de tooverplechtigheden namen een aanvang. Onnoodig u haar voorspellingen mede te deelen, en wat haar manier van werken aangaat, het was duidelijk dat zij niet ten halve tooveres was.
Jammer genoeg werden we gestoord. Eensklaps werd de deur driftig opengedaan en een man, tot aan de oogen in een bruinen mantel gewikkeld, trad de kamer binnen en sprak de zigeunerin weinig vriendelijk toe. Ik hoorde niet wat hij zeide, maar de toon van zijn stem verried, dat hij erg uit zijn humeur was. Bij zijn aanblik toonde de gitana noch verbazing noch toorn; zij liep hem tegemoet en sprak met buitengewone radheid eenige volzinnen tot hem in dezelfde taal, waarvan zij zich reeds in mijn tegenwoordigheid had bediend. Het eenige woord dat ik begreep, was het vaak herhaalde payllo.
Ik wist, dat de zigeuners aldus ieder man noemen, die vreemd is aan hun ras. Onderstellend dat het mij gold, verwachtte ik een lastige uiteenzetting, reeds had ik de hand gelegd op den voet van een der stoeltjes en ik overlegde met mijzelf om het juiste oogenblik te raden, waarop ik het naar het hoofd van den indringer zou moeten werpen. Deze duwde de zigeunerin ruw van zich weg en kwam op mij af; toen week hij een pas terug en zeide:
—O, meneer, is u het!
Ik keek hem aan en herkende mijn vriend don José. Op dat oogenblik speet het mij een beetje, dat ik hem niet had laten ophangen.
—Wat, zijt gij het, ouwe jongen! riep ik uit, zoo ongedwongen mogelijk lachend; ge hebt mademoiselle gestoord juist toen zij mij uiterst interessante dingen voorspelde.
—Altijd dezelfde! Daar zal 'n eind aan komen, mompelde hij, terwijl hij haar woest aankeek.
Intusschen bleef de zigeunerin hem in haar taal toespreken. Zij werd gaandeweg heftiger. Haar oogen werden met bloed beloopen en dreigend, haar gezicht vertrok, zij stampvoette. Het scheen mij toe, dat zij er sterk op aandrong, dat hij iets zou doen, waar hij tegen opzag. Wat het was, ik meende het maar al te goed te begrijpen terwijl ik haar kleine hand vlug heen en weer zag gaan onder haar kin. Ik was geneigd te gelooven, dat er sprake was van het afsnijden van een keel en ik had een vaag vermoeden, dat die keel de mijne was.
Op dien vloed van welsprekendheid antwoordde Don José slechts met twee of drie woorden, zeer kortaf. De zigeunerin wierp hem daarop een blik toe van diepe minachting; toen ging zij op haar hurken zitten in een hoek van het vertrek, zij nam een sinaasappel, dien ze schilde en begon te eten.
Don José nam mij bij den arm, deed de deur open en bracht mij op straat. Wij liepen in het diepste zwijgen een paar honderd schreden, toen stak hij de hand uit en zeide:
—Nu altijd maar rechtuit, dan komt u aan de brug.
Onmiddellijk daarop keerde hij mij den rug toe en verwijderde zich snel. Een beetje uit het veld geslagen en tamelijk knorrig kwam ik in mijn herberg terug. Het ergste was, dat ik bij het ontkleeden merkte, dat mijn horloge zoek was.
Verschillende overwegingen weerhielden mij er van het den volgenden dag te gaan opeischen, of mijnheer den corregidor*) te verzoeken het te doen opsporen. Ik voltooide mijn werk over het manuscript der Dominikaners en vertrok naar Sevilla.
Na verscheiden maanden in Andalusië te hebben rondgedoold, wilde ik naar Madrid terugkeeren en ik moest de reis maken over Cordova. Ik was niet van plan daar lang te blijven, want ik had het land gekregen aan die mooie stad en de baadsters van de Guadalquivir. Maar ik moest, om eenige vrienden te bezoeken en eenige boodschappen te doen, mij minstens drie of vier dagen in de oude hoofdstad der mohammedaansche vorsten ophouden.
Zoodra ik mij weer vertoonde in het klooster van de Dominikaners, ontving een der paters, die mij steeds groote belangstelling had betoond, mij met open armen en hij riep:
—Geloofd zij de naam des Heeren! Wees welkom, waarde vriend. Wij waanden u allen dood, en ik voor mij heb heel wat paters en aves voor uw zieleheil opgezegd—wat ik niet betreur. Dus u is niet vermoord, want wij weten dat u bestolen is.
—Hoe zoo? vroeg ik hem een beetje verbaasd.
—Och, u weet wel, dat mooie repetitie-horloge dat u in de bibliotheek liet slaan als we u zeiden dat het tijd was naar het koor te gaan. Welnu, het is weergevonden, men zal het u teruggeven.
—Dat wil zeggen, viel ik hem een beetje verlegen in de rede, ik had het verloren....
—De rekel is achter slot, en daar men wist, dat hij de man er naar was een geweer te lossen op een christenmensch om hem een piécette*) af te nemen, waren we doodsbang, dat hij u had gedood. Ik zal met u naar den corregidor gaan en we zullen zorgen dat u uw mooi horloge terug krijgt. Zeg nu nog, als ge weer in uw land zijt, dat de justitie in Spanje haar ambt niet verstaat!
—Ik beken, zeide ik, dat ik liever mijn horloge kwijt zou zijn, dan voor het gerecht te getuigen om een armen drommel te doen ophangen, vooral omdat.... omdat....
—O, wees zonder zorg, hij komt niet meer los en men kan hem niet tweemaal ophangen. Als ik zeg ophangen, dan druk ik me verkeerd uit. Die dief van u is een hidalgo; hij zal dus overmorgen worden geworgd*), zonder genade. U ziet dat een diefstal meer of minder voor hem geen verschil zal maken. Gave God, dat hij alleen gestolen had! maar hij heeft verscheidene moorden gepleegd, de een al vreeselijker dan de andere.
—Hoe heet hij?
—Hij is in het land bekend onder den naam José Navarro; maar hij heeft nog een anderen Baskischen naam, dien u of ik nooit zou kunnen uitspreken. Kijk, het is een man dien het de moeite waard is te zien en u, die gaarne het bijzondere van het land leert kennen, moet niet verzuimen te weten te komen hoe de schurken in Spanje uit deze wereld gaan. Hij is in de bidkapel en pater Martinez zal u er heen brengen.
De Dominikaner drong er zoo op aan, dat ik de toebereidselen zou zien tot de petit pendement pien choli*), dat ik moest toegeven. Ik ging den gevangene bezoeken, voorzien van een pakje sigaren, dat hem, naar ik hoopte, mijn onbescheidenheid zou doen vergeven.
Men bracht mij bij don José, op het oogenblik dat hij zijn maal gebruikte. Hij knikte mij vrij koel met het hoofd toe en bedankte mij beleefd voor het geschenk dat ik hem bracht. Na de sigaren van het pakje, dat ik hem in handen had gegeven, te hebben geteld, nam hij er eenige uit en gaf mij de overige terug, zeggend dat hij niet meer noodig had.
Ik vroeg hem of ik met behulp van een beetje geld, of door den invloed van mijn vrienden, niet eenige verzachting in zijn lot zou kunnen bewerken. Eerst haalde hij de schouders op, droevig glimlachend; toen, zich bezinnend, verzocht hij mij een mis te laten lezen voor het heil van zijn ziel.
—Zoudt u, voegde hij er bedeesd bij, er nog een willen laten lezen voor iemand die u kwaad heeft gedaan?
—Welzeker, mijn waarde, zeide ik; maar voor zoover ik weet heeft niemand mij in dit land kwaad gedaan.
Hij nam mijn hand en drukte die met een ernstig gezicht. Na een oogenblik stilte, hernam hij:
—Zou ik nog een dienst van u mogen vragen?... Wanneer u naar uw land terugkeert, zult u misschien over Navarra gaan: u zult tenminste gaan over Vittoria, dat er niet heel ver van af is.
—Ja, zeide ik, ik zal zeker over Vittoria gaan, maar het is niet onmogelijk dat ik een omweg maak om Pampeluna te zien, en om uwentwil zou ik dien omweg gaarne maken.
—Welnu, als u naar Pampeluna gaat, zult u daar veel zien dat u zal interesseeren.... Het is een mooie stad.... Ik zal u deze medaille geven (hij liet mij een kleine medaille zien die hij om den hals droeg), u zult die in papier wikkelen.... hij zweeg een oogenblik om zijn aandoening meester te worden.... en u zult die ter hand stellen, of doen ter hand stellen aan een vrouwtje wier adres ik u zal geven.—U zult zeggen, dat ik gestorven ben, maar niet hoe.
Ik beloofde zijn boodschap te doen. Ik zag hem den volgenden morgen weer en bracht een deel van den dag bij hem door. Het is uit zijn mond dat ik de volgende treurige avonturen vernam.