WeRead Powered by ReaderPub
Carmen cover

Carmen

Chapter 6: IV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A traveling narrator assembles the confession of a former soldier whose obsessive attraction to a charismatic woman working in a cigarette factory leads him to abandon his prior life and duties. Ensnared by smuggling and violence, he grows increasingly jealous when she favors a celebrated bullfighter, and his jealousy culminates in a fatal act. The narrative unfolds as a compact sequence of episodes, eyewitness testimony, and official papers, tracing the downward path from desire to crime while exploring passion, fatalism, and the social forces that isolate and radicalize its protagonists.

Ik verliet haar en ging in de buurt van den kluizenaar wandelen. Ik vond hem in gebed geknield. Ik wachtte tot dat hij klaar was; ik had wel willen bidden, maar ik kon niet. Toen hij opstond, ging ik tot hem.—Vader, zeide ik, wilt u bidden voor iemand die in groot gevaar verkeert?

—Ik bid voor alle bedrukten, zeide hij.

—Kunt u een mis lezen voor een ziel, die misschien voor haar Schepper zal verschijnen?

—Ja, antwoordde hij mij strak aanziende. En daar er iets vreemds was in mijn blik wilde hij mij uithooren.

—Ik meen u vroeger gezien te hebben, zeide hij.

Ik legde een piaster op zijn bank.—Wanneer leest u de mis? vroeg ik.

—Over een half uur. De zoon van den herbergier van daar ginds zal mij bijstaan. Zeg mij, jonge man, hebt ge niets op het geweten dat u kwelt, wilt ge naar de raadgevingen van een Christen luisteren?

Ik voelde dat de tranen in aantocht waren; ik zeide dat ik zou terugkomen en liep weg. Ik ging op het gras liggen, tot dat ik de klok hoorde. Toen kwam ik nader, maar bleef buiten de kapel. Toen de mis gelezen was, keerde ik naar de herberg terug. Ik hoopte bijna dat Carmen zou zijn ontvlucht, zij had mijn paard kunnen nemen en er mee van door gaan.... maar zij was er nog. Zij wilde niet dat men kon zeggen dat ik haar vrees had aangejaagd. Terwijl ik weg was, had zij den zoom van haar rok losgemaakt om het lood er uit te halen. Zij stond nu voor een tafel en keek in een kom vol water naar het lood, dat zij er in gegooid had en had laten smelten. Zij ging zoo op in haar tooverkunst dat zij eerst mijn terugkomst niet gewaar werd. Nu eens nam zij 'n stuk lood dat zij met een treurig gezicht naar alle kanten keerde, dan weer zong zij een van die tooverliedjes, waarin Maria Padilla, de maîtres van don Pedro, wordt ingeroepen; zij was, zegt men, de Bari Crallisa, of de groote koningin der zigeuners*).

—Carmen, zeide ik, wil je meegaan?

Zij stond op, wierp haar houten nap weg en deed haar mantille over het hoofd ten teeken dat zij bereid was te vertrekken. Men bracht mij mijn paard, zij steeg achter mij op en wij reden weg.

—Je wilt me dus wel volgen, Carmen lief? zeide ik na een poosje.

—Ik volg je in den dood, ja wel, maar ik zal niet meer met je leven.

Wij waren in een eenzame bergengte. Ik liet mijn paard stil houden.—Is het hier? zeide zij en met een sprong was zij van 't paard.—Zij deed haar mantille af, wierp die aan haar voeten en bleef onbeweeglijk, een vuist op de heup, mij strak aanziende.

—Je wilt me dooden, dat zie ik wel, zeide zij; het staat geschreven, maar je zult me niet doen zwichten.

—Ik bid je, zeide ik, wees verstandig. Luister naar me, het verleden is geheel vergeten. Toch weet je dat jij mij in het verderf hebt gestort; om jou ben ik een dief en een moordenaar geworden. Carmen, Carmen lief, laat ik jou redden en mij met jou!

—José, antwoordde zij, je verlangt het onmogelijke. Ik houd niet meer van je; jij hebt me nog lief en daarom wil je mij dooden. Ik zou je nog wel iets op de mouw kunnen spelden, maar ik wil mij de moeite niet geven. Tusschen ons is alles afgedaan. Als mijn rom heb je het recht je romi te dooden, maar Carmen zal altijd vrij zijn. Zij is calli geboren, zij zal calli sterven.

—Je hebt dus Lucas lief? vroeg ik.

—Ja, ik heb hem bemind evenals jou, een poosje, minder dan jou misschien. Nu heb ik niets meer lief en ik haat mezelf, omdat ik van jou gehouden heb.

Ik wierp mij aan haar voeten, ik nam haar handen en bevochtigde die met tranen. Ik herinnerde haar aan al de gelukkige tijden die wij samen hadden doorgebracht. Ik bood haar aan roover te blijven om haar te behagen. Alles meneer, bood ik haar aan, als ze mij nog maar wilde liefhebben!

—Je nog liefhebben, zeide zij, dat is onmogelijk. Met je leven wil ik niet.—Woede maakte zich van mij meester. Ik trok mijn mes. Ik wilde dat zij bang werd en mij om genade smeekte, maar die vrouw was een demon.

—Voor de laatste maal, riep ik, wil je bij me blijven?

—Neen, neen, neen! zeide zij stampvoetend, en zij rukte van haar vinger een ring dien ik haar had gegeven en wierp dien in de struiken.

Ik stak haar tweemaal met het mes van den Eenoog, dat ik had meegenomen, daar het mijne was gebroken. Bij den tweeden stoot viel ze, zonder een kreet. Ik zie nog haar groote zwarte oogen mij strak aanzien, toen betrekken en zich sluiten. Meer dan een uur bleef ik als verwezen bij het lijk. Toen herinnerde ik mij dat Carmen vaak had gezegd, dat zij gaarne in een bosch zou willen begraven zijn. Ik maakte een kuil met mijn mes en legde haar er in. Ik zocht lang naar haar ring en vond hem ten slotte. Ik legde hem in den kuil naast haar, met een klein kruis. Misschien deed ik verkeerd. Vervolgens steeg ik te paard, galoppeerde naar Cordova en gaf mij bij de eerste hoofdwacht aan. Ik zeide dat ik Carmen had gedood, maar wilde niet zeggen waar haar lijk was. De kluizenaar was een heilig man. Hij heeft voor haar gebeden! Hij heeft een mis voor haar ziel gelezen.... Arme meid! De Calé zijn de schuldigen, omdat zij haar aldus groot brachten.

IV.

Spanje is een van de landen waarin zich nog in grooten getale die nomaden ophouden, die over geheel Europa verspreid zijn, en bekend onder de namen Bohémiens, Gitanos, Gypsies, Zigeuner, enz. De meeste hunner wonen, of liever leiden een zwervend leven in de zuidelijke en oostelijke provincies, in Andalusië, Estramadura (in het koninkrijk Murcia); velen zijn er in Catalonië. Deze laatsten komen vaak naar Frankrijk. Men ontmoet hen op al onze kermissen in het Zuiden. Gewoonlijk schacheren de mannen in paarden, dokteren zij het vee en scheren zij de muilezels, zij krammen ook pannen en koperwerk, om niet te spreken van smokkelen en andere ongeoorloofde praktijken. De vrouwen zijn waarzegsters, bedelen en verkoopen allerlei onschadelijke (of schadelijke) geneesmiddelen.

De physieke kenmerken der Zigeuners zijn gemakkelijker te onderscheiden dan te beschrijven en wanneer men er éen heeft gezien zou men onder duizend een individu van dat ras herkennen. Het gelaat, de uitdrukking vooral scheidt hen van de volken die hetzelfde land bewonen. Van daar de naam Calé, de zwarten, waarmede zij zichzelf dikwijls aanduiden*). Hun merkbaar schuine, groote, zeer donkere oogen zijn beschaduwd door lange en dikke oogharen. Hun blik laat zich alleen vergelijken met die van een wild dier. Men leest er tegelijkertijd stoutheid en beschroomdheid in en wat dat aangaat verraden hun oogen vrijwel het karakter van het volk, slim, stoutmoedig, maar bang uit den aard der zaak voor slagen, evenals Panurge*). De mannen zijn over het algemeen flink uit de kluiten gegroeid, slank en vlug; ik geloof niet dat ik er ooit een heb gezien die zwaarlijvig was. In Duitschland zijn de vrouwen vaak heel schoon, onder de Gitanas van Spanje is schoonheid uiterst zeldzaam. Als zij heel jong zijn kunnen zij doorgaan voor aardige leelijkerds; maar als ze eenmaal moeder zijn, worden zij afzichtelijk. Beide seksen zijn ongelooflijk vuil en wie de haren van een Zigeuner-matrone niet heeft gezien, kan zich moeilijk een denkbeeld daarvan maken, zelfs als hij zich die nog zoo ruw, smerig en stoffig voorstelt. In sommige groote steden van Andalusië besteden jonge meisjes, die er wat aardiger uitzien dan de anderen, meer zorg aan hun uiterlijk. Zij laten zich voor geld in dansen zien, die veel lijken op die welke bij ons op de publieke bals van het carnaval verboden worden. De Engelsche zendeling Borrow, schrijver van twee zeer interessante boeken over de Spaansche Zigeuners, die hij had ondernomen te bekeeren op kosten van het Bijbelgenootschap, verzekert dat het nooit voorkomt dat een Gitana zich geeft aan een man die vreemd is aan haar ras. Het komt mij voor dat er veel overdrijving is in den lof dien hij haar toezwaait om haar kuischheid. In de eerste plaats verkeeren de meesten in het geval van de leelijkerds van Ovidius: casta quam nemo rogavit*). Wat de mooie onder haar aangaat, zij zijn zooals alle Spaansche vrouwen, lastig in de keus van haar minnaars. Men moet haar behagen, verdienen. De heer Borrow voert als staaltje van haar deugd een feit aan, dat voor de zijne pleit, vooral voor zijn naïeveteit. Een onzedelijke kennis van hem, zoo vertelt hij, bood een mooie Gitana te vergeefs eenige onsen goud aan. Een Andalusiër, wien ik deze anecdote overbracht, beweerde dat de man meer succes zou hebben gehad wanneer hij eenige piasters had laten zien en dat aan een Zigeunerin goudstukken aanbieden een even slecht middel van overreding was als een paar millioen beloven aan een meid uit een herberg.—Hoe dit zij, het staat vast dat de Gitanas voor haar mannen een buitengewone toewijding aan den dag leggen. Er is geen gevaar of ellende die zij niet trotseeren om hen in hun nood bij te staan. Een der namen, die de Zigeuners zich geven, romé (echtgenooten), getuigt, dunkt mij, van den eerbied van het ras voor den gehuwden staat. In het algemeen kan men zeggen dat hun hoofddeugd vaderlandsliefde is, indien men aldus noemen kan hun trouw in de betrekkingen met individuen van dezelfde afkomst, hun bereidvaardigheid elkander te helpen, de onverbreekbare geheimhouding die zij elkander bewaren in compromitteerende zaken. Trouwens men merkt iets dergelijks op bij alle geheimzinnige vereenigingen die buiten de wet staan.

Eenige maanden geleden bezocht ik een Zigeunerbende in de Vogezen. In de tent van een oude vrouw, de oudste van haar stam, was een Zigeuner, die niet tot haar familie behoorde, door een doodelijke ziekte aangetast. Deze man had een hospitaal, waar hij goed werd verzorgd, verlaten, om te midden van zijn landgenooten te sterven. Reeds dertien weken was hij bedlegerig en hij werd veel beter behandeld dan de zonen en schoonzonen van hetzelfde gezin. Hij had een goed bed van stroo en mos met vrij zindelijke lakens, terwijl de overigen, ten getale van elf, sliepen op planken van drie voet lengte. Dit wat betreft hun gastvrijheid. Dezelfde oude, die zoo goed was voor haar gast, zeide mij in tegenwoordigheid van den zieke: Singo, singo, homte hi mulo: weldra, weldra, moet hij sterven. Trouwens, die menschen hebben zulk een ellendig leven, dat de dood niets schrikwekkends voor hen heeft.

Een merkwaardige karaktertrek van de Zigeuners is hun onverschilligheid in godsdienstige zaken. Niet dat zij vrijdenkers of sceptisch zijn. Nooit hebben zij zich voor godloochenaars uitgegeven. Integendeel: zij hebben den godsdienst van het land dat zij bewonen, maar met de verandering van land nemen zij ook een anderen godsdienst aan. Ook de bijgeloovigheden die bij ruwe volken in de plaats komen van godsdienstige gevoelens zijn hun vreemd. Hoe zouden ook menschen bijgeloovig kunnen zijn, die meestal leven van de lichtgeloovigheid van anderen. Toch heb ik bij de Spaansche Zigeuners een eigenaardigen afschuw opgemerkt voor de aanraking van een lijk. Weinigen zouden voor geld een doode naar het kerkhof willen brengen.

Ik zeide dat de meeste Zigeunerinnen aan waarzeggen doen. Zij doen dat zeer goed. Maar winstgevend is voor hen vooral de verkoop van toovermiddelen en minnedranken. Niet alleen bewaren zij pooten van padden om onbestendige harten vast te houden, of poeder van zeilsteen om bij onverschilligen liefde te wekken; zij doen, zoo noodig, machtige bezweringen om den duivel te dwingen haar hulp te verleenen. Verleden jaar vertelde een Spaansche dame mij de volgende geschiedenis. Zij ging op zekeren dag door de Alcala-straat, zeer treurig en in gedachten. Een Zigeunerin, op het voetpad neergehurkt, riep haar toe: Schoone dame, uw minnaar heeft u bedrogen.—Het was de waarheid.—Zal ik hem weer tot u doen terugkeeren? Men begrijpt met welke vreugde het voorstel werd aangenomen en welk vertrouwen iemand moest inboezemen, die aldus met éen oogopslag hartsgeheimen raadde. Daar het onmogelijk zou zijn geweest bezweringen te doen in de drukste straat van Madrid, werd er voor den volgenden dag een afspraak gemaakt.—Niets is gemakkelijker dan den ontrouwe weer aan uw voeten te brengen, zeide de gitana. Heeft u bij geval een zakdoek, een sjerp, een mantille, die hij u gaf?—De dame gaf haar een zijden halsdoekje.—Naai nu met roode zijde een piaster in een hoek van het doekje. In een anderen hoek een halven piaster; hier een piécette, daar een stuk van twee realen. Nu in het midden een goudstuk; het best zou zijn een dubloen.—De dubloen en de rest worden in het doekje genaaid.—Geef mij nu het doekje, ik zal het klokslag van middernacht naar het Campo Santo brengen. Gaat u met mij mee, als u mooi wilt zien heksen. Ik beloof u dat u al morgen den ontrouwe zult weerzien.—De Zigeunerin ging alleen naar het Campo Santo, want de dame was te bang voor heksen om haar te vergezellen. Ik laat het aan u over te raden of de arme verlaten minnares haar halsdoekje en haar ontrouwe heeft teruggezien.

Ondanks hun armoede en een zekeren weerzin dien zij inboezemen, staan de Zigeuners bij de weinig ontwikkelde menschen een beetje in aanzien en zij zijn daar zeer trotsch op. Zij gevoelen zich de meerderen in verstand en verachten innig het volk dat hun gastvrijheid verleent.—De Vreemdelingen zijn zoo dom, zeide mij een Zigeunerin uit de Vogezen, dat er heelemaal geen verdienste in steekt hen beet te nemen. Onlangs werd ik op straat door een boerin aangeroepen. Ik treed haar woning binnen. Haar kachel rookte en zij vroeg mij een bezwering om die te doen trekken. Ik begin met mij eerst een goed stuk spek te laten geven. Daarna prevel ik eenige woorden in rommani. Je bent dom, zeide ik, je bent dom geboren, dom zul je sterven.... Toen ik dicht bij de deur was, zeide ik in goed Duitsch tot haar: Het onfeilbaar middel om te voorkomen dat je kachel rookt, is die niet aan te maken. En ik zette het op een loopen.

De geschiedenis der Zigeuners is nog een vraagstuk. Men weet wel is waar dat hun eerste, zeer weinig talrijke benden zich in het oosten van Europa vertoonden tegen het begin van de vijftiende eeuw; maar men kan niet zeggen waar ze vandaan komen, of waarom zij naar Europa kwamen, en, wat merkwaardiger is, men weet niet hoe zij zich in korten tijd zoo verbazend vermenigvuldigd hebben in verschillende, ver van elkander verwijderde staten. De Zigeuners zelf hebben geen tradities bewaard over hun oorsprong en zoo de meesten onder elkaar van Egypte spreken als van hun primitief vaderland, dan is het omdat zij een zeer lang geleden over hun verspreid verhaal hebben aanvaard.

De meeste orientalisten die de taal der Zigeuners hebben bestudeerd, houden het er voor dat zij uit Indië afkomstig zijn. Inderdaad schijnen een groot aantal stammen en vele grammaticale vormen van het rommani te worden teruggevonden in talen, afgeleid van het Sanskriet. Men begrijpt dat de Zigeuners op hun lange zwerftochten vele vreemde woorden hebben overgenomen. In alle dialecten van het rommani vindt men een aantal Grieksche woorden: bijv.: cocal, been, van κοκκαλον; petalli, hoefijzer van πεταλον; cafi, spijker, van καρφι, etc. Thans hebben de Zigeuners bijna evenveel verschillende dialecten als er benden van hun ras gescheiden van elkander bestaan. Overal spreken zij de taal van het land dat zij bewonen gemakkelijker dan hun eigen, waarvan zij zich slechts bedienen om zich in het bijzijn van vreemdelingen vrij met elkaar te kunnen onderhouden. Vergelijkt men het dialect der Zigeuners in Duitschland met dat van de Spaansche Zigeuners, sedert eeuwen niet met elkaar in verbinding, dan vindt men een zeer groot aantal gemeenschappelijke woorden; maar de oorspronkelijke taal is overal, hoewel in verschillende mate, aanmerkelijk gewijzigd door de aanraking met meer ontwikkelde talen, waarvan deze nomaden gedwongen waren zich te bedienen. Het Duitsch aan den eenen kant, het Spaansch aan den andere, hebben het wezen van het rommani zoodanig veranderd, dat het voor een Zigeuner van het Zwarte Woud onmogelijk zou zijn een gesprek te voeren met een van zijn broeders in Andalusië, hoewel zij slechts eenige zinnen behoeven te wisselen om te begrijpen, dat beiden een dialect spreken afgeleid van dezelfde taal. Sommige zeer veel gebruikte woorden zijn, geloof ik, aan alle dialecten gemeen; zoo beteekent in alle woordenboeken die ik heb kunnen vinden: pani water, manro brood, mâs vleesch, lon zout.

De telwoorden zijn bijna overal dezelfden. Het Duitsche dialect lijkt mij veel zuiverder dan het Spaansche, want het heeft een aantal primitieve grammaticale vormen behouden, terwijl de Gitanas die van het Castiliaansch hebben aangenomen. Er zijn intusschen enkele uitzonderingen die getuigen van de vroegere overeenkomst der talen.—De verledene tijden van het Duitsche dialect worden gevormd door ium te voegen bij de gebiedende wijs, die altijd de stam van het werkwoord is. In het Spaansche rommani worden alle werkwoorden vervoegd als de Castiliaansche werkwoorden van de eerste vervoeging. Van de infinitief jamar, eten, zou men geregeld moeten maken jamé, ik heb gegeten; van lillar, nemen, lillé, ik heb genomen. Intusschen zeggen sommige oude Zigeuners bij uitzondering: jayon, lillon. Ik ken geen andere werkwoorden die dezen antieken vorm hebben behouden.

Nu ik aldus pronk met mijn povere kennis van het rommani moet ik enkele woorden van het Fransche argot noemen die onze dieven aan de Zigeuners hebben ontleend. Les Mystères de Paris*) hebben aan de fatsoenlijke menschen geleerd dat chourin mes beteekent. Dat is zuiver rommani; tchouri is een van die woorden, die allen dialecten gemeen zijn. Meneer Vidocq noemt een paard grès; ook dat is een Zigeunerwoord gras, gre, graste, gris. Dan is er nog het woord romamichel dat in Parijsch argot Zigeuner beteekent; het is de verbastering van rommané tchavé, Zigeuner jongens. Maar een woordafleiding waarop ik trotsch ben, is die van frimousse, gelaat, gezicht, woord dat alle studenten gebruiken of in mijn tijd gebruikten. Vooraf zij opgemerkt dat Oudin, in zijn merkwaardig woordenboek, in 1640 firlimouse schreef. Nu beteekent firla, fila in het rommani gelaat, mui wil hetzelfde zeggen: het is precies het Latijnsche os. De combinatie firlamui is onmiddellijk begrepen door een Zigeuner-purist en ik houd die voor overeenkomstig met den geest van zijn taal.

Dit is, dunkt mij, meer dan genoeg, om den lezers van Carmen een gunstige meening te geven van mijn studies in het rommani. Ik besluit met een spreekwoord dat hier van pas is: En retudi panda nasti abela macha: Tusschen gesloten lippen, kan een vlieg niet glippen.

VERKLARINGEN

blz. 5 Palladas: Epigram-dichter, die te Alexandrië leefde in de 4e eeuw na Christus. Het epigram komt voor in de Anthologie Palatina, een bekende codex. Feitelijk staat er in den Griekschen tekst „bitter als gal”. (N. v. d. v.)
blz. 7 Espingole, schrijft Mérimée: dat is een kort dik geweer met wijd uitloopenden mond. (N. v. d. v.)
blz. 8 De Andalusiërs halen bij de s den adem op en verwisselen die in de uitspraak met de zachte c en de z, die de Spanjaarden uitspreken als de Engelsche th. Alleen reeds aan het woord Senor kan men den Andalusiër herkennen.
blz. 13 Zorzico: Baskische danswijs in ⅝ maat (N. v. d. v.)
De bevoorrechte provincies die bijzondere fueros genieten, d.w.z. Alava, Biscaye, Guipuzcoa, en een deel van Navarra. Baskisch is de landtaal.
blz. 21 à l'obscure, etc.: Mérimée cursieveert. Het citaat is uit Le Cid: cette obscure.... etc., acte IV, sc. 3 (N. v. d. v.)
blz. 22 Neveria: Koffiehuis voorzien van een ijskelder, of liever een bergplaats van sneeuw. In Spanje is er bijna geen dorp of het heeft een neveria.
U is zeker een Engelschman: In Spanje gaat ieder reiziger, die geen stalen van katoen of zijde bij zich heeft, voor een Engelschman door, Inglesito. Zoo is het ook in het Oosten. Te Chalcis had ik de eer te worden aangemeld als een Milordos Frantzesos.

blz. 27 Corregidor: Commissaris van politie. (N. v. d. v.)
piécette: zilveren munt in Spanje en Mexico gebruikt, ter waarde van een franc ongeveer. (N. v. d. v.)
blz. 28 In 1830 genoot de adel nog van dat voorrecht. Thans, onder het constitutioneel stelsel, hebben de niet-adellijken het recht op worging verkregen.
petit pendement, enz.: Mérimée cursieveert. Het citaat is uit Molière's Monsieur de Pourceaugnac, acte III, sc. 3. Dit citaat is hier wel wat vreemd, omdat hij even te voren juist had gezegd dat don José, als hidalgo, niet zou worden opgehangen, maar geworgd. (N. v. d. v.)
blz. 31 Maquilas: Met ijzer beslagen stokken van de Baskiërs.
blz. 32 Vier-en-twintig: Magistraat belast met de politie en de gemeente-administratie.
blauwe jurken, enz.: De gewone kleedij van de boerinnen van Navarra en de Baskische provincies.
blz. 34 drinkbakjes voor de vliegen, enz.: Pintar un javeque: een driemaster beschilderen. De meeste Spaansche driemasters hebben den kant beschilderd met roode en witte ruiten.
blz. 36 baï, jaona: Ja, mijnheer.
barratcea: Omheinde ruimte, tuin.
blz. 37 jacques: Dapperen, pochhanzen.
Ik stond dadelijk, enz.: De geheele Spaansche ruiterij is met lansen bewapend.

blz. 39 Alcala-brood: Alcalà de los Panaderos, een vlek twee mijlen van Sevilla, waar men heerlijke broodjes bakt. Men beweert dat het water van Alcalà ze zoo lekker maakt en ze worden elken dag bij massa naar Sevilla gebracht.
blz. 41 Agur laguna: Dag, kameraad.
zag ik door het hek, etc.: De meeste huizen van Sevilla hebben een binnenplaats door overdekte galerijen omgeven. Men vertoeft daar des zomers. Deze binnenplaats is bedekt met een zeil, dat bij dag wordt nat gehouden en 's avonds weggenomen. De straatdeur is bijna altijd open, en de gang, die naar de plaats leidt, zaguan, is gesloten door een zeer sierlijk bewerkt ijzeren hek.
blz. 42 Morgen is weer een dag: Manana serà otro dia.—Spaansch spreekwoord.
Een hond die, etc.: Chuquel sos pirela, Cocal terela: Hond die loopt, vindt een been.—Zigeuner spreekwoord.
yemas: Gesuikerde dooiers.
turons: Een soort van noga.
blz. 43 Koning don Pedro, dien wij den Wreede noemen en dien Koningin Isabella la Catolica nooit anders noemde dan de Handhaver van het Recht, hield er van 's avonds door de straten van Sevilla te wandelen, avonturen zoekend als de Kalief Haroun-al-Raschid.

Op zekeren avond kreeg hij twist, in een afgelegen straat, met een man die een serenade gaf. Het kwam tot een gevecht en de Koning doodde den verliefden ridder. Op het gekletter der degens keek een oude vrouw uit het raam en belichtte het tooneel met een lampje (candilejo), dat zij in de hand hield. Nu moet men weten, dat Koning don Pedro, hoewel vlug en sterk, een zonderling gebrek in zijn bouw had. Als hij liep kraakten zijn knieschijven sterk. De oude vrouw herkende hem gemakkelijk aan dat gekraak. Den volgenden morgen kwam de dienstdoende „Vier-en-Twintig” bij den Koning rapport uitbrengen: „Sire, er is in den afgeloopen nacht in die en die straat geduelleerd. Een der vechtenden is gedood.—Hebt ge den moordenaar gevonden?—Ja, Sire.—Waarom is hij niet al gestraft?—Sire, ik wacht uw bevelen.—Pas de wet toe.”—Nu had de Koning kort te voren een besluit uitgevaardigd, inhoudend dat iedere duellist zou worden onthoofd en dat zijn hoofd zou te kijk blijven op de plaats van het gevecht. De „Vier-en-Twintig” redde zich uit de moeilijkheid als man van geest. Hij liet het hoofd van een standbeeld des Konings afzagen en plaatste dat in een nis, midden in de straat die het tooneel was geweest van het duel. De Koning en de Sevillanen vonden dat best. De straat werd genoemd naar het lampje van de oude—de eenige getuige van het avontuur.

Aldus de volkstraditie. Zuniga vertelt de geschiedenis een beetje anders (zie Annalen van Sevilla, deel II, blz. 136). Hoe dit zij, er bestaat te Sevilla nog een straat van de Candilejo en in die straat een steenen buste, die men zegt de beeltenis van don Pedro te zijn. Jammer maar dat die buste modern is. De oude was zeer vergaan in de XVIIe eeuw en het toenmalige gemeentebestuur liet die vervangen door die welke men er thans ziet.

blz. 43 Rom, echtgenoot; romi, echtgenoote.
Calo, vrouwelijk calli, meervoud cales. Woordelijk: zwart—naam die de zigeuners elkaar in hun taal geven.
blz. 44 Je bent een echte kanarie, etc.: De Spaansche dragonders zijn in het geel gekleed.
Ik ben in wol etc.: Me dicas vriardâ de jorpoy, bus ne sino braco.—Zigeuner spreekwoord.
majari: De heilige—de heilige Maagd.

een weduwe met houten beenen etc.: De galg, die weduwe is van den laatsten gehangene.
blz. 45 Laloro: Het roode land.
blz. 48 een Vlaamsche van Rome etc.: Flamenca de Roma, in de dieventaal zigeunerin. Roma beteekent hier niet de eeuwige stad, maar het volk der Romi, of der gehuwde lieden, zooals de zigeuners zich noemen. Waarschijnlijk kwamen de eersten die men in Spanje zag uit de Nederlanden, van daar hun naam Vlamingen.
chufas: Knolvormige wortel, waarvan men een vrij lekkeren drank maakt.
blz. 49 rijst en stokvisch: Het gewone voedsel van de Spaansche soldaten.
Ustilar à pastesas: handig stelen, zonder geweld wegnemen (zakkenrollen).
minons: Soort van vrijkorps.
blz. 50 Schurft etc.: Sarapia sat pesquital ne punzava.
blz. 54 O, de lillipendi, etc.: De ezels die mij voor een dame houden!
blz. 55 Kreeften: Naam dien het volk in Spanje aan de Engelschen geeft, om de kleur van hun uniform.
blz. 56 naar finibus terrae: Naar de galeien, of wel naar alle duivels.
blz. 58 Minchorrò: „Mijn minnaar”, of liever „op wien ik verliefd ben”.
blz. 60 en in sommige opzichten, etc.: Navarro fino.
Je bent als de dwerg, etc.: Or esorjié de or narsichislé, sin chismar lachinguel—zigeuner spreekwoord. Het heldenfeit van een dwerg is ver te spuwen.

blz. 65 Een rivier, etc.: Len sos sonsi abela, Pani o reblendani terela.—Zigeuner spreekwoord.
blz. 66 de cocarde: La divisa, een strik van linten, waarvan de kleur de weiden aanwijst waar de stieren vandaan komen. Die strik is met een haak vastgemaakt aan de huid van den stier en het is het toppunt van galanterie die van het levende dier af te rukken, om hem aan een vrouw aan te bieden.
blz. 69 Men heeft Maria Padilla beschuldigd koning don Pedro te hebben behekst. Volgens een volkstraditie had zij aan koningin Blanche van Bourbon een gouden gordel geschonken, die de blikken van den koning voortdurend tot zich trok en hem een levende slang leek. Vandaar de afkeer dien hij de ongelukkige vorstin steeds betoonde.
blz. 71 Calé: Het is mij toegeschenen dat de Duitsche Zigeuners, hoewel zij het woord Calé heel goed begrijpen, niet gaarne aldus worden genoemd. Onder elkander noemen zij zich Romané tchavé.
Panurge: Bij Mérimée is naturellement les coups gecursieveerd. Panurge is een hoofdpersoon van Rabelais' Pantarguel. (N. v. d. v.)
Casta quam nemo rogavit: Kuisch is zij die door niemand begeerd werd. (N. v. d. v.)
blz. 78 Les Mystères de Paris: Indertijd beroemde roman van Eugène Sue. (N. v. d. v.)

Overzicht aangebrachte correcties

De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:

PlaatsBronCorrectie
Blz. 6nabijhetdnabijheid
Blz. 22ditdat
Blz. 29WannerWanneer
Blz. 36.,
Blz. 43,[Verwijderd.]
Blz. 48van daanvandaan
Blz. 50.,
Blz. 51.,
Blz. 51[Niet in Bron.]
Blz. 55,[Verwijderd.]
Blz. 57.,
Blz. 62.,
Blz. 66.,
Blz. 68.,
Blz. 72[Niet in Bron.].
Blz. 73.,
Blz. 75.,
Blz. 83,: