WeRead Powered by ReaderPub
Christuslegenden cover

Christuslegenden

Chapter 11: II.
Open in WeRead

About This Book

Een verzameling legenden en korte vertellingen die bekende episodes uit het leven van Christus en bijbehorende volksverhalen opnieuw brengen. Elk stuk presenteert een zelfstandige episode — geboorte, vlucht naar Egypte, scènes in Nazareth en de tempel, mirakels en visionaire ontmoetingen — in de trant van mondelinge overlevering, met nadruk op wonderen, symboliek en menselijk mededogen. De verhalen mengen sober realisme en wonderlijke verschijnselen, geven stem aan eenvoudige getuigen en laten kleine, ontroerende details en morele reflecties op het geloof naar voren komen.

II.

De oude vrouw kwam zoo inwonen in de hut van den arbeider en zij sloot groote vriendschap met de jongelieden. Maar toch zei ze hun nooit van waar ze gekomen was of wie ze was, en zij begrepen, dat ze het niet aangenaam zou gevonden hebben, als zij het haar gevraagd hadden.

Maar op een avond, toen ’t werk gedaan was en ze alle drie op den grooten platten steen voor de deur zaten en ’t avondmaal gebruikten, zagen zij een oud man het pad opkomen.

’t Was een groot en sterk gebouwd man, met schouders zoo breed als die van een worstelaar. Op zijn gezicht lag een strakke, sombere uitdrukking. ’t Voorhoofd stak vooruit over de diep liggende oogen, en de lijnen om den mond spraken van bitterheid en verachting. Zijn houding was fier en zijn bewegingen waren snel.

De man droeg eenvoudige kleeren, en de arbeider dacht zoodra hij hem zag: „Die man is een oud soldaat, een die uit den dienst ontslagen is en nu op weg naar huis is.”

Toen de vreemde dicht bij hen gekomen was bleef hij als in twijfel staan. De arbeider, die wist, dat de weg een eind boven de hut doodliep, legde zijn lepel neer en riep hem toe: „Zijt ge verdwaald, vreemdeling, dat ge bij deze hut komt? Niemand neemt de moeite hierheen te klimmen, die niet een boodschap heeft voor ons, die hier wonen.”

Terwijl hij zoo vroeg kwam de vreemdeling dichter bij: „Ja, ’t is zooals ge zegt,” zei hij. „Ik ben verdwaald en nu weet ik niet waar ik heen moet. Als ge me hier een poos wilt laten uitrusten en mij dan zeggen welken weg ik moet inslaan om bij een hoeve te komen, zal ik heel dankbaar zijn.”

Met deze woorden nam hij plaats op een van de steenen, die voor de hut lagen.

De jonge vrouw vroeg of hij geen deel aan hun maaltijd wilde nemen, maar hij wees dat glimlachend af. Daarentegen was hij zeer geneigd met hen te spreken; onder het eten vroeg hij de jonge menschen naar hun levenswijze en hun werk en zij antwoordden opgeruimd en openhartig.

Maar plotseling wendde de arbeider zich tot den vreemde en begon hem uit te hooren: „Ge ziet hoe verlaten en eenzaam we wonen,” zei hij. „’t Is wel een jaar geleden, dat ik iemand anders sprak dan herders en arbeiders in den wijngaard. Kunt gij, die van een of ander leger komt, ons niet wat vertellen van Rome en van den keizer?”

Nauwelijks had de man dit gezegd of de jonge huismoeder merkte, dat de oude vrouw hem een waarschuwenden blik toewierp, en dat zij met de hand het teeken gaf, dat men met zijn woorden voorzichtig moest zijn.

De vreemdeling antwoordde intusschen zeer vriendelijk: „Ik begrijp, dat ge me voor een soldaat aanziet, en ge hebt geen ongelijk, hoewel ik al lang geleden uit dienst gegaan ben. Onder de regeering van Tiberius was er niet veel werk voor ons, krijgslieden. En toch was hij eens een groot veldheer. Dat was zijn gelukkige tijd. Nu denkt hij aan niets anders dan om zich te beschermen tegen samenzweringen. In Rome spreken alle menschen er over, dat hij verleden week den senator Titus heeft laten gevangen nemen en terechtstellen,—alleen op een verdenking.”

„Die arme keizer, hij weet niet meer wat hij doet,” barstte de jonge vrouw uit. Ze breidde de handen uit en schudde treurig en verwonderd het hoofd.

„Ge hebt werkelijk gelijk,” zei de vreemde, terwijl een trek van diepe somberheid op zijn gezicht kwam. „Tiberius weet, dat alle menschen hem haten, en dat brengt hem bijna tot waanzin.”

„Wat zegt ge?” antwoordde de vrouw. „Waarom zouden we hem haten? Wij beklagen hem alleen, omdat hij niet meer zulk een groot keizer is als in ’t begin van zijn regeering.”

„Ge vergist u,” zei de vreemde. „Alle menschen haten en verachten Tiberius. Waarom zouden ze anders doen? Hij is niets dan een wreede en onbarmhartige tiran. En in Rome gelooft men, dat hij van nu af aan nog erger wordt dan hij geweest is.”

„Is er dan iets gebeurd, dat hem tot een nog grooter monster maken zal dan hij al is?” vroeg de man.

Toen hij dat zei, merkte de huisvrouw, dat de oude hem opnieuw een waarschuwend teeken gaf, maar zóó in ’t verborgen, dat hij ’t niet zien kon.

De vreemdeling antwoordde hem vriendelijk, maar een eigenaardige glimlach gleed op hetzelfde oogenblik over zijn lippen.

„Ge hebt misschien hooren vertellen, dat Tiberius tot nu toe in zijn omgeving een vriendin had, waarop hij vertrouwen kon en die hem altijd de waarheid zeide. Alle anderen, die aan zijn hof leven, zijn gelukzoekers en huichelaars, die de booze en listige daden van den keizer evenzeer prijzen als zijn goede en edele. Toch was er, zooals ik zei, een enkele, die nooit bang was hem te zeggen wat zijn daden waard waren. Die mensch, die moediger was dan senatoren en veldheeren, was de oude min van den keizer: Faustina.”

„Dat is waar, ik heb van haar gehoord,” zei de arbeider. „Men heeft mij gezegd, dat de keizer haar altijd groote vriendschap bewezen heeft.”

„Ja, Tiberius wist haar genegenheid en trouw op prijs te stellen. Hij heeft die arme boerenvrouw, die in een ellendig hutje op de Sabijnerbergen geboren werd, als zijn tweede moeder behandeld. Zoolang hij zelf zich in Rome ophield, liet hij haar wonen in een huis op het Palatino, om haar altijd in zijn nabijheid te hebben. Geen van Rome’s voornaamste matronen had het beter dan zij. Ze werd in een draagstoel door de straten gedragen en haar gewaad was als dat van een keizerin. Toen de keizer naar Capri verhuisde, moest zij hem daarheen vergezellen, en hij liet daar voor haar een landgoed koopen vol slaven en kostbaar huisraad.”

„Zij heeft het werkelijk goed gehad,” zei de man.

Nu was hij het, die alleen het gesprek met den vreemde gaande hield. De jonge vrouw zat zwijgend de verandering na te gaan, die er met de oude vrouw gebeurde. Reeds van ’t oogenblik, dat de vreemde gekomen was, had zij geen woord meer gesproken. Zij had haar zacht en vriendelijk uiterlijk verloren. Zij had het eten van zich af geschoven en zat daar stijf en strak tegen den deurpost gedrukt. Zij staarde recht voor zich uit met een streng gezicht, als versteend.

„Het was de bedoeling van den keizer, dat zij een gelukkig leven zou hebben,” zei de vreemdeling, „maar niettegenstaande al zijn weldaden is zij hem nu ook ontrouw geworden.”

De oude vrouw kromp ineen bij deze woorden, maar de jonge vrouw legde troostend de hand op haar arm.

Daarop begon ze te spreken met haar warme, zachte stem. „Ik kan toch niet gelooven, dat de oude Faustina zoo gelukkig geweest is aan ’t hof, als ge zegt,” zeide ze, zich tot den vreemde wendend. „Ik ben er zeker van, dat zij Tiberius heeft liefgehad, alsof hij haar eigen zoon was. Ik kan me begrijpen hoe trotsch ze op zijn edele jeugd was, en ik kan ook begrijpen, wat een verdriet het voor haar geweest is, dat hij op zijn ouden dag wantrouwend en wreed geworden is. Ze heeft hem zeker elken dag vermaand en gewaarschuwd. ’t Moet vreeslijk voor haar geweest zijn, dat dit alles vergeefsch was. Eindelijk heeft zij ’t niet kunnen uithouden hem al dieper en dieper te zien zinken.”

De vreemde boog zich verrast een weinig voorover bij ’t hooren van deze woorden. Maar de jonge vrouw keek niet naar hem op. Ze hield de oogen neergeslagen en ze sprak heel zacht en ootmoedig.

„Misschien hebt ge gelijk met wat ge van de oude vrouw zegt,” antwoordde hij. „Faustina is werkelijk niet gelukkig geweest aan ’t hof. Maar ’t is toch vreemd, dat zij den keizer in haar hoogen ouderdom verliet, nu zij het een heel leven bij hem had uitgehouden.”

„Wàt zegt ge daar?” zei de man. „Heeft de oude Faustina den keizer verlaten?”

„Ze is uit Capri verdwenen, zonder dat iemand het wist,” zei de vreemde. „Ze is even arm teruggegaan als ze gekomen is. Ze heeft niet één van haar schatten meêgenomen.”

„En weet de keizer volstrekt niet, waarheen ze gegaan is?” vroeg de jonge vrouw met haar zachte stem.

„Neen, niemand weet zeker welken weg ze gegaan is. Maar men houdt het voor waarschijnlijk, dat ze haar toevlucht tot de bergen van haar vaderland genomen heeft.”

„En de keizer weet ook niet, waarom ze is heengegaan?” vroeg de jonge vrouw.

„Neen, de keizer weet er niets van. Hij kan niet gelooven, dat ze hem verlaten heeft, omdat hij haar eens gezegd heeft, dat ze hem diende om loon en geschenken—zij zoo goed als de anderen. Ze weet toch wel, dat hij nooit aan haar onzelfzuchtigheid getwijfeld heeft. Hij heeft altijd gehoopt, dat ze vrijwillig naar hem terug zou komen, want niemand weet beter dan zij, dat hij nu geheel zonder vrienden is.”

„Ik ken haar niet,” zei de jonge vrouw, „maar ik geloof toch, dat ik wel zeggen kan, waarom zij den keizer verliet. De oude vrouw is opgevoed in eenvoud en vrome zeden hier in de bergen en zij heeft altijd door naar hier terug verlangd. Zij zou toch zeker nooit den keizer verlaten hebben, als hij haar niet beleedigd had, maar ik begrijp, dat zij daarna, nu haar dagen bijna geteld waren, meende recht te hebben ook aan zichzelf te denken. Als ik een arme vrouw uit de bergen was, zou ik zeker handelen als zij. Ik zou gedacht hebben, dat ik genoeg gedaan had als ik mijn heer een leven lang gediend had. Ik zou eindelijk weggegaan zijn van een weelderig leven en keizersgunst om mijn ziel te doen genieten van eer en rechtvaardigheid, voor zij van mij heenging op de lange reis.”

De vreemde zag de jonge vrouw droevig en somber aan. „Ge denkt er niet aan, dat de handelingen van den keizer nu nog vreeselijker dan ooit zullen worden. Nu is er niemand, die hem tot kalmte kan brengen, als wantrouwen en menschenverachting hem bestormen. Denk u hier eens in,” ging hij voort en boorde zijn sombere blikken diep in de oogen van de jonge vrouw, „in de heele wereld is er nu niemand meer, die hij niet haat, niemand, dien hij niet veracht.”

Toen hij deze woorden van bittere vertwijfeling uitsprak, maakte de oude vrouw een snelle beweging en wendde zich tot hem, maar de jonge zag hem vast in de oogen en antwoordde:

„Tiberius weet, dat Faustina weer bij hem komt, zoodra hij dat wenscht. Maar eerst moet zij weten, dat haar oude oogen aan zijn hof geen zonde en schande behoeven te zien.”

Zij waren allen bij deze woorden opgestaan, en de arbeider en zijn vrouw gingen voor de oude vrouw staan, als om haar te beschermen.

De vreemde sprak geen woord meer, maar hij zag de oude vragend aan. „Is dat ook uw laatste woord?” scheen hij te willen zeggen.

De lippen der oude beefden en de woorden bleven haar in de keel steken.

„Als de keizer zijn oude dienares heeft liefgehad, dan moet hij haar de rust gunnen in haar laatste dagen,” zei de jonge vrouw.

De vreemde aarzelde nog, maar plotseling klaarde zijn donker gezicht op. „Mijn vrienden,” zei hij, „wat men ook zeggen mag van Tiberius, er is toch één ding, dat hij beter geleerd heeft dan anderen—en dat is ontberen. Ik heb nog maar één ding te zeggen: als die oude vrouw, waar we over spraken, deze hut mocht bezoeken, ontvang haar dan vriendelijk. De gunst des keizers rust op ieder, die haar bijstaat.”

Hij wikkelde zich in zijn mantel en ging heen, langs denzelfden weg waar langs hij gekomen was.