IV.
Een week later ging de oude Faustina de steile helling van het eiland Capri op. ’t Was een warme dag en het vreeslijk gevoel van ouderdom en matheid kwam weer over haar, terwijl ze zich langs de slingerende wegen naar boven werkte op de in de rots uitgehouwen trappen, die naar de villa van Tiberius leidden.
Dat gevoel nam toe, toen ze begon te merken hoe veranderd alles was in den tijd, dat ze weg geweest was. Voorwaar, langs deze trappen waren altijd groote scharen menschen op en neer gegaan. Hier wemelde het vroeger van senatoren, die zich lieten dragen door reusachtige Lybiërs, van gezanten uit de provincie—die in lange optochten vergezeld van slaven aankwamen—van sollicitanten, van aanzienlijke mannen, die uitgenoodigd waren om deel te nemen aan de feesten van den keizer.
Maar vandaag waren die trappen en gangen geheel verlaten. De grijsgroene hagedissen waren de eenige levende wezens, die de oude vrouw op haar weg ontdekte.
Zij was er verwonderd over dat alles al scheen te vervallen. De ziekte van den keizer kon hoogstens een paar maanden geduurd hebben, en toch was het gras al geworteld tusschen de marmeren steenen. Fijne gewassen, die in schoone vazen geplant stonden, waren al verdroogd, en domme vernielaars, die niemand had tegengehouden, hadden op een paar plaatsen de balustraden afgebroken.
Maar ’t allerzonderlingste vond ze toch die volkomen afwezigheid van menschen; al was het ook aan vreemdelingen verboden zich op het eiland te vertoonen, dan moesten zij er toch wel zijn, die eindelooze scharen van krijgslieden en slaven, van danseressen en muzikanten, van koks en tafelbedienden, van paleiswachters en tuinarbeiders, die tot ’s keizers huishouding hoorden. Eerst toen Faustina het bovenste terras bereikt had, kreeg ze een paar oude slaven in ’t oog, die op de stoep voor de villa zaten. Toen ze hen naderde, stonden ze op en bogen voor haar.
„Wees gegroet, Faustina!” zei de een. „Het is een god, die u zendt om ons ongeluk te verzachten.”
„Wat is dat toch, Milo,” vroeg Faustina, „waarom is ’t hier zoo eenzaam? Men heeft mij toch gezegd, dat Tiberius nog op Capri woont.”
„De keizer heeft al zijn slaven weggedreven, omdat hij vreest, dat een van ons hem vergif bij den wijn te drinken gegeven en daardoor de ziekte veroorzaakt heeft. Hij zou ook mij en Tito hebben weggejaagd, als wij niet hadden geweigerd hem te gehoorzamen. En ge weet, dat wij den keizer en zijn moeder ons heele leven gediend hebben.”
„Ik vraag niet alleen naar slaven,” antwoordde Faustina, „waar zijn de senatoren en veldheeren? Waar zijn de vertrouwden van den keizer, en al de kwispelstaartende gelukzoekers?”
„Tiberius wil zich niet meer aan vreemden vertoonen,” zei de slaaf; „de senatoren Lucius en Macro, aanvoerders van de lijfwacht, komen hier elken dag zijn bevelen ontvangen. Niemand anders mag hem naderen.”
Faustina was de stoep opgegaan om de villa binnen te treden. De slaaf ging voor haar uit en onder het loopen vroeg ze hem: „Wat zeggen de geneesheeren van de ziekte van Tiberius?”
„Niemand van hen kan die ziekte behandelen. Zij weten niet eens of zij snel of langzaam doodt; maar dit kan ik u wel zeggen, Faustina, dat Tiberius sterven moet, wanneer hij zooals nu, alle voedsel weigert, uit vrees dat het vergiftigd kan zijn. En ik weet, dat een zieke het niet uithouden kan, dag en nacht te waken, zooals de keizer doet, uit angst om in den slaap vermoord te worden. Als hij op u vertrouwen wil zooals in vroeger dagen, dan kon het u misschien gelukken hem er toe te brengen te eten en te slapen. Daarmee kunt ge zijn leven vele dagen verlengen.”
De slaaf voerde Faustina langs velerlei gangen en binnenplaatsen naar een terras, waar Tiberius zich gewoonlijk ophield om het uitzicht te genieten over de heerlijke baaien en den trotschen Vesuvius. Toen Faustina op het terras kwam, zag ze daar een griezelig wezen met een opgezwollen gezicht en dierlijke trekken. Zijn handen en voeten waren met witte verbanden omwonden maar uit het verband staken hier en daar half verteerde vingers en teenen, en de kleeren van dien mensch waren stoffig en vuil.
Men kon begrijpen, dat hij niet in staat was rechtop te gaan, maar op het terras had moeten kruipen.
Hij lag met gesloten oogen bij de balustrade en bewoog zich niet, toen de slaaf en Faustina aankwamen.
Maar Faustina fluisterde den slaaf, die voor haar liep, toe: „Maar Milo, hoe kan zulk een mensch hier op het terras van den keizer zelf komen? Breng hem gauw weg.”
Maar nauwelijks had zij dat gezegd, of ze zag hoe de slaaf zich ter aarde boog voor den ellendige, die daar lag.
„Caesar Tiberius,” zei hij, „ik heb u eindelijk een blijde boodschap te brengen.”
Op dat oogenblik wendde de slaaf zich naar Faustina, maar toen week hij verbaasd achteruit en kon geen woord meer uitbrengen.
Hij zag niet meer de trotsche matrone, die er zoo sterk had uitgezien, dat men had kunnen verwachten, dat haar leeftijd zoo hoog zou worden als die van een sibylle. In dat oogenblik was ze ineen gezonken als in machteloozen ouderdom. En de slaaf zag voor zich een gebogen oude vrouw met somberen blik en tastende handen. Want wel had Faustina gehoord, dat de keizer vreeselijk veranderd moest wezen, maar ze had toch geen oogenblik opgehouden zich hem voor te stellen als den sterken, krachtigen man, dien zij het laatst gezien had. Zij had ook iemand hooren zeggen, dat deze ziekte langzaam werkte en dat die jaren noodig had om een mensch te veranderen.
Zij wankelde naar den keizer. Ze kon niet spreken, maar stond stil naast hem te schreien.
„Zijt ge nu gekomen, Faustina?” zei hij toen zonder de oogen te openen. „Ik lag hier en verbeeldde mij, dat ge bij mij stondt en om mij schreide. Ik durf niet opzien uit angst dat het maar een dwaling is.”
Toen zette de oude zich naast hem neer. Zij hief zijn hoofd op en legde het in haar schoot.
Maar Tiberius bleef stil liggen zonder haar aan te zien. Een gevoel van lieflijke rust kwam over hem en hij viel een oogenblik later in een gezonden slaap.