WeRead Powered by ReaderPub
Christuslegenden cover

Christuslegenden

Chapter 18: IX.
Open in WeRead

About This Book

Een verzameling legenden en korte vertellingen die bekende episodes uit het leven van Christus en bijbehorende volksverhalen opnieuw brengen. Elk stuk presenteert een zelfstandige episode — geboorte, vlucht naar Egypte, scènes in Nazareth en de tempel, mirakels en visionaire ontmoetingen — in de trant van mondelinge overlevering, met nadruk op wonderen, symboliek en menselijk mededogen. De verhalen mengen sober realisme en wonderlijke verschijnselen, geven stem aan eenvoudige getuigen en laten kleine, ontroerende details en morele reflecties op het geloof naar voren komen.

IX.

De oude Faustina was aan land gestapt in Capri en had den keizer opgezocht. Zij had hem alles verteld en terwijl ze sprak, durfde zij hem bijna niet aanzien. In haar afwezigheid was de ziekte op de vreeselijkste wijze toegenomen, en ze dacht: „Als er barmhartigheid bij de goden geweest was, zouden zij me hebben laten sterven eer ik dezen armen, gemartelden mensch zeggen moest, dat alle hoop voorbij is.”

Tot haar verbazing luisterde Tiberius met de grootste onverschilligheid naar haar. Toen ze vertelde hoe de groote wonderdoener gekruisigd was op denzelfden dag, dat zij in Jeruzalem aankwam, en hoe zij hem bijna gered had, begon zij te schreien door de pijn van die teleurstelling.

Maar Tiberius zei alleen:

„Treurt ge hier werkelijk over! Ach Faustina, heeft een heel leven in Rome u dan nog niet afgebracht van het geloof aan toovenaars en wonderdoeners, dat ge in uw kindsheid in de Sabijnerbergen hebt opgedaan?”

Toen zag de oude in, dat Tiberius nooit eenige hulp van den profeet van Nazareth verwacht had.

„Waarom liet ge mij die reis naar dat verre land doen als ge aldoor meendet dat het nutteloos zou zijn?”

„Gij zijt de eenige vriend, die ik bezit,” zei de keizer. „Waarom zou ik u een verzoek weigeren, zoolang ik de macht heb dit in te willigen?”

Maar de oude was er door gekwetst, dat de keizer haar misleid had.

„Dat is weer uw oude listigheid,” viel zij uit. „Dat is juist wat ik u ’t allerminst vergeven kan.”

„Ge hadt niet bij mij terug moeten komen,” zei Tiberius. „Ge hadt in uw bergen moeten blijven.”

Een oogenblik scheen het alsof die twee menschen, die al zoo dikwijls getwist hadden, weer tot een woordenstrijd zouden komen, maar de toorn van de oude vrouw was spoedig overgedreven. De tijd was voorbij, dat ze in ernst met den keizer twisten kon. Zij sprak zachter, hoewel ze nog niet laten kon een poging te wagen om gelijk te krijgen.

„Maar de man was werkelijk een profeet,” zei ze. „Ik heb hem gezien. Toen zijn oogen de mijne ontmoetten, geloofde ik, dat hij een god was. Ik was waanzinnig, toen ik hem in den dood liet gaan.”

„Ik ben blij, dat ge hem sterven liet,” antwoordde Tiberius. „Hij was een Majesteitsschenner en een oproerstichter.”

Weer was Faustina bijna boos geworden.

„Ik heb met veel van zijn vrienden te Jeruzalem over hem gesproken,” zei ze. „Hij heeft de misdaden, waarvoor hij is aangeklaagd, niet begaan.”

„Al heeft hij nu ook juist die misdaden niet begaan, dan is hij toch zeker niet beter dan iemand anders,” zei de keizer mat. „Waar is de mensch, die niet duizendmaal in zijn leven den dood verdient.”

Maar deze woorden van den keizer deden Faustina besluiten iets te doen, waarvoor ze tot nu toe nog teruggedeinsd was.

„Ik zal u toch een bewijs van zijn macht geven,” zeide ze. „Ik zei u daar straks, dat ik mijn zweetdoek over zijn gezicht legde. Dat is dezelfde doek, dien ik nu in mijn hand heb. Wilt ge dien een oogenblik bekijken?”

Zij spreidde den zweetdoek voor den keizer uit en hij zag daarop flauw het beeld van een menschengezicht.

De stem van de oude beefde van ontroering toen ze voortging: „Die man zag, dat ik hem liefhad. Ik weet niet door welke macht hij in staat was mij zijn beeld achter te laten. Maar mijn oogen komen vol tranen, zoo dikwijls ik het zie.”

De keizer boog zich voorover en zag naar het beeld, dat scheen geteekend met bloed en tranen en de zwarte schaduwen van de smart. Langzamerhand kwam het geheele gezicht voor hem op, zooals het op den zweetdoek was afgedrukt. Hij zag de bloeddroppels op het voorhoofd, de stekende doornenkroon, het haar, kleverig van bloed, en den mond, waarvan de lippen van lijden schenen te trillen.

Hij boog zich al dieper over het beeld. Al helderder en helderder kwam het gezicht te voorschijn en uit de schaduwachtige omtrekken zag hij opeens de oogen stralen, als van een verborgen leven. En op denzelfden tijd, dat ze tot hem spraken van het vreeselijkste lijden, toonden ze hem een reinheid en hoogheid, zooals hij nooit te voren had aanschouwd.

Hij lag op zijn rustbank en dronk het beeld met zijn oogen in. „Is dit een mensch?” zei hij, zacht en week. „Is dit een mensch?”

Weer lag hij stil naar het beeld te staren. De tranen begonnen over zijn wangen te stroomen. „Ik treur over uw dood, gij onbekende,” fluisterde hij.

„Faustina,” riep hij eindelijk uit, „waarom hebt gij dien mensch laten sterven! Hij zou mij genezen hebben.”

En weer verzonk hij geheel in ’t beschouwen van het beeld.

„Gij, mensch!” zeide hij na een poos. „Als ik van u mijn gezondheid niet herkrijgen kan, dan kan ik u toch wreken. Zwaar zal mijn hand rusten op hen, die mij u ontstolen hebben.”

Weer bleef hij lang liggen. Toen liet hij zich op den vloer glijden en viel voor het beeld op de knieën.

„Gij zijt de mensch!” zei hij. „Gij zijt, wat ik niet geloofd heb ooit te zullen zien.” En hij wees op zichzelf, op zijn verwoest gezicht en verteerde handen. „Ik en anderen zijn wilde dieren en monsters, maar gij zijt de mensch!”

Hij boog het hoofd zoo diep over ’t beeld, dat hij den grond raakte.

„Erbarm u over mij, gij onbekende,” zei hij, en zijn tranen bevochtigden de steenen. „Als gij in ’t leven gebleven waart, zou uw aanblik alleen mij genezen hebben.”

De arme oude vrouw schrikte van wat zij gedaan had. ’t Was beter geweest, als zij den keizer het beeld niet had laten zien, meende zij. Zij was van den beginne af bang geweest, dat zijn smart te groot zou zijn als hij het zag.

En in haar wanhoop over het verdriet van den keizer, trok zij het beeld naar zich toe, als om het uit zijn oogen weg te nemen.

Toen zag de keizer op. En zie, zijn gezicht was geheel veranderd, en hij was zooals hij vroeger geweest was. ’t Was alsof de ziekte wortel geslagen had in de haat en verachting voor de menschen, die in zijn hart gewoond hadden, en ze had moeten wijken op het oogenblik, dat hij liefde en medelijden voelde.

Den volgenden dag zond Tiberius drie boden af.

De eerste bode ging naar Rome, met het bevel dat de senaat een onderzoek in zou stellen naar de wijze waarop de landvoogd in Palestina zijn ambt bekleedde, en hem straffen als het mocht blijken, dat hij het volk verdrukte of onschuldigen ter dood veroordeelde.

De tweede ging naar den arbeider en zijn vrouw om hen te beloonen en te danken voor den raad, dien zij den keizer gegeven hadden en om hun tevens te zeggen hoe alles was afgeloopen. Toen ze alles gehoord hadden, schreiden ze stil en de man zei: „Ik weet, dat ik er heel mijn leven over peinzen zal wat er gebeurd zou zijn, als deze twee elkaar hadden ontmoet.”

Maar de vrouw antwoordde: „Het kon niet anders zijn. ’t Was een te groote gedachte dat deze twee elkaar zouden ontmoeten. God, de Heer, wist dat de wereld dit niet zou kunnen dragen.”

De derde bode ging naar Palestina en bracht van daar eenige van Jezus’ leerlingen naar Capri, en deze begonnen daar de leer te verkondigen, die de gekruiste gepredikt had.

Toen deze leeraren op Capri aankwamen lag de oude Faustina op haar sterfbed. Maar zij konden haar nog vóór haar dood tot een discipel van den Profeet maken en haar doopen. En zij noemden haar Veronica, omdat het haar gegeven was aan de menschen het ware beeld van hun Verlosser te brengen.