WeRead Powered by ReaderPub
Christuslegenden cover

Christuslegenden

Chapter 24: III.
Open in WeRead

About This Book

Een verzameling legenden en korte vertellingen die bekende episodes uit het leven van Christus en bijbehorende volksverhalen opnieuw brengen. Elk stuk presenteert een zelfstandige episode — geboorte, vlucht naar Egypte, scènes in Nazareth en de tempel, mirakels en visionaire ontmoetingen — in de trant van mondelinge overlevering, met nadruk op wonderen, symboliek en menselijk mededogen. De verhalen mengen sober realisme en wonderlijke verschijnselen, geven stem aan eenvoudige getuigen en laten kleine, ontroerende details en morele reflecties op het geloof naar voren komen.

De Kaarsvlam.

I.

Vele jaren geleden, toen de stad Florence pas een republiek geworden was, leefde daar een man, die Raniero di Ranieri heette. Hij was de zoon van een wapensmid en had zijn vaders handwerk geleerd, maar hij hield er niet veel van om het uit te oefenen.

Die Raniero was een buitengewoon sterk man. Men zei van hem, dat hij een zwaar ijzeren harnas even gemakkelijk droeg als een ander een zijden hemd. Hij was nog een jong man, maar hij had al vele bewijzen van zijn buitengewone kracht gegeven. Op een dag was hij in een huis, waar ze koren op den zolder gebracht hadden. Maar zij hadden daarboven te veel koren opgehoopt en terwijl Raniero zich in het huis bevond, brak een van de draagbalken; het heele dak stond op het punt van in te storten. Toen waren allen weggeloopen, behalve Raniero. Hij stak de armen op en hield het dak tegen, tot het den anderen gelukt was balken en stutten te halen, om het te steunen.

Men zei ook van Raniero, dat hij de dapperste man was, die ooit in Florence geleefd had en dat hij nooit genoeg van den strijd kon krijgen. Zoodra hij het een of ander rumoer op de straat hoorde, liep hij weg van de werkplaats in de hoop, dat er een gevecht was ontstaan, waar hij aan deel kon nemen. Als hij er maar op in kon slaan, vocht hij evenlief met eenvoudige landlieden als met geharnaste ridders. Hij vloog als een razende in den strijd, zonder rekening te houden met zijn tegenstanders.

Nu was Florence niet heel machtig in zijn tijd. Het volk daar bestond grootendeels uit wolspinners en lakenwevers, en die begeerden niet beter dan in vrede hun arbeid te verrichten. Er waren flinke mannen genoeg, maar zij waren niet strijdlustig, integendeel, zij stelden er een eer in, dat er in hun stad meer orde heerschte dan ergens anders.

Raniero klaagde er dikwijls over, dat hij niet in een land geboren was, waar een koning was, die dappere mannen om zich heen verzamelde, en hij zei, dat hij in dit geval tot groote eer en aanzien opgeklommen zou zijn.

Raniero was een pocher en een schreeuwer, wreed voor dieren, hard voor zijn vrouw, voor niemand prettig om mee samen te leven. Hij zou mooi geweest zijn als hij niet dwars over zijn gezicht verscheidene litteekens had gehad, die hem ontsierden. Hij was vlug in ’t besluiten, en in zijn manier van doen was iets grootsch, vaak ook iets ruws.

Raniero was getrouwd met Francisca, dochter van Jacopo degli Uberti, een wijs en machtig man.

Jacopo had niet veel lust om zijn dochter aan zoo’n vechtersbaas als Raniero te geven; en had zich lang tegen het huwelijk verzet. Francisca had hem gedwongen toe te geven, door te zeggen, dat ze nooit met iemand anders zou trouwen. Toen Jacopo eindelijk zijn toestemming gaf, had hij tegen Raniero gezegd: „Ik meen opgemerkt te hebben, dat mannen als gij de liefde van een vrouw gemakkelijker winnen dan die behouden. Daarom moet ge mij beloven, dat, als mijn dochter het zoo moeilijk bij u krijgt, dat zij naar mij wil terugkeeren, ge het haar niet beletten zult.”

Francisca zei, dat het onnoodig was zooiets te beloven, omdat ze Raniero zoo liefhad, dat niets hem van haar zou kunnen scheiden. Maar Raniero gaf die belofte dadelijk. „Daar kunt ge zeker van zijn, Jacopo,” zei hij; „dat ik nooit een vrouw zal terughouden, die van mij weg wil.”

Francisca ging nu bij Raniero inwonen, en alles was goed tusschen hen beiden. Toen ze eenige weken getrouwd waren, kreeg Raniero den inval, dat hij zich in het schijfschieten zou oefenen. Hij schoot eenige dagen op een bord, dat hij aan den muur hing. Hij was spoedig geoefend en trof iederen keer het doel. Eindelijk wilde hij eens probeeren op een moeilijker doel te schieten.

Hij keek rond naar iets geschikts, maar ontdekte niets dan een kwartel, die in een kooi boven de deur van de plaats zat. De vogel behoorde aan Francisca, en zij hield heel veel van het dier. Maar Raniero zond toch een knecht om de kooi open te maken, en schoot den kwartel toen hij opvloog, in de lucht.

Dat vond hij een mooi schot en hij beroemde er zich op bij iedereen, die het maar hooren wilde.

Toen Francisca hoorde, dat Raniero haar vogel doodgeschoten had, werd zij bleek en zag hem verbaasd aan. Het verwonderde haar, dat hij iets had willen doen, dat haar verdriet moest doen, maar zij vergaf het hem spoedig en had hem even lief als tevoren.

Alles ging nu een poos weer goed.

De schoonvader van Raniero, Jacopo, was linnenwever. Hij had een groote werkplaats, waar veel werk verricht werd. Raniero meende ontdekt te hebben, dat er hennep door het vlas gemengd was in Jacopo’s werkplaats en hij verzweeg dit niet, maar sprak er hier en daar in de stad over.

Eindelijk hoorde ook Jacopo die praatjes en hij trachtte ze dadelijk te stuiten. Hij liet door verscheidene andere linnenwevers zijn garen en weefstoelen onderzoeken, en zij vonden, dat het alles van het fijnste vlas was. Alleen in een pak, dat bestemd was om buiten Florence verkocht te worden, vonden ze eenig mengsel. Jacopo zei toen, dat dit bedrog gepleegd was buiten zijn weten door eenige van zijn knechten, maar hij begreep spoedig, dat hij dat den menschen moeilijk kon laten gelooven.

Hij had altijd een buitengewoon goeden naam gehad wat eerlijkheid betreft, en hij leed er onder, dat zijn eer was aangetast. Raniero daarentegen pochte er op, dat hij een bedrog ontdekt had en hij blufte er ook op, als Francisca het hoorde.

Zij voelde een groote droefheid en tegelijk dezelfde verbazing, als toen hij den vogel schoot. Terwijl ze daaraan dacht was het haar plotseling, alsof ze haar liefde voor zich zag liggen als een groot stuk schitterend goudbrocaat. Zij zag hoe groot en hoe glanzend het was. Maar van een hoek was een stuk afgeknipt, zoodat het niet zoo groot en heerlijk meer was als het vroeger geweest was.

Toch was het nog zoo weinig beschadigd, dat ze dacht: „Er is nog wel genoeg zoolang ik leef. Het is zoo groot, dat het nooit op kan raken.”

Weer ging een tijd voorbij, waarin zij en Raniero even gelukkig waren als in het eerst.

Francisca had een broeder, die Teddeo heette. Die was naar Venetië geweest voor handelszaken. Daar had hij kleeren gekocht van zij en fluweel, en toen hij thuis kwam, liep hij daarmee te pronken. Maar in Florence was het geen gewoonte zich kostbaar te kleeden, zoodat er velen waren, die met hem spotten.

Op een nacht waren Teddeo en Raniero in een herberg. Teddeo was gekleed met een groenen mantel met sabel gevoerd en een violet buis.

Raniero verleidde hem nu om zooveel wijn te drinken dat hij in slaap viel, nam toen zijn mantel en hing dien om een vogelverschrikker, die tusschen de kool stond.

Toen Francisca dit hoorde, werd zij weer boos op Raniero en op hetzelfde oogenblik zag zij het groote stuk goudbrocaat weer voor zich en het was haar, als zag zij het kleiner worden, doordat Raniero het eene stuk na het andere afknipte.

Na dien tijd werd het weer goed tusschen die beiden; maar Francisca was niet meer zoo gelukkig als vroeger. Want zij verwachtte voortdurend, dat Raniero het een of ander doen zou, dat haar liefde zou kunnen schaden.

Dit liet ook niet lang op zich wachten, want Raniero kon zich nooit rustig houden. Hij begeerde ook, dat de menschen altijd over hem zouden praten en zijn moed en onverschrokkenheid prijzen.

Op de domkerk, die vroeger in Florence was en die veel kleiner is dan de tegenwoordige, hing heel in de hoogte op den eenen toren een groot zwaar schild, dat daar gebracht was door een van Francisca’s voorvaderen. Het was het zwaarste schild, dat eenig man in Florence had kunnen dragen en allen in de familie Uberti waren er trotsch op, dat een van hen in den toren had kunnen klimmen en het daar ophangen.

Maar nu klom Raniero op een dag naar het schild, hing het op den rug, en kwam er mee naar beneden.

Toen Francisca dat hoorde, sprak zij voor het eerst met Raniero over wat haar hinderde en ze vroeg hem, dat hij toch niet op die manier zou trachten het geslacht te vernederen, waartoe zij behoorde.

Raniero, die verwacht had, dat ze hem zou prijzen voor zijn moed, werd heel boos. Hij antwoordde, dat hij al lang gemerkt had, dat ze zich niet verheugde in zijn voorspoed, maar alleen aan haar eigen familie dacht.

„Ik denk aan iets anders,” zei Francisca; „en dat is mijn liefde; ik weet niet hoe het daarmee gaan moet, als je op die manier voortgaat.”

Hierna kwamen ze er dikwijls toe, booze woorden te wisselen, want Raniero deed bijna altijd juist dat wat Francisca het minst van al kon verdragen.

Op Raniero’s werkplaats was een knecht, die klein en mank was. Die man had Francisca liefgehad vóór ze trouwde. En hij bleef haar liefhebben ook na haar huwelijk.

Raniero, die dat wist, begon den gek met hem te steken, vooral als ze aan tafel zaten. En eindelijk ging het zoo ver, dat de man, die niet verdragen kon belachelijk gemaakt te worden in het bijzijn van Francisca, op een dag op Raniero aanvloog en met hem wilde vechten.

Maar Raniero lachte hoonend en schopte hem op zij.

Toen meende de stumperd, dat hij niet langer leven kon. Hij ging weg en hing zich op.

Toen dat gebeurde waren Raniero en Francisca zoowat een jaar getrouwd. Het was Francisca aldoor als zag ze haar liefde voor zich als een schitterend stuk goudbrocaat, maar aan alle zijden waren er stukken afgesneden, zoodat het nauwlijks half zoo groot was als in den beginne.

Zij schrikte hevig toen zij dit zag en ze dacht: „Als ik nog een jaar bij Raniero blijf, zal hij mijn liefde vernielen. Ik word nog even arm als ik vroeger rijk geweest ben.”

Toen besloot ze Raniero’s huis te verlaten en bij haar vader te gaan wonen, opdat de dag niet komen zou, dat ze Raniero even sterk zou haten als ze hem nu liefhad.

Jacopo degli Uberti zat bij zijn weefgetouw met al zijn knechten om zich heen te werken, toen hij haar zag aankomen.

Hij zag, dat nu gebeurd was wat hij zoo lang verwacht had, en heette haar welkom. Hij liet dadelijk al zijn volk ophouden met werken, en beval hun zich te wapenen en het huis te sluiten.

Later ging Jacopo naar Raniero. Hij trof hem op de werkplaats.

„Mijn dochter is vandaag bij mij teruggekomen en heeft mij gevraagd, of ze weer onder mijn dak mag wonen,” zei hij tot zijn schoonzoon, „en nu verwacht ik, dat ge haar niet dwingt tot u terug te komen, volgens de belofte, die ge mij gedaan hebt.”

Raniero scheen dit niet heel ernstig op te nemen. Hij antwoordde heel kalm:

„Al had ik u ook niets beloofd, zou ik toch nooit een vrouw teruggeëischt hebben, die mij niet wil toebehooren.”

Hij wist hoe innig Francisca hem liefhad en hij zei in zich zelf: „Ze is vóór den avond alweer bij me terug.”

Maar zij verscheen niet; noch dien dag, noch den volgenden.

Den derden dag ging Raniero uit om een paar roovers te vervolgen, die reeds lang de Florentijnsche kooplieden hadden verontrust. Het gelukte hem ze te overwinnen en ze gevangen naar Florence te brengen. Hij bleef daar een paar dagen, tot hij zeker was dat dit heldenfeit de geheele stad door bekend zou worden, maar het ging niet zooals hij verwachtte.

Het bracht Francisca niet bij hem terug.

Raniero had nu den grootsten lust haar met de wet in de hand te dwingen bij hem terug te komen, maar hij vond, dat hij dat niet doen kon om zijn belofte. Maar het kwam hem toch onmogelijk voor in dezelfde stad te leven met de vrouw, die hem verlaten had en hij trok weg uit Florence.

Hij werd nu eerst soldaat bij de legioenen, en al spoedig werd hij aanvoerder van een vrijcorps en voerde vaak strijd en diende vele heeren.

Hij won veel eer als krijgsman, zooals hij altijd voorspeld had. Hij werd tot ridder geslagen door den Keizer en men rekende hem onder de groote mannen.

Eer hij uit Florence wegtrok, had hij een gelofte afgelegd bij een heilig Madonnabeeld in de domkerk, aan de heilige Maagd het voornaamste en beste te schenken wat hij in iederen strijd zou winnen. Voor dat beeld zag men voortdurend kostbaarder geschenken, die door Raniero waren geschonken.

Raniero wist dus, dat al zijn heldenfeiten in zijn geboortestad bekend waren. Hij was er heel verbaasd over, dat Francisca degli Uberti niet weer bij hem terugkwam, nu ze van al zijn voorspoed wist.

In dien tijd werden de kruistochten gepredikt om het Heilige Graf te bevrijden en Raniero nam het kruis aan en vertrok naar het Oosten. Gedeeltelijk verwachtte hij, dat hij daar in den vreemde een slot en een leengoed zou winnen om over te bevelen, ten deele dacht hij, dat hij nu in staat zou zijn zulke schitterende heldenfeiten te bedrijven, dat zijn vrouw hem weer lief zou krijgen en weer bij hem terug zou komen.—

II.

Den nacht, na den dag, dat Jeruzalem veroverd was, heerschte er groote vreugd in het leger der kruisvaarders buiten de stad.

Bijna in iedere tent werd een drinkgelag gehouden, en ver in ’t rond hoorde men gedruisch en gejoel.

Raniero di Ranieri zat ook met eenige krijgsmakkers te drinken en bij hem ging het bijna nog wilder toe dan ergens anders. De dienaren konden nauwlijks de bekers vullen, voor ze opnieuw geledigd waren.

Maar Raniero had alle reden om een groot feest te vieren, want hij had dien dag grooter eer behaald dan ooit te voren.

Dien morgen, toen de stad bestormd werd, was hij de eerste geweest, die de muren beklommen had, na Godfried van Bouillon. En op dien avond was hem eer bewezen om zijn dapperheid voor het heele leger.

Toen plundering en moord voorbij waren en de kruisvaarders in boethemden en met onaangestoken waskaarsen in de hand, in de Kerk van het Heilige Graf getrokken waren, was hem namelijk door Godfried aangezegd, dat hij de eerste wezen zou, die zijn licht mocht aansteken aan de heilige vlammen, die voor het graf van Christus brandden. Toen meende Raniero, dat Godfried hem op die wijze toonen wilde, dat hij hem voor den dapperste in het heele leger aanzag, en hij was zeer verheugd over de wijze, waarop hij voor zijn dapperheid beloond werd.

Laat in den nacht, toen Raniero en zijn gasten in de beste luim waren, kwamen een nar en een paar muzikanten, die door het heele kamp rondgeloopen en de menschen met hun invallen vermaakt hadden, in de tent van Raniero, en de Nar vroeg om toestemming om een vermakelijk verhaal te doen.

Raniero wist, dat die nar heel bekend was om zijn vroolijkheid, en hij beloofde naar zijn vertelling te luisteren.

„Het gebeurde eens,” zei de Nar, „dat Onze Lieve Heer en de heilige Petrus een heelen dag in den hoogsten toren op den burg in het Paradijs gezeten en naar de aarde gekeken hadden. Zij hadden zooveel gehad om op te letten, dat ze nauwlijks tijd hadden gehad een woord te wisselen. Onze Lieve Heer had al dien tijd heel stil gezeten, maar de heilige Petrus had nu eens in de handen geklapt van blijdschap, en dan weer met afschuw het hoofd gewend; nu eens had hij gejubeld en gelachen, en dan weer had hij geschreid en gejammerd.

Eindelijk, toen de dag ten einde liep, en de avondschemering over het Paradijs daalde, wendde Onze Lieve Heer zich tot den heiligen Petrus en zei, dat hij nu wel blij en tevreden moest zijn.

„Waar zou ik tevreden mee zijn?” vroeg de heilige Petrus heftig.

„Nu,” zei Onze Lieve Heer zachtmoedig, „ik dacht, dat je blij zou zijn met wat je vandaag gezien hadt.”

Maar de heilige Petrus wilde zich niet zachter laten stemmen.

„Het is waar,” zei hij, „dat ik er jaren lang over geklaagd heb, dat Jeruzalem in de macht van de ongeloovigen was, maar na wat er vandaag gebeurd is, dunkt mij, dat het evengoed had kunnen blijven zooals het was.”

Raniero begreep nu, dat de Nar spreken wou over wat er in den loop van den dag gebeurd was. Hij en de andere ridders begonnen met grooter belangstelling te luisteren dan in het begin.

„Toen de heilige Petrus dit gezegd had,” ging de Nar voort, terwijl hij een listigen blik op de ridders wierp, „boog hij zich over de tinnen van den toren en wees naar de aarde. Hij liet Onzen Lieven Heer een stad zien, liggend op een groote eenzame rots, die uit een bergdal naar boven stak.

„Ziet Ge die hoopen lijken daar,” zei hij; „en ziet Ge het bloed, dat op die straten stroomt en ziet Ge de naakte, ellendige gevangenen, die jammeren over den kouden nacht? En ziet Ge al die rookende brandhoopen?”

Onze Lieve Heer scheen niets te willen antwoorden.

Maar Petrus ging voort met zijn gejammer. Hij zei, dat hij wel dikwijls boos geweest was op die stad daar, maar zóó veel kwaad had hij haar nooit toegewenscht, dat zij ’t zoo slecht hebben zou.

Toen antwoordde Onze Lieve Heer eindelijk en trachtte een tegenwerping te maken.

„Je kunt toch niet ontkennen, dat de Christenridders hun leven gewaagd hebben met de grootste onverschrokkenheid.”

Hier werd de Nar in de rede gevallen door betuigingen van bijval, maar hij haastte zich met verder vertellen.

„Neen, stoor me niet,” zei hij, „nu weet ik niet meer waar ik gebleven ben. O ja, ’t is waar, ik wou juist zeggen, dat de heilige Petrus een paar tranen afdroogde die in zijn oogen kwamen en die hem beletten te zien. „Ik had nooit kunnen denken dat ze zulke wilde dieren waren,” zei hij. „Ze hebben den heelen dag gemoord en geplunderd. Ik begrijp heelemaal niet, dat Gij lust hadt U te laten kruisigen om zulke volgelingen te krijgen.”

De ridders namen die scherts goed op. Ze begonnen luid en vroolijk te lachen. „Wel zoo! is de heilige Petrus zoo boos op ons, Nar?” riepen ze.

„Houdt je nu stil en laat ons hooren of Onze Lieve Heer ons niet verdedigt,” zei een ander.

„Neen, Onze Lieve Heer zweeg vooreerst maar,” zei de Nar.

„Hij wist van ouds, dat als de heilige Petrus zoo aan den gang was, het niets hielp als hij tegengesproken werd. Hij praatte maar door, en zei, dat Onze Lieve Heer nu niet zeggen moest, dat ze eindelijk er aan dachten in welke stad ze waren, en naar de kerk gingen in boethemden en op bloote voeten. Die godsdienstoefening duurde niet zoo lang, dat het de moeite waard was er over te praten. En daarop boog hij zich nog eens neer over de tinnen van den toren en wees naar beneden naar Jeruzalem. Hij wees op het leger van de Christenen buiten de stad. „Ziet Gij nu hoe Uw ridders hun overwinning vieren?” vroeg hij.

En Onze Lieve Heer zag, dat er overal in ’t leger een drinkgelag gehouden werd. Ridders en krijgsknechten zaten naar Syrische danseressen te kijken. Gevulde bekers gingen rond; met dobbelsteenen verspeelde men den buit en....”

„Men luisterde naar Narren, die domme verhalen deden,” viel Raniero in. „Was dat ook niet een groote zonde?”

De Nar lachte en knikte Raniero toe alsof hij zeggen wilde: „Wacht maar, dat zal ik je wel betaald zetten.”

„Neen, val me nou niet in de rede,” verzocht hij weer. „Een arme Nar vergeet zoo licht wat hij zeggen wou. O ja, dit was het: „De heilige Petrus vroeg Onzen Lieven Heer met zijn strengste stem, of Hij veel eer behaalde met dat volk daar. En hierop moest Onze Lieve Heer wel antwoorden, dat hij dat niet zeggen kon.

„Ze waren roovers en moordenaars, eer ze van huis gingen,” zei de heilige Petrus, „en roovers en moordenaars zijn ze nog op dezen dag. Dit werk hadt Ge evengoed ongedaan kunnen laten, daar komt niets goeds van terecht.”

„Nar, Nar,” zei Raniero waarschuwend. Maar de Nar scheen er een eer in te stellen te probeeren hoe ver hij gaan kon, zonder dat iemand opvloog en hem de deur uitgooide, en hij ging onvervaard voort.

„Onze Lieve Heer boog het hoofd als iemand, die erkent dat hij met recht bestraft wordt, maar in ’t volgend oogenblik boog Hij zich haastig voorover en zag nog oplettender naar beneden dan vroeger.

De heilige Petrus keek toen ook naar beneden. „Waar ziet Ge naar?” vroeg hij verwonderd.”

De Nar vertelde dit met een zeer levendige mimiek. Alle ridders zagen Onzen Lieven Heer en Petrus voor zich, en ze waren nieuwsgierig wat Onze Lieve Heer in ’t oog gekregen had.

„Onze Lieve Heer antwoordde, dat ’t niets bijzonders was,” zei de Nar, „maar Hij bleef toch steeds naar beneden kijken. De heilige Petrus volgde de richting van Zijn blikken en hij kon niets anders zien dan dat Onze Lieve Heer naar een groote tent zat te kijken, waar buiten een paar Saracenenkoppen op lange lansen stonden en waar een menigte prachtige matten, gulden bokalen en kostbare wapens, die uit de heilige stad waren weggenomen, lagen opgestapeld. In die tent ging het op dezelfde wijze toe als overal elders in het leger. Daar zaten scharen ridders en ledigden de bekers. ’t Eenige verschil was, dat er daar meer gedruisch was en meer gedronken werd dan ergens anders. De heilige Petrus kon niet begrijpen waarom Onze Lieve Heer zoo blij was toen Hij daarheen keek, dat de vreugd in Zijn oogen schitterde. Zooveel strenge en schrikwekkende gezichten als hij daar bijeen zag, meende hij nooit te voren om een feestdisch bijeen gezien te hebben. En hij, die gastheer was op dit feest, was de vreeselijkste van allen, ’t Was een man van vijfendertig jaar, vreeslijk groot en grof, met een koperrood gezicht, doorsneden met litteekens en schrammen, met harde vuisten en sterke, luidruchtige stem.”

Hier hield de Nar een oogenblik op, alsof hij bang was om verder te gaan, maar Raniero en de anderen vonden het wel aardig om hem over henzelf te hooren spreken en zij lachten maar om zijn onbescheidenheid.

„Je bent een brutale kerel,” zei Raniero, „laat ons nu eens hooren waar je heen wilt.”

„Eindelijk zei Onze Lieve Heer iets,” ging de Nar voort, „dat maakte, dat de heilige Petrus begreep waarom Hij zoo blij was. Hij vroeg den heiligen Petrus of hij goed zag, of het werkelijk zoo was, dat een van de ridders een brandende kaars naast zich had.”

Raniero voelde een schok door de leden bij deze woorden. Hij werd nu eerst recht boos op den Nar en strekte de hand uit naar een zware wijnkan om hem die in ’t gezicht te werpen, maar hij bedwong zich om te hooren of wat die kerel daar zei hem tot eer of oneer zou strekken.

„De heilige Petrus zag nu,” vertelde de Nar, „dat hoewel de tent overigens door fakkels verlicht was, een van de ridders een brandende kaars naast zich had. ’t Was een groote dikke kaars, een die er op berekend was een dag en een nacht te branden. De ridder, die geen kandelaar had om ze in te zetten, had een massa steenen bij elkaar gezocht en er omheen gelegd om ze overeind te houden.”

’t Gezelschap barstte in luid lachen uit bij deze woorden. Allen wezen op een kaars, die naast Raniero op tafel stond en die heelemaal zoo was als de Nar beschreven had. Maar Raniero steeg het bloed naar het hoofd, want dit was de kaars, die hij een paar uur geleden aan het Heilige Graf had aangestoken. Hij had ’t niet over zich kunnen verkrijgen, die uit te laten gaan.

„Toen de heilige Petrus die kaars daar zag,” zei de Nar, „werd het hem natuurlijk duidelijk waar Onze Lieve Heer blij om was, maar toch kon hij niet laten een beetje medelijden met Hem te hebben.”

„Nu ja,” zei hij, „dat is die ridder, die vanmorgen op den muur sprong na den Heer van Bouillon en die vanavond zijn kaars vóór alle anderen mocht aansteken aan het Heilige Graf.”

„Ja, zoo is het,” zei Onze Lieve Heer, „en zooals je ziet, heeft hij zijn kaars nog aan.”

De Nar sprak nu heel snel, terwijl hij telkens een loerenden blik op Raniero wierp: „De heilige Petrus kon maar steeds niet laten een beetje medelijden met Onzen Lieven Heer te hebben. „Kunt Ge niet begrijpen waarom hij die kaars nog aan heeft?” zei hij. „Ge meent zeker, dat hij aan Uw lijden en dood denkt, als hij er naar kijkt. Maar hij denkt aan niets anders dan aan de eer, die hij won toen hij erkend werd als de dapperste in ’t leger naast Godfried van Bouillon.”

Bij deze woorden lachten alle gasten van Raniero. Raniero was heel boos, maar hij dwong zich om meê te lachen. Hij wist, dat allen het dwaas zouden vinden, als hij een beetje scherts niet had kunnen verdragen.

„Maar Onze Lieve Heer sprak Petrus tegen,” zei de Nar. „Zie je niet hoe bang hij voor die kaars is?” vroeg Hij. „Hij houdt de hand voor de vlam, zoodra iemand de tent uit of in gaat, uit angst dat ze uitwaaien zal. En hij is aldoor bezig de nachtvlinders weg te jagen, die er omheen vliegen en dreigen ze uit te blazen.”

Men lachte al luider, want wat de Nar zei was de zuivere waarheid. Raniero had steeds meer moeite zich te bedwingen. Hij voelde, dat hij niet verdragen kon, dat iemand over de heilige kaarsvlam schertste.

„De heilige Petrus was nog wantrouwend,” ging de Nar voort. „Hij vroeg Onzen Lieven Heer of hij dien ridder wel kende, „hij hoort juist niet tot hen, die dikwijls naar de mis gaan of het bidbankje verslijten.” zei hij.

Maar Onze Lieve Heer liet zich niet overtuigen. „Heilige Petrus, heilige Petrus,” zei hij. „Onthoud nu, dat die ridder daar vromer dan Godfried worden zal. Van waar zal zachtheid en vroomheid uitgaan als ’t niet van mijn graf is? Ge zult zien hoe Raniero weduwen en noodlijdende gevangenen helpt. Ge zult hem zieken en bedroefden zien verzorgen, zooals hij nu de heilige kaarsvlam verzorgt.”

Hierom lachte men uitbundig. Dat kwam allen, die Raniero’s karakter en levenswijze kenden, zoo vermakelijk voor. Maar hij zelf vond èn die scherts èn dat lachen onverdraaglijk. Hij vloog op en wilde den Nar terechtwijzen en daarbij stootte hij zoo heftig tegen de tafel, die niet anders was dan een deur, die op een paar schragen gelegd was, dat die wankelde, en de kaars omviel. Toen bleek het hoe Raniero er op gesteld was, de kaars brandende te houden. Hij bedwong zijn toorn, zoodat hij den tijd nam ze op te nemen en de vlam weer aan te wakkeren, eer hij op den Nar aanliep. Maar toen hij met de kaars klaar was, had de Nar de tent al verlaten en Raniero begreep, dat het de moeite niet loonen zou hem in het duister van den nacht te vervolgen. „Ik zal hem op een anderen keer wel krijgen,” dacht hij, en ging weer zitten.

De gasten hadden intusschen uitgelachen en een van hen wendde zich tot Raniero en wilde de scherts voortzetten: „Er is toch één ding wat zeker is, Raniero, en dat is, dat je dezen keer niet het kostbaarste wat je in den strijd gewonnen hebt, naar de Madonna in Florence kunt sturen.”

Raniero vroeg waarom hij meende, dat hij dezen keer zijn oude gewoonte niet volgen zou.

„Nergens anders om,” zei de ridder, „dan dat het kostbaarste wat je gewonnen hebt die kaarsvlam daar is, die je onder de oogen van het heele leger in de kerk van het Heilige Graf hebt aangestoken. En die kun je toch niet naar Florence zenden.”

Weer lachten de andere ridders, maar Raniero was nu in een stemming, dat hij het onmogelijkste gedaan zou hebben om aan hun lachen een eind te maken. Hij nam een snel besluit, riep een ouden wapendrager en zei tot hem: „Maak je gereed, Giovanni, voor een groote reis, morgen moet je naar Florence met de heilige kaarsvlam.”

Maar de wapendrager antwoordde knorrig „neen” op dit bevel. „Dat is iets wat ik niet op mij nemen wil,” zeide hij. „Hoe zou het mogelijk zijn naar Florence te reizen met een kaarsvlam? Die zou uit zijn, voor ik buiten de legerplaats was.”

Raniero vroeg den een na den ander van zijn mannen. Hij kreeg van allen hetzelfde antwoord; zij schenen zijn bevel niet eens ernstig op te nemen. Het was natuurlijk, dat de vreemde ridders die zijn gasten waren, al luider en vroolijker begonnen te lachen, toen het bleek, dat geen van Raniero’s mannen zijn bevel wilde uitvoeren. Raniero geraakte in de hevigste opgewondenheid. Eindelijk verloor hij zijn geduld en riep uit: „Die kaarsvlam zal toch naar Florence gebracht worden en nu niemand dat aandurft zal ik het zelf doen.”

„Bedenk u wel voor gij zooiets belooft,” zei een ridder, „gij laat hier een vorstendom achter.”

„Ik zweer u, dat ik die kaarsvlam naar Florence zal brengen,” riep Raniero, „ik zal doen wat niemand anders heeft aangedurfd.”

De oude wapendrager verdedigde zich: „Heer, voor u is het iets anders, gij kunt een groot gevolg meenemen, maar mij wildet gij alleen zenden.”

Maar Raniero was buiten zichzelf en overwoog zijn woorden niet. „Ik zal ook alleen reizen,” zei hij.

Maar hiermee had Raniero zijn doel bereikt. Allen in de tent hadden met lachen opgehouden; zij zaten hem verschrikt aan te staren.

„Waarom lach jelui niet meer?” vroeg Raniero. „Die onderneming is maar een kinderspel voor een dapper man.”

III.

Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag steeg Raniero te paard. Hij was gekleed in volle wapenrusting, maar daar overheen had hij een groven pelgrimsmantel geworpen, opdat de ijzeren kleedingstukken niet al te zeer door de zon verhit zouden worden. Hij was met een zwaard en strijdknots gewapend, en hij reed op een goed paard. Hij hield een brandende kaars in de hand en aan zijn zadel had hij een paar groote bossen lange kaarsen vastgemaakt, zoodat de vlam niet zou behoeven uit te gaan door gebrek aan voedsel. Raniero reed langzaam door de lange drukke rijen tenten en zoolang ging alles goed. Het was nog zoo vroeg, dat de nevels, die uit de diepe dalen om Jeruzalem heen opstegen, nog niet opgetrokken waren, en Raniero reed voort als door een witten nacht. Het heele leger sliep en Raniero kwam gemakkelijk voorbij de wachtposten. Geen van hen riep hem aan, want de dichte nevel belette hun hem te zien, en op de wegen lag een voet hoog mul stof, dat de hoefslagen van het paard onhoorbaar maakte. Raniero was spoedig buiten het leger en nam den weg, die naar Joppe leidde.

Hij had nu een beteren weg, maar hij ging steeds heel langzaam voort, ter wille van de kaarsvlam. Die brandde slecht, met een rood trillend schijnsel, in den dikken nevel. Voortdurend kwamen er groote insecten, die met klapperende vleugelslagen recht op de vlam afvlogen.

Raniero had de handen vol om die te beschermen, maar hij was heel opgewekt en vond aldoor, dat wat hij op zich genomen had zoo gemakkelijk was, dat een kind het wel had kunnen doen.

Intusschen werd het paard dat langzaam loopen moe. Toen begon de kaarsvlam door den tocht te flikkeren. Het hielp niet, dat Raniero ze met den mantel trachtte te beschutten. Hij zag dat zij op het punt was om uit te gaan.

Maar hij had geen lust de zaak zoo gauw op te geven. Hij hield het paard in en zat een poos stil na te denken. Hij sprong eindelijk uit het zadel en probeerde er achterste voor op te gaan zitten, zoodat hij met zijn lichaam de vlam voor wind en tocht beschutte. Op die manier gelukte het hem die aan te houden, maar hij merkte nu, dat de tocht moeilijker zou worden dan hij in het begin gedacht had. Toen hij over de bergen gekomen was, die Jeruzalem omgeven, was de nevel opgetrokken. Hij reed nu in de grootste eenzaamheid. Daar waren geen menschen of gehuchten of groene boomen en gewassen,—enkel kale heuvels.

Hier werd Raniero door roovers aangevallen; het waren losloopende mannen, die zonder vergunning het leger volgden en van roof en plundering leefden. Zij hadden achter een bergje gelegen en Raniero, die achteruit reed, had ze niet gezien, voor ze hem reeds omringd hadden en hun zwaarden tegen hem ophieven. Het waren twaalf mannen, ze zagen er ellendig uit en reden op slechte paarden. Raniero zag dadelijk, dat het hem niet moeilijk zou vallen zich door den troep heen te slaan en weg te rijden. Maar hij begreep, dat hij dat niet doen kon, zonder de kaars weg te werpen, en hij vond toch, dat hij na de fiere woorden, die hij den vorigen nacht gesproken had, zich niet zoo spoedig van zijn plan kon laten afbrengen. Hij zag dus geen anderen uitweg dan een overeenkomst met de roovers te sluiten. Hij zei tegen hen, dat daar hij zoo goed gewapend was en een flink paard bereed het hun moeilijk vallen zou hem te overwinnen als hij zich verdedigde, maar daar hij zich gebonden voelde door een gelofte, wilde hij geen weerstand bieden, maar hen laten nemen wat zij wilden zonder strijd, als zij maar beloofden zijn licht niet uit te blazen.

De roovers hadden een harden strijd verwacht. Zij waren heel blij met het voorstel van Raniero, en begonnen hem dadelijk te plunderen. Zij namen hem zijn wapenrusting en zijn paard af, zijn wapens en zijn geld. ’t Eenige wat ze hem lieten behouden was de grove mantel en de beide bossen kaarsen. En ze hielden ook eerlijk hun woord en bliezen zijn kaars niet uit.

Een van hen was op Raniero’s paard gesprongen. Toen hij merkte hoe goed dat was scheen hij een beetje medelijden met den ridder te krijgen. Hij riep hem toe: „Zie eens, we zullen niet al te hard zijn voor een Christen. Ge kunt mijn oud paard krijgen om op te rijden.”

Dat was een ellendig oud dier. Het bewoog zich zoo langzaam en stijf, alsof het van hout was.

Toen de roovers eindelijk weg waren en Raniero op dat oude paard ging zitten, zei hij in zich zelf: „Ik moet betooverd zijn door die kaarsvlam. Ter wille van dat lichtje moet ik nu over den weg rijden als een dwaze bedelaar.”

Hij begreep, dat hij wijs zou doen met om te keeren, omdat de onderneming in werkelijkheid onuitvoerbaar was. Maar zulk een sterk verlangen om het tòch te doen was over hem gekomen, dat hij den lust niet kon weerstaan het door te zetten.

Hij trok dus verder. Voortdurend zag hij dezelfde kale, lichtgele heuvels om zich heen.

Na een poos reed hij voorbij een jongen herder, die vier geiten hoedde. Toen Raniero de dieren zag grazen op het naakte veld, dacht hij in zich zelf: „Zouden ze aarde eten?”

De herder daar had waarschijnlijk een grooter kudde gehad, die hem door de kruisvaarders afgestolen is. Toen hij nu een eenzaam Christen zag rijden, trachtte hij hem zooveel kwaad te doen als hij kon. Hij snelde op hem af en sloeg met zijn staf naar zijn kaars. Raniero was zoo gebonden door de vlam, dat hij zich niet eens tegen een herder verdedigen kon. Hij trok alleen de kaars wat dichter naar zich toe om die te beschutten. De herder sloeg er nog een paar keer naar, maar toen bleef hij verwonderd staan en hield op met slaan. Hij zag dat Raniero’s mantel in brand geraakt was, maar dat hij niets deed om het vuur te stuiten, zoolang de vlam in gevaar was. Men kon aan den herder zien, dat hij zich schaamde. Hij liep Raniero lang na, en op een plaats, waar de weg heel smal was en tusschen twee afgronden doorliep, kwam hij naar hem toe en leidde het paard voor hem.

Raniero lachte en dacht, dat de herder hem zeker voor een heilige hield, die boete deed.

Tegen den avond kwam Raniero weer menschen tegen. Het gerucht van den val van Jeruzalem was in den afgeloopen nacht al tot de kust doorgedrongen, en een menigte menschen hadden zich gereedgemaakt om daarheen te trekken. ’t Waren pelgrims, die jaren lang op de gelegenheid gewacht hadden om in Jeruzalem te komen. ’t Waren nieuw aangekomen troepen, en voor alles kooplieden, die zich er heen spoedden met ladingen levensmiddelen.

Toen deze scharen Raniero tegenkwamen, die achteruit aan kwam rijden, met een brandende kaars in de hand, riepen ze: „Een gek, een gek!”

De meesten waren Italianen, en Raniero hoorde hoe ze riepen in zijn eigen taal: „pazzo, pazzo!” dat beteekent: „een gek, een gek!”

Raniero, die zich den heelen dag zoo goed had weten te bedwingen, werd hevig verontwaardigd door deze, telkens weerkomende uitroepen. Opeens sprong hij uit den zadel en begon met zijn harde vuisten de roependen te tuchtigen. Toen de menschen voelden hoe zwaar de slagen aankwamen gingen ze allen spoedig op de vlucht en hij stond spoedig alleen op den weg.

Raniero kwam nu weer tot zichzelf. „Ze hadden wel gelijk toen ze je „pazzo” noemden,” zei hij tot zich zelf, terwijl hij naar de kaars keek; want hij wist niet waar die gebleven was. Eindelijk zag hij, dat die van den weg was afgerold in een greppel. De vlam was uit, maar hij zag vuur glinsteren in een droog bosje gras daar dicht bij en hij begreep dat het geluk hem gediend had, zoodat de kaars het gras had kunnen aansteken vóór ze was uitgegaan.

„Dat was bijna een erbarmelijk eind van veel moeite geweest,” dacht hij, terwijl hij de kaars aanstak en zich weer in den zadel zette. Hij was heel ootmoedig gestemd. Het scheen hem niet heel waarschijnlijk, dat zijn tocht hem zou gelukken.

Tegen den avond kwam Raniero in Ramle aan en reed naar een plaats, die de karavanen gewoonlijk voor nachtherberg gebruiken. ’t Was een groote, overbouwde plaats. Daar omheen waren met balken omheinde plaatsen, waar de reizigers hun paarden konden zetten. Daar waren geen kamers, maar de menschen moesten bij de dieren slapen.

’t Was er overvol met menschen, maar de waard maakte toch plaats voor Raniero en zijn paard. Hij gaf ook voer aan de dieren en een middagmaal aan hun heer.

Toen Raniero merkte, dat hij zoo goed behandeld werd, dacht hij: „Ik begin haast te gelooven, dat de roovers mij een dienst gedaan hebben door mij mijn wapenrusting af te nemen. Ik kom zeker gemakkelijker door de wereld, als men mij voor een gek houdt.”

Toen Raniero zijn paard naar den stal leidde ging hij op een bos stroo zitten, en hield de kaars in de handen. ’t Was zijn bedoeling niet te slapen; hij zou den heelen nacht waken. Raniero was toch maar nauwelijks gaan zitten of hij sliep in. Hij was vreeselijk moe, hij strekte zich in den slaap uit zoo lang hij was, en sliep door tot den morgen. Toen hij wakker werd zag hij geen vlam en geen kaars, hij zocht in het stroo naar de kaars, maar vond die nergens.

„Iemand moet ze weggenomen hebben en uitgedaan,” zei hij. En hij probeerde te gelooven, dat hij blij was, omdat alles nu voorbij was en hij geen onmogelijke onderneming te volbrengen had.

Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij dit dacht, kreeg hij een gevoel van leegte en gemis. Hij had nooit zooveel lust gehad te slagen met iets wat hij zich voorgenomen had.

Hij bracht het paard naar buiten, roskamde en zadelde het.

Toen hij klaar was kwam de waard van de herberg naar hem toe met een brandende kaars. Hij zei tegen hem in het frankisch: „Ik moest u gister uw kaars afnemen, omdat gij in slaap gevallen waart, maar hier hebt gij ze weer.”

Raniero liet niets merken maar zei heel kalm: „Het was verstandig van u dat gij ze uitgedaan hebt.”

„Ik heb ze niet uitgedaan,” zei de man, „ik zag dat ze brandde toen gij hier kwaamt en ik meende, dat het van belang voor u was dat ze zou blijven branden. Als gij ziet hoeveel kleiner ze geworden is zult gij wel begrijpen, dat ze den heelen nacht gebrand heeft.”

Raniero straalde van blijdschap, hij prees den waard zeer en reed verder in de beste stemming.

IV.

Toen Raniero van Jeruzalem wegging was hij voornemens over zee van Joppe naar Italië te gaan. Maar hij veranderde van besluit toen de roovers hem zijn geld afgenomen hadden, en besloot over land te reizen.

Dat werd een lange reis; hij trok van Joppe noordwaarts naar de kust van Syrië. Vandaar ging de reis naar ’t westen langs het schiereiland van Klein-Azië. Later weer naar het noorden heel tot Konstantinopel. En van daar was het nog ver tot Florence.

Al dien tijd leefde Raniero van vrome giften. Meestal waren het de pelgrims, die nu in menigte naar Jeruzalem stroomden, die hun brood met hem deelden.

Hoewel Raniero bijna altijd alleen reed, werden zijn dagen toch niet lang of eentonig. Hij moest aldoor op de kaarsvlam passen en hij was daar nooit rustig over. Er was maar een windzuchtje noodig, of een waterdroppel en alles was uit! Terwijl Raniero op eenzame wegen reed, en er alleen maar aan dacht zijn vlam brandend te houden, schoot het hem te binnen, dat hij vroeger nog eens zooiets had bijgewoond. Hij had nog eens een mensch iets zien bewaken, dat even teer was als een kaarsvlam. Dat stond hem in ’t begin zoo flauw voor den geest, dat hij zich afvroeg of ’t ook iets was dat hij gedroomd had.

Maar terwijl hij zoo alleen door het land trok, kwam het hem onophoudelijk voor, dat hij zooiets al eens beleefd had.

„Het is alsof ik mijn heele leven van niets anders gehoord heb,” zei hij.

Op een avond reed Raniero een stad binnen. ’t Was avond en de huismoeders stonden in de deur en keken uit naar haar man. Raniero zag toen een van haar, die lang en teer was en ernstige oogen had. Zij herinnerde hem aan Francesca degli Uberti.

Op hetzelfde oogenblik werd het Raniero duidelijk waar hij over had loopen denken. Hij dacht er aan, dat voor Francesca haar liefde als een kaarsvlam geweest was, die ze brandend had willen houden, en dat ze aanhoudend bang geweest was, dat Raniero die uit zou dooven. Hij was verbaasd over die gedachte, maar hij werd er meer en meer van overtuigd, dat het zoo was. Voor het eerst begon hij te begrijpen waarom Francesca hem verlaten had, en dat het niet met wapenfeiten was, dat hij haar zou terugwinnen.

De reis, die Raniero deed, werd heel lang. En niet het minst omdat hij niet buiten wezen kon, wanneer het weer ongunstig was. Hij zat dan in de herberg en paste op de kaarsvlam. Dat waren heel moeilijke dagen.

Op een dag, dat Raniero over den berg Libanon trok zag hij, dat er een onweer begon op te komen; hij was toen hoog op den berg tusschen vreeselijke afgronden en steilten, ver van iedere menschenwoning. Eindelijk ontdekte hij op een rotspunt een Saraceensch heiligengraf. ’t Was een klein vierkant gebouwtje van steen, met een gewelfd dak. Hij vond, dat het ’t beste was, daar zijn toevlucht te nemen.

Nauwelijks was Raniero daar binnen gekomen, of er barstte een sneeuwstorm los, die twee dagen aaneen raasde. En tegelijk werd het zoo vreeselijk koud, dat hij bijna doodgevroren was. Raniero wist, dat er buiten op den berg veel rijs en takjes te vinden waren, zoodat het niet moeilijk voor hem geweest zou zijn brandhout te verzamelen en vuur aan te maken. Maar hij vond de kaarsvlam, die hij droeg, heel heilig, en wilde er niets anders meê aanmaken dan kaarsen voor ’t altaar van de Heilige Maagd.

’t Onweer werd al erger en eindelijk hoorde hij den donder rollen en zag hij de bliksemstralen.

En een bliksemstraal sloeg in op den berg dicht voor ’t graf en stak een boom in brand. En zoo kreeg Raniero zijn vuur aan zonder dat hij het heilige licht hoefde te gebruiken.

Toen Raniero door een eenzaam gedeelte in een bergstreek in Sicilië reed, raakten zijn kaarsen op. De bossen, die hij met zich meegenomen had uit Jeruzalem, waren al lang verbruikt, maar hij had zich toch kunnen redden, doordat er langs den heelen weg christelijke gemeenten waren, waar hij om nieuwe kaarsen gebedeld had. Maar nu was zijn voorraad op en hij dacht, dat nu wel het einde van zijn tocht naderen zou.

Toen de kaars zoo ver opgebrand was, dat de vlam hem de hand verbrandde, sprong hij van het paard en raapte takjes en dor gras op en stak die aan met het laatste vlammetje. Maar er was niet veel op dien berg, dat branden kon en het vuur zou spoedig opgebrand zijn.

Terwijl Raniero daar zat en er over treurde, dat de heilige vlam sterven moest, hoorde hij gezang op den weg en een processie van pelgrims kwam het pad op met kaarsen in de hand. Zij waren op weg naar een grot waar een heilige geleefd had en Raniero ging meê. Onder hen was een oude vrouw, die moeilijk liep en Raniero hielp haar den berg op.

Toen zij hem later dankte, gaf hij haar een teeken, dat ze hem haar kaars geven zou. En dat deed ze en ook vele anderen gaven hem de kaarsen, die ze droegen.

Hij blies de kaarsen uit en spoedde zich ’t pad af en stak een van de kaarsen aan met het laatste vonkje van het vuur, dat met de heilige vlam was aangemaakt.

Op een middag was het heel warm en Raniero was gaan liggen slapen in een groep dichte struiken. Hij sliep vast en de kaars stond naast hem tusschen een paar steenen, maar toen hij een poos geslapen had, begon het te regenen en het duurde tamelijk lang eer hij wakker werd. Toen hij eindelijk uit den slaap opsprong was de grond om hem heen nat, en hij durfde nauwelijks naar de kaars zien uit angst, dat ze uit zou zijn.

Maar de kaars brandde kalm en stil midden in den regen en Raniero zag dat dit kwam doordat een paar vogeltjes een eind boven de vlam heen en weer fladderden. Zij streelden elkaar met de snavels en hielden de wiekjes uitgespreid, en zoo hadden zij de vlam voor den regen beschut.

Raniero nam dadelijk de muts op en hing die boven de vlam. Toen strekte hij de hand uit naar de vogeltjes, want hij had lust ze te streelen. En geen van beide vloog voor hem weg, maar hij kon ze vangen. Raniero was er zeer verbaasd over, dat de vogels niet bang voor hem waren maar hij dacht: „Dat is omdat ze weten, dat ik nergens anders aan denk dan om het teerste, wat er is, te beschermen. Daarom zijn ze niet bang voor mij.”

Raniero reed in de richting van Nicea en ontmoette daar heeren uit het westland, die een hulpleger aanvoerden naar het Heilige Land. In die schaar bevond zich ook Robert Taillefer, die een ridder en troubadour was.

Raniero kwam in zijn versleten mantel met de kaars in de hand aanrijden, en de soldaten begonnen als gewoonlijk te roepen: „Een gek! een gek!” maar Robert gebood stilte en sprak den ruiter aan:

„Hebt ge lang op deze wijze gereisd?” vroeg hij hem.

„Ik ben op deze manier van Jeruzalem gekomen,” antwoordde Raniero.

„Is uw kaars dikwijls uit geweest onderweg?”

„Op mijn kaars brandt nog dezelfde vlam, als toen ik uit Jeruzalem ging,” antwoordde Raniero.

Toen sprak Robert Taillefer tot hem: „Ik ben ook een van hen, die een vlam dragen, en ik wilde, dat die eeuwig brandde. Maar misschien kunt gij, die uw licht brandende gehouden hebt heel van Jeruzalem hierheen, mij zeggen wat ik doen moet, opdat die niet zal uitdooven.”

Toen antwoordde Raniero: „Heer, dat is een zwaar werk, al lijkt het ook onbeduidend. Want deze kleine vlam eischt van u, dat ge volkomen zult ophouden met aan iets anders te denken. Ze staat u niet toe een liefste te hebben, als ge dat soms wenschen zoudt, en ook moogt ge ter wille van de vlam u niet neerzetten aan eenig drinkgelag.

Ge moogt niet anders in uwe gedachten hebben dan deze vlam, en geen vreugde smaken. Maar waarom ik u ’t allermeest afraad denzelfden tocht te maken, dien ik deed, is dat ge u geen oogenblik veilig kunt voelen. Door hoeveel gevaren ge de vlam ook heengedragen hebt, ge kunt u geen oogenblik zeker voelen, maar moet verwachten, dat het volgend oogenblik de vlam u begeeft.”

Maar Robert Taillefer hief fier het hoofd op en zei: „Wat ge voor uw vlam gedaan hebt zal ik weten te doen voor de mijne.”

Raniero was in Italië gekomen; hij reed op een dag op eenzame wegen in de bergen. Toen kwam een vrouw hem hard achterna loopen en vroeg hem even van zijn vlam vuur te mogen leenen. „’t Vuur is bij mij uitgegaan,” zei ze, „mijn kinderen hebben honger. Leen mij vuur, zoodat ik mijn oven kan verwarmen en brood voor hen bakken.”

Zij strekte de handen uit naar de kaars, maar Raniero hield die op een afstand, want hij wilde niet toelaten, dat iets anders met die vlam werd aangestoken dan de kaarsen voor het beeld van de Heilige Maagd.

Toen sprak de vrouw tot hem: „Geef mij vuur, pelgrim, want het leven van mijn kinderen is de vlam die mij opgelegd is brandende te houden.”

En ter wille van die woorden liet Raniero haar de pit van haar lamp aansteken aan zijn vlam.

Eenige uren later reed Raniero een stad binnen. Die lag hoog op de bergen, zoodat daar een felle kou heerschte. Een jonge boer stond op den weg en zag den stumper, die daar in zijn versleten mantel kwam aanrijden. Hij maakte snel de korte pelerine los, die hij droeg en wierp ze den man, die daar op het paard zat, toe. Maar de pelerine viel vlak op de kaars en doofde de vlam. Toen herinnerde Raniero zich de vrouw, die vuur van hem geleend had. Hij ging naar haar terug en stak zijn kaars opnieuw aan het heilige vuur aan.

Toen hij verder zou rijden, zei hij tot haar: „Gij zegt, dat de vlam die gij te bewaken hebt, het leven van uw kinderen is. Kunt ge mij zeggen welken naam de vlam draagt, die ik op verre wegen gedragen heb?”

„Waar werd uw vlam aangestoken?” vroeg de vrouw.

„Die werd aangestoken op het graf van Christus,” zei Raniero.

„Dan kan ze niet anders genoemd worden dan zachtheid en menschenliefde,” zei de vrouw.

Raniero lachte om dat antwoord. Hij vond zich zelf een zonderlinge apostel voor zulke deugden.

Raniero reed voort tusschen schoongevormde blauwe heuvelen. Hij zag, dat hij in de nabijheid van Florence was.

Hij dacht er aan, dat hij nu spoedig van die zorg voor de kaarsvlam af zou zijn. Hij dacht aan zijn tent in Jeruzalem die hij, vol buit, verloren had en aan de dappere krijgslieden, die hij in Palestina had achtergelaten en die er zich op zouden verheugen, dat hij het oorlogsbedrijf weer ter hand zou nemen en hen aanvoeren naar overwinningen en veroveringen.

Toen merkte Raniero, dat hij in ’t geheel geen vreugde voelde bij die herinnering, maar dat zijn gedachten liever een andere richting namen.

Raniero zag toen voor het eerst in, dat hij niet meer dezelfde man was, die van Jeruzalem wegtrok. Deze rit met de kaarsvlam had hem gedwongen, zich te verheugen over allen, die vreedzaam en wijs en barmhartig waren, en de woesten en strijdlustigen te verafschuwen. Hij voelde blijdschap, zoovaak hij dacht aan menschen, die vredig in hun huizen arbeidden en het viel hem in, dat hij graag zijn oude werkplaats in Florence weer betrekken zou om fraaie en kunstige werken te maken. „Voorwaar, die vlam heeft mij geheel veranderd,” dacht hij, „ik geloof dat die mij tot een ander mensch gemaakt heeft.”

V.

Het was Paschen toen Raniero Florence binnenreed. Nauwelijks was hij de stadspoort binnengekomen, achteruitrijdend, de kap over het gezicht getrokken en de brandende kaars in de hand, of een bedelaar stond op en riep het gewone: „Pazzo! pazzo!”

Op dit geroep vloog een straatjongen uit een gang en een dagdief, die in lang geen ander werk gehad had, dan op zijn rug te liggen en naar den hemel te kijken, sprong overeind, en beiden riepen hetzelfde: „Pazzo! pazzo!”

Daar ze nu met hun drieën aan het schreeuwen waren, maakten ze leven genoeg om alle straatjongens wakker te maken. Die kwamen aanrennen uit hoeken en gaten, en zoodra ze Raniero zagen in zijn versleten mantel en op zijn ellendig paard, riepen ze: „Pazzo! pazzo!”

Maar daar was Raniero al aan gewend. Hij reed stil door de straten, zonder op het geroep te letten.

Maar ze vergenoegden zich niet met roepen. Een van hen sprong op en trachtte het licht uit te blazen. Raniero hield de kaars in de hoogte en trachtte tegelijk zijn paard aan te zetten om den jongens te ontkomen.

Maar zij hielden gelijken tred met hem en deden wat ze konden, om het licht uit te blazen. Hoe meer Raniero zich inspande om de vlam te beschutten, hoe wilder de straatjongens werden. Zij sprongen op elkaars rug en bliezen uit alle macht. Zij gooiden met hunne mutsen naar de kaars. Het kwam alleen omdat er zoo veel waren en ze elkaar verdrongen, dat het hun niet lukte de vlam te dooven.

Dat gaf een groote opschudding op straat. De menschen stonden aan de vensters te lachen. Niemand had medelijden met den gek, die zijn kaarsvlam wilde verdedigen. Het was kerkdag en vele kerkgangers waren op weg naar de mis. Zij bleven ook staan en keken naar het spel.

Maar nu stond Raniero recht overeind in het zadel om zijn kaars te beveiligen. Hij zag er woest uit. Zijn kap was naar achteren gevallen en men zag zijn gezicht uitgeteerd en bleek als dat van een martelaar. De kaars hield hij omhoog, zoo hoog hij kon. De heele straat krioelde van menschen. Ook de anderen begonnen deel aan het spel te nemen. De vrouwen wuifden met haar hoofddoeken, de mannen zwaaiden met hun baretten. Allen deden hun best om de kaars uit te krijgen.

Raniero reed dicht langs een huis met een balcon. Daarop stond een vrouw. Zij boog zich over het hek, rukte hem de kaars uit de hand en ging er haastig mee naar binnen.

’t Heele volk barstte uit in een schaterend lachen en jubelen, maar Raniero wankelde in het zadel en stortte neer op den grond; toen hij daar lag, verslagen en bewusteloos, werd de straat spoedig ontruimd. Niemand dacht er aan den gevallene te verzorgen. Zijn paard was de eenige, die bij hem bleef staan.

Zoodra de volkshoop weg was uit de straat kwam Francesca degli Uberti uit haar huis met een brandende kaars in de hand. Zij was nog mooi, haar trekken waren zacht en haar oogen ernstig en diep.

Zij ging op Raniero toe en boog zich over hem heen. Hij was bewusteloos, maar zoodra de lichtglans op zijn gezicht viel, ging hem een schok door de leden. Het scheen, dat de kaarsvlam groote macht over hem had. Toen Francesca zag, dat hij bijgekomen was, zei ze: „Hier is de kaars; ik rukte je die uit de hand, omdat ik zag hoe graag je die brandend wou houden. Ik wist geen andere manier om je te helpen.”

Raniero was leelijk gevallen en had zich gekwetst. Hij begon langzaam op te staan. Hij wilde loopen; maar zakte in elkaar en was bijna weer gevallen.

Toen beproefde hij op het paard te komen.

Francesca hielp hem.

„Waar wil je heen?” vroeg zij, toen hij eindelijk in ’t zadel zat.

„Ik wil naar de domkerk,” zei hij.

„Dan ga ik mee,” sprak ze; „want ik wil naar de mis.”

En ze nam het paard bij den teugel en leidde het.

Francesca had van het eerste oogenblik af Raniero herkend. Maar Raniero zag niet, wie ze was, want hij nam den tijd niet haar aan te zien. Hij hield de oogen uitsluitend op de vlam gevestigd.

Zij spraken geen woord onder den rit. Raniero dacht alleen aan de kaarsvlam en hoe hij die in het laatste oogenblik goed beschutten zou. Francesca kon niet spreken, omdat ze liever niet zeker wilde weten wat ze vreesde. Zij kon niet anders denken dan dat Raniero krankzinnig thuis gekomen was, en hoewel zij daar bijna van overtuigd was, wilde zij liever niet met hem spreken, zoodat haar de zekerheid daarvan bespaard bleef.

Na een poos hoorde Raniero, dat iemand naast hem liep en schreide, maar Raniero zag haar maar een oogenblik aan en sprak niet tegen haar. Hij wilde alleen aan de kaarsvlam denken.

Hij liet zich naar de sacristy brengen.

Daar steeg hij van ’t paard. Hij ging alleen de sacristy in, naar den geestelijke.

Francesca ging de kerk binnen.

Het was de avond voor Paschen en al de kaarsen in de kerk waren onaangestoken ten teeken van rouw.

Francesca had een gevoel, dat het met haar evenzoo was, dat ieder vlammetje van hoop, dat in haar gebrand had, nu gedoofd was.

In de kerk heerschte groote plechtigheid. Er waren veel priesters bij het altaar. De domheeren zaten allen in het koor en de bisschop vooraan. Na een poos merkte Francesca, dat er beweging onder de geestelijken kwam. Bijna allen, die niet noodzakelijk bij de mis tegenwoordig moesten wezen, stonden op en gingen naar de sacristy. Ten laatste ging ook de bisschop.

Toen de mis voorbij was kwam een geestelijke naar voren in het koor en begon het volk toe te spreken. Hij vertelde, dat Raniero di Ranieri naar Florence was gekomen met heilig vuur van Jeruzalem. Hij vertelde wat de ridder onderweg had uitgestaan en geleden, en hij prees hem bovenmate. De menschen zaten er verwonderd naar te luisteren. Francesca had nooit zulke heerlijke oogenblikken beleefd. Haar tranen stroomden terwijl ze zat te luisteren. De geestelijke sprak lang en goed. Hij zei ten slotte met luider stem: „Nu kan het wel is waar een kleinigheid schijnen, dat een kaarsvlam hier naar Florence gebracht werd, maar ik zeg u, bidt God, dat hij Florence veel dragers van het heilig vuur zendt, dan zal het groot en machtig worden en een gezegende onder de steden.”

Toen de geestelijke zijn toespraak geëindigd had, gingen de hoofddeuren van de domkerk open en een processie, zoo goed die in der haast geordend was kunnen worden, trok naar binnen.

Daar gingen de domheeren en monniken en priesters en zij trokken door de middelgang naar het altaar. Het allerlaatst kwam de bisschop en naast hem Raniero met denzelfden mantel, dien hij op de heele reis gedragen had.

Maar toen Raniero over den drempel van de kerk gekomen was, stond een oud man op en ging hem te gemoet. Dit was Oddo, de vader van een gezel, dien Raniero op zijn werkplaats had gehad en die zich opgehangen had om oneenigheid met hem.

Toen de man bij den bisschop gekomen was boog hij voor hen. Toen zei hij met zoo luide stem, dat allen in de kerk het konden hooren:

„’t Is een zaak van groot gewicht voor Florence, dat Raniero met heilig vuur uit Jeruzalem gekomen is. Zooiets is vroeger nooit gehoord of beleefd. Misschien zullen velen daarom zeggen dat het onmogelijk is. Daarom zou ik willen vragen dat men ’t heele volk bekendmake met de bewijzen en getuigen, die Raniero heeft meegebracht dat dit werkelijk het vuur is, dat in Jeruzalem is aangestoken.”

Toen Raniero deze woorden hoorde, zei hij: „Nu helpe mij God! Hoe kan ik getuigen hebben? Ik heb de reis alleen gemaakt. Woestijnen en wildernissen moeten hier komen en voor mij getuigen.”

„Raniero is een eerlijk ridder,” zei de bisschop, „en wij gelooven hem op zijn woord.”

„Raniero kon wel begrijpen dat hieraan getwijfeld zou worden,” zei Oddo. „Hij zal wel niet heelemaal alleen gereden hebben. Zijn pages kunnen wel voor hem getuigen.”

Toen spoedde Francesca degli Uberti zich uit de volksmassa naar voren en ging op Raniero toe: „Wat hebben wij getuigen van noode?” zei zij. „Alle vrouwen in Florence willen er op zweren, dat Raniero de waarheid zegt.”

Toen glimlachte Raniero en zijn gezicht straalde een oogenblik. Maar dadelijk daarna wendde hij oogen en gedachten weer naar de kaarsvlam.

Er ontstond een groot tumult in de kerk. Sommigen zeiden, dat Raniero de kaars op het altaar niet mocht aansteken voor hij zijn zaak bewezen had. Hierbij voegden zich vele van zijn oude vijanden.

Toen stond Jacopo degli Uberti op en verdedigde Raniero. „Ik denk wel, dat allen weten, dat er geen al te groote vriendschap bestond tusschen mijn schoonzoon en mij,” zeide hij, „maar nu willen toch mijn zonen en ik allen borg voor hem staan. Wij gelooven, dat hij het heldenfeit heeft volbracht en wij weten, dat hij die zulk een onderneming volbrengt, een wijs en voorzichtig en edelaardig man is, dien wij met vreugde in ons midden opnemen.”

Maar Oddo en vele anderen waren niet voornemens Raniero het geluk, dat hij begeerde, te laten genieten. Zij stonden bijeen in een dichte groep en ’t was gemakkelijk te zien, dat zij hun eisch niet wilden opgeven.

Raniero begreep, dat als het nu tot een strijd kwam zij dadelijk zouden probeeren de kaarsvlam te dooven. Met de oogen voortdurend op zijn tegenstanders gevestigd, hield hij de kaars zoo hoog hij kon.

Hij zag er doodmoe en wanhopig uit. Men kon hem aanzien, dat hoewel hij het zoo lang mogelijk wilde uithouden hij niet anders dan een nederlaag verwachtte. Wat baatte het hem nu of hij de vlam mocht aansteken? Oddo’s woorden waren een doodsteek geweest. Nu de twijfel eenmaal gewekt was, zou die verbreid worden en groeien. Hij had een gevoel alsof Oddo de kaarsvlam al voorgoed had uitgeblazen.

Een vogeltje fladderde de kerk in door de groote open deuren. Het vloog recht op Raniero’s kaars aan. Hij had geen tijd die terug te trekken, de vogel stootte er tegen en maakte de vlam uit.

Raniero’s arm zonk neer en tranen kwamen in zijn oogen. Maar in ’t eerste oogenblik voelde hij het als een verlichting, ’t Was beter dan dat menschen het gedaan hadden.

’t Vogeltje zette zijn vlucht in de kerk voort en fladderde verward rond, zooals vogels gewoonlijk doen, als ze binnenshuis komen.

Opeens bruiste door de kerk een luid roepen: „De vogel brandt! Het heilige vuur heeft zijn vleugels aangestoken.”

Het diertje piepte angstig. Het vloog een oogenblik rond als een fladderende vlam onder de hooge gewelven van het koor. Toen zonk het snel en viel dood neer op het altaar van de Madonna.

Maar op hetzelfde oogenblik, dat de vogel op het altaar viel, stond Raniero daar. Hij had zich een weg door de kerk gebaand; niets had hem kunnen tegenhouden. En aan de vlammen, die de vleugels van den vogel verteerden, stak hij de kaarsen voor het altaar van de Madonna aan.

Toen hief de bisschop zijn staf omhoog en riep: „God wilde het! God heeft voor hem getuigd!”

En alle menschen in de kerk, zijn vrienden en tegenstanders, twijfelden niet langer, maar waren zeer verbaasd. Zij riepen allen, verrukt over dit wonder Gods: „God wilde het! God heeft voor hem getuigd!”

Van Raniero is nu alleen nog te zeggen dat hij groot geluk smaakte alle zijn levensdagen en wijs en voorzichtig en barmhartig was. Maar de menschen in Florence noemden hem altijd Pazzo di Ranieri, ter herinnering, dat men hem voor krankzinnig gehouden had. En dat werd een eeretitel voor hem. Hij werd de stamvader van een beroemd geslacht en dat nam den naam Pazzi aan, en zoo noemen zij zich nog tot op den huidigen dag.

Verder is het nog de moeite waard te vertellen dat in Florence elk jaar op den avond vóór Paschen een feest gevierd wordt ter herinnering aan Raniero’s thuiskomst met het heilige vuur, en dat men daarbij altijd een kunstvogel met vuur door den dom laat vliegen. En dit feest is er zeker van ’t jaar nog geweest, wanneer daar niet pas een verandering in gebracht is.

Maar of het waar is wat velen meenen, dat de dragers van het heilig vuur, die in Florence geleefd hebben en die de stad tot een van de heerlijkste steden van de wereld hebben gemaakt, aan Raniero een voorbeeld genomen hebben en daardoor zijn aangemoedigd om te offeren, te lijden en te volharden, zal hier niet beslist worden.

Want wat er uitgewerkt is door het licht, dat in donkere dagen van Jeruzalem is uitgegaan, dat is niet uit te meten noch te berekenen.