VIII.
Drie weken zijn vervlogen. Jean moet den volgenden dag met zijn regiment vertrekken, om schietoefeningen te houden; hij gaat een soldatenleventje lijden: tien dagen op marsch, voor het heengaan en het terugkomen, en tien dagen in het kamp van Cercottes, in het bosch van Orleans. Het regiment komt den 10en Augustus te Souvigny terug.
Jean is niet meer gerust; Jean is niet meer gelukkig. Hij ziet het oogenblik van vertrek met ongeduld en tegelijkertijd met angst te gemoet... Met ongeduld, want hij lijdt helsche kwalen; hij wil zoo gauw mogelijk weg... Met angst, want, wat zal er deze twintig dagen van hem worden, zonder haar te zien, zonder haar te spreken? Het is Bettina die hij bemint!
Sedert wanneer? Sedert het eerste oogenblik af, sedert hunne ontmoeting, in Mei, in den tuin van den pastoor! Dat is de waarheid! Maar Jean worstelt en strijdt tegen deze waarheid. Hij gelooft dat hij Bettina slechts bemind heeft, van het oogenblik af, dat zij vroolijk, vriendschappelijk, in het kleine salon zaten te praten. Zij zat op de blauwe canapé, bij het raam, en vermaakte er zich al pratende mede, om het toilet in orde te maken van eene Japansche prinses, eene pop van Bella, die op een stoel lag, en die Bettina werktuigelijk had opgenomen.
Waarom had miss Percival over deze twee meisjes, die hij had kunnen trouwen, gesproken? De vraag had hem trouwens in 't geheel niet in verlegenheid gebracht. Hij had geantwoord, dat hij toen volstrekt geen lust in trouwen had. Hij glimlachte, toen hij dit zeide; maar eenige oogenblikken later lachte hij niet meer. Zijne gevoelens, zijne gejaagdheid, die aandoening, nu begreep hij ze pas. Jean liet zich niet misleiden; hij gaf zich rekenschap van de diepte van de wonde; zij had hem midden in het hart getroffen. Jean gaf echter den moed niet op. Toen hij dien dag vertrok, dacht hij: "Ja, het is zeer ernstig, maar het zal wel overgaan." Hij zocht deze dwaasheid te vergoelijken; hij schoof alles op de omstandigheden. Dit bekoorlijke wezentje, was te dikwijls in deze tien dagen met hem alleen geweest! Hij was verrukt over hare schoonheid, over hare bekoorlijkheid. Maar morgen zouden twintig personen op het kasteel aankomen, en dan zou deze gevaarlijke vertrouwelijkheid een einde nemen. Hij zou den moed hebben, om zich op een afstand te houden, en Bettina minder van nabij te zien... Haar nooit meer te zien, daar kon hij niet aan denken! Hij wilde de vriend van Bettina blijven, daar hij slechts haar vriend zijn kon.
Want er was eene gedachte, die zelfs niet in het brein van Jean opkwam; deze gedachte scheen hem vreeselijk toe. Jean was een eerlijk man. Het geld van Bettina wekte afschuw bij hem op.
Van den 25en Juni af, kwamen de gasten op het kasteel Longueval. Mevrouw Norton was met haren zoon, Daniel Norton, aangekomen, en mevrouw Turner kwam met haren zoon Filip; beiden, Daniel en Filip maakten deel uit van het vermaarde broederschap der vier en dertigen. Het waren oude vrienden; Bettina had hen als zoodanig behandeld, en had hen openhartig verklaard, dat zij vergeefsche moeite deden; zij waren echter niet uit het veld geslagen, en vormden het middelpunt van een kleinen kring aanbidders, die zich om Bettina geschaard hadden.
Paul de Lavardens was op het tooneel verschenen en was spoedig een allemansvriend geworden. Hij had de schitterende, volmaakte opvoeding genoten van een jongmensch, dat slechts voor zijn genoegens leeft; wanneer het er op aankwam om zich te amuseeren: hetzij te paard, of met croquet, lawn-tennis, polo, dansen, charades en comedies, hij stond altijd klaar, hij overtrof allen. Paul werd met algemeene stemmen tot directeur en commissaris der feesten in Longueval gekozen.
Bettina aarzelde geen oogenblik. Jean had Paul de Lavardens aan haar voorgesteld, en toen deze nauwelijks het gebruikelijke complimentje gestameld had, fluisterde zij Suzie in het oor.
—De vijf en dertigste!
Zij ontving Paul echter zeer hartelijk, en zóó hartelijk zelfs, dat hij zich gedurende eenige dagen liet misleiden. Hij geloofde, dat zijne aangename persoonlijkheid hem deze vriendelijke ontvangst bereid had. Het was eene groote vergissing. Hij was door Jean voorgesteld; hij was de vriend van Jean; en daarin bestond, in de oogen van Bettina, zijn geheele verdienste.
Het kasteel van mevrouw Scott stond voor iedereen open; men werd niet voor eenen avond, maar voor elken avond gevraagd; en Paul maakte er gretig gebruik van. Zijn droom was vervuld. Hij vond Parijs in Longueval terug!
Paul was noch dwaas, noch verwaand. Hij was werkelijk, van miss Percival's zijde, het voorwerp van bijzondere oplettendheden en gunstbewijzen; zij kon zeer lang met hem alleen zitten praten... Maar, wat was het eeuwige, onuitputtelijke onderwerp van het gesprek? Jean, en nog eens Jean, altijd Jean!
Paul was oppervlakkig, lichtzinnig, losbandig, maar hij werd oogenblikkelijk ernstig, wanneer men van Jean sprak; hij wist hem naar waarde te schatten, hij hield van hem. Niets was hem aangenamer dan van den vriend zijner jeugd, al het mogelijke goeds te kunnen zeggen. En daar hij zag, dat Bettina er behagen in schepte om naar hem te luisteren, liet Paul aan zijne welsprekendheid den vrijen loop.
Maar Paul—en hij had er recht op—wilde nu ook eens het voordeel van zijn edelmoedig gedrag smaken. Hij had een kwartier met Bettina gesproken. Toen het gesprek afgeloopen was, ging hij Jean opzoeken en zeide:
—Je hebt mij het veld geruimd ... en ik heb mij maar dadelijk van miss Percival meester gemaakt.
—Nu, je kunt over den uitslag tevreden zijn. Je schijnt goede vrienden te wezen.
—Ja, zeker... Het gaat ... zoo zoo. Er bestaat geen liefelijker wezen, dan miss Percival; maar, onder ons gezegd, zij laat mij eene ondankbare, bespottelijke rol spelen, eene rol die niets geschikt is voor mijn leeftijd. Ik, ik heb de leeftijd om verliefd te zijn, maar niet om als vertrouwde dienst te doen.
—Vertrouwde?
—Ja, mijn waarde, vertrouwde! Ziehier mijne bezigheid, in dit huis. Je hebt straks naar ons zitten kijken. O! ik heb goede oogen. Nu, weet je waarover wij spraken? Over jou, beste, en over niemand anders! En zoo is het elken avond. Eindelooze vragen: Of wij samen opgevoed zijn, enz. enz. O Jean! wanneer je het wenschte!...
Jean werd boos. Paul verwonderde zich zeer over deze plotselinge prikkelbaarheid.
—Wat heb je? Ik heb toch niets gezegd...
—Vergeef mij, ik had ongelijk; maar hoe kan je zoo iets bespottelijks verzinnen!
—Bespottelijk? dat zie ik niet in... Ik zelf heb wel deze bespottelijke gedachte opgevat.
—O, jij!
—Hoezoo, ik? Als ik het denk, dan kan jij het ook denken... Je bent beter dan ik...
—Paul, ik bid je!
Jean voelde zich klaarblijkelijk niet op zijn gemak.
—Laat ons er niet meer over spreken. Maar wat ik zeggen wilde, miss Percival vindt mij in één woord allerliefst; maar met mij meent zij het nooit ernstig. Ik ga mijn geluk bij mevrouw Scott beproeven.
Paul zocht zijn geluk bij mevrouw Scott, maar tot zijne groote verwondering stootte hij hier op Jean; deze nam werkelijk geregeld in den kring van mevrouw Scott, die net als Bettina hare aanbidders had, plaats. Jean zocht hier bescherming, een toevluchtsoord, eene schuilplaats.
Op den gedenkwaardigen dag, dat het gesprek over huwelijken zonder liefde plaats had, had Bettina ook voor de eerste maal de behoefte om te beminnen, die in elk hart van een jong meisje sluimert, in zich voelen opkomen. Beiden hadden het zelfde gevoeld. Hij had zich verschrikt teruggetrokken. Zij had zich integendeel, in de volle onschuld haars harten, door deze gemoedsbeweging laten medeslepen.
Zij wachtte op de liefde ... als het eens liefde was! De man die haar geheele gedachte, haar leven, hare ziel moest vervullen, als hij het eens was! Waarom niet? Zij kende hem beter dan al die anderen, die een jaar lang op haar fortuin hadden geaasd, en wat zij van hem wist, was genoeg om het vertrouwen en de liefde van een eerlijk meisje te winnen.
Beiden deden er wel aan, beiden handelden naar plicht en naar waarheid: zij, zich overgevend; hij, weerstand biedend; zij, geen oogenblik aan de armoede van Jean denkend; hij, terugdeinzend voor al die millioenen, zooals hij voor eene misdaad zou terugdeinzen; zij, die meende, dat men niet den spot moest drijven met de liefde; hij, geloovend dat men geen recht had, zijn eergevoel prijs te geven.
Daardoor kwam het dat Bettina zich ongedwongen aan hare eerste liefde overgaf, terwijl Jean met elken dag zwaarmoediger en gejaagder werd. Hij was niet alleen bang om te beminnen; hij was bang om bemind te worden.
Hij had thuis willen blijven, hij kon niet... De verleiding was te groot en sleepte hem mede. Hij ging er dus heen... Zij kwam dadelijk naar hem toe, een glimlach op de lippen, en den blik vol liefde. Haar geheele wezen scheen hem toe te roepen: "Laat ons trachten om elkaar te beminnen, en, wanneer wij kunnen, laten wij dan elkander liefhebben!"
Eene vrees overviel hem. Hij wilde den blik ontwijken, die teeder lachend, vragend en angstig, de zijne zocht. Hij deinsde voor de noodzakelijkheid terug om tegen Bettina te moeten spreken, en om hare stem te hooren. Toen zocht hij zijne toevlucht bij mevrouw Scott; en deze meende toen, dat de onsamenhangende, verwarde woorden die niet voor haar bestemd, toch aan haar zelve gericht waren.
Suzie kon er zich gemakkelijk in vergissen. Bettina had haar niets van de gevoelens gezegd, die nog in haar hart sluimerden. Zij bewaakte en koesterde het geheim van deze eerste liefde, zooals een gierigaard de eerste goudstukken van zijn schat bewaard.
Mevrouw Scott was er eindelijk toegekomen, om de van dag tot dag toenemende zwaarmoedigheid van Jean aan haar zelve toe te schrijven. Zij was er door gevlijd,—want het mishaagt eene vrouw nooit, zich bemind te wanen,—zij was er dus door gevlijd, maar tevens over bedroefd. Zij achtte Jean zeer hoog, en was hem zeer toegenegen: het deed haar leed, dat hij om harentwille treurig en ongelukkig was.
Suzie voelde zich trouwens onschuldig. Tegen de anderen was zij wel eens coquet. Die hadden niets te doen, en deugden nergens voor; het was voor hen en voor haar een tijdverdrijf... Maar met Jean had zij niet gecoquetteerd. Hij was beter dan de anderen; hij was een man die werkelijk lijden zou, en dat wilde zij niet. Zij was reeds eenige malen van plan geweest om hem eens kalm toe te spreken, maar zij had zich bedacht... Jean ging nu vertrekken; wanneer het bij zijn terugkeer nog noodig was, dan zou zij hem de les lezen.
Jean vertrok den volgenden morgen... Bettina had er op aangedrongen, dat hij den laatsten dag in Longueval zou doorbrengen, en er zou blijven dineeren. Jean had geweigerd, eenige bezigheden voorwendend. Hij kwam des avonds, tegen half elf, hij was te voet gekomen, en had menigmaal onderweg op het punt gestaan om terug te keeren.
—Wanneer ik den moed bezat, zeide hij tot zichzelf, zou ik haar niet meer willen zien. Ik vertrek morgen, en kom niet meer in Souvigny terug... Dat heb ik mij vast voorgenomen.
Maar hij vervolgde zijnen weg; hij wilde haar nog eens ... voor de laatste maal ontmoeten.
Toen hij in het salon trad, kwam Bettina hem tegemoet loopen.
—Eindelijk!... Wat bent u laat!
—Ik had zooveel te doen.
—En gij vertrekt morgen?
—Om half zes.
—Neemt gij den weg dien langs het kasteel loopt?
—Ja.
—Waarom gaat gij zoo vroeg? Ik had u anders op het terras goeden dag komen zeggen.
Bettina had de hand van Jean in de hare gehouden. Langzaam trok hij deze terug.
—Ik moet uwe zuster gaan begroeten.
—Straks! zij heeft u niet gezien. Kom eerst wat bij mij zitten praten.
Hij moest nu wel naast haar plaats nemen.
—Wij vertrekken ook, zeide zij.
—Gij?
—Ja, wij hebben zoo even een telegram van mijnen zwager ontvangen. Hij zou eerst over eene maand terugkomen; hij kan in twaalf dagen hier zijn. Wij zullen hem in Hâvre opwachten... Wij vertrekken overmorgen. Wij nemen de kinderen mede... Wat zal mijn zwager blij zijn, kennis met u te maken!... Maar hij kent u al. Wij hebben in al onze brieven over u gesproken. Gij zult het goed samen kunnen vinden. Hij is zoo goed... Hoe lang blijft u?
—Twintig dagen.
—In het kamp?
—Ja, mejuffrouw, het kamp bij Cercottes.
—In het bosch van Orleans. Uw peetoom heeft mij dat van morgen uitgelegd. Het spijt mij toch, dat wij weggaan; anders was ik elken morgen naar de pastorie gegaan. Uw peetoom zou mij dan tijding van u gegeven hebben. Wilt u niet eens een woordje aan mijne zuster schrijven, om haar te zeggen hoe het u gaat, en of u ons nog niet vergeten hebt?
—U vergeten ... niet meer aan al die vriendschap en goedheid denken ... dat nooit mejuffrouw! nooit! zijne stem beefde. Hij was diep ontroerd. Hij stond op.
—Ik moet nu werkelijk naar uwe zuster toe... Zij kijkt hier heen.—Zij zou anders verwonderd zijn... Hij ging het salon door. Bettina volgde hem met de oogen. Mevrouw Norton was aan de piano gaan zitten, om de jongelui te laten dansen. Paul de Lavardens kwam naar miss Percival toe:
—Mag ik de eer hebben, mejuffrouw?...
—Ik geloof, dat ik het aan mijnheer Jean beloofd heb.
—Wanneer hij het niet is ... dan ben ik het.
—Dat is afgesproken.
Bettina ging naar Jean toe, die zich naast mevrouw Scott had nedergezet.
—Ik heb gejokt, zeide zij. Mijnheer de Lavardens heeft mij ten dans gevraagd, en ik heb hem gezegd dat ik u deze wals beloofd had... Ja, niet waar? gij wilt wel.
Haar in de armen te houden, de geur van hare haren in te ademen!... Dat ging zijne krachten te boven... Hij durfde het niet aannemen.
—Het spijt mij. Ik kan niet ... ik voel mij niet wel. Ik heb willen komen, om niet zonder afscheid te vertrekken; maar dansen, dat kan ik niet.
—Wel, vroeg Paul, die lachend aan kwam loopen; is hij het, mejuffrouw, of ik?
—Gij, zeide zij treurig, zonder de oogen van Jean af te wenden.
Een oogenblik daarna speet het haar, dat zij het aangenomen had. Zij had daar willen blijven ... maar het was te laat. Paul voerde haar mede.
Jean was opgestaan. Hij keek naar Bettina en Paul. Hij voelde een waas voor zijne oogen. Hij leed helsche kwalen.
—Het eenige wat ik kan doen, is weg te gaan, zeide hij tot zichzelf. Morgenochtend zal ik een briefje aan mevrouw Scott schrijven. Hij bereikte de deur... Hij keek niet meer naar Bettina. Wanneer hij naar haar gekeken had, dan zou hij gebleven zijn.
Maar Bettina keek naar hem, en plotseling zeide zij tegen Paul:
—Ik dank u mijnheer, maar ik ben wat vermoeid... Laat ons ophouden?
Paul bood haar den arm aan.
—Neen, dank u, zeide zij.
De deur werd gesloten. Jean was er niet meer. Bettina vloog de salon door, Paul zeer verwonderd achterlatend.
Jean was reeds op de stoep toen hij achter zich hoorde roepen:
—Mijnheer Jean! mijnheer Jean!
Hij keek om. Zij stond naast hem.
—Gij gaat weg—zonder mij goeden dag te zeggen!
—Vergeef mij, ik ben zeer vermoeid.
—Ga dan niet te voet weg.
Zij stak hare hand naar buiten.
—Kijk, het regent reeds. Ik zal u met het rijtuig terug laten brengen.
—Het is niet erg. De lucht zal mij goed doen ... ik moet wat loopen... Laat mij gaan.
—Ga dan!... Maar gij hebt geen mantel!
—Ik heb het niet koud ... terwijl gij, met dien open hals... Gij moet naar binnen gaan.
Zonder haar zelfs de hand toe te steken, liep hij haastig weg, de trappen af.
—Wanneer ik hare hand vasthoud, dacht hij, dan kan ik mijn geheim niet langer bewaren.
Zijn geheim! Hij wist niet, dat Bettina in zijn hart, als in een opengeslagen boek kon lezen.
Toen Jean beneden was, aarzelde hij nog een oogenblik. Deze woorden zweefden hem op de lippen, hij wilde zeggen:
—Ik heb je lief! ik aanbid je! en daarom wil ik je niet meer terugzien!
Maar hij sprak deze woorden niet uit, hij vertrok en was weldra in de duisternis verdwenen.
Bettina bleef op het perron staan, in de schitterende omlijsting van de deur. Groote regendruppels vallen op hare schouders en doen haar sidderen; zij slaat er geen acht op; zij hoort duidelijk het kloppen van haar hart.
—Ik wist wel dat hij mij liefhad, zeide zij tot zichzelve; maar ik weet nu ook zeker, dat ik ook ... ja, ik ook...
Bettina doet eenige schreden naar de salondeur... Zij hoort een hartelijk gelach, en de toonen van eene wals. Zij staat stil. Zij wil alleen zijn, en, zich aan een der lakeien wendend:
—Ga aan mevrouw zeggen, dat ik vermoeid ben, en naar mijne kamer ben gegaan.
Annie, hare kamenier, zat in een leuningstoel te slapen. Zij stuurt haar weg... Zij zal zich wel zelf ontkleeden... Zij laat zich op de rustbank vallen.
De deur wordt geopend. Mevrouw Scott treedt binnen.
—Scheelt je iets, Bettina?
—O Suzie, lieve Suzie! Wat lief dat je gekomen bent! Kom hier zitten.
Zij vlijt zich als een klein kind in de armen harer zuster, en streelt met haar gloeiend hoofdje, de frissche schouders van Suzie; plotseling barst zij in tranen uit.
—Bettina, lieveling, wat is er?
—Niets, niets—het zijn zenuwen ... het is uit vreugde?
—Uit vreugde?
—Ja, ja—laat mij maar uithuilen. Het zal mij goed doen.
Hare zuster kust haar teeder, en Bettina komt weldra tot bedaren.
—Het is al gedaan, ik zal je vertellen ... ik moet je over Jean spreken.
—Jean, je noemt hem Jean?
—Ja, ik noem hem Jean... Heb je niet gemerkt hoe ongelukkig en treurig hij er in den laatsten tijd uitzag.
—Ja, zeker.
—Wanneer hij kwam, ging hij dadelijk bij je zitten, en keek dan zoo stil voor zich uit, dat ik—vergeef me, dat ik zoo openhartig spreek,—dat ik dacht, dat hij van jou hield, Suzie. Maar neen, jij waart het niet, ik was het!
—Jij?
—Ja, ik! Luister. Hij durfde mij nauwelijks aanzien. Hij ontweek mij. Hij was bang voor mij—maar niet voor mij, voor mijn geld was hij bang! Dat geld, dat alle anderen aantrekt, dat geld schrikt hem af, en maakt hem wanhopend ... omdat hij niet zoo is, als al die anderen.
—Lieveling, wees voorzichtig, je vergist je misschien.
—O! neen, neen! ik vergis mij niet. Daarnet, op de stoep, heeft hij eenige woorden gesproken, en wanneer je zijn aandoening gezien had, niettegenstaande alle moeite die hij zich gaf om zich te bedwingen!... Suzie, lieve Suzie, bij al de liefde die ik je toedraag, en de Hemel weet hoe lief ik je heb! dit is mijne vaste overtuiging: wanneer ik inplaats van miss Percival, een arm meisje zonder fortuin was geweest, dan had Jean straks mijne hand gevat en hij zou mij zijne liefde verklaard hebben, en, wanneer hij zoo tot mij gesproken had, weet je wat ik dan geantwoord zou hebben?
—Dat je hem ook liefhebt.
—Ja, en daarom ben ik zoo gelukkig. Ik wil den man beminnen, die mijn echtgenoot worden zal—welnu ik zeg niet dat ik hem aanbid, maar...
—Bettina, het maakt mij beangst, je zoo opgewonden te zien. Ik neem aan, dat mijnheer Reynaud je zeer genegen is...
—O! meer dan dat.
—Je zeer liefheeft. Ja, je hebt gelijk. Hij houdt van je, en ben je die liefde dan niet waard? Wat Jean betreft,—daar noem ik hem ook al Jean—je weet wat ik van hem denk. Ik acht hem zeer hoog. Maar, is het wel eene geschikte partij voor je?
—Ja, wanneer ik hem liefheb.
—Ik heb eene ondervinding, Bettina, die jij niet hebt... Begrijpt mij goed... Zoodra wij in Parijs zijn komen wonen, kwamen wij dadelijk met de groote wereld in aanraking, je hadt reeds markiezin, prinses kunnen zijn...
—Ja, maar ik wilde niet....
—Zal het je geheel onverschillig zijn om mevrouw Reynaud te heeten?
—Totaal, daar ik hem liefheb. Jean gaat morgen weg. Ik zal hem eerst over twintig dagen terug zien. Ik zal dus genoeg tijd hebben, om mijn hart te onderzoeken, om te weten wat in mij omgaat, maar, ik heb je eene vraag te doen, zooals ik het aan mijne moeder zou vragen, als zij er was. Wanneer ik je, over twintig dagen zeg: "Suzie, ik weet zeker dat ik hem bemin!" Wil je mij dan toestaan, naar hem toe te gaan, en hem te vragen of hij mij tot vrouw wil, zooals jij met Richard gedaan hebt? Zeg, Suzie, beloof je het mij?
—Ja, ik beloof het je.
Bettina kuste hare zuster, en fluisterde zacht:
—Dank je, moedertje!
—Moedertje! Zoo noemde je mij, toen je nog een kind waard ... toen wij alleen op de wereld stonden, toen ik je 's avonds uitkleedde, in onze armoedige kamer, en wiegenliedjes voor je zong. En van dat oogenblik af, Bettina, had ik slechts je geluk voor oogen. Daarom zeg ik nog eens, bedenk goed wat je doet. Neen, antwoord mij niet, spreken wij er niet meer over. Ik wil je kalm, rustig houden. Wil je dat ik nog eens moedertje speel, en je uitkleed, net als vroeger? Maar zal je dan ook gauw gaan slapen?
—Dat beloof ik je.
Tien minuten later, lag het mooie hoofdje van Bettina rustig tusschen de kanten en de borduursels van het kussen. Suzie zeide tegen hare zuster:
—Ik moet naar beneden, naar al die menschen, die mij van avond geducht vervelen. Voor dat ik naar mijne kamer ga, kom ik nog eens kijken. Slaap nu.
Bettina bleef alleen. Zij gaf zich eerlijk, alle moeite om te slapen. Zij viel in eene lichte sluimering, tusschen waken en droomen. Zij had beloofd om nergens aan te denken, en zij dacht toch aan hem, altijd aan hem. Hoeveel tijd er voorbij was gegaan, kon zij niet zeggen.
Plotseling scheen het haar toe, dat men in hare kamer liep; zij opende de oogen, en dacht hare zuster te herkennen. Met eene slaperige stem, zeide zij:
—Ik heb hem lief.
—Stil... Ga slapen!
Nu viel zij werkelijk in slaap; tegen vier uur werd zij door een geluid opgeschrikt, dat haar den vorigen dag zeker niet had doen ontwaken. De regen viel in stroomen neer, en kletterde tegen de vensters harer kamer.
—Het regent; hij zal nat worden!
Dit was hare eerste gedachte. Zij staat op, loopt naar het raam, en opent een der luiken. Het was dag, grijs, koud, mistig; de lucht hing zwaar; een hevige wind zweepte de regen voort.
Bettina voelde dat zij niet meer slapen kon. Zij trok een morgenkleed aan en bleef voor het raam staan. Wanneer hij dan toch moet vertrekken, dan had zij liever gewild dat het mooi weer was, dat de zon scheen.
Acht of negen mijlen, in dezen stortregen! Arme Jean! Bettina denkt aan de jonge Turner, de jonge Norton, aan Paul de Lavardens, die nu gerust tot tien uur kunnen slapen.
Paul de Lavardens! Deze naam doet haar pijnlijk aan, zij denkt aan den walstoer van gisterenavond... Dat zij heeft kunnen dansen, toen Jean verdriet had! Het is vreeselijk!
Heeft zij later, bij het onderhoud met Jean ook niet te weinig moed en oprechtheid getoond? Hij kon, durfde niets zeggen; maar zij, zij had meer teederheid, meer hartelijkheid moeten toonen. Zij had hem terug moeten houden, tegen wil en dank. Jean heeft zeker gedacht, dat zij een schepseltje, zonder hart was, dat geen medelijden kende.
En in een half uur moet hij vertrekken... O! wanneer zij kon, wanneer er een middel was!... Maar dit middel bestaat... Het regiment komt voorbij het park, voorbij het terras. Een hevig verlangen bezielt haar, om Jean voorbij te zien gaan. Hij zal begrijpen, dat zij hem vergeving komt vragen, voor hare wreedheid van den vorigen avond. Ja, zij zal gaan, en als zij terugkomt, zal zij alles aan Suzie bekennen.
Zij zal gaan! Maar hoe zich aan te kleeden? Zij heeft slechts een mousseline morgenkleed, en blauw-satijne balschoentjes bij de hand. Hare kamenier wekken, kan zij niet—en de tijd gaat voorbij... Het regiment vertrekt om vijf uur.
Zij kan het morgenkleed en de schoentjes aan doen; zij zal wel in de gang een hoed, haar kleine tuinklompjes, en haar groote schotsche mantel vinden, die zij, wanneer het slecht weer is, bij het mennen gebruikt. Zachtjes opent zij hare deur, en loopt stilletjes naar beneden. Alles slaapt. Wanneer zij de klompjes maar vindt! Hier zijn ze. Zij trekt ze boven hare satijnen schoentjes aan, en wikkelt zich in den grooten mantel. Zij ontdekt een van die groote parapluies, die door de lakeien gebruikt worden, wanneer zij op den bok zitten; zij grijpt er een, zij is klaar—maar toen zij naar buiten wil gaan, ziet zij dat de deur door een zwaren grendel gesloten is. Zij tracht hem op te heffen, maar hij is te zwaar, en langzaam doet de groote klok van de vestibule, vijf slagen hooren. Nu vertrekt hij! Zij wil hem zien, zij zal hem zien! Zij doet eene laatste poging, de grendel wijkt ... zij neemt haar parapluie op, draait de sleutel om, opent de deur.
Eindelijk! Zij is buiten!
Het is een vreeselijk weer. Regen en wind schijnen hemel en aarde te bewegen. Er zijn vijf minuten noodig om het terras te beklimmen, Bettina loopt moedig voort, het hoofd gebogen, onder haar groote parapluie bedolven. Plotseling komt er eene hevige windvlaag opzetten, die Bettina woedend, verblindend omvat, zich in haar mantel verward, haar meesleept, haar opneemt, haar bijna vastengrond doet verliezen, en de parapluie omwaait. Dat is nog niets. Tot overmaat van ramp heeft Bettina een harer klompjes verloren...
En terwijl Bettina, wanhopend met den storm worstelt, en met haar satijnen schoentje in het natte zand trapt, hoort zij in de verte het geschetter der trompetten. Het is het regiment dat vertrekt! Bettina neemt een kloek besluit; zij laat hare parapluie in den steek, raapt haar klompje op, trekt het zoo goed mogelijk aan, en loopt hard den heuvel op. Eindelijk is zij onder het gebladerte; de boomen beschutten haar. Weer hoort zij het getoeter der trompetten. Nog eene laatste poging. Zij is op het terras... Het werd tijd! Zij ziet in de verte de witte paarden der trompetters, en op den weg, ziet zij vaag eene lange rij kanonnen naderen. Zij zoekt eene schuilplaats onder een der hooge linden, die aan den rand van het terras staan. Zij kijkt, zij wacht. Daar komen zij aan. Zou zij hem herkennen? En hij, zou hij haar zien? Zal hij het hoofd naar dezen kant wenden?
Bettina weet dat hij luitenant bij de 2e batterij van zijn regiment is; en zij weet, dat eene batterij uit zes kanonnen en zes kruitwagens bestaat, dit heeft de abbé Constantijn haar verteld. Dus moet zij eerst zes kanonnen tellen en dan zes wagens, en dan komt hij. Werkelijk, hij is het, in zijn langen mantel gehuld; hij, die haar het eerst herkent. Eenige oogenblikken te voren, had hij aan eene wandeling gedacht, die hij eens op een avond met haar naar het terras gemaakt had. Hij had de oogen opgeslagen, en, hij had haar op die zelfde plaats teruggevonden.
Hij groet haar, en bloodshoofd, in den regen, kijkt hij haar, zich op zijn paard omwendend, zoo lang mogelijk na. Hij herhaalde bij zich zelve, wat hij den vorigen avond gezegd had:
—Het is de laatste maal!
Zij wuifde hem met hare beide handjes een afscheid toe, en deze beweging, die zich zoo dikwijls herhaalde, bracht hare handjes zoo dicht bij haren mond, dat men zou kunnen gelooven...
—O! zeide zij tot zich zelve, wanneer hij nu nog niet begrijpt dat ik hem liefheb, en wanneer hij mij mijn geld nu nog niet vergeeft!...