I.
Met een nog veerkrachtigen tred liep een oude priester op den stoffigen weg, in de volle zon.
Reeds meer dan dertig jaren was de abbé Constantijn geestelijke van het dorpje, dat daar zoo rustig in de vlakte, aan den voet van het kleine riviertje la Lizotte, lag.
De abbé Constantijn liep reeds sedert een kwartier langs den muur, die het kasteel Longueval omsloot; eindelijk bereikte hij het hek, dat hoog en massief door twee zware pijlers van steen, die door den tand des tijds zwart en verteerd waren geworden, gedragen werd. De pastoor bleef staan en keek treurig naar twee groote aanplakbiljetten die op de pilaren bevestigd waren.
Deze kondigden aan, dat op Woensdag den 18en Mei 1881, om één uur des namiddags, ten overstaan van den rechter-commissaris te Souvigny de openbare veiling zou plaats hebben van het buitengoed Longueval, bestaande uit:
1o. Het kasteel Longueval en zijn toebehooren, schoone vijvers, uitgestrekte gronden, park van honderd vijftig hectaren, geheel omgeven door een muur en doorsneden door de rivier La Lizotte. Veilingsprijs: Zeshonderd duizend francs.
2o. De pachthoeve Blanche Couronne, groot driehonderd hectaren, veilingsprijs: vijfhonderd duizend francs.
3o. De pachthoeve La Rozeraie, tweehonderd vijftig hectaren, veilingsprijs: vierhonderd duizend francs.
4o. De bosschen van La Mionne, inhoudend vierhonderd vijftig hectaren, veilingsprijs: vijfhonderd vijftig duizend francs.
En deze vier cijfers, te zamen geteld, maakten het aardige sommetje van twee millioen vijftigduizend francs uit.
Dus zou het dan eindelijk verdeeld worden, dit prachtige landgoed, dat sedert twee eeuwen schuldenvrij, van vader op zoon overgegaan, aan de familie de Longueval had toebehoord. Het aanplakbiljet maakte er wel gewag van dat na eene voorloopige toewijzing van de vier kavelingen, men vrij zou zijn deze weer te vereenigen, en aldus de toewijzing van het domein als geheel, mogelijk te maken; maar het was eene zeer groote som en naar alle waarschijnlijkheid zou er zich wel geen kooper voordoen.
De markiezin de Longueval was zes maanden geleden gestorven, haar eenigen zoon Robert de Longueval had zij in 1873 verloren; de drie erfgenamen waren de drie kleinkinderen der markiezin, Pierre, Helene en Camille. Men had het landgoed moeten te-koop stellen, daar Helene en Camille minderjarig waren. Pierre, een jong mensch van drie en twintig jaar, had eenige dwaasheden begaan, was gedeeltelijk geruïneerd en kon er dus niet aan denken om Longueval terug te koopen.
Het was twaalf uur. Nog een uur en Longueval zou aan eenen nieuwen eigenaar toebehooren. En wie zou die eigenaar zijn? Welke vrouw zou in het groote salon, geheel met oude tapijten behangen, bij het hoekje van den haard de plaats innemen der markiezin, de oude vriendin van den armen plattelandspastoor?
Zij was het, die de kerk van het dorp vernieuwd had; zij, die er voor zorgde dat de apotheek in de pastorie, door Pauline, de dienstbode van den abbé gehouden, met het noodige voorzien was; zij was het, die twee maal in de week in haren landauer, met kindergoed en wollen rokken beladen, den abbé Constantijn afhaalde om, zooals zij dat noemde, op armenjacht uit te gaan.
Hij vervolgde zijnen weg, de oude pastoor, terwijl zijne gedachten zich met dit alles bezig hielden... Hij dacht ook—de grootste heiligen zijn wel eens zwak geweest—hij dacht aan hetgeen hem sedert dertig jaar eene dierbare gewoonte geworden was, en nu plotseling een einde genomen had. Elken Donderdag en elken Zondag dineerde hij op het kasteel... Hoe werd hij daar bedorven, gekoesterd en verzorgd!... De kleine Camille—zij was acht jaar oud—kwam op zijn schoot zitten en zeide:
—Weet u, mijnheer de pastoor, in uwe kerk wil ik trouwen, en grootmama zal zooveel bloemen sturen, dat de kerk heelemaal, heelemaal vol is ... nog meer dan in de Mariamaand. Het zal als een tuin vol witte, geheel witte bloemen zijn!
De Mariamaand!... Het was toen de Mariamaand; vroeger was bij deze gelegenheid het altaar bedolven onder de bloemen, die men uit de serres van het kasteel gebracht had. Dit jaar zag men op het altaar slechts eenige armzalige ruikertjes lelietjes en witte seringen, in vazen van verguld porselein. Vroeger werd het kleine orgel, een geschenk der markiezin, elken Zondag bij de Groote Mis, en elken avond gedurende de Mariamaand door mejuffrouw Herbert, de lectrice van mevrouw de Longueval, bespeeld. Nu begeleidde het kleine orgel, tot stilzwijgen gedoemd, niet meer de stem van den voorzanger en de gezangen der kinderen. Mevrouw Marbeau, de postdirectrice, was een weinig muzikaal, en had gaarne de plaats van juffrouw Herbert vervuld, maar zij durfde niet, zij was bang om voor clericaal door te gaan en daardoor in een slecht blaadje te staan bij den burgemeester, die vrijdenker was. Het zou haar in hare bevordering nadeel kunnen doen.
Hier eindigde de muur van het park; van het park, waarvan de pastoor elken boom, elk paadje kende. De weg liep nu langs de oevers van La Lizotte; aan den anderen kant van het kleine riviertje, strekten zich de weilanden van de beide pachthoeven uit; verder verhieven zich de hooge kruinen van La Mionne. Verdeeld ... het landgoed zou verdeeld worden... Deze gedachte deed het hart van den armen pastoor ineenkrimpen. Voor hem maakte dit alles sedert dertig jaren een deel van zijn leven uit. Het behoorde hem toch ook eenigszins toe. Hij voelde zich geheel thuis in Longueval. Het was wel eens gebeurd dat hij met welgevallen voor een uitgestrekt korenveld was blijven staan, er eene aar uitgetrokken, de korrels er uitgenomen en tegen zich zelve gezegd had:
—Ziezoo! het graan is mooi, zwaar en goed gevuld. Wij zullen dit jaar een goeden oogst hebben.
En vroolijk vervolgde hij zijnen weg door zijne velden, zijne weiden, zijne akkers. Kortom, hij was met hart en ziel gehecht aan dit landgoed, dat nu verkocht zou worden.
De pastoor zag in de verte de pachthoeve Blanche Couronne liggen; het roode dak stak scherp af tegen het groen van het gebladerte. Ook daar was de pastoor thuis. Bernard, de pachter van de markiezin, was zijn vriend, en wanneer de oude pastoor zich bij zijne armen- of ziekenbezoeken verlaat had, wanneer de avond begon te vallen en hij merkte, dat hij moe en hongerig begon te worden, trad hij daar binnen, gebruikte het avondeten, deed zich aan een heerlijke fricassé van spek en aardappelen te goed, en dronk zijn kruikje appelwijn; na het avondeten spande de pachter zijne oude zwarte merrie voor het wagentje en bracht den pastoor naar Longueval terug. De geheele weg langs praatten en kibbelden zij... De pastoor verweet den pachter dat hij niet naar de mis ging, en deze antwoordde:
—Mijn vrouw en de meisjes gaan er voor mij heen... U weet wel, mijnheer de pastoor, dat het altijd zoo bij ons gaat. De vrouwen gaan voor de mannen naar de kerk. Zij zullen er wel voor zorgen, dat de poorten van het paradijs zich voor ons openen. En terwijl hij zijn paard een tikje met de zweep gaf, voegde hij er ondeugend bij:
—Wanneer er een is!
De oude pastoor sprong overeind in het wagentje.
—Hoezoo! Wanneer er een is! Maar natuurlijk is er een!
—Dan zult gij er zijn, mijnheer de pastoor. U denkt van niet ... en ik, ik zeg u van wel... Gij zult er zijn! Aan den ingang zult gij uwe parochianen opwachten en u nog met onze zaakjes bemoeien... En gij zult aan den heiligen Petrus zeggen—want het is immers de heilige Petrus die de sleutels van het paradijs heeft?
—Ja, het is de heilige Petrus.
—Welnu, gij zult aan Petrus zeggen, wanneer hij de poorten voor mijn neus dicht wil doen, dan zult gij tot hem zeggen: "Kom! laat hem er maar door... Het is Bernard, een van de pachters van mevrouw de markiezin, een zeer braaf mensch. Hij was lid van den gemeenteraad en hij heeft voor de handhaving der zusters gestemd, die men van de school wilde wegzenden."—Petrus zal er van aangedaan zijn en antwoorden: "vooruit dan maar Bernard, kom maar binnen, maar het is om aan mijnheer de pastoor een genoegen te doen.—Want gij zult hier boven nog altijd pastoor zijn, en pastoor van Longueval. Het paradijs zou te treurig voor u wezen, wanneer u geen pastoor van Longueval zoudt kunnen blijven."
Pastoor van Longueval, ja, hij was zijn leven lang niets anders geweest, had niets anders gehoopt en nooit iets anders gewenscht te zijn. Men had hem twee of driemaal groote kanton-pastoriën aangeboden, met een of twee kapelaans. Hij had bedankt. Hij had zijne kleine kerk, zijn klein dorp, zijne kleine pastorie lief. Hij was daar alleen, kalm, en deed alles zelf; altijd op de been, door weer en wind, door regen of zonneschijn. Zijn lichaam had zich aan vermoeienis gewend, maar zijn hart was nog even jeugdig en frisch gebleven. Hij leefde in zijne pastorie, eene groote boerenwoning, dat slechts door het kerkhof van de kerk gescheiden was. Wanneer de pastoor op eene ladder stond om de appel- en peereboomen vast te binden, kon hij over den muur de graven zien, waar hij de laatste gebeden gesproken, de eerste schep aarde op geworpen had. En terwijl hij tuinierde, prevelde hij een stil gebed voor de eeuwige zaligheid van zijne dooden, waarover hij zich ongerust maakte, en die in het vagevuur moesten blijven. Hij had een eenvoudig, kinderlijk geloof.
Maar, tusschen deze graven was er een, dat hij meer bezocht en waar hij meer voor bad dan voor de anderen. Het was het graf van zijn ouden vriend dokter Reynaud, die in 1871 in zijne armen gestorven was, en onder welke omstandigheden! De dokter was juist als Bernard, nooit ging hij naar de mis, en nooit ging hij biechten: maar, hij was zóó goed, zóó milddadig, zóó medelijdend voor allen die pijn leden!... Het was de eenige gedachte, die hem altijd bezig hield; de groote bezorgdheid van den pastoor. Waar was zijn vriend Reynaud? Dan haalde hij zich het edele bestaan van dezen plattelandsgeneesheer voor den geest, zijn moed, zijne zelfopoffering, hij dacht aan zijnen dood, aan zijn dood vooral! en dan zeide hij tot zichzelf:
—In het paradijs; hij kan nergens anders zijn, dan in het paradijs. De goede God heeft hem misschien even in het vagevuur laten blijven,... alleen voor den vorm ... maar hij heeft hem er zeker na vijf minuten weder uitgehaald...
Aan dit alles dacht de oude pastoor, terwijl hij zijnen weg naar Souvigny vervolgde. Hij ging naar de stad, naar den zaakgelastigde van de markiezin, om te hooren hoe het met den verkoop afgeloopen was, en wie de nieuwe eigenaars van Longueval waren; de abbé moest nog een kilometer afleggen, voordat hij de eerste huizen van Souvigny bereikte; hij liep langs het park van Lavardens toen hij boven zich het geluid van stemmen hoorde, die zijnen naam riepen:
—Mijnheer de pastoor! mijnheer de pastoor!
Op dit punt liep eene lange laan van lindeboomen terrasgewijze omhoog en het hoofd opheffend ontwaarde de pastoor mevrouw de Lavardens en haar zoon Paul.
—Waar gaat gij heen, mijnheer de pastoor? vroeg de gravin.
—Naar Souvigny, naar het gerechtshof om te hooren...
—Blijft u dan maar hier... Mijnheer de Larnac komt na den verkoop hierheen, om den uitslag te vertellen.
De abbé Constantijn klom het terras op.
Gertrude de Lannilis, gravin de Lavardens, was zeer ongelukkig geweest. Op achttienjarigen leeftijd beging zij eene dwaasheid, de eenigste van haar leven; maar die niet te herstellen was. Zij huwde uit liefde, in eene opwelling van dweepzucht en overspanning, den heer de Lavardens, een der aantrekkelijkste, geestigste mannen uit dien tijd. Hij beminde haar niet en trouwde haar slechts uit noodzakelijkheid, hij had tot op den laatsten cent zijn vaderlijk erfdeel verkwist en hield zich slechts de laatste twee of drie jaar door allerlei hulpmiddeltjes staande. Mejonkvrouw de Lannilis wist dit zeer goed en maakte zich daaromtrent geene illusies, maar zij zeide tot zichzelve:
Ik zal zooveel van hem houden, totdat hij eindelijk ook van mij houdt.
Vandaar haar ongeluk. Haar bestaan zou draaglijk geweest zijn, wanneer zij niet zooveel van haar man gehouden had, maar zij hield te veel van hem. Dat eeuwig durende liefkozen en aanhalen verveelde hem. Hij keerde tot zijn vroeger ongeregeld leventje terug. Zoo gingen vijftien jaren van marteling voorbij. Mevrouw de Lavardens verdroeg alles met eene schijnbare ijskoude gelatenheid, eene gelatenheid die zij echter niet gevoelde. Niets kon haar afleiding geven, noch haar van eene liefde genezen, die haar het hart in stukken reet.
De heer de Lavardens stierf in 1869; hij liet een zoon van veertien jaar na, die reeds alle deugden en ondeugden van den vader scheen te bezitten.
Het fortuin van mevrouw de Lavardens had, zonder ernstig gevaar te loopen, toch een gevoeligen stoot geleden, en was daardoor verminderd. Zij verkocht haar huis in Parijs, trok zich op haar buitengoed terug en leefde daar zeer bescheiden en spaarzaam, om zich geheel aan de opvoeding van haren zoon te wijden.
Maar ook hier wachtte haar verdriet en smart. Paul de Lavardens was verstandig, innemend en goed, maar geheel afkeerig van elken dwang en van alle arbeid. Hij bracht de drie of vier onderwijzers, die zich tevergeefs moeite gaven hem iets ernstigs bij te brengen, tot wanhoop, hij meldde zich te Saint-Cyr aan, werd afgewezen, ging toen naar Parijs en verkwistte daar op eene zeer handige, dwaze wijze twee of driehonderd duizend francs. Toen deze op waren, nam hij bij het eerste regiment jagers in Afrika dienst, had het geluk om dadelijk bij een detachement, voor de Sahara bestemd, ingelijfd te worden, gedroeg zich dapper, werd spoedig tot onderofficier bevorderd en zou na drie jarigen diensttijd tot tweede luitenant benoemd worden, toen hij verliefd werd op een meisje dat voor "la fille de Madame Angot" in de opera te Algiers speelde.
Paul had zijn tijd uitgediend, hij verliet den dienst en kwam met zijne jonge operettenzangeres te Parijs terug ... daarna was het eene danseuse, daarna eene tooneelspeelster ... daarna eene paardrijdster uit het Hippodrome. Hij probeerde alle genres. Hij leidde het schitterende, doch ellendige bestaan van eenen nietsdoener... Maar hij bleef slechts drie of vier maanden in Parijs. Zijne moeder betaalde hem jaarlijks dertig duizend francs uit; zij had hem de verzekering gegeven dat, zoolang zij leefde, en hij ongehuwd was, hij geen cent meer zou ontvangen. Hij kende zijne moeder, en wist dat er niet mee viel te schertsen. En daar hij in Parijs een goed figuur wilde slaan, en een vroolijk leventje leiden, verbraste hij zijne dertig duizend francs gedurende de maanden Maart tot Mei, en kwam toen gedwee te Lavardens terug, jaagde, vischte en reed te paard met de Artillerie-officieren te Souvigny in garnizoen. De kleine modemaaksters en de grisettes uit de provincie namen, zonder ze te doen vergeten, de plaats in van de zangeressen en de tooneelspeelsters uit Parijs. Wanneer men slechts moeite doet, vindt men wel grisettes in de provincie, en Paul deed er veel moeite voor.
Toen de pastoor mevrouw de Lavardens genaderd was, zeide zij:
—Ik kan u nu reeds de namen van de koopers van Longueval noemen. Ik ben er volkomen van op de hoogte en twijfel niet aan den goeden uitslag van ons plan. Mijn buurman mijnheer de Larnac, mijnheer Gallard, een rijke bankier uit Parijs, en ik, zijn het samen eens geworden. Mijnheer de Larnac krijgt la Mionne; mijnheer Gallard het kasteel en Blanche-Couronne; ik, la Rozeraie. Ik weet het wel, mijnheer de pastoor, gij zijt bezorgd over uwe armen. Stel u gerust. De Gallards zijn zeer rijk en zullen u veel geld geven.
Op dit oogenblik zag men in de verte een rijtuig, in een wolk van stof gehuld, naderen.
—Daar komt mijnheer de Larnac, riep Paul uit. Ik herken zijne paardjes.
Allen haastten zich naar het kasteel terug...
Zij kwamen er juist aan, toen het rijtuig voor de deur stilhield.
—Welnu? vroeg mevrouw de Lavardens.
—Wel, antwoordde mijnheer de Larnac, wij hebben niets.
—Hoezoo, niets? vroeg mevrouw de Lavardens verschrikt.
—Niets, niets, volstrekt niets, noch de een, noch de ander.
En mijnheer de Larnac sprong uit het rijtuig en vertelde hen wat er op het gerechtshof gebeurd was.
—Alles, zeide hij, ging eerst als van een leien dakje. Het kasteel werd aan mijnheer Gallard voor zeshonderd vijftig duizend francs toegewezen. Geen mededinger... Een opbod van vijftig francs was voldoende geweest. Daarentegen een kleine strijd om Blanche-Couronne. Het bod liep van vijfhonderd duizend tot vijfhonderd twintig duizend francs, en weer behaalde mijnheer Gallard de overwinning. Nieuwe en nog heviger strijd om la Rozeraie; zij werd u eindelijk toegewezen, mevrouw, voor vierhonderd vijfenvijftig duizend francs ... en ik, ik kocht zonder mededingen het bosch van la Mionne op, met een hooger bod van honderd francs. Alles scheen afgeloopen; men stond reeds in de zaal; men omringde de procureurs om de namen der koopers te vernemen. Mijnheer Brazier, de rechter die met den verkoop belast was, vraagt om stilte, en de deurwaarder stelt nu de vier kavelingen in hun geheel te koop voor twee millioen honderdvijftig of zestig duizend francs, dat weet ik niet meer precies... Een spotachtig gelach doet zich onder de aanwezigen hooren. Van alle kanten hoorde men zeggen: "niemand, hoor, er is niemand..." Maar de kleine Gibert, de procureur, die op de eerste rij zat, en die tot nu toe geen levensteeken gegeven had, staat op en zegt bedaard: "Ik koop de vier kavelingen voor twee millioen tweehonderd duizend francs." Het was als een donderslag! Een vreeselijk rumoer, gevolgd door eene doodelijke stilte. De zaal, was met boeren en pachters uit den omtrek gevuld. Zóóveel geld te betalen voor een stuk grond, maakte hen stom van verbazing... Mijnheer Gallard buigt zich echter tot den procureur Sandrier over, die het bod gedaan had ... vernieuwden strijd tusschen Gibert en Sandrier... Men gaat tot twee millioen vijfhonderd duizend francs... Een oogenblik slechts aarzelt mijnheer Gallard... Hij neemt een besluit... Hij gaat tot drie millioen. Daar houdt hij op en het domein is aan Gibert toegewezen... Men verdringt zich om hem heen, men omringd hem, men drukt hem dood—"De naam, de naam van den kooper?"—Het is eene Amerikaansche, antwoordt Gibert, mevrouw Scott.
—Mevrouw Scott! riep Paul de Lavardens uit.
—Kent gij haar? vroeg mevrouw de Lavardens.
—Of ik haar ken!... of ik haar...! In 't geheel niet... Maar ik was zes maanden geleden bij haar op een bal.
—Op een bal!... en gij kent haar niet!... Maar wat is ze dan?
—Bekoorlijk! Om te stelen! Eenig! Prachtig!
—En is er een mijnheer Scott?
—Zeker, een groote blonde man. Hij was op het bal... Men heeft hem mij gewezen... Hij knikte maar van rechts naar links. Hij amuseerde zich niet erg, dat verzeker ik u... Hij keek ons aan of hij zeggen wilde: "Wat moeten al die menschen hier?... Wat komen ze bij ons doen?..." Wij kwamen om mevr. Scott en miss Percival, de zuster van mevr. Scott, te zien... En het was wel de moeite waard!
—Kent gij die Scotts? vroeg mevrouw de Lavardens, zich tot mijnheer de Larnac wendend.
—Ja, mevrouw ik ken ze... Mijnheer Scott is een schatrijke Amerikaan, die zich verleden jaar te Parijs gevestigd heeft... Toen zijn naam genoemd werd, wist ik reeds, dat er voor ons geen kans bestaan had. Gallard had niets meer in te brengen. De Scotts kochten reeds dadelijk een hotel, bij het park Monceau, voor twee millioen.
—Ja, rue Murillo, zeide Paul, daar ik u al zeide, dat ik bij hen op een bal ben geweest; het was,...
—Laat mijnheer de Larnac toch uitspreken. Je kunt ons straks wel het verhaal doen.
Toen onze Amerikanen te Parijs gevestigd waren, vervolgde mijnheer de Larnac, begon er een ware goudregen. Echte parvenu's die er genoegen in vinden om hun geld met volle handen weg te werpen. Dit groote fortuin is kersversch; men vertelt dat mevrouw Scott, een jaar of tien geleden, in de straten van New-York gebedeld heeft.
—Gebedeld?
—Men zegt het, mevrouw. Toen is zij met dien Scott getrouwd, de zoon van een bankier uit New-York—en, plotseling hebben zij door een proces dat zij gewonnen hebben, geen duizenden maar tienduizenden in handen gekregen. Zij hebben ergens in Amerika eene zilvermijn ... met zilver.—O! Gij zult eens zien wat een rijkdom er in Longueval ten toon gespreid wordt!... Wij zullen er allen als arme lui uitzien. Men beweert dat zij honderd duizend francs per dag te verteren hebben.
—En dat worden onze buren! riep mevrouw de Lavardens uit. Eene avonturierster! En dat is nog niet alles ... eene ketter, mijnheer de pastoor, eene protestante!
Eene ketter, eene protestante! Arme pastoor! Dat was het, waar hij dadelijk aan gedacht had toen hij deze woorden hoorde: mevrouw Scott, eene Amerikaansche. De nieuwe eigenares zou niet naar de mis gaan! Wat ging het hem aan of zij gebedeld had! Wat gingen hem hare millioenen aan! Zij was niet katholiek! Hij zou de kinderen, die op het kasteel Longueval geboren werden, niet meer mogen doopen, en de kapel van het kasteel, waar hij zoo vaak de mis gelezen had, zou nu in eene protestante kerk veranderd worden, waarin de koude stem van eenen calvinistischen of lutherschen dominee zou weerklinken.
Te midden van deze ontstelde, diep bedroefde menschen, was Paul de Lavardens de eenige, die verrukt scheen.
—In allen gevalle een bekoorlijke ketter, zeide hij, en zelfs twee bekoorlijke ketters! Gij moest ze zien, de twee zusters te paard, in het Bois, met de twee kleine grooms, niet grooter dan zoo, achter op...
—Kom Paul, vertel ons wat je er van weet... Hoe komt het dat je op hun bal bent geweest?
—Zeer toevallig!... Tante Valentine ontving dien avond. Ik kom om tien uur ... en drommels! ze zijn niet zeer amusant, die Woensdagavonden bij Tante... Ik was er tien minuten, toen ik Roger Puymartin zag, die zich behendig uit de voeten maakte. Ik haal hem in de vestibule in. Ik zeg: Laat ons samen naar huis gaan.—O, ik ga niet naar huis.—Waar ga je heen?—Naar een bal.—Bij wie?—Bij de Scotts; ga je mee?—Maar ik ben niet gevraagd.—Ik ook niet!—Wat, jij ook niet?—Neen ik wacht een mijner vrienden op.—En kent die vriend de Scotts?—Nauwelijks, maar genoeg om ons beiden voor te stellen... Ga mee... Je zult mevrouw Scott zien.—O! Ik zag haar te paard in het Bois.—Zij is niet gedecolleteerd als zij te paard zit. Je hebt haar hals niet gezien en die moet je zien... Je kunt niets mooiers bedenken... Nu, ik ben naar het bal geweest ... en ik heb de roode haren en de mooie hals van mevrouw Scott gezien ... en ik hoop ze weer te zien, wanneer men later te Longueval bals geeft...
—Paul! zeide mevrouw de Lavardens, op den pastoor wijzend.
—O pardon, mijnheer de pastoor... Heb ik iets gezegd? Neen hé?...
De arme pastoor had niets gehoord. Zijne gedachten waren elders. Hij zag reeds de dominée van het kasteel langs de huizen gaan en onder elke deur een traktaatje schuiven.
Paul gaf vervolgens eene geestdriftige beschrijving van het huis, dat een pronkjuweel was.
—Een slechten smaak ... te veel luxe, viel mevrouw de Lavardens hem in de rede.
—Volstrekt niet, mama!... Er was niets overtolligs... Prachtige meubelen, alles met smaak en originaliteit gerangschikt, niets bonts of schreeuwend... Eene zeldzaam mooie serre, badend in eene zee van electrisch licht. Het buffet was in die serre opgesteld, onder een prieel van druiven ... in de maand April! ... en men kon er zooveel van nemen, als men wilde! De cotillon moet veertig duizend francs gekost hebben. Juweelen, bonbondoosjes, beeldige snuisterijen, die men mocht medenemen. Ik heb niets genomen; maar velen lieten het zich niet tweemaal zeggen... Puymartin vertelde mij de geschiedenis van mevrouw Scott ... zij komt niet geheel met die van mijnheer de Larnac overeen. Roger zeide, dat mevrouw Scott als kind door kunstenmakers gestolen werd, en dat haar vader haar terugvond, toen zij bij een reizenden troep over linten en door hoepels sprong.
—Eene paardrijdster! riep mevrouw de Lavardens uit, dan nog maar liever eene bedelaarster!
En terwijl Roger mij dit nieuwtje uit de Petit-Journal mededeelde, zag ik de paardrijdster uit het circus uit eene gaanderij komen, in een schitterend waas van satijn en kanten gehuld, en ik bewonderde haren hals, hare blanke schouders, waarop een collier van diamanten schitterde. Men zeide dat de Minister van Financiën in 't geheim de helft der kroondiamanten aan mevrouw Scott verkocht had. Daarbij moet nog worden gezegd, dat zij er als eene dame uit de groote wereld uitzag, die kleine paardrijdster, en dat zij te midden van al dien rijkdom, volkomen op haar gemak scheen.
Paul was zoo aan het doordraven, dat zijne moeder hem moest tegenhouden. Hij gaf tegenover de heer de Larnac, die slecht geluimd was, te veel blijk van zijne ingenomenheid, deze wonderbaarlijke Amerikaansche tot buurvrouw te hebben.
De abbé Constantijn maakte zich gereed om naar Longueval terug te keeren; maar Paul hield hem tegen.
—O neen, mijnheer de pastoor, gij moogt niet ten tweede male in deze hitte, den weg naar Longueval afleggen. Ik zal u met het rijtuig thuisbrengen. Het spijt mij, dat u zoo bedroefd bent. Ik zal u wat afleiding trachten te bezorgen. O! u bent wel een heilige, maar ik maak u toch wel eens aan 't lachen met mijne dwaasheden.
Een half uur later reden beiden, de pastoor en Paul, naar het dorp. Paul sprak steeds door! Zijne moeder was er nu niet om hem tegen te houden. Hij was uitgelaten van vreugde.
—Neen, werkelijk, mijnheer de pastoor, gij moet niet alles zoo zwaar opnemen... Kijk nu eens naar mijne merrie, hoe zij draaft, hoe zij hare pooten oplicht! Gij hebt ze nog niet gezien. Weet gij hoeveel ik er voor betaald heb? Vierhonderd francs. Ik heb ze veertien dagen geleden in eene berrie van een groentenwagen opgespoord. Als ze eens in gang is, doet ze vier mijlen in een uur, en men heeft er de handen vol mede. Kijk toch eens hoe zij trekt!... Vooruit! hût! hût!... U hebt geen haast, niet waar? Wilt gij door het bosch terugkeeren? Het zal u goed doen... Gij weet, mijnheer de pastoor, hoeveel achting en hoeveel toegenegenheid ik voor u gevoel! Heb ik iets gezegd, wat dwaas was? Dat zou mij spijten!...
—Neen, mijn jongen, ik heb niets gehoord.
Na rechts afgeslagen te zijn, kwam Paul op zijn eerste gezegde terug:
—Ik zeide u immers, dat gij niet alles zoo zwaar moest opnemen. Zal ik u eens wat zeggen? Het is zeer gelukkig, dat alles zoo gekomen is.
—Zeer gelukkig?
Ja... Ik heb liever de Scotts in Longueval, dan de Gallards. Hebt gij niet gehoord hoe mijnheer de Larnac hen dwaselijk betichtte, te veel geld uit te geven? Dat is nooit dwaas. Wat dwaas is, is om het te houden—uwe armen, want het is aan uwe armen dat gij denkt,—wel, uwe armen hebben vandaag een goeden dag gehad. Dat is mijne opinie. De godsdienst? Ja, zij zullen niet naar de mis gaan! dat doet u leed, dat is zeer natuurlijk, maar zij zullen u veel geld sturen en gij zult het aannemen, en daar hebt u gelijk aan. Ziet gij wel, dat gij niet neen zegt. Er zal over het geheele land een regen van goudstukken nederdalen... Eene drukte, een leven! rijtuigen met vier paarden, voorrijders met gepoederde pruiken, rallye-papers, parforce-jachten, bals, vuurwerk... En hier, in het bosch, zullen wij weldra Parijs terugvinden. Ik zal de twee Amazones en de twee kleine palfreniers, waar ik zoo even over sprak, terugzien. Gij weet niet, hoe lief zij er te paard uitzien, die twee zusters! Eens op een morgen, heb ik achter hen het geheele Bois de Boulogne door gereden. Ik zie ze nog. Zij droegen hooge grijze hoedjes, korte zwarte voiles en twee lange amazones zonder snid, met eene naad in den rug, en vrouwen moeten al zeer goed gevormd zijn, om zulke amazones te kunnen dragen!...
De pastoor had al sedert geruimen tijd niet meer naar het gesprek geluisterd. Het rijtuig rolde nu over een zeer langen rechten weg. Aan het einde van de laan zag de pastoor een ruiter in galop naderen.
—Kijk eens, zeide de pastoor tot Paul, gij hebt betere oogen dan ik, is dat niet Jean, daarginds?
—Ja zeker, het is Jean. Ik herken zijne grijze merrie.
Paul hield van paarden en keek altijd eerst naar het paard en dan naar den ruiter. Het was werkelijk Jean, en toen hij in de verte de pastoor en Paul zag, zwaaide hij met zijne kepi, met twee gouden strepen versierd. Jean was luitenant der artillerie, te Souvigny in garnizoen.
Eenige oogenblikken later hield hij bij het kleine rijtuigje stil, en zich tot den pastoor wendend:
—Ik ben bij u geweest, peetoom, Pauline zeide mij, dat gij naar Souvigny waart, voor den verkoop. En wie heeft het kasteel gekocht?
—Eene Amerikaansche, mevrouw Scott.
—En Blanche-Couronne?
—Dezelfde mevrouw Scott.
—En la Rozeraie?
—Weer mevrouw Scott.
—En het bosch... Nog altijd mevrouw Scott?
—Juist, antwoordde Paul .... en ik ken mevrouw Scott ... en men zal zich te Longueval amuseeren... Ik zal je voorstellen... Alleen spijt het mijnheer de pastoor vreeselijk, ... omdat het eene Amerikaansche, eene protestante, is.
—O! dat is waar, arme peetoom... Nu, daar zullen wij morgen nog wel eens over spreken. Ik kom bij u eten, ik heb Pauline al gewaarschuwd. Ik heb geen tijd, ik heb de week, en om drie uur dienst. Tot ziens Paul! Tot morgen, peetoom!
De luitenant der artillerie vertrok in galop; Paul liet het paard den teugel vieren.
—Wat een beste jongen is die Jean! zeide Paul.
—O, ja!
—Men vindt geen beter mensch dan Jean!
—Neen, geen beter!
De pastoor keek nog eens om naar Jean, die reeds uit het gezicht verdwenen was.
—O, toch, gij, mijnheer de pastoor!
—Neen, ik niet, ik niet!
—Nu, dan zal ik u eens iets zeggen, mijnheer de pastoor, er zijn geen betere menschen te vinden, dan u en Jean! Dat is de waarheid!... Wat een heerlijke weg om te draven! Ik zal Niniche eens hard laten loopen... Ik heb haar Niniche genoemd.
Paul raakte met de punt van de zweep Niniche's zijden aan, die nu over den weg vloog.
—Maar zie toch eens, hoe zij hare pooten oplicht, mijnheer de pastoor! Zoo gelijk!... Kijk toch eens. De pastoor boog zich voorover, om Paul genoegen te doen, en keek hoe Niniche hare pooten oplichtte... Maar, hij dacht aan iets anders.