II.
De artillerie-luitenant heette Jean Reynaud. Hij was de zoon van den geneesheer, die op het kerkhof van Longueval rustte. Toen de abbé Constantijn in 1846 de kleine pastorie in bezit nam, bewoonde een zekeren dokter Reynaud, de grootvader van Jean, een klein lief huisje, op den weg van Souvigny, tusschen het kasteel van Longueval en van Lavardens. Marcel, de zoon van dezen dokter Reynaud, was te Parijs, om zijne studiën in de medicijnen te voltooien. Bij het toelatings-examen verwierf hij den eersten graad. Hij besloot in Parijs te blijven en er zijn geluk te beproeven... alles beloofde reeds eene schitterende, gelukkige carrière, toen hij in 1852 de doodstijding van zijnen vader, die door eene beroerte getroffen was, ontving. Marcel snelde diepbedroefd naar Longueval. Hij beminde zijn vader zeer. Hij bleef eenige weken bij zijne moeder, en sprak er toen eerst over, om naar Parijs terug te keeren.
—Ja, het is waar, het wordt tijd dat gij vertrekt.
—Hoo zoo! dat ik vertrek?... Dat wij gaan. Gelooft u, dat ik u hier alleen zal laten?... Ik neem u meê.
—In Parijs wonen!... Deze streek verlaten waar ik geboren ben, waar uw vader gewoond, en waar hij gestorven is?—dat kan ik niet, kind, neen nooit! Ga alleen, want je toekomst, je leven, alles ligt daarginds. Ik ken je. Ik weet dat je mij niet vergeten zult, dat je mij heel dikwijls zult komen opzoeken.
—Neen, moeder, antwoordde hij, ik blijf.
Hij bleef... Zijne hoop, zijne eerzucht, alles werd in een oogenblik vernietigd... Hij had maar één doel voor oogen, ééne plicht, zijne oude, ziekelijke moeder niet te verlaten. In dezen plicht, die zoo oprecht volbracht en zoo dankbaar aangenomen werd, vond hij het geluk.
Marcel voegde zich spoedig in zijne nieuwe omgeving. Hij volgde het voetspoor van zijnen vader, zooals deze het achter gelaten had. Hij gaf zich geheel, zonder leedwezen, zonder nadenken aan dit vergeten bestaan van plattelandsgeneesheer over. Zijn vader had hem eenig geld en een klein stukje land nagelaten. Hij leefde zeer eenvoudig, en wijdde het grootste gedeelte van zijn bestaan aan de armen, van wie hij nooit geld aannam. Dit was zijn eenig genoegen.
Hij ontmoette een allerliefst jong meisje, zonder fortuin, dat alleen op de wereld stond. Hij huwde haar. Dit gebeurde in 1855, het jaar daarna bracht den dokter Reynaud een groot verdriet en eene groote vreugde: de dood van zijne oude moeder en de geboorte van zijn zoon Jean.
In zes weken tijds sprak de abbé Constantijn de gebeden der dooden over het graf van de grootmoeder, en hield als peet, het kleinkind ten doop.
Daar zij zich steeds aan de sponden der lijdenden en der stervenden ontmoetten, voelden de dokter en de pastoor zich meer en meer tot elkander aangetrokken. Zij behoorden tot hetzelfde slag menschen, zij waren van hetzelfde ras, het ras der weekhartigen, der rechtvaardigen en der weldoeners.
Jaren vervlogen, jaren van kalmte, rust en vrede, geheel aan arbeid en aan plicht gewijd. Jean groeide op... Van zijn vader kreeg hij de eerste spellessen, van den pastoor zijn eerste latijnsche les. Jean was verstandig en arbeidzaam, hij maakte zulke vorderingen, dat de twee leeraars—vooral de pastoor—er na eenige jaren wel een weinig verlegen mede waren. De leerling was te knap voor hen. Toen kwam de gravin zich na den dood van haren echtgenoot, te Lavardens vestigen. Zij bracht een gouverneur mede voor haren zoon Paul, die een zeer aardig, maar een zeer lui ventje was. De kinderen waren van dezelfde leeftijd; zij kenden elkander reeds, van hunne prille jeugd af.
Mevrouw de Lavardens hield zeer veel van dokter Reynaud; eens op een dag zeide zij tot hem:
—Stuur mij Jean elken morgen, dan zend ik hem u 's avonds terug. De gouverneur van Paul is een zeer achtenswaardig jongmensch; hij zal de kinderen wel aan 't werk zetten... Jean zal aan Paul een goed voorbeeld geven.
Zoo werd alles geschikt; en werkelijk, de kleine burgerjongen gaf, wat ijver en werken betrof, een uitstekend voorbeeld aan den kleinen edelman; maar het goede voorbeeld werd niet nagevolgd.
De oorlog brak uit. Den 14en November des morgens om zeven uur, vereenigden zich allen die te Souvigny onder de wapenen geroepen waren, op het stadsplein; de abbé Constantijn was aalmoezenier, dokter Reynaud was chirurgijn-majoor. Beiden hadden tegelijk dezelfde gedachte opgevat; de priester was twee en zestig jaar, en de dokter vijftig jaar oud. Bij het vertrek, volgde het bataillon den weg die door Longueval en langs het huis van den dokter liep. Mevrouw Reynaud en Jean wachtten aan den zoom van den weg. Het kind wierp zich in de armen van zijn vader: "Neem mij meê!" Mevrouw Reynaud weende, de dokter omhelsde hen beiden innig, en liep toen verder.
Op honderd passen afstand maakte het pad eene kromming, de dokter keek om, en wierp een langen teederen blik op zijne vrouw en zijn kind ... de laatste! Hij zou ze niet meer terugzien.
Den 8en Januari 1871, vielen gemobiliseerden van Souvigny het dorp Villersexel aan, dat door de Pruisen bezet was, die de muren van schietgaten voorzien, en zich in de huizen verschanst hadden. Het geweervuur knetterde. Een der soldaten die in het eerste gelid liep, viel, door een kogel in de borst getroffen. Een oogenblik van aarzeling en verwarring volgde. "Vooruit! Vooruit!" riepen de officieren. De manschappen stapten over het lijk van hunnen makker heen, en trokken onder een regen van kogels, het dorp binnen.
Dokter Reynaud en abbé Constantijn liepen met den troep mede. Zij hielden bij den gewonde stil. Het bloed stroomde hem uit den mond.
—Hier is niets meer te helpen, zeide de dokter; hij sterft, hij behoort u toe.
De priester knielde bij den stervende neder en de dokter vervolgde zijnen weg naar het dorp. Hij had nog geen tien passen afgelegd, toen hij stilhield en de armen opheffend, plotseling neerstortte. De priester vloog naar hem toe. Hij was dood, door een kogel aan den slaap getroffen.
Tegen den avond behoorde het dorp aan de Franschen en den volgenden dag, legde men het lijk van den dokter Reynaud op het kerkhof van Villersexel ter rustte. Twee maanden later, bracht de abbé Constantijn de doodkist van zijnen vriend naar Longueval, en achter deze kist liep een wees. Jean had ook zijne moeder verloren. Toen zij de doodstijding van haren echtgenoot ontving, was zij vierentwintig uren lang als versteend, verpletterd geweest, zonder een woord uittebrengen, zonder een traan te storten. Toen had zij koorts gekregen, en was gaan ijlen, en na veertien dagen was zij gestorven.
Jean was alleen op de wereld. Hij was veertien jaar oud; van deze familie, waarvan allen sedert jaren eerlijk en goed geweest waren, bleef er slechts dit kind over, dat daar bij het graf nederknielde en nu ook beloofde even eerlijk en goed te zijn als zijn grootvader en vader geweest waren. Jean droeg zijn leed als een man. Lang bleef hij bedroefd en stil. De avond na de begrafenis nam de abbé Constantijn hem mede naar de pastorie. Het was een regenachtige, koude dag geweest. Jean was bij den haard gaan zitten. De pastoor las zijn brevier. De oude Pauline was met het opruimen bezig. Een uur was stilzwijgend voor-bij-gegaan, toen Jean plotseling het hoofd opheffend, zeide:
—Heeft mijn vader mij geld nagelaten, peetoom?
Deze vraag was zoo vreemd, dat de pastoor zich verwonderd afvroeg of hij wel goed gehoord had...
—Je vraagt mij of je vader?—
—Of mijn vader mij geld nagelaten heeft, peetoom?
—Ja, er moet geld zijn...
—Veel, niet waar? Ik heb dikwijls hooren zeggen dat vader rijk was. Vertelt u mij eens hoeveel hij zoowat nagelaten heeft.
—Maar ik weet niet.—Je vraagt mij daar iets...
De arme pastoor was diep verslagen. Op dit oogenblik, zulk eene vraag te doen! Hij meende toch Jean zoo goed te kennen, en zulke gedachten moesten toch niet in zijn hart opwellen.
—Ik bid u, peetoom, zegt het mij..., vervolgde Jean zacht. Ik vertel u naderhand waarom ik u dit vraag.
—Welnu, men zegt dat uw vader twee of drie honderd duizend francs heeft nagelaten.
—En dat is veel geld?
—Ja, zeer veel.
—En alles behoort mij toe?
—Ja alles.
—O, des te beter, want op den zelfden dag, dat mijn vader daarginds gevallen is, hebben de Pruisen den zoon van eene arme vrouw uit Longueval ... moeder Clément, u weet wel, gedood. Zij hebben ook Rozalie's broeder gedood, waar ik altijd mede speelde toen ik klein was. Welnu, daar ik nu rijk ben, en zij arm zijn, wil ik met moeder Clément en Rozalie het geld deelen.
Toen hij deze woorden hoorde stond de pastoor op, nam de handen van Jean in de zijne, en hem naar zich toe trekkend nam hij hem in zijne armen. Het witte hoofd boog zich tot het blonde neder. Twee dikke tranen rolden langzaam over zijne wangen en bleven in de rimpels van zijn gelaat hangen.
De pastoor moest echter aan Jean uitleggen, dat, ofschoon hij de erfgenaam zijns vaders was, hij toch niet het recht had, vrij over zijn erfdeel te beschikken. Er zou een familieraad bijeen geroepen, en een voogd benoemd worden.
—Gij zeker, peetoom?
—Neen, ik niet kind, een priester mag geen voogdijschap aanvaarden. Men zal zeker mijnheer Lenient, de notaris van Souvigny kiezen, die een van de beste vrienden van je vader was.
Je kunt met hem spreken, en hem zeggen wat je wenscht.
De heer Lenient werd werkelijk tot voogd benoemd. Jean smeekte zoo dringend, zoo aandoenlijk dat de notaris er in toestemde, om hem van zijne inkomsten eene som van tweeduizend vierhonderd francs uittekeeren, die elk jaar tot aan de meerderjarigheid van Jean, tusschen moeder Clément en de kleine Rozalie verdeeld werden. Mevrouw de Lavardens deed zich onder deze omstandigheden, weder in al hare goedheid kennen. Zij ging naar den abbé Constantijn.
—Geef mij Jean, zeide zij, geef hem mij totdat zijne studiën voltooid zijn. Ik zal hem u elk jaar in de vacantie terugbrengen. Het is geen dienst die ik u doe, maar eenen dienst die ik u vraag. Voor mijn zoon kan ik niets beters wenschen. Ik ben er toe besloten om Lavardens tijdelijk te verlaten; Paul wil Cadet worden, naar Saint-Cyr gaan. Ik kan slechts te Parijs de beste meesters, de beste hulpmiddelen hiertoe vinden. Ik zal er beide kinderen heenbrengen; zij zullen onder mijn toezicht samen opgevoed worden. Ik zal geen onderscheid tusschen hen maken, daar kunt u verzekerd van zijn.
Het was moeielijk zoo'n voorstel te weigeren. De oude pastoor had wel gewenscht Jean bij zich te houden; zijn hart kromp ineen bij de gedachte aan eene scheiding; maar wat was het beste voor het kind zelf? dit moest men zich het eerst afvragen. Al het andere werd op den achtergrond gedreven... Men liet Jean binnenkomen.
—Wil je met Paul en mij voor eenige jaren naar Parijs gaan, vroeg mevrouw de Lavardens hem.
—U bent wel vriendelijk, mevrouw, maar ik had zoo zeer gehoopt, hier te kunnen blijven!
Hij keek naar den pastoor die het hoofd afwendde!
—Waarom vertrekken? vervolgde hij, waarom Paul en mij medenemen?
—Omdat je slechts in Parijs je studiën kunt voltooien, Paul wil zich voor Saint-Cyr voorbereiden, je weet dat hij soldaat wil worden.
—En ook ik, wil soldaat worden.
Jij soldaat? zeide de pastoor, maar dat heeft je vader nooit gewenscht... Je vader heeft in mijn bijzijn dikwijls over je toekomst, je loopbaan gesproken. Je moest dokter worden zooals hij, en geneesheer te Longueval ... en, zooals hij, de armen verzorgen en de zieken oppassen. Jean, kind, denk daaraan.
—Ik denk er aan, ik denk er aan.
—Nu, dan moet je doen wat je vader wenschte. Het is je plicht, Jean. Je moet naar Parijs gaan. Je zoudt hier willen blijven, o! dat begrijp ik ... en ik ook, ik zou het willen—maar het kan niet... Je moet gaan en werken, hard werken. Dat is niet wat mij verontrust, want je bent een echt kind van je vader. Je zult een eerlijk en een arbeidzaam mensch wezen. En dan zullen de armen uit dezen streek, eens in het huis van je vader, daar waar hij zooveel goed gedaan heeft, een anderen dokter Reynaud terugvinden, die hen ook op zijn beurt helpen zal. En wanneer ik dan misschien nog tot de levenden behoor, dan zal ik op dien dag zoo gelukkig, o zoo gelukkig zijn! Maar het is niet goed om over mij zelve te spreken... Dat moest ik niet doen ... ik tel niet meê... Je moet aan je vader denken. Ik herhaal het nog eens, Jean, het was zijn hartewensch. Je kunt het niet vergeten hebben.
—Neen, ik heb het niet vergeten; maar als mijn vader mij ziet en mij hoort, weet ik zeker dat hij mij begrijpt en mij vergeeft, want het is om hem...
—Om hem?...
—Ja, toen ik hoorde dat hij dood was, en hoe hij gestorven is, heb ik dadelijk, zonder mij te bezinnen, tot mij zelve gezegd dat ik soldaat wilde worden ... en ik zal soldaat worden!—Gij peet, en gij mevrouw, wat ik u bidden mag, houdt mij niet tegen...
Het kind barstte in een wanhopend snikken uit. De gravin en de abbé zochten hem met teedere woordjes tot bedaren te brengen.
Ja—ja—het is al goed—doe wat je wilt.—Beiden hadden de zelfde gedachte: de tijd doet wonderen. Jean is nog een kind, hij zal van meening veranderen. Waarin beiden zich vergisten, Jean veranderde niet van meening.
In September 1876 werd Paul te Saint-Cyr afgewezen en Jean kreeg no. elf op de Polytechnische school. Op den zelfden dag dat de lijst der toegelaten candidaten openbaar werd gemaakt, schreef hij aan den abbé Constantijn.
"Ik ben toegelaten. Ik wil bij het leger dienen, en niet in den staatsdienst blijven... Wanneer ik mijne plaats op de school behoud, zal het aan een mijner makkers ten goede komen. Hij krijgt dan mijn plaats."
Dit gebeurde ook... Jean deed beter, dan zijne plaats behouden. Bij het eindexamen kreeg hij no. zeven. Maar in plaats van zijne studiën voort te zetten, ging hij in 1878 naar Fontainebleau. Hij was een en twintig jaar oud. Hij was meerderjarig, hij had de vrije beschikking over zijn fortuin, en zijn eerste werk was, eene zeer groote uitgaaf te doen. Hij kocht voor moeder Clément en voor de kleine Rozalie, die nu al groot geworden was, twee obligatiën, van vijftienhonderd francs ieder. Dit kostte hem zeventigduizend francs, bijna zooveel als Paul, in het eerste jaar dat hij te Parijs was, voor juffrouw Lise Brugère, van het theatre du Palais-Royal, uitgaf.
Twee jaar daarna, verliet Jean als no. één de school te Fontainebleau, waardoor hij het recht verwierf zijne eigene standplaats te kiezen. Er was eene plaats open bij het regiment dat te Souvigny stond; en Souvigny was op drie kilometers van Longueval gelegen. Jean vroeg om de plaats en verkreeg haar.
Zoo kwam het, dat Jean Reynaud, luitenant bij het 9e regiment artillerie, in de maand October van het jaar 1880 weder bezit nam van het huis van dokter Marcel Reynaud. Zoo kwam hij weder in het land terug, waar hij zijn jeugd had doorgebracht en waar iedereen zich nog het leven en het afsterven van zijnen vader herinnerde.
Hierdoor werd ook aan den abbé Constantijn de vreugde gegund, om den zoon van zijnen vriend terug te zien... En, om de waarheid te zeggen, hij was niet boos op Jean, dat hij geen dokter geworden was. Wanneer de oude pastoor uit de kerk kwam, wanneer hij het gerol der kanonnen hoorde, of den weg in een stofwolk gehuld zag, dan stond hij stil, en verheugde zich als een kind, wanneer het regiment voorbijkwam.—Want het regiment vertegenwoordigde Jean! Het was deze sterke, krachtige ruiter, op wiens gelaat openhartigheid, moed en goedheid te lezen stond.
Wanneer Jean in de verte den pastoor zag, gaf hij zijn paard de sporen en kwam met zijn peet een praatje maken. Het paard van Jean keerde den kop naar den pastoor, want het wist wel, dat er zich altijd een klontje suiker in den zak van de oude jas bevond.
Terwijl zij het dorp doorgingen schetterden de trompetten ... en alle blikken zochten de kleine Jean, want, voor de oudjes in Longueval was hij nog altijd de kleine Jean. Een oud gerimpeld boertje, geheel gekromd, had zich maar niet kunnen afwennen om hem voorbijgaande, met een "wel, hoe gaat het, jongen?" te groeten. Deze jongen was zes voet lang!
Jean ging nooit door het dorp, of hij zag voor twee vensters het oude gerimpelde gelaat van moeder Clément en het lachende gezichtje van Rozalie. Deze laatste was het vorig jaar getrouwd, Jean was getuige geweest, en had 's avonds vroolijk rondgesprongen met de meisjes van Longueval.
Den volgenden dag, stapte Jean om vijf uur, voor de deur van de pastorie af. Hij trad binnen; zijn paard volgde hem gedwee, en ging uit zich zelf onder een afdakje van de plaats staan.
Pauline stond aan het keukenraam... Jean ging naar haar toe en kuste haar hartelijk op beide wangen.
—Dag goede Pauline, hoe gaat het?
—Goed.—Ik zorg voor je eten... Wil je weten wat je krijgt? Aardappelensoep, een schapenbout en pannekoeken...
—Prachtig hoor! Ik ben er dol op en sterf van honger.
—En de salade die ik nog vergeet, maar je moet mij helpen om ze te plukken. Wij eten om half zeven precies, omdat mijnheer de pastoor om half acht dienst heeft.
—Waar is mijn peetoom?
—In den tuin.—Hij is erg treurig van wege die verkooping.
—Ja, ik weet het.
—Het zal hem goed doen, dat je hier bent. Hij is altijd blij wanneer hij je ziet.
De arme abbé was werkelijk diep bedroefd. Den geheelen nacht, had hij geen oog dicht gedaan, en dat hij, die gewoonlijk zoo rustig, zoo kalm sliep, als een klein kind. Zijn hart was gebroken.
Longueval in handen van eene vreemde, van eene ongeloovige, van eene avonturierster! Jean herhaalde, wat Paul den vorigen avond gezegd had:
—Gij zult veel geld voor de armen krijgen.
—Geld! geld!... Ja, mijne armen verliezen niets, misschien winnen zij er bij ... maar ik zal om het geld moeten gaan vragen, en in het salon, zal ik in plaats van mijne lieve, oude vriendin, deze Amerikaansche met de roode haren zien!—Natuurlijk zal ik er voor mijne armen heengaan... En zij zal mij geld geven, maar geld alleen. De markiezin gaf nog wat anders. Zij gaf van haar leven en van hare liefde... Wij gingen elke week samen de armen en de zieken bezoeken. Zij kende al het leed, al de ellende uit den omtrek; en, wanneer ik door de jicht aan mijnen stoel gekluisterd was, deed zij alleen de ronde, en even goed, zoo niet beter dan ik.
De komst van Pauline maakte een einde aan het gesprek... Zij droeg een groote saladebak van aardewerk waarop bloemen met schreeuwende, roode kleuren geschilderd stonden.
—Daar ben ik, zeide Pauline, ik ga de salade plukken... Wil je kropsla of dunsel?
—Dunsel, antwoordde Jean vroolijk... Ik heb het in zoo'n langen tijd niet gegeten.
—Nu, dan zal je het van avond hebben... Hier, hou de slabak vast.
Pauline plukte de salade en Jean boog zich voorover om de blaadjes op te vangen. De abbé stond er naar te kijken.
Op dit oogenblik deed zich het gerinkel van bellen hooren. Een rijtuig naderde. Het tuintje van den abbé Constantijn was slechts door eene lage heg, waarin zich een klein deurtje van traliewerk bevond, van den weg gescheiden.
Alle drie keken er heen en zagen eene huurkoets van ouderwetschen vorm aankomen, met twee groote schimmels bespannen en door een ouden koetsier, met een kiel aan, bestuurd. Naast den ouden koetsier zat een livreiknecht met het ernstigste, deftigste gezicht van de wereld.
In het rijtuig zaten twee dames, beiden hadden dezelfde reisjapon aan, zij waren zeer elegant, maar zeer eenvoudig gekleed.
Toen het rijtuig voor het tuindeurtje gekomen was, hield de koetsier de paarden in en zich tot den abbé wendend:
—Mijnheer de pastoor, zeide hij, deze dames wenschen u te spreken.
En zich toen omkeerend, voegde hij er bij:
—Dames, dit is mijnheer de pastoor van Longueval. De abbé Constantijn was naderbij gekomen, en had het deurtje opengedaan. De reizigers stapten uit. Hunne blikken vestigden zich verwonderd op den jongen officier, die met zijn stroohoed in de rechterhand en in de linker een grooten bak vol salade, wel een weinig met zijn figuur verlegen scheen.
De twee dames traden den tuin binnen ... en de oudste,—die vijf en twintig jaar oud scheen—richtte het woord tot den abbé Constantijn; zij sprak met een vreemd accent, hetgeen haar iets bijzonder piekants gaf:
—Ik zal mij maar zelf aan u voorstellen, mijnheer de pastoor, ... Mevrouw Scott. Ik ben het die gisteren het kasteel ... en de boerderij ... en de rest gekocht heb. Ik houd u toch niet op, kan ik u vijf minuten spreken?
Toen hare reisgezellin voorstellend:
—Miss Bettina Percival ... mijne zuster, zooals gij wel geraden zult hebben?—Wij gelijken zeer op elkaar, niet waar?... O! Bettina.—Wij hebben onze twee kleine taschjes in het rijtuig laten liggen ... en wij zullen ze noodig hebben.
—Ik ga ze halen.
Toen miss Percival de taschjes wilde gaan halen zeide Jean:
—Ik bid u juffrouw, laat mij...
—Het spijt mij zeer dat ik u zooveel moeite veroorzaak... De knecht zal ze u aangeven... Zij liggen op het voorbankje.
Zij had hetzelfde accent als hare zuster, de zelfde groote, zwarte, vroolijk lachende oogen, en de zelfde haren,—niet rood,—maar blond, met een gouden gloed, waarin zich de zonnestralen zachtjes spiegelden. Zij groette Jean met een aardig lachje en toen deze de slabak aan Pauline had overgegeven, ging hij de twee kleine taschjes halen. In dien tusschentijd leidde de abbé Constantijn, de nieuwe bewoonster van Longueval, de pastorie binnen.