WeRead Powered by ReaderPub
De Abbé Constantijn cover

De Abbé Constantijn

Chapter 5: III.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A devoted village priest confronts the imminent sale and division of a long-held country estate that has shaped parish life, recalling his thirty-year attachment to the land and its benefactress. The narrative traces how the estate's fate reverberates through the village, affects friendships, and unravels the circumstances of the heirs, exposing social vulnerability and financial strain. Through episodes of charity, domestic detail, and communal rituals, the work explores loyalty, humility, and human kindness amid social change. The tone mixes gentle sentiment and light humor while portraying rural community bonds and moral resilience.

III.

Het was geen paleis, deze pastorie van Longueval. De kamer aan de straat diende tegelijk als salon en eetkamer, zij was vlak naast de keuken gelegen, waarvan de deur altijd wijd openstond; het vertrek was zeer karig gemeubeld: twee groote leuningstoelen, zes matten stoelen, eene dientafel, en eene ronde tafel, dat was alles. Reeds had Pauline voor den abbé en voor Jean gedekt.

Mevrouw Scott en Miss Percival bekeken de inrichting van de pastorie met eene kinderlijke nieuwsgierigheid.

—Maar de tuin, het huis, alles is allerliefst, zeide mevrouw Scott.

Beiden traden de keuken binnen. De abbé Constantijn volgde hen buiten adem, verbaasd, verschrikt over dit onverwachte, plotselinge bezoek. De oude Pauline keek met een boozen, angstigen blik naar de twee vreemdelingen.

—Dat zijn ze, die ketters, die verdoemden! zeide zij tot zich zelve; en met bevende, gejaagde vingers, maakte zij werktuigelijk hare salade schoon.

—Ik maak je mijn compliment, juffrouw, zeide Bettina, wat is de kleine keuken netjes! Kijk eens, Suzie, is het niet net eene pastorie als je gewenscht hebt?

—En ook de pastoor, vervolgde mevrouw Scott.

O! ik mag u dit zeker wel zeggen, mijnheer de pastoor? U weet niet hoe blij ik ben, dat gij zijt, zooals ge zijt!... Vanmorgen in den trein ... niet waar Bettina, en ook in het rijtuig zeide ik?...

—Mijne zuster zeide, mijnheer de pastoor, dat zij boven alles een pastoor wenschte, die niet jong, niet treurig en niet streng was, een pastoor met witte haren en met een goed, zacht uiterlijk.

—En dat bent u, mijnheer de pastoor. Neen, wij zouden niets beters kunnen vinden. Vergeef mij, dat ik zoo tegen u spreek. De Parisiennes weten heel goed hunne woorden te kiezen. Ik, ik weet het niet ... en ik zou, wanneer ik Fransch sprak, zeer veel moeite hebben, om mij er uit te redden, indien ik niet alles zeide, zooals het mij uit het hart komt. Nu, ik ben blij, zeer blij, en in hoop, dat ook u mijnheer de pastoor, over uwe nieuwe parochianen tevreden zult zijn.

Mijne parochianen! zeide de pastoor, die nu plotseling zijn spraakvermogen, zijne levendigheid, zijne opgeruimdheid terugkreeg, die hem eenige oogenblikken geleden, geheel verlaten schenen te hebben. Mijne parochianen! Vergeeft mij, mevrouw, mejuffrouw ... ik ben zoo ontroerd! Gij zoudt ... gij zijt katholiek?

—Ja zeker, zijn wij katholiek.

—Katholiek—katholiek? herhaalde de pastoor.

Mevrouw Scott keek den pastoor zeer verwonderd aan, daar zij niet begreep hoe een enkel woordje zulk een uitwerking kon te weeg brengen. Jean kwam nu ook binnen met de twee kleine reistaschjes. De pastoor en Pauline, riepen te gelijk:

—Katholiek! katholiek!

—O! nu begrijp ik het, zeide mevrouw Scott lachend, het is onze naam, ons land! Gij hebt gedacht dat wij protestant waren. Volstrekt niet; onze moeder was eene Canadeesche van Fransche afkomst en katholiek, daarom spreken mijne zuster en ik, Fransch, wel met eenig accent en eenige Amerikaansche uitdrukkingen, maar toch zoo, dat wij zeggen kunnen, wat wij zeggen willen. Mijn echtgenoot is protestant, maar hij laat mij geheel vrij, en mijne kinderen zijn katholiek. Daarom wilden wij ook het eerst naar u toe gaan, mijnheer de pastoor.

—Daarom, zeide Bettina ... en om nog wat anders—maar, voor dat andere hebben wij onze taschjes noodig.

—Hier zijn zij, mejuffrouw, antwoordde Jean.

—Dit is het mijne.

—En dit het mijne.

Terwijl mevrouw Scott en Bettina de taschjes uit de handen van den officier aannamen, stelde de pastoor de twee Amerikaanschen aan Jean voor; hij was echter nog zoo verward, dat hij het noodzakelijkste bij eene voorstelling vergat te noemen: den familienaam van Jean.

—Dit is Jean, zeide hij, mijn peetekind, luitenant bij de artillerie, te Souvigny in garnizoen. Hier is hij thuis.

Jean boog tweemaal, zeer diep; de Amerikaanschen groetten terug; waarna zij uit hunne taschjes ieder een rolletje van duizend francs namen.

Ik heb dit voor uwe armen mede gebracht, mijnheer de pastoor, zeide mevrouw Scott.

—En ik dit, zeide Bettina.

Zachtjes lieten zij hunne offergave in de rechter en in de linker hand van den ouden pastoor glijden; deze zeide tot zich zelve, terwijl hij van de eene naar de andere hand keek:

—Wat zou het zijn? Wat is het zwaar. Er moet goud in zitten.—Ja, maar hoeveel? hoeveel? Hij was twee en zeventig jaar oud, de abbé Constantijn, en hij had zeer veel geld in handen gehad; wel is waar, om het niet lang te behouden, maar dat geld had hij bij kleine beetjes ontvangen; dat hij nu zulk eene groote som kreeg, kwam niet in zijn brein op. Twee duizend francs! Nooit had hij twee duizend francs in zijn bezit gehad, zelfs geen duizend. Dus, daar hij niet wist hoeveel men hem gaf, wist hij niet, hoe hij zijnen dank zou uitbrengen. Hij prevelde:

—Ik ben u zeer dankbaar, mevrouw; gij zijt wel goed, mejuffrouw.

Jean achtte zich verplicht, tusschen beide te komen.

—Peetoom, deze dames hebben u twee duizend francs gegeven.

Met het hart vol aandoening en dankbaarheid vervuld, riep de pastoor uit:

Twee duizend francs! Twee duizend francs voor mijne armen!

—Dat is nog niet alles, mijnheer de pastoor, zeide mevrouw Scott, ik zal elken maand vijfhonderd francs geven.

—En ik zal het zelfde geven, als mijne zuster.

—Duizend francs in de maand! maar dan zijn er geen armen meer in den omtrek.

—Dat willen wij ook. Ik ben rijk, zeer rijk ... en mijne zuster ook! Zij is nog zelfs rijker dan ik ... daar een jong meisje weinig kan uitgeven ... terwijl ik O! ik!—ik geef alles uit wat ik heb. Wanneer men zooveel geld heeft, nietwaar mijnheer de pastoor, wat kan men dan beter doen dan met volle handen te geven en goed te geven. Trouwens, gij zult mij ook iets geven; en zich tot Pauline wendend:

—Zoudt gij zoo goed willen wezen, mij een versch glas water te brengen? Neen, niets anders, ... versch water.—Ik versmacht van den dorst.

—En ik, zeide Bettina, terwijl Pauline het water haalde, ik sterf van iets anders, en wel van honger.—Mijnheer de pastoor—ik weet het, het is vreeselijk indiscreet ... maar ik zie dat er gedekt is... Zoudt u ons niet ten eten kunnen vragen?

—Bettina! zeide mevrouw Scott.

—Och Suzie, laat mij toch—nietwaar mijnheer de pastoor, u wilt wel?

Maar hij kon niets zeggen, de oude pastoor. Hij wist niet meer hoe hij het had. Zij namen zijne pastorie stormenderhand in. Zij wilden bij hem eten! Dat, dat was te veel! De schrik sloeg hem om 't hart bij de gedachte, dat hij nu de eer van zijn schapenbout en zijne pannekoeken moest ophouden, tegenover deze schatrijke Amerikaanschen, die zeker gewend waren, de buitensporigste, de meest uitgelezene gerechten te nuttigen. Hij mompelde:

—Te eten! ... te eten!... gij wilt hier eten?

Jean moest ook hier weer tusschen beide komen.

—Het zal mijn peetoom zeer aangenaam zijn, wanneer gij blijft, zeide hij; alleen, ik weet wat hem bevreesd maakt... Wij zouden samen eten, en gij moet geen feestdisch verwachten... Gij wilt wel voor lief nemen?

—Ja, ja, zeker, antwoordde Bettina; en zich tot hare zuster wendend:

—Kom Suzie, kijk nu niet zoo boos omdat ik ... je weet wel, ik ben wel meer zoo... Laat ons blijven, wil je? Het zal ons goed doen, wanneer wij hier een uurtje rustig zitten. Wij hebben den geheelen dag in den trein, in een rijtuig—in de stof—in de warmte doorgebracht!... Wij hebben van morgen een afschuwelijk ontbijt, in een afschuwelijk hotel genoten! Wij moesten weer om zeven uur in het zelfde hotel gaan dineeren, en dan, naar Parijs terug—maar het zou werkelijk veel aardiger zijn, om hier te blijven. Je zegt niet meer neen... O! dat is lief van je, Suzie.

—Kom Pauline! zeide Jean, gauw twee borden, ik zal je helpen.

—Ik help u ook, riep Bettina, ik help u!—Nietwaar, mijnheer de pastoor, ik mag mij zeker wel van mijn hoed en mantel ontdoen?

Haastig ontdeed zij zich van haren mantel en Jean kon nu in al hare heerlijke volmaaktheid, eene wonderbaarlijk lenige en bevallige gestalte bewonderen.

Daarna ontdeed Miss Percival zich van haren hoed. Een schat van lokken viel in lange krullen over de schouders van Bettina; zij stond voor het raam, waarin eene zee van zonnestralen naar binnen viel ... en dit gulden licht, dat vol op deze gouden lokken viel, scheen de schitterende schoonheid van het jonge meisje, als met een kostbaren lijst te omgeven. Verlegen en blozend, moest Bettina de hulp harer zuster inroepen en deze had zeer veel moeite, om een weinig orde in deze onorde te brengen.

Toen dit eindelijk afgeloopen was, liet Bettina zich niet weerhouden, om zich van de borden, de messen en de vorken, meester te maken.

—Maar, mijnheer, zeide zij tot Jean, ik kan heel goed tafel dekken, vraagt u het maar aan mijne zuster ... niet waar Suzie, toen ik heel klein was, in New-York, kende ik het toen niet goed?

—Ja, zeer goed, antwoordde mevrouw Scott.

Zij had zich ook van haren hoed en mantel ontdaan; weer kon Jean eene elegante taille en prachtig haar bewonderen, maar tot zijn spijt, bleef de verwarring ditmaal uit.

Eenige oogenblikken later, namen zij allen rondom de kleine tafel plaats; weldra werd, dank zij de eigenaardigheid van hunne kennismaking, en vooral door de opgewekte vroolijkheid van Bettina, het gesprek zeer levendig.

De abbé Constantijn kwam eindelijk tot zich zelve; maar hij was nog te ontroerd, om zijne plichten als gastheer behoorlijk waar te nemen; het was dus Jean, die voor alles zorg droeg. Hij vulde het bord van de bekoorlijke Amerikaansche, die hem met twee groote oogen aanstaarde, waarin zich oprechtheid, onverschrokkenheid en vroolijkheid weerspiegelden, tot aan den rand met soep. De oogen van Jean betaalden haar echter met de zelfde munt terug. Het was nog geen drie kwartier geleden, dat zij zich voor het eerst ontmoet hadden, en beiden voelden zich reeds geheel op hun gemak, als twee goede kameraden.

—Gisteren was het de verjaardag van mijne zuster, zeide Bettina. Mijn zwager was acht dagen geleden naar Amerika vertrokken; maar vóór zijn vertrek zeide hij tot mijne zuster: "Ik zal niet op je verjaardag hier zijn, maar je zult toch van mij hooren.

Van alle kanten kwamen er gisteren cadeaux en bloemruikers; maar van mijn zwager tot vijf uur niets. Wij gaan samen een rijtoer in het bosch maken en, over paarden gesproken—zij zweeg, en zich een weinig voorover buigend keek zij nieuwsgierig naar de stoffige laarzen van Jean, en riep toen uit:

—Maar, mijnheer, gij draagt sporen?

—Ja ik ben van de rijdende artillerie, mejuffrouw.

—En uw regiment staat?

—Hier dicht bij.

—Maar dan kunt gij met ons paardrijden?

—Met het grootste genoegen.

—Dat blijft afgesproken. Nu, waar was ik gebleven?

—Je weet niet waar je gebleven bent, Bettina, en je vertelt dingen, die de heeren niets schelen kunnen.

—O, pardon mevrouw, zeide de pastoor. De verkoop van het kasteel,—men spreekt nergens anders over—en het verhaal boeit ons zeer.

—Nu, zie je wel Suzie. Dan ga ik verder. Wij komen om zes uur thuis, niets... Wij dineeren en toen wij juist van plan waren van tafel op te staan, komt een telegram uit Amerika: "Ik heb voor U en op Uwen naam gekocht het kasteel van Longueval en toebehooren, bij Souvigny". Toen zijn wij beiden in een hartelijk gelach uitgebarsten, bij de gedachte...

—Neen, Bettina, dat is niet waar. Wij waren diep geroerd en zeer dankbaar. Wij houden zeer veel van het buitenleven, mijne zuster en ik. Mijn echtgenoot wist dat ik zeer gaarne een landgoed wilde bezitten. Sedert zes maanden zocht hij, zonder iets te kunnen vinden. Eindelijk, zonder ons er wat van te zeggen, had hij dit kasteel ontdekt, dat juist op mijn verjaardag werd verkocht... Het was eene zeer kiesche attentie. Maar, toen wij er plotseling aan dachten dat wij—want wat de eene toebehoort, behoort ook aan de andere—een kasteel bezaten, zonder te weten waar dat kasteel zich bevond, hebben wij vijf minuten lang, eens goed uitgelachen.

—Toen hebben wij eene kaart van Frankrijk te voorschijn gehaald en wij hebben na veel moeite Souvigny gevonden. Na het atlas kwam een spoorweggids te voorschijn en van morgen om tien uur kwamen wij met den sneltrein te Souvigny aan.

—Wij hebben den geheelen dag met het bezichtigen van het kasteel, de stallen en de boerderijen doorgebracht. Wij hebben niet alles gezien, want het is te groot... Maar wij zijn verrukt van alles. Een ding is er, mijnheer de pastoor, dat ik gaarne wilde weten. Kunt u mij den prijs zeggen, waarvoor het gekocht is.

—Voor een enormen prijs, antwoordde de pastoor.

—Een enormen prijs! Gij doet mij schrikken. Hoeveel precies?

—Drie millioen!

—Zoo weinig maar! riep mevrouw Scott uit; het kasteel, de boerderijen en het bosch, alles voor drie millioen!

—Maar dat is voor niets, zeide Bettina.

—En heeft men mijn naam genoemd?

—Ja, mevrouw.

—En, was er iemand die mij kende, die over mij sprak? Ja. U zwijgt, dus men heeft over mij gesproken. Welnu, in alle ernst, wat heeft men van mij gezegd.

—Maar mevrouw, antwoordde de arme pastoor, die op heete kolen zat, men heeft over uwen rijkdom gesproken...

—Ja, daar zal men over gesproken hebben, en dat ik sinds korten tijd ... eene parvenu was ... niet waar? Maar dat is niet alles, men heeft nog meer gezegd.

—Wel neen, ik heb niets gehoord.

O! mijnheer de pastoor nu zegt ge een leugentje om bestwil ... en ik breng u zeer in verlegenheid. Maar, ik wilde gaarne weten wat men gezegd heeft...

—Goede hemel, mevrouw, zeide Jean, gij hebt gelijk, men heeft nog andere dingen gezegd; dat gij een der schoonste, een der geestigste...

—Vrouwen van Parijs waart? Ja, maar er is nog iets anders, en dat wilde ik weten. Ik weet het niet ... maar mij dunkt, dat ik u al een weinig onder mijne vrienden mag rekenen. Welnu, wanneer er over mij bespottelijke verhalen in omloop zijn, heb ik dan niet gelijk wanneer ik denk dat gij ze zult tegenspreken?

—Ja, mevrouw, zeide Jean haastig, dat hebt gij.

—Welnu, mijnheer, ik wend mij tot u. Gij zijt soldaat, en gij behoort dus moed te bezitten. Gij zult mij dus openhartig op al mijne vragen antwoorden.

—Heeft men u gezegd dat ik in de straten van New-York gebedeld heb?

—Ja.

—En dat ik paardrijdster in een circus was?

—Ja, mevrouw.

—Dat is goed! Welnu, eerst moet ik opmerken, dat er van dit alles geen woord waar is. Maar, heb ik dan ook niet het recht, om dit te zeggen?—Ik zal u in weinige woorden mijne geschiedenis vertellen, in de hoop, dat gij haar oververtelt aan allen, die over mij spreken... Ik zal hier eenigen tijd doorbrengen, en ik wil, dat men weet wie ik ben. Ik begin dus. Arm, ja, dat was ik, en zeer arm. Dit is acht jaren geleden... Mijn vader was pas gestorven, kort na den dood mijner moeder. Ik was achttien jaar oud, en Bettina elf. Wij bleven alleen op de wereld, met veel schulden en een groot proces. De laatste woorden van mijnen vader waren: "Suzie, geef het proces nooit op, nooit, nooit!... Gij zult millioenen winnen, kinderen, millioenen!" Hij kuste ons beiden, Bettina en mij... Hij begon te ijlen en hij stierf terwijl hij herhaalde: "millioenen!" Den volgenden dag kwam er een zaakgelastigde bij mij, die mij aanbood alle schulden te betalen, en mij op den koop toe tien duizend dollars te geven, wanneer ik hem alle rechten op het proces afstond. Het handelde over eene groote uitgestrektheid gronds in de Colorado... Ik weigerde. Toen was het dat wij zeer arm zijn geweest.

—En toen, zeide Bettina, dekte ik de tafel.

—Ik bracht mijne dagen bij de advokaten van New-York door ... maar niemand wilde mijne zaak behartigen. Overal gaf men mij het zelfde antwoord: Uwe kans is zeer twijfelachtig, gij hebt rijke en gevreesde tegenstanders, gij hebt geld, zeer veel geld noodig om uw proces ten einde te brengen ... en gij hebt niets meer... Men biedt u behalve de betaalde schulden, nog tien duizend dollars aan, stem toe, verkoop het proces. Maar ik hoorde nog telkens de woorden van mijnen vader, en ik wilde niet... De armoede zou er mij echter weldra toe dwingen, toen ik op zekeren dag nog ééne poging waagde, bij een van de vrienden van mijnen vader, een bankier uit New-York, mijnheer William Scott. Hij was niet alleen; een jong mensch zat in zijn kabinet, bij de schrijftafel. "Gij kunt ronduit spreken, zeide hij, dit is mijn zoon Richard." Ik keek dit jonge mensch aan, hij mij, en wij herkennen elkander ... Suzie!—Richard! Hij steekt mij de hand toe. Hij was vier en twintig jaar oud, en ik achttien. Dikwijls hadden wij als kinderen samen gespeeld. Toen waren wij dikke vrienden; zeven of acht jaar geleden, was hij naar Frankrijk en naar Engeland gegaan, om zijne opvoeding te voltooien. Zijn vader geeft mij een stoel, en vraagt mij wat ik kom doen. Ik vertel het hem... Hij luistert en antwoordt:

"Gij hebt twintig à dertig duizend dollars noodig. Niemand zal u dat geld op de onzekere kansen van het proces leenen. Dat zou dwaasheid zijn. Wanneer gij ongelukkig zijt, wanneer gij hulp noodig hebt..."

—Dat is het niet vader, zeide Richard haastig, dat vraagt juffrouw Percival niet.—Dat weet ik wel, maar wat zij mij vraagt, is onmogelijk... Hij staat op om mij uit laten... Toen overviel mij een aanval van zwakte, de eerste na mijns vaders dood; ik had mij tot nu toe opgehouden, maar mijne krachten begaven mij. Ik barstte in tranen uit. Eindelijk kwam ik tot bedaren, en vertrok. Een uur daarna was Richard Scott bij mij. "Suzie, zeide hij, beloof mij dat je datgene aan zult nemen, wat ik je aanbied." Ik beloofde het hem... "Nu, zeide hij, op eene voorwaarde, dat mijn vader er niets van te weten komt, stel ik de som die je noodig hebt, tot je beschikking."—"Maar gij moet toch eerst het proces kennen, dat gij weet wat het waard is? Ik weet niets van het proces ... en wil er niets van weten. Hoe zou ik mij kunnen verdienstelijk maken, wanneer ik wist dat ik mijn geld terugkreeg? Overigens, gij hebt het beloofd. Het is gebeurd. Gij kunt uwe woorden niet meer intrekken." Het werd mij zoo eenvoudig aangeboden, dat ik het aannam. Drie maanden daarna, was het proces gewonnen; de grond, die nu ons onbetwistbaar eigendom is, wilde men voor vijf millioen afkoopen. Ik ging Richard raadplegen. Weiger en wacht af, zeide hij, wanneer men je deze aanbiedt, dan is de grond het dubbele waard. Maar ik moet je toch het geld teruggeven.—O, wat dat betreft, daar is geen haast bij; ik ben nu volkomen gerust! mijn krediet loopt nu geen gevaar meer.—Maar ik wilde je dadelijk betalen; ik haat schulden. Er is maar een middel, zonder het terrein te verkoopen. "Richard, wil je mij trouwen?" Ja, mijnheer de pastoor; ja, zeide mevrouw Scott lachend, ik heb mij in de armen van mijn man geworpen. Ik heb hem ten huwelijk gevraagd. Dit kunt gij aan iedereen vertellen, en dan spreekt u de waarheid. Ik was trouwens wel genoodzaakt om zoo te spreken. Want nooit, nooit, dat weet ik zeker, had hij gesproken... Ik was te rijk geworden... En, daar hij van mij hield en niet van mijn geld, was hij doodsbang voor mijn geld. Dat is de geschiedenis van mijn huwelijk. Die van mijn fortuin is in twee woorden gezegd. Er zijn werkelijk millioenen in die terreinen van Colorado; men heeft er overvloedige zilvermijnen gevonden, en uit deze mijnen trekken wij elk jaar ongehoorde inkomsten. Wij zijn overeengekomen, om een groot gedeelte aan de armen te geven. Gij merkt het, mijnheer de pastoor, ... het is omdat wij zelf arm zijn geweest, dat wij zelf leed gekend hebben, dat gij ons altijd hulpvaardig zult vinden.

Maar ik heb u nog niet alles verteld. Gij moet weten hoe die onzinnige verhalen in de wereld zijn gekomen. Toen wij in Parijs kwamen wonen, hebben wij gedacht, dat wij dadelijk eene som aan de armen moesten geven. Wie heeft het verteld? Wij zeker niet; maar het werd in eene courant vermeld, met het cijfer er bij. Dadelijk kwamen twee verslaggevers bij mijnheer Scott, om hem een klein verhoor over zijn verleden te doen ondergaan. Zij wilden over ons schrijven. Mijnheer Scott is wel eens opvliegend. Hij was het dien dag, en gaf aan beide heeren hun congé, zonder iets te vertellen. En, daar zij toen onze werkelijke geschiedenis niets kenden, hebben zij er eene uitgevonden. De een vertelde dat ik in New-York gebedeld had, en de andere, om nog meer sensatie te verwekken, vertelde dat ik door papieren hoepels gesprongen had, in een circus van Philadelphia. Gij hebt dwaze couranten hier in Frankrijk... Trouwens, wij ook in Amerika.

Al sedert vijf minuten, deed Pauline wanhopige pogingen om de aandacht van den pastoor te trekken, zonder zich echter te doen bemerken, totdat zij eindelijk, ten einde raad, al haren moed te zamen nam:

—Mijnheer de pastoor, het is kwart over zeven.

—Kwart over zeven! O! dames, neemt mij niet kwalijk, maar ik heb van avond dienst voor de Maria maand.

—De Maria maand ... dienst, nu dadelijk?

—Ja, dadelijk.

—En onze trein, hoe laat vertrekt die?

—Om half tien, antwoordde Jean, en met een rijtuig hebt gij slechts twintig minuten noodig om aan het station te komen.

—Maar Suzie, dan kunnen wij naar de kerk gaan.

—Laat ons gaan, antwoordde mevrouw Scott; maar eerst heb ik een verzoek aan u, mijnheer de pastoor. Ik wil u absoluut bij mij zien, wanneer ik de eerste maal in Longueval dineer, en u ook mijnheer maar alleen, met ons vieren. O, gij moogt niet weigeren.

—En wij nemen het dankbaar aan, mevrouw, antwoordde Jean.

—Ik zal u schrijven. Ik kom zoo gauw mogelijk. In dien tusschentijd had Pauline miss Percival in een hoek der kamer getrokken, en stond druk met haar te spreken. Hun gesprek eindigde met de woorden:

—Zal je er zijn? vroeg Bettina.

—Ja.

—En je zegt mij wel wanneer?

—Ik zal het u zeggen, maar wees voorzichtig ... hier komt mijnheer de pastoor, hij mag niets... De zusters, de abbé en Jean verlieten het huis; om naar de kerk te gaan, moesten zij het kerkhof oversteken. Het was een heerlijke avond. Langzaam, stilzwijgend, liepen zij door eene laan, die door de stralen der ondergaande zon beschenen werd. Op hunnen weg bevond zich het eenvoudige monument van dokter Reynaud, maar dat zich toch door zijne grootte van de andere graven onderscheidde. Mevrouw Scott en Bettina bleven staan, getroffen door het opschrift:

Hier rust dokter Marcel Reynaud,
chirurgijn-majoor der dienstplichtigen van
Souvigny, gesneuveld, den 8 Januari 1871,
in den slag bij Villersexel.

Bid voor hem.

Toen zij het gelezen hadden, zeide de pastoor, op Jean wijzend: "Het was zijn vader!"

De twee vrouwen stonden een oogenblik bij de graftombe stil, en spraken een kort gebed; zich toen tegelijkertijd omwendend, reikten zij aan den jongen officier stilzwijgend de hand en vervolgden hunnen weg naar de kerk. De pastoor ging zijn koorkleed en zijne stola aantrekken. Jean begeleidde mevrouw Scott naar de plaats, die gedurende twee eeuwen aan de eigenaars van Longueval had toebehoord. Pauline was vooruit gegaan. Zij wachtte miss Percival op, achter een pilaar der kerk verborgen. Zij klom met Bettina eene stijle trap op, en bracht haar bij het orgel.

Door twee koorknapen voorafgegaan, trad de oude priester uit de sacristie, en op het oogenblik dat hij voor het altaar nederknielde, zeide Pauline:

—Dit is het geschikte oogenblik, juffrouw. Goede lieve man, wat zal hij gelukkig zijn.

Toen hij de tonen van het orgel hoorde, die zich zacht klagend verhieven, werd de abbé Constantijn zoo door aandoening overstelpt dat de tranen hem in de oogen sprongen. Hij herinnerde zich niet meer geweend te hebben, sedert den dag toen Jean hem mededeelde, dat hij alles met de moeder en de zuster van degenen, die naast zijn vader gesneuveld waren, wilde deelen.

En om deze tranen te weeg te brengen, moest eene kleine Amerikaansche de zee oversteken, om in de kerk van Longueval eene Rêverie van Chopin te spelen.